| Plan: | Weerscheut 47 Vinkel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0796.0002514-1401 |
Ten zuiden van Weerscheut 45 in Vinkel willen de eigenaren – op hetzelfde perceel - een vrijstaande woning ontwikkelen. Het perceel is op dit moment onbebouwd en conform de vigerende bestemming in gebruik voor agrarische doeleinden.
De gemeente 's-Hertogenbosch wil in principe medewerking verlenen aan de ontwikkelingswensen van eigenaren van het perceel. Omdat het vigerende bestemmingsplan op dit moment geen woning toelaat, moet het bestemmingsplan hiervoor worden herzien. De gemeente heeft de eigenaren met die reden uitgenodigd een bestemmingsplan inclusief de benodigde onderzoeken op te laten stellen waaruit blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Onderhavig bestemmingsplan is hiertoe opgesteld. Dit bestemmingsplan zorgt voor de juridisch planologische grondslag om een vrijstaande woning te ontwikkelen.
Het plangebied bestaat uit het perceel kadastraal bekend gemeente Nuland, sectie E, nummer 2711 en kent een grootte van circa 5775 m2. De afbeelding hieronder geeft met een groene kleur op de kadastrale kaart met luchtfoto het plangebied weer.
Deze toelichting bestaat uit acht hoofstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de aanleiding en ligging van het plangebied. Hoofdstuk 2 de huidige situatie, welke wordt gevolgd door de planbeschrijving in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 gaat in op het beleidskader en in hoeverre het planvoornemen daaraan voldoet. Hoofdstuk 5 betreft de beschrijving van de aspecten milieu, duurzaamheid en waarden in relatie tot het planvoornemen. In hoofdstuk 6 wordt een toelichting gegeven op de juridische verankering van het plan in de bij dit bestemmingsplan behorende regels. Hoofdstuk 7 gaat in op de economische haalbaarheid en hoofdstuk 8 op de maatschappelijke haalbaarheid.
Het plangebied is gelegen ten noorden van het dorp Vinkel. Op de luchtfoto hieronder is de ligging van het plangebied aangeduid met een rood pijltje.
Het plangebied is gelegen in de bebouwingsconcentratie 'Weerscheut', zoals opgenomen in de structuurvisie 'Weerscheut te Vinkel' welke door BügelHajema in opdracht van de voormalige gemeente Maasdonk opgesteld. Het plangebied is in deze structuurvisie aangeduid als 'bebouwingsconcentratie met potentiele RvR-regelingen/ functieveranderingen' en als doorzicht.
Op de navolgende afbeeldingen is de bebouwingsconcentratie en de ontwikkeling ervan door de jaren heen weergegeven. Op de grootste afbeelding is het plangebied met een blauw kader weergegeven.
Ten westen van Weerscheut is sprake van een beekdallaagte/ broekgebied. Ten oosten van de Weerscheut zijn jongere heideontginningen aan de orde. De losse bebouwing aan de Weerscheut is in de loop van de tijd gegroeid naar een lintbebouwing, met plaatselijk verdichtingen. Begin 20e eeuw was sprake van een zeer kleinschalig landschap, met vele landschapselementen. Tegenwoordig is de openheid tussen de lintbebouwing karakteristiek en waardevol. Veel landschapselementen zijn verdwenen, er zijn nog restanten van houtsingels aanwezig. De Vinkelsche Loop is een belangrijke structuurdrager en doorkruist de bebouwingsconcentratie.
Rondom het plangebied is een mix aan functies aanwezig, welke typerend zijn voor een bebouwingslint zoals de Weerscheut. Het gaat om de functies 'Wonen', 'Agrarische bedrijvigheid' al dan niet intensief en niet agrarische bedrijvigheid. De aanwezige functies zijn hier en daar aan het lint geclusterd, tussen de clusters is sprake van openheid met zicht op het achterliggende landschap dat voornamelijk agrarisch wordt gebruikt.
Onderstaande afbeeldingen illustreren bovenstaande beschrijving.
De Weerscheut bezien vanaf het zuiden, vanuit het dorp met langzamer verkeer komt men via een slinger in de weg op het 60km/uur gedeelte van de Weerscheut aan.
De Weerscheut bezien vanaf het zuiden. De woning recht vooruit aan de linkerzijde van de weg is nummer 45. Voor de woning ligt het plangebied.
Schuin tegenover het plangebied, bezien vanaf het zuiden.
De Weerscheut bezien vanaf het noorden.
Het vigerende bestemmingsplan is 'Buitengebied Maasdonk 2012', dat door de gemeenteraad van Maasdonk op 23 april 2014 is vastgesteld. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch met waarden – landschap'. Er is geen sprake van een bouwblok, dat betekent dat alleen agrarisch grondgebruik is toegestaan en geen bebouwing. Verder zijn nog twee gebiedsaanduidingen van toepassing, namelijk 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied'. Hieronder is een uitsnede van www.ruimtelijkeplannen.nl opgenomen, waarop de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ter hoogte van het plangebied zichtbaar is.
In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Onderstaande afbeelding betreft de inrichtingsschets.
Het plangebied is opgedeeld in twee kamers. In de noordelijke kamer is de woonbebouwing bedacht. De bebouwing is geprojecteerd aansluitend op het cluster van bebouwing dat (bezien vanaf het plangebied) begint bij Weerscheut 45 en doorloopt tot Weerscheut 35/ 37a. De zuidelijke kamer bestaat uit in het gebied passende groene en blauwe elementen.
Het is de bedoeling in het noorden van het plangebied in een groene kamer een nieuwe woning toe te voegen met bijgebouw. Voor de woning geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6,6 en 11 meter. Voor het bijgebouw geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,3 en 6,6 meter. De inhoud van de woning bedraagt niet meer dan 750 m3 exclusief aan- en uitbouwen. Voor aan- en bijgebouwen geldt een maximum van 100 m2.
De uitstraling van de woning is landelijk, maar niet historiserend. Het gaat om een eigentijdse woning. Het volume is eenvoudig en refereert aan de schuren die typerend zijn voor het landelijke gebied in het noordoosten van Noord-Brabant.
Onderstaande afbeelding geefteen indruk van de in het plangebied beoogde bebouwing.
In het gehele plangebied wordt nieuwe beplanting gerealiseerd (landschappelijke inpassing). Het gaat om de ontwikkeling van twee groene kamers met bij het gebied passende beplanting. Ook is sprake van de realisatie van een blauw element. Zie de afbeelding en referentiebeelden hieronder alsook bijlage 1 bij deze toelichting, welke meer inzicht geven in de beoogde groene en blauwe inrichting van het plangebied.
Het beoogde gebruik van het plangebied bestaat voor het noordelijke gedeelte/ kamer van het plangebied uit 'Wonen'. In het zuidelijke gedeelte/ kamer van het plangebied is de functie 'Wonen' niet toegestaan. Hier wordt de landschappelijke inpassing (beplanting) die een groot onderdeel van het plan behelst gerealiseerd. Alhoewel agrarisch grondgebruik hier – door de aan te leggen en in stand te houden landschappelijke inpassing - niet is toegelaten, betreft de functie zoals deze wordt bestemd wel 'Agrarisch met waarden'. Dit heeft te maken met de systematiek en bijbehorende doeleindenomschrijving van het vigerende bestemmingsplan waarop met onderhavig plan wordt aangesloten.
Verkeer
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied wordt direct op de Weerscheut ontsloten. Voor de verkeersaantekkende werking is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW. Onderhavig gebied dat getypeerd kan worden als 'Buitengebied' en 'Matig stedelijk' genereert 7,8 tot 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning, gemiddeld 8. In onderhavige situatie is geen sprake van een bestaande functie die verkeer genereert, wat betekent dat door het planvoornemen de verkeersgeneratie van gemotoriseerd verkeer met 8 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Deze toename is verwaarloosbaar, namelijk de huidige ontsluiting van het plangebied is afdoende om deze toename te kunnen faciliteren.
Parkeren
Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets dat is vastgesteld op 21 september 2016. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden.
Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied. De nieuw toe te voegen functie betreft één woning welke een groter woonoppervlak kent dan 150 m2. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is op basis hiervan conform de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets 2,1 te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein. In onderhavige situatie wordt hieraan in de vorm van 'parkeren op het erf' (geen parkeervakken, wel parkeerruimte) voldaan. Op eigen terrein is voor minimaal 3 auto's ruimte aanwezig.
In het plangebied wordt geen nieuwe openbare ruimte ontwikkeld. Het gaat in onderhavige situatie slechts om de ontwikkeling van 100% privaat terrein. Aan het huidige openbare gebied worden - uitgezonderd de aantakking van het plangebied middels een in-/uitrit op de Weerscheut – ten gevolge of ten behoeve van de ontwikkeling geen wijzigingen aangebracht.
Om het planvoornemen te kunnen realiseren hoeven geen bomen te worden gekapt. Niet op privaat terrein, niet in de openbare ruimte. De inrit wordt zo gepositioneerd dat in de openbare ruimte (langs de Weerscheut) geen bomen hoeven te worden gekapt. Zie de afbeelding hieronder die dit illustreert (de ingetekende bomen zijn alle bestaande bomen nabij de inrit).
