| Plan: | Eerste Polderweg 4 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0796.0002279-1401 |
De heer M.L.J.A. Timmermans van René Timmermans B.V., hierna initiatiefnemer, is voornemens naast de akkerbouwactiviteiten een transport- en loonbedrijf te exploiteren aan de Eerste Polderweg 4 te Rosmalen. Daar waar de huidige bebouwing gerealiseerd is ten behoeve van akkerbouwactiviteiten, voor in eerste instantie een champignonkwekerij, heeft initiatiefnemer in mei 2011 een melding Besluit landbouw milieubeheer ingediend ter verandering van de inrichting. Met deze melding worden de akkerbouwactiviteiten voortgezet zonder de nadrukkelijke teelt van champignons. De grond behorende bij het bedrijf worden nu gebruikt voor de teelt van (niet limitatief) aardappelen, bieten, uien, boontjes, sla, knolselderij en mais. Het bewerken van de percelen geschiedt met eigen materieel dat ook ingezet wordt voor het bewerken van gronden van derden, zogeheten loonwerkzaamheden. De werkzaamheden zijn ondergeschikt aan de akkerbouwactiviteiten. De aanwezige gebouwen op het perceel gebruikt initiatiefnemer voor het stallen van het materieel en opslag van producten.
Initiatiefnemer wil de transport- en loonwerkzaamheden uitbreiden, zodanig dat de hoofdfunctie van het bedrijf niet meer de akkerbouwactiviteiten behelst. Ten behoeve van de transport- en loonwerkzaamheden is een nieuwe loods noodzakelijk voor de stalling en onderhoud van, toekomstig, materieel. Het is niet wenselijk dit materieel buiten te stallen, daar waar het blootgesteld wordt aan weersinvloeden en verrommeling van de omgeving tot gevolg hebben. Door de groei van de transport- en loonwerkzaamheden passen deze niet meer alleen in de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' (zie paragraaf 1.2). Om toch de ontwikkelingen mogelijk te maken is er middels een principeverzoek, ingediend bij de gemeente 's-Hertogenbosch, gevraagd medewerking te verlenen aan het initiatief. In een reactie, zowel schriftelijk als in een mondeling overleg, heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te verlenen. Dit dient wel middels een herziening van het bestemmingsplan te gaan waarbij een toewijzing van de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch technisch Hulpbedrijf' noodzakelijk is. In het kader hiervan is onderhavige toelichting opgesteld als onderdeel van de partiële herziening.
Tevens vindt een vormverandering plaats van het agrarisch bouwblok waarbij het bouwblok aan de noordzijde wordt uitgebreid en de ontsluiting aan de zuidzijde komt te vervallen. Deze ontsluiting aan de zuidzijde zal een bestemming Groen krijgen. De nieuwe ontsluiting zal aan de noordzijde van het bouwblok aan de Eerste Polderweg worden gesitueerd. Niet alleen is deze nieuwe ontsluiting verkeerstechnisch beter, maar er zal ook een meer logische indeling van het bouwblok mogelijk zijn. Dit betekent dat het bouwblk aan de 1e Polderweg 4 van vorm verandert en wordt vergroot van 0,78 ha naar 0,94 ha.
In onderstaande afbeelding, afbeelding 1.1, is de gewenste situatie weergegeven. Hieruit blijkt dat de nieuwe loods haaks op de bestaande loods komt te staan en dat er een tweede uitrit aan de Eerste Polderweg komt. De uitrit aan de zuidkant, richting de Kruisstraat, komt te vervallen, wordt landschappelijk ingepast en krijgt de bestemming 'Groen' (voor een duidelijkere weergaven zie bijlage 1 Wijziging bestemmingsvlak).
Afbeelding 1.1 Bestemmingsvlak beoogde situatie
Afbeelding 1.2 Legenda beoogde situatie
Het vigerend planologisch regime voor de Eerste Polderweg 4 te Rosmalen betreft het bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat' van de gemeente 's-Hertogenbosch, vastgesteld op 25-06-2013. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de enkelbestemming 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' (A-AB) met een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 3' (WR-A-3) en gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied', zie ook onderstaande afbeelding 2.1. De gronden waarop de uitbreiding van het bouwvlak betrekking op hebben zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden' en 'Agrarisch'.
Binnen de regels behorende bij artikel 4 'Agrarisch – Agrarisch Bedrijf' zijn de gewenste ontwikkelingen niet toegestaan. Wel biedt artikel 4.5.4 een wijzigingsbevoegdheid naar bestemming 'Bedrijf' of 'Agrarisch – Agrarisch technisch Hulpbedrijf'. De wijzigingsbevoegdheid is in dit geval echter niet volledig toepasbaar omdat voor dit plan tevens een uitbreiding van het bouwblok in noordelijke richting noodzakelijk is. deze gronden hebben de bestemming Agrarisch met Waarden en Agrarisch. Tevens dient de bestemming van een gedeelte van het bouwblok te worden gewijzigd in Groen.
Om aan het planinitiatief medewerking te kunnen verlenen dient derhalve het bestemmingsplan te worden herzien.
Afbeelding 2.1 Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat'
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014.
De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Verordening ruimte 2014. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 3.1, is onderhavige projectlocatie gelegen in het gemengd landelijk gebied met de toevoeging 'Accentgebied agrarische ontwikkeling'. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Daar de locatie gelegen is in het gemengde landelijk gebied, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. Onderhavig initiatief betreft een akkerbouwbedrijf met transport- en loonwerkactiviteiten en is onderdeel van een multifunctioneel gebied. Het gebied is multifunctioneel doordat naast onderhavig bedrijf ook toerisme, kleinschalige stedelijke functies, waterfuncties, natuur en recreatie plaatsvinden. De aanduiding 'Accentgebied agrarische ontwikkeling' geeft aan dat de positie van de aanwezige sectoren versterkt mogen worden en dat er eveneens ontwikkelingsruimte is voor aan agrarisch gelieerde bedrijven. Onderhavig initiatief past derhalve binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.
Afbeelding 3.1 Uitsnede Structurenkaart Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014
In de Wro is geregeld dat provincies, in dit geval de provincie Noord-Brabant, in een aparte verordening regels kan opstellen die door elke gemeente in Noord-Brabant moet worden toegepast bij ruimtelijke besluiten. Derhalve hebben de Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 en 14 maart 2014 de Verordening ruimte 2014 (Vr) vastgesteld. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten op 18 maart 2014 besloten de Vr op onderdelen te wijzigen waarna deze op 19 maart 2014 in werking is getreden. Deze verordening regelt diverse ruimtelijke onderwerpen. De bepalingen voor deze onderwerpen zijn gebaseerd op het provinciale beleid zoals dat opgenomen is in de Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014.
De ontwikkelingsmogelijkheden voor locaties volgen uit het gebied waarin ze gelegen zijn. In de Verordening ruimte is onderscheid gemaakt tussen structuren en aanduidingen. De structuren bestaan uit 'bestaand stedelijk gebied', 'ecologische hoofdstructuur', 'groenblauwe mantel' en 'gemengd landelijk gebied'. Deze vier structuren zijn Brabant-dekkend. Per structuur zijn er regels uitgewerkt onder welke voorwaarden welke functies ontwikkeld kunnen worden. Onderhavige projectlocatie is gelegen binnen de structuur 'Gemengd landelijk gebied'.
De aanduidingen zijn opgenomen binnen de themakaarten. Deze themakaarten betreffen aanduidingen ten aanzien van 'stedelijke ontwikkeling', 'cultuurhistorie', 'agrarische ontwikkeling en windturbines', 'water' en 'natuur en landschap'.
Voor onderhavige projectlocatie zijn aanduidingen opgenomen op de themakaarten, zie achtereenvolgend ook de afbeeldingen 3.2, 3.3, 3.4, stedelijke ontwikkeling', 'cultuurhistorie', 'agrarische ontwikkeling en windturbines'. Op deze themakaarten is de projectlocatie gelegen in de Aanduidingen; 'Integratie stad-land', 'Cultuurhistorisch vlak' en 'Beperking veehouderij'.
