| Plan: | Helvoirtsestraat 1-3, Helvoirt |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0788.BP18BGHVTSTR1-VA01 |
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Helvoirtsestraat 1-3, Helvoirt" van de gemeente Haaren.
Het initiatief is gelegen aan de Helvoirtsestraat 1-3 in Helvoirt. De initiatiefnemers hebben het voornemen op deze locatie een nieuwe Ruimte voor Ruimte-woning te realiseren. De grond wordt momenteel gebruikt voor het hobbymatig houden van enkele paarden. Op de locatie is een rijbak, een rijplaats en een paardenstal aanwezig. Daarnaast staan er enkele andere bijgebouwen op het terrein.
Op de locatie, behorende bij de langgevelboerderij aan de Helvoirtsestraat 1, is 5 jaar geleden een schuur gesloopt. Op deze locatie is de Nieuwe Ruimte voor Ruimte-woning gepland.
Het verzoek past echter niet binnen het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Haaren" van de gemeente Haaren. Omdat het bouwplan nog niet geheel is uitgewerkt is er voor gekozen om een herziening van dit bestemmingsplan op te stellen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet daarin.
Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een actueel bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan biedt de ruimte voor de verwachtingen in de komende tien jaar.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie E, nummers 686 en 1172 (ged.). De oppervlakte van het plangebied bedraagt ca. 1960 m².
Ter plaatse van het plangebied vigeren de bestemmingsplannen "Buitengebied Haaren", vastgesteld 9 juli 2009, "Helvoirtsestraat 1", vastgesteld 16 februari 2012 en "Buitengebied Haaren, correctieve herziening ", vastgesteld 11 september 2014.
Het bestemmingsplan 'Helvoirtsestraat 1' is het vigerende plan voor perceel 686 en voor een klein deel van perceel 1172. Dat kleine deel betreft het toegangspad/oprit naar de rest van perceel 1172. Het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaren, correctieve herziening' is het vigerende plan voor de rest van het perceel 1172, dus het gehele perceel zonder het toegangspad/oprit.
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Binnen het plangebied vigeren de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1'.
De locatie heeft ter plaatse van de geplande woning al wel een woonbestemming, maar binnen de woonbestemming mogen maximaal 2 woningen worden gerealiseerd (zoals aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden') en deze zijn reeds gevestigd in de langgevelboerderij. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone' van toepassing. Dit betekent dat bij grondverstoringen met een oppervlakte groter dan 100 m2, en dieper dan 0,5 m een archeologisch onderzoek verricht dient te worden en dat verstoring van de waterhuishouding voorkomen dient te worden.
De bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1' staat het gebruik van de gronden binnen de agrarische bestemming als tuin en ten behoeve van bijgebouwen bij de woning niet toe. Daarnaast zijn de specifieke functieaanduidingen specifieke vorm van agrarische met waarden 'dassenleefgebied', 'natuurontwikkelingsgebied' en 'openheid' opgenomen die het behoud, herstel en ontwikkeling van de genoemde waarden voorstaan.
Conclusie
Middels de aankoop van een Ruimte voor Ruimte-titel wordt een extra bouwmogelijkheid binnen de woonbestemming gecreëerd en worden de gronden binnen de agrarische bestemming omgezet naar een woonbestemming zodat gebruik als tuin en de realisatie van bijgebouwen mogelijk is. Voor de ontwikkeling is een inrichtingsschets opgesteld die aantoont dat rekening is gehouden met de genoemde waarden. Door de sloop van de bestaande oude schuren, realisatie van een kleinere schuur en behoud van de bestaande rijplaats wijzigt de situatie ten goede voor deze waarden.
De gemeente Haaren ligt in een geologisch dalingsgebied, de Centrale Slenk. Het landschap bestaat uit hoger gelegen dekzandruggen, die doorsneden worden door beken. Het gebied van de Loonse en Drunense Duinen bestaat uit land- en stuifduinen. De Zandleij ten noorden van het plangebied is zo'n beek. De eerste dorpen ontstonden op de grens van de beekdalen en de hoger gelegen zandgronden. Het waren kleinschalige, zelfvoorzienende akkerdorpen met lintvormige bebouwing. De lager gelegen en natte beekdalen werden gebruikt als hooi- en grasland. Op de hogere delen ontstonden de eerste akkers. Rondom deze oude agrarische cultuurlandschappen lag de woeste heide.