Onderdeel van het planvoornemen is de realisatie van landschappelijke inpassing, waarbij ook bomen en andere groene elementen worden aangeplant en blauwe elementen worden aangelegd. Op het aspect beplanting (lees: landschappelijke inpassing) is in paragraaf 3.2 van deze toelichting nader ingegaan.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid:
Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling geldt dat geen sprake is van specifieke nationale belangen die in het Barro of Rarro worden genoemd waarmee rekening moet worden gehouden. Een uitzondering hierop is het laatstgenoemde nationale belang. Dit houdt in dat bij stedelijke ontwikkelingen de ladder van duurzame verstedelijking (zoals opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro) dient te worden gemotiveerd.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Onderhavig plan omvat het toevoegen van één woning, waarmee er conform jurisprudentie aangaande het begrip stedelijke ontwikkeling i.r.t. de ladder voor duurzame verstedelijking geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit leidt ertoe dat niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking hoeft te worden getoetst.
Uiteraard is – los van het feit dat het hier juridisch gezien niet om een stedelijke ontwikkeling gaat – wel bekeken of de ontwikkeling binnen het gemeentelijke en regionale woningbouwbeleid past. Een toelichting hierop staat in paragraaf 4.4.3 (Woonvisie 2020).
De woning wordt in het buitengebied gerealiseerd. Geen sprake is echter van nieuw ruimtebeslag, omdat voor de realisatie van de woning stallen zijn gesloopt (1000 m2, wat meer is dan voor de woning gerealiseerd gaat worden) en milieurechten zijn ingetrokken.
Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het Rijksbeleid.
Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
Op de Structurenkaart is het plangebied/projectgebied aangeduid als 'Gemengd landelijk gebied'. Zie de uitsnede van de structurenkaart ter hoogte van het plangebied hieronder.
De ligging van het plangebied in het 'Gemengd landelijk gebied' betekent dat het gebied bedoeld is voor een breed georiënteerde plattelandseconomie, duurzame agrarische ontwikkeling en versterking van het landschap. In het 'Gemengd landelijk gebied' is het de bedoeling dat functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld. Er wordt in dit gebied voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie, toerisme en ondernemen in een groene omgeving. Daarnaast is het ook de bedoeling dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Aan gemeenten is daarom gevraagd om het gemengd landelijk gebied in te delen in gebieden waar primair agrarische activiteiten kunnen worden ontplooid en gebieden waar een meer gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd.
De gemeente heeft het gebied waarin onderhavig plangebied is gelegen aangeduid als een bebouwingsconcentratie, waarvoor zij een ontwikkelingsvisie heeft neergelegd. Hierover wordt in paragraaf 3.3 nader ingegaan. In verband met het provinciale beleid is relevant dat voor het gebied waarin het plangebied is gelegen de ontwikkelrichting bestaat uit meer kleinschalige stedelijke voorzieningen en niet uit primair agrarisch gebied. Onderhavige ontwikkeling vindt aansluiting bij de door de gemeente geschetste ontwikkelingsrichting voor het gebied.
Het beleid zoals opgenomen in de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 is door de provincie Noord-Brabant vertaald in een provinciale planologische verordening. Een instrument waarmee provincies regels stellen waaraan gemeenten zich moeten houden bij het ontwikkelen van onder andere bestemmingsplannen.
De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant regelt diverse ruimtelijke onderwerpen, welke op perceelniveau per onderwerp zijn begrensd en visueel op een kaart met verschillende kaartlagen zijn weergegeven. Hierdoor is voor ieder gebied in Noord-Brabant duidelijk welke regels er wat betreft provinciaal ruimtelijk beleid gelden. Door deze regels weten gemeenten al in een vroeg stadium waaraan ze toe zijn.
Ter plaatse van het plangebied gelden conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant de instructieregels voor gemeenten voor het 'Landelijk Gebied'. Zie de uitsnede van de kaart van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ter hoogte van het plangebied (rode pijltje) hieronder.
Het planvoornemen waar het hier om gaat betreft het realiseren van één ruimte-voor-ruimte woning. Op een dergelijke ontwikkeling is artikel 3.80 ruimte-voor-ruimte van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van toepassing. In dit artikel is geregeld dat een bestemmingsplan van toepassing op het 'Landelijk gebied' kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien:
Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als de ruimte-voor-ruimtekavel wordt ontwikkeld vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.
Aan sub a. van bovenstaande voorwaarden wordt voldaan doordat voor de ontwikkeling een ruimte-voor-ruimte bouwtitel is aangekocht. De ruimte-voor-ruimte titel is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6).
Aangaande sub b. wordt het volgende opgemerkt. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft voor het grondgebied van voormalig gemeente Maasdonk haar bebouwingsconcentraties gedefinieerd en vastgelegd in de structuurvisie inclusief bijbehorende uitwerkingen die zij voor het buitengebied heeft vastgesteld. In die visie is onderhavige locatie gelegen in bebouwingsconcentratie Weerscheut. Hieronder is een uitsnede van de visiekaart behorende bij die bebouwingsconcentratie opgenomen. De beoogde locatie voor de te ontwikkelen ruimte-voor-ruimte-woning is hierop aangeduid met een blauwe omlijning.
De visie behorende bij deze kaart geeft aan dat het binnen de lichtgele gedeelten zoals op de kaart aangeduid mogelijk is om ruimte-voor-ruimte-woningen te realiseren. Het plangebied is deels met lichtgeel aangeduid. Dat betekent dat de ontwikkeling passend is in de visie die de gemeente voor het plangebied heeft opgesteld.
Ad sub c. wordt verwezen naar paragraaf 3.2 Beplanting en bijlage 1 van deze toelichting. Voldaan wordt aan een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning.
Ad sub d. wordt hier aangegeven dat het voorgenomen planvoornemen geen aanzet is voor een stedelijke ontwikkeling.
Verder is paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van toepassing. Het gaat in onderhavige situatie dan vooral om de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik, de toepassing van de lagenbenadering, meerwaardecreatie en voor zover het het landelijk gebied betreft ook kwaliteitsverbetering van het landschap. Met dit plan wordt hieraan invulling gegeven. Sprake is van het principe ruimte voor ruimte. De ene bebouwing (veehouderijen) wordt verruild voor de andere (woningen), op plekken waar het passend is (bebouwingsconcentraties). Hierdoor wordt de verstedelijkingsimpact lager. Onderdeel van het planvoornemen is landschappelijke inpassing. Verder wordt rekening gehouden met alle van toepassing zijnde milieuaspecten, waarop in het volgende hoofdstuk nader ingegaan wordt.
Conclusie
Op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is er in verband met het planvoornemen geen sprake van strijdigheden. Voldaan wordt aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord0Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.
Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaatproof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.
Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het provinciale beleid.
Het regionaal bedrijventerrein Heesch West komt aan de zuidzijde van de A59 tussen 's-Hertogenbosch, Heesch en Oss. In een ambitieuze, toekomstgerichte ontwikkeling biedt Heesch West ruimte aan middelgrote tot zeer grootschalige bedrijven, die elders in de regio geen passende huisvesting (meer) vinden. In belangrijke mate zijn dit bedrijven die nu al een regionale binding hebben en zich binnen onze regio willen doorontwikkelen. Onder andere zijn dit (zeer) grootschalige logistiek en bedrijvigheid op het gebied van innovatieve concepten in de bouw, circulaire economie en duurzame energieoplossingen. Ook biedt het terrein ruimte voor regionale verplaatsers en topsectoren.
De gemeenten 's-Hertogenbosch, Oss en Bernheze zijn gezamenlijk initiatiefnemer voor dit terrein en hebben zich hiervoor verbonden in de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Heesch West.
Het regionale bedrijventerrein heeft een onderscheidend aanbod, complementair aan overig lokaal en regionaal aanbod. Daarmee is het bedrijventerrein van belang voor de economische ontwikkeling van de regio en zo van groot belang voor behoud en ontwikkeling werkgelegenheid.
Het plangebied waarop de ontwikkeling van Regionaal Bedrijventerrein Heesch West is voorzien is weergegeven in de afbeeldingen hieronder. Het plangebied betreft niet alleen het bedrijventerrein, maar ook aanpassing en opwaardering van de infrastructuur er naartoe.
Bedrijventerrein Heesch-west ligt op 940 meter van het plangebied. In het bestemmingsplan voor Heesch-west, dat op 2 februari 2022 is vastgesteld, is gemotiveerd dat de bedrijventerreinontwikkeling getuigt van een goede ruimtelijke ordening. Het gaat er in onderhavige situatie dan om dat voor de omgeving een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Als dit aan de orde is voor bestaande woningen die dichterbij Heesch-west liggen, is het aannemelijk dat dit ook geldt voor nieuwe woningen verder weg van Heesch-west. Deze redenatie gaat ook andersom op, met andere woorden de ontwikkeling in het plangebied is niet belemmerend voor Heesch-west.
