direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling Zwartbroekweg 420
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002404-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voorliggende plan heeft betrekking op een voormalige schoollocatie aan de Zwartbroekweg 420-420A in Maaspoort, 's-Hertogenbosch. Het is de bedoeling om de bestaande bebouwing te slopen en een woonzorgcomplex terug te bouwen. Met de voorliggende bestemmingsplanherziening wordt deze herontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt.

1.2 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied is de beheersverordening ‘Maaspoort’ van toepassing. Deze beheersverordening is vastgesteld door de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch op 5 juni 2018 en geheel onherroepelijk in werking.

Het plangebied is hierin bestemd als 'Maatschappelijke dienstverlening en Wonen’ en 'Maatschappelijke dienstverlening', met twee bouwvlakken op het perceel van het plangebied. Binnen de bestemming Maatschappelijke dienstverlening en Wonen zijn de functies maatschappelijke dienstverlening en wonen toegestaan, binnen de bestemming Maatschappelijke Dienstverlening uitsluitend maatschappelijke dienstverlening. De bouwvlakken mogen volledig worden bebouwd. Het grootste bouwvlak mag maximaal twee bouwlagen hebben, en het kleinere bouwvlak een maximale bouwhoogte van 4 meter.

Het voorliggende initiatief voor een woonzorgcomplex is in strijd met deze bouwbepalingen. In het plan komen namelijk deels drie bouwlagen. Ook wordt het bouwvlak aan de voorzijde licht overschreden. Tot slot wordt met deze bestemmingsplanherziening ook zekergesteld dat de functies woonzorgcomplex, zelfstandige woning en gemeenschappelijke ruimten, over het gehele perceel zijn toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0001.jpg"

Figuur 1: Geldende beheersverordening Maaspoort

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie van het plangebied beschreven. Het beleidskader dat van toepassing is op de locatie en het initiatief is opgenomen in hoofdstuk 3. Een korte planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 4. Vervolgens worden de verschillende milieuaspecten beschreven in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de regels. De financiële haalbaarheid van het initiatief komt in hoofdstuk 7 aan de orde. Hoofdstuk 8 beschrijft de resultaten van inspraak en vooroverleg.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Plangebied

Het plangebied ligt in het westen van de wijk Maaspoort, de meest noordelijke wijk van de gemeente 's-Hertogenbosch.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0002.jpg" Figuur 2: Ligging locatie Zwartbroekweg 420-420A in 's-Hertogenbosch (rode ster)

Het plangebied beslaat het perceel van een voormalige school met plein. Het perceel ligt op de hoek van de Zwartbroekweg en Botterdreef. Het plangebied omvat kadastraal twee percelen (zie figuur 3), die beiden in eigendom zijn van de gemeente 's-Hertogenbosch. De grond wordt ten behoeve van dit plan aan woningbouwcorporatie Zayaz verkocht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0003.jpg"

Figuur 3: Plangebied Zwartbroekweg 420-420A

2.2 Ruimtelijk en functionele structuur

De locatie Zwartbroekweg 420-420A ligt aan de rand van de wijk Maaspoort, en bevindt zich in een woonwijk. Op het perceel staat een voormalig schoolgebouw, die dus niet meer als zodanig in gebruik is. Tot een aantal jaar geleden was hier de basisschool Meander gevestigd. Op dit moment staat het pand deels leeg, en wordt deels tijdelijk gebruikt als atelierfunctie.

Het perceel ligt op de hoek en grenst alleen aan de zuidzijde direct aan woonbebouwing. Aan de oostzijde bevindt zich een kinderdagverblijfcentrum, terwijl aan de noord - en westzijden het gebied wordt afgebakend door de wegen Zwartbroekweg en Botterdreef. Vervolgens bevindt zich zowel aan de noord -als westzijde op circa 40 meter woonbebouwing. Aan beide zijden is tussen het perceel en deze woonbebouwing een buffer aanwezig van watergangen en groenstroken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0004.jpg"

Figuur 4: Ligging in Maaspoort

De omgeving bestaat uit overwegend woonbebouwing. Dit was dan ook een logische plek voor een school. Aan de noordzijde en oostzijde zijn ook onderwijsfuncties aanwezig. Het perceel ligt relatief dicht bij de rand van de wijk Maaspoort, met op circa 250 meter naar het westen het begin van bedrijventerrein Treurenburg. Op circa 250 meter naar het zuidoosten bevindt zich winkelcentrum Goulmy en Baarplein. Maar ook het buitengebied is niet ver weg. Al op ongeveer 175 meter naar het oosten toe, begint één van de groene longen die tot diep in Maaspoort doordringt.

Het perceel ligt aan twee wegen die beiden een snelheidsregime van 30 km/uur hebben. De Zwartbroekweg is desondanks wel een meer doorgaande verkeersroute. Die weg takt aan op de Larenweg en vervolgens de Maaspoortweg, die aansluit op de A59, op circa 1,5 km ten zuiden van het plangebied. Het spoor 's-Hertogenbosch - Utrecht ligt op ongeveer 450 meter ten westen van het plangebied.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en overig rijksbeleid

In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.

Indien de ladder voor duurzame verstedelijking wordt doorlopen, wordt het volgende geconstateerd.

De eerste vraag is, is of er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Als eerste kan worden geconstateerd, dat in dit geval kan worden gesproken van een stedelijke ontwikkeling. De bouw van 16 woonzorgappartementen en 1 woning voldoet aan dat criterium. De vraag is vervolgens of het plan moet worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Volgens vaste jurisprudentie moet bij het beoordelen van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, beschouwd worden of de bebouwingsmogelijkheden c.q. nieuw ruimtebeslag dusdanig toenemen, en/of de functiewijziging van aard en omvang dusdanig is, dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Er is op dit moment al een pand aanwezig met een schoolfunctie / maatschappelijke bestemming. De nieuwbouw wijkt niet tot nauwelijks af van de footprint van de huidige bebouwing. Het nieuwe plan gaat uit van een woonzorgcomplex ten opzichte van de huidige functie schoolcomplex. Wat betreft aard en omvang is het nieuwe plan niet per se belastender of stedelijker dan het huidig planologisch regime. Het is dus maar de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zekerheidshalve wordt wel verder getoetst aan de ladder duurzame verstedelijking.

Dat betekent dat moet worden beschouwd of het bestemmingsplan binnen stedelijk gebied ligt en wat de behoefte is aan de ontwikkeling.

De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied van de wijk Maaspoort en voldoet dus aan de eerste vereiste.

Wat betreft de behoefte het volgende. In het Sociaal Woonakkoord hebben gemeente en corporaties Brabant Wonen, Zayaz, Kleine Meierij en Mooiland afspraken gemaakt over de toekomstige beschikbaarheid van sociale huurwoningen. Onder andere is afgesproken het langer thuis wonen (met zorg) en het streven naar inclusie in de samenleving van kwetsbare groepen te faciliteren door hen passende huisvesting te bieden. De partijen ondersteunen zowel de trend van intramuraal naar zelfstandig (beschut) wonen (extramuralisering) als de wens van mensen om zo lang mogelijk zelfstandig én zelfredzaam te blijven (ambulantisering en langer thuis wonen).

Gemeente en corporaties willen medewerking verlenen aan goede initiatieven die voorzien in deze nieuwe en groeiende behoefte. Daarvoor kunnen enkele vrijkomende scholen /locaties of ander maatschappelijk vastgoed (ook van zorginstellingen) goed gebruikt worden. Daarnaast kan ook leegkomend zorgvastgoed opnieuw bestemd worden voor nieuwe zorginitiatieven. Toevoegingen hierbinnen vallen ook onder de quotumafspraken van het Sociaal Woonakkoord.

Ouderinitiatieven en zorginstellingen benaderen op dit moment zowel gemeente als de individuele corporaties om hun woonzorginitiatief te bespreken en medestanders te vinden. Er ligt stedelijk een groot aantal verzoeken voor woonzorginitiatieven, sterk variërend in doelgroep en haalbaarheid. Vanuit woon- en zorgbeleid is er een voorkeur voor kleinschalige wooncomplexen, levensloopbestendige en flexibele woningen die ook gebruikt kunnen worden voor reguliere bewoning. De basis voor deze behoefte zijn de wijkrapportages Langer Thuis Wonen waarin ook de spreiding over de wijken en buurten aan bod komt. Vanuit de wijkrapportages Langer Thuis Wonen is geconstateerd dat een locatie in Maaspoort voor een dergelijk woonzorgproject gewenst is. Er is hierin een grote opgave voor geclusterd en beschermd wonen met zorgvraag geconstateerd. Derhalve is de locatie Zwartbroekweg 420-420A (voormalige en nu leegstaande basisschool Meander) als goede locatie voor een woonzorgcomplex voor ouderen gekozen.

In het voorliggende bestemmingsplan wordt via een wijzigingsbevoegdheid ook de mogelijkheid geboden om reguliere woningen te realiseren. Uit het volgende blijkt dat hier ook behoefte aan is.

Uit het woonwensenonderzoek 2015 's-Hertogenbosch blijkt dat huishoudens er steeds meer voor kiezen om kleiner te gaan wonen. Ook is het van belang om te constateren dat uit alle bevolkingsprognoses naar voren komt dat de huishoudens in de toekomst steeds kleiner gaan worden: het aantal personen per woning daalt. Het zijn steeds meer starters, echtgescheidenen en senioren die op zoek zijn naar een nieuwe woning; deze doelgroepen zijn veelal vanwege hun inkomen en/of vanwege hun woonwensen aangewezen op een kleine sociale huurwoning.

