| Plan: | Bruggen 38-40 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0796.0002369-1401 |
Het voorliggende wijzigingsplan heeft betrekking op een nog onbebouwd perceel tussen de Bruggen 38 en 40 te Rosmalen. Met de vaststelling van het bestemmingsplan 'De Overlaet' heeft de gemeenteraad bepaald dat voor de percelen tussen Bruggen 38 en 40 een wijzigingsbevoegdheid geldt. De intentie is om op het perceel een vrijstaande woning te realiseren. Door middel van dit wijzigingsplan wordt de realisatie van een woning mogelijk gemaakt.
Het plangebied ligt aan de oostrand van de kern Rosmalen aan het lint naar de Kruisstraat. De omgeving van het plangebied is te kenmerken als een overgangsgebied tussen de kern en het agrarisch gebied. In de omgeving zijn met name vrijstaande woningen aanwezig, afgewisseld door groenstroken en enkele kleine bedrijven.
Het plangebied beslaat kadastraal twee percelen. Het westelijke, onbebouwde perceel ligt direct naast Bruggen 38. Dit perceel is kadastraal bekend met perceelnummer 514 en in gebruik als grasland. Daarnaast omvat het plangebied een onbebouwd deel met perceelnummer 4938. Ook dit perceel is in gebruik als grasland.
Afbeelding 1: Uitsnede bestemmingsplan 'De Overlaet' ter plaatse van Bruggen 38 en 40 inclusief kadastrale lijnen. Tussenliggend (rood omlijnd) de bestemming Groen met wijzigingsgebied 1.
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'De Overlaet'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 14 december 2010 en sinds 29 augustus 2012 geheel onherroepelijk in werking.
Het plangebied is hierin bestemd als 'Groen' zonder een bouwvlak, maar met de aanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied 1'. Met deze wijzigingsbevoegdheid kan een vrijstaande woning mogelijk worden gemaakt op het onbebouwde perceel.
Afbeelding 2: Geldend bestemmingsplan 'De Overlaet'.
In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie van het plangebied beschreven. Het beleidskader dat van toepassing is op de locatie en het initiatief is opgenomen in hoofdstuk 3. Een korte planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 4. Vervolgens worden de verschillende milieuaspecten beschreven. Daarna is in hoofdstuk 6 de waterparagraaf opgenomen. Hierna volgt een bespreking van de flora en fauna in het plangebied. In hoofdstuk 8 worden de juridisch-bestuurlijke aspecten besproken. De financiële haalbaarheid van het initiatief komt in hoofdstuk 9 aan de orde. Hoofdstuk 10 beschrijft de resultaten van inspraak en vooroverleg.
In de huidige situatie is het terrein onbebouwd. De aanwezigheid van grasland, bomen en een erfafscheiding van hout en ijzerdraad kenmerkt het perceel. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint langs de Bruggen. Zowel aan de oost- als de westzijde staan vrijstaande woningen. Deze woonbebouwing heeft net als de meeste bebouwing in het bebouwingslint een kaprichting evenwijdig aan de straat.
Bruggen kan worden getypeerd als een dijklint. Een autonome dijk met verspreid liggende bebouwing, losliggend van de aangrenzende wijken. De bebouwing langs het totale lint is divers: Brabantse langgevelboerderijen, huizen uit de jaren '30, bungalows uit de jaren '60 en '70 tot moderne woningen anno nu. Overeenkomst is dat de bebouwing uit vrijstaande woningen op ruime kavels bestaat. Door de grote voor- en zijtuinen is het beeld vanuit het steenachtige profiel dorps en groen.
In het plangebied Bruggen zijn grofweg twee type woningen aanwezig. De van oorsprong agrarische bebouwing kenmerkt zich door woningen die met de lange zijde en de kap evenwijdig aan de straat zijn gesitueerd. Doordat de kavels zeer breed zijn, is er voldoende onbebouwde ruimte aan weerszijden van de woning. Hierdoor is er zicht op de achterliggende gebieden. De overige woningen kenmerken zich door een kleiner bouwvolume, veelal op een smaller kavel met een gewone kap, dan wel een marsardekap eveneens evenwijdig aan de straat.
Afbeelding 3: Luchtfoto plangebied
De lintbebouwing ligt op diverse afstanden van de straat, maar is altijd met de voorkant aan de straat gesitueerd. De afstand tussen de kant van de weg en de voorgevel van de woningen varieert tussen minimaal 7 tot ruim 15 à 20 meter. Daar waar de woningen op het niveau van de voet van de dijk zijn gesitueerd en er geen of slechts zeer beperkte ophoging heeft plaatsgevonden, is het wonen aan de dijk zichtbaar en herkenbaar. Dit is ruimtelijk een bijzonder waardevolle kwaliteit.
Langs Bruggen wordt uitgegaan van het handhaven/versterken van het dijkprofiel, belangrijke zichtlijnen en het open, groene karakter van het lint. Vervanging van bestaande bedrijfs- en agrarische bebouwing naar woonbebouwing is toegestaan, mits de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt. Dit betekent onder andere een kleiner bebouwd oppervlak, betere zichtlijnen naar het achterliggende gebied, en een groenere uitstraling van het perceel.
Alleen ter plekke van brede percelen is aanvullende bebouwing mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid. De breedte van het perceel bepaalt of er al dan niet bebouwing kan worden toegevoegd en zo ja, welk woontype mag worden gebouwd. Dat is ofwel een woning met de kopse kant aan Bruggen of bij zeer brede percelen, een woning met de langsgevel aan Bruggen. De nieuwe woning wordt ontsloten vanaf Bruggen. Per woonkavel is er slechts één inrit/dijkoprit toegestaan.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
In de SVIR heeft het Rijk drie Rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie Rijksdoelen worden 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en overig rijksbeleid
In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.
Indien de ladder voor duurzame verstedelijking wordt doorlopen, wordt het volgende geconstateerd.
De eerste vraag is, is of er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het mogelijk maken van één woning niet kan worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de ladder niet van toepassing op dit project. Ten overvloede wordt opgemerkt dat met dit wijzigingsplan wordt voorzien in zowel de kwalitatieve als kwantitatieve behoefte naar woningbouw in de gemeente 's-Hertogenbosch op een binnenstedelijke locatie, zoals gemotiveerd in paragraaf 3.2 en 3.3.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen in lijn is met het Rijksbeleid.