Afbeelding 3.2 Uitsnede themakaart 'Stedelijke ontwikkeling' - Verordening ruimte 2014
Afbeelding 3.3 Uitsnede themakaart 'Cultuurhistorie' - Verordening ruimte 2014
Afbeelding 3.4 Uitsnede themakaart 'Agrarische ontwikkeling en windturbines' - Verordening ruimte 2014
Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Vr. Ten eerste zijn er algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van toepassing, die opgenomen zijn in hoofdstuk 2 van de Vr. Daarnaast moet getoetst worden aan;
Algemene regels (hoofdstuk 2 Vr):
Hoofdstuk 2 van de Vr stelt algemene regels ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit (artikel 3). In deze regels wordt gesteld dat bijgedragen moet worden aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit wordt uitgesplitst in de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 3.1 VR) en de kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.2 VR).
Zorgplicht ruimtelijke kwaliteit (art. 3.1 VR):
In artikel 3.1 wordt gesteld dat bij ruimtelijke ontwikkelingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik wordt toegepast. Het doel hierbij is om bestaande bebouwing zo goed mogelijk te benutten. Het principe zorgvuldig ruimtegebruik bij ruimtelijke ontwikkelingen houdt in ieder geval in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen gebruik wordt gemaakt van een bestaand bouwperceel en dat een uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.
De gewenste ontwikkelingen vinden plaats op een bestaand bouwperceel van 0,78 hectare aan de Eerste Polderweg 4. Dit perceel is door de aanwezige gebouwen, inritten en retentievijver al behoorlijk benut waardoor uitbreiding nodig is om de ontwikkelingen mogelijk te maken. Aan de noordzijde van de bestaande loods is nog ruimte voor een gebouw en dat is ook de locatie waar de nieuwe loods gesitueerd is. Gevolg is wel dat er geen (manoeuvreer)ruimte is voor een goede bedrijfsvoering en het zwaar materieel om in de nieuwe loods te komen. Een ander gevolg is dat alle ontsluiting van het perceel plaatsvindt via de Kruisstraat of de eerste inrit aan de Eerste Polderweg 4, vlak langs de woning aan de Kruisstraat 62. Gezien het zware, rijdende, materieel op het bedrijf is de kans groot dat de omwonenden een te hoge geluidsbelasting ervaren. Om dit tot een minimum te beperken en om manoeuvreerruimte te creëren, is initiatiefnemer voornemens om naast de nieuw te bouwen loods een strook erfverharding, eveneens aan de noordzijde, aan te leggen van 25 meter breed. Deze strook zal doorgetrokken worden richting de Eerste Polderweg voor een nieuw uitrit zodat de bestaande uitrit aan de Kruisstraat kan komen te vervallen.
Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit dient voorliggende toelichting een verantwoording te bevatten waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, waterhuishouding, archeologische en cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden. Daarnaast dient, gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling te passen in de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van voorliggende toelichting.
Tevens dient op de projectlocatie een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Hierboven is aangegeven dat de ontsluiting in de toekomst plaats gaat vinden via de Eerste Polderweg en Rompertweg. Het zware materieel maakt gebruik van deze ontsluiting mede omdat het werkgebied voornamelijk in deze richting ligt. Via de Rompertweg kan men aansluiting vinden met de Grintweg, welke de verbindingsweg is tussen Kruisstraat en Het Wild, en via de Heeseindseweg met de Kerkdijk welke de verbinding is tussen Nuland en Maren-Kessel. Het lichte vervoer kan naast de bovenstaande route ook gebruik maken van de Kruistraat welke, via de Vliertwijksestraat in verbinding staat met de A59. De genoemde wegen hebben capaciteit voldoende om de groei van verkeersstromen van het bedrijf op te vangen.
Kwaliteitsverbetering van het landschap (art. 3.2 VR):
In artikel 3.2 van de VR wordt ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap gesteld dat verantwoord moet worden op welke wijze financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. Hierbij dient verantwoord te worden op welke wijze de verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd.
Omtrent de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de provincie op 1 november 2011 de handreiking 'Kwaliteitsverbetering van het landschap' vastgesteld. Hierin zijn verschillende methodieken uitgewerkt, zo ook voor de uitbreiding van agrarische bestemmingen. In deze methodiek wordt de waardestijging van de grond door de voorgenomen ontwikkeling gecompenseerd met een investering in kwaliteitsverbetering van het landschap, bijvoorbeeld middels landschappelijke inpassing. Uit deze provinciale handreiking volgt dat een kwaliteitsverbetering van 20% van de waardevermeerdering van de gronden financieel redelijk wordt geacht.
Op basis van de huidige planologische situatie, de gewenste planologische situatie en het landschappelijke inpassingsplan is door beëdigd rentmeester en taxateur ing. C.A. Schellekens van het adviesbureau Verschel een economische berekening inzake de waardevermeerdering en kwaliteitsverbetering opgesteld. Deze berekening is opgenomen in bijlage 2, Landschappelijk Inpassingplan. Uit deze berekening blijkt dat er sprake is van een extra kwaliteitswinst van € 2.020,50 bovenop de kwalitatieve investering die de provincie redelijk acht.
De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een bepaling in de regels van het bestemmingsplan en daarnaast door het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer. Middels de bijgevoegde berekening is bovendien aangetoond dat de kwaliteitsverbetering bovendien ruimschoots financieel is verzekerd. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.2 van de VR.
Gemengd landelijke gebied (art 7)
In artikel 7.11 en 7.10 van de Vr zijn regels opgenomen voor Afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven (7.11) en Niet-agrarische functies (7.10).
In artikel 7.11 Vr staat dat;
1. In afwijking van artikel 7.10, eerste lid onder a en d (niet-agrarische functies), kan een bestemmingsplan
dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of
een agrarisch verwant bedrijf mits de omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste
1,5 hectare bedraagt.
Het oppervlak van het bouwperceel aan de Eerste Polderweg 4 groeit van 0,78 hectare naar 0,94 hectare in de beoogde situatie. Dit blijft dus ruim onder het maximale oppervlak van 1,5 hectare
2. Voor een bestaand bedrijf als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.10, tweede lid (redelijke uitbreiding),
overeenkomstig van toepassing.
Het betreft een nieuw bedrijf zoals bedoeld in art. 7.10 lid 2. Het 2e lid van artikel 7.11 Vr is derhalve niet van toepassing.
Artikel 7.10 bepaald dat;
1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een vestiging van een
niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 7.7 tot en met artikel 7.9 mits:
a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m2
bedraagt;
Met toepassing van artikel 7.11 lid 1 Vr mag er afgeweken worden van deze bepaling.
b. dit bijdraagt en past binnen de beoogde ontwikkeling van gemengd landelijk gebied als bedoeld in
artikel 7.1;
De gewenst ontwikkelingen passen binnen de gemengde agrarische economie en doet geen afbreuk aan de ontwikkelingen van de agrarische economie, daar waar het een transport- en loonbedrijf en een akkerbouwbedrijf betreft. De ontwikkelingen passen in het gestelde in artikel 7.1, zoals eerder in deze paragraaf reeds beschreven is.
c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;
Alle gebouwen worden gebruikt ter uitvoering van de activiteiten. Er is dus geen sprake van overtollige bebouwing en daardoor ook geen sloop.
d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;
Het transport- en loonbedrijf valt volgens de Bedrijven en milieuzonering in milieucategorie 3.1. Uit Hoofdstuk 5 Milieuaspecten blijkt dat de milieu uitstraling van het bedrijf beperkt is en vergelijkbaar is met een categorie 2 bedrijf.
e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;
Alle bedrijfsactiviteiten vallen onder het beheer van René Timmermans B.V.. Er is dus geen sprake van meerdere bedrijven op deze locatie.
f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een
baliefunctie;
Niet van toepassing op de beoogde bedrijfsontwikkeling
g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een
verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2;
Niet van toepassing op de beoogde bedrijfsontwikkeling
h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van
deze verordening toegestane omvang;
De beoogde ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats op een bouwperceel met een omvang van 0,94 hectare. Minder dus dan de maximaal toegestane omvang van 1,5 hectare. Er is voor de langere termijn wellicht nog ruimte om de eventuele groei van het bedrijf op te vangen binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang.
i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.
