direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Molengat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002271-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Reeds jaren wordt in de gemeente 's-Hertogenbosch gesproken over woonbootlocaties. Zo ligt er al vanaf 2004 de vraag vanuit de politiek om onderzoek te doen naar een uitbreiding van woonbootlocaties om zo tegemoet te kunnen komen aan de (groeiende) wens om op het water te wonen.

Een onderzoek naar nieuwe woonbootlocaties kan niet los gezien worden van de reeds bestaande locaties. Zeker nu de bestaande locaties in 's-Hertogenbosch niet allemaal een formele juridische status hebben. Zo liggen op de locatie Molengat al jaren lang woonboten, terwijl deze locatie niet als zodanig planologisch is aangewezen. Er is een uitgebreid onderzoek gedaan naar woonbootlocaties. In dit onderzoek zijn in totaal 17 locaties onderzocht, waaronder de locatie Molengat. Er is bekeken of dat de bestaande locaties die nog geen formele juridische status hebben ook geschikt zijn voor permanente ligplaats.

De locatie Molengat is niet positief te bestemmen als permanente ligplaats, omdat er geen optimaal leef- en woonklimaat gegarandeerd kan worden. De woonboten in het Molengat vallen onder het overgangsrecht van het vigerende bestemmingsplan. Op basis van het onderzoek zijn de volgende mogelijk te realiseren locaties aangemerkt: de Zuid-Willemsvaart - Van Veldekekade/Maastrichtseweg, de Rosmalense plas en de Grote Wielenplas. De locatie Molengat wordt al een lange tijd bewoond. Daarom heeft de gemeenteraad besloten om te onderzoeken of het bestaande gebruik als ligplaatsen kan worden gehandhaafd via een vorm van overgangsrecht. Ter uitvoering van dit besluit wordt het bestemmingsplan gemaakt.

1.2 Begrenzing plangebied

De woonbootlocatie Molengat is gelegen nabij een scheepswerf aan de Engelse dijk en ten noorden van de A59. Het plangebied beperkt zich tot de locatie van de woonboten en de aanliggende oever.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0001.png"
Afbeelding 1.1 Plangrens bestemmingsplan 'Molengat'

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0002.png" Afbeelding 1.2 Overzicht ligging plangebied

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

2.1 Bestaande woonbootlocatie Molengat

Aan de locatie Molengat liggen al vanaf circa 1945-1950 woonboten. Momenteel liggen hier 8 woonboten. Na aanleg van de A59 zijn de boten geconcentreerd in het Molengat, waardoor de dichtheid van de boten hoog is. De boten liggen aan een brede groene oever (circa 20 meter) die in gebruik genomen is met tuin/bergingen, opslag/speelplekken etc. Er is een aparte ontsluitingsweg waar langs nog een terrein ligt dat door de bewoners van de boten gebruikt wordt, voornamelijk voor het parkeren van auto's.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0003.png"
Afbeelding 2.1 Luchtfoto Molengat 2014

Water en oever zijn eigendom van waterschap Aa en Maas. De locatie heeft een open verbinding met het 'buitenwater'. De woonboten zijn direct gelegen aan de A59 en liggen nabij een scheepswerf aan de Engelse dijk. Op circa 450 meter van het plangebied ligt het bedrijventerrein De Rietvelden - Ertveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0004.png"
Afbeelding 2.2 De zuidzijde van de locatie

2.2 Geldende bestemmingsplan

Op 26 januari 2010 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan 'Buitengebied' vastgesteld. Aan de Molengat is de bestemming 'water' toegekend. De oever heeft de bestemming 'agrarisch' gekregen. Een kleine deel van de oever (noorden) valt onder de bestemming 'bedrijf'.

De woonboten zijn in het bestemmingsplan 'Buitengebied' niet positief bestemd. De betreffende woonboten vallen wel onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan.

2.3 Cultuurhistorie en archeologie

Landschappelijke informatie
Het plangebied ligt landschappelijk gezien in een zone waar het rivierenlandschap en het dekzandlandschap samenkomen. Ten noorden van het plangebied vinden we vanaf het maaiveld tot tientallen meters diep, de zanden, kleien en grinden van de (voorgangers van de) Maas en de Dieze. De oeverwallen, restgeulen en komgronden van het rivierengebied lopen geleidelijk over in de ruggen, welvingen en vlaktes van het dekzandlandschap dat ten zuiden van het plangebied wordt aangetroffen. Het dekzandlandschap is ontstaan tijdens de laatste fase van de laatste ijstijd toen er nauwelijks begroeiing was om het zand vast te houden. Het losse zand kon door de wind worden meegevoerd en er ontstond een reliëfrijk dekzandlandschap. Door de invloed van de rivieren zoals de Maas en de Dieze zijn delen van het dekzandlandschap opgeruimd of afgedekt met rivierafzettingen. Het resultaat is een afwisselend maar plaatselijk complexe opeenvolging van landschappen en bijbehorende sedimenten (afbeelding 2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0005.jpg" Afbeelding 2.3 Uitsnede van de landschapskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch met in zwart de globale grens van het bestemmingsplangebied. 1. Oeverwal, 2. Linie 1629.

Bewoningsgeschiedenis
Tijdens diepe ontgravingen en ontzandingen in de omgeving van 's-Hertogenbosch en Rosmalen zijn herhaaldelijk werktuigen aangetroffen die er op wijzen dat in dit gebied al vanaf 60.000 jaar geleden mensen en dieren leefden. Met name uit de zandput van De Groote Wielen (Rosmalen) en ter plaatse van het Vonk en Vlamterrein zijn dergelijke oude resten aangetroffen. Vanwege de diepe ligging (10 tot 13 meter onder het maaiveld) en de geringe omvang van de kampementen zijn de resten van deze oudste bewoningsfasen vrijwel niet op te sporen met archeologisch onderzoek. Hoewel we dus weten dat er belangrijke informatie over de bewoning in deze periode in de ondergrond aanwezig is, moeten we het tot nog toe vooral doen met losse (toevals)vondsten. Ook in het plangebied kunnen in theorie dergelijke (toevals)vondsten verwacht worden.