Het plangebied ligt in een gebied waar een aantal landschapstypen samenkomen: op een dekzandrug aan het beekdal waar de Zandleij en de Broekley samenkomen: het Helvoirts Broek (bronnen: Structuurvisie, januari 2015 en toelichting bestemmingsplan "Buitengebied", januari 2012). Het beekdal van de Zandleij stroomt vanuit het natuurgebied de Brand richting het oosten. Daar waar het beekdal het Helvoirts Broek raakt - ter hoogte van het plangebied - buigt de Zandleij af naar het noorden, richting het Drongelens Kanaal. Het Helvoirts Broek is waardevol voor de ruimtelijke beleving vanwege de grote mate van openheid die de beekdalen bieden in contrast met de aangrenzende besloten gebieden (de Brand, Loonse en Drunense Duinen, kasteel Zwijnsbergen). Een en ander zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.
UITSNEDE STRUCTUURVISIE HAAREN
Aan de overzijde van de weg ligt het kasteel Zwijnsbergen, een van oorsprong versterkte hoeve opgericht in de 15e eeuw. Het kasteel heeft in 2001 door brand schade geleden, waarna het volledig hersteld is. Rondom het kasteel is een deels openbaar landgoed bestaande uit bos en weilanden.
Het plangebied ligt aan de Helvoirtsestraat tussen Helvoirt aan de zuidzijde en Cromvoirt aan de noordzijde. Langs deze route is sprake van lintbebouwing die wordt gekenmerkt door een vermenging van (agrarische) bedrijven en wonen. Ook zijn er aan het lint over de akkers enkele doorzichten naar het Helvoirts Broek.
LIGGING PLANGEBIED
Ter plaatse van het plangebied is vanaf de weg geen sprake van zo'n doorzicht door de reeds aanwezige bebouwing. Vanaf de woonpercelen is dit zicht er nog wel. Langs de Helvoirtsestraat is een laanbeplanting van oude eiken aanwezig die de samenhang van het lint en het contrast tussen besloten en open landschap verder versterkt.
Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande oprit ten oosten van de langgevelboerderij aan Helvoirtsestraat 1. Deze oprit is eigendom van de initiatiefnemer. Binnen het plangebied stond een forse schuur behorende bij de langgevelboerderij aan Helvoirtsestraat 1. Deze is ca. 5 jaar geleden door de vorige eigenaar gesloopt. De achtergelegen gronden worden momenteel gebruikt voor het hobbymatig houden van enkele paarden. Op de locatie is een rijbak, een rijplaats en een paardenstal aanwezig. Daarnaast staan er enkele andere bijgebouwen (oppervlakte ca. 140 m2) op het terrein.
Rondom het perceel is een robuuste haag aanwezig die voor een groene afscherming van het grasland zorgt, waardoor er er vrijwel geen zicht is op het achtergelegen gebied. Op het perceel zijn ook twee bomen aanwezig.
In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.
Het plan is gelegen op de overgang van het landgoed Zwijnsbergen naar het beekdal Zandleij. Daarmee ligt het ook op de overgang tussen besloten en open landschap. Voorliggend plan mag daarom geen afbreuk doen aan het open landschap van het beekdal en dient te worden opgenomen in de lintstructuur.
Om te passen in de lintstructuur en het agrarisch ensemble is gekozen voor het ruimtelijke principe van een ondergeschikte schuur nabij de bestaande boerderij. Dit past in de omgeving en op de specifieke plek. De typologie en positionering van ondergeschikte schuurwoning zorgt er voor dat het lint speels en gevarieerd blijft en het wordt minder als zeer verdichte lintstructuur ervaren. Hierna worden de verschillende aspecten van het ontwerp beschreven en de voorwaarden waaraan het uiteindelijke ontwerp van de woning met bijgebouwen aan dient te voldoen.
Binnen de bestaande woonbestemming wordt op de plaats van de voormalige schuur, behorende bij de langgevelboerderij Helvoirtsestraat 1, een nieuwe Ruimte-voor-ruimte-woning in landelijke stijl gerealiseerd. Tussen de bebouwing en de straat zorgt een voortuin voor een groen beeld vanaf de weg. De bestaande voortuinen bij de woningen op nr. 1 en 3 zijn niet heel diep: de bebouwing staat relatief dicht op de weg.