Niet van toepassing op de beoogde bedrijfsontwikkeling
Integratie stad – land (art. 9)
Artikel 9 Vr beschrijft de mogelijkheden om in een bestemmingsplan stedelijke ontwikkeling toe te staan buiten bestaand stedelijk gebied. In dit geval ligt het plangebied in het bestemmingsplan Buitengebied noord en Kloosterstraat, welke gericht is op het landelijk gebied. De omgeving van de Kruisstraat is aangeduid als 'Integratie stad – Land' om stedelijke ontwikkeling in deze lintbebouwing, ondanks dat het geen bestaand stedelijk gebied betreft, toe te staan. Het perceel aan de Eerste Polderweg 4 is deels gelegen in de aanduiding 'Integratie stad – Land', vandaar de toetsing aan artikel 9. De ontwikkelingen op het perceel zijn ten behoeve van de agrarische activiteiten en hebben dus geen betrekking op stedelijke ontwikkeling. Derhalve kan een verdere toetsing aan dit artikel achterwege blijven.
Cultuurhistorisch vlak (art. 22)
Het plangebied heeft in de Verordening ruimte 2014 naast de structuur Gemengd landelijk gebied de aanduiding 'Cultuurhistorisch vlak' toegewezen gekregen. De uitwerking van deze aanduiding ligt in artikel 22 Vr lid 1 en lid 2;
1. In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' geldt ter plaatse van de aanduiding 'Cultuurhistorische vlakken' dat een bestemmingsplan:
a. mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;
b. regels stelt ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
2. Gedeputeerde Staten stellen een beschrijving vast van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de als cultuurhistorische vlakken aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart.
Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart) is het plangebied gelegen in het cultuurhistorisch vlak 'Beerse Overlaat'. Via de viewer van deze kaart (http://atlas.brabant.nl/SilverlightViewerProvNB/Viewer.html?ViewerConfig=http://atlas.brabant.nl/Geocortex/Es sentials/REST/sites/CHW _Viewer/viewers/BasisViewerPlusCHW/virtualdirectory/Config/Viewer.xml) is te achterhalen welke waarden en kenmerken beschermd dienen te worden.
Voor de Beerse Overlaat gelden de volgende waarden en kenmerken;
- De Hertogswetering
- De Roode Wetering
- De eendenkooien
- De huizen op terpen
- De Peeldam bij Velp
- De Groene Dijk bij Haren
- De Erfdijk bij Herpen
- De dijken en kades aan de noordkant van de Beerse Maas, aangelegd ter bescherming van de dorpen aan de Maas
- De sluis bij Treurenburg
Het perceel aan de Eerste Polderweg 4 is niet gelegen in of nabij een van bovenstaande waarden en kenmerken die volgens artikel 22 van de Verordening ruimte beschermd moeten worden. De Hertogswetering ligt op circa 2,8 kilometer. Derhalve voldoet de gewenste ontwikkeling aan het beleid aangaande dit kader.
Beperkingen veehouderij (art. 25)
Voor veehouderijen in een gebied met deze aanduiding zijn in artikel 25 regels opgenomen welke beperkingen opleggen aan de ontwikkelingen van veehouderijen volgens de artikelen 5.1, 6.3 en 7.3.
Onderhavig bedrijf is geen veehouderij en daardoor zijn deze regels niet van toepassing.
De gemeente 's-Hertogenbosch heeft in augustus 2013 het Ontwerp Ruimtelijke Structuurvisie ter inzage gelegd. Dit is een actualisatie van de vorige structuurvisie 'Stad tussen Stromen' uit 2003. De reden dat er voor een actualisatie gekozen is in plaats van een totale herziening ligt voor de gemeente in het feit dat de visie die ten grondslag lag aan de 'Stad tussen Stromen' nog onverminderd van toepassing is. Vanwege veranderend of vernieuwend ruimtelijk beleid van de provincie en het Rijk had dit gevolgen voor de bestaande structuurvisie 'Stad tussen Stromen' waardoor er dus een actualisatie plaats moest vinden. Daarnaast moet de RSV voldoen aan de eisen van de nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening uit 2008.
Het perceel aan de Eerste Polderweg 4 ligt volgens de RSV in een 'Groen consolidatiegebied' met een 'Open waardevol karakter'. In deze gebieden ligt de nadruk op consolidatie van bestaande natuur- en landschapskwaliteiten van onder andere de Maaskantpolder boven Rosmalen. De gewenste ontwikkeling op het bovengenoemde perceel zorgen, mede door de relatief kleine ontwikkeling, voor geen afbreuk van het kenmerkende open landschap. Door bestaande en nieuw te realiseren landschappelijke inpassing worden geen bestaande zichtlijnen onttrokken vanuit de Kruisstraat.
De uitbreiding heeft nauwelijks effect op het landschappelijke karakter aldaar de reeds bestaande activiteiten welke die op het perceel plaatsvinden ongewijzigd in soort, enkel in omvang, worden voortgezet. Het plan voorziet in een consoliderend karakter aangaande de landschappelijke inpassing. Derhalve past het binnen de RSV.
Naast de ruimtelijke structuurvisies van 2003 en de actualisatie van 2013 heeft de gemeente 's-Hertogenbosch ook een gebiedsvisie voor de Kruisstraat Oost opgesteld in mei 2013. Onder Kruisstraat Oost wordt het gebied bedoeld van de percelen die behoren bij Kruisstraat nummer 56 tot en met 70 en Kruisstraat nummer 45 tot en met 53. Deze visie is opgesteld om voor de verschillende, niet binnen het geldende bestemmingsplan vallende, verzoeken uit dit gebied een overkoepelende ruimtelijke context te bieden. De hieruit volgende gecreëerde visie wordt gebruikt voor de toetsing van de verzoeken.
De reden dat deze gebiedsvisie opgenomen is in deze toelichting is omdat het perceel aan de Eerste Polderweg 4 direct is gelegen achter het perceel aan de Kruisstraat 62. Bij de analyse van en visie op het gebied is er geen harde streep langs de percelen aan de Kruisstraat getrokken, maar worden zijdelings ook de dwarsstraten betrokken bij deze visie.
Voor het gebied blijkt uit de visie dat er terughoudend omgegaan moet worden met het toestaan van nieuwe ontwikkelingen. Met nieuwe ontwikkelingen gaat het vooral om de vestiging van nieuwe agrarische bedrijven en rode ontwikkelingen zoals woningbouw en andere grootschalige gebouwen die het landschapsbeeld kunnen aantasten. Het kenmerk van de omgeving Kruisstraat is de huidige bebouwingsstructuur, met ten noorden van de straat een aardig dichte lintbebouwing, logisch gezien de hogere ligging welke geschikter is voor agrarische doeleinden. Ten zuiden van de Kruisstraat is een lager dichtheid van de lintbebouwing. Tweede argument om terughoudend te zijn met het toestaan van nieuwe bebouwing is het open karakter van de omgeving, door de verschillende zichtlijnen wordt dit open landschap betrokken bij de Kruisstraat. Vooral de zichtlijn vanuit de Eerste Polderweg richting het zuiden wordt als waardevol gezien. Het plangebied is gelegen ten noorden van de Kruisstraat en biedt geen belemmeringen ten opzichte van de zichtlijn richting het zuiden.