Vanaf circa 10.000 jaar geleden krijgen we geleidelijk meer zicht op de bewoning in deze streken. De bewoning speelt zich voornamelijk af op de hoger gelegen gebieden in het landschap. Dit zijn enerzijds de dekzandruggen en flanken in het dekzandgebied en anderzijds de oeverwallen en overslaggronden in het rivierengebied (en hun voorgangers).

Op circa 1,5 kilometer ten westen van het plangebied zijn op de dekzandrug en de dekzandwelvingen verschillende archeologische vondsten gedaan. De oudste en meest interessante vondsten vormen de nederzettingssporen uit het Laat-Neolithicum. Nederzettingssporen uit deze periode zijn zeer zeldzaam en het gebied waarin de vondsten liggen, is dan ook als een gemeentelijk archeologisch monument aangewezen. Vondsten uit latere perioden worden hoofdzakelijk aangetroffen in en rond de historische kern van Engelen ten westen van het plangebied. De oudste vermelding van Engelen stamt uit 815 wanneer de Frankische edelman Alfger bezittingen in Engelen, Empel, Orthen en Rosmalen aan de abdij van Lorsch schenkt. De oudste kern van Engelen ligt rond de kerk en op de oeverwallen van de Dieze. Tijdens opgravingen rond de Nederlands Hervormde Kerk zijn nederzettingssporen aangetroffen uit de Ijzertijd, de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen.

In 1629 werd de stad 's-Hertogenbosch belegerd door de Staatse troepen van Frederik Hendrik. De stadhouder legde rondom de stad twee ringen van gesloten linies aan bestaande uit aarden wallen, greppels en forten. De binnenste ring (contravallatielinie) had als doel om de stad vanachter een veilige dekking te kunnen beschieten en met loopgraven (approches) te naderen. De buitenste ring (circumvallatielinie) was vooral bedoeld om een eventueel ontzettingsleger te kunnen afweren. Door het afdammen van waterlopen richting de stad en door het gebruik van watermolens kon Frederik Hendrik het gebied rond de stad droogleggen en zo makkelijker een aanval doen op de stadsmuren. Op 14 september 1629, na een beleg van slechts 5 maanden, capituleerde de stad 's-Hertogenbosch en kwam het onder het bewind van de Republiek.

Direct ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Dieze heeft een grote schans uit de 16e eeuw gelegen die daar door de Spanjaarden was opgericht. Tijdens het beleg van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in 1629 was de schans al niet meer zichtbaar. Het terrein is aangemerkt als een terrein van hoge archeologische waarde.

In het plangebied bevond zich tijdens het beleg van 1629 een fort genaamd Fort te Engelen (afbeelding 2.4). De locatie van het fort houdt vermoedelijk verband met de ligging van een aantal sluizen die aan de oostkant op de Dieze uitwateren. Zo bevinden zich aan de westkant van het plangebied: de Ploossche of Grote Sluis (nr. 93 op afbeelding 2.3), de Rosmalens Sluis (nr. 82 op afbeelding 2.3) en de Kleine of Empelse Sluis (nr. 514 op afbeelding 2.3). Ook zal het fort een belangrijke controlerende rol hebben gespeeld op de monding van de Bossche Sloot in de Dieze. Op historische kaarten van het beleg wordt het fort aan de oostkant begrensd door een deel van de linie. Deze linie is hier echter niet apart aangebracht maar bestaat uit de reeds bestaande (kronkelige) dijk langs de Dieze. Omdat het tijdens het beleg van 's-Hertogenbosch van groot belang was om invloed te hebben op de aan- en afvoer van water rondom de stad, werd het fort vooral aangelegd om de (strategisch) belangrijke sluizen en waterlopen te controleren. De schans was aangelegd op het toenmalige maaiveld en bestond uit een opeenvolging van greppels en wallen. Het fort is vermoedelijk kort na het beleg al weer ontmanteld. Op historische kaarten uit de 19e eeuw en 20e eeuw zijn geen resten van het fort meer herkenbaar. Ook op gedetailleerde hoogtekaarten van het maaiveld zijn geen resten meer van het fort zichtbaar. Dit betekent echter niet dat er in de ondergrond geen sporen (zoals greppels) meer aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0006.jpg" Afbeelding 2.4 Uitsnede van de kaart met daarop de Stelling van 1629. In rood de globale grens van het bestemmingsplangebied.

Op de kadastrale minuutkaart uit 1832 is in de zuidoosthoek van het plangebied een molen zichtbaar (nr. 81 op afbeelding 2.3 en afbeelding 2.5). Direct ten noorden van het plangebied is op deze kaart een kleine concentratie van bebouwing aangegeven. Het betreft vermoedelijk 3 of 4 boerderijen met bijgebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0007.jpg" Afbeelding 2.5 Uitsnede van de kadastrale minuutkaart 1832 met in zwart de globale grens van het plangebied.

Archeologische verwachting
In 2008 is een archeologische verwachtingskaart opgesteld voor het deel van de gemeente buiten de middeleeuwse stadskern van 's-Hertogenbosch (afbeelding 2.6). Voor deze kaart is gebruik gemaakt van meest gedetailleerde en beschikbare bodemkundige en geo(morfo)logische gegevens zodat de archeologische verwachtingszones zo gedetailleerd mogelijk kunnen worden begrensd. De verwachtingskaart bevat niet alleen de reeds bekende archeologische vindplaatsen maar geeft ook een overzicht van de gebieden waar archeologische vindplaatsen verwacht kunnen worden, de zogenaamde verwachtingsgebieden. Gebieden waar de kans op het aantreffen van archeologie hoog is, worden aangeduid als gebieden met een hoge archeologische verwachting. Verder wordt nog een onderscheid gemaakt in gebieden met een middelhoge en gebieden met een lage archeologische verwachting. Of er ook daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, moet archeologisch onderzoek uitwijzen maar de verwachtingsgebieden geven al wel aan in welke mate men met mogelijke archeologische resten rekening moet houden. In het plangebied zijn de oeverwallen van de Dieze aangemerkt als zones met een hoge archeologische verwachting. De zones waar verdedigingswerken uit de 17e eeuw te verwachten zijn, hebben ook een hoge verwachting. Het fort te Engelen dat in 1629 is aangelegd is op de verwachtingskaart te groot afgebeeld. Ook zal de ligging van het fort vermoedelijk meer oostelijk hebben gelegen, op de uitgestoken landtong die ook nu nog aanwezig is. De linie van 1629 zal grotendeels de nu nog bestaande dijk van de Dieze hebben gevolgd. In het plangebied zijn ook concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van een molen. In de directe nabijheid van het plangebied is sprake van een aantal sluizen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0008.jpg" Afbeelding 2.6 De archeologische verwachtingskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch met in zwart de globale grens van het bestemmingsplangebied. 1. Zone met een hoge verwachting, 2. Linie 1629. De rode stip met nr. 81 betreft een voormalige molen.

