direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herziening Coppensdijk 10 Vinkel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002272-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Schietvereniging C.O.W. te Nuland is gevestigd op de voormalige vuilstortplaats aan de Coppensdijk 10 te Vinkel. Vanuit de algemene maatschappelijke discussie rondom deze sport zijn er ontwikkelingen binnen de schietsport op gang gebracht, die door C.O.W. worden ondersteund en waar de vereniging actief op in wil spelen. Daarnaast wil C.O.W haar vereniging toegankelijker maken en haar functies verbreden.

Deze ontwikkelingen vragen om een aanpassing van de huidige accommodatie. Naast de reeds bestaande 50 meter schietbaan wil de vereniging een tweede baan van 100 meter realiseren. Momenteel huurt de vereniging elders een 100-meter baan. Het is echter financieel belangrijk om over een 'eigen' 100-meter baan te beschikken. Daarnaast komt dit het functioneren van de vereniging ten goede.

Het geldende bestemmingsplan biedt niet de planologische ruimte om de beoogde uitbreiding van de accommodatie van de schietvereniging te realiseren. Daarvoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld, wat voorziet in ruimtelijke mogelijkheden voor de realisatie van de 100-meter baan.

1.1 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft het planologisch beleidskader. De milieuaspecten worden in Hoofdstuk 5 behandeld. De watertoets komt in Hoofdstuk 6 aan de orde. De uitvoeringsaspecten worden besproken in hoofdstuk 7 en 8. Hoofdstuk 9 bevat de de behandeling van reacties uit inspraak, vooroverleg en zienswijzen.

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

In dit hoofdstuk komt de huidige situatie aan de orde met betrekking tot de ruimtelijke structuur en de functionele structuur.

2.1 Beschrijving omgeving

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft specifiek betrekking op de gronden gelegen aan de Coppensdijk 10 te Vinkel op perceel kadastraal bekend Vinkel, sectie E, nrs. 510, 766 en. 767.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0001.jpg"

Figuur 2.1: Kadastrale situatie Coppensdijk 10 te Vinkel

Op de luchtfoto is de ligging en begrenzing van de betreffende percelen rood omlijnd aangegeven. Met geel omlijnd de fietscrosslocatie en met blauwe pijlen de ontsluitingsstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0002.png"

Figuur 2.2: Situering plangebied

De schietvereniging maakt gebruik van de accommodatie aan Coppensdijk 10 te Vinkel. De locatie ligt circa 2 kilometer ten noordwesten van de kern Vinkel en circa 1 kilometer ten zuiden van de kern Nuland. Ten westen van het plangebied bevindt het grootschalige recreatiepark Dierenbos op een afstand van bijna 400 meter. Aan de oostkant grenst het plangebied aan het terrein van de fietscrossvereniging die zich in 2011 op deze locatie heeft gevestigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0003.jpg"

Figuur 2.4: Ligging plangebied in de regio

Het terrein van de schietvereniging betreft een voormalige (vuil)stortlocatie. Het terrein is aan de west-, oost- en noordkant voorzien van een groene zone (houtwal) die het zicht op het terrein wegneemt. Aan de oostzijde is deze houtwal gelegen op een zandwal. In deze wal bevindt zich o.a. resten afkomstig van de voormalige vuilstort. Deze vervuiling is onder andere de reden dat de nieuwe 100-meter baan ten oosten van de zandwal geprojecteerd moet worden. Hier wordt in hoofdstuk 4 nader op ingegaan.

Het plangebied is aan de zuidkant ontsloten via een onverharde zijweg van de Coppensdijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0004.jpg"

Figuur 2.5: Ontsluiting toegangsweg schietvereniging ter hoogte van de Coppensdijk

2.2 Bestaande situatie

De schietvereniging beschikt op de locatie over de volgende faciliteiten (zie figuur 3.4):

  • a. 50-meter schietbaan (inclusief schietruimte en ruimte voor baancommandant)
  • b. Kantine
  • c. Keuken en opslagruimte
  • d. Parkeervoorzieningen (er wordt gebruikt gemaakt van de parkeervoorzieningen die op het naastgelegen terrein van de fietscrossvereniging zijn aangelegd)

In totaal is er 450 m2 aan bebouwing aanwezig ten behoeve van de schietvereniging. Direct aan de westzijde van het gebouw van de schietvereniging bevindt zich een ruimte (gebouw) die wordt gebruikt door de hondensportvereniging.

De huidige 50-meter baan is weggewerkt in het landschap. Het betreft een overdekte baan. Bovenop de baan zijn een zandlaag alsmede groenvoorzieningen aangebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0005.jpg"

Figuur 2.6: huidige voorzieningen schietvereniging

De situering van de nieuwe 100 meterbaan is in onderstaande figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0006.png"

Figuur 2.3: Projectie huidige bebouwing (rood) en nieuw beoogde bebouwing (lichtblauw).

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke structuur en de functionele structuur opgenomen.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van nationaal belang. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

Het kabinet richt zich bij de verbetering van het vestigingsklimaat vooral op de regio's die zorgen voor de meeste economische groei. Dat zijn de haven van Rotterdam en de luchthaven Schiphol (mainports), de toptechnologieregio zuidoost Nederland (brainport) en de greenports (tuinbouwclusters) Westland/Oostland, Venlo, Aalsmeer, Duin- en Bollenstreek en Boskoop.

Het Rijk zet met de structuurvisie het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • "het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn".

Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid. Op het gebied van leefbaarheid en veiligheid is de ambitie dat Nederland in 2040 zijn inwoners een veilige en gezonde leefomgeving biedt met een goede milieukwaliteit, zowel in stedelijk als landelijk gebied. Daarnaast is aangegeven dat de ambitie is dat Nederland in 2040 blijvend beschermd is tegen overstromingen met voldoende zoetwater in droge perioden, is Nederland een bepalende speler in de internationale transitie naar duurzame mobiliteit, is de ambitie dat Nederland in 2040 nog steeds de bestaande (inter)nationale unieke cultuurhistorische waarden heeft en een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt.