Toch biedt de gemeente binnen het beleid en visie mogelijkheden tot uitbreiding voor bestaande agrarische bedrijven. De visie staat ontwikkelingen toe op bestaande bedrijven wanneer deze binnen de mogelijkheden van de Verordening Ruimte passen en het bestemmingsplan. Deze zijn vooral terug te vinden in de wijzigingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan, dit komt uitgebreid aan bod in de volgende paragraaf.
Wanneer de landschappelijke karakteristieken van de omgeving Kruisstraat niet worden aangetast en de ontwikkelingen verder voldoen aan de eisen uit de overige beleidsstukken is derhalve het plan inpasbaar volgens de Gebiedsvisie Kruisstraat – oost.
Zoals reeds in de inleiding van voorliggende toelichting beschreven is voor de projectlocatie het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord en Kloosterstraat' vigerend. Hier zijn voor onderhavige projectlocatie de volgende aanduidingen opgenomen:
- Bestemming: 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' (A-AB)
- Dubbelbestemming: 'Waarde – Archeologie – 3' (WR-A-3)
- Gebiedsaanduiding: 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied'
De overige gronden aan de noordzijde van het perceel, waar de ontwikkelingen plaatsvinden, zijn in het bestemmingsplan bestemd als:
Afbeelding 3.5 Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Noord en Kloosterstraat'
De gronden ten noorden van het perceel waar de initiatiefnemer wil uitbreiden hebben de bestemming Agrarisch met waarden en Agrarisch
In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de voorgenomen ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, in artikel 4.5.4. Deze wijzigingsbevoegdheid behelst echter een wijziging naar de bestemming 'Bedrijf'. Deze wijziging is niet gewenst en is derhalve niet toepasbaar. Vandaar de partiele herziening van het bestemmingsplan. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn voorwaarden verbonden welke vergelijkbaar zijn met onderhavig initiatief. Deze voorwaarden worden als vergelijkend toetsingskader in deze paragraaf nader toegelicht.
Artikel 4.5.4 Bedrijf (Agrarisch technisch Hulpbedrijf)
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' voor zover deze niet is
gelegen binnen de gebiedsaanduiding "reconstructiewet zone - landbouwontwikkelingsgebied" wijzigen in de
bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van kleinschalige vormen van bedrijvigheid, agrarisch-technisch hulpbedrijf
of een agrarisch verwant bedrijf, onder voorwaarde dat:
b. het hergebruik qua aard en omvang past bij de specifieke kwaliteit en schaal van de omgeving;
In het omliggend agrarisch gebied is veel grondgebonden landbouw of akkerbouw te vinden. Deze gronden dienen bewerkt te worden en de goederen afkomstig van deze gronden getransporteerd. Het uitbreiden van de transport- en loonwerkzaamheden passen qua aard in de omgeving het gezien het relatief kleine oppervlak van het bedrijf .
c. het hergebruik geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor
omliggende (agrarische) bedrijven of woningen;
De aard van de bedrijfsactiviteiten blijft in de basis onveranderd daar er in de huidige situatie al sprake is van een akkerbouwbedrijf met een transport- en loonbedrijftak. Enkel het zwaartepunt van het bedrijf veranderd van akkerbouw naar transport- en loonbedrijf. De vervoersbewegingen nemen in de toekomstige situaties licht toe. Wanneer deze via de noordkant verwerkt wordt vormt dit geen extra hinder voor de woningen. Daar het eveneens deels een agrarisch bedrijf blijft vormt dit geen belemmeringen voor omliggende bedrijven.
d. de activiteit qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
Het bedrijf heeft op dit moment een in/uitrit aan zowel de Eerste Polderweg als de Kruisstraat. Het is de bedoeling de ontsluiting aan de Kruisstraat te saneren en een nieuw uitrit te realiseren aan de Eerste Polderweg, ten noorden van het huidige inrit. Voor deze verandering is geen wijziging van de bestaande infrastructuur nodig.
e. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
De bestaande infrastructuur van de Eerste Polderweg en Rompertweg is voldoende capabel om de aangepaste bedrijfsvoering op te vangen.
f. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden
Door de bouw van de nieuwe loods en de toevoeging van erfverharding zal parkeren op eigen terrein plaatsvinden.
g. het in opzet en ontwikkelingsperspectief gaat om een kleinschalige activiteit met in beginsel
slechts enkele werknemers;
Het als agrarisch-technisch hulpbedrijf zijnde bedrijf ondersteund de omliggende bedrijven in de agrarische bedrijfsvoering. De activiteiten komen dan ook overeen met een agrarisch bedrijf, waarbij de intensiteit in deze wel iets hoger liggen maar niet grootschalig. Het bedrijf heeft op dit moment slecht 3 werknemers en zal in beginsel niet toenemen afgezien van eventuele pieken in het seizoen.
h. de milieubelasting niet groter is dan die van activiteiten als bedoeld in de categorieën 1 en 2 van
de Bedrijvenlijst;
De transport- en loonwerkzaamheden worden aangemerkt zijnde categorie 3.1 van de Bedrijvenlijst. Volgens de methodiek van de handreiking "Bedrijven en milieuzonering", waarop de bedrijvenlijst is gebaseerd, mag er in gemengd gebied de richtafstanden voor hinder met één afstandsstap worden teruggebracht, zie ook paragraaf 4.1. Door deze stap worden de richtafstanden voor hinder gelijkgesteld met milieucategorie 2. Daarnaast is, vanwege het provinciale beleid, door toepassing van artikel 7.11 lid 1 'voor agrarisch-technische hulpbedrijven' het toegestaan om bedrijven behorend tot milieucategorie 3 of hoger ter plekke te realiseren. Door deze wijzigingsmogelijkheid mee te nemen in onderhavig initiatief is het mogelijk om deze milieucategorie toe te staan.
i. detailhandel alleen is toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit;
Detailhandel is niet aanwezig op het bedrijf, mocht dit in de toekomst veranderen dan zal het te allen tijde als ondergeschikte nevenactiviteit worden beschouwd.
j. buitenopslag niet is toegestaan;
Door de bouw van de nieuwe loods is buitenopslag niet noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.
k. overtollige gebouwen worden gesloopt;
Er zijn in dit kader geen overtollige gebouwen aanwezig.
m. de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag nooit meer bedragen dan 0,5 ha.
En dient verkleind te worden voor zover dat voor een doelmatige inrichting en gebruik van de
hergebruiksfunctie mogelijk is;
Zie onder n.
n. in afwijking van het bepaalde onder m mag de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak van
een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf, nooit meer bedragen dan 1,5
ha. Deze wijzigingsmogelijkheid geldt niet voor bedrijven die zijn gelegen in gebieden met de
dubbelbestemming Waarde - groenblauwe mantel;
Het betreft een agrarisch-technisch hulpbedrijf welke groeit naar een bestemmingsvlak van 0,94 ha. Daarnaast is het bedrijf niet gelegen in de dubbelbestemming Waarde – groenblauwe mantel. De ontwikkelingen blijven dus ruim binnen het gestelde onder n.
o. de wijziging milieuhygiënisch uitvoerbaar is;
De ontwikkelingen zijn milieuhygiënisch uitvoerbaar, de onderbouwing waaruit dit blijkt is te vinden in hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting.
p. de gebiedswaarden substantieel worden versterkt conform een ingediend
landschapsversterkingsplan, door het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het
aanbrengen van beeldkwaliteit en/of herstel van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of
omgeving;
Een landschappelijk inpassingsplan maakt onderdeel uit van deze toelichting. Hieruit blijkt dat de ontwikkelingen de gebiedswaarden niet aantast.