Algemeen archeologiebeleid gemeente 's-Hertogenbosch
De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is in juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart (afbeelding 2.7 en tabel 1). De zones met een hoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (categorie 5A). Archeologische resten die verwijzen naar oude molens, sluizen etc. zijn aangeduid met categorie 4D. Resten van de Stelling van 1629 zijn aangeduid als categorie 4F.

Archeologiebeleid bestemmingsplan Molengat
In de archeologische beleidsnota van de gemeente is aangegeven, dat bij het opstellen van elk bestemmingsplan zal worden bekeken in hoeverre de zones met een hoge en middelhoge verwachting nader kunnen worden uitgewerkt door het uitvoeren van aanvullend archeologisch onderzoek. Ten behoeve van het bestemmingsplan Molengat is ook bekeken in hoeverre de bestaande verwachting nader is te specificeren. Van het plangebied is voldoende informatie beschikbaar om tot een goede archeologische onderbouwing te komen.

Voor het plangebied ligt de nadruk vooral op resten van een voormalige molen en op eventuele archeologische sporen van de Stelling van 1629. Omdat het om een betrekkelijk klein plangebied gaat is er voor gekozen om geen onderscheid te maken in de verschillende verwachtingszones maar alles onder te brengen in één dubbelbestemming (zie tabel 1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0009.jpg" Afbeelding 2.7 Uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch met in zwart de globale grens van het plangebied. Voor legenda zie tabel 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0010.png" Tabel 1. Legenda van de archeologische beleidskaart van de gemeente 's-Hertogenbosch ten behoeve van het bestemmingsplangebied.

Overige cultuurhistorische aspecten
In het plangebied zijn geen bijzondere bouwhistorische of historisch-geografische waarden aanwezig die een bijzondere specifieke bescherming vereisen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Provinciaal beleid

Begin 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. In deze verordening zijn regels opgenomen waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening dienen te houden. De verordening geeft o.a. aan dat stedelijke ontwikkelingen, waartoe ook de realisatie van een woonbootlocatie kan worden gerekend, plaats moeten vinden binnen bestaand stedelijk gebied. De realisatie van een stedelijke ontwikkeling in het buitengebied is in beginsel uitgesloten. Alleen binnen een zogenaamd ‘zoekgebied stedelijke ontwikkeling’ of ‘gebied integratie stad-land’ biedt de verordening wel ruimte, mits daar een goede ruimtelijke verantwoording aan ten grondslag ligt.

Daarnaast stelt de provinciale Verordening Ruimte allerlei eisen ter bescherming van aanwezige cultuurhistorische, ecologische en natuur- en landschapswaarden. Ook voor waterbergings- en waterwingebieden zijn beschermende regels opgenomen. Op plekken waar sprake is van dergelijke waarden zal het behoud van deze waarden altijd voorop dienen te staan.

Volgens de Verordening Ruimte 2014 ligt de locatie Molengat in het buitengebied en is aangemerkt als groenblauwe mantel met de aanduiding ecologische verbindingszone. De verordening sluit stedelijke ontwikkeling in de locatie Molengat uit.

3.2 Gemeentelijk beleid

3.2.1 Besluit gemeenteraad 24 juni 2014

In 2013 is gestart met een onderzoek naar nieuwe locaties voor woonschepen. Doel van dit onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de kansen voor het realiseren van permanente locaties voor woonboten op daarvoor ruimtelijk geschikte plekken. Er zijn in totaal 17 locaties onderzocht, waaronder de locatie Molengat. Bij de beoordeling van de verschillende locaties is een groot aantal aspecten betrokken, zoals o.a. industriegeluid, wegverkeer- en railverkeergeluid, hoogspanningslijnen, geurhinder, provinciale regelingen, de breedte van het water, de nabijheid van beroepsscheepvaart. Op basis van het onderzoek zijn drie locaties als mogelijk te realiseren locatie aangemerkt: De Zuid-Willemsvaart - Van Veldekekade / Maastrichtseweg, de Rosmalense Plas en de Groote Wielenplas.

Voor de bestaande woonbootlocatie Molengat is naar voren gekomen dat het niet haalbaar is om de locatie positief te bestemmen. Er kan namelijk geen optimaal leef- en woonklimaat gegarandeerd worden (o.a. ligging geluidszone A59 en industrielawaai). De locatie Molengat valt onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'.

De locatie Molengat kan niet positief bestemd worden, omdat er geen optimaal leef- en woonklimaat gegarandeerd kan worden. De gemeenteraad wil alsnog de mogelijkheid bieden aan de bewoners van de woonboten om ter plekke te blijven wonen. Op 24 juni 2014 heeft de gemeenteraad over de locatie Molengat het volgende besloten:
Voor de bestaande woonbootlocatie Molengat nader onderzoek te doen naar andere vormen van overgangsrecht in deze specifieke situatie. Deze zal te zijner tijd dan ook met een bestemmingsplan vastgelegd worden.

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.1 Bedrijven & milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie krijgen in de nabijheid van woningen of dat nieuwe woonobjecten op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. Milieuzonering wordt toegepast in nieuwe situaties. Hiermee wordt hinder bij woningen beperkt en bedrijven de zekerheid geboden dat zij hun activiteiten binnen de normen kunnen (blijven) uitvoeren. De VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering” is hiervoor het aangewezen hulpmiddel. Echter gaat het hierbij om een reeds bestaande situatie van woonboten (waaraan een object gebonden overgangsrecht wordt gekoppeld) nabij twee bestaande bedrijven. De aangehaalde VNG-publicatie is niet bedoeld om de aanvaardbaarheid en toelaatbaarheid van bestaande situaties te toetsen. Aangezien geluid in deze situatie het maatgevende hinderaspect is, is de toelaatbaarheid van deze bedrijfsbestemmingen nabij de woonboten gemotiveerd onder het aspect geluid.