3.1.2 Besluit en ministeriele regeling

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, eerste tranche (Barro) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro vloeit voort uit de ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het kabinet heeft in de genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. Het gaat daarbij om het beschermen van de nationale belangen.

Deze algemene regels, vastgelegd in het Barro, werken zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wro (Spoedwet Wro; TK 32 821) wordt, naar aanleiding van het Raad van State-advies over het Barro, eerste tranche, de wettelijke grondslag voor het provinciaal medebewind en ontheffingen verbeterd. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State voorziet het Barro thans ook in een bij dit besluit behorende ministeriële regeling (Rarro). In deze regeling is de begrenzing opgenomen van de gebieden uit een aantal titels uit het Barro waarvoor een reservering of een vrijwaring geldt. De aanduiding van deze gebieden is opgenomen in het Barro.

Aan het Barro zijn inmiddels een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Het gewijzigde Barro is per 1 oktober 2012 in werking getreden.

Ten aanzien van het onderhavige plangebied zijn er geen regels uit het Barro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen zijn gemoeid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Provinciale Staten hebben op 1 oktober 2010 nieuw ruimtelijk beleid vastgesteld, de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. Deze Structuurvisie is op 1 januari 2011 in werking getreden. De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie hanteert een sturingssysteem uit twee lagen: robuuste structuren en een gebiedsgerichte benadering in zogenaamde gebiedspaspoorten. Deze twee lagen zijn beiden gebiedsdekkend. De sturing is verschillend. Voor de ontwikkeling en bescherming van de structuren voelt de provincie zich primair verantwoordelijk en zet de provincie in op het niveau van de provincie als geheel. De provincie kent 4 structuren:

  • de groenblauwe structuur: gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden;
  • de agrarische structuur: een breed georiënteerde plattelandseconomie;
  • de stedelijke structuur: alle grote locaties voor wonen, werken en voorzieningen;
  • Infrastructuur: samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, etc.

In de visiekaart van de Structuurvisie is onderhavig plangebied gelegen in 'gemengd landelijk gebied' én in 'zoekgebied verstedelijking' (zie figuur 3.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0008.png"

Figuur 3.1: Provinciale Structuurvisie

De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc.

Voor de zoekgebieden 'verstedelijking' geldt dat zolang binnen deze gebieden nog geen verstedelijking heeft plaatsgevonden, daar feitelijk het perspectief van gemengd landelijk gebied aanwezig is. Extra aandacht wordt gevraagd voor (het beperken van) de ontwikkelingsmogelijkheden van functies die een toekomstige stedelijke ontwikkeling kunnen bemoeilijken.

3.2.2 Verordening Ruimte 2014

Op 14 maart 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2014 vastgesteld. De Verordening Ruimte is met ingang van 18 maart 2014 in werking getreden.

In de Verordening Ruimte is geformuleerd welke ruimtelijke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De Verordening is daarbij één van de instrumenten om die provinciale belangen veilig te stellen.

Op basis van de Verordening is onderhavig plangebied (zie figuur 3.2) gelegen binnen:

  • Gemengd landelijk gebied
  • Grondwaterbeschermingsgebied
  • Integratie stad-land

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0010.png"

Figuur 3.2: Provinciale Verordening

Op basis van de Verordening ruimte 2014 dient de schietvereniging te worden beschouwd als een niet-agrarisch bedrijf. De huidige alsmede de nieuw beoogde accommodatie is gelegen/geprojecteerd binnen 'gemengd landelijk gebied'. De volgende artikelen uit de Verordening ruimte 2014 zijn relevant voor de toetsing van de beoogde uitbreiding van de schietaccommodatie aan Coppensdijk 10:

  • Artikel 7.10: niet-agrarische functies binnen gemengd landelijk gebied
  • Artikel 3.1: zorgplicht ruimtelijke kwaliteit
  • Artikel 16: grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 7.10: niet-agrarische functies binnen gemengd landelijk gebied

Een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

  • de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen;
  • overeenkomstige toepassing is gegeven aan artikel 4.6 tweede lid (uitbreiding bedrijven in kern landelijk gebied) indien vestiging van het bedrijf vanwege de aard van de activiteiten op een bedrijventerrein in de rede ligt;
  • de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

Conclusie artikel 7.10 met betrekking tot ontwikkelplan

Onderhavig plan heeft betrekking op een uitbreiding van een bestaande accommodatie. Aan de Coppensdijk is bewust, deze functies passen niet op een bedrijventerrein, planologische ruimte geboden aan diverse sportfuncties: de schietvereniging, de hondensportvereniging en de fietscrossvereniging. Hoewel sprake is van twee aparte bestemmingsvlakken 'Sport', is in feite sprake van één groot terrein waar diverse sportfaciliteiten zijn geconcentreerd. De beoogde uitbreiding blijft binnen de contouren van het totale terrein.

3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

  • a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;
  • b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

  • een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;
  • uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;
  • ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);
  • een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd.

Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:

  • in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;
  • de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;
  • een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.

Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een uitwerking van een bestemmingsplan, mits dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet.

Conclusie artikel 3.1 met betrekking tot ontwikkelplan

De projectie van de nieuwe accommodatie vindt plaats binnen de contouren van het totale sportterrein aan de Coppensdijk. Op deze manier wordt tegemoet gekomen aan het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik. Ook de integratie van de berging/opslagruimte voor de fietscrossvereniging in het nieuwe gebouw voor de schietvereniging geeft aan dat hier zuinig met de ruimte wordt omgesprongen.

Het plan voorziet in uitbreiding van het bebouwingsvlak. Tegenover deze ontwikkeling dient in het kader van het afsprakenkader een kwaliteitsverbetering van het landschap te staan. De investering van de kwaliteitsverbetering dient te worden gebaseerd op een percentage van de grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst). Het betreft hier een uitbreiding van een maatschappelijke functie waarvan de waardestijging nauwelijks is te bepalen. De gemeente heeft hiervoor de volgende berekening gehanteerd:

Als wordt uitgegaan van een waardestijging van €25,-/m2 dan bedraagt de kwaliteitsslag zo'n €4.750,- (oppervlakte nieuwe schietbaan bedraagt 950 m2 (120*7.60). 950*25*20%= € 4.750,-.

De ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt hier ingevuld door een landschappelijke inpassing van de 100 meterbaan conform een inrichtingsplan dat als bijlage onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Op deze wijze wordt in voldoende mate invulling gegeven aan de vereiste kwaliteitsbijdrage.

De landschappelijke inpassing en de verbetering van het groen op het perceel is in het bestemmingsplan meegenomen. In de anterieure overeenkomst en het bestemmingsplan is juridisch vastgelegd dat de 100 meterbaan pas in gebruik mag worden genomen als deze conform het inpassingsplan landschappelijk is ingepast. Bij het niet nakomen van deze verplichting wordt een boete in rekening gebracht. Bovendien is het in gebruik nemen zonder dat de afgesproken kwaliteitsverbetering is uitgevoerd in strijd met het bestemmingsplan. Hiermee is de kwaliteitsverbetering financieel, juridisch en planologisch vastgelegd.

Artikel 16 Grondwaterbeschermingsgebied

16.1 In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' bevat de toelichting bij een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Grondwaterbeschermingsgebied' een verantwoording waaruit blijkt dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater geheel of nagenoeg geheel gelijk blijven.

Conclusie met betrekking tot ontwikkelplan

In hoofdstuk 6 wordt uitvoerig ingegaan op het aspect water inclusief het beleid met betrekking tot het grondwaterbeschermingsgebied.

Algemene conclusie provinciaal beleid:

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat schietvereniging C.O.W. beschouwd wordt als een niet-agrarisch bedrijf welke gelegen is binnen Gemengd landelijk gebied. Uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf binnen de Gemengd landelijk gebied is, onder voorwaarden, toegestaan.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengebied 2009

In voorbereiding op het bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012 heeft de gemeente de Structuurvisie Buitengebied 2009 vastgesteld. De Structuurvisie biedt het kader om de veranderingen en de ontwikkelingen in het buitengebied te sturen. Duidelijk moet zijn waar welke soort ontwikkelingen acceptabel zijn, dan wel wenselijk zijn.

Onderhavig plangebied is aangemerkt als Agrarische Hoofdstructuur – extensiveringsgebied. Dit betreffen gebieden die een sterke verweving van functies kennen. In de zone rondom Vinkel ligt het accent op meer landelijke vormen van plattelandsvernieuwing. In het grondwaterbeschermingsgebied vormen de gevolgen voor de grondwaterwinning een belangrijk afwegingscriterium voor functieverandering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0011.png"

Figuur 3.3: Structuurvisie Maasdonk 2009

3.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012

Tot het moment waarop het nieuwe bestemmingsplan 'Buitengebied Maasdonk, herziening Coppensdijk 10 Vinkel' in werking treedt, geldt het bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012. Vastgesteld op 29 januari 2013 en onherroepelijk geworden op 23 april 2014.

Voor Coppensdijk 10 is in dit plan de bestemming 'sport' opgenomen (figuur 3.4). Daarbinnen zijn de volgende functieaanduidingen van toepassing:

  • a. Functieaanduiding 'specifieke vorm van sport – hondensportvereniging'
  • b. Functieaanduiding 'specifieke vorm van sport – schietvereniging'
  • c. Functieaanduiding 'groen'

De bestemming 'Sport' betreft op zichzelf de juiste bestemming voor het realiseren van de beoogde 100-meter schietbaan. Binnen de bestemming 'Sport' is echter alleen bebouwing ten behoeve van de schietvereniging toegestaan binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van sport – schietvereniging'. Deze functieaanduiding geeft een aanzienlijk kleiner vlak dan het vlak wat de bestemming 'Sport' kent. Dit komt doordat de buitenste zone binnen de bestemming 'Sport' is aangeduid als 'Groen'. Deze groenzone is bedoeld om het plangebied van een groene inpassing te voorzien (en deze als zodanig te behouden).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0012.png"

Figuur 3.4: fragment bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Beoogde situatie

De schietvereniging C.O.W. is momenteel genoodzaakt om voor de trainingen en wedstrijden op de wedstrijd-afstand van 100 meter, uit te wijken naar accommodaties in de regio. Momenteel moet zij hiervoor naar Veghel. Dit is naast een financiële belasting ook een belemmering voor het functioneren als vereniging.

Daarom wil de vereniging op de accommodatie aan Coppensdijk 10 uitbreiden met een 100-meter schietbaan. Het is niet nodig om daar nog extra voorzieningen aan toe te voegen. Wel heeft de fietscrossvereniging FCC Nuland, die de naastgelegen accommodatie gebruikt, gevraagd of er een berging/opslagruimte kan worden geïntegreerd in het nieuwe gebouw voor de schietvereniging. Aan deze wens wordt tegemoet gekomen via voorliggend plan.

Alvorens de 100-meterbaan te situeren, is onderzoek gedaan naar de bodem. Gelet op het gegeven dat binnen het plangebied een (afgedekte) voormalige stortlocatie aanwezig is, diende hier (extra) zorgvuldig mee om te worden gegaan. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft de vereniging de voorkeur uitgesproken om de nieuwe baan ten oosten van de vervuilde gronden te leggen. Na overleg met de provincie Noord-Brabant (beleidsinstantie met betrekking tot voormalige stortlocaties in Brabant) is goedkeuring gegeven aan de voorgestelde plek voor de nieuwe schietbaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0013.jpg"

Figuur 4.1: Schets nieuwe situatie

De nieuwe schietbaan krijgt een breedte van 7,60 meter (buitenmaat). Het nieuwe gebouw wordt in totaal 120 meter lang. De totale oppervlakte van de nieuwe accommodatie kent een omvang van 950 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0014.png"

Figuur 4.2: Nieuwe situatie

In het eerste deel van het gebouw worden de volgende voorzieningen geprojecteerd:

- werkruimte

- wapenkluis

- ruimte baancommandant

- schietruimte

Aan de noordkant van de 100-meter schietbaan is een (noodzakelijke) ruimte geprojecteerd ten behoeve van het opvangen van de kogels (kogelvanger). Nog verder noordelijk is een opslagruimte/berging ten behoeve van de fietscrossvereniging in het nieuwe gebouw geïntegreerd.