De locatie van initiatiefnemer aan de Eerste Polderweg 4 ligt, blijkens afbeelding 4.1 en 4.2, in het buitengebied van Rosmalen in de gemeente 's-Hertogenbosch, welke haaks is gelegen op de Kruisstraat. Het perceel is kadastraal geregistreerd onder 'Gemeente Rosmalen, sectie I, nummers 4543, 4544 en 2623. Het ligt in de overgang tussen de lintbebouwing van de Kruisstraat en agrarisch gebied in vooral noordelijke richting. Ten zuiden en westen ligt op korte afstand het dorp Kruisstraat, behorend tot het stadsdeel Rosmalen – Noord. Even verder westelijk liggen de kern Rosmalen en de stad 's-Hertogenbosch. De ontsluiting van het verkeer gaat via de Eerste Polderweg en de Kruisstraat, waarbij de Kruisstraat de verbindingsweg is tussen Rosmalen en Nuland/Geffen. Verder kan men via de Kruisstraat en Vliertwijksestraat de A59, afrit 50 (Kruisstraat), ten zuiden van het plangebied bereiken. Dit gebied kenmerkt zich door een essenlandschap. Het is een overgangslandschap van het lager gelegen rivierengebied ten noorden naar het hoger gelegen dekzandgebied ten zuiden van het plangebied. De voormalige dijk vormt de scheiding welke de overgang markeert en de aanwezige lintbebouwing aan de Kruisstraat versterken dit kenmerk.
Op het perceel aan de Eerste Polderweg 4 zijn twee gebouwen gesitueerd, waaronder de woning behorende bij het bedrijf. De bestaande loods ligt achter op het perceel en loopt evenwijdig met de Eerste Polderweg 4. Daarnaast is er een tweede uitrit aan de Kruisstraat, welke niet op de foto's staat maar wel aanwezig is, om aan de achterkant van de loods te komen. Naast de bedrijfswoning is nog een riante retentievijver aanwezig.
Afbeelding 4.1 Overzicht ligging locatie
Afbeelding 4.2 Ligging en opzet huidige bebouwing
Deze toelichting is ten behoeve van een partiële herziening van het bestemmingsplan met als doel de uitbreiding van de transport- en loonwerkzaamheden te realiseren. Naast het wijzigen van de bestemming wordt het bouwblok vergroot om de bouw van een nieuwe loods en een nieuw uitrit mogelijk te maken.
Deze nieuwe loods komt, net als de bestaande loods, achter op het perceel te liggen, haaks tegen de bestaande loods en eveneens haaks op de Eerste Polderweg 4. Deze loods is noodzakelijke voor de stalling en onderhoud van materieel. Het is niet wenselijk dit materieel buiten te stallen, daar waar het blootgesteld wordt aan weersinvloeden en verrommeling van de omgeving tot gevolg hebben. Aan de achterzijde van de loods komt een overdekte spuitplaats voor het reinigen van het materieel. De locatie is gekozen vanwege de afgelegen plek op het perceel. De plek wordt immers afgeschermd door de bestaande en nieuwe loods en aan de zuidkant komt een landschappelijke inpassing waardoor de spuitplaats eveneens aan het zicht onttrokken wordt. Daarnaast is voor deze plek gekozen voor een goede bedrijfsvoering. Doordat er aan de westzijde van de bestaande loods reeds erfverharding aanwezig is kunnen de voertuigen eenvoudig in de nieuwe te bouwen spuitplaats gereden worden, waarna de schoon in de nieuwe loods gestald kunnen worden. Hierdoor ontstaat er een logische routering.
Om de geluidbelasting voor de woningen aan de Kruisstraat tot een minimum te beperken is het wenselijk dat de ontsluiting plaatsvind noordwaarts via de Eerste Polderweg 4 en Rompertweg. Dit is mogelijk door de bedrijfsactiviteiten zo veel mogelijk ook noordwaarts te laten plaatsvinden. Dien ten gevolge wordt het perceel aan deze zijde vergroot met de toevoeging van erfverharding voor het creëren van extra manoeuvreer ruimte. Deze erfverharding wordt doorgetrokken tot aan de Eerste Polderweg voor de realisatie van een nieuw aan te leggen uitrit. Met deze nieuwe uitrit in combinatie met het opheffen van het uitrit aan de Kruisstraat is initiatiefnemer voornemens om de geluidsbelasting tot een minimum te beperken.
Zie voor een duidelijker overzicht van de nieuwe situatie de tekening in bijlage 1 Wijziging bestemmingsvlak.
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven.
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onderhavig initiatief komt niet voor op deze lijst. Er is derhalve geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criteria geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER.
Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Zoals in paragraaf 4.4.3. reeds uiteengezet heeft onderhavige ontwikkeling met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden en de Beschermde Natuurmonumenten.
Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden.
Om te voorkomen dat als gevolg van het project voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreedt, moet worden getoetst of:
- de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) c.q. of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
- bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering", uitgegeven door het VNG, waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen. In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandsstap' worden teruggebracht.
Het omgevingstype van voorliggend plangebied is 'gemengd gebied'. In de omgeving is immers sprake van matige tot sterke functiemenging. In het algemeen kan lintbebouwing in het buitengebied met agrarische en andere bedrijvigheid als gemengd gebied worden beschouwd. De Eerste Polderweg 4 ligt haaks op de Kruisstraat, een lint in het buitengebied. Hier wisselen woningen, agrarische en niet-agrarische bedrijven elkaar af.
De invloed van het plan op de omgeving betreft de toevoeging van functie bij een agrarisch bedrijf met een agrarisch - technisch hulpbedrijf, te weten een agrarisch loonbedrijf met een milieucategorie 3.1. De gereduceerde richtafstand voor een bedrijf met milieucategorie 3.1 in een gemengd gebied bedraagt 30 meter.
Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object is de woning aan de Kruisstraat 62. De afstand van de gevel van deze woning tot aan de inrit bedraagt minder dan 30 meter. Aan de richtafstand wordt dus niet voldaan. Uit nader onderzoek, zie paragraaf 4.5, blijkt dat een hinderlijke situatie niet wordt verwacht. De zuidelijke in- en/of uitrit maakt in de beoogde situatie geen deel meer uit van de bestemming en wordt dus opgeheven. Dit komt de geluidssituatie ten goede. Daarnaast vinden de zwaarste belastende werkzaamheden aan de andere kant van het perceel, achter de gebouwen plaats. Deze gebouwen hebben, samen met de grotere afstand, een afschermende werking waardoor eventuele hinder verder wordt gereduceerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat – ten aanzien van het aspect geluid - de voorgenomen bedrijfsactiviteiten (tot en met categorie 3.1) niet zullen leiden tot geluidshinder bij nabij gelegen woningen (o.a. Kruisstraat 62).
In de verdere omgeving, ten noorden en oosten van het plangebied liggen enkel agrarische gronden, zijn geen woningen of bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor het plan. Uit de VNG-publicatie blijkt dat de grootste richtafstand voor deze bedrijven 50 meter is. Doordat het gelegen is in gemengd gebied en er een afstandsstap teruggebracht mag worden is de gereduceerde afstand van 30 meter geldend. Binnen deze afstand bevinden zich dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Voorafgaand aan de gewenste partiële herziening dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
EHS
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De EHS kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Onderhavige locatie is niet gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur, zoals opgenomen in de Verordening ruimte en hieronder te zien in afbeelding 5.1. Het meest nabij gelegen gebied is gelegen op een afstand van circa 615 meter van de projectlocatie. Dit gebied is gelegen ten zuidoosten van de projectlocatie. Gezien de afstand tot de projectlocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat onderhavig initiatief een negatieve invloed heeft op de ontwikkeling van dit gebied.
Afbeelding 5.1 Uitsnede themakaart 'Natuur' - Verordening ruimte 2014
Flora- en Fauna
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Sinds april 2002 regelt de Flora- en Faunawet de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Flora- en Faunawet is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat:
- Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten);
- Zij verstoord worden (toename van geluid of licht);
- Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocatie en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen.
De soortenbeschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Flora- en Faunawet. Gelet op de aard van het initiatief aan de Eerste Polderweg 4 te Rosmalen, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren loods, beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten.
Tevens kan door middel van de Flora- en Faunascan van Arcadis gekeken worden of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormen voor de beschermde soorten. De resultaten van deze scan zijn opgenomen in afbeelding 5.2. Het huidige landschapselement waar de toekomstige loods gerealiseerd wordt kan getypeerd worden als graslandgebied met sloten en landschapselementen, alsmede lanen, singels en houtwallen. De ruimtelijke ingreep betreft bij/aanbouwen. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van de Flora- en Faunawet onwaarschijnlijk is. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Flora- en Faunawet.
Afbeelding 5.2 Resultaten uit Arcadis Flora- en Faunascan
Natuurbeschermingswet 1998
De Natuurbeschermingswet 1998 is een wet van 25 mei 1998, houdende regels ter bescherming van natuur en landschap. De Natuurbeschermingswet 1998 is in werking getreden op 1 oktober 2005. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied of Beschermd Natuurmonument.
Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden betreft het habitatrichtlijngebied Vlijmens Ven, Moerputten, en Bossche Broek welke is gelegen op een afstand van 8,67 km en vogelrichtlijngebied de 'Uiterwaarden Waal' op een afstand van 7,74 km. Gezien de grote afstand, meer dan 7 km en omdat het geen veehouderij betreft met een emissie van ammoniak, zijn er geen significante negatieve effecten te verwachten op het Vlijmens Ven, Moerputten, en Bossche Broek en Uiterwaarden Waal.
De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Middels een akoestisch onderzoek is in beeld gebracht welke gevolgen de gewenste ontwikkelingen aan de Eerste Polderweg 4 hebben voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Gbs Milieuadvies te Breda en is als bijlage (3) bij deze toelichting gevoegd.
Als uitgangspunt voor dit onderzoek mag het 'langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT)' ter plaatse van de geluidsgevoelige bestemmingen in eerste instantie niet meer bedragen dan onderstaande etmaalwaarden:
Uit de rekenresultaten blijkt dat op de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemming, de woning aan de Kruisstraat 62, voor het LAr, LT met waarden 36, 38, 16 dB(A) de hierboven genoemde etmaalwaarden niet overschrijdt. Ook voor de overige geluidsgevoelige bestemmingen wordt het LAr, LT in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen niet overschreden.
Naast het 'langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT)' dient ook het 'Maximaal geluidsdrukniveau (LA, max)' ter plaatse beoordeeld te worden. De waarden welke voor de geluidgevoelige bestemmingen mogen niet meer bedragen dan:
Ook uit deze rekenresultaten blijkt dat op de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemming, de woning aan de Kruisstraat 62, voor het LA, max met waarden 65, 65, 53 dB(A) de hierboven genoemde etmaalwaarden niet overschrijdt. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat bij het vertrek van de zware motorvoertuigen, vooral in de nachtperiode, gebruikt gemaakt dient te worden van de nieuw aan te leggen in- en uitrit.
Ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen mag de geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet overschrijden. Er geldt een maximale grenswaarde van 65 dB(A). Indien de geluidbelasting zich tussen de voorkeursgrenswaarde en maximale grenswaarde bevindt, dient een binnen-niveau in de betrokken woningen van 35 dB(A) te worden gegarandeerd. De indirecte hinder vanwege wegverkeer van en naar de inrichting bedraagt maximaal 43 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de woning aan de Kruisstraat 62. De voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt derhalve niet overschreden.
De nieuwe bedrijfssituatie is akoestisch gezien ruimtelijk inpasbaar. Overige rekenresultaten of een overzicht van de invoergegevens staan in bijlage 3 Akoestisch onderzoek.
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.
De (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de
NIBM-rekentool (www.infomil.nl) en 'Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie', CROW-publicatie 317. Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht. In afbeelding 17 (schema) op de volgende pagina is het resultaat van de rekentool weergegeven.
Het extra aantal voertuigbewegingen bedraagt 66,2. Het aandeel zwaar (vracht)verkeer is op dit moment niet bekend. Gezien de aard van bedrijfsactiviteiten is de verwachting dat de toename veelal bestaat uit zwaar materieel. Daarom is een progressieve aanname gedaan van 90%. In de praktijk zal dit wellicht lager zijn.
| Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit | ||||
| Extra verkeer als gevolg van het plan | ||||
| Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) | 66,2 | |||
| Aandeel vrachtverkeer | 90,0% | |||
| Maximale bijdrage extra verkeer | NO2 in ìg/m3 | 0,85 | ||
| PM10 in ìg/m3 | 0,09 | |||
| Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in ìg/m3 | 1,2 | |||
| Conclusie | ||||
| De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; | ||||
| geen nader onderzoek nodig | ||||
Afbeelding 17: Berekening toename Fijnstof en Stikstofoxide in NIBM
Uit de berekening volgt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stoffen in de lucht c.q. het plan niet in betekenende mate luchtverontreiniging veroorzaakt.
Aan de hand van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) kan worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit de kaarten volgt dat de concentraties van de stoffen PM10 en NO2 voor het jaar 2015 en 2020 lager zijn dan 40 ìg/m3 zijn, respectievelijk 24,1 ìg/m3 en 22,6 ìg/m3. Deze waarden zijn dus significant lager dan de grenswaarden van 40 ìg/m3. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling.
In het kader van de 'kwaliteitsverbetering van het landschap (art. 3.2V VR)' en voortkomend uit het overleg met de gemeente ten aanzien van het principeverzoek is er een landschappelijk inpassingplan opgesteld voor de Eerste Polderweg 4 te Rosmalen. Hierbij is aangesloten bij de Structuurvisie Stad tussen Stromen.
Onderhavige locatie is gelegen in een bebouwingscluster aan de rand van het kleinschalige zandlandschap, grenzend aan het open polderlandschap. Het zandlandschap kenmerkt zich door de kleinschaligheid met coulissen, gevormd door bospartijen, houtwallen en singels op perceelsgrenzen en bebouwingsclusters. Dit in tegenstelling tot het noordelijk gelegen polderlandschap, welke zich kenmerkt door de grootschalige kavels, open karakter en langgerekte wegen en sloten.
Naar aanleiding van bovenstaand is er voor gekozen om de overgang van de twee landschapstypen te benadrukken. Het perceel ter plaatse maakt onderdeel uit van de rand van het kleinschalig zandlandschap, de kenmerken van dit landschap worden dan ook behouden en versterkt. Om de overgang sterker te benadrukken worden voornamelijk de perceelsgrenzen voorzien van houtwallen/ boomsingels. Deze zullen bestaan uit inheemse planten en bomen. Aan de noordzijde zal een houtwal gerealiseerd worden, welke ter plaatse van de nieuw te bouwen loods onderbroken wordt. Deze openingen zijn noodzakelijk om de vergezichten naar het open polderlandschap te behouden. De westzijde van het perceel, wordt voorzien van een bomenrij met struweelbeplanting welke haaks op de Kruisstraat het open landschap in steekt. Deze beplantingsstrook is reeds gevormd door een houtwal ter plaatse van het oostelijk gelegen perceel van derden. Tevens heeft de heer Timmermans onlangs in het verlengde hiervan, maar op eigen perceel, een haag van beplanting gerealiseerd (laagstam fruitbomen en coniferen). Deze zal worden aangevuld met inheemse boomvormers, zoals ruwe berken. Vanuit het open poldergebied wordt het bedrijf als zichtpunt en als onderdeel van het zandlandschap versterkt door het realiseren van de beplanting, daar de overgang van de landschapstypen versterkt wordt. (tekst afkomstig uit het Landschappelijk inpassingplan)
Zie voor een verdere toelichting over de beplanting en een grote verbeelding de bijlage 2 Landschappelijk inpassingsplan
Afbeelding 5.4 Uitsnede Landschappelijk Inpassingsplan - locatie Eerste Polderweg 4 te Rosmalen
Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats, zoals het tanken van diesel (uit de dubbelwandige tank) en het afspuiten van voertuigen (en overig materieel). Ter plaatse van deze activiteiten zal er sprake zijn van een vloeistofkerende vloer en het afvalwater afkomstig van de spuitplaats zal opgevangen worden in de daarvoor bestemde put. Daarnaast is enkel het onderhoud aan de werktuigen en de statische opslag van materieel en producten ten behoeve van de loonwerkzaamheden (pootgoed en dergelijke) als bodembedreigende activiteit aangemerkt. Op het bedrijf zullen gebruikshoeveelheden, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico tot een minimum beperkt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht.