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in 13 provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
Op de Structurenkaart is het plangebied aangeduid als 'stedelijk concentratiegebied'. Binnen de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden voor verstedelijking liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. Het onderhavige wijzigingsplan sluit aan bij de provinciale beleidsvisie.
Verordening Ruimte Noord-Brabant
De Verordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. De Verordening Ruimte 2014 is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Structuurvisie juridisch geborgd is. Belangrijke onderwerpen in de Verordening Ruimte zijn:
Afbeelding 4: Uitsnede kaart Verordening Ruimte 2014. Het paarse vlak is 'bestaand stedelijke gebied, stedelijke concentratiegebied'. Het perceel is met de blauwe marker aangeduid.
Op de kaart behorende bij de provinciale verordening is het plangebied aangeduid als 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Binnen de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden voor verstedelijking liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. Het initiatief past binnen dit beleidsvoornemen.
Tevens voldoet het voornemen aan de formele artikelen van de Verordening Ruimte. Artikel 4.2 geeft aan dat een stedelijke ontwikkeling uitsluitend in bestaand stedelijk gebied ligt; gelet op bovenstaande en afbeelding 4 voldoet het voornemen hier aan. Daarnaast dient nieuwbouw van woningen te worden verantwoord in relatie tot de beschikbare plancapaciteit en regionale afspraken (artikel 4.3 en 37.4).
De regionale woningbouwafspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RRO Noordoost-Brabant. In de Regionale Agenda's Wonen worden de woningbouwcontingenten voor de komende tien jaar vastgelegd voor de verschillende regio's binnen de provincie Noord-Brabant.
In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant d.d. 8 december 2016 zijn de woningbouwopgaven opnieuw bepaald. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het tot 2026 om een opgave van 19.125 woningen. De woningbouwopgave in de gemeente 's-Hertogenbosch is begroot op 7.365 woningen in de periode 2016-2026. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft in haar regio te maken met de grootste woningbouwopgave. Dit aantal betreft de netto toename van de woningvoorraad, exclusief vervangende woningbouw door sloop. De harde plancapaciteit betreft slechts circa 4.000 woningen. Met het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling wordt op een binnenstedelijke locatie bijgedragen aan het behalen van de woningbouwopgave.
Geconcludeerd wordt dat het bouwen van één woning in bestaand stedelijk gebied in overeenstemming is met hetgeen bepaald in regionaal verband en hiermee hetgeen bepaald in artikel 4.3 en artikel 37.4 van de Verordening.
Ruimtelijke StructuurVisie 's-Hertogenbosch
In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert de gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. Er worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het ‘ruimtelijk motto’ van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.
De in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling betreft het ontwikkelen van één grondgebonden woning. Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. De nieuwe woning sluit goed aan op de bestaande ruimtelijke- en functionele structuur en de nieuwe invulling past binnen de stedenbouwkundige randvoorwaarden van de Dorpsrand Bruggen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie.
Nota Wonen
Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Nota Wonen 2012 die is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 september 2012. De ambitie voor het woonbeleid van 's-Hertogenbosch is het creëren van een evenwichtige woningmarkt met een gedifferentieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus zodat mensen naar tevredenheid in onze stad kunnen wonen en leven. Er wordt gestreefd naar een stad waar voldoende, betaalbare en passende woningen zijn en voldoende keuzemogelijkheden in gevarieerde en sterke buurten waarin mensen zich thuis kunnen voelen.
Deze ambitie is in de Nota Wonen 2012 uitgewerkt in vier speerpunten van beleid: voldoende woningen, betaalbaar wonen, passend wonen, in sterke en vitale buurten.
De beleidsinzet van de gemeente voor woningbouw is dan als volgt:
Ook zijn Prestatieafspraken Wonen gemaakt, waarin woningcorporaties elk jaar afspraken hebben gemaakt met gemeenten, en is in maart 2016 het Sociaal Woonakkoord gesloten. Via deze afspraken wordt mede richting gegeven aan het woningbouwprogramma, en de uitvoering van het woonbeleid.
Daarnaast is begin april 2017 de Woonagenda 2017/2018 door de gemeenteraad vastgesteld. Het betreft de actualisatie van het woonbeleid zoals geformuleerd in de Nota Wonen. De belangrijkste uitgangspunten van de Woonagenda zijn:
Onder het versnellen van de woningproductie wordt specifiek uitgegaan van een productie van 8.000 woningen in de koop -en huursector tot en met 2025.
Dit onderhavige wijzigingsplan draagt bij aan verschillende onderdelen van de Woonagenda.
Visie dorpsrand Bruggen
In 2005 is voor de Dorpsrand Bruggen een Nota van uitgangspunten vastgesteld door de gemeenteraad. Hiermee zijn de ruimtelijke kaders vastgelegd voor de toekomstige ontwikkelingen in de dorpsrand Bruggen. In de nota wordt de realisatie van nieuwe woningen ter plekke van zeer brede percelen langs Bruggen mogelijk gemaakt. Er worden randvoorwaarden gesteld ten aanzien van de breedte van elk woonperceel en het woningtype.
Langs Bruggen en de Bruggensestraat wordt uitgegaan van het handhaven/versterken van het dijkprofiel, belangrijke zichtlijnen en het open, groene karakter van het lint. Een ander uitgangspunt is het behoud van de groene geledingszone tussen het historische lint Bruggen en de Overlaet.
Met dit wijzigingsplan wordt verder uitvoering gegeven aan deze visie.
Afbeelding 5: Visie Dorpsrand Bruggen
Nota parkeernormering 2016
Voor ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormen, vastgesteld door de gemeenteraad in september 2016. De nota geeft aan hoeveel parkeerplaatsen per functie en per stadsdeel dienen te worden gerealiseerd bij nieuwbouw.
Dit wijzigingsplan is in overeenstemming met de Nota Parkeernormering. In de planregels is opgenomen dat minimaal twee volwaardige parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, wat voldoet aan de minimale parkeernormen en type woning voor deze locatie.