Voor 's-Hertogenbosch geldt daarmee aanzienlijke opgave om betaalbare starters- en seniorenwoningen te realiseren. Een aanvulling in dit marktsegment is daarom passend. De nieuwbouw van sociale huurwoningen op deze locatie past in de ladder van duurzame verstedelijking. Er is behoefte aan deze woningen, en met de herontwikkeling wordt een reeds bebouwde kavel hergebruikt (rood voor rood).

De extra woningen die met deze ontwikkeling worden toegevoegd aan de voorraad passen in de regionale afspraken die daarover zijn gemaakt in de Regionale Agenda Wonen 2016. De bevolking van 's-Hertogenbosch blijft groeien de komende decennia en deze mensen zullen op zoek gaan naar huisvesting in de stad. 's-Hertogenbosch heeft als centrale stad met betrekking tot de opvang van de woningbehoefte een regionale taakstelling. Volgens de laatste bevolkingsprognoses van de provincie Noord-Brabant (2017) moet de woningvoorraad van 's-Hertogenbosch de komende jaren nog fors groeien. In de periode 2016-2026 is de opgave voor 's-Hertogenbosch liefst 7.365 woningen. De vraag naar woonruimte in 's-Hertogenbosch is en blijft dus groot. Om deze behoefte te kunnen opvangen, dienen er voldoende woningen te worden gebouwd.

De nieuwbouw van betaalbare woningen voor de doelgroepen starters, senioren en alleenstaanden past in het gemeentelijk woonbeleid zoals vastgelegd in de Nota Wonen 2012 en de Woonagenda 2017/2018. Kernpunten van het woonbeleid zijn, onder andere:

- Een evenwichtige woningmarkt met voldoende slaagkansen voor de diverse doelgroepen en inkomensgroepen

- Levensloopbestendige wijken en woningen

- Duurzaam ruimtegebruik

- Vitaal houden van dorpskernen

De mogelijke herontwikkeling van de locatie Zwartbroekweg via een wijzigingsbevoegdheid naar betaalbare woningen voor de doelgroepen starters, senioren en alleenstaanden past in dit beleid.

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen in lijn is met de ladder voor duurzame verstedelijking en derhalve met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord Brabant

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Het voornemen sluit aan bij de provinciale beleidsvisie, door in stedelijk gebied te voorzien in een woonzorgfunctie.

Verordening Ruimte provincie Noord-Brabant

De Verordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. De Verordening Ruimte 2014 is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Structuurvisie juridisch geborgd is. Belangrijke onderwerpen in de Verordening Ruimte zijn:

  • ruimtelijke kwaliteit;
  • stedelijke ontwikkelingen;
  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • agrarische ontwikkelingen, waaronder de intensieve veehouderij;
  • overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0005.jpg"

Figuur 5: Kaart Verordening Ruimte provincie Noord-Brabant

Op de kaart behorende bij de provinciale verordening is het plangebied aangeduid als 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied' - in figuur 5 aangeduid met de paarse kleur. Binnen de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden voor verstedelijking liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. Het initiatief past binnen dit beleidsvoornemen.

Tevens voldoet het voornemen aan de vereisten van de relevante artikelen van de Verordening Ruimte. Artikel 4.2 van de Verordening geeft aan dat een stedelijke ontwikkeling uitsluitend in bestaand stedelijk gebied ligt. Gelet op bovenstaande en figuur 5 voldoet het voornemen hier aan.

Daarnaast dient nieuwbouw van (zorg) woningen te worden verantwoord in relatie tot de beschikbare plancapaciteit en regionale afspraken (artikel 4.3 en artikel 39.4 van de Verordening). De regionale woningbouwafspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). In de Regionale Agenda's Wonen worden de woningbouwcontingenten voor de komende tien jaar vastgelegd voor de verschillende regio's binnen de provincie Noord-Brabant. In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant d.d. 8 december 2016 zijn de woningbouwopgaven opnieuw bepaald. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het tot 2026 om een opgave van 19.125 woningen. De woningbouwopgave in de gemeente 's-Hertogenbosch is begroot op 7.365 woningen in de periode 2016-2026. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft in haar regio te maken met de grootste woningbouwopgave. Dit aantal betreft de netto toename van de woningvoorraad, exclusief vervangende woningbouw door sloop. De harde plancapaciteit betreft slechts circa 4.000 woningen. Met het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling wordt op een binnenstedelijke locatie bijgedragen aan het behalen van de woningbouwopgave. Het project is ook onderdeel van de regionale woningbouwplanning.

Geconcludeerd wordt dat het bouwen van zestien (woonzorg)apartementen dan wel twintig woningen (via de wijzigingsbevoegdheid) in bestaand stedelijk gebied in overeenstemming is met hetgeen bepaald in regionaal verband en hiermee hetgeen bepaald in artikel 4.3 en artikel 39.4 van de Verordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

Ruimtelijke StructuurVisie 's-Hertogenbosch

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

De in dit plan besloten ontwikkeling betreft het ontwikkelen van een woonzorgcomplex op een reeds bebouwd perceel. Het plangebied ligt binnen bestaand bebouwd gebied. Dit sluit daarmee naadloos aan op het ruimtelijk motto van 'de compacte stad'. Er wordt geen nieuw ruimtebeslag aangesproken. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie.

Woonbeleid

In paragraaf 3.1 is, door de motiveringstoets ladder duurzame verstedelijking, de aansluiting op het gemeentelijk beleid en de behoefte aan zorgwoningen grotendeels al beschreven. Aanvullend daarop het volgende.

Nota Wonen

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Nota Wonen 2012 die is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 september 2012. De ambitie voor het woonbeleid van 's-Hertogenbosch is het creëren van een evenwichtige woningmarkt met een gedifferentieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus zodat mensen naar tevredenheid in onze stad kunnen wonen en leven. Er wordt gestreefd naar een stad waar voldoende, betaalbare en passende woningen zijn en voldoende keuzemogelijkheden in gevarieerde en sterke buurten waarin mensen zich thuis kunnen voelen.

Deze ambitie is in de Nota Wonen 2012 uitgewerkt in vier speerpunten van beleid: voldoende woningen, betaalbaar wonen, passend wonen, in sterke en vitale buurten.

De beleidsinzet van de gemeente voor woningbouw is dan als volgt:

  • voorzien in de toekomstige woningbehoefte door te streven naar de realisatie van gemiddeld 700 (met een bandbreedte van 500 tot 800) nieuwe woningen per jaar in de periode tot 2030;
  • voorzien in de behoefte aan voldoende betaalbaar wonen voor specifieke doelgroepen door minimaal 25% van de nieuwbouw in het sociale segment (huur en koop) te realiseren. Dit percentage kan per woningbouwlocatie verschillen, van maatwerk kan sprake zijn;
  • het vergroten van de woningdifferentiatie en -variatie in buurten en wijken, waardoor enerzijds het soms eenzijdige woningaanbod in buurten wordt doorbroken en anderzijds de keuzemogelijkheden voor woonconsumenten worden vergroot.
  • het innemen van een positieve en proactieve houding ten opzichte van (kansrijke) initiatieven, door (binnen wettelijke kaders) meer ruimte te bieden, meer flexibiliteit en maatwerk te leveren bij bouwplanontwikkeling;
  • woonconsumenten meer mogelijkheden geven om hun woonwensen te realiseren door middel van o.a. (collectief) particulier opdrachtgeverschap.

Ook zijn Prestatieafspraken Wonen gemaakt, waarin woningcorporaties elk jaar afspraken hebben gemaakt met gemeenten.

Sociaal Woonakkoord

Op 10 maart 2016 hebben gemeente en corporaties Brabant Wonen, Zayaz, Kleine Meierij en Mooiland daarnaast in het Sociaal Woonakkoord afspraken gemaakt over de toekomstige beschikbaarheid van sociale huurwoningen. Woonzorg-initiatieven zijn hier onderdeel van. Via deze afspraken wordt mede richting gegeven aan het woningbouwprogramma, en de uitvoering van het woonbeleid.

Wijkrapportage Langer thuis wonen 2014 Maaspoort

In 2014/2015 is onderzocht hoe (on)geschikt de wijken zijn om er oud te kunnen worden. Voor Maaspoort werd geconcludeerd dat er behoefte was aan meer aanbod wonen met zorg.

Woonagenda 2017/2018

Daarnaast is begin april 2017 de Woonagenda 2017/2018 door de gemeenteraad vastgesteld. Het betreft de actualisatie van het woonbeleid zoals geformuleerd in de Nota Wonen. De belangrijkste uitgangspunten van de Woonagenda zijn:

• Opgave 1 - Versnellen van de woningproductie en slim programmeren van nieuwe woonmilieus

• Opgave 2 - Betaalbaar en bereikbaar wonen: balans op de woningmarkt in een ongedeelde stad

• Opgave 3 - Bestaande woningen verduurzamen en wijken vitaal houden

• Opgave 4 - Samen zorgen: passend woonzorgaanbod in een inclusieve samenleving

Onder het versnellen van de woningproductie wordt uitgegaan van een productie van 8.000 woningen in de koop -en huursector tot en met 2025. Dit plan draagt daarnaast specifiek bij aan opgave 4.