In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen voor toepassing van bodembeschermende maatregelen en het behoud van een duurzame bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Gezien het initiatief en bestaande situatie sluiten beide activiteiten op elkander aan ten opzichte van de huidige bodemkwaliteit.
Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het besluit heeft betrekking op het gebruik, de opslag en de productieve gevaarlijke stoffen van inrichtingen. Verder heeft het besluit betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen en het gebruik van luchthavens.
Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een loonwerkbedrijf) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen.
Uitr de risicokaart blijkt dat er geen riscovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkleingen op de projectlocatie. Door de bouw van de nieuwe loods worden wel nieuwe beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd. Aangezien onderhavige projectlocatie niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn geen risico's aanwezig voor de nieuwe loods. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid.
Afbeelding 5.5 Uitsnede risicokaart Noord-Brabant
In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 5.5). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.
Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod:
- Beschrijving waterrelevant beleid;
- Bestaande waterhuishoudkundige situatie;
- Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
Provincie Noord-Brabant
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Verordening ruimte 2014. In de themakaart 'water' van de Verordening ruimte, afbeelding 6.1, is te zien dat de projectlocatie geen aanduidingen toegewezen heeft gekregen. De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor de waterberging en grondwatervoorziening en grondwaterstanden in het gebied.
Afbeelding 6.1 Uitsnede themakaart 'Water' - Verordening ruimte 2014
Waterschap Aa en Maas
Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. In het waterbeheerplan 'Werken met water voor nu en later' de hoofdlijnen van haar beleid uitgewerkt in verschillende thema's. Het huidige waterbeheerplan beschrijft de plannen voor de periode 2010 – 2015. Waterberging en bescherming van de Natura 2000 – gebieden zijn de belangrijkste prioriteiten die in dit waterbeheerplan genoemd worden. Van 12 januari tot 23 februari 2015 heeft een ontwerp waterbeheerplan ter inzage gelegen voor de periode van 2016 - 2021. Het is voornamelijk een voorzetting van het huidige beleid van het waterschap. Dit plan zal eind 2015 vastgesteld worden.
De regels voor handelingen in het watersysteem zijn nader uitgewerkt in de nieuwe keur van de gezamenlijke waterschappen welke in werking is getreden op 1 maart 2015.
Gemeente 's-Hertogenbosch
De gemeente 's-Hertogenbosch heeft in 2012 in samenwerking met het waterschap Aa en Maas een 'Waterstructuurplan 's-Hertogenbosch' opgesteld. Het doel van het waterstructuurplan is uitvoeringbeleid te geven waarmee het watersysteem in 's-Hertogenbosch tot na 2050 robuust, mooi en klimaatbestendig is. Dit hebben zij uitgewerkt in drie 'stromen' in het plan, te weten een visie, het hemelwaterbeleid en het uitvoeringprogramma. De nadruk bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals onderhavig plan, ligt bij het hemelwaterbeleid.
In dit beleid geven de gemeente en het waterschap aan dat het doel van het hemelwaterbeleid het op een doelmatige wijze inzamelen en verwerken van hemelwater is. Uitgangspunt hierbij is dat niet wordt afgewenteld naar het benedenstrooms watersysteem. Doelmatig inzamelen betekent het hemelwater minder en vertraagd afvoeren naar het regionale systeem en sluit aan bij de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'.
In het buitengebied is er meer ruimte voor hemelwaterberging. Van daar geldt voor dit gebied het uitgangspunt dat bij initiatieven er hemelwater in de situatie T=100+10% geborgen kan worden. Dit dient te worden berekend middels de HNO-tool van het waterschap. Deze berekening staat verderop in deze paragraaf.
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op de bestaande retentievijver. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de aanwezige retentievijver.
Zoals aangegeven is waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied en hebben zij in samenspraak met de gemeente 's-Hertogenbosch beleid vastgesteld voor het omgaan met water. Doordat er in de tussentijd een nieuwe Keur is vastgesteld door de gezamenlijke waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en Dommel, komen de rekenmethode van het waterschap Aa en Maas en de gemeente 's-Hertogenbosch niet meer overeen. Beide rekenmethodes worden hieronder behandeld. Voor de retentievoorziening wordt uit gegaan van het 'worst case'-scenario.
Nieuwe Keur gezamenlijke waterschappen
In de nieuwe Keur is dus de rekenmethode voor de retentievoorziening veranderd. Daar er eerst gerekend moest worden met de HNO-tool is deze vervangen door een vaste formule.
Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 'gevoeligheidsfactor' x 0,06 (m)
De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Aa en Maas, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog).
Afbeelding 6.2 Uitsnede kaart 'Gevoeligheidsfactor' Keur Waterschap Aa en Maas
Zoals uit afbeelding 6.2 blijkt is er voor de locatie aan de Eerste Polderweg 4 te Rosmalen een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) welke de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario's. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden.
Benodigde compensatie = 2647 m2 x 1 x 0,06 = 158,82 m3
Wanneer voor het totale verhard oppervlak van het perceel de retentiecapaciteit berekend moet worden is de formule als volgt.
Benodigde compensatie = 6201 m2 x 1 x 0,06 = 372,06 m3
Vorige Keur waterschap Aa en Maas en waterbeleid 's-Hertogenbosch
Middels de oude Keur van Waterschap Aa en Maas, welke in werking was van 22 december 2009 tot 28 februari 2015, en het huidige 'Waterstructuurplan 's-Hertogenbosch' is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder ander bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. Het 'Waterstructuurplan' schrijft voor dat bij bestemmingsplannen voor een toename van meer dan 250 m2 verhard oppervlak mitigerende maatregelen nodig zijn. Verder zijn deze mitigerende maatregelen van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, dus voor zowel toename van bebouwing welke zorgt voor een puntlozing als voor erfverharding.
In de beoogde situatie is er een toename van circa 2.647 m2 verhard oppervlak, omdat er sprake is van een toename verharding van meer dan 250 m² dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend door middel van het HNO-tool, het rekenmodel welke Waterschap Aa en Maas op basis van de oude Keur hanteerde voor het bepalen van de grootte van retentievoorzieningen.
Bij de berekening zijn een aantal invoergegevens nodig om te komen tot de inhoud van de retentievoorziening. Eén van die gegevens is het afvoercoëfficiënt, welke voor onderhavige locatie 0,67 l/s/ha bedraagt (zie afbeelding 6.3).
Afbeelding 6.3 Afvoercoëffciëntenkaart
Afbeelding 6.4 Invoergegevens en resultaten HNO-tool Aa en Maas
Afbeelding 6.5 Invoergegevens en resultaten HNO-tool Aa en Maas voor volledige berging
Bij invoering van de toename verharding en afvoercoëfficiënt is berekend dat er voor een T=100+10% situatie een retentievoorziening van 170 m3 nodig is (zie afbeelding 6.4). De retentievijver welke naast de woning aan de Eerste Polderweg 4 is gelegen heeft afmetingen van circa 36 bij 25 meter. Wanneer bij benadering de diepte wordt bepaald, zie de uitkomst HNO-tool, is er een minimale diepte nodig van 0,135 m. Daar het een bestaande retentievoorziening betreft is het van belang om te bepalen of de aanwezige retentievijver de toename kan opvangen. Om dit te berekenen is ook de totaal benodigde retentiecapaciteit berekend, zie afbeelding 6.5. In de berekening is er voor het bedrijf een totale berging noodzakelijk van 399 m3. Er vanuit gaande dat de afmeting van de retentievoorziening in de lengte en breedte gelijk blijven is er een diepte noodzakelijk van minimaal 0,31 meter. De werkelijke diepte van de bestaande retentievijver is aanzienlijk dieper dan 31 centimeter. Deze biedt dus voldoende capaciteit om naast het extra hemelwater, door toename van verharding, het totale af te voeren hemelwater te bergen.