De oorspronkelijke schuur stond op grotere afstand van de weg (zie onderstaande foto's).
|
|
FOTO'S SITUATIE CA. 5 JAAR GELEDEN
Door de nieuwe Ruimte-voor-ruimte-woning ook op grotere afstand van de weg te situeren, ontstaat er een vergelijkbare situatie, maar nu met een ruimere, groene voortuin. De grotere afstand betekent tevens dat het zicht op de langgevelboerderij op nr. 1 vanaf de Helvoirtsestraat vanuit Helvoirt niet geblokkeerd wordt door de nieuwe woning en de geluidbelasting op de woning lager is.
Er zijn thans nog geen concrete bouwtekeningen gereed. Wel is een inrichtingstekening gemaakt waarin zichtbaar op welke wijze het plangebied wordt ingericht (zie onderstaande pagina en bijlage 1).
INRICHTINGSSCHETS HELVOIRTSESTRAAT 1-3
De bestaande inrit aan de zuidzijde van de langgevelboerderij op nr. 1 blijft behouden. De bewoners van Helvoirtsestraat 1 hebben recht van overpad. Hiermee wordt geen nieuwe aansluiting op de straat gemaakt en wordt benadrukt dat de nieuwe woning één ensemble vormt met de langgevelboerderij.
De rooilijn van de nieuwe Ruimte-voor-ruimte-woning ligt achter de voorgevelrooilijn van de langgevelboerderij, op een afstand van zo'n 15 meter vanaf de voorste perceelgrens, waarmee de ondergeschiktheid ten opzichte van langgevelboerderij wordt versterkt.
De nieuwe bouwwerken hebben een dorps/landelijk karakter, waarbij het hoofdgebouw een duidelijke hoofdmassa van één laag heeft en is voorzien van een forse kap. Het hoofdgebouw krijgt een zadeldak waarvan de nokrichting evenwijdig aan de openbare weg is. De goothoogte bedraagt maximaal 3,5 meter en de bouwhoogte zal maximaal 7,5 meter bedragen. De hoogte van 7,5 meter is gewenst om de karakteristieke verhouding tussen 1 laag met een hoge kap te kunnen uitvoeren. De schuurwoning zal iets lager zal zijn dan de langgevelboerderij.
De bouwwerken (hoofdgebouw met bijgebouw) hebben een duidelijk concept: architectuur, compositie, materiaalgebruik en detaillering zullen een samenhangend geheel vormen.
Het bijgebouw / de nieuwe stal ligt op een afstand van circa 25 meter tot de woning. De ligging van deze stal (maximaal 100 m2) sluit aan bij die van de bestaande schuur bij de langgevelboerderij.
Het project leidt tot een zeer beperkte toename van de verkeersaantrekkende werking (circa 6 motorvoertuigen per etmaal). De capaciteit van de omliggende wegen is toereikend.
De aansluiting van de inrit met de openbare weg blijft ongewijzigd. Op deze manier wordt de laanstructuur en het beeld vanaf de openbare weg niet aangetast.
Per woning moeten ten minste twee parkeerplaatsen op het eigen terrein worden aangelegd. Op het terrein is achter de nieuwe woning voldoende ruimte aanwezig op het erf om de twee parkeerplaatsen te realiseren.
Om het perceel zo veel als mogelijk onderdeel uit te laten maken van het landschap is een groene inrichting van het perceel aan de Helvoirtsestraat essentieel, zeker in relatie tot het landgoed Zwijnsbergen (zie ook bijlage 1 Inrichtingsschets).
Als perceelafscheiding op de voorste en zijdelingse perceelgrenzen zijn momenteel al beukenhagen toegepast. Deze sluiten aan bij het landschappelijke karakter van de rest van de lintbebouwing. Deze beplantingselementen hebben tevens een dicht winterbeeld door een dichte takkenstructuur en het vasthouden van oud blad. De bestaande hagen zullen behouden blijven in het plan.
In de voortuin willen de initiatiefnemers een wadi realiseren. Deze wordt gebruikt voor de waterberging/vertraagde afgifte van het hemelwater vanaf de woning en de erfverharding aan de bodem.