De schietbaan betreft een overdekte schietbaan waarvoor géén fundering nodig zal zijn (de bodem blijft daarmee ongestoord, dit is van belang met betrekking tot archeologie).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0015.jpg"

Figuur 4.3: dwarsprofiel

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0016.jpg"

Figuur 4.4: dwarsprofiel

Afbeelding 4.3 en 4.4 laten dwarsprofielen van de schietbaan zien waaruit het volgende is af te lezen:

  • Gebouw wordt aan de voet van de reeds aanwezige (vervuilde) zandwal geprojecteerd;
  • Bouwhoogte: 2,60 m;
  • Aan de oostzijde, wordt de zijwand opgetrokken tot een hoogte van circa 3,60 m;

Het nieuwe gebouw wordt (gelet op de vervuilde zandwal) op enige afstand van de huidige accommodatie gelegd. Via een te realiseren overloop wordt de nieuwe accommodatie met de huidige verbonden. Op deze manier wordt tevens rekening gehouden met de aanwezige alarmmast. De nieuwe voorziening wordt om deze mast heen geprojecteerd.

De oostelijke wand van het nieuwe gebouw zal tot 3,60 meter worden opgetrokken. Dit is nodig omdat het naastgelegen trainingsveld van de hondensport hoog is gelegen. De huidige 50 meter-baan ligt onder het maaiveld maar is toegankelijk via een talud. De nieuwe 100 meter-baan zal toegankelijk zijn voor personen (kinderen) wanneer het tussenliggende maaiveld wordt opgevuld. Mogelijk is het ook toegankelijk voor 'ongehoorzame' honden van de hondensport. Met het oog op de veiligheid is een hekwerk nodig.

De projectie van de nieuwe 100-meter schietbaan is weloverwogen gekozen. Aangezien de sportlocatie aan Coppensdijk 10 een voormalige stortplaats betreft, is het niet mogelijk gebleken om de nieuwe baan binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van sport – schietvereniging' te leggen. Om buiten de contouren van de vervuilde gronden van de stortplaats te blijven, is de schietbaan deels in de functieaanduiding 'groen' en ook buiten het bestemmingsvlak 'Sport' gelegd. Buiten de bestemming 'Sport' is de bestemming 'Agrarisch met waarden' gelegen. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' mag niet worden gebouwd.

Gelet op het bovenstaande dient, ten behoeve van de realisatie van de nieuwe 100-meter schietbaan, het bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012 op de volgende punten qua bestemmingsplan te worden herzien:

  • Functieaanduiding 'Groen' dient te worden herzien naar functieaanduiding 'Specifieke vorm van sport – schietvereniging';
  • Bestemming 'Agrarisch met waarden' dient te worden herzien naar bestemming 'Sport' en functieaanduiding 'Specifieke vorm van sport – schietvereniging';

Op basis van de planregels mag binnen de bestemming 'Sport' (en dus binnen de functieaanduiding 'Specifieke vorm van sport – schietvereniging' maximaal 415 m2 aan bebouwing aanwezig zijn. Deze maatvoering is in bijlage 3 van het bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012 opgenomen. Om de beoogde 100-meter baan te kunnen realiseren, zal het maximum bebouwingsoppervlakte moeten worden verruimd naar 1.400 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0017.jpg"

Figuur 4.5: Huidige en nieuwe bebouwing geprojecteerd over bestemmingsplan Buitengebied Maasdonk 2012

4.2 Landschappelijke inpassing

De nieuwe accommodatie voor de schietvereniging is geprojecteerd ten oosten van de ter plaatse aanwezige houtwal. Hierdoor komt de accommodatie van de schietvereniging zichtbaarder in het terrein te liggen. Hoewel het zicht op het nieuwe gebouw voor een groot deel zal worden weggenomen vanwege de bebouwing op het naastgelegen fietscrossterrein, is het uitgangspunt van onderhavig ontwikkelplan om het nieuwe gebouw zo onopvallend in het landschap te laten ontwikkelen.

De ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt hier uitgevoerd door een landschappelijke inpassing van de 100 meterbaan aan de hand van een inrichtingsplan dat als bijlage onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan.

Er is, na het realiseren van de nieuwe accommodatie, tussen het terrein van de schietvereniging en het fietscrossterrein geen ruimte voorhanden om bijvoorbeeld een nieuwe bomenrij te realiseren. Daarom is er voor gekozen om de 120 meter lange (nieuwe) muur landschappelijk in te passen door de gehele wand te beplanten met (groenblijvende) klimop. Dit zal ervoor zorgen dat, samen met de specifiek hiervoor aangeklede wand (verticaal lopende houten planken) het gebouw zo min mogelijk zal opvallen.

De landschappelijke inpassing en de verbetering van het groen op het perceel is in het bestemmingsplan meegenomen. In de anterieure overeenkomst en het bestemmingsplan is juridisch vastgelegd dat de 100 meterbaan pas in gebruik mag worden genomen als deze conform het inpassingsplan landschappelijk is ingepast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0018.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0019.jpg"

Figuur 4.6 Inrichtingsplan

4.3 Parkeren

Uitgangspunt met betrekking tot onderhavige planontwikkeling is dat het parkeren op 'eigen terrein' wordt georganiseerd en dat er géén onevenredige parkeerdruk/overlast ontstaat in de omgeving van het plangebied. Momenteel wordt voor het parkeren gebruik gemaakt van het parkeerterrein bij de fietscrossvereniging. Inzake dit gebruik zijn afspraken gemaakt tussen de verenigingen en levert in praktijk geen problemen op. Ook na de realisatie van de nieuwe accommodatie t.b.v. de schietvereniging, zal voor het parkeren uitgeweken worden naar het fietscrossterrein.