Welstandsnota
Op 17 mei 2016 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Actualisering Welstandsnota 2011 vast. In de welstandsnota is het kader voor het welstandsbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch neergelegd. Doel van de welstandsnota is het vertalen, waarborgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving. Dit door middel van transparante, objectieve en daarmee voor een ieder begrijpelijke criteria. Het welstandsbeleid vormt daarbij de basis voor een actief, inspirerend en open architectuurbeleid conform de doelstellingen van de wetgever.
Het plangebied ligt in het welstandsgebied 'Rosmalen Centrum-Noord' met gebiedstype 'Historisch bebouwingslint'. Dit plan past binnen de uitgangspunten van dit gebiedstype, doordat wordt bijgedragen aan de instandhouding van het historisch bebouwingslint.
Bomenbeleidsplan
Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad op 26 januari 2010 vastgesteld en van kracht per 1 september 2010. In het Bomenbeleidsplan worden de belangrijkste bomen van de stad ingedeeld in drie categorieën: monumentale bomen, structuurbomen en sfeerbomen.
In het plangebied komen geen monumentale bomen voor. Wel grenst het perceel aan de gemeentelijke bomenstructuur van de Bruggen.
Er is een veldbezoek uitgevoerd om de flora en fauna te onderzoeken in en rondom het plangebied. Op de planlocatie is behoudens gazongras, lage kruidachtige beplanting en een iep (boom), geen beplanting aanwezig. Aangrenzend aan de planlocatie bevindt zich een beukenhaag (zuidwest) en struweel met bomen waarin o.a. Japanse sierkers en esdoorn (noordwest).
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het bomenbeleidsplan, geen waardevolle bomen aantast, en geen inbreuk maakt op de gemeentelijke bomenstructuur van de Bruggen.
Archeologiebeleid
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.
Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft het plangebied een middelhoge verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging langs de oude dijk op de overgang van een dekzandrug naar een dekzandvlakte. Dergelijke gebieden waren in het verleden vaak aantrekkelijke zones voor bewoning. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente is voor de zone met een middelhoge verwachting een archeologische onderzoeksplicht opgenomen bij ingrepen groter dan 200 m2 en dieper dan 50 centimeter beneden het maaiveld.
Het plangebied, dat tot het buurtschap Bruggen behoort, is in de middeleeuwen ontgonnen. Bruggen bestaat uit lintbebouwing aan een dijk en deels uit op huisterpen en een zandrug gebouwde boerderijen. De zuidoostgrens van het plangebied is de dijk. Het talud van de dijk valt binnen het plangebied. De dijk is aangelegd op een natuurlijke verhoging in het landschap, een dekzandrug. Op deze dekzandrug komen volgens de bodemkaart van Nederland in het noordwestelijke deel van het plangebied beekeerdgronden voor en in het zuidoostelijk deel enkeerdgronden. Direct ten westen en circa 50 meter ten zuidoosten van het plangebied zijn archeologische resten aangetroffen uit de late bronstijd, ijzertijd, middeleeuwen en nieuwe tijd. In een iets ruimere straal rondom het plangebied zijn ook resten uit het neolithicum aangetroffen. Gezien het voorkomen van deze resten in de omgeving van het plangebied geldt binnen het plangebied een hoge kans op het aantreffen van resten uit de periode neolithicum tot en met de nieuwe tijd.
Bij het perceel van Bruggen 36B, dat dichtbij het perceel van Bruggen 38-40 ligt, is ten behoeve van een een soortgelijk plan (bouw van vrijstaande woning), een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd met behulp van boringen (verkennende fase). Tijdens het veldonderzoek is in twee boringen een restant van een podzolprofiel aangetroffen in de vorm van een BC-horizont, waarbij deze ter plaatse van boring 1 onder een 35 centimeter dikke bouwvoor ligt en in boring 5 onder een 90 centimeter dik plaggendek. In deze boringen zijn resten van onder meer aardewerk uit de (volle) middeleeuwen en prehistorie gevonden. De verspreiding van de archeologische resten kan over het hele plangebied verwacht worden.
Op grond van dit verkennend veldonderzoek is in het tweede kwartaal van 2017 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (Transect, Bruggen 36-38 en 38-40, 16 juni 2017, zie bijlage 1). Hierbij is ook het perceel van Bruggen 38-40 meegenomen, omdat de archeologische verwachting op basis van dit vooronderzoek ook voor dit perceel gold. Uit het onderzoek blijkt dat voor het perceel 38-40 geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is en dat er ook geen belemmeringen gelden voor de bouw. Wel geldt een wettelijke plicht om ten tijde de bouw de eventuele vondst van archeologische waarden te melden aan het bevoegd gezag.
Historische geografie
Behalve de archeologische en bouwhistorische kenmerken van het plangebied moeten ook de overige cultuurhistorische aspecten zoals historisch geografische elementen in het bestemmingsplan worden betrokken. De gemeente 's-Hertogenbosch heeft hiertoe voor de gehele gemeente een inventarisatie van zichtbare cultuurhistorische elementen/relicten laten uitvoeren. De gemeente is ook voornemens om de cultuurhistorische inventarisatie uit te werken in een cultuurhistorisch beleid. Vooruitlopend hierop is voor het plangebied bekeken welke cultuurhistorische elementen van belang zijn.
De straten Bruggen en Bruggensestraat die aan weerszijden van het plangebied liggen, vormen een wegenpatroon dat ouder is dan 1832. Vanuit dit perspectief zijn deze structuren waardevol en mogen ze niet worden aangetast. Aan weerszijde van de straat Bruggen bevindt zich vanaf de 19e eeuw begroeiing. Om dit beeld in stand te houden, dient de begroeiing zoveel mogelijk te worden gehandhaafd. Dit plan tast de begroeiing niet aan.
Waterplan
Onlangs is het Waterplan 'Waterstad 2016 - Beleidsplan voor een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem' op 31 januari 2017 vastgesteld door de gemeenteraad. Het doel van het waterplan is een klimaatbestendig, robuust en mooi watersysteem te bewerkstelligen in de gemeente 's-Hertogenbosch. Het Waterplan betreft een koepelplan voor alle waterzaken. Het gaat daarbij om de gewenste inrichting en het beheer van oppervlaktewater en grondwater, als ook om de afvoer van hemelwater en afvalwater.