Vanuit de woning is een vrij zicht op het achterliggende agrarische landschap en het Helvoirts Broek. Dit zicht vormt een kernwaarde van deze locatie en dient vrij gehouden te blijven. De bestaande schuren zullen dan ook op termijn gesloopt worden om dit zicht vanuit de woning te verbeteren. In combinatie met de paarden die hier gehouden worden is sprake van een aantrekkelijk landschapsbeeld vanaf het erf.
Het erf bestaat uit (kruidenrijk) grasland, hagen en solitaire bomen. Bestaande bomen blijven allemaal behouden. Naast de woning planten de initiatiefnemers een kastanjeboom. Ook de bestaande paardenbak blijft behouden.
Bij toevoeging van nieuwe erfafscheidingen dient een groene afscheiding van beperkte hoogte te worden toegepast, eventueel in combinatie met open gaashekwerk.
Tezamen met de landschappelijke vormgeving van de nieuwe woning leidt het een en ander tot verdere kwaliteitsverbetering van het landschap.
Naast een inrichtingsschets is ook een notitie beeldkwaliteit opgesteld voor voorliggende ontwikkeling die dient als leidraad voor het bereiken van de gewenste stedenbouwkundige ruimtelijke samenhang en kwaliteit voor het plan aan de Helvoirtsestraat 1-3 te Helvoirt.
Het beeldkwaliteitplan is een stedenbouwkundig instrument en blijft beperkt tot díe elementen en aspecten die het beeld van de openbare ruimte inclusief de verschijningsvorm van de aanpalende percelen en bebouwing bepalen. Op basis een beknopte landschapsanalyse en het gemeentelijke ruimtelijke beleid in de vorm van de Structuurvisie van de gemeente Haaren (zie paragraaf 2.2 en 4.3.1), zijn concrete beeldkwaliteitcriteria opgesteld.
Deze beeldkwaliteitcriteria zijn beschreven in de 'Notitie beeldkwaliteit Helvoirtsestraat 1-3, Helvoirt'. Deze notitie is als bijlage 2 van deze toelichting opgenomen en als bijlage 2 bij de regels.
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.
De nationale belangen zijn met het onderhavige project niet in het geding. Het project is daarvoor te kleinschalig en daarnaast ligt het plangebied niet aan een belangrijke transportverbinding en niet in de buurt van een militair terrein.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.
Conclusie
Het Barro is niet van toepassing op het plan.
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het gaat hier enkel om de toevoeging van één woning. Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Daarnaast komt de woning op de plaats waar tot voor kort een boerenschuur stond. Het betreft daarmee vervanging van bebouwing en geen nieuwe bebouwing.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Het plan wordt aan deze nota's getoetst.
In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.
De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:
Analyse
Onderhavig plan betreft de bouw van één ruimte-voor-ruimte-woning. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.
| ad 1. | De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woning binnen het plangebied zal minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woning. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening. |
| ad 2. | Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woning en de inrichting van het woonperceel kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt. |
| ad 3. | Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De woning wordt gerealiseerd op basis van het ruimte-voor-ruimte-principe, waarbij elders in de provincie reeds een grotere hoeveelheid stallen is gesloopt. Per saldo is er sprake van 'ontstening' van het buitengebied. |
| ad 4. | Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de woning wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat. |
Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking zal treden.
De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):
Het plangebied is onderdeel van het landelijke gebied. In beginsel zijn daar conform artikel 3.68 IOV uitsluitend bestaande woningen toegestaan, maar er zijn enkele uitzonderingen.
Artikel 3.80 IOV bevat regels voor het bouwen van ruimte-voor-ruimte woningen. Deze zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:
| ad a. | De bedoelde winst van de omgevingskwaliteit is verkregen door het verwerven van de ruimte-voor-ruimte bouwtitel. Hiermee is verzekerd dat elders in de provincie ten minste 1.000 m² aan agrarische bedrijfsgebouwen is gesloopt en ten minste 3.500 kg fosfaatrechten uit de markt zijn genomen. Ook op het perceel zelf worden nog oude schuren gesloopt. |
| ad b. | Het plangebied is onderdeel van de lintbebouwing aan de Helvoirtsestraat. Lintbebouwing wordt aangemerkt als een bebouwingsconcentratie volgens het ruimte-voor-ruimte principe. |
| ad c. | De landschappelijke inpassing van de ruimte-voor-ruimte woning wordt verzorgd door de bestaande groenstructuur in het plangebied. |
| ad d. | Er is niet de intentie om meerdere woningen toe te voegen aan deze zijde van de bebouwingsconcentratie. |
Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:
Attentiezone waterhuishouding
Artikel 3.26 IOV stelt regels aan ruimtelijke ontwikkelingen ter bescherming van de hydrologische instandhoudingsdoelen voor het nabijgelegen Natuurnetwerk Brabant. Het gehele plangebied ligt binnen een dergelijke attentiezone. Dit houdt in dat er dit gebied geen activiteiten mogen plaatsvinden die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding in het naastgelegen waterafhankelijke natuurgebied Helvoirts Broek.