Thans wordt er door de vereniging een 100-meterbaan gehuurd bij een bestaande vereniging in Veghel. Dit betekent dat de huidige leden die 100-meter willen schieten iedere week, eerst naar het clubhuis komen aan de Coppensdijk te Vinkel, en vervolgens gezamenlijk vertrekken naar Veghel. Na de training in Veghel komen de leden weer gezamenlijk terug naar het clubgebouw aan de Coppensdijk. Het is duidelijk dat dit voor de vereniging en voor de leden extra duur is – inhuur van 100 meter baan in Veghel en ook extra vervoerskosten van Vinkel-Veghel, visa versa. Bovendien wordt dit door de huidige leden erg vervelend gevonden, is de binding binnen de vereniging minder en dreigen ze hierdoor leden te verliezen.

Vandaar de doelstelling om voor het huidige ledenbestand en behoud daarvan een eigen 100 meterbaan te bouwen en kwalitatief het huidige peil van de vereniging fors te verbeteren.

De vereniging heeft tevens de doelstelling uitgesproken een kleine vereniging te willen zijn en blijven en geen regionale dan wel landelijke ambities na te streven. Uiteraard zijn (nieuwe) leden uit de directe omgeving welkom en is het huidige ledenbestand stabiel.

Voor het aspect 'parkeren' is het huidige ledenbestand van belang en wordt door de 100 meterbaan geen forse uitbreiding van het ledenbestand verwacht dan wel nagestreefd. De leden die nu eerst naar de locatie Coppensdijk komen om vervolgens naar Veghel af te reizen, komen in de beoogde nieuwe situatie ook naar de Coppensdijk. Het aantal verkeersbewegingen alsmede de parkeerbehoefte zal derhalve niet toenemen door het toevoegen van de beoogde 100-meter schietbaan.

4.4 Afspraken met FCC

Bij de realisatie van de nieuwe locatie voor de fietscrossclub aan de Coppensdijk (zie bestemmingsplan FCC Coppensdijk) zijn met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen afspraken gemaakt tussen FCC Nuland, schietvereniging COW en de hondensportvereniging ter plaatse. Daarbij is gekozen voor een gecombineerd gebruik van de parkeervakken door de drie verenigingen.

Dit heeft tot gevolg gehad dat er doordeweeks en in het weekend, bij normaal gebruik, meer dan voldoende parkeerplaatsen zijn (huidige bezetting bij normaal gebruik ongeveer 50 % van de capaciteit).

Met betrekking tot piekbelastingen zijn eveneens afspraken gemaakt. Deze piekbelasting is met name aan de orde op momenten dat de FCC haar (regionale en landelijke) toernooien organiseert. Tussen de drie verenigingen is afgesproken dat wanneer FCC een toernooi organiseert er geen activiteiten zullen plaatsvinden bij zowel schietvereniging COW als de hondensportvereniging. Dit leidt in praktijk niet tot knelpunten.

De conclusie is dat vanwege de realisatie van de 100 meter baan er geen behoefte is aan extra parkeerplaatsen, het betreft hier een kwalitatieve verbetering binnen COW. De op het terrein van de FCC gerealiseerde parkeervoorzieningen bieden voldoende capaciteit om eventuele piekbelastingen aan te kunnen.

Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu-aspecten aan de orde gesteld. Hierbij komen aan de orde bodem, flora&fauna, geluid, luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, kabels en leidingen en archeologie.

5.1 Bodem

5.1.1 Algemeen

Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnood-zaak. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

De Woningwet bepaalt dat alleen nog voor bouwwerken die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen, een bodemtoets uitgevoerd moet worden. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te wonen en werken, onderwijs te geven of te genieten. Voorbeelden van bouwwerken waar sprake is van structureel verblijf door mensen zijn woningen, scholen, kantoren maar ook recreatiewoningen en sportkantines.

5.1.2 Bodemonderzoek

Door Milon is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Dit onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Een noemenswaardige verontreiniging is niet aangetroffen. Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat er geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.

Ter plaatse van de doorgang is in de ondergrond een klein stukje asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Naar aanleiding van het aantreffen van het asbestverdacht plaatmateriaal in de ondergrond dient een nader asbestonderzoek uitgevoerd te worden naar de exacte concentratie asbest in grond. Echter door de minimale afmeting van het plaatje wordt niet verwacht dat de interventiewaarde wordt overschreden, daarnaast zal ter plaatse van het verbindingsstuk (waar het stukje asbest is aangetroffen) geen grondverzet plaatsvinden.Op basis van de resultaten is door de opdrachtgever aangegeven dat ze voornemens zijn om de doorgang bovengronds te realiseren waarbij er geen graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden in de grond waar het kleine stukje asbestverdacht materiaal is aangetroffen.

Het aspect bodem staat de beoogde planontwikkeling niet in de weg.

5.2 Flora en Fauna

5.2.1 Algemeen

Vogel- en Habitatrichtlijn

Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een groot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden ('Natura 2000'). Om dit te bereiken zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen zijn alle lidstaten, dus ook Nederland, verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen.

Flora- en faunawet

Doelstelling van de Flora- en faunawet is de bescherming en het behoud van in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is het 'nee, tenzij-principe'. Dit betekent dat geen schade mag worden aangebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Soms is het optreden van schade aan beschermde dieren en planten echter onvermijdelijk. In die situaties is het nodig om vooraf te bekijken of hiervoor een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden aangevraagd.

In de Flora- en faunawet geldt dus een verbod op activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient dan ook uitgezocht te worden of er in dit kader belemmeringen aanwezig zijn. In 2005 is echter met het gewijzigde Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten het beschermingsregime versoepeld. Met deze aangepaste regelgeving is niet meer altijd een ontheffing nodig voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte. Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen geldt nu een vrijstellingsregeling.