Verder geldt dat de verkeersaantrekkende werking van Heesch-west effect kan hebben op onderhavige ontwikkeling. Het gaat dan specifiek om de verkeerstoename die voor de Weerscheut wordt verwacht ten gevolge van de ontwikkeling van Heesch-West, waarbij de Weerscheut te maken krijgt met +1200 mvt/etmaal of in geval van mitigerende maatregelen +500 mvt/etmaal. Beoogd wordt verder de Weerscheut in het kader van Heesch-West voor vrachtverkeer af te sluiten. In het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai dat is uitgevoerd voor onderhavige ontwikkeling is reeds rekening gehouden met 2700 mvt/etmaal in 2031, waarbij – met de verlening van een hogere waarde en eventuele maatregelen aan de gevel – een aanvaardbaar binnengeluidsniveau kan worden gerealiseerd.
Conclusie
Heesch-west vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling vormt andersom ook geen belemmering voor bedrijventerreinontwikkeling Heesch-west
De gemeente Maasdonk heeft een Structuurvisie Buitengebied opgesteld (vastgesteld door de Raad op 16 december 2009) welke diende als onderlegger voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Maasdonk. Het doel van deze visie is een ruimtelijk en functioneel kader te creëren voor toekomstige ontwikkelingen die een bijdrage kunnen leveren aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De gemeente heeft eigen beleid opgesteld in de vorm van een gebiedsvisie voor gebieden binnen bebouwingsclusters en voor het gebied buiten deze clusters. De structuurvisie biedt een duidelijk kader waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden en schetst daar ook ontwerprichtlijnen voor. In geval sprake is functieverandering is een belangrijke voorwaarde de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat dan om bijvoorbeeld sloop van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing.
Het plangebied en de omgeving ervan maakt in deze visie deel uit van de ruimtelijk-functionele eenheid 'Extensiveringsgebied'.
Voor het 'Extensiveringsgebied' is in de structuurvisie het volgende geformuleerd:
Dit betreft gebieden die een sterke verweving van functies kennen en grotendeels als extensiveringsgebied-overig zijn aangewezen in het Reconstructieplan. Het gaat hierbij met name om:
De visie voor het 'Extensiveringsgebied' is niet strijdig met het planvoornemen.
Over ruimte-voor-ruimte staat in de structuurvisie opgenomen dat overeenkomstig het provinciale beleid inzake ruimte voor ruimte de bouw van een extra woning in ruil voor de sloop van minimaal 1000 m3 aan gebouwen is toegestaan (met uitzondering van landbouwontwikkelingsgebied en duurzame locaties), met dien verstande dat de nieuwe woning in de bebouwde kom of in een bebouwingsconcentratie moet worden gebouwd. Nadere voorwaarden zijn opgenomen in de beleidsnota 'Verbrede inzet van de aanpak Ruimte voor Ruimte'. Gelet op de ruimtelijke gevolgen van de toepassing van de ruimte voor ruimteregeling, de gewenste afstemming op en inpassing in het omringende landschap en de financiële en juridische complicaties zal realiseren van een dergelijk initiatief alleen mogelijk zijn door middel van een afzonderlijke planherziening.
Onderhavige ontwikkeling is conform de structuurvisie Buitengebied Maasdonk niet gelegen in een bebouwingsconcentratie. Op 1 april 2014 is echter voor de omgeving Weerscheut een aanvulling op de structuurvisie Buitengebied Maasdonk vastgesteld. In deze aanvulling wordt het deelgebied Weerscheut aangemerkt als een bebouwingsconcentratie. De gemeente heeft deze aanvulling vastgesteld, omdat zij ruimere mogelijkheden wil bieden voor functieverandering vanuit het oogpunt van het behoud van een sterke plattelandseconomie. Uitgangspunt bij functieverandering is de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat er eisen worden gesteld aan de sloop van gebouwen en aan de landschappelijke inpassing. Hieronder is het kaartbeeld inclusief legenda behorende bij de bebouwingsconcentratie 'Weerscheut' weergegeven. Het plangebied is blauw omlijnd weergegeven. Het is de bedoeling een nieuwe woning toe te voegen ter hoogte van het lichtgeel aangeduide gebied waarbinnen de locatie deels gelegen is. De bijbehorende landschappelijke inpassing wordt vooral ten zuiden van de woning gerealiseerd (ter hoogte van de grijze ondergrond met aangeven doorzicht). Een en ander in lijn met de ontwerprichtlijnen zoals opgenomen in de Visie Weerscheut.
Onderhavig planvoornemen 'het realiseren van een nieuwe woning' wordt mogelijk gemaakt met de regeling ruimte-voor-ruimte. Bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte wordt een bouwtitel aangekocht. Deze wordt ten behoeve van de nieuw te realiseren woning in het plangebied – dat is gelegen in bebouwingsconcentratie Weerscheut - ingezet. Conform de voor de bebouwingsconcentratie geformuleerde ontwerprichtlijnen wordt aan het planvoornemen invulling gegeven.
Het planvoornemen is passend in de structuurvisie buitengebied Maasdonk inclusief de vastgestelde aanvulling die erop is gedaan voor het deelgebied 'Weerscheut'.
Tegenover het plangebied wordt een nieuwe woonwijk ontwikkeld: Vinkelse Slagen. Vinkelse Slagen bestaat uit 3 fasen. Fase 1 en 2 zijn reeds positief bestemd. Zie de afbeelding hieronder die de ligging van deze fasen illustreert. Fase 3 is nog niet positief bestemd en dan ook niet op onderstaande afbeelding weergegeven.
Voor de eerste fasen wordt een ontsluitingsweg van de woonwijk op de Weerscheut aangelegd. Deze ontsluitingsweg ligt ongeveer tegenover (de landschappelijke inpassing behorende bij) het plangebied.
Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie 's-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Ontspannen en soms ook spannend wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd:
Passend en betaalbaar wonen voor iedereen
Leefbare en inclusieve buurten
Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
Strategisch innovatief woonprogramma.
Passend en betaalbaar wonen
Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens. We zetten in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten.
Leefbare en inclusieve buurten
De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid.
Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad
De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad.
Strategisch innovatief woonprogramma
De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 – 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën:
Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt.
Nieuwe woningen kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid en diversiteit van woonmilieus. Dit door het realiseren van (hoog)stedelijke woonmilieus met hoogbouw, compacte woonvormen en (collectieve) voorzieningen. Maar ook door het mogelijk maken van verdichting en verduurzaming van woonbuurten buiten het centrum en in groenstedelijke woonmilieus. In de dorpse woonmilieus worden ook op kleine schaal woningen toegevoegd. We stimuleren projecten die innovatief en vernieuwend zijn, bijvoorbeeld door circulair te bouwen of door toekomstige bewoners te betrekken en zeggenschap te geven. Daarnaast dienen projecten bij te dragen aan de hierboven genoemde opgaven.
Ruimte-voor-ruimte-woningen zijn geen onderdeel van de woonvisie 2020. O.a. omdat ze niet worden toegerekend aan/ onderdeel zijn van het nieuw te realiseren aantal woningen in de gemeente waarop de gemeente in/ met het regionale en gemeentelijke woningbouwbeleid stuurt. Toetsing aan de woonvisie 2020 is daardoor niet relevant.
Ter plaatse van het plangebied geldt de Welstandsnota (2004), die door de voormalige gemeente Maasdonk is vastgesteld. De welstandsnota bevat criteria voor de beoordeling van de vormgeving van bouwplannen bij de welstandstoets.
Voor het plan is welstandsniveau 1 aan de orde (zie rode cirkel op de afbeelding hieronder). Dit is het hoogste welstandsniveau dat is toegekend aan de gebieden die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van kernen en landschap, waaronder de belangrijke, doorgaande routes en historische linten.
Het planvoornemen is in een bouwplan uitgewerkt en voorgelegd aan de welstandscommissie. In de eerste beoordelingsronde is het navolgende aangegeven: “het ontwerp van de woning voldoet niet aan de karakteristieken van het buitengebied. Verwezen wordt naar de Welstandsnota Maasdonk 2004. Het ontwerp dient traditioneler in opzet met eventuele een moderne uitvoering/detaillering, en afgestemd te worden op de kenmerkende architectuur in de omgeving”. Verder heeft de welstandscommissie een verspringende rooilijn en het handhaven van het agrarische karakter van het aangrenzende perceel geadviseerd. Het bouwplan is hierop aangepast en vervolgens door de welstandscommissie akkoord bevonden. Hieronder is een afbeelding van het bouwplan opgenomen.
Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2017 en wordt van kracht zodra het college van B&W de bijbehorende Groene kaart hebben vastgesteld. Vooruitlopend daarop wordt al rekening gehouden met het beleid.
Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen. De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan.
Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen.
De inventarisatie bestaat minimaal uit:
Hieruit blijkt welke bomen waardevol en te behouden zijn. Deze bomeninventarisatie komt terug in het ontwerp waardoor te zien is welk effect het plan op het bestaande groen heeft. De bomendeskundige gebruikt de bomeninventarisatie vervolgens als basis om eisen te stellen aan inpassing en bescherming. Op deze manier kan worden geborgd dat er voldoende bomen behouden blijven.
De in het plangebied aanwezige bomen geïnventariseerd. Echter minder specifiek dan in het bomenbeleid is geformuleerd. Dit is ook niet nodig, aangezien de bomen in het plangebied blijven bestaan. Ze vormen – met behoud als uitgangspunt - onderdeel van de planontwikkeling.
Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gemeentelijke beleid.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.
Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.
Richtlijn
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).
In het plangebied wordt een gevoelige functie gerealiseerd. Geen sprake is van de ontwikkeling van een bedrijfsfunctie. Belangrijk is dat de nieuwe gevoelige functie nabijgelegen bedrijfsfuncties niet hindert en er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nabij het plangebied zijn drie bedrijven gelegen. Het gaat om de navolgende locaties/ bedrijvigheid en aan te houden richtafstanden (gebiedstype rustige woonwijk/ buitengebied) tot aan gevoelige functies:
De afstand tot de bestemmingsvlakken/ bouwblokken van deze bedrijven is ten opzichte van de meest nabij gelegen gevel van de nieuwe woning in het plangebied:
Op basis van voorgaande blijkt dat alle bedrijvigheid op grotere afstand is gelegen van de nieuwe gevoelige functie dan conform de richtafstanden die VNG-brochure bedrijven en milieuzonering. Bedrijven en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen. Voor de motivering ten aanzien van het aspect geur ten gevolge van de veehouderijen aan Weerscheut 49 en 16 wordt verwezen naar paragraaf 5.9 waaruit blijkt dat dit aspect eveneens niet belemmerend is voor het planvoornemen. Het woon- en leefklimaat in het plangebied wordt door nabijgelegen bedrijvigheid niet belemmerd. De ontwikkeling belemmert nabijgelegen bedrijvigheid niet in haar bedrijfsvoering.
Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
Wettelijk kader
Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluids-onderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van 250 meter van de Weerscheut. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 53 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:
Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding)
Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming)
Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling)
Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder bepaalde voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Bij het toekennen van een verzoek om een hogere grenswaarde voor geluidgevoelige bestemmingen tot en met de geluidklasse “onrustig” worden de volgende criteria bij de afweging betrokken:
Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.
Plan
Binnen het plangebied wordt een geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft één woning welke in het de geluidszone van de Weerscheut wordt gerealiseerd. Voor de geluidgevoelige bestemming is door Nipa milieutechniek een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Het onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting (bijlage 2, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Weerscheut 47 te Vinkel, Nipa Milieutechniek, 11 maart 2021). De samenvatting en conclusie van het onderzoek is hieronder opgenomen.
De nieuwe woning is gelegen in de zone (akoestisch aandachtsgebied) van de Weerscheut in Vinkel. Uit het onderzoek blijkt een geluidbelasting als gevolge van het wegverkeerslawaai inclusief de correctie ex art. 110g van de Wet geluidhinder van ten hoogste 53 dB. Bij deze locatie wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde op de maatgevende voorgevel en zijgevels van 48 dB. Het bevoegd gezag dient daarom een hogere waarde wegverkeerslawaai voor de nieuwe woning vast te stellen. Dit kan alleen als voldaan wordt aan het beleid dat de gemeente 's-Hertogenbosch hiervoor heeft (Nota hogere grenswaarden gemeente 's-Hertogenbosch). Hieronder is dit gemotiveerd aan de hand van de criteria die in dat beleid zijn opgenomen voor het vaststellen van een hogere waarde:
Ad1 Het ontwerp gaat uit van een invulling van de ruimte tussen bestaande bebouwing en een positionering in dezelfde rooilijn als naburige bebouwing. Het is stedenbouwkundig niet aanvaardbaar om deze geluidgevoelige bestemmingen op een ruimere afstand van de wegen te realiseren.
Ad2 Het verlagen van de snelheid op de Weerscheut ligt niet voor de hand gezien het karakter van de weg. Door het verlagen van de rijsnelheid van 50 km/uur naar bijvoorbeeld 30 km/uur zijn de wegen geen gezoneerde wegen meer en hoeven dus niet meer getoetst te worden aan de Wet geluidhinder, maar het zal geen effectieve maatregel zijn ter reductie van de eventuele geluidhinder bij de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen.
Ook is het niet realistisch om een geluidreducerend wegdek op deze wegen toe te passen ter hoogte van het plan. Na het toepassen van een geluidreducerend wegdektype wordt de voorkeurswaarde nog steeds overschreden.
Ad3 Gezien de geluidbelasting en de afstand tot de weg is een lang geluidscherm nodig om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeurswaarde. Een dergelijk scherm is in deze situatie niet reëel en vanuit stedenbouwkundig oogpunt ook niet gewenst.
Ad4 Er zal enige geluid-afscherming zijn voor het achterliggende gebied.
Ad5 De tuin is gesitueerd aan de geluidluwe zijde.
Ad6 De woning heeft een geluidluwe gevel met tenminste één verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde.
Ad7 Ten tijde van de bouwplanfase zal door middel van het overleggen van een akoestisch onderzoek naar de gevelwering moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan de in het Bouwbesluit gestelde voorwaarden aan de vereiste karakteristieke. Op basis van reguliere maatregelen aannemelijk dat de bij de ondervonden geluidbelasting van 53 dB benodigde geluidwering van 25 dB behaald zal worden.
Gezien bovenstaande overwegingen is het mogelijk om de hogere grenswaarden voor geluid te verlenen. Er wordt voor wat betreft het aspect geluid een acceptabel woon- en leefklimaat bereikt.
Aanvullend moet in het kader van het Bouwbesluit worden voldaan aan een binnengeluidsniveau van maximaal 33dB. Om aan te kunnen tonen dat dit het geval is, is een aanvullend onderzoek naar de (karakteristieke) geluidwering van de gevel noodzakelijk. Het onderzoek moet worden bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen.
Voor deze geluidgevoelige bestemming heeft het college van burgemeester en wethouders – onder voorwaarden - een hogere waarde-besluit genomen. De voorwaarden zijn opgenomen in het hogere waarde-besluit. Het besluit is bij dit bestemmingsplan gevoegd (bijlage 3).
Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zone van het spoortraject 's-Hertogenbosch-Utrecht / 's-Hertogenbosch-Nijmegen / 's-Hertogenbosch-Tilburg/Eindhoven. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet relevant.
Onderzoek naar het aspect 'railverkeerslawaai' is niet nodig.
Geluidszonering
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. De zonering van industrielawaai is vastgelegd in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder 'Zones rond industrieterreinen' en hoofdstuk 2 van het Besluit geluidhinder.
In het plangebied is vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Er worden ook geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen een 50 dB(A) contour.
Met betrekking tot het geluid, geproduceerd door bedrijven, gelden naast de normen uit de Wet geluidhinder ook normen uit de Wet milieubeheer. In paragraaf 5.2 van deze toelichting is ingegaan op de nabij het plangebied gelegen bedrijvigheid en de daarbij horende richtafstanden ten opzichte van gevoelige objecten. Het gevoelige object dat in het plangebied wordt gerealiseerd is niet gelegen binnen een dergelijke in acht te nemen richtafstand.
Onderzoek naar het aspect 'industrielawaai' is niet nodig.
De akoestische afweging gebaseerd op enkel de Wgh is niet altijd afdoende voor de beoordeling of er sprake is van een aanvaardbare akoestische kwaliteit bij een geluidsgevoelige bestemming. In het geval dat een nieuwe geluidsgevoelige bestemming ook in de invloedsfeer van andere geluidsbronnen ligt, moet gekeken worden naar de akoestische kwaliteit als gevolg van alle geluidsbronnen samen (cumulatie). Cumulatie van geluid is dan ook de optelling van de geluiden die afkomstig zijn van verschillende bronnen.
Binnen het plan worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Deze geluidsgevoelige bestemmingen ervaren niet meer dan één geluidbron boven de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting. Cumulatie van geluid is in onderhavige situatie geen thema.
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor het planvoornemen. In het plangebied is sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het plangebied wordt geen geluidsbron mogelijk gemaakt. Het planvoornemen veroorzaakt daardoor geen belemmeringen voor nabijgelegen gevoelige functies. Verder geldt dat dat het planvoornemen nabijgelegen bedrijvigheid (geluidsbronnen) niet hindert, omdat het planvoornemen buiten de richtafstanden die aan de orde zijn voor het aspect geluid conform de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering ligt.
Bij trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het vrijwel altijd om bescherming tegen trillingshinder bij personen. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra welke gevoelig zijn voor trillingen). Trillingen is een mee te nemen aspect in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'.
Weg- of railverkeer en bepaalde industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem naar gevoelige objecten. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder opleveren. Wegverkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. De aard en heftigheid van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig, de belading, snelheid en de oneffenheden waar het verkeer overheen rijdt. Ook treinverkeer kan zorgen voor trillingen. De snelheid en gewicht van treinen is hierbij een belangrijke factor bij het ontstaan van trillingen. Daarnaast zijn de eigenschappen van de trein (onder andere belading) en de interactie van de trein met de ondergrond van belang bij het ontstaan en doorgeven van trillingen naar de omgeving (de bodem).
Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Het plangebied is niet gelegen op een afstand korter dan 100 meter vanaf een spoorweg. Het plangebied ligt wel binnen 100 meter vanaf een weg (Weerscheut). Er is geen trillingshinder ten gevolge van de Weerscheut bekend.
Trillingshinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Kunstmatige verlichting kan hinder geven. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Hinder door licht hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Bij onderhavig plan is lichthinder niet relevant te noemen, omdat de dichtstbij gelegen functie die lichthinder kan veroorzaken (sportpark) op circa 600 meter van het plangebied is gelegen. Op deze afstand is lichthinder ten gevolge van een sportpark niet aannemelijk.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een
bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)
Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch
De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.
Toetsing beleidsvisie
De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van één nieuwe woningen in het buitengebied. De bewoners worden als normaal zelfredzaam beschouwd. De nieuwe woning wordt beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C van de beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. Aangezien het beleid van 2010 is, is Vinkel nog niet op de kleurenkaarten opgenomen. Vinkel is pas later bij de gemeente 's-Hertogenbosch gekomen. Met die reden kan niet getoetst worden aan het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.
Beschouwing risicobronnen
Er zijn geen risicobronnen (inrichtingen, buisleidingen, transportroutes) aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling. Zie de afbeelding hieronder, welke een uitsnede van de risicokaart op 28 december 2020 betreft.
Dit betekent dat in het plangebied geen sprake is van een externe veiligheidsrisico ten gevolge van inrichtingen, buisleidingen of transportroutes. Er is geen verantwoordingsplicht aan de orde.
Advies Veiligheidsregio:
In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Deze afspraak is tevens opgenomen in de gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijk plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. Om de bijdrage aan de luchtkwaliteit bij een kleiner ruimtelijk plan of verkeersplan vast te kunnen stellen, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een speciale rekentool ontwikkeld, genaamd de NIBM-tool. Met het invoeren van het extra aantal voertuigbewegingen en aandeel vrachtverkeer, bepaalt de NIBM-tool – uitgaande van worst-case omstandigheden – de bijdrage aan luchtkwaliteit en daarmee of een plan wel of niet NIBM is. Uitgaande van een worst-case uiterst maximum van 8 motorvoertuigwegingen per woning per etmaal (conform CROW, verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer), daarmee maximaal 8 in totaal per etmaal, toont de NIBM-tool aan dat dit verkeer niet in betekenende mate bijdraagt bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Zie onderstaand screenshot van de ingevulde NIBM-tool (datum 2 augustus 2021).
Daarom hoeft onderhavig plan formeel niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit de wetgeving bestaat dan ook geen bezwaar tegen onderhavig plan.
Zoals gezegd is een formele toets aan de kwaliteitsnormen hier niet aan de orde, echter is in het kader van 'goede ruimtelijke ordening' de luchtkwaliteit wel beschouwd. Uit de landelijke Monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied onder respectievelijk 15 en 20 µg/m3 liggen. Zie de uitsnede (28 december 2020) van de GCN/GDN-kaarten hieronder.
Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3). Verder is de heersende jaargemiddelde concentratie PM2,5 (de fijnere fractie van fijn stof) hier beneden 12 microgram/m3. Zie de uitsnede (28 december 2020) van de GCN/GDN-kaart hieronder.
Hiermee wordt ruim voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 microgram/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.
Het aspect 'Lucht' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Algemeen
Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.
Bodemsituatie
In februari 2021 is de locatie onderzocht door Van Oort Bodemonderzoek. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Met betrekking tot het thema 'bodem' zijn er geen belemmeringen voor de geplande bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling.
Toelichting bij eventuele afvoer grond
Als deze grond van de locatie wordt afgevoerd zijn de regels van het Besluit en bodemkwaliteit van toepassing. Het is dan noodzakelijk voorafgaand de kwaliteit van de vrijkomende grond te onderzoeken. De bodemkwaliteit van de ontvangende grond mag niet verslechteren door grondverzet. Dit is onder andere vastgelegd in hoofdstuk 7 van de geldende Nota Bodembeheer 2019-2024 van de Omgevingsdienst Brabant Noord. Binnen de gemeente 's-Hertogenbosch worden in de bodem vrijwel overal geringe gehalten PFAS gemeten (diffuse belasting). Deze gehalten bevinden zich ruim beneden de (voorlopige) maximale waarden voor wonen en ruim beneden de risicogrenswaarde zoals vastgesteld door het RIVM. Op basis van de bij de gemeente 's-Hertogenbosch beschikbare gegevens wordt er geen lokale bron voor PFAS verwacht op deze locatie. Voor het afvoeren en elders toepassen van vrijkomende grond afkomstig van deze locatie kan, afhankelijk van de bestemming, wel onderzoek naar PFAS noodzakelijk zijn. Voor eventueel grondverzet (afvoer van grond van de locatie of toepassen van grond op de locatie) zijn de bepalingen van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit van toepassing alsmede eventueel lokaal beleid ter plaatse van de toepassingslocatie.
Uit de totale beoordeling blijkt dat de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik.
Industriële geur
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Het komt erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij 'het voorkómen van nieuwe geurhinder' (nieuwe geurgehinderden) voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is.
In onderhavige situatie is geen sprake van industriële geurbronnen. Het aspect industriële geur is daardoor in onderhavige situatie verder niet relevant.
Agrarische geur
Veehouderijen veroorzaken in het algemeen geur vanwege de dierenverblijven en agrarische bedrijfsstoffen, zoals opslag van mest in mestbassins. Gezien de typering van het plangebied, buitengebied, is geur hier een relevant aspect. Geur kan in de leefomgeving in meer of minder mate hinder veroorzaken en kan om die reden ook gezondheidsrisico's met zich meebrengen. De geuremissie verspreidt zich via de lucht en op de woon- en leefomgeving wordt een geurbelasting veroorzaakt. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig te zijn, maar tevens dienen omliggende bedrijven (veehouderijen) niet in hun bedrijfsontwikkeling(en) worden belemmerd.
Geurbelasting kan op twee manieren worden uitgedrukt. Voor de geurbelasting van landbouwhuisdieren waarvoor geen zogenaamde geuremissiefactor is aangewezen, zijn er vaste afstanden vastgesteld. Onder geurbelasting als gevolg van intensieve veehouderij waar landbouwhuisdieren worden gehuisvest met een geuremissiefactor verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odourunits per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object, zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan in situaties worden berekend met het wettelijk vastgestelde luchtmodel V-stacks. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. De geurbelasting op een gebied is relevant voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat en dient beschouwd te worden om bijvoorbeeld woningbouw te realiseren. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het woon- en leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte.
Veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en aan de in het Activiteitenbesluit genoemde minimaal aan te houden afstand(en) van opslagen van agrarische bedrijfsstoffen als kuilvoer en (drijf)mest tot geurgevoelige objecten. Verder dienen op grond van de Wet milieubeheer beste beschikbare technieken te worden toegepast. Het Activiteitenbesluit geeft ook minimaal aan te houden afstanden tot geurgevoelige objecten voor opslagen van agrarische bedrijfsstoffen, zoals vrij liggende mestbassins. Voldoen aan de gestelde afstanden of aan het regime van de Wgv dient ter voorkoming van geurhinder.
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om in afwijking van de wettelijk gestelde geurnorm en vaste afstanden zelf geurnormen en vaste afstanden vast te stellen om zodoende maatwerk te kunnen leveren voor een bepaalde omgeving. Door de gemeente Maasdonk is de 'Geurverordening 2011' vastgesteld, de gemeente 's-Hertogenbosch heeft deze via een instandlatingsbesluit overgenomen.
Het plangebied is in de geurverordening niet specifiek aangewezen, waardoor de geurnorm en de vaste afstanden voor de huisvesting van dieren volgens de Wgv van toepassing zijn. De te hanteren geurnorm voor een geurgevoelig object op onderhavige locatie is 14,0 ouE/m3. Voor cumulatieve geurhinder geldt in het plangebied (buitengebied) de norm zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant: 20,0 ouE/m3. De te hanteren vaste afstand tussen een veehouderij een geurgevoelige object in het buitengebied is 50 meter.
Aanvullend gelden ingevolge het Activiteitenbesluit (artikel 3.46) nog normen in verband met de opslag van agrarische bedrijfsstoffen. In lid 1 onder b is geregeld dat het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen plaats moet vinden op ten minste 50 meter afstand van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. In afwijking hiervan geldt voor afgedekt kuilvoer een afstand van 25 meter tot een geurgevoelig object (lid 6). De genoemde afstanden worden gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde punt van de plaats waar de agrarische bedrijfsstoffen zijn opgeslagen.
Voor de opslag van mest geldt ingevolge artikel 3.51 van het Activiteitenbesluit voor mestbassins kleiner dan 350 m2 een vaste afstand van 50 meter afstand tot aan een geurgevoelig object.
In de nabijheid van het plangebied, aan Weerscheut 49, ligt een melkveehouderij. Deze is gelegen op circa 60 meter van het plangebied (bouwvlak Weerscheut 49 tot aan beoogd bestemmingsvlak 'Wonen'). Dit houdt in dat aan alle vaste afstanden die voor het bedrijf gelden (Activiteitenbesluit (i.v.m. opslag agrarische bedrijfsstoffen en mest) en Wgv/ Geurverordening 2011) worden gehaald.