In paragraaf 5.12.3.4 is nader beschreven dat er geen negatieve effecten zijn op de waterhuishouding als gevolg van het plan.
Beperkingen veehouderij en Stalderingsgebied
De artikelen 3.51 en 3.52 IOV stellen regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.
De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van
functies zijn:
Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.
Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat gebruik wordt gemaakt van een ruimte-voor-ruimte locatie binnen een bebouwingsconcentratie en overtollige bebouwing wordt weggenomen.
Er heeft een zorgvuldige situering van de woning plaatsgevonden, die rekening houdt met en uitgaat vaan de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke, natuurlijke en aardkundige waarden in het gebied.
Het plan neemt een verrommelde situatie weg en leidt tot verbetering van de waterhuishouding in het gebied. Er is daarmee tevens een waardecreatie in het algemeen belang.
Kwaliteitsverbetering landschap
Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kwaliteitsverbetering is beschreven in paragraaf 4.3.2 waarin het project aan de gemeentelijke 'Kwaliteitsverbetering van het landschap Gemeente Haaren' wordt getoetst.
Het plan is niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Door de gemeente Haaren is op 20 januari 2015 de Structuurvisie Haaren 2013 vastgesteld.
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart. De ligging van het plangebied is aangegeven.
UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE
De structuurvisie gaat over het gehele grondgebied van de gemeente. De visie geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor de komende 10 tot 20 jaar. De structuurvisie beschrijft de mogelijkheden voor woningbouw, bedrijven, recreatie en toerisme. Ook gaat de visie in op de toekomstperspectieven voor agrarische ontwikkeling, milieu, water, cultuurhistorie en verkeer.
Het plangebied ligt in een gebied waar een aantal landschapstypen samenkomen: op een dekzandrug aan het beekdal waar de Zandleij en de Broekley samenkomen: het Helvoirts Broek (bronnen: Structuurvisie, januari 2015 en toelichting bestemmingsplan "Buitengebied", januari 2012) (zie ook paragraaf 2.1).
De nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de structuurvisie Haaren. De ontwikkeling betreft de bouw van een woning op de locatie van de voormalige schuur. Dit doet geen afbreuk aan de geclusterde bebouwing en de zichtlijnen naar het landschap blijven gehandhaafd. De erfinpassing is transparant en overzichtelijk waardoor het een open agrarisch perceel blijft.
Naar aanleiding van het uitgangspunt van het leveren van een kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals inmiddels opgenomen in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de daaromtrent gemaakte regionale afspraken, heeft de gemeente Haaren het beleidskader "Kwaliteitsverbetering van het landschap Gemeente Haaren" vastgesteld. Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze waarop invulling is gegeven aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. In bijlage 3 is het certificaat voor de aankoop van de bouwtitel Ruimte voor Ruimte opgenomen.
Voor het bepalen van de benodigde kwaliteitsverbetering is de categorie-indeling van de ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied van toepassing:
Onderhavig initiatief betreft een categorie 1 activiteit (bouw ruimte-voor-ruimtewoning). Het is desalniettemin wel mogelijk om middels het initiatief voor een kwaliteitsverbetering te zorgen.
De als bijlage 1 opgenomen landschappelijke inpassing omvat hiertoe:
Tezamen leidt het een en ander tot verdere kwaliteitsverbetering.
Het overige gemeentelijke beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Lankelma ingenieursbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Helvoirtsestraat 1-3 te Helvoirt (30 oktober 2017, ref. 1702418)". Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4.
Lankelma concludeert het volgende:
Algemeen
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,9 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn zintuiglijk geen bijmengingen waargenomen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid.
Grond
In de bovengrond is plaatselijk analytisch een licht verhoogd gehalte met zink aangetoond. Deze concentratie overschrijdt de achtergrondwaarde, doch overschrijdt de interventiewaarde niet. In de ondergrond zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden.