Conclusie

Concluderend, kan gesteld worden dat het initiatief van woonzorgappartementen naadloos aansluit op het geldende gemeentelijke woonbeleid.

Nota Parkeernormering 2016

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormen, dat is vastgesteld in september 2016. De nota geeft aan hoeveel parkeerplaatsen per functie en per stadsdeel gerealiseerd dienen te worden bij nieuwbouw.

Dit plan is in overeenstemming met de Nota Parkeernormering. In de planregels is namelijk geregeld dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen vast moet staan dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd, overeenkomstig de normen in de Nota Parkeernormering. Tevens is geregeld dat het gebruik van gronden alleen is toegestaan indien voldaan is aan de normen uit de Nota Parkeernormering voor de betreffende functies.

Welstandsnota

Op 17 mei 2011 stelde de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Actualisering Welstandsnota 2011 vast. In de welstandsnota is het kader voor het welstandsbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch neergelegd. Doel van de welstandsnota is het vertalen, waarborgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving. Dit door middel van transparante, objectieve en daarmee voor een ieder begrijpelijke criteria. Het welstandsbeleid vormt daarbij de basis voor een actief, inspirerend en open architectuurbeleid conform de doelstellingen van de wetgever.

Het plangebied ligt in het welstandsgebied Maaspoort; en specifiek binnen het bebouwingstype 'op zichzelf staande bebouwing'. Voor op zichzelf staande bebouwing gelden de algemene welstandscriteria. Dit plan is op 3 mei 2018 in de welstandscommissie besproken, waar het plan over het algemeen positief is ontvangen. De commissie heeft op een aantal aspecten gevraagd een nadere uitwerking te doen, zoals ten aanzien van de inpandige bergingen in relatie tot het binnenterrein en de daaraan gelegen gevels, de vormgeving van balkons en dakranden en ten aanzien van de algehele inrichting van het terrein.

Het nader uitgewerkte plan is op 3 oktober 2018 besproken. Hierbij heeft de commissie aangegeven dat het ontwerp in principe voldoet. De definitieve instemming kan worden gegeven bij de vergunningverlening.

Bomenbeleidsplan

Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de raad vastgesteld op 20 september 2017. Echter, het bomenbeleidsplan 2010 is nog geldend, omdat de Groene Kaart behorende bij het plan van 2017 nog niet is vastgesteld. In het Bomenbeleidsplan van 2010 worden drie typen bomen onderscheiden: monumentale bomen, bomen in boomstructuren en sfeerbomen.

In het plangebied komen geen monumentale of waardevolle houtopstanden bomen voor. Het perceel grenst ook niet aan een gemeentelijke bomenstructuur.

Er is een bomeninventarisatie uitgevoerd om te onderzoeken welke bomen van welke waarde aanwezig zijn in en rondom het plangebied (Pius Floris, "Kwaliteitsbeoordeling 24 bomen Zwartbroekweg 420", 29 maart 2018, zie bijlage 1). In de inventarisatie is enerzijds gekeken naar de bomen op het voormalige schoolplein, en anderzijds naar de bomen op openbaar terrein.

Bomen schoolplein

Boomtechnisch gezien functioneren de meeste bomen goed en is de kwaliteit voldoende tot goed.

De bomen binnen de omheining van de voormalige school hebben qua verschijningsvorm, omvang, leeftijd, sortiment en technische vervangbaarheid geen bijzondere meerwaarde. Het gaat veelal om relatief jonge dakbomen, leibomen, knotbomen en kandelaberbomen.

Bomen op openbaar terrein

Boomtechnisch gezien functioneren de 9 beoordeelde bomen (nummer 16 t/m 24) op openbaar terrein goed en is de kwaliteit voldoende tot goed beoordeeld. De bomen zijn onderdeel van een laan en vanuit dat oogpunt behoudswaardig.

Toetsing en relatie met plan

De bomen die in het openbaar gebied staan kunnen naar verwachting vrijwel allemaal gehandhaafd worden. Het geheel aan bomen is ook behoudenswaardig (zie bomen op openbaar terrein).

Een aantal bomen die op het schoolplein staan of langs het bestaande pand kunnen niet behouden blijven vanwege de nieuwbouw en de aanleg van parkeerplaatsen. De bomen zijn weliswaar van voldoende conditie en kwaliteit maar hebben geen bijzondere te behouden kwaliteiten. Echter, om een voldoende groen karakter te behouden, worden de bomen gecompenseerd in de te creëren binnentuin door de aanleg van voldoende groenvoorzieningen en een aantal grotere bomen. Dit gaat specifiek om één boom met de maat 35-40 cm en drie bomen in de maat 20-25 cm. Ook wordt het terrein aan de zuid- en oostzijde omzoomd door een groene haag.

Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het bomenbeleidsplan, geen monumentale of waardevolle bomen aantast, of inbreuk maakt op een gemeentelijke bomenstructuur.

Archeologie

Inleiding

Voor de herontwikkeling van plangebied Zwartbroekweg 420-420A is door de Afdeling SO/Erfgoed bekeken of archeologische waarden en verwachtingen relevant kunnen zijn.

Archeologie

Het plangebied heeft op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding). Deze hoge verwachting is gebaseerd op de (verwachte) aanwezigheid van oeverwalafzettingen, al dan niet afgedekt met overslaggronden. Dergelijke afzettingen kunnen bewoonbaar zijn geweest in het verleden. Uit onderzoek dat in 1991 is gedaan in het gebied ten zuidwesten van het plangebied weten we dat er weliswaar archeologische vindplaatsen in de ondergrond aanwezig zijn (geweest) maar dat deze vermoedelijk door de ruilverkaveling al flink zijn verstoord. Bovendien is voor de bouw van de wijk het toenmalige maaiveld met circa 1,15 meter opgehoogd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0006.png"

Figuur 6: Uitsnede archeologische verwachtingskaart van de gemeente. Plangebied is globaal aangeduid met een ster.

Verkennend onderzoek

Zekerheidshalve is nog een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 2, Archeologisch vooronderzoek Plangebied Zwartbroekweg 420 te 's-Hertogenbosch, december 2018).

Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten meer verwacht worden. Vanuit archeologisch oogpunt gelden er daarom geen verdere restricties ten aanzien van de verdere planuitvoering. Er is dus geen nader onderzoek nodig. De archeologische verwachting voor het plangebied kan worden bijgesteld naar laag.

Conclusie

Uit het verkennende onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten meer verwacht worden. Er gelden geen restricties voor de verdere planvorming.

Waterplan

Op 31 januari 2017 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch het Waterplan "Waterstad 2016 - Beleidsplan voor een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem" vastgesteld. Het doel van het waterplan is een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem te bewerkstelligen in de gemeente 's-Hertogenbosch. Het Waterplan betreft een koepelplan voor alle waterzaken. Het gaat daarbij om de gewenste inrichting en het beheer van oppervlaktewater en grondwater, als ook om de afvoer van hemelwater en afvalwater.

Het Waterplan omvat het gemeenschappelijk beleid van gemeente en de waterschappen. De acties die door gemeente en waterschappen worden uitgevoerd, zijn opgenomen in het uitvoeringsprogramma dat loopt van 2016 tot 2020. Er wordt ingezet op het treffen van specifieke maatregelen om het watersysteem robuuster en aantrekkelijker te maken, en op het nog meer versterken van de integratie met andere beleidsvelden.

In het voorliggende plan wordt rekening gehouden met bovenstaand beleid, onder meer door te voorzien in waterberging (zie paragraaf 5.2).

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Toekomstige situatie

Aan de Zwartbroekweg in de Maaspoort komt de voormalige basisschool vrij voor herontwikkeling. De bestaande school ligt op de hoek van de kruising van de Zwartbroekweg en de Botterdreef. De school en het achterliggende gebouw (BSO, Zwartbroekweg 420-420A) aan de Tjalkhof zullen worden gesloopt en herontwikkeld als woonzorgcomplex voor Zayaz. Het naastgelegen Kindcentrum 't Schrijverke (Zwartbroekweg 402) blijft gehandhaafd.

Het bouwplan betreft een woonzorgcomplex dat een zorginitiatief voor Zorgorganisatie Vivent 'Het Andere Wonen' zal huisvesten. Dit initiatief omvat 16 appartementen voor dementerende ouderen en hun partners. Daarnaast is ruimte voor twee gemeenschappelijke ruimten en een grotere, zelfstandige woning voor een ondernemersechtpaar. Dit echtpaar regelt de dagelijkse gang van zaken van de zorginstelling. Het bouwplan kent een volume van twee lagen hoog aan de Botterdreef en drie lagen hoog aan de Zwartbroekweg.