4.2 Geluid

Sinds juli 2012 zijn (bestemde en permanente) ligplaatsen voor woonboten in wetgeving aangemerkt als 'geluidgevoelig'. Hiervoor was dat niet het geval en kregen ligplaatsen voor woonboten een heel beperkte bescherming tegen geluidhinder namelijk enkel in de afweging voor goede ruimtelijke ordening. Nu de ligplaatsen in wetgeving als geluidgevoelig zijn aangemerkt, gelden er normen in het kader van de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit. Daarnaast dient bij het bestemmen van ligplaatsen voor woonboten een beoordeling van 'goede ruimtelijke ordening' plaats te vinden.

De woonboten aan het Molengat liggen al geruime tijd op de huidige plek en vallen onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Als gevolg hiervan dienen de ligplaatsen als 'bestemd' te worden gezien. Voor wat betreft geluid spelen er voor de ligplaatsen in het Molengat diverse aspecten:

  • 1. Geluid afkomstig van het gezoneerde industrieterrein De Rietvelden-Ertveld;
  • 2. Geluid afkomstig van nabijgelegen bedrijven buiten het industrieterrein;
  • 3. Geluid door wegverkeer.

Hieronder worden deze aspecten beoordeeld op het desbetreffende wettelijke kader en op het aspect 'goede ruimtelijke ordening'.

Geluid van De Rietvelden-Ertveld
De woonboten aan het Molengat liggen in de geluidzone van het industrieterrein De Rietvelden-Ertveld. In eerste instantie moet deze zone gezien worden als een buffer tussen industrie en geluidgevoelige functies zoals wonen. Er moet terughoudend worden omgegaan met de mogelijkheid om wonen in de zone mogelijk te maken. In deze situatie is er echter sprake van een reeds lange tijd bestaande situatie waarbij voor de woonboten niet zomaar een alternatieve, vergelijkbare ligplek voorhanden is.

De Wet geluidhinder geeft de mogelijkheid om voor geluidbelastingen hoger dan 50 dB(A) een hogere waarde toe te staan met een maximum van 55 dB(A). Ter plaatse van de ligplaatsen in het Molengat is de geluidbelasting door het industrieterrein, in het geval van volledige opvulling van de geluidruimte voor dit terrein, hoger dan 50 dB(A). Hiervoor is dan ook een ontheffing hogere waarde nodig. Er zijn geluidberekeningen uitgevoerd om vast te stellen wat de geluidbelastingen zijn op de woonboten wanneer de geluidruimte van het industrieterrein volledig benut is. Deze berekeningen geven het volgende resultaat:

Naam   hoogte in m   geluidbelasting in dB(A)  
woonbt01-1   1,5   52  
woonbt01-2   1,5   52  
woonbt02-1   1,5   51  
woonbt03-1   1,5   51  
woonbt03-2   1,5   51  
woonbt03-3   1,5   51  
woonbt04-1   1,5   51  
Woonbt04-2   1,5   51  
Woonbt05-1   1,5   51  
Woonbt05-2   1,5   51  
Woonbt06-1   1,5   51  
Woonbt06-2   1,5   51  
Woonbt07-1   1,5   51  
Woonbt07-2   1,5   51  
Woonbt08-1   1,5   51  
Woonbt08-2   1,5   51  

Tabel 1: geluidbelastingen door De Rietvelden-Ertveld op ligplaatsen voor woonboten

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002271-1401_0011.jpg"
Figuur 1: ligging beoordelingspunten

Deze hogere waarden staan in verhouding tot de al geldende zonegrens (50 dB(A) contour) en leveren hierdoor geen nieuwe beperkingen op voor de bedrijven op het industrieterrein. Dit betekent dat de ligplaatsen voor woonboten geen nieuwe beperkingen opleveren bij vergunningverlening in het kader van de Wabo of bij de toets aan het Activiteitenbesluit.

De geluidbelastingen zijn slechts 1 tot 2 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Wet geluidhinder. Maatregelen in de overdracht zijn niet mogelijk danwel niet doelmatig. Het opnemen van de ligplaatsen voor woonboten op deze locatie kan, voor wat betreft industrielawaai afkomstig van De Rietvelden-Ertveld, gezien worden als 'goede ruimtelijke ordening'.

Geluid van overige bedrijven
In de directe omgeving van het Molengat, buiten het gezoneerd industrieterrein De Rietvelden-Ertveld, liggen aan de Gemaalweg twee bedrijven. Op beide bedrijven is het Activiteitenbesluit van toepassing. De bedrijven betreffen een constructiewerkplaats waarin kleinschalige reparaties aan staalwerk worden verricht en een jachtwerf.

De constructiewerkplaats heeft een melding gedaan in het kader van het Activiteitenbesluit in oktober 2013. De wijziging waarvoor deze melding is gedaan hield in dat de werkplaats verplaatst werd waarbij de afstand tot de ligplaatsen voor woonboten kleiner werd. De woonboten zorgden daarbij niet voor belemmering.

Voor de jachtwerf is in 2009 een maatwerkvoorschrift opgesteld voor geluid waarin ook de dichtsbijgelegen woonboten zijn opgenomen. De opgenomen geluidbelastingen zijn lager dan de standaardvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Het geluidgevoelig worden van ligplaatsen voor woonboten levert geen nieuwe beperkingen op voor de scheepswerf.

Gezien de toegestane geluidbelastingen door deze inrichting op de ligplaatsen door woonboten wordt het opnemen van een objectgebonden overgangsrecht voor deze ligplaatsen op de huidige plekken gezien als 'goede ruimtelijke ordening'.

Wegverkeer
Voor de beoordeling van geluid van wegverkeer kent de Wet geluidhinder zones waarbinnen de geluidbelasting op geluidgevoelige objecten en terreinen moet worden onderzocht. Hierbij dient bekeken te worden of aan de geldende voorkeursgrenswaarde wordt voldaan danwel of het mogelijk is om een hogere waarde te verlenen. De ligplaatsen van de woonboten liggen binnen de zone van de A59, de Graaf van Solmsweg en de Gemaalweg. Voor het geluid van het wegverkeer geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een hoogst toelaatbare waarde van 53 dB.