Grondwater
In het grondwater zijn analytisch licht verhoogde gehalten met barium en nikkel aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden.
Asbest in grond
In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.
Er is geen nader onderzoek naar asbest uitgevoerd omdat er nooit asbesthoudend materiaal in stallen aanwezig is geweest. De aanwezige stallen zijn door de ouders van de initiatiefnemers ná 1994 gebouwd. Vanaf 1 juli 1993 was de verkoop en het gebruik van asbest verboden. Enkele jaren geleden (17 maart 2013) zijn de oude dakplaten vervangen door hedendaagse (niet-asbesthoudende) golfplaten. Er zijn dan ook nooit asbesthoudende platen verwijderd waarmee asbest in de grond had kunnen komen. In de stallen is verder ook geen asbesthoudend materiaal gebruikt. Voor de bouw van de stallen hebben er op de plaats van de stallen geen bouwwerken gestaan. Asbestverontreiniging in de bodem is dus onwaarschijnlijk. Er worden geen belemmeringen ingevolge asbest verwacht voor dit initiatief.
Middels het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er volgens Lankelma vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van deze locatie.
Het aspect bodem vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.
| bedrijf | SBI-code | categorie | richt- afstand |
werkelijke afstand | |||
| Helvoirtsestraat 1: opslagbedrijf max. 470 m2 | 6312 | 2 | 30 m | 55 m | |||
| Helvoirtsestraat 7: paardenhouderijbedrijf | 561 | 3.1 | 50 m | 80 m | |||
| Helvoirtsestraat 7a: manege/rijhal | 926 | 3.1 | 50 m | 145 m | |||
Zoals te zien in bovenstaande tabel liggen er geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een veilige afstand aangehouden worden tussen percelen met een gevoelige functie (zoals wonen) en percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarbij speelt het belang van omwonenden vanwege gezondheidsrisico's een rol, maar ook het belang van de teler.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen woningen. Bij het bespuiten van landbouwgewassen komt 'drift' vrij: spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromingen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu.
Ten noorden van de nieuwe woning is een agrarisch bedrijf in de vorm van een kwekerij aanwezig. Vanwege het ontbreken van wetgeving voor woningen is er een in de praktijk gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat er een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woning, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geaccepteerd wordt. Het is echter een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Hierbij zijn een aantal factoren van belang: de toxiciteit van het middel, de spuittechniek, de rijsnelheid, het type gewas, het al dan niet aanwezig zijn van een windhaag en de overheersende windrichting.
Het perceel van de kwekerij is direct aansluitend aan het plangebied, maar de nieuwe woning ligt op ca. 40 meter van de perceelsgrens. Hiermee zou het agrarisch bedrijf theoretisch belemmerd worden in zijn activiteiten.
LIGGING 50-METER ZONE EN AFSCHERMDE HAGEN
De zone rondom de nieuwe woning beslaat slechts een klein oppervlak waar sprake zou zijn van een extra beperking voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ter verantwoording is de volgende afweging gemaakt:
Op basis van deze afweging wordt geconcludeerd dat de bedrijfsvoering van de agrariër ten noordwesten van het plangebied niet onevenredig wordt belemmerd. Ook is een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied gewaarborgd.
Het aspect spuitzone vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Risiconormering
In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een
ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Wanneer verantwoorden?
| Bron | Wanneer groepsrisicoverantwoording? |
| Inrichtingen (Bevi) | Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. |
| Buisleidingen (Bevb) | Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
| Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt) | Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
Het plan omvat een nieuw kwetsbare object. Onderstaande Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes).
UITSNEDE RISICOKAART.NL MET IN RODE CIRKEL HET PLANGEBIED
Beschouwing risicobronnen
Inventarisatie
Met behulp van de risicokaart is gekeken of risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn, welke een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
In de omgeving van het plangebied is de spoorlijn Tilburg-'s-Hertogenbosch gelegen. Over deze spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. In de omgeving van het plangebied zijn geen andere risicobronnen aanwezig, welke een risicocontour over het plangebied hebben.