In de Flora- en faunawet is ook een zorgplicht opgenomen. De zorg houdt in ieder geval in dat handelen met nadelige gevolgen voor de flora en fauna, voor zover dit in redelijkheid kan worden verlangd, achterwege blijft of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan worden gemaakt. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. In het kader van de zorgplicht moet altijd met het volgende rekening worden gehouden:

      • bij het verwijderen van beplanting, slopen van bebouwing en overige verstorende werkzaamheden moet men bedacht zijn op de aanwezigheid van broedvogels. Bij voorkeur worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen (buiten 15 maart – 15 juli) uitgevoerd;
      • bij het verwijderen van beplanting, maar ook bijvoorbeeld bij opslagplaatsen van puin, stapels stenen e.d. moet men, in het bijzonder in de periode van 1 november – 15 april, bedacht zijn op de aanwezigheid van overwinterende amfibieën. Wanneer amfibieën worden aangetroffen, worden deze in vervangend overwinteringsgebied geplaatst.
5.2.2 Quickscan flora en fauna

De beoogde uitbreiding van de schietaccommodatie is geprojecteerd op het gebied tussen het terrein van de schietvereniging/hondensportvereniging enerzijds en de fietscrossvereniging anderzijds, in. Deze strook is deels verhard en wordt momenteel gebruikt als buitenterrein ten behoeve van de fietscrossvereniging.

Het tussengebied kent geen ecologische waarden, zodat deze ook niet zullen worden aangetast.

Het plangebied zelf heeft geen status in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Natura 2000, Vogel- of Habitatrichtlijn en beschermd Natuurmonument). Ook zijn dergelijke beschermde gebieden niet in de directe omgeving aanwezig (niet binnen één kilometer afstand). De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden zijn de uiterwaarden van de Waal en 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek'. De kortste afstand tussen het plangebied en de beschermde uiterwaarden is meer dan 5 kilometer. Nader onderzoek of een oriëntatiefase voor de Habitattoets is niet nodig. Een nader onderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt dan ook niet zinvol geacht.

5.3 Geluid

5.3.1 Algemeen

De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

De beoogde nieuwe accommodatie betreft géén geluidsgevoelig object zodat hiervoor géén nader onderzoek noodzakelijk is. Wél dient het geluidseffect van de nieuwbouw (en het gebruik van de nieuwe accommodatie) op de omgeving onderzocht te worden. Een dergelijk onderzoek is uitgevoerd door Van Grinsven Advies (bijlage 2). Uit dit onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanwege de schietbaan, na uitbreiding met een 100 m baan, maximaal 31 dB(A) bij woningen bedraagt. Aan de gangbare normstelling wordt ruimschoots voldaan. Deze geluidbelasting wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door personenwagens van bezoekers van de schietbaan. De geluidbelasting treedt op in de representatieve situatie (op de dagen dat de baan wordt gebruikt). Het jaargemiddelde geluidniveau is lager.

Maximale A-gewogen geluidniveaus LAmax bedragen niet meer dan 40 dB(A) bij woningen in alle etmaalperioden. Aan gangbare normstelling wordt ruimschoots voldaan. Deze piekniveaus worden veroorzaakt door personenwagens, schietgeluid is hieraan ondergeschikt.

5.4 Luchtkwaliteit

5.4.1 Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

5.4.2 Regelgeving

De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m². Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

5.4.3 Conclusie

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het mogelijk maken van een uitbreiding van accommodatie ten behoeve van sport (schietvereniging). Vergeleken met de hierboven benoemde aantallen kan geconstateerd worden dat de beoogde ontwikkeling in niet betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.5 Bedrijven- en milieuzonering

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

In en nabij het plangebied zijn geen bedrijven gelegen c.q. komt geen bedrijvigheid voor die conform de richtafstanden uit de voormelde VNG-brochure een belemmering zouden kunnen vormen voor de planvorming (en andersom). Naast de ruimtelijke ordening-aspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken.

Bezien vanuit het oogpunt van 'inwaartse milieuzonering' komt er in de nabijheid van de planlocatie dus geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende initiatief. Daarnaast levert het initiatief, vanuit het oogpunt van 'uitwaartse zonering', ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het bestemmingsplan.

Er bevinden zich in en nabij het plangebied geen hoogspanningsleidingen, hogedrukleidingen, andere ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de verdere planontwikkeling.

5.6 Externe veiligheid

5.6.1 Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Extern veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron.

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen. De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

5.6.2 Regelgeving

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Uit het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Externe veiligheid inrichtingen

Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting ligt. Het plangebied ligt derhalve niet binnen PR-contouren en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen.

Externe veiligheid vervoer

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of binnenwateren is geregeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) en de daarop gebaseerde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Op basis van deze circulaire kunnen langs wegen, spoorwegen en vaarwegen PR-contouren 10-6 en 10-5 en het GR bepaald worden. De juridische binding van deze contouren voor bestaande en nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is grotendeels gelijk aan het Bevi. Dat geldt ook voor de rol van het GR.

Het Rijk heeft begin 2003 nieuwe risicoatlassen uitgebracht voor het transport van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, spoorwegen, vaarwegen en buisleidingen. De atlassen geven gerelateerd aan het aantal/de hoeveelheid vervoerde gevaarlijke stoffen, inzicht in (bijna) knelpunten ten aanzien van in voorbereiding zijnde risiconormering. In directe nabijheid van het projectgebied is vervoer van gevaarlijke stoffen toegestaan. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen van belang.

Er ontstaan door onderhavige planontwikkeling geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Het plangebied kent geen aanwezigheid van een (hoge druk) gasleiding op korte afstand van het plangebied.

Overige kabels en (buis)leidingen

Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. Initiatienemer is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting.

De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht.

Overige zonering

Er zijn in en nabij het plangebied géén waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de planontwikkeling in het plangebied.

5.6.3 Conclusie

Gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze QuickScan dan ook niet nodig.

5.7 Kabels en leidingen

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het bestemmingsplan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden.

Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn dergelijke belemmeringen niet aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan.

5.8 Archeologie

Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta (ook wel Verdrag van Valletta genoemd) is geïmplementeerd in de Monumentenwet. De wet op de archeologische monumentenzorg is in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de monumentenwet in werking getreden. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering.

Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

Archeologische verwachtingskaart Maasdonk

Op basis van de archeologische verwachtingskaart Maasdonk (2010) ligt het plangebied binnen een zone waarover een lage verwachtingswaarde is uitgesproken (zie figuur 5.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0020.jpg"

Figuur 5.1: archeologische verwachtingskaart Maasdonk (2010)

Binnen het plangebied wordt nieuwe bebouwing toegevoegd. Er zullen echter géén bodemingrepen plaatsvinden, de benodigde fundering wordt namelijk op de huidige bodem geplaatst. Het eventueel aanwezige bodemarchief binnen het plangebied zal derhalve niet worden aangetast. Op basis hiervan is géén nader archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Hoofdstuk 6 Watertoets

Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

6.1 Algemeen

De watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het ruimtelijke planvormingsproces om te komen tot een veilig, gezond en duurzaam watersysteem. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Het benutten van kansen en het combineren van functies wordt hierbij nagestreefd.

Watertoetsuitgangspunten voor integraal waterbeheer Waterschap Aa en Maas vraagt aandacht voor onderstaande watertoetsuitgangspunten ter realisatie van een praktisch watersysteem dat schoon, veilig, robuust en mooi is:

  • ontwikkelen op een hoge en droge locatie; als dit niet lukt dan dienen aanvullende maatregelen te worden genomen waarmee wateroverlast voldoende wordt tegengaan;
  • gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;
  • voorkomen van vervuiling van water;
  • voor schoon hemelwater gelden de afwegingsstappen: hergebruik-infiltratie-buffering- afvoer;
  • hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO). Een ontwikkeling mag niet leiden tot een hydrologische achteruitgang in en buiten het plangebied, of een hydrologisch knelpunt vormen voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Concreet betekent dit dat:
  • de afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie;
  • de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
  • grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;
  • (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;
  • het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
  • water positief laten bijdragen aan de belevingswaarde van de omgeving;
  • water onderdeel te laten zijn van meervoudig ruimtegebruik om schaarse ruimte efficiënt te benutten;
  • ruimteclaims voor water-gerelateerde onderwerpen in ruimtelijke plannen verwerken.

Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan.

6.2 Huidige en toekomstige situatie

Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 6.000 m2. Momenteel is circa 550 m2 van het terrein verhard gelet op de aanwezige bebouwing (ten behoeve van de schietvereniging) inclusief erfverharding. Het onbebouwde deel van het plangebied bestaat grotendeels uit grasland (waar de hondensportvereniging gebruik van maakt) en een zand- en houtwal aan de randen.

Hemelwater:

voorzover op de aanwezige bebouwing/erfverharding terecht komt, vloeit af op het onbebouwde terreindelen. De ter plaatse aanwezige 50-meter schietbaan is bedekt met een zandlaag, waardoor het water op een zo natuurlijk mogelijk manier in de grond trekt (infiltratielaag).

Afvalwater:

Het afvalwater wordt via het aanwezige rioleringsstelsel afgevoerd. Het perceel bevindt zich in het buitengebied, buiten de bebouwde kom. In het gebied bevindt zich een vacuüm/persleiding die de diverse percelen bedient. De vacuümleiding is gelegen aan de overzijde van de openbare weg (oneven zijde).

Grondwater:

Volgens de grondwaterstandenkaart bevindt de GHG zich op de locatie tussen 40 en 60 cm-mv. Uitgegaan is van een GHG van 0,5 m-mv.

Oppervlaktewater:

Waterschap Aa en Maas is de kwalitatief en kwantitatief beheerder van het oppervlaktewater. Voor het plangebied hebben watergangen geen betekenis. Het waterpeil in watergangen op enige afstand van het plangebied wordt op een constant niveau gehouden ten behoeve van de afwatering en van het landbouwkundig gebruik.

Waterbergingsopgave

Op basis van de afvoercoëfficiënt (l/s/ha) is met de HNO-tool de waterbergingsopgave bepaald (voor een bui T=10+10%) voor het nieuw verhard oppervlak.

Ervan uitgegaan wordt dat het nieuw bouwblok een oppervlakte zal gaan hebben van circa 6.807 m2. In deze watertoets is uitgegaan van een worst case scenario. In tabel 6.1 is de verhardingssituatie in de huidige en toekomstige situatie beschreven.

  Huidige m2 (circa)   Toekomstig m2 (circa)  
Bebouwing   450   1.400  
Terreinverharding (parkeerplaatsen in/uitrit)   100   100  
Onverhard   5450   4500  
Totaal verhard   550   1500  
Totaal terrein   6000   6000  

Tabel 6.1: verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie

De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlak toeneemt met circa 950 m2.

Voor een T=10+10%-situatie dient 43 m3 geborgen te worden. Bij situaties extremer dan T=10+10% zal de infiltratievoorziening mogelijk overlopen en zal hemelwater zich over het aangrenzend maaiveld verspreiden (net als in de huidige situatie). Ter plaatse van het maaiveld zal het water infiltreren.

Door de aanleg van de infiltratie- en bergingsvoorziening op het terrein wordt tegemoet gekomen aan de uitgangspunten van waterschap Aa en Maas en de gemeente Maasdonk. Er wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld.

6.3 Grondwaterbescherming

Ten westen van de kern Nuland bevindt zich een zeer kwetsbaar waterwingebied ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Om dit waterwingebied liggen zogenoemde 25- en 100-jaarsbeschermingszone. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de 25-jaarszone die ten opzichte van het waterwingebied Nuland is begrensd (zie daarvoor figuur 5.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002272-1401_0021.jpg"

Figuur 6.1: grondwaterwingebied Nuland inclusief 25- en 100-jaarszone plangebied

Het waterwingebied ligt tussen Nuland en Rosmalen, ingeklemd tussen de A59 en de spoorlijn Nijmegen-Den Bosch. Rond de winning is een grondwaterbeschermingszone gecreëerd (25- en 100jaarszone). In deze beschermingszone geldt als algemene beleidslijn dat bij (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding van de bestaande bebouwing, zowel op stedelijke inbreidings- en uitbreidingslocaties als in het buitengebied, de risico's voor de kwaliteit van het grondwater zo klein mogelijk dienen te blijven. Indien nodig worden daarbij aanvullende beschermende maatregelen getroffen die nodig zijn om grondwatervervuiling te voorkomen.