Het Waterplan omvat het gemeenschappelijk beleid van gemeente en de waterschappen. De acties die door gemeente en waterschappen worden uitgevoerd, zijn opgenomen in het uitvoeringsprogramma dat loopt van 2016 tot 2020. Er wordt ingezet op het treffen van specifieke maatregelen om het watersysteem robuuster en aantrekkelijker te maken, en op het nog meer versterken van de integratie met andere beleidsvelden.
In het voorliggende plan wordt rekening gehouden met bovenstaand beleid, onder meer door te voorzien in (voldoende) waterberging (zie hoofdstuk 6).
In juli 2005 heeft de gemeenteraad de Nota van Uitgangspunten voor de dorpsrand Bruggen vastgesteld. Hiermee zijn de ruimtelijke kaders vastgelegd voor de toekomstige ontwikkelingen in de dorpsrand Bruggen. In de nota wordt de realisatie van nieuwe woningen ter plekke van zeer brede percelen langs Bruggen mogelijk gemaakt. Er worden randvoorwaarden gesteld ten aanzien van de breedte van elk woonperceel en het woningtype.
Langs Bruggen en de Bruggensestraat wordt uitgegaan van het handhaven/versterken van het dijkprofiel, belangrijke zichtlijnen en het open, groene karakter van het lint. Een ander uitgangspunt is het behoud van de groene geledingszone tussen het historische lint Bruggen en de Overlaet.
Deze uitgangspunten zijn voor het perceel van Bruggen 38 en 40 juridisch vertaald in het bestemmingsplan 'De Overlaet', in de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid die in dat bestemmingsplan op het perceel ligt. In deze wijzigingsbevoegdheid zijn deze meer algemene bovengenoemde voorwaarden geconcretiseerd. Voorbeelden van de voorwaarden zijn een verplichte minimale afstand tot de straat Bruggen van 5 meter, een maximale breedte van 10 meter van het bouwvlak van de nieuwe woning of de verplichting tot groene erfafscheidingen.
Voor het plangebied van Bruggen 38 en 40 is de realisatie van een vrijstaande woning voorzien. De voorgevel van de nieuwe woning komt in het verlengde te liggen van de bestaande woningen aan de Bruggen. De nieuwe woning vormt hiermee een ruimtelijk passende opvulling van het bebouwingslint langs de Bruggen.
De woning wordt uitgevoerd als één laag met kap. De goothoogte ligt daarbij op maximaal 4 meter, wat typerend is voor meer woningen aan de Bruggen en omgeving. De kap van de woning is evenwijdig op de straat georiënteerd. Er is een afstand van 5 meter tot de zijdelingse perceelsgrenzen aangehouden. De diepte van de woning is 15 meter.
De realisatie van de woning op het perceel Bruggen 38 en 40 in dit wijzigingsplan volgt volledig de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan 'De Overlaet'.
Afbeelding 6: Uitsnede verbeelding Bruggen 38-40
Er dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies op de onderzoekslocatie mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt.
De te realiseren woning is geen milieubelastende functie en heeft derhalve geen negatieve effecten op eventuele omliggende gevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere agrarische bedrijven aanwezig. Aangezien de te realiseren woning voor geen van de bedrijven als dichtstbijzijnde woning geldt, wordt de bedrijfsvoering van deze bedrijven niet belemmerd. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die een hinderlijke werking op de woning zouden kunnen uitoefenen.
Kort samengevat zijn er vanuit het aspect hinderlijke (agrarische) bedrijvigheid/geur geen belemmeringen te verwachten voor de voorgestane ontwikkeling.
Volgens artikel 74 lid 1 van de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidzone, tenzij de weg gelegen is binnen een woonerf of voor die weg een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Een geluidzone is het gebied aan weerszijden van een weg waarbinnen - bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een afwijking van een bestemmingsplan en bij de aanleg of reconstructie van wegen - moet worden nagegaan of de geluidsituatie bij woningen of andere geluidgevoelige functies in overeenstemming is met de geluidvoorschriften uit de Wgh. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg, al dan niet binnen de bebouwde kom. Het projectgebied ligt in de geluidzone van de Bruggen.
De gezoneerde Bruggen grenst aan het projectgebied en wordt niet afgeschermd door gebouwen. CroonenBuro5 heeft akoestisch onderzoek verricht (CroonenBuro5, Akoestisch onderzoek Bruggen tussen 38 en 40 te Rosmalen, RAO01-0253987-01a, 2 mei 2017, zie bijlage 2). De geluidsbijdrage van deze weg op de noordgevel van de nieuwe woning bedraagt maximaal 56 dB. Op de oost- en westgevel bedraagt deze maximaal 53 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voor deze drie gevels overschreden. Bij de zuidgevel liggen de waarden onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Om een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde te voorkomen kunnen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden toegepast of maatregelen bij de ontvanger. Gezien de beperkte schaal van dit project is het om financiële, stedenbouwkundige en/of verkeerskundige redenen niet mogelijk of gewenst (effectieve) maatregelen te treffen die de geluidbelastingen terugbrengen tot een waarde die, ter plaatse van de nieuwe woning, lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor deze woning is ontheffing van de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai nodig. Met betrekking tot de geprojecteerde woning wordt een verzoek om hogere grenswaarde ingediend tot maximaal 56 dB. De berekende waarden blijven binnen de maximaal toe te kennen ontheffingswaarde van 63 dB op grond van de Wgh.
Gemeente 's-Hertogenbosch hanteert voor de invulling van de bevoegdheid om van voorkeursgrenswaarden af te wijken de Nota Hogere Grenswaarden Geluid. Deze nota beschrijft onder welke voorwaarden afgeweken kan worden van de ambitiewaarde voor een bepaald gebied. Het projectgebied ligt in een gebied dat wordt getypeerd als 'groen stedelijk'. De ambitiewaarde voor dat gebiedstype is de geluidsklasse 'redelijk rustig' (tussen 48 en 53 dB) en de bovengrens voor de ontheffing hogere grenswaarde is 'zeer onrustig' (58 dB). Uit de berekeningen blijkt dat de hoogst berekende geluidbelasting 56 dB bedraagt en dat de bovengrens bij de woning niet wordt overschreden.