In de nabijheid van het plangebied, aan Weerscheut 16, ligt een vleesveehouderij. Dit is een intensieve veehouderij. Voor dergelijke bedrijven gelden in principe geen vaste afstanden maar moet de geurhinder worden berekend, omdat de dieren die gehouden worden een geuremissiefactor kennen. In verband met het planvoornemen is voor dit bedrijf geen geurcontour berekend. Het bedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Het aspect geur vormt gezien de ervaringen met dergelijke bedrijven van geringe omvang in aantal dieren uitgedrukt in Odourunits op een dermate grote afstand geen belemmering voor het planvoornemen. Hieruit blijkt dat veehouderijen in de omgeving geen belemmering vormen voor het planvoornemen of andersom de ontwikkeling geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van nabijgelegen veehouderijen. Voor wat betreft de cumulatieve geurhinder in het plangebied is de regionale geurkaart van het ODBN gebruikt om te beoordelen in hoeverre sprake is van een acceptabele achtergrondsituatie. Hieronder is een uitsnede van de kaart opgenomen. Hieruit blijkt dat ter hoogte van het plangebied (rode cirkel), sprake is van een cumulatieve geurhinder van 5 tot 10 ouE/m3. Voldaan wordt aan de norm van 20 ouE/m3.
Het aspect 'Geur' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.
De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Voor onderhavig plan geldt dat hoogspanningslijnen bijzonder ver buiten het plangebied liggen. Dit houdt in dat het nieuwe gevoelige object in het plangebied ver buiten een magneetveldzone ligt.
Het aspect 'Hoogspanningslijnen' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid en geldende normen zijn vertaald naar de waterhuishoudkundige inrichting van dit bestemmingsplan.
Beleid en uitgangspunten voor integraal waterbeheer
Het klimaat verandert. We verwachten meer hevige én meer langdurige neerslag in de toekomst. Daarom is de kern van het waterbeleid van de 21e eeuw: ruimte maken voor water.
In de Visie Groen en Klimaatbestendig staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen. Zowel de visie als de Verordening zijn in maart 2021 door de gemeenteraad vastgesteld.
De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het Waterbeheerplan.
Waterbeheerplan
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
In de Keur staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast is met de komst van de Waterwet het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciaal bevoegdheid vallende categorieën na; zie art. 6.4 Waterwet.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:
2. Infiltratie/bergen
3. Vertraagde afvoer;
Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.
Huidige situatie
Situatie bebouwing en verhard oppervlak bestaande situatie
In de huidige situatie is geen sprake van verhard oppervlak. Er is geen sprake van poelen en dergelijke, wel van een watergang die het perceel aan de zuid- en westkant van het plangebied afbakent. De watergang betreft een secundaire watergang (geen A-water).
Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden, waterkeringen, leggerwatergangen, e.d.
Keur- en leggerkaarten
Op de afbeeldingen hieronder (uitsneden van de keur- en leggerkaarten) is zichtbaar dat in onderhavige situatie sprake is van een B-watergang op een deel van de rand van het plangebied.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De afbeelding hieronder betreft een uitsnede van de viewer die de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergeeft. Zichtbaar hierop is dat het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied waar water voor menselijke consumptie gewonnen wordt. In verband hiermee stelt de provincie eisen aan bodemwerkzaamheden (rechtstreeks werkende regels) en stelt de provincie instructieregels aan de gemeente (om in acht te nemen bij het opstellen van bestemmingsplannen).
De initiatiefnemer zal als hij grondwerkzaamheden wil uitvoeren rekening moeten houden met de rechtstreeks werkende regels. Dat houdt onder andere in dat hij bij het uitvoeren van grond- en funderingswerken aan bepaalde specifieke regels moet voldoen zoals dat na graafwerkzaamheden hij het bodemprofiel moet aanvullen tot tenminste 3 meter onder het oude maaiveld volgens het oorspronkelijke bodemprofiel.
Voor wat betreft de instructieregels aan gemeenten geldt dat in het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan hieraan invulling is gegeven. Zo is de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' op de verbeelding opgenomen, waaraan regels zijn gekoppeld die voortkomen uit de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ten einde het grondwater te beschermen. Het gaat dan onder andere om regels die schadelijk uitloogbare bouwmaterialen verbieden.
www.dewatertoets.nl
Verder is voor het plangebied de watertoets ingevuld op www.dewatertoets.nl, zie bijlage 7 bij deze toelichting voor de samenvatting en het resultaat. Hieruit komt de conclusie dat de normale procedure van toepassing is. Dit houdt in dat het plan met het invullen van de gegevens op www.dewatertoets.nl voor wat betreft het waterschap nog niet is afgedaan. Het plan moet aanvullend nog worden voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling. Dit gebeurt in het kader van het wettelijk vooroverleg. De reactie die het waterschap tijdens het vooroverleg geeft wordt vervolgens meegenomen in de verdere ontwikkeling van de plannen.
Huidige verwerking hemelwater
Op dit moment is geen sprake van verharding ter plaatse. Er is wel sprake van een secundaire watergang (B-water) op een deel van de rand van het perceel/ plangebied. Het water dat nu in het plangebied valt wordt direct geïnfiltreerd in de bodem of stroomt op natuurlijke wijze af richting het B-water.
Verwerking afvalwater en type rioolstelsel
Het plangebied is op dit moment voor de afvoer van vuil water niet aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Er is ook geen sprake van de afvoer van vuil water.
Aanwezig oppervlaktewater
In het plangebied is sprake van een secundaire watergang (B-water). Deze ligt op een deel van de rand van het plangebied, namelijk op de zuid- en westgrens van het plangebied.
Grondwaterstand en maaiveldhoogte
De gemiddeld hoogste grondwaterstand is op basis van het Dino-loket 4,80 meter t.o.v. NAP. Het maaiveld ligt op 5,40 meter t.o.v. NAP.
Waterkwaliteit
Er zijn geen gegevens bekend over de waterkwaliteit van het water in de secundaire watergang (B-water). Aangezien het gaat om een grondwaterbeschermingsgebied en de regels die in dergelijke gebieden gelden, is het niet aannemelijk dat de waterkwaliteit benedenmaats is.
Toekomstige situatie en waterbergingsopgave
De grootte van het plangebied bedraagt zo'n 5709 m2. Het gedeelte wat verhard is ten behoeve van de bebouwing, in-/uitrit en parkeerplaatsen bedraagt in totaal 300 m2. Voor de woning is een oppervlakte van 110 m2 voorzien. Voor een aanbouw aan de woning/ buitenberging/ tuinhuis is 100 m2 gereserveerd en 90 m2 aan verharding voor in-/uitrit en terras.
Conform de Verordening van de Gemeente 's-Hertogenbosch afdeling 4.3 bedraagt de norm voor hemelwaterberging 10 mm, de nieuwe/ vernieuwde verharding blijft namelijk onder de 500 m2. De waterbergingsopgave voor dit plan is op basis daarvan 3 m3. Vanuit het waterschap gelden geen compensatie-eisen, omdat minder dan 500 m2 wordt verhard.
Ontwerp nieuw watersysteem
Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden.
Hemelwater
Het hemelwater wordt vertraagd afgevoerd naar een wadi aan de achterzijde van het bestemmingsvlak 'Wonen'. De wadi heeft ruim voldoende bergingscapaciteit voor wat betreft de bergingsopgave vanuit de verharding die in het plangebied wordt gerealiseerd. Vanuit de wadi vindt vertraagde afvoer plaats via infiltratie in de bodem/ overloop op een nabijgelegen watergang). In extreme situaties is rondom de wadi/ sloot voldoende bergingscapaciteit aanwezig voor het tijdelijk opvangen van hemelwater (vloeiveld). De wadi is technisch uitgewerkt (zie bijlage 8 bij deze toelichting) en via het OLO aan het Waterschap voorgelegd.
Afvalwater en riolering
Het plangebied is op dit moment nog niet aangesloten op het riool. In de nabijheid van het plangebied is wel een vrij verval (gemengd) riool aanwezig. Het plangebied zal hierop voor wat betreft de lozing van vuil water afkomstig uit het plangebied worden aangesloten. Het bestaande vrij verval riool kan de toename van het vuil water afkomstig van één huishouden verwerken, er is voldoende capaciteit. Het is niet gewenst om voor wat betreft nieuwe situaties op het vrij verval riool overtollig hemelwater te lozen. Dit zal dan ook niet worden gedaan. Voor hemelwater is een alternatieve voorziening bedacht (wadi met overloop op sloot), zie voorgaande paragraaf.
Oppervlaktewater
Aan het huidige oppervlaktewater in het plangebied (B-watergang) wordt een poel toegevoegd met flauwe oevers, bedoeld voor fauna waarvoor het gebied potentieel geschikt is.
Grondwater en maaiveldhoogte
Het initiatief heeft geen effect op de grondwatersituatie (kwaliteit en kwantiteit). Aangaande de kwaliteit worden de regels die hiervoor in grondwaterbeschermingsgebieden van kracht zijn nageleefd. Voor wat betreft de maaiveldhoogte wordt – voor zover het gaat om de woonkavel – hetzelfde bouwpeil aangehouden als voor het naastgelegen perceel (nr. 45) van toepassing is. Hiervoor is een ophoging van de toekomstige woonkavel van 30-50 centimeter benodigd. Het gedeelte van het plangebied dat wordt ingericht voor het landschapsplan behoudt de maaiveldhoogte die het nu heeft.