Op den duur (bij veranderende vraag) kan dit project mogelijk worden getransformeerd naar een regulier woningbouwproject van 20 woningen. De opzet van de woningen op de begane grond zal dan aangepast worden. De inpandige bergingen bij de appartementen op de begane grond worden dan verwijderd, ten gunste van een vergrootte leefruimte en interactie met de binnentuin. Het bergingengebouw en de parkeerplaats worden dan vergroot en afgestemd conform de eisen van het reguliere woningbouwprogramma.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0007.jpg"

Figuur 7: Visualisatie nieuwe situatie Zwartbroekweg 420-420A

4.2 Ruimtelijke inpassing

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0008.jpg"

Figuur 8: Visualisatie nieuwbouw Vivent Het Andere Wonen aan de Zwartbroekweg 420-420A

Opzet en positionering

Het programma kent een volume aan de Zwartbroekweg en een volume aan de Botterdreef. Op de hoek waar deze vleugels samenkomen is een karakteristieke, ruime entree gesitueerd. De buitenruimte bij de appartementen in de vorm van tuinen op de begane grond en balkons op de verdieping zijn op de omliggende wegen georiënteerd, waardoor het gebouw met de representatieve zijden naar openbaar gebied is gekeerd. Deze opzet ligt dicht bij de huidige bebouwingsopzet van de school. Het achtergelegen binnenterrein sluit aan op de luwte van achtertuinen van de woningen en het speelterrein behorende bij het kindcentrum.

In februari 2018 zijn de eerste ideeën en gedachten over het bouwplan gepresenteerd aan de buurt, in de vorm van een massastudie. Hierbij zijn meningen en reacties opgehaald, die mede de input hebben gevormd voor het nu gekozen concept.

De rooilijnen van beide volumes liggen in het verlengde van de naastgelegen panden. De woningen op de begane grond hebben aan de buitenzijde van het gebouw groene buitenruimten, die aansluiten op de groene voorruimten van de naastgelegen woningen aan de Botterdreef en het Kindcentrum aan de Zwartbroekweg.

Uiteindelijk is het volume aan de Botterdreef verder van de bestaande woonbebouwing af komen te staan dan in de huidige situatie het geval is. Hierdoor is er meer afstand bewaard gebleven tot de woning aan de Botterdreef nummer 13, die zijn voordeur aan deze zijkant heeft, uitkomend op de steeg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0009.jpg"

Figuur 9: Plattegronden begane grond Vivent Het Andere Wonen aan de Zwartbroekweg 420-420A

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0010.jpg"

Figuur 10: Plattegronden 1e verdieping Vivent Het Andere Wonen aan de Zwartbroekweg 420-420A

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0011.jpg"

Figuur 11: Plattegronden 2e verdieping Vivent Het Andere Wonen aan de Zwartbroekweg 420-420A

Verschijningsvorm

Het bouwplan kent een volume van twee lagen hoog aan de Botterdreef en drie lagen hoog aan de Zwartbroekweg. Deze bebouwingshoogte is goed voorstelbaar, gezien de daaromheen liggende open ruimte. Het verschil in hoogte volgt de hiërarchie van wegen. Beide volumes zijn plat afgedekt; een efficiënte oplossing die neutraal aansluit bij de verschillende (al dan niet a-symmetrische) kapvormen (lessenaars, piramide, zadeldak, etc).

De hoofdontsluiting ligt, zoals gezegd, aan de kruising Zwartbroekweg - Botterdreef. De individuele woningen worden echter van binnenuit, vanaf de binnentuin of galerij, ontsloten. Vanaf de openbare ruimte zullen deze galerijen niet af nauwelijks waarneembaar zijn.

Inrichting terrein

Aan de kruising voor de hoofdentree is een representatieve voorruimte ingericht, die de stoep als het ware verbreedt voor veilig in en uit gaan en die ook ruimte biedt voor het benodigde fietsparkeren.

Bij de herontwikkeling is veel aandacht besteed aan de inpassing bij de bestaande omgeving. Aan de voorzijde hebben alle appartementen een laag omhaagde buitenruimte die aansluit bij de voortuinen van de naastgelegen woningen aan de Botterdreef en het groene voorgebied bij het kindcentrum.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0012.jpg" Figuur 12: Visualisatie achterzijde nieuwbouw Vivent Het Andere Wonen aan de Zwartbroekweg 420-420A

Het achtererf grenst aan het bestaande kindcentrum, de steeg tussen Tjalkhof en Botterweg en het Tjalkhof zelf. Op basis van de reacties uit de buurt, is besloten om op de scheiding met de Tjalkhof een robuuste groene afscheiding te maken in de vorm van een haag. Dit principe wordt waar mogelijk rondom de rest van het kavel doorgetrokken.

Het binnenterrein zelf wordt ingericht als een gemeenschappelijke binnentuin. Deze binnentuin wordt speciaal ingericht voor de beoogde doelgroep van dementerende ouderen met een besloten karakter. Het overige achtererf wordt ingericht voor een tuin bij de ondernemerswoning, een gebouw met bergingen en parkeerplaatsen. Bij eventuele transformatie naar regulier woningbouwcomplex zal de inrichting meer open van opzet worden gemaakt.

Voor het woonzorgcomplex wordt de inrichting afgestemd op het minder omvangrijke zorgprogramma (12 bergingen van de appartementen op de bovengelegen verdiepingen en 12 parkeerplaatsen op eigen terrein). Daarbij is al rekening gehouden dat dit ontwerp in de toekomst dusdanig kan worden uitgebreid (naar 20 bergingen en 20 parkeerplaatsen totaal) zodat het voldoet aan de eisen gesteld aan reguliere woningbouw, zonder dat de inrichting volledig op de schop moet.

4.3 Verkeer en parkeren

In dit plan wordt in de bestemmingsregels een woonzorgcomplex toegestaan waarin zowel 16 woonzorgappartementen, gemeenschappelijke ruimten, ondersteunende functies als één zelfstandige woning zijn toegestaan. Uitgaande van de norm voor woonzorgcomplex - verpleeg / verzorgingstehuis - is de norm 0,6 per wooneenheid. In dit plan is geborgd dat het maximaal aantal zorgwoningen 16 bedraagt. Tevens wordt maximaal één zelfstandige woning toegestaan. Dat betekent dat voor de woonzorgsituatie in totaal 12 parkeerplaatsen nodig zijn ((16 * 0,6) + (1* 1,8) = 11,4 parkeerplaatsen). Dit getal is inclusief bezoekers en parkeren voor personeel.

Een deel van de behoefte (7 stuks) kan in de openbare ruimte wordt opgevangen. Dit is conform de huidige planologische situatie van de maatschappelijke bestemming. De norm voor basisschool is: 0,75 per leslokaal en er zijn 9 leslokalen. In totaal zijn er daarmee 7 parkeerplaatsen in de openbare ruimte toegewezen in de huidige planologische situatie.

Echter, gelet op het feit dat in de inspraakfase zorgen over parkeren zijn geuit, is ervoor gekozen om 12 parkeerplaatsen op eigen terrein aan te leggen. Dit zijn dus meer parkeerplaatsen dan benodigd omdat een deel van de behoefte in de openbare ruimte is voorzien - in totaal 5 stuks (er vervallen 2 parkeerplaatsen door de nieuwe inrit). Met de 5 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en 12 op eigen terrein, zijn in totaal 17 parkeerplaatsen voorzien voor het plan, tegenover een norm van 12 parkeerplaatsen.

Voor de mogelijke functie van regulier wonen (sociale huur), wat mogelijk gemaakt kan worden via een wijzigingsbevoegdheid in dit plan, gelden de normen conform de gemeentelijke Nota Parkeernormering 2016. Die norm is 1,2 parkeerplaats per woning. In totaal kunnen met de wijzigingsbevoegdheid maximaal 20 woningen mogelijk worden gemaakt. Dit betekent een totale behoefte van 24 parkeerplaatsen. 5 van de 24 parkeerplaatsen kunnen worden voorzien in de openbare ruimte conform de huidige planologisch behoefte. Op eigen terrein zijn daarmee voor deze situatie 19 parkeerplaatsen nodig. Uit een inrichtingsschets voor de situatie van 20 sociale woningen, blijkt dat op eigen terrein 20 parkeerplaatsen kunnen worden gemaakt. Daarmee voldoet ook de wijzigingsbevoegheid reeds aan de vereiste parkeerbehoefte.

Hoofdstuk 5 Milieu en omgevingsaspecten

5.1 Algemeen

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om nieuwe milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

5.2 Water

Algemeen
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het nationaal waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, werd 'de watertoets' van toepassing verklaard op alle ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening.

Bij concrete ontwikkelingen vindt altijd een watertoets plaats. Een watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.

Beleid

De primaire waterbelangen gaan met name het waterschap Aa en Maas aan. Hiervoor hanteert het waterschap de “Keur”. De Keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij ruimtelijke plannen voor de bescherming van waterzaken zoals waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen).

Verder dient bij ontwikkelingen het vigerend gemeentelijk hemelwaterbeleid en de hemelwaterverordening te worden gehanteerd. Het doel hiervan is om daarmee bij te dragen aan een klimaatbestendige gemeente via doelmatige inzameling en verwerking van het hemelwater. De ambitie daarbij is om schoon hemelwater niet via het riool af te voeren, maar ter plaatse te benutten of te bergen.

Naast de primaire waterbelangen, is het gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater een wettelijke verplichting ten gunste van een integraal en goed waterbeheer. Overigens ligt binnen het plangebied reeds een gescheiden rioolstelsel (hemelwaterafvoer/droogweerafvoer). Bij eventuele ontwikkelingen zullen de stromen hemelwater en vuilwater gescheiden moeten worden aangeboden. Voor het gescheiden hemelwater is volgens het vigerend hemelwaterbeleid het algemeen uitgangspunt dat een deel van het hemelwater wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct wordt afgevoerd naar de riolering of het oppervlaktewater. Na berging is infiltratie in de bodem vaak gewenst. Met het vasthouden en infiltreren van hemelwater wordt in het algemeen bereikt dat de waterzuiveringsinstallaties beter functioneren, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater wordt voorkomen.