De Nota Hogere Grenswaarden Geluid eist in dit geval ook een geluidluwe gevel. De nieuwe woning beschikt over een geluidsluwe (zuid)gevel waaraan geluidgevoelige ruimten kunnen worden gesitueerd. Ook beschikt de woning over een geluidluwe buitenruimte. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat aan de geluideisen van afdeling 3.1 van het Bouwbesluit wordt voldaan. De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies moet worden bepaald conform NEN 5077. Hierbij wordt uitgegaan van de geluidbelasting zonder aftrek van 5 dB. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. In deze situatie betekent dit dat de hoogst berekende geluidbelasting voor het bepalen van de geluidwering van de gevel 61 dB (56 dB+5 dB) bedraagt. Bij deze geluidbelasting moet de minimale geluidwering 28 dB bedragen. Als hieraan wordt voldaan is uit akoestisch oogpunt sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Als gevolg van een ruimtelijk plan moet de toename van luchtverontreiniging door dat plan worden beschouwd, in het kader van de luchtkwaliteitseisen in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze wet voorziet in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (nibm) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de 3%-grens niet wordt overschreden.
De bouw van 1 woning leidt niet of nauwelijks tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Op grond van de Regeling nibm zijn de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het project: het is 'niet in betekenende mate' in de zin van die regeling. Dit betekent dat geen onderzoek nodig is naar de bijdrage van de ontwikkeling aan de luchtkwaliteit in de omgeving.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet ook aandacht worden besteed aan de blootstelling van bewoners en bezoekers aan luchtverontreinigende stoffen. Beschouwd zijn de huidige situatie en de situatie 10 jaar na realisatie. Uit deze beschouwing kan worden geconcludeerd dat:
Op de locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (NIPA milieutechniek, verkennend bodemonderzoek Bruggen (tussen 38 en 40) te Rosmalen, rapportnummer 15946, 24 mei 2017, zie bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat zowel de boven- als ondergrond niet is verontreinigd. Ook in het grondwater is geen verhoogd gehalte aangetroffen. Er zijn geen milieuhygiënische bezwaren tegen bebouwing van de locatie. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.
Bij eventueel grondverzet valt vrijkomende grond onder de bepalingen van het besluit Bodemkwaliteit. Bij bronneringswerkzaamheden zullen voor zover relevant ingevolge de Grondwaterwet en de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren meldingen danwel aanvragen voor vergunningen moeten worden ingediend.
Externe-veiligheidsbeleid beoogt een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Op basis van gegevens van de gemeente en de risicokaart van de provincie Noord-Brabant blijken in of in de nabijheid van het projectgebied zulke activiteiten niet aanwezig en belemmeren eisen op gebied van externe veiligheid het project niet.
Alles wat te maken heeft met maatschappelijk verantwoord leven, milieu, ecologie en toekomstgericht denken wordt onder duurzaamheid geschaard. Kortom, duurzaamheid kijkt naar de huidige behoefte die de mensen op de aarde hebben en hoe dit in de toekomst ontwikkeld kan worden zonder dat de mensen, het milieu of de economie in gevaar komt.
Duurzaamheid gaat dan ook veelal over de schaarste van hulpbronnen waarmee welvaart wordt voortgebracht, zowel nu als in de toekomst. De oppervlakte van de aarde is immers eindig, grondstoffen kunnen op raken en de opnamecapaciteit van de atmosfeer en onze natuurlijke omgeving kent haar grenzen.
Bij duurzame ontwikkeling is sprake van een ideaal evenwicht tussen ecologische, economische en sociale belangen. Alle ontwikkelingen die op technologisch, economisch, ecologisch, politiek of sociaal vlak bijdragen aan een gezonde aarde met welvarende bewoners en goed functionerende ecosystemen zijn derhalve duurzaam.
Energie
Klimaatakkoord en energietransitie
De klimaatverandering vraagt om maatregelen. Het klimaatakkoord in Parijs wordt vertaald naar landelijk en lokaal niveau. De gemeente 's-Hertogenbosch wil klimaatneutraal zijn in 2050; de gebouwde omgeving moet dat zelfs al in 2035 zijn. Voor de komende jaren werken we op basis van het Energie transitieprogramma. Als we snelheid willen maken vraagt dit om een (radicaal) andere manier van denken en werken.
Energietransitie bij nieuwbouw
Vanaf 2021 geldt voor nieuwe woningen een nieuwe norm: BENG (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen). Deze norm komt overeen met een EPC (Energieprestatiecoefficiënt) van ongeveer 0,2. Door bij nieuwbouw nu al minimaal te voldoen aan de eis van 2021 hoeven deze woningen later niet tegen hogere kosten alsnog energieneutraal gemaakt te worden. Dit komt ook overeen met het energietansitieprogramma 2016-2020 en de woonagenda 2017-2018 die in januari 2017 door de raad is vastgesteld.
Hierin is afgesproken dat de gemeente tot 2020 energieneutrale nieuwbouw zal stimuleren. We stimuleren energieneutrale nieuwbouw, vooruitlopend op nieuwe regelgeving.
Materialen
Voor de woningen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van herbruikbare, natuurlijke en niet uitloogbare materialen. Bevordering van de toepassing van duurzame materialen.
Openbare ruimte
Algemeen uitgangspunt is intensief ruimtegebruik. Het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving is daarom een belangrijke en duurzame opgave. Van ontwerp, aanleg, inrichting tot beheer wordt de stedelijke ontwikkeling steeds duurzamer vormgegeven. Op termijn wil 's-Hertogenbosch klimaatneutraal worden.
Aan materialen van de openbare ruimte worden vanuit milieu eisen gesteld. Dit betekent dat niet-uitlogende materialen en zoveel als mogelijk duurzame bouwmaterialen worden toegepast. Bovendien geldt voor de publieke ruimte dat het ontwerp van ieder “werk”, de inrichting en het beheer van o.a. het groen zal voldoen aan eisen van “duurzaamheid”.
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.