Voor de ligging van het plangebied binnen de grondwaterbeschermingszone rondom waterwingebied Nuland geldt een bijzondere zorgplicht. Een ieder is verplicht zich te onthouden van handelingen die mogelijk gevolgen voor de kwaliteit van grondwater kan hebben dan wel verplicht handelingen te verrichten om mogelijke schade aan het grondwater zo veel mogelijk te voorkomen, te beperken en/of ongedaan te maken.

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied gelden op grond van de Provinciale milieuverordening (PMV) onder andere de volgende bepalingen:

  • 1. Voor inrichtingen die behoren tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht geldt: Het is verboden een inrichting op te richten of inwerking te hebben indien die inrichting behoort tot één of meer van de categorieën uit bijlage 3 van de PMV. Voor de overige inrichtingen is het verplicht dat er milieutechnische maatregelen/voorzieningen worden genomen c.q. worden voorgeschreven door het bevoegd gezag die het risico van verontreiniging van het grondwater tot het minimum beperken.
  • 2. Voor boorputten en grond- of funderingswerken geldt: Het is verboden om boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben, of buiten gebruik te stellen en grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld. Dit verbod geldt niet voorgrond- en funderingswerken indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste drie meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de werkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken. Dit verbod geldt ook niet voor het inbrengen van palen in geval uitsluitend gebruik wordt ge- maakt van grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet of schroefpalen.
  • 3. Voor buisleidingen, zijnde een transportleiding voor gas, olie of chemicaliën, met uitzondering van aardgas, geldt: Het is verboden buisleidingen te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.
  • 4. Voor gebouwen, wegen en andere verhardingen geldt: Het is verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Dit verbod geldt niet indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen. Dit verbod geldt ook niet indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem. Tevens is het verboden op eigen terrein motorvoertuigen te parkeren of parkeergelegenheid voor motorvoertuigen aan te bieden, indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding. Dit verbod geldt niet als sprake is van een tijdelijke parkeervoorziening en er maatregelen zijn genomen om grondwater te beschermen. Het is verboden om werken of handelingen te verrichten waardoor direct of indirecte warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, waaronder in ieder geval is begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem. Het is verboden om IBC-bouwstof, zoals bedoeld in het Besluit bodem kwaliteit toe te passen.

Voor zeer kwetsbare gebieden geldt nog aanvullend dat huishoudelijk of bedrijfsafvalwater moet worden geloosd op het gemeentelijke rioolstelsel of door middel van een lozing via een voorziening die voldoet aan de eisen van een gecertificeerde IBA-III of ander passend systeem.

De bescherming van het waterwingebied heeft in onderhavig bestemmingsplan een doorwerking gekregen in de algemene aanduidingsregels

Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch bindende regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en de regels over de toegelaten bebouwing. De verbeelding is samen met de regels het juridisch bindend kader van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld:

Hoofdstuk 1: inleidende regels.

Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels): Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat er hoe er mag worden gebouwd. Ook dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen.

Hoofdstuk 3 (algemene regels): onder andere de anti-dubbeltelbepaling en de algemene afwijkingsregels.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregel.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

Economische uitvoerbaarheid

Onderhavig plan betreft geen plan in het kader van de Grondexploitatiewet (Grex). Met betrekking tot het kostenverhaal is er een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin zijn onder andere het verhaal van eventuele planschade en de eisen inzake de benodigde kwaliteitsslag geregeld. Verdere gemeentelijke kosten worden via de legesverordening afgewikkeld.

Hoofdstuk 9 Inspraak en vooroverleg, zienswijzen

9.1 Inspraak

Er heeft in het kader van dit bestemmingsplan geen inspraak plaatsgevonden. Dit op basis van het beleid dat de gemeente Maasdonk hiervoor hanteerde.

9.2 Vooroverleg

Het voorontwerp is in het kader van het vooroverleg voor advies voorgelegd aan de het ministerie van Binnenlandse zaken (vanwege de aanwezigheid van een alarmmast op het perceel), de provincie, het waterschap en Brabantwater (vanwege de ligging in het grondwater beschermingsgebied). Van deze instanties heeft alleen het ministerie van Binnenlandse Zaken niet gereageerd.

Reactie provincie

De provincie constateert dat het plan voorziet in uitbreiding van het bebouwingsvlak. Tegenover deze ontwikkelingen dient in het kader van het afsprakenkader een kwaliteitsverbetering van het landschap te staan. De investering van de kwaliteitsverbetering dient te worden gebaseerd op een percentage van de grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst). In het voorontwerp ontbreekt een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. De kwaliteitsverbetering dient juridisch, planologisch en financieel te worden geborgd.

Het betreft hier een uitbreiding van een maatschappelijke functie waarvan de waardestijging nauwelijks is te bepalen. In hoofdstuk 3 is nader gemotiveerd welke berekeningswijze de gemeente heeft gehanteerd en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de te leveren kwaliteitsslag.

Reactie Brabant Water

Brabant Water heeft slechts tekstuele opmerkingen gemaakt. Deze opmerkingen zijn in het ontwerp bestemmingsplan meegenomen. Voor het overige vraagt zij aandacht voor het feit dat bij de uitvoering van het plan mogelijk een melding zal moeten worden gedaan in het kader van de Provinciale milieuverordening ten aanzien van bouwmaterialen, hemelwaterafvoer en aanleg van infiltratievoorzieningen op het perceel. Voor het overige had Brabant Water geen opmerkingen.

Reactie Waterschap

Het waterschap heeft aangegeven geen opmerkingen ten opzichte van het plan te hebben.

9.3 Zienswijzen

Het plan heeft met ingang van 26 oktober 2015 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.