Vertaling naar het plan

Voor het plan is een waterdoorlatendheidsmeting (Koop & Romeijn grondmechanica, 180100, d.d. 18 mei 2018, bijlage 3) en een geotechnisch onderzoek (Infiltratie advies, Koop & Romeijn grondmechanica, 180202, d.d. 29 oktober 2018, bijlage 4) uitgevoerd. In de nieuwe situatie wordt een totale verharding aangebracht van 1.491 m2. De bijbehorende waterbergingsopgave, op basis van het gemeentelijk beleid waarbij 60 mm per m2 verharding moet worden opgevangen, is daarmee 90 m3.

Op basis van de beperkte onverharde arealen en een voldoende ontwateringsniveau van minimaal 2,0 m – maaiveld vanuit het diepe zandpakket, wordt uitgegaan van de berging en infiltratie van hemelwater door middel van een horizontaal IT-stelsel in combinatie met het toepassen van zandsleuven tot op de zandlagen vanaf ca. 3 à 4 m - maaiveld.

Bij de voorgestelde berging en infiltratie (zie onderstaande figuren) zijn minimaal 3 strengen met een buisdiameter van 800 mm benodigd om te voldoen aan de minimale bergingseis. De berging van het stelsel zoals voorgesteld is berekend op 75 m3. Uitgaande van een doorlatendheid van 6 m/dag wordt een infiltratiecapaciteit van 360 m3/dag verkregen, overeenkomend met 15 m3/uur. Hiermee wordt een gezamenlijke bergings- en infiltratiecapaciteit van 90 m3 gecreëerd in het eerste uur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0013.png" Figuur 13: Berging en infiltratie

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0014.png"

Figuur 14: Principe schets lengtedoorsnede

Ook is het mogelijk 2 strengen met een minimale diameter van 1000 mm toe te passen. Hiermee wordt een bergings- en infiltratiecapaciteit verkregen van 91 m3 in het eerste uur.

Uitgaande van een k-waarde van de zandlagen onder de wadi op 6 m/dag, een grondverbetering ter plaatse van het IT-stelsel en afmetingen beschreven zoals in bovengenoemde rapportages, wordt de infiltratiecapaciteit afgeleid op 360 m3/etm.

Hiermee voldoet het bergings- en infiltratiemedium aan de eisen van de gemeente Den Bosch en het waterschap Aa en Maas voor het bergen van hemelwater op eigen terrein van 60 mm en een ledigingstijd van 24 uur.

Daarnaast zal een (nood)overstort worden gemaakt om bij extreme regenbuien het hemelwater te kunnen lozen. Gedacht wordt aan het lozen op de waterpartij aan de Botterdreef of het gemeentelijk gescheiden HWA stelsel. Dit zal in overleg met de gemeente bepaald worden.

5.3 Flora en fauna

Inleiding

Met voorliggend plan wordt de bestaande bebouwing op perceel Zwartbroekweg 420 en 420A gesloopt, ten behoeve van een nieuwbouw van een woonzorgcomplex.

Volgens nationale- en internationale regelgeving is het verplicht om voorafgaand aan deze ingreep onderzoek te doen naar de effecten op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)) en het eventuele voorkomen van beschermde flora en fauna. Tevens is het volgens nationale regelgeving in sommige gevallen verplicht om melding te doen van het kappen van houtopstanden. Bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden wordt in Nederland vanaf 1 januari 2017 geregeld via de Wet natuurbescherming.

Quick scan

Ten behoeve van de ingreep is een quickscan Ecologie uitgevoerd (Bijlage 5, Ecologische quickscan Zwartbroekweg 420, Regelink, mei 2018). De rapportage geeft een eerste inschatting van het effect op beschermde gebieden, geeft aan welke beschermde flora en fauna mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de effecten van de ingreep hierop zijn. Wanneer effecten op beschermde gebieden mogelijk aan de orde zijn en of wanneer de aanwezigheid van beschermde flora en fauna niet afdoende kan worden aangetoond of uitgesloten, is er nog aanvullend onderzoek nodig.

Beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuur Netwerk Brabant)

Het Natura 2000-gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt is 'Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek'. Dit gebied ligt op een afstand van meer dan 4 km van het plangebied. Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied als gevolg van de aanwezigheid van stedelijk gebied en grote wegen zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De ingreep draagt niet bij aan verreikende effecten, zoals stikstofdepositie of verdroging. De ingreep leidt dan ook niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden en heeft ook geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden is dan ook niet aan de orde.

De ingreep vindt niet plaats binnen of in de directe omgeving van het Natuur Netwerk Brabant. Hierdoor is het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur niet van toepassing.

Beschermingsregime soorten Vogel -en Habitatrichtlijn

Broedvogels

In het plangebied zijn geen vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd aanwezig of te verwachten. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het dan aan te raden vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken.

Vleermuizen

Enkele gebouw-bewonende vleermuissoorten hebben mogelijk hun vaste rust- en/of verblijfplaats in het gebouw. Met name de sloop van het gebouw kan leiden tot het verdwijnen van verblijfplaatsen en het doden van vleermuizen. Daarom is het noodzakelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze vleermuissoorten in het plangebied te verrichten.

Aanvullend vleermuisonderzoek houdt in dat er drie bezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli (twee direct na zonsondergang en een vanaf twee uur voor zonsopkomst) en twee bezoeken in periode 15 augustus t/m 1 oktober (ruim na zonsondergang en ruim voor zonsopkomst) aan het plangebied nodig zijn. Deze bezoeken zijn met behulp van een heterodyne batdetector met time expansion uitgevoerd (zie kopje Nader onderzoek).

Overige soorten

Uit de resultaten van de quick scan blijkt tevens dat de aanwezigheid van onder dit beschermingsregime vallende beschermde soorten uit de soortgroepen planten, reptielen, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Daarmee is ook een negatief effect op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de quick scan is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de hierboven genoemde perioden (Vleermuisonderzoek School Zwartbroekweg, 's-Hertogenbosch, Regelink Ecologie & Landschap, 30 november 2018, zie bijlage 6).

Uit het onderzoek blijkt het volgende.

  • Het plangebied en omgeving fungeren als foerageergebied voor vier tot zes gewone dwergvleermuizen en een ruige dwergvleermuis. In verband met het kleine aantal dieren dat binnen het plangebied foerageert betreft dit geen essentiële functie.
  • In de omgeving van het plangebied is een vliegroute van twee tot vijf gewone dwergvleermuizen. De ingreep heeft hier geen invloed op.
  • In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig.

De voorgenomen ingreep heeft derhalve geen effecten op functies voor vleermuizen die in en rondom het plangebied aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming wordt door de ingreep niet overtreden.

Conclusie

Uit de uitgevoerde quick scan en het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat in het plangebied de aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna zijn uit te sluiten. Daarmee is ook een negatief effect op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

In de (directe) nabijheid van het plangebied zijn naast woonfuncties alleen maatschappelijke functies (school) bestemd. Het gaat hier om een lichte functie waarvan de aard passend wordt geacht in deze omgeving.

5.5 Geluid

Inleiding

Conform de Wet geluidhinder heeft iedere (spoor)weg een zone. Uitzonderingen daarop zijn wegen die in een 30 km-zone zijn opgenomen en wegen die als woonerf bestemd zijn. Van deze uitzonderingen is geen sprake vanwege de Larenweg (50 km/uur). De zone van de weg is 200 meter aan weerszijden van de weg, het toekomstige appartementencomplex is binnen deze zone geprojecteerd. Eveneens is het plangebied gelegen binnen de zone van 600 meter van de spoorbaan tussen 's-Hertogenbosch en Utrecht.

Onderzoeksresultaten

Het akoestisch onderzoek, zoals opgenomen in bijlage 7 "Rapport akoestisch onderzoek Botterdreef - Zwartbroekweg, 's-Hertogenbosch", 31 oktober 2018, heeft tot doel de geluidbelasting vanwege de Larenweg en de spoorbaan 's-Hertogenbosch – Utrecht op de gevels van de te projecteren geluidgevoelige bebouwing te bepalen en te toetsen aan de grenswaarden die in de Wet geluidhinder zijn gesteld. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de wegen Botterdreef (30 km/uur), Zwartbroekweg (30 km/uur) en Braspenninglaan (30 km/uur) in het onderzoek betrokken.

Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat, conform de Wet geluidhinder, de appartementen vanwege de Larenweg en de spoorweg 's-Hertogenbosch - Utrecht voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van respectievelijk 48 dB en 55 dB. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Larenweg is 37 dB (incl. afronding en aftrek conform art 110g Wgh) en vanwege de spoorweg 's-Hertogenbosch – Utrecht 54,8 dB. Er zijn derhalve geen akoestische belemmeringen voor de bouw van de woningen.