Het plangebied valt onder het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Recent (januari 2017) is het waterbeleid van de Gemeente 's-Hertogenbosch vastgelegd in het Waterplan. Per 1 maart 2015 is tevens de nieuwe Keur van het waterschap van kracht. Deze regelt hemelwaterberging alleen voor nieuw verhard oppervlak groter dan 2.000 m2. Aangezien het nieuw verhard oppervlak beduidend kleiner is dan 2.000 m2 is niet de Keur maar is het waterplan van de gemeente 's-Hertogenbosch met het daarin opgenomen hemelwaterbeleid leidend voor de wateropgaaf.
Waterhuishoudkundige situatie
Volgens de Wateratlas van de provincie Noord-Brabant bestaat de bodem van het plangebied uit leemarm en zwak lemig fijn zand.
De grondwaterstand is diep. Voor het plangebied geldt grondwatertrap VII. Voor deze trap geldt een Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van tussen 80 en 140 cm onder maaiveld en een Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) van meer dan 120 cm onder maaiveld. De bodem is hierdoor zeer geschikt voor infiltratie. Op het perceel zelf zijn geen sloten of vijvers aanwezig. Momenteel infiltreert het hemelwater rechtstreeks in de bodem. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 800 m² en is in de huidige situatie onverhard.
Invloed van de voorgenomen ontwikkeling
Aan de hand van de beleidsuitgangspunten van de gemeente wordt hierna beschreven hoe bij de voorgenomen ontwikkeling wordt omgegaan met de waterhuishouding binnen het plangebied. Hierbij kan worden aangesloten bij het infiltratiegeschiktheidsonderzoek van Bruggen 33 (Lankelma, rapportnummer 100336-XG, 28 april 2016, zie bijlage 4). Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijk dat de bodemopbouw in het gehele gebied gelijk is.
In de huidige situatie fungeert het plangebied als grasland. Het terrein is onbebouwd en in gebruik en wordt onderhouden door de eigenaar. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint langs de Bruggen. Aan de oost- en westzijde staan vrijstaande woningen.
In de nieuwe situatie wordt er een vrijstaande woning gerealiseerd. Er is een afstand van 5 meter tot de zijdelingse perceelsgrenzen aangehouden.
Voorkomen van vervuiling
Om verontreiniging van grondwater te voorkomen worden enkel duurzame (niet uitlogende of gecoate) materialen toegepast. Tevens wordt aangeraden om terughoudend te zijn met bestrijdingsmiddelen en strooizout.
Verhard oppervlakte
Het verharde oppervlak in de toekomstige situatie is onder te verdelen in de woning met aan- en bijgebouwen en in de bestrating (oprit terras e.d.).
| Woning + aan- en bijgebouw: | 260 m2 |
| Tuinverharding (oprit en terras): | 200 m2 |
| Totaal verharding: | 460 m2 |
Uitgaande van het toekomstig verhard oppervlak en het beleid van de gemeente bedraagt de wateropgave voor het plan 27,6 m3 ((460 m2 x 60 mm)/1000).
Al het hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden. Dit komt doordat er in de weg een drukriool ligt. Op een drukriool mag alleen vuilwater aangesloten worden. Het hemelwater kan deels hergebruikt worden voor de tuin. Het overschot kan geïnfiltreerd worden in de bodem. Voor de waterbergingsopgaaf kan de oplossing worden gezocht in het realiseren van een groen dak dat water tijdelijk bergt en vertraagd afvoert naar de tuin en deels het infiltreren van hemelwater via infiltratiekratten, -koffers of IT-riool.
De beoogde ontwikkelingen om een vrijstaande woning te realiseren, hebben mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkelingen geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de plangebieden voor deze soorten in kaart gebracht.
De gemeente 's-Hertogenbosch heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid (Blom Ecologie, Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Bruggen ong. te Rosmalen, 30 mei 2017, zie bijlage 5).
Onderzoeksdoel
Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord:
Planlocatie
De planlocatie gelegen aan de Bruggen tussen 38 en 40 te Rosmalen. Op de planlocatie is behoudens gazongras, lage kruidachtige beplanting en een iep (boom), geen beplanting aanwezig. De noordwestelijke helft van de planlocatie is gebruikt als weide. Het zuidwestelijke deel bestaat uit gazon dat regelmatig gemaaid wordt. Aangrenzend aan de planlocatie bevindt zich een beukenhaag (zuidwest) en struweel met bomen waarin o.a. Japanse sierkers en esdoorn (noordwest).
De planlocatie is gelegen tussen twee woningen (Bruggen 38 en 40). De straat 'Bruggen' bevindt zich ten zuidoosten van de planlocatie en is enkele meters hoger gelegen dan de planlocatie. De weg is de belangrijkste verbindingsroute van Rosmalen met de dorpen Kruisstraat en Nuland. Op circa 50 meter ten zuidoosten van de planlocatie begint het fysieke buitengebied van Rosmalen. Langs de Bruggen staan hoofdzakelijk particuliere vrijstaande woningen. De historische kern van Rosmalen ligt aangrenzend ten zuidwesten. Aan de noordzijde grenst, gelegen achter de particuliere woningen, een nieuwbouwwijk.
Functieverandering en effecten
De beoogde ingreep is permanent van karakter en bestaat uit de bouw van een woning. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:
Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen tijdelijk of geheel te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of tijdelijke afname van geschikt leefgebied en opzettelijke verstoring.
Methode
Inventarisatie
De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij gedetailleerd een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen.
Veldbezoek
Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 15 mei 2017. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 22° Celsius en windkracht 0-1 (Bft.)
Externe bronnen
Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de voormalige tabellen 1, 2 en 3 (Ff-wet) waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Circa 200 soorten van de Flora- en faunawet zijn niet langer beschermd. Enkele bedreigde soorten zijn aan de Wet natuurbescherming toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Beoordeling
Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'andere soorten') geldt per definitie vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is.
Vaatplanten
Gedurende het veldbezoek zijn geen sporen van (beschermde) planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Op de planlocatie zijn algemene gras- en kruidachtige flora aangetroffen. De aangetroffen soorten betreffen o.a.: grote vossenstaart, liggende boterbloem, smalle weegbree, veldzuring, zachte ooievaarsbek, gewoon biggenkruid, boerenwormkruid, grote brandnetel, fluitenkruid, gewone ereprijs, muizengerst, duizendblad en kroontjeskruid. In het midden van de planlocatie staat een solitaire iep. Rondom het plangebied zijn meerdere struik- en boomsoorten waargenomen waaronder de esdoorn, Japanse sierkers, haagbeuk en vlinderstruik.