De dichtsbijgelegen ligplaats bij de snelweg ligt op ongeveer 45 meter en daar bedraagt de geluidbelasting omstreeks 65 dB. De meest ver weg gelegen ligplaats ligt op ongeveer 135 meter. Op deze afstand bedraagt de geluidbelasting ongeveer 56 dB. De gehele strook waar de ligplaatsen in liggen hebben dus een geluidbelasting boven de hoogst toelaatbare waarde.

De geluidbelastingen door de Graaf van Solmsweg blijft onder de voorkeursgrenswaarde. De verkeersintensiteiten op de Gemaalweg zijn minimaal waardoor ook de geluidbelastingen (met name in vergelijking met die door de snelweg) beperkt zullen zijn.

De ligplaatsen aan het Molengat vallen nu reeds onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan 'Buitengebied'. De woonboten worden ondergebracht onder een objectgebonden overgangsrecht, dat gericht is op beëindiging op termijn, waardoor de huidige planologische situatie in principe niet wijzigt. De ligplaatsen hoeven daardoor niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder voor wat betreft geluid vanwege wegverkeer.

Dat neemt niet weg dat de geluidbelastingen door wegverkeer hoog zijn en zelfs beduidend hoger dan de normaal geldende hoogst toelaatbare waarde van 53 dB uit de Wet geluidhinder. In het kader van 'goede ruimtelijke ordening' kan hierover gezegd worden dat er op deze locatie voor wat betreft geluid geen sprake is van een optimaal woon- en leefklimaat. In een nieuwe situatie zou je op een dergelijke plek geen woonboten kunnen of willen toelaten. Daarom wordt niet zonder meer voor gekozen om zonder beperkingen een woonbestemming op deze plek op te nemen maar voor een objectgebonden overgangsrecht waarbij het gebruik van de ligplaats voor woonboten niet mag worden hervat als het gebruik is gestaakt voor een aaneengesloten periode van 1 jaar.

Cumulatie
In situaties waar gevoelige bestemmingen te maken hebben met geluidbelastingen van meerdere geluidbronnen, zoals industrielawaai en wegverkeer, wordt doorgaans gekeken naar de cumulatieve geluidbelasting van alle aanwezige geluidbronnen. Deze cumulatieve geluidbelasting zegt iets over het aanwezige woon- en leefklimaat waarmee aan afweging van 'goede ruimtelijke ordening' gemaakt kan worden.

In de situatie van het Molengat is de geluidbelasting door de snelweg aanzienlijk hoger dan door industrielawaai waardoor de snelweg bepalend is voor het heersende woon- en leefklimaat. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt op de ligplaatsen dicht bij de snelweg 65 dB en op de ligplaatsen het verst van de snelweg af omstreeks 58 dB. De conclusie die geldt voor het aspect wegverkeer, geldt ook voor wat betreft de cumulatieve geluidbelasting. Er is voor wat betreft geluid geen sprake van een optimaal woon- en leefklimaat. Zoals beschreven onder 'wegverkeer' wordt er daarom niet voor gekozen deze locatie zonder meer als wonen te bestemmen. Daarom is gekozen voor een objectgebonden overgangsrecht, gericht op beëindiging op termijn, waarbij het gebruik van de ligplaats voor woonboten niet mag worden hervat als dit is gestaakt voor een aaneengesloten periode van 1 jaar.

4.3 Luchtkwaliteit

Bij lucht gaat het enerzijds om de productie van luchtverontreiniging als gevolg van nieuwe plannen – waarop de luchtkwaliteitseisen van de Wet Milieubeheer van toepassing zijn - en om de zorg van kwetsbare functies in luchtbelaste zones uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. De grens waarbij een plan als gevolg van extra verkeer niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ligt op meer dan 1000 vervoersbewegingen (van auto's) per etmaal. Een aantal van 8 woonobjecten (woonboten) draagt qua verkeer niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom dient onderhavig plan niet wettelijk te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen.
Verder blijkt uit gegevens van de monitoringstool dat de huidige concentraties van de stoffen NO2 en PM10 (fijn stof) in dit plangebied beneden 35 µg/m3 liggen. De monitoringstool toont de resultaten van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en toont de luchtkwaliteit in Nederland ter plaats van relevante wegen/infrastructuur. Verder blijkt ook uit ons luchtsoftware-programma PROMIL (dat inzicht geeft in de geluidsbelasting en luchtverontreiniging als gevolg van wegverkeer in 's-hertogenbosch) dat de huidige concentraties (2015) van de stoffen NO2 en PM10 (fijn stof) in dit plangebied beneden 35 µg/m3 liggen. Dit is voor beide stoffen onder de geldende grenswaarden van 40 µg/m3. Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

In onderhavige situatie zijn de woonboten al lange tijd aanwezig. In het vigerende bestemmingsplan is echter geen regeling voor de woonboten opgenomen. Een toetsingsgrondslag voor de inpassing van de woonboten is de goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wro (Wet ruimtelijke ordening). Gelet hierop moet er sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het moge duidelijk zijn dat de ligging vlakbij de A59 sprake van een minder goed woon- en leefklimaat is dan in gebieden die verder van Rijkswegen liggen. Gezien de reeds lang bestaande situatie in combinatie met luchtconcentraties die beneden de geldende grenswaarden liggen, is de situatie acceptabel te noemen.

De luchtkwaliteit vormt geen knelpunt voor de realisatie van het bestemmingsplan.

4.4 Bodem

Bij het wijzigen van bestemmingsplannen is de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Zoals gezegd moet de (milieuhygiënische) bodemkwaliteit geschikt zijn voor de gewenste bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit voor de bestemming “wonen” zijn anders dan die voor bijvoorbeeld de bestemming “bedrijven” of “natuur”. Bij – in dit geval - onverhard terrein is het daarom van belang wat het beoogd gebruik zal zijn (en bestemd worden) op de aangrenzende oever tegenover een woonbootligplaats.