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening zijn de 30 km/uur-wegen, ter toetsing aan het woon- en leefklimaat, beschouwd. Als beoordelingscriterium worden daarbij de waarden uit de Wet geluidhinder gehanteerd. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat de woningen vanwege de Braspenninglaan voldoen aan de grenswaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Braspenninglaan bedraagt 44 dB (incl. afronding en aftrek conform art 110g Wgh). Uit de resultaten vanwege de Botterdreef en Zwartbroekweg blijkt dat de woningen niet voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt dat alle appartementen een gevelbelasting hebben van meer dan 48 dB. Vanwege de Botterdreef bedraagt de hoogst berekende geluidbelasting 55 dB (incl. afronding en aftrek conform art 110g Wgh). Vanwege de Zwartbroekweg bedraagt de hoogst berekende geluidbelasting 57 dB, inclusief afronding en aftrek conform art. 110g Wgh.

Indien de woningen aan de vereisten uit de Wet geluidhinder dienden te voldoen, zouden hogere waarden kunnen worden verleend. Dit is echter niet aan de orde omdat de geluidsbelasting wordt veroorzaakt door een 30 km/uur-weg.

Wel zijn geluidbeperkende maatregelen overwogen om de geluidbelasting op de gevels te verminderen naar de voorkeursgrenswaarde. Uit de beschouwing van de maatregelen aan de bron en in het overdrachtsgebied blijkt dat deze vanwege stedenbouwkundige, verkeerstechnische en financiële redenen niet doelmatig en haalbaar zijn.

Gemeentelijk geluidsbeleid

Conform het gemeentelijke beleid dient een buitenruimte van een woning of appartement te voldoen aan de ambitiewaarde van het betreffende gebied. In dit geval betekent dit een maximale geluidbelasting van 48 – 53 dB. Uit de resultaten blijkt dat alle woningen een gevelbelasting hebben van meer dan 48 dB afkomstig van wegverkeerslawaai. Alle woningen hebben aan de achterzijde echter een geluidluwe gevel en door de aanwezigheid van een gezamenlijke buitenruimte ook een geluidluwe buitenruimte. Alle woningen voldoen derhalve aan het gemeentelijk geluidsbeleid.

Gecumuleerde geluidbelasting

In het kader van de beoordeling van de akoestische inpasbaarheid moet, naast toetsing aan de normen die afzonderlijk voor verschillende activiteiten van toepassing zijn, ook de gecumuleerde geluidbelasting meegewogen worden. Hierbij is met name van belang in hoeverre sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen.

De maximaal gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen bedraagt 62 dB (exclusief de aftrek van 5 dB ex artikel 110g Wgh voor wegverkeer). Bij de aanvraag om omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat aan de geluideisen van afdeling 3.1 van het Bouwbesluit wordt voldaan. De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies moet worden bepaald conform NEN 5077. Hierbij wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. In deze situatie moet de minimale geluidwering 29 dB bedragen. Dit zal worden aangetoond bij de aanvraag omgevingsvergunning. Met inachtneming van bovenstaande, is uit akoestisch oogpunt sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.6 Luchtkwaliteit

Bij lucht gaat het enerzijds om de productie van luchtverontreiniging als gevolg van nieuwe plannen – waarop de luchtkwaliteitseisen van de Wet Milieubeheer van toepassing zijn – als om de zorg van kwetsbare functies in luchtbelaste zones uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze door vrijwel geen of een beperkte toename aan verkeer niet betekenisvol bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt op 1,2 ìg/m3. Voor dergelijke kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die mogelijk weinig effect zouden kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan luchtverontreiniging. De rekentool voldoet aan de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Het omslagpunt waarbij een project een bijdrage zou kunnen leveren aan de luchtkwaliteit ligt bij circa 1500 motorvoertuigen per etmaal. Deze aantallen voertuigbewegingen worden als gevolg van dit plan – met een 16 woonzorgwoningen en één zelfstandige woning - nimmer gehaald. Het plan draagt door de weinig optredende verkeersbewegingen niet in betekenende mate bij (NIBM) aan de luchtverontreiniging. Het plan is daarom niet afzonderlijk getoetst aan de Wet luchtkwaliteit, een apart luchtonderzoek is niet nodig.

Los van de formele toets, is wel de plaatselijke luchtkwaliteit beschouwd. Uit de landelijke luchtkwaliteitskaart (NSL Monitoringstool) blijken de huidige jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (fijn stof) ter plaatse van deze locatie aan de Zwartbroekweg respectievelijk op 22 en 19 microgram/m3 te liggen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde (van jaargemiddeld 40 microgram/m3) van deze stoffen. De jaargemiddelde concentratie ultrafijn stof (PM2,5) bevindt zich hier op 12 microgram/m3 (grenswaarde is 25 microgram/m3).

De optredende concentraties voldoen hier ruim aan de daarvoor geldende grenswaarden. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er voor dit plan belemmeringen.

5.7 Bodemkwaliteit

Op de locatie is bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 8, Verkennend bodemonderzoek Zwartbroekweg 420 te 's-Hertogenbosch, NIPA Milieutechniek BV, 17016, d.d. 26 oktober 2018). De locatie is gezien de historie als onverdacht beoordeeld. Uit het onderzoek blijkt zowel in de boven- als de ondergrond geen verontreinigingen te zijn aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. Het aangetroffen gehalte barium komt van nature voor in het grondwater. Dit is een gevolg van de verhoogde achtergrondwaarde ten gevolge van diffuse bodemconcentraties.

De milieuhygiënische bodemkwaliteit van de locatie vormt geen belemmering voor de geplande nieuwbouw. Na sloop van de huidige bebouwing zal, ter plaatse, een aanvullend onderzoek plaats vinden. Bij eventueel grondverzet valt vrijkomende grond onder de bepalingen van het besluit Bodemkwaliteit.

5.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico's die samenhangen met activiteiten en handelingen met gevaarlijke stoffen. Het kan hierbij gaan om inrichtingen (bedrijven) waarin gevaarlijke stoffen worden gebruikt of opgeslagen, maar ook door het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, water, spoor of ondergrondse buisleidingen.

Transport over weg, spoor en water

De gemeente heeft gekeken naar de risico's als gevolg van gevaarlijk transport over de weg, het spoor en over het water. Doel is zorg te dragen voor het feit dat geen onnodig hoge risico's worden gelopen. Naar voren is gekomen dat gevaarlijk transport van het spoor mogelijk relevant is. Transport over de weg en het water zijn niet relevant.

De afstand van de ontwikkeling tot aan het spoor bedraagt ruim 450 meter. Op deze afstand is geen sprake van belemmeringen vanuit een plaatsgebonden risicocontour. Met betrekking tot het groepsrisico geldt dat geen sprake is van een bijzonder aandachtsgebied.

Inrichtingen

Daarnaast is ook gekeken naar externe veiligheid als gevolg van inrichtingen. Externe veiligheid als gevolg van inrichtingen is niet relevant.

Ondergrondse transportleiding

In of in de directe nabijheid van het te ontwikkelen gebied is geen ondergrondse leiding aanwezig, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Externe veiligheid als gevolg van ondergrondse transportleidingen is niet relevant.

Conclusie

Op basis van gegevens van de gemeente en de risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden vastgesteld dat er geen belastende bedrijven/activiteiten aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmeringen oplevert.

5.9 Energie en duurzaamheid

Algemeen

Het Rijk heeft ambitieuze klimaatdoelen gesteld die via diverse convenanten en akkoorden (zowel met het bevoegd gezag, bedrijfsleven en marktpartijen) zijn geborgd. Deze doelen zijn vastgelegd in het 'nationaal energiebeleid' en komen voort uit de afspraken die internationaal zijn vastgelegd in onder meer het Kyotoprotocol.

Ook binnen het gemeentelijk milieubeleid is ons klimaat- en energiebeheer een belangrijk speerpunt. De ambitie is om als stad tussen 2040 en 2050 klimaatneutraal te zijn. Dit is een enorme ambitie waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstellingen betekenen dat we niet alleen als gemeente veel moeten doen, maar ook alle bedrijven, inwoners, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. Onze gemeentelijke energie-ambitie en doelstellingen zijn vastgelegd in het “Energietransitieprogramma 2016-2020 's-Hertogenbosch”.

Ruimtelijke plannen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het bewust en zorgvuldig omgaan met energie. Daarbij zijn de principes van de Trias Energetica zeer goed bruikbaar. Dit houdt in dat eerst gekeken wordt naar de mogelijkheden voor het beperken van de energievraag (besparing). Vervolgens wordt gekeken in hoeverre de energie die toch nodig is op duurzame wijze kan worden opgewekt. De derde stap in de Trias Energetica is het streven naar een zo efficiënt mogelijke opwekking van energie uit de resterende fossiele brandstoffen. De ruimtelijke relevantie van het energiethema spitst zich toe op energiebesparing en de opwekking van duurzame energie. Opwekking van duurzame energie kan goed met andere functies gecombineerd worden.

Maatregelen in het plan

Het project Zwartbroekweg dient bij te dragen aan de gemeentelijke ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn, met al in 2035 een klimaatneutrale bebouwde omgeving. Het streven is erop gericht dat het woonzorgcomplex kan worden aangemerkt als 'nul-op-de-meter' bouwwerk. Niet per definitie bij oplevering, maar zeker wel in de toekomst. De strategie is gebaseerd op de Trias Energetica.