Gelet op de habitatpreferentie en landelijke verspreiding van beschermde soorten alsmede de aangetroffen soorten heeft de planlocatie aannemelijk geen functie voor kwetsbare en zeldzame soorten. Beschermde vaatplanten worden derhalve niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen worden uitgesloten.
Zoogdieren
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Het is uit te sluiten dat de planlocatie van essentieel belang is voor grote in het wild levende zoogdieren. De aangetroffen vegetatie op de planlocatie heeft geen relevantie voor beschermde soorten. De directe omgeving van het perceel is ten behoeve van de functies wonen, agrarisch en verkeer intensief in gebruik. Zoogdieren prefereren locaties waar voedselaanbod en rust gewaarborgd zijn. Voor kleine zoogdieren is met name het zuidwestelijke deel van de planlocatie ongeschikt door de zeer korte vegetatie. Op het noordwestelijke deel kunnen soorten als egel, haas, vos en marterachtigen incidenteel voorkomen. Alle soorten die mogelijk voor kunnen komen op de planlocatie zijn algemeen voorkomend. Voor deze soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Deze soorten zijn vaak goed in staat om zich naar andere locatie te begeven en daar te vestigen. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat er in de directe omgeving voldoende geschikt leefgebied aanwezig is. Negatieve effecten op beschermde zoogdieren kunnen worden uitgesloten.
Vleermuizen
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Op de locatie is geen bebouwing, oude en/of laanvormende bomenrijen aanwezig. De planlocatie en directe omgeving wordt mogelijk door vleermuizen gebruikt als foerageergebied. Vleermuizen foerageren opportunistisch waarbij het actuele insectenaanbod leidend is voor de plaats waar ze op dat moment foerageren. Toepassing van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens foerageertijd zal negatieve effecten ten aanzien van de vleermuizen uitsluiten.
Amfibieën en reptielen
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In de omgeving is het voorkomen bekend van: kleine watersalamander, gewone pad, rugstreeppad, bruine kikker en bastaardkikker. De omstandigheden op de planlocatie zijn voor amfibieën ongunstig: oppervlaktewater, structuurrijke vegetatie en macro-reliëf ontbreken. De aangrenzende terreindelen (weg, en 2 particuliere tuinen) bieden tevens geen geschikt leefgebied voor amfibieën en reptielen. Voor de rugstreeppad geldt dat de huidige situatie van de beoogde ontwikkellocatie en het terrein zeer matig tot ongeschikt is. Gedurende de sloop- en bouwwerkzaamheden kan echter de habitat van de rugstreeppad ontstaan. Om negatieve effecten op de soort te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen die voorkomen dat de soort het plangebied kan gebruiken als voortplantingslocatie. Mogelijke maatregelen betreffen (1) uitvoeren van de werkzaamheden buiten het voortplanting seizoen, i.e. maart-augustus (2) voorkomen dat tijdens de bouw langdurig plassen als gevolg van regenval blijven staan, i.e. egaliseren (3) hopen puin en/of ander materiaal direct afvoeren.
Indien het om praktische redenen niet mogelijk is om bovenstaande maatregelen toe te passen wordt geadviseerd het terrein gedurende de werkzaamheden uit te rasteren met een amfibieënscherm. Overige soorten die incidenteel op de planlocatie kunnen voorkomen betreffen algemene soorten die vallen onder het vrijstellingsbesluit. Mits de voorgestelde maatregelen worden toegepast kunnen negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen worden uitgesloten.
Vissen
Er zijn geen waterlichamen aanwezig op de planlocatie of in de directe omgeving. De dichtstbijzijnde waterloop is te ver van de planlocatie verwijderd om beïnvloed te worden door de geplande werkzaamheden. Effecten op vissen kunnen worden uitgesloten.
Insecten, libellen en ongewervelde
In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelden aangetroffen. Enkele algemene soorten waaronder de atalanta, groot koolwitje en het citroentje zijn aangetroffen. Op de locatie en in de directe omgeving is slechts algemeen grasachtige vegetatie aangetroffen met weinig nectarplanten. Geschikt oppervlaktewater (ondiep, vegetatierijk en stilstaand), wat voor veel insecten essentieel is voor hun levenscyclus, is niet aangetroffen. Met uitzondering van de smalle weegbree zijn op de planlocatie geen specifieke plantensoorten aangetroffen die functioneren als waardplant voor een (inter)nationaal beschermd soort. De waardplant functie van de smalle weegbree is niet essentieel in dit gebied door het ontbreken van de veldparelmoervlinder (NDFF). Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde terrestrische insecten. Een essentiële functie voor zowel beschermde als algemene soorten is uitgesloten.
Vogels
In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek zijn foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: Turkse tortel, vink, gierzwaluw, tjiftjaf, kauw, kraai, merel en houtduif. De planlocatie is ongeschikt als nestplaats voor de waargenomen soorten alsook voor soorten met jaarrond beschermde nesten. De solitaire iep biedt onvoldoende beschutting om als nestlocatie aangemerkt te worden. De vegetatie en structuur van de planlocatie geeft aan dat een essentiële functie voor vogels is uitgesloten. Op de locatie zijn geen sporen aangetroffen van uilen of roofvogels die duiden op het gebruik van de planlocatie en omgeving als foerageergebied (o.a. braakballen, prooiresten, geplukte vogels, zitplaatsen met uitwerpselen/krijtsporen).