Beschermingszones, waterkeringen ed.
Het plangebied betreft een grondwaterbeschermingsgebied. De regels die hierop van toepassing zijn bestaan uit rechtstreeks werkende regels die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan. Deze zijn rechtstreeks van toepassing op initiatiefnemers. Verder zijn in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant instructieregels aan gemeenten opgenomen hiervoor. Die regels zijn doorvertaald in dit bestemmingsplan. De initiatiefnemer dient voorafgaand aan de werkzaamheden een melding te maken naar de provincie (via de ODZOB).
Waterkwaliteit
Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen. Hiertoe zijn in de regels van dit bestemmingsplan regels gesteld om dit te borgen.
Beheer en onderhoud
Het plangebied is in beheer en onderhoud bij de particuliere eigenaren van het terrein. Het plangebied kent geen openbaar karakter.
Conclusie
In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plan 'Weerscheut 47 Vinkel' bepaald en ingevuld met een passende inrichting van het watersysteem voor hemelwater, grondwater, afvalwater en oppervlaktewater.
Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.
We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte. Gemeente 's-Hertogenbosch werkt intensief aan een energiebewuste, gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente. Hierbij zorgen we er onder meer voor dat onze gemeente door onze inwoners als prettig en gezond wordt ervaren, met behoud van grondstoffen en het milieu in het algemeen. De duurzame uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'visie duurzaam 's-Hertogenbosch' (mei 2019).
Met de vastgestelde visie zet gemeente 's-Hertogenbosch verduurzaming in op de onderstaande 4 thema's:
Conform de visie houden we rekening met veranderingen in het klimaat met meer extreme buien en hete zomers. We zorgen voor een veilig watersysteem en werken aan vergroening van onze omgeving. Op het gebied van energie (om een CO2 neutrale gemeente te worden) werken we enerzijds aan het verminderen van de energievraag en anderzijds het opwekken van duurzame energie op diverse manieren. Ook maken we stappen om de gemeente op termijn aardgasloos te laten zijn. Ten aanzien van grondstoffen zijn we ons er van bewust dat deze dreigen schaars te worden door een groeiende bevolking en toenemende welvaart in de wereld. Beschikbare grondstoffen dienen derhalve zo efficiënt mogelijk te worden gebruikt (en hergebruikt) en we gaan er bewust mee om.
Ten aanzien van het vervoer werken we aan schonere, slimmere en duurzame mobiliteit. Op deze wijze bouwen we samen aan een duurzaam 's-Hertogenbosch.
Ten aanzien van het planvoornemen is per thema beschreven op welke wijze hier invulling wordt gegeven:
Een gezonde, groene en klimaatbestendige omgeving is een speerpunt dat de gemeente 's-Hertogenbosch najaagt. Via de vaststelling van het beleidsplan 's-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig stimuleert de gemeente dit. Via de bijbehorende Verordening hemelwater, bomen en groen dwingt de gemeente hetgeen zijn minimaal vereist af. Zo kent de verordening aangaande waterberging een minimum bergingseis in geval verharding wordt toegevoegd en is een groennorm (kwantiatief en kwalitatief) van toepassing. In het plangebied wordt invulling gegeven aan dit beleid. Er wordt een substantieel deel van het plangebied (meer dan 50%) ingericht als landschapsplan. Het landschapsplan is bijgevoegd bij deze toelichting. Het gaat om een gebiedseigen inrichting ter bevordering van de biodiversiteit. Daarnaast biedt het een klimaatadaptieve oplossing, het hemelwater (meer dan vereist) afkomstig uit het plangebied wordt hier (tijdelijk) geborgen.
Energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheidsambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft – naast de visie – ook doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020”, vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat we als gemeente een serieuze bijdrage leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente.
Vanaf 1 juli 2018 mogen nieuwe woningen en andere nieuwe kleinverbruikers niet meer op aardgas worden aangesloten. Vanaf 2021 moet nieuwbouw voldoen aan zogenaamde 'BENG-eisen' voldoen. BENG staat voor “Bijna Energie Neutraal Gebouw”. Het bestuursakkoord 2018-2022 zet bij ontwikkelingen in om vooruit te lopen op de landelijke norm (zoals deze zich nu laat aanzien). Dit houdt in dat ontwikkelingen (nieuwbouw) op dit moment dienen aan te sluiten bij de toekomstige BENG-norm. De ambitie is en blijft een energieneutrale bebouwde omgeving in 2035.
Voor de ontwikkeling van het planvoornemen (één nieuwe woning) geldt dat deze conform de landelijke wetgeving moet voldoen aan BENG. Hieraan wordt voldaan. Daarbij geldt dat aanvullend op de BENG-eisen net wat meer wordt gedaan doordat een bodempomp met energielabel A+++ wordt toegepast in plaats van de meer reguliere toepassing van een luchtwaterwarmtepomp die energie technisch gezien minder duurzaam is. Verder is ook een zonneboiler onderdeel van de techniek van de ontwikkeling.
De bebouwing in het plangebied wordt uitgevoerd in natuurlijke materialen die niet uitlogen (i.v.m. het grondwaterbeschermingsgebied). Het gaat om baksteen, gebakken pannen, hout et cetera. Uit de voor de bouwvergunning uit te voeren MPG-berekening blijkt welke materialen precies worden gebruikt, wat een indicatie geeft voor het hergebruik ervan.
Het betreft hier een particuliere ontwikkeling gelegen in het buitengebied. Het plangebied is niet direct aangesloten op het OV-netwerk. Ook is er geen sprake van meerdere huishoudens die samen in hun mobiliteitsbehoefte kunnen voorzien. Denk aan een deelautoconcept of iets dergelijks. Wel worden in het plangebied voorzieningen getroffen voor het elektrisch kunnen laden van een auto. Gezien de ontwikkeling en de ligging ervan is dit het hoogst haalbare.
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
ad a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). In overweging kan worden genomen of het initiatief een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. betreft, echter kan afgaande op jurisprudentie (201901439/1/R1) worden beoordeeld dat dit gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling niet het geval is. De omvang is te klein (minder dan 12 woningen), het ruimtebeslag beperkt. Het initiatief komt gezien voorgaande motivatie daarom niet voor in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. en is met die reden niet m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Verder blijkt uit dit hoofdstuk van deze toelichting dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu aan de orde zijn die de relevantie voor het opstellen van een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling aantoont.
ad b.
Het plangebied ligt op meer dan 10 km van de meest nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden te weten Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de externe factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Een Aerius-berekening voor onderhavige ontwikkeling om dit aan te tonen is niet aan de orde, omdat één vrijstaande woning wordt ontwikkeld op zandgronden op een afstand van meer dan 7 kilometer tot een Natura-2000 gebied. Uit ervaring blijkt dat in dergelijke situaties onder gemiddelde omstandigheden de stikstofdepositie onder 0,00 mol/ha/jaar is (Rijksoverheid, Handreiking woningbouw en AERIUS, januari 2020, publicatie 20400607). Een rechtstreekse m.e.r.-(beoordelings-)plicht is derhalve niet aan de orde.
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soorten bescherming
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Onderzoek
Gebiedsbescherming vanuit Wet natuurbescherming
Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden gelegen. Gezien de ruime afstand tot aan Natura 2000-gebieden en de kleinschalige aard van de ontwikkeling is de kans nihil dat de ontwikkeling effect heeft op enig Natura-2000 gebied. Een Aerius-berekening voor onderhavige ontwikkeling om dit aan te tonen is niet aan de orde, omdat één vrijstaande woning wordt ontwikkeld op zandgronden op een afstand van meer dan 7 kilometer tot een Natura-2000 gebied. Uit ervaring blijkt dat in dergelijke situaties onder gemiddelde omstandigheden de stikstofdepositie onder 0,00 mol/ha/jaar is (Rijksoverheid, Handreiking woningbouw en AERIUS, januari 2020, publicatie 20400607).
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Het dichtstbij gelegen gedeelte van het Natuur Netwerk Brabant ligt op circa 1 kilometer afstand. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling is de kans nihil dat de ontwikkeling effect heeft op dit of andere gedeelten van het Natuur Netwerk Brabant. Hieronder is een uitsnede van de kaart 'natuur en stiltegebieden' behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant opgenomen, waarop het Natuur Netwerk Brabant rondom het plangebied zichtbaar is.
Soortenbescherming
Om te inventariseren in hoeverre in het plangebied beschermde soorten in het kader van de Wet Natuurbescherming aanwezig zijn is door Nipa milieutechniek een quickscan naar flora en fauna (soorten) uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). De conclusies van het onderzoek zijn als volgt.
“Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van de Weerscheut te Vinkel, kan worden uitgesloten
dat de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie een negatieve invloed heeft
op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Gezien de afstand en de aard van de ingreep
worden als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve effecten verwacht op de meest
nabijgelegen natuurgebieden (NNB/Natura 2000).
Op basis van de quickscan is een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna,
ons inziens, niet noodzakelijk. Voor de geplande activiteiten is geen ontheffingsaanvraag in het
kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en zijn geen compenserende maatregelen nodig.”