Trias Energetica

Het ontwikkelen van een nul-op-de-meter woning vraagt om meer kennis dan voor het ontwikkelen van een 'bouwbesluit' woning. Hoe minder energie benodigd is, des te minder er opgewekt hoeft te worden. De Trias Energetica is een drie-stappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken. Door toevoeging van een vierde stap is bouwen naar nul-op-de-meter bouwen mogelijk. De vier stappen van het energieconcept zijn:

1. Beperk de energiebehoefte

2. Gebruik energie uit reststromen

3. Maximaal gebruik maken van duurzame bronnen

4. Efficiënt gebruik maken van fossiele brandstoffen

De bovengenoemde punten van de Trias Energetica zijn verder uitgewerkt wordt verwezen naar de energievisie van het project. De energievisie is als bijlage 9 bijgevoegd.

5.10 Vormvrije M.E.R.- beoordeling

Inleiding

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Met ingang van 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft niet gepubliceerd te worden.

Aanmelding en besluit

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 16 woonzorgappartementen en één zelfstandige woning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' van toepassing is.

Het project bestaat uit de realisatie van maximaal 16 woonzorgappartementen en één zelfstandige woning, en betreft de herontwikkeling van een bestaand bouwperceel - voormalige school. In het project wordt aandacht geschonken aan een duurzaam energiegebruik. Het betreft een ruimtelijke ontwikkeling die wat betreft hinder een verbetering betreft ten opzichte van de huidige toegestane functie (school). Het project wordt gerealiseerd op een locatie binnen de wijk Maaspoort. Uit de milieuparagraaf van dit bestemmingsplan blijkt dat de ruimtelijke ontwikkeling geen significante milieubelemmeringen oplevert.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., en de transformatie van school naar woonbestemming), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf van dit bestemmingsplan (hoofdstuk 5). Het bevoegd gezag besluit derhalve dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden gemaakt.

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten

Het bestemmingsplan 'Herontwikkeling Zwartbroekweg 420' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen van een woonzorgcomplex, en het gebruik van de gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het plangebied.

De juridisch-planologische regeling van het voorliggende plan is gebaseerd op het Besluit ruimtelijke ordening en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012).

Op de verbeelding zijn de bestemming en de aanduidingen met kleuren, cijfer- en lettercombinaties en vlakken aangegeven. De kleuren, cijfer- en lettercombinaties en vlakken dienen in samenhang met de regels te worden gelezen. Een onderdeel van de in het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde eisen betreft de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van een bestemmingsplan. Door de uniformering en standaardisering zijn de vormgeving en inrichting van een digitale verbeelding verschillend van een 'traditionele' analoge plankaart. Met de vormgeving en inrichting van een digitale verbeelding wordt beoogd bestemmingsplannen als een interactief plan raadpleegbaar te maken (op internet). Deze wijze van beschikbaarstelling is per 1 januari 2010 wettelijk verplicht.

De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken, te weten:

hoofdstuk 1: inleidende regels;

hoofdstuk 2: bestemmingsregels;

hoofdstuk 3: algemene regels;

hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels.

6.1 Inleidende regels

De artikelen in hoofdstuk 1 van de planregels hebben betrekking op de toepassing van de planregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. In dit geval wordt het peil voor de hoofdgebouwen bepaald aan de hand van de hoogte van de kruin van de aan het bouwperceel grenzende weg. De goot -en bouwhoogten worden vervolgens weer bepaald op basis van dit peil.

6.2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels omvat een toelichting op de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In het plangebied komt uitsluitend de bestemming 'Gemengd' voor.

Binnen de bestemming Gemengd worden een aantal functies toegestaan, te weten: zorgwonen, uitsluitend in de vorm van begeleid wonen, met zowel zelfstandige als onzelfstandige woonruimten, een zelfstandige woning, gemeenschappelijk ruimten, ondersteunende voorzieningen ten behoeve van begeleid wonen en zorgfuncties; aan huis verbonden beroepsactiviteiten, tuinen en parkeervoorzieningen. Daarnaast is een aantal ondergeschikte functies toegestaan.

Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen de hoofdbebouwing dient te worden opgericht. Ook is op de verbeelding de maximale goot- en bouwhoogte van het complex aangegeven. Daarnaast is maximaal 75 m2 aan erfbebouwing toegestaan buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', alsmede overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximale hoogte van 3 meter; en een maximale hoogte van respectievelijk 1 of 2 meter voor erfafscheidingen.

Daarnaast zijn twee aanduidingen opgenomen. Aan de voorzijde van het bouwvlak is een 'specifieke bouwaanduiding - balkon' opgenomen, om de bouw van balkons ook buiten het bouwvlak te maken. De tweede aanduiding betreft de 'functieaanduiding groen', die langs de perceelsgrenzen is opgenomen. Aan de oostzijde is de aanduiding opgenomen tot het punt waar er al een haag aanwezig is. De gronden met de bestaande haag blijven in eigendom van de gemeente. De functieaanduiding groen betreft een voorwaardelijke verplichting. Het gebruik van de gronden is uitsluitend toegestaan indien de groene erfafscheiding wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Tot slot is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan zodanig te kunnen wijzigen dat maximaal 20 gestapelde woningen mogelijk kunnen worden gemaakt. Hierbij dienen onder meer het bouwvlak en de maximale bouwhoogten van dit bestemmingsplan te worden aangehouden.

6.3 Algemene regels

In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze algemene regels gelden voor het gehele plan.

6.4 Overgangsregels

Dit vierde en laatste hoofdstuk bevat het overgangsrecht en de slotregel.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Het bestemmingsplan voor de Zwartbroekweg 420 is financieel getoetst. Hierbij is rekening gehouden met de te realiseren appartementen door Zayaz en de aanleg van het openbaar gebied inclusief parkeervoorzieningen. Met Zayaz is op 18 december 2018 een koopovereenkomst gesloten. Hiermee zijn de opbrengsten zekergesteld en wordt de ontwikkeling ingezet. Doordat de opbrengsten zeker zijn gesteld, de gemeente eigenaar is van de grond en er geen aanvullende eisen gesteld worden aan de locatieontwikkeling, is het niet nodig hiervoor een exploitatieplan vast te stellen.

Het nog aanwezige pand zal dit jaar gesloopt worden, waarna de bouwrijpe grond aan Zayaz geleverd wordt. Op basis van de doorrekening kan geconcludeerd worden dat de grondexploitatie sluitend is.

Hoofdstuk 8 Inspraak en vooroverleg

8.1 Vooroverleg

Op basis van artikel 3.1.1 van het Bro (wettelijk vooroverleg) is het voorontwerp bestemmingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners.

Het waterschap Aa en Maas heeft op 22 juni 2018 schriftelijk aangegeven in te stemmen met de waterparagraaf uit het plan waarbij gewezen is op de algemene regels van de Keur voor de mogelijk te maken noordoverstort. De provincie Noord-Brabant heeft per brief van 20 juni 2018 laten weten geen opmerkingen te hebben op het plan. Tot slot hebben Rijkswaterstaat, Tennet en de Gasunie, op respectievelijk 7 juni, 11 juni en 27 juni 2018 laten weten in te kunnen stemmen met het plan.

8.2 Inspraak

Informele inspraakfase

In het kader van vroegtijdig overleg met de buurt, is het plan reeds op 26 februari 2018 voor het eerst met de buurt besproken op een informatieavond. Er lag nog geen uitgewerkt ontwerp en er waren nog geen onderzoeken uitgevoerd. Er lag alleen een massastudie met een waarschijnlijke footprint, in combinatie met een gewenst programma (woonzorgconcept).

Tijdens de avond konden geinteresseerden kennisnemen van de eerste ideeën en schetsen voor dit programma voor de herontwikkeling van de locatie, en vervolgens hun ideeën of opmerkingen op geeltjes aangeven op panelen.

De belangrijkste zaken die tijdens deze avond naar voren kwamen of besproken werden, waren parkeren, verkeersveiligheid, het ontwerp zelf, en geluid. De avonden hebben we samengevat in een beeldverslag. Het beeldverslag is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd (bijlage 10). De gemeente heeft samen met Zayaz en Vivent Het Andere Wonen op basis van deze informatie, maar ook op basis van de onderzoeken en het geldende gemeentelijk en provinciaal beleid, voorliggend plan opgesteld. Hieronder gaan we in op een aantal specifieke onderwerpen die deze avond zijn ingebracht door de aanwezigen.

Inzake parkeren, wordt voldaan aan het beleid uit de Nota Parkeernormering. Conform de norm voor verpleeghuis, worden de vereiste parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein. Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van deze Toelichting. De benodigde 12 parkeerplaatsen voor het woonzorgcomplex worden volledig op eigen terrein aangelegd.

Indien na afloop van de huurovereenkomst tussen de woningcorporatie en Vivent Het Andere Wonen de wens bestaat reguliere sociale huurwoningen te gaan realiseren op dit terrein, dan moet op dat moment worden voldaan aan de geldende parkeernormering voor die woningen. Dit wordt geborgd via een voorwaarde in de wijzigingsbevoegdheid, die benodigd is voor de omzetting naar regulier wonen. Dit zal naar verwachting betekenen dat er extra parkeerplaatsen aangelegd moeten worden om hieraan te voldoen. In het huidige ontwerp is hiermee rekening gehouden - er is ruimschoots voldoende ruimte voor het aanleggen van extra parkeerplaatsen op het binnenterrein, dus op eigen terrein. De verplichting om die parkeerplaatsen te zijnertijd aan te leggen, vloeit enerzijds voort uit dit bestemmingsplan, anderzijds worden hierover ook privaatrechtelijk afspraken gemaakt met de gemeente.