De hier beoogde vorm van wonen is specifiek om twee redenen. Enerzijds omdat wonen plaatsvindt op het water en anderzijds omdat er een object gebonden overgangsrecht aan gekoppeld is, een uitsterfregeling voor de 8 ligplaatsen. Voor wat betreft de specifieke vorm van wonen kan gesteld worden dat deze hier voor het aspect bodem niet relevant is, aangezien deze vorm van wonen plaats vindt op het water.
Voor wat betreft het gebruik van de oevers is (een vorm van) wonen hier uitgesloten en mogen eventuele bijgebouwen alleen worden gebruikt voor opslag, c.q. berging. Dit laatste is tevens vast gelegd in de regels.

Uit onze bodemgegevens blijkt dat binnen het plangebied geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. De diffuse bodemkwaliteit van het plangebied voldoet aan de categorie 'achtergrondwaarde' en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond. Gezien het voorgenomen gebruik bestaat er geen aanleiding om een bodemonderzoek uit te voeren. Daarmee kan gesteld worden dat de bodemsituatie passend is voor het voorgenomen gebruik op de oevers en het aspect 'bodem' voor de woonboten op het water niet relevant te noemen is.

Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor onderhavig plan.

4.5 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag, de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woonobjecten, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.
De normering van risico's is tweeledig. In de eerste plaats is er in het Bevi een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). De norm voor het PR is een kans van 1 op 1.000.000 per jaar (10-6). Deze norm is een grenswaarde en moet daarom in acht worden genomen. Het PR wordt vertaald naar aan te houden afstanden tot kwetsbare objecten (zoals woningen).
Buiten de veiligheidsafstanden (contouren PR) kunnen groepen personen slachtoffer worden van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het risico dat groepen mensen slachtoffer kunnen worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen wordt vertaald in het Groepsrisico (GR). Het GR is gekoppeld aan een personendichtheid binnen het invloedsgebied van een ongeval met gevaarlijke stoffen. In het Bevi is geen harde norm (grenswaarde) voor het GR vastgelegd. De toetsingswaarde voor het GR heeft het karakter van een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag dient bij ontwikkelingen de waarde voor het GR te verantwoorden en mag er gemotiveerd van afwijken.

In het kader van dit plan is bekeken of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten, opslagen of transporten met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt getoetst aan de daarvoor geldende wetgeving (normeringen) op het gebied van de externe veiligheid. Tevens wordt bij de beschouwing ons vast gesteld externe veiligheidsbeleid betrokken (“Uitvoeringskader externe veiligheid 's-Hertogenbosch”).

Bedrijven
Het dichtstbij gelegen bedrijf met een opslag van of activiteiten met gevaarlijke stoffen is een waterzuivering op circa 250 meter ten oosten van Molengat, aan Treurenburg 4. Binnen deze waterzuivering bevindt zich een biogastank van 500m3. Een bedrijf met een biogastank is in enige mate risicovol, maar valt niet onder het Bevi of BRZO (Besluit Risico Zware Ongevallen). De PR contour van deze opslagtank is 30 meter. De 1% letaliteitsafstand (invloedsgebied) ligt op 70 meter vanaf de gashouder. Het plangebied ligt op ruime afstand van zowel de PR-contour als het invloedsgebied van de biogasinstallatie. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijk vereiste grenswaarde voor het PR en is een beoordeling van het GR niet relevant. Andere relevante risicobedrijven zich niet in de nabijheid van onderhavige plangebied.

Vervoer over wegen
Op circa 40 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de autosnelweg A59. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en is daarom beschouwd. Uit een eerdere inventarisatie naar het vervoer van gevaarlijke stoffen in de gemeente 's-Hertogenbosch en berekeningen ten behoeve van het Basisnet Weg is gebleken dat er momenteel geen knelpunten met betrekking tot het Plaatsgebonden Risico (PR) zijn rond de genoemde wegen in 's-Hertogenbosch. De PR komt niet buiten de weg zelf in zowel de bestaande als toekomstige situatie (2020). Hiermee wordt voor de A59 voldaan aan de wettelijk vereiste grenswaarde voor het PR. Verder wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) van de A59 nergens overschreden. Conform het Besluit transportroutes externe Veiligheid mag het GR niet hoger zijn dan 0,1 maal de oriënterende waarde en/of niet met meer dan 10% toenemen. Uit berekeningen blijkt dat zowel nu als in de toekomstige situatie (2020) met toekomstige vervoersprognoses de waarde voor het GR met circa 0,01 maal de oriënterende waarde laag te noemen is. Dit is dusdanig beperkt van omvang dat hierdoor geen significante toename van het GR zal optreden. Bovendien gaat het hier om woonboten die reeds lange tijd aanwezig zijn.

Vervoer over spoor
Het spoor bevindt zich op een dusdanig grote afstand (circa 750 meter) dat risico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen voor de ontwikkeling binnen het plangebied niet relevant te noemen is. Het spoor kent in 's-Hertogenbosch geen PR, zodat wordt voldaan aan het wettelijk vereiste. Voor wat betreft het GR bevinden de objecten zich nog wel binnen het (grote) invloedsgebied van toxische stoffen. Volgens ons externe veiligheidsbeleid geldt voor kwetsbare objecten gesitueerd buiten de 325 meter van het spoor maar nog wel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, dat op een dergelijke afstand een ontwikkeling geen invloed meer heeft op de omvang van het GR. Het bestrijdbaarheidvraagstuk speelt hier niet of nauwelijks, omdat de bestrijding bij de bron plaatsvindt op ruime afstand van het plangebied. In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld en dat het in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer.

Buisleidingen
De in 's-Hertogenbosch gelegen hogedruk aardgasleidingen hebben een werkdruk van 40 bar en een diameter van 12 inch. De leidingen hebben een plaatsgebonden risicocontour welke op de leidingen is gelegen (0 meter). Het invloedsgebied van deze leidingen bedraagt 140 meter waarbinnen het groepsrisico dient te worden beschouwd. De afstand van de kortstbij gelegen gasleiding ligt op circa 700 meter ten zuiden van de planlocatie en is daarom niet relevant.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf

Watertoets
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.

De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan 2 (2009). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. In het Waterstructuurplan (2012) is het hemelwaterbeleid vastgelegd. Dit is gebiedsspecifiek gedaan, kijkend naar de watersystemen en de uitgangspunten per wijk.