Gebiedsbescherming
De planlocatie is niet gelegen in en/of in de directe nabijheid van een beschermd gebied of locatie betreffende Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, Wetlands, Nationale Parken of weidevogelgebied. Op 1.2 km afstand van de planlocatie bevindt zich droog bos met productie, wat onder het Natuurnetwerk Nederland valt. Effecten van de beoogde ontwikkeling op Natuurnetwerk Nederland zijn uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied betreft het habitatrichtlijngebied 'Vlijmens ven, Moerputten & Bossche Broek' op een afstand van 6.3 km (afbeelding 7). Door de afstand tussen het Natura2000 gebied en de planlocatie zijn directe effecten van de werkzaamheden op het Natura2000 gebied uitgesloten. De voorgenomen ontwikkelingen betreffen de realisatie van een woning (kleinschalige ontwikkeling). De ruimtelijke ingrepen zijn dermate beperkt en op afstand van beschermde gebieden, dat een negatief effect door externe werking op doelsoorten en instandhoudingsdoelen in deze natuurgebieden uitgesloten is. Tevens is er geen sprake van aantasting van de landschappelijke kwaliteit. Bovendien zijn de werkzaamheden tijdelijk van aard en treden er in de nieuwe situatie geen nieuwe of verhoogde permanent negatieve effecten op voor beschermde flora en fauna.
Afbeelding 7: De planlocatie (rood omcirkeld) ligt op 6.3 km afstand van het Natura2000 habitatrichtlijngebied 'Vlijmens ven, Moerputten & Bossche Broek'.
Conclusies
In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten. Vleermuizen maken mogelijk incidenteel gebruik van de locatie en omgeving tijdens het foerageren. Verstoring van de vleermuis kan voorkomen worden door de toepassing van vleermuis vriendelijke verlichting. Tijdens de ontwikkeling kan geschikt habitat van de rugstreeppad ontstaan, maatregelen moeten genomen worden om dit te voorkomen. De planlocatie heeft geen relevante functie voor vogels door de afwezigheid van geschikte broedlocaties. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of het Natuurnetwerk Nederland. Van externe werking is geen sprake.
Uitvoerbaarheid
De ontwikkeling van een woning op de planlocatie leidt niet tot de aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, amfibieën (m.n. rugstreeppad), vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Eindconclusie
De realisatie van een woning tussen de Bruggen 38 en 40 te Rosmalen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6. Bro).
Te treffen maatregelen
Het wijzigingsplan 'Bruggen 38-40' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen van een nieuwe woning, al dan niet met bijgebouwen, en het gebruik van de gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het plangebied.
De juridisch-planologische regeling van het voorliggende plan is gebaseerd op het Besluit ruimtelijke ordening en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012).
Op de verbeelding zijn de bestemming en de aanduidingen met kleuren, cijfer- en lettercombinaties en vlakken aangegeven. De kleuren, cijfer- en lettercombinaties en vlakken dienen in samenhang met de regels te worden gelezen. Een onderdeel van de in het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde eisen betreft de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van een bestemmingsplan. Door de uniformering en standaardisering zijn de vormgeving en inrichting van een digitale verbeelding verschillend van een 'traditionele' analoge plankaart. Met de vormgeving en inrichting van een digitale verbeelding wordt beoogd bestemmingsplannen als een interactief plan raadpleegbaar te maken (op internet). Deze wijze van beschikbaarstelling is per 1 januari 2010 wettelijk verplicht.
De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken, te weten:
Inleidende regels
De artikelen in hoofdstuk 1 van de planregels hebben betrekking op de toepassing van de planregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. In dit geval wordt het peil bepaald aan de hand van de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw. De goot -en bouwhoogten worden vervolgens weer bepaald op basis van dit peil.
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels omvat een toelichting op de twee in het plangebied voorkomende bestemmingen. In het plangebied komt de bestemming 'Wonen - 1' voor.
Binnen de bestemming 'Wonen - 1' is (de bouw van) één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen toegestaan. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen de woning dient te worden opgericht. De woning moet parallel aan de Bruggen worden gesitueerd, en dient minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein te hebben. Ook dient te woning te worden ontsloten op de Bruggen. Verder is op de verbeelding de maximale goot- en bouwhoogte van de woning aangegeven.
Bij de woning mogen bijgebouwen en overkappingen tot een gezamenlijke oppervlakte van 75 m² worden gebouwd (of tot 100 m2 indien het perceel groter is dan 750 m², en het bouwperceel achter het bouwvlak groter is dan 200 m²). De maximale bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt 3 meter. Indien een bijgebouw wordt voorzien van een kap dan mag de goot- en bouwhoogte niet meer dan 3 meter en 4,50 meter bedragen. In de regels zijn ook enkele afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot het bouwen opgenomen. Aan elke afwijkingsbevoegdheid zijn voorwaarden verbonden.
Verder bevat de bestemming een aantal gebruiksregels. Zo heeft één van de gebruiksregels betrekking op aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten. Ook is het niet toegestaan gronden op te hogen behalve voor een inrit.
Algemene regels
In de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze algemene regels gelden voor het gehele plan.
Overgangsregels
Dit vierde en laatste hoofdstuk bevat het overgangsrecht en de slotregel.
De gronden van het plangebied zijn op dit moment in eigendom van de initiatiefnemer. De locatie wordt door de initiatiefnemer voor eigen rekening en risico ontwikkeld. Er zijn voor de gemeente geen kosten (waaronder begrepen eventuele planschade) aan verbonden. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het wijzigingsplan wordt hiervoor een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Met de gesloten overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd. Daarmee is voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 6.12, lid 2, sub a van de Wet ruimtelijke ordening.
Over het voorontwerp van dit wijzigingsplan is – overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening – gelegenheid tot inspraak geboden, en is vooroverleg gevoerd conform het overleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Inspraak
Het voorontwerp wijzigingsplan 'Bruggen 38-40' lag ter inzage van 3 juli 2017 tot en met 17 juli 2017. Gedurende de inspraaktermijn kon iedereen schriftelijk of mondeling een inspraakreactie bij het college van burgemeester en wethouders naar voren brengen. Er zijn geen inspraakreacties ingediend.
Vooroverleg
Op basis van artikel 3.1.1 van het Bro (wettelijk vooroverleg) is het voorontwerp wijzigingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners.
Het waterschap Aa en Maas heeft op 8 augustus 2017 schriftelijk bevestigd in te stemmen met de waterparagraaf uit het plan, en de provincie Noord-Brabant heeft per brief van 14 juli 2017 laten weten geen opmerkingen te hebben op het plan. Tot slot heeft ook de Gasunie op 13 juli 2017 laten weten in te kunnen stemmen met het plan.
Zienswijzentermijn
Het ontwerp wijzigingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.