Wat betreft verkeersveiligheid het volgende. De Zwartbroekweg heeft een snelheidsregime van 30 km/uur, een aantal drempels en een nabijgelegen oversteekplaats. Er zijn daarmee voldoende maatregelen aanwezig voor een goede verkeersveiligheid. Dit plan wijzigt deze weg of de Botterdreef niet, er komt alleen een in/uitrit bij aan de Zwartbroekweg. Dit heeft geen negatieve invloed op de verkeersveiligheid, mogelijk zelfs een positieve invloed.

Op het ontwerp is tijdens de avond een aantal reacties gekomen. Er zijn opmerkingen gekomen op een aantal aspecten, zoals de brandgang, het aantal bouwlagen, uiterlijk van de nieuwbouw, toegang tot het perceel etc. Al deze aspecten zijn meegenomen bij het opstellen van het ontwerp en inrichtingsplan. Deze plannen zijn weergegeven in hoofdstuk 4. Specifiek bleek tijdens de inloopavond dat er een grote voorkeur bestaat voor het plaatsen van een groene omheining rondom de oost -en zuidzijde van het perceel. Derhalve is de realisatie en instandhouding van deze groene omheining in dit bestemmingsplan overgenomen.

Gelet op bovenstaande, was de gemeente van mening dat de opmerkingen tijdens de (informele) inspraak zorgvuldig zijn beschouwd en verwerkt in het voorontwerpbestemmingsplan.

Derhalve is het voorontwerpbestemmingsplan op 11 juni 2018 gedurende zes weken terinzage gelegd in het kader van de formele inspraakperiode.

Formele inspraakfase

In totaal zijn gedurende de inspraaktermijn van zes weken twee inspraakreacties ontvangen. Deze worden hieronder beschreven en beantwoord.

Inspreker sub 1

Inspreker sub 1 heeft één bezwaar tegen het plan, en twee dringende verzoeken ten aanzien van het plan.

Inspreker heeft bezwaar tegen de wijze waarop de groene afscheiding, die is beoogd tussen de brandgang langs zijn woning en het zorgcomplex, wordt vormgegeven. Deze loopt langs de brandgang maar eindigt ter hoogte van de helft van de achtertuin van zijn woning. Dit is qua uitzicht en geluidsdemping voor inspreker niet gewenst. Het verzoek is deze groene muur door te laten lopen tot aan het punt aan de straat waar het stenen vlak start dat eventueel nog als parkeerplek gebruikt gaat worden.

In het voorontwerpbestemmingsplan was een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de groene afscheiding. In het voorontwerpplan liep de afscheiding inderdaad niet helemaal door aan het stenen vlak van de mogelijke parkeerplaats; dit werd niet noodzakelijk geacht. Er is echter geen bezwaar tegen het doortrekken van deze groene afscheiding. Om aan de zorgen van inspreker tegemoet te komen, is in het ontwerp bestemmingsplan de erfafscheiding met functieaanduiding 'groen' dan ook doorgetrokken tot aan de straat. Dit is uiteraard ook verwerkt in het inrichtingsplan, zoals te zien in onderstaand figuur 15.

Inspreker heeft daarnaast een dringend verzoek om het stenen vlak dat is ingetekend op het inrichtingsplan, vlakbij de voordeur van de woning van inspreker, een open karakter te laten behouden. Zo kan het uitzicht vanuit de woning van inspreker en het open karakter behouden blijven.

Voor deze plek liggen geen plannen meer om een parkeerplaats of carport te maken. De inrichtingstekening is hierop aangepast; het is nu groen aangeduid, zoals weergegeven in onderstaand figuur met de zwarte pijl.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002404-1401_0015.png"

Figuur 15: uitsnede inrichtingsplan

Op dit zijerf langs het nieuwe woonzorgcomplex kan tot aan de achtergevel geen bebouwing meer komen. Derhalve wordt hiermee voldaan aan de wensen van inspreker. Dit is in het ontwerp bestemmingsplan verduidelijkt door het opnemen van een aanduiding 'bijgebouwen' op het binnenterrein van het woonzorgcomplex. Alleen daar mogen bijgebouwen en –aan en uitbouwen komen (tot maximaal 75 m2 en maximaal 3 meter hoog).

Inspreker wijst tot slot op het aspect veiligheid. Hij geeft aan dat er recentelijk een aantal keer is ingebroken in de buurt. Het verzoek van inspreker is dan ook om een beveiligingscamera op te hangen aan de rand van het woonzorgcomplex. De veiligheid van zowel inspreker als het complex wordt daarmee geborgd.

In het plan wordt een groene afscheiding aangebracht, en op verzoek van inspreker wordt deze doorgetrokken, bijna tot aan de straatzijde. Wat betreft de eerste 15 meter vindt daarin op dit punt van openheid geen verslechtering plaats ten opzichte van de huidige situatie. Ook wordt het doortrekken van de groene afscheiding juist op verzoek van inspreker doorgevoerd. Daarnaast is een brandgang zoals die in de nieuwe situatie zal ontstaan, in woonwijken zeer gebruikelijk. Er is derhalve geen aanleiding om hier speciale maatregelen te nemen.

De inspraakreactie heeft geleid tot een tweetal aanpassingen het bestemmingsplan.

Inspreker sub 2

Insprekers sub 2 tekenen bezwaar aan tegen de herbestemming van de locatie Zwartbroekweg 420, specifiek als het gaat om de gekozen locatie. Zij betogen dat een deugdelijke argumentatie om deze locatie te herbestemmen ontbreekt.

In het bestemmingsplan is in paragraaf 3.1 en 3.3 uitgebreid de behoefte aan de woonzorgfunctie in de wijk Maaspoort beschreven en gemotiveerd. Hieruit blijkt een deugdelijke argumentatie voor een locatie voor woonzorgfuncties in Maaspoort. Vanuit een goede ruimtelijke ordening geldt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Dit houdt onder meer in dat niet onnodig nieuwe onbebouwde gebieden worden verhard en bebouwd; en dat dus eerst naar herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied moet worden gekeken. Derhalve is gezocht naar met name leegstaande panden in de wijk, in eigendom van de gemeente. Het is vanuit dit oogpunt voor de hand liggend, en misschien wel noodzakelijk om te kiezen voor de locatie Zwartbroekweg 420: een leegstaande school op gemeentegrond, in bestaand stedelijk gebied. Het ligt bovendien op een locatie die redelijk centraal ligt in de wijk, nabij andere voorzieningen.

Gelet op bovenstaande, is een deugdelijke argumentatie gegeven voor de locatie van het woonzorgcomplex.

Daarnaast voeren zij aan dat door deze herbestemming 10 huurders van ateliers op straat komen te staan, omdat zij op dit moment het pand gebruiken. Dit is niet gewenst omdat in de stad al een schrijnend tekort is aan betaalbare werkruimtes voor kunstenaars, aldus de insprekers. Ook verdwijnt er dan een stuk culturele activiteit uit de buurt; de ateliers vormen op dit moment een belangrijk onderdeel van de culturele infrastructuur in Den Bosch.

Verzoek is dan ook een andere locatie te kiezen voor het woon-zorgcomplex, en Zwartbroekweg 420 permanent in beheer te geven aan Atelier Beheer Stichting.

Het tijdelijk gebruik was voor de gemeente van belang om verloedering, verval en leegstand van het pand tegen te gaan. Ook kon zo tijdelijk ruimte worden geboden aan de kunstenaars.

Wij begrijpen dat insprekers het betreuren dat zij hun huidige gebruik in de toekomst op deze locatie niet kunnen voortzetten. Tegelijkertijd kan het voornemen voor herontwikkeling niet als verrassing zijn gekomen, aangezien door ons met de Atelier Beheer Stichting (ABS) duidelijke afspraken zijn gemaakt over het tijdelijk gebruik van de locatie (contractueel). Voor beide partijen is daarmee altijd duidelijk geweest dat het gebruik als atelier slechts tijdelijk was als overbrugging naar de herbestemming. In het contract met ABS is dan ook een bepaling opgenomen dat de overeenkomst met een opzegtermijn van één maand kan worden opgezegd.

Het streven van ABS bij de tijdelijke verhuur is altijd om vervangende ateliers aan te bieden op het moment dat een tijdelijk pand niet meer beschikbaar is. Hoewel geen garantie is het de ABS tot nu toe bijna in alle gevallen gelukt. Naar onze mening is een schrijnend tekort niet de juiste typering. Er is de afgelopen jaren veel aanbod, zowel tijdelijk (en dus meestal heel betaalbaar) als permanent, bijgekomen op initiatief van ABS.

Het huurbeleid van de stad wordt uitgevoerd door ABS. In overleg met de gemeente wordt maatschappelijk vastgoed altijd bekeken op geschiktheid voor ABS. Met het realiseren van, en investeren in meer permanente ateliercomplexen wordt een stabiele basis gelegd (Ridderspoor, de Cactus, Poeldonk, Nova Zembla). Betaalbare ateliers zijn van belang en we doen wat mogelijk is zonder de garantie dat alle wensen/behoeften altijd ingevuld kunnen worden.

Gelet op bovenstaande, heeft de inspraakreactie niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

8.3 Zienswijzenfase

Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 24 december 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegd in het kader van de zienswijzenperiode. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.