Volgens de berekening in op basis van de nieuwe Keur is er een totale retentiecapaciteit nodig van 372 m3, volgens het gemeentelijke beleid is dat 399 m3. Bij de berekening van de grootte van de retentievoorziening is gerekend met de 'worst-case' scenario, in deze dus 399 m3.
De ontwikkelingen in onderhavig plan heeft gevolgen voor de bestaande sloot die de grens tussen het bouwvlak en het (eigen) perceel er naast aangeeft. Deze sloot wordt in de nieuwe situatie gedempt waarna er een nieuwe sloot gegraven wordt naast de nieuwe bouwvlakgrens. Volgens de Algemene regels Keur Waterschap Aa en Maas onder 4.1 is geen vergunning vereist voor het dempen dan wel graven van een oppervlaktewaterlichaam indien het;
Criteria
1. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur voor handelingen en werken in c-wateren, uitgezonderd voorzieningen die peilafwijkingen in peilbesluitgebieden tot gevolg hebben.
2. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het verbreden of geheel of gedeeltelijk dempen van c-wateren voor zover niet is gelegen in peilbesluitgebieden.
3. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid van de Keur, voor het geheel of gedeeltelijk dempen van c-wateren gelegen in een peilbesluitgebied indien de verandering in stroomcapaciteit water vooraf volledig wordt gecompenseerd in een nieuw te graven c-water, of het verbreden van een bestaand c-water, waarbij het bergend vermogen binnen het peilbesluitgebied gelijk blijft.
4. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Keur voor het aanleggen van c-wateren, voor zover :
- deze handeling plaatsvindt in overig gebied, en
- door het graven geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken, en
- deze niet plaatsvindt in een beschermingszone.
5. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Keur voor het aanleggen van een poel in beschermd gebied Keur voor zover:
- de poel een oppervlakte heeft van max. 5.000 m2, en;
- de poel niet dieper is dan de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) en max. 1,20 meter diep, en;
- de poel een taludhelling heeft van: aan de noordzijde minimaal 1:5; overige taludhellingen minimaal 1:3.
Wanneer aan bovenstaande criteria wordt voldaan is vrijstelling van een vergunning van toepassing bij het dempen en graven van de sloot. Voor beide activiteiten, het dempen en graven van een oppervlaktewaterlichaam, zijn dus criteria opgenomen voor de uitvoering van de werkzaamheden. Het is belangrijk dat deze sloot boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) gerealiseerd wordt. Ter plekke ligt de GHG tussen de 60 en 80 cm onder het maaiveld niveau. De criteria waaronder de GHG worden in acht genomen tijdens de realisatie.
De nieuw te graven perceelsloot biedt tevens de mogelijkheid om, indien noodzakelijk, te dienen als retentievoorziening voor het opvangen van het hemelwater. Daar de huidige retentievoorziening qua capaciteit voldoet biedt deze sloot eveneens extra ruimte om het hemelwater op te vangen.
Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Verordening ruimte 2014, afbeelding 7.1, blijkt dat de projectlocatie gelegen is in een cultuurhistorisch vlak. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. De projectlocatie ligt in het cultuurhistorisch vlak 'Beerse Overlaat' in de regio 'Maaskant'. De gronden in het gebied behoren tot de overlaat van de Beerse Maas welke tijdens wateroverlast onder water gezet werden. Dit kenmerkt zich verder door de aanwezigheid diverse weteringen, dijken, sluizen en gemalen. Voorbeelden zijn onder andere de Hertogswetering, de Roode Wetering, Groene Dijk bij Haren en de Erfdijk bij Herpen. De bescherming van het cultuurhistorisch gebied ligt voor het behoud van deze specifieke kenmerken. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen beeldbepalende kenmerken, zoals benoemd, aanwezig. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden.
Afbeelding 7.1 Uitsnede themakaart 'Cultuurhistorie' - Verordening ruimte 2014
Zoals te zien is in afbeelding 7.1 hebben de gronden behorende tot de projectlocatie geen aanduiding 'Aardkundig waardevol'. Het dichtstbijzijnde 'aardkundig waardevol' gebied ligt op ruim 8,7 kilometer. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan het aardkundig waardevol gebied
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan 'Buitengebied noord en Kloosterstraat' dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 3' (WR-A-3), zie afbeelding 2.1.
De gronden ter plaatse van de beoogde loods hebben reeds een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan valt dit onder Waarde – Archeologie – 3, waarbij in de regels staat dat er geen bouwwerkzaamheden zijn toegestaan welke meer dan 100 m2 en 50 cm beneden maaiveld betreffen. Daarboven en -onder kan men enkel middels een archeologisch onderzoek wellicht toestemming krijgen. De gewenste bouw ontwikkelingen leiden niet tot waarden die boven de 100 m2 en dieper dan 50 cm uitkomen. De bouw van de loods op poeren leidt tot een oppervlak van 42 m2 welke dieper gaat dan 50 cm en een gestorte put ten behoeve van de afvoer van spuitwater is circa 5 m2. Tevens worden mogelijk aanwezige, dieper gelegen, archeologische waarden in situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de uitbreiding slechts tot funderingsdiepte worden afgegraven in de bovenste grondlaag. Door onder de grenswaarde van archeologisch onderzoek te blijven is een nader onderzoek niet noodzakelijk.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.
Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen:
Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan 'Buitengebied Noord en Kloosterstraat'. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.
In vergelijking tot de vorige verbeelding is de functieaanduiding 'Agrarisch technisch Hulpbedrijf' toegevoegd aan de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch Bedrijf' en is de gebiedsaanduiding reconstructiewetzone – extensiveringsgebied komen te vervallen. Dit laatste kan komen te vervallen door het gewijzigde beleid van de provincie omtrent de reconstructiewet.
De regels behorende bij voorliggende partiële herziening bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
Aangezien de regels van het vigerende bestemmingsplan in beginsel blijven gelden voor het plangebied, wordt in de regels behorend bij voorliggende partiële herziening aangesloten bij de van toepassing zijnde artikelen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord en Kloosterstraat'. Hierbij wordt uitgegaan van de geldende regels behorende bij de daar behorende bestemming. Gezien de bestemming worden er aan de regels behorende bij de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch Bedrijf' de volgende bepalingen toegevoegd of bepalingen van gelijke strekking;
De voorgestane ontwikkeling aan de Eerste Polderweg 4 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particulier, in dit geval René Timmermans B.V., initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden. Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden.
Vooroverleg
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de betrokken instanties. Naar aanleiding van dit overleg hebben geen wijzigingen plaats gevonden in het bestemmingsplan.
Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het plan vind plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp zullen hierin worden verwoord.
Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Wettelijk vooroverleg.
Het voor ontwerp bestemmingsplan is bij de provincie aangemeld in het kader van het wettelijk vooroverleg. Bij antwoord formulier van 11 november 2015 is vanwege de provincie medegedeeld dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
Inspraak.
Het plan heeft met ingang van 21 september gedurende 6 weken ter inzage gelegen in het kader van de inspraakprocedure.
Daarbij is alleen een reactie ingekomen van de initiatiefnemer zelf namens Van Dun Advies BV. Alle opmerkingen van zijn overgenomen en in het ontwerp plan verwerkt