De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Deze waterparagraaf is tot stand gekomen na diverse overlegmomenten tussen waterschap en gemeente. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

Uitgangspunten voor integraal waterbeheer
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

  • 1. Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;
  • 2. Voorkomen van vervuiling van water;
  • 3. Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: Hergebruik, infiltratie/bergen, afvoer;
  • 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat:
      • De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie;
      • De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
      • Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;
      • (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;
      • Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Daarnaast zien we water als kans voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.

Aan de hand van deze waterparagraaf wordt toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit ruimtelijk plan. Gebleken is dat dit plan in waterhuishoudkundig opzicht klein en eenvoudig van opzet is. De situatie (8 woonboten met wat bergingen op de oever) blijft als gevolg van dit plan onveranderd.

Plansituatie
Dit is een consoliderend plan. De waterhuishoudkundige situatie zal als gevolg van het plan niet veranderen. In het Molengat liggen enkele (8) woonboten. Het vuilwater van deze woonboten is met een pomp aangesloten op een IBA waterzuivering op de wal. Gezien de bestaande situatie vormen hemelwater en grondwater geen aandachtspunt. De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt geborgd met de aansluiting op een gezamenlijke zuivering. Het oppervlaktewaterpeil wordt niet beïnvloed door de woonboten.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

Het bestemmingsplan Molengat bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De eerste twee onderdelen zijn juridisch bindend, de toelichting is juridisch niet bindend maar helpt bij de interpretatie van de verbeelding en de regels.

In dit hoofdstuk wordt een concrete uitwerking en beschrijving gegeven van het plan. Ook wordt er aangegeven hoe het beleid en de planbeschrijving zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.

6.1 Objectgebonden overgangsrecht

Het positief bestemmen van de woonboten aan de locatie molengat is niet mogelijk,vanwege de milieusituatie, het industrielawaai, hoge geluidsbelasting van de A59 en de ligging in het buitengebied. Er kan namelijk geen optimaal leef- en woonklimaat gegarandeerd worden. Vandaar dat deze locatie geen permanente ligplaats voor woonboten kan worden. De gemeenteraad wil de bewoners van de woonboten de mogelijkheid bieden om ter plekke te blijven wonen. Daarom is er gezocht naar een oplossing in de vorm van een overgangsrecht, die uiteindelijk gericht is op beëindiging op termijn. Vormen van overgangsrecht zijn het persoonsgebonden overgangsrecht en de uitsterfregeling, nader te noemen objectgebonden overgangsrecht. Bij het persoonsgebonden overgangsrecht wordt het strijdig gebruik toegestaan, maar is het gebonden aan een persoon. Het objectgebonden overgangsrecht is niet gebonden aan een persoon en wordt pas beëindigd als het gebruik gedurende een redelijk termijn gestaakt is. De woonboten vallen onder het overgangsrecht van het vigerende bestemmingsplan. Omdat de woonboten al onder het overgangsrecht vallen is het toekennen van het persoonsgebonden overgangsrecht voor de locatie Molengat te beperkend. Het objectgebonden overgangsrecht biedt meer rechtszekerheid dan persoonsgebonden overgangsrecht, daarom is voor de locatie Molengat gekozen voor de objectgebonden overgangsrecht.

De woonboten liggen binnen de bestemming 'water'. Op de bestemming 'water' is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - objectgebonden overgangsrecht' opgenomen. Het objectgebonden overgangsrecht is gebonden aan de ligplaats van de woonboten. Er is voor gekozen dat indien het gebruik als ligplaats voor een woonboot gedurende 1 jaar is gestaakt, het recht voor dit gebruik vervalt. Het gebruik is gestaakt als de woonboot niet meer bewoond wordt. Een woonboot is onbewoond als er op het adres, volgens de Basisregistratie Personen, niemand staat ingeschreven voor de periode van minimaal 1 jaar. Aangezien deze vorm van overgangsrecht objectgebonden is mogen ook anderen daar gebruik van maken, mits gebruik niet langer dan 1 jaar is gestopt. Binnen de aanduiding zijn maximaal 8 ligplaatsen voor woonboten toegestaan.

6.2 Bijgebouwen

De bewoners van de woonboten hebben aan de oever bijgebouwen voor opslag en/of berging. Deze bijgebouwen zijn al een langere tijd aanwezig en behoren bij de woonfunctie. De ligplaatsen en bijgebouwen vallen onder het objectgebonden overgangsrecht. De bijgebouwen mogen niet bewoond worden en zijn enkel bestemd voor opslag en/of berging ten behoeve van de woonfunctie. Per woonboot is aan bijgebouwen een gezamenlijke maximale oppervlakte van ten hoogste 40 m² toegestaan. De maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter. Een aantal woonboten heeft bijgebouwen staan die voorgaande maximale maten overschrijden. De huidige oppervlakte en/of bouwhoogte, voor de adressen waarbij de maximale maten overschreden zijn, worden als maximum beschouwd. Er is hierbij een adressenlijst opgenomen met de betreffende maten in de regels van het objectgebonden overgangsrecht.

In het vigerende bestemmingsplan is een klein gedeelte van de oever opgenomen binnen de bedrijfsbestemming. Deze grond is in gebruik bij de woonboten. Het is niet wenselijk dat daar bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Daarom wordt de bedrijfsbestemming gewijzigd in 'Agrarisch'. De oever is onder zelfde regeling als de woonboten gebracht, namelijk objectgebonden overgangsrecht. Op de bestemming 'agrarisch' is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - objectgebonden overgangsrecht' opgenomen.

6.3 Juridisch bestuurlijke aspecten

Bestemmingsplan Molengat bestaat uit een plankaart, regels en een toelichting. De eerste twee onderdelen zijn juridisch bindend, de toelichting is juridisch niet bindend maar helpt bij de interpretatie van de plankaart en de regels. De regels zijn als volgt ingedeeld:

  • Hoofdstuk 1. Inleidende regels. De inleidende regels lichten de begrippen toe die in de regels voorkomen en ook de wijze van meten die moet worden gehanteerd.
  • Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels. De bestemmingsregels geven voor elke bestemming een omschrijving van de bestemming, (afwijkingen van) bouwregels, nadere eisen (afwijkingen van) specifieke gebruiksregels en soms wijzigingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk 3. Algemene regels. De algemene regels bevatten algemene - voor alle of meerdere bestemmingen geldende - regels.
  • Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregel. De overgangsregels bevatten de regels van de standaard overgangsrecht en de objectgebonden overgangsrecht. De slotregel is de titel van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1. Inleidende regels
Het definiëren van begrippen en de aanwijzingen voor het meten vergroten de duidelijkheid en de rechtszekerheid. In artikel 1 worden belangrijke begrippen die in het plan voorkomen, nader gedefinieerd. In artikel 2 is aangegeven hoe afstanden en maten die in de regels worden voorgeschreven, moeten worden. gemeten.

Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels
Hieronder wordt een toelichting gegeven op de bestemmingsregels.

Bestemming Agrarisch
De oever in het plangebied heeft de bestemming 'agrarisch'. Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. De bijgebouwen behorende bij de woonfunctie liggen binnen de bestemming 'argrarisch' en vallen onder het objectgebonden overgangsrecht. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - industrie' mogen gebouwen of de uitbreiding daarvan, die aangemerkt worden als geluidsgegevoelige objecten, slechts worden gebouwd indien de geluidsbelasting niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeurswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

Bestemming Water
Het water aan de Molengat heeft de bestemming 'water' gekregen. Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. De woonboten zijn gelegen binnen de bestemming 'water' en vallen onder het objectgebonden overgangsrecht.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie
Het bestemmingsplan heeft een regeling opgenomen ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de dubbelbestemming 'waarde-archeologie'. Binnen deze dubbelbestemming zijn geen graafwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 25 m² en meer dan 0,5 meter beneden maaiveld. Dit is alleen mogelijk indien er een deskundig opgesteld rapport overlegd wordt, waarin de archeologische waarden zijn vastgelegd.

Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering
Het bestemmingsplan heeft een regeling opgenomen voor dijken en kaden met een waterkerende functie naast de andere krachtens dit plan hieraan gegeven bestemmingen. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' voor de bepalingen die ingevolge andere bestemmingen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

Hoofdstuk 3. Algemene regels
In de algemene bepalingen komen de anti-dubbeltelbepaling, de algemene aanduidingsregels en de algemene afwijkingsregels aan de orde. Deze bepalingen gelden voor het gehele bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn tot slot de algemene overgangsregels, de objectgebonden overgangsregels en de slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.

Hoofdstuk 7 Inspraak en vooroverleg

Hieronder zijn de ingekomen reacties uit het wettelijk vooroverleg en de inspraakreacties samengevat weergegeven en voorzien van commentaar. De ingediende reacties zijn samengevat en voorzien van een beoordeling. Dat een reactie samengevat is weergegeven, betekent niet dat die onderdelen van de reactie die niet expliciet worden genoemd, niet bij de beoordeling zouden zijn betrokken. De reacties zijn in het geheel beoordeeld.

7.1 Vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan Molengat is op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (wettelijk vooroverleg) voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, waterschap Aa en Maas en Rijkswaterstaat. De provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat hebben aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Waterschap Aa en Maas heeft aangegeven dat de op de verbeelding aangegeven dubbelbestemming 'Waterstaat - waterkering' niet de contouren van de waterkering in de legger volgt. Verzocht wordt om de kering indicatief aan te geven of de contouren uit de legger te volgen.
Naar aanleiding van deze reactie is de verbeelding aangepast. De dubbelbestemming 'Waterstaat - waterkering' volgt de contouren van de waterkering in de legger, voorzover deze binnen de plangrenzen is gelegen.

7.2 Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan Molengat heeft met ingang van 22 juni 2015 gedurende 6 weken op grond van de Inspraakverordening ter inzage gelegen. Gedurende die termijn was iedereen in de gelegenheid mondeling of schriftelijk een inspraakreactie in te dienen. Binnen deze termijn is één reactie ingediend.

Reactie a, b, c: ingekomen inspraakreacties
Commentaar:  gemeentelijk commentaar

  • 1. De heer/mevrouw Voets, Gemaalweg 5 te 's-Hertogenbosch


Reactie a:
Inspreker geeft aan in principe sympathiek te staan tegenover de woonboten en de bewoners. Wel is hij van mening dat het effect van de "object gebonden" regeling (uitsterfbeleid op de lange termijn) nihil zal blijken te zijn.
Daarnaast geeft hij aan dat hij een ideeschets heeft laten opstellen voor de (toeristisch recreatieve) ontwikkeling van de Diezeschans en het Fort Dieze, in de lijn zoals beschreven in het Linieboek van de Stichting De Groene Vesting. Aangezien de plannen zich nog in een prematuur stadium bevinden, is het niet mogelijk op dit moment het college van B&W te vragen de ontwikkeling in het bestemmingsplan Molengat op te nemen. Wel vraagt inspreker dit voornemen op te nemen in de toelichting van het bestemmingsplan. Daarnaast vraagt hij, om de plannen financieel mogelijk te maken, de plangrens van het bestemmingsplan op te rekken met als doel ongeveer 15 ligplaatsen op de kop van de Diezeschans mogelijk te maken.
Tot slot verzoek hij de reactie niet te lezen als een bezwaarschrift in het kader van de inspraakprocedure, maar als een verzoek de samenwerking voor het ontwikkelen van de Diezeschans en het Fort Dieze te starten.

Commentaar:
Inspreker geeft aan dat hij ideeën / plannen heeft voor de ontwikkeling van de Diezeschans en het Fort Dieze en dat deze ideeën / plannen zich nog in een te prematuur stadium bevinden om op te nemen in het bestemmingsplan Molengat. De gemeente en waterschap (en mogelijk ook provincie) zullen de plannen van inspreker afzonderlijk bekijken en beoordelen en met inspreker gaan bespreken.
Nu de ideeën / plannen nog onvoldoende zijn uitgewerkt, kunnen deze ook geen onderdeel gaan vormen van dit bestemmingsplan (noch in de toelichting noch in de regels en/of verbeelding). Dit bestemmingsplan beoogt de reeds bestaande rechten van de woonbootbewoners planologisch vast te leggen. Het plan van inspreker betreft een geheel nieuwe ontwikkeling. Mochten de ideeën van inspreker leiden tot een concreet plan, waarin ook gemeente en waterschap (en zonodig ook provincie) zich kunnen vinden, dan zal daarvoor een afzonderlijke planologische procedure worden doorlopen.