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Toetsingskader
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Onderzoek
Vinkel is na vaststelling van de archeologische verwachtingskaart bij het grondgebied van de gemeente 's-Hertogenbosch gevoegd. Dit betekent dat Vinkel niet op de gemeentelijke verwachtingskaart is opgenomen. De voormalige gemeente Maasdonk, waar Vinkel onderdeel van was, heeft haar archeologiebeleid grotendeels verankerd in de bestemmingsplannen door dubbelbestemmingen ter bescherming van de eventuele archeologische waarden op te nemen. Het plangebied is opgenomen in het bestemmingsplan buitengebied Maasdonk, waarin de beschreven 'dubbelbestemmingen – systematiek' is toegepast. Het plangebied heeft hierin echter geen dubbelbestemming toegekend gekregen. Dit betekent dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een archeologische verwachting. Op basis hiervan kan worden gesteld dat in het plangebied geen archeologische waarden worden verwacht. Archeologisch onderzoek is met die reden niet aan de orde.
Bovenstaande ontslaat de ontwikkelende partij echter niet van haar zorgplicht. Ingeval tijdens graafwerkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan moet dit ingevolge de Erfgoedwet worden gemeld.
Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
In ruimtelijke plannen wordt gezondheid steeds nadrukkelijker meegewogen. In het bijzonder gaat het om eventuele risico's als gevolg van varkens- en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen.
Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen)
Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen.
Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 2.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn geen varkens-, en/of pluimveehouderijen aanwezig. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Geitenhouderijen
Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is.
Binnen 2 km van het plangebied is een geitenhouderij gelegen. De gemeente 's-Hertogenbosch moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.
Afweging
Op basis van de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” kan een dergelijke afweging worden gedaan. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Uit toetsing aan het stappenplan volgt dat geen advies van de GGD nodig is voor dit plan. Er wordt voldaan aan de normen voor geur en fijn stof. Daarnaast worden geen bijzondere gevoelige personen gehuisvest.
Handreiking veehouderij en volksgezondheid
De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie 30 april 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of er sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden.
Stap 1 Endotoxine
Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 2.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Stap 2 Emissies
De ontwikkeling bestaat uit één nieuwe woning en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak.
Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader
De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie.
Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/ leefklimaat
Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied.
Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij
Er zijn geen bedrijven met meer dan één diersoort als bedoeld in de opsomming van stap 4a.
Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf
De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde varkensbedrijf en pluimveebedrijf is groter dan 100 meter.
Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen en overige veehouderijen
Binnen een straal van 2 kilometer bevindt zich een geitenhouderij. Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen pluimveehouderijen. Er zijn geen andere veehouderijen aanwezig welke een verhoogd gezondheidsrisico veroorzaken.
Stap 6 Mestbewerking
Er is in de nabijheid geen mestbewerking of verwerking.
Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid
Er is bij de bewoners in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid.
De ontwikkeling vindt plaats op 600 meter van een geitenhouderij. Tussen de geitenhouderij en het plangebied zijn reeds meerdere woningen gelegen. Het aantal gevoelige objecten in deze straal rondom de geitenhouderij neemt door de ontwikkeling niet significant toe.
De GGD kan op dit moment niet anders adviseren dan hetgeen in het VGO-3 rapport staat. Het opvragen van een GGD-advies is met die reden niet nodig.
De initiatiefnemers tevens toekomstige bewoners van het plangebied zijn op de hoogte van de mogelijke risico's die aan de orde zijn bij bewoning van een woning in de nabijheid van een geitenhouderij. Ze hebben de risico's gewogen en geaccepteerd. De initiatiefnemers zijn gevraagd eventuele (toekomstige) kopers van de risico's op de hoogte te stellen.
Doordat de initiatiefnemers op de hoogte zijn van de mogelijke gezondheidsrisico's die bewoning in de nabijheid van een geitenhouderij met zich meebrengt en het feit dat het aantal gevoelige objecten rondom de geitenhouderij in de straal waarbinnen het plangebied ligt niet significant toeneemt vindt de gemeente het in verband met het aspect 'gezondheid' aanvaardbaar om een woning in het plangebied toe te voegen.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke bestemmingen. Het bestemmingsplan 'Weerscheut 47 Vinkel' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt het gebruik en de bouw van één grondgebonden woning en landbouw mogelijk. Het toekomstige bouwplan en gebruik dient te passen binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan.
Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke bestemmingsplannen, meer in het bijzonder het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Maasdonk'. Onder paragraaf 6.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk vastgehouden aan de rechten en plichten die ook in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Maasdonk' aanwezig zijn. Voor de uniformiteit met het Bossche beleid en omwille van de duidelijkheid zijn een aantal zaken in de regels aangepast.
De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels.
Agrarisch met waarden - Landschapswaarden
Een groot deel van de grond in het plangebied krijgt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Het gaat om de grond ten zuiden van de woningbouwontwikkeling welke is bedoeld voor de landschappelijke inpassing welke onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling.
Wonen
De nieuwe woonbestemming in het plangebied maakt de gewenste woningbouw mogelijk. De systematiek van de regels en bijbehorende verbeelding sluit aan bij de bestemming 'Wonen' zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Maasdonk'.
In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en de algemene afwijkingsregels aan de orde.
Specifiek zijn bij de algemene bouwregels, regels over parkeren opgenomen: een bouwplan moet voldoen aan de parkeernormen. Bij de algemene gebruiksregels zijn ook regels over parkeren opgenomen: het aantal parkeerplaatsen moet namelijk ook in stand gehouden blijven.
Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de noodzakelijke kwaliteitsverbetering landschap. Hierin is een koppeling opgenomen met een bijlage bij de regels, waarin het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen. In de algemene aanduidingsregels is een koppeling gelegd met de provinciale regels die gelden voor grondwaterbeschermingsgebieden. De algemene afwijkingregels zijn één op één overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Maasdonk'.
In deze paragraaf zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Naast de kosten voor de realisatie van onderhavig plan draagt de initiatiefnemer ook zorg voor de kosten die gepaard gaan met het opstellen van dit bestemmingsplan inclusief onderzoeken et cetera. Verder is de initiatiefnemer onder andere verantwoordelijk voor de kosten die de gemeente maakt voor het toetsen en in procedure brengen van dit bestemmingsplan en planschade. Deze kosten worden door de gemeente op de initiatiefnemer via een anterieure overeenkomst verhaald. Het is daardoor niet noodzakelijk een exploitatieplan op- en vast te stellen. De kosten zijn anderszins verzekerd.
Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
Over het plan is in plaats van inspraak overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening een omgevingsdialoog gevoerd. De bewoners van Weerscheut 35, 37, 39, 41, 43, 45 en 49 en de bewoners van Jeroen Boschstraat 2, 4, 6, 8 en 10 zijn hiervoor individueel benaderd. Er zijn door de benaderde omwonenden geen bezwaren tegen de plannen geuit. De benaderde omwonenden hebben het verslag van de omgevingsdialoog, met daarin het bouwplan met landschappelijk inpassingsplan zoals dat in dit bestemmingsplan voorligt, allemaal voor gezien getekend. In bijlage 9 bij deze toelichting zijn de verslagen met ondertekening toegevoegd.
Voorliggend plan is voorgelegd aan de diensten van het rijk, provincie en organisaties conform het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het gaat in onderhavige situatie om de Veiligheidsregio, het waterschap en de provincie.
Veiligheidsregio
De Veiligheidsregio heeft op 9 maart 2022 als volgt gereageerd op het conceptontwerpbestemmingsplan: “In paragraaf 5.6 van het plan wordt ingegaan op Externe veiligheid. Deze paragraaf geeft ons geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen. Het invloedsgebied van de A59 bedraagt 880 meter. Het plangebied ligt op grotere afstand (ca 950 meter) van de A59. Wij zien geen aanleiding tot het geven van aanvullend advies.”
De reactie van de Veiligheidsregio heeft geen aanleiding gegeven om het conceptontwerpbestemmingsplan aan te passen.
Waterschap
Waterschap Aa en Maas heeft op 9 maart 2022 op het conceptontwerpbestemmingsplan gereageerd. Ze geven in hun reactie aan dat de B-watergang en het grondwaterbeschermingsgebied de enige ruimtelijke waterschapsbelangen zijn. Omdat de invulling van de waterbergingsopgave wordt vormgegeven door een wadi te realiseren aan de B-watergang is er afhankelijk van hoe dit wordt vormgegeven een melding of watervergunning van toepassing. Het verzoek is om dit in de toelichting op te nemen. Ook wordt verzocht om de verwijzing naar het Waterbeheerplan 2016 – 2021 te vervangen voor het nieuwe Waterbeheerplan. De toelichting is hierop aangepast.
Provincie Noord-Brabant
Provincie Noord-Brabant heeft op 6 april 2022 gereageerd op het conceptontwerpbestemmingsplan. In hun reactie geven ze aan dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. De reactie van de provincie Noord-Brabant heeft geen aanleiding gegeven om het conceptontwerpbestemmingsplan aan te passen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf … gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende die periode zijn … zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn beantwoord in de bij dit bestemmingsplan behorende Nota zienswijzen. Naar aanleiding van de zienswijzen is …