Spoorlijn Tilburg-'s-Hertogenbosch
De afstand tot de spoorlijn is ca. 900 meter en ligt daarmee niet binnen het plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6), plasbrandaandachtsgebied (PAG, 30 meter vanuit spoor) en de 200 meter inventarisatiezone groepsrisico van de transportroute. Het PR en het PAG vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Omdat het plangebied is gelegen buiten de 200 meter inventarisatiezone groepsrisico is een complete verantwoording van het groepsrisico conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) niet noodzakelijk. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied groepsrisico van de spoorlijn (stofcategorie B2, 995 meter). Er dient derhalve aandacht besteedt te worden aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid en de beperking van de omvang van een ramp op het spoor (artikel 7 van het Bevt, zogenaamde beperkte verantwoording groepsrisico). De veiligheidsregio is hierover om advies gevraagd (artikel 9, Bevt). Dit advies is verwerkt in de beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Verantwoording groepsrisico (beperkt)
Het plangebied bevindt zich in zone 3 (200-1500 meter). In dit deel wordt de bouwtitel (woning) mogelijk gemaakt. Hier kan volgens het werkdocument "Verantwoording groepsrisico Haaren" een standaard verantwoordingstekst worden toegepast (verantwoording Groepsrisico niveau 3a, zie onderstaand). Deze standaard verantwoordingstekst voldoet tevens ruimschoots aan de vereisten van artikel 7, Bevt, zodat ook hieraan wordt voldaan.
Inleiding
Het plangebied bevindt zich op grote afstand van de risicobron. Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend. Effecten als gevolg van een plasbrand of BLEVE reiken niet tot het plangebied.
Ontwikkeling groepsrisico
Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico
De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch.
De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Blootstelling aan een toxisch gas is het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelinginstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-alert.
Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de Werkdocument verantwoording groepsrisico gemeente Haaren en de daarin gemaakte keuzes.
Volgens artikel 9 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Dit advies is opgevraagd en bijgevoegd aan deze toelichting. De Veiligheidsregio onderschrijft bovenstaande verantwoording en ziet af van advisering (zie bijlage 5).
Conclusie
De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Tilburg – 's Hertogenbosch. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
De gemeente Haaren heeft op 25 april 2019 in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij de ''Verordening geurhinder en veehouderij 2019 gemeente Haaren'', met bijbehorende normenkaart, vastgesteld.
Verder is van toepassing de 'Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2019 gemeente Haaren', vastgesteld door B&W op 19 maart 2019 en in werking getreden op 15 mei 2019.
De locatie ligt volgens de normenkaart van de verordening in het C-gebied, wat inhoudt dat de voorgrond geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object niet groter mag zijn dan 10,0 ouE/m3 Dit betreft de belasting vanuit een (intensieve) veehouderij, waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld.
Uit door de gemeente verstrekte informatie blijkt dat de woning op voldoende afstand van geurhinderveroorzakende activiteiten gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen op meer dan 300 meter afstand. Daarnaast is uit onderstaande afbeelding te lezen dat de gecumuleerde achtergrondbelasting lager is dan 5 ouE/m3 waarmee de voorgrondbelasting niet hoger kan zijn. Er wordt voldaan aan de norm.
Goed woon- en leefklimaat
In de eerder genoemde beleidsregel 2019 staat dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat, wanneer de achtergrondbelasting (in een C-gebied) niet hoger is dan 10,0 ouE/m3. Dit betreft alleen de belasting vanuit (intensieve) veehouderijen, waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld.
KAART GECUMULEERDE GEURBELASTING PEILDATUM 1-1-2018 (BIJLAGE XV GEURVERORDENING)
Uit bovenstaande kaart blijkt dat de achtergrondbelasting minder dan 5 ouE/m3 bedraagt en dat de geursituatie als goed is aangegeven. In de omgeving hebben geen relevante uitbreidingen van de veehouderijen plaats gevonden die hebben geleid tot een wezenlijk hogere geurbelasting in het plangebied. Dit betekent dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Veehouderijen worden door het initiatief niet in hun belangen geschaad.
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
De gezondheid van de mens krijgt een steeds belangrijkere positie binnen het beleid. Nieuwe plannen worden daarom getoetst aan het aspect gezondheid. Uit voorgaande paragrafen volgt dat het plan voldoet aan de milieuwetgeving. In deze wetgeving worden echter niet alle gezondheidsaspecten getoetst.
Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' is door de gemeente beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Hierbij is gebruik gemaakt van de concept achtergrondkaart endotoxine die is gemaakt aan de hand van de fijnstof emissie uit Web-BVB van pluimvee- en varkensbedrijven.
Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er liggen geen geitenhouderijen binnen een straat van 2 km rondom het plangebied. Het plangebied ligt daarmee buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving en blijft buiten de gecumuleerde adviesgrenswaarde van 30 ou/m³. Dat betekent dat er derhalve geen belemmering is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het aspect gezondheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Het aspect volksgezondheid i.r.t. veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plan omvat de bouw van een woning en daarmee een nieuw geluidgevoelige object.
Wegverkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Helvoirtsestraat / Nieuwkuijkseweg. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft DPA Cauberg-Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Woningbouw Helvoirtsestraat 1-3 te Helvoirt, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, (12 oktober 2017, ref. 03449-22305-02)". Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 bijgevoegd.
DPA Cauberg-Huygen concludeert dat:
Tegelijk met de terinzagelegging van het bestemmingsplan zal ook een Verzoek Hogere waarden worden gedaan. Na toekenning van de Hogere waarde zijn er geen planologische belemmeringen voor voorliggend plan inzake geluid wegverkeerslawaai.
Railverkeerslawaai
Het plangebied ligt buiten de geluidzone van het spoor. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan.
Industrielawaai
Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan na toekenning Hogere waarde.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.
Onderhavig plan omvat 1 woning en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
Goed woon- en leefklimaat
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan.
Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voorafgaand aan de ingrepen dient daarom in kaart gebracht te worden welke archeologische waarden mogelijk in het geding zijn. Gezien de aard van de ingrepen zullen de ingrepen naar verwachting tot in de archeologisch relevante niveaus reiken. Vestigia heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de nieuwbouw van een woning tussen de Helvoirtsestraat 1 en 3 te Helvoirt, gemeente Haaren, (3 mei 2018, ref. V17-3650-V1572, 2.0)". Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 bijgevoegd.
Vestigia concludeert het volgende:
Het plangebied heeft op basis van het bureauonderzoek conform de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart een hoge archeologische verwachting op het in situ aantreffen van archeologische vondsten en sporen vanaf het Laat-Paleolithicum/Neolithicum aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor historische bebouwing op de kadastrale minuut uit 1811-1832. De bebouwing is echter niet volledig uit te sluiten, waardoor er een middelhoge verwachting is opgesteld voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd tot aan 1800.
In het plangebied zijn vier verkennende boringen gezet. In het plangebied zijn humeuze en verrommelde lagen aanwezige die rusten op wit dekzand. De geomorfologische ligging is onduidelijk. Gezien de kleur van het dekzand, de afwezigheid van een podzolbodem, de aanwezigheid van ijzervlekken en de nabijheid van een beekdal kan het plangebied relatief laag binnen de dekzandwelving hebben gelegen.
Indien een podzolbodem aanwezig was is deze opgenomen in de humeuze bovengrond of de geroerde lagen. Vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum bestaan voornamelijk uit ondiepe sporen en de hoge verwachting voor die periode kan daarom bijgesteld worden naar een lage verwachting.
In de helft van de boringen zijn duidelijke diepe verstoringen waargenomen die ook diepere sporen uit jongere perioden hebben aangetast. Gezien de beperkte omvang van het resterende plangebied, de ondiepe verstoringen en de mogelijke lagere ligging wordt de middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe Tijd ook bijgesteld naar een lage verwachting.
Advies
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een hoge archeologische verwachting op sporen uit de periode vanaf het Laat-Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor resten uit de Vroege Middeleeuwen tot 1800 na Chr.
Gezien het aangetroffen bodemprofiel met de gebleken ondiepe en diepe verstoringen in combinatie met de mogelijk lagere ligging, kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats zeer klein is. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is de archeologische verwachting voor het plangebied daarom bijgesteld naar ‘laag’ en adviseert Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie dan ook geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ).
Het bevoegd gezag, de gemeente Haaren, heeft hierover een besluit genomen. Zij kan instemmen met de inhoud en strekking van het door Vestigia opgestelde
rapport en de gemeente neemt het advies, geen verder vervolgonderzoek noodzakelijk te achten, over. Wel blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Haaren, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' uit het vigerende bestemmingsplan is van de verbeelding verwijderd.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant.
Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar.
Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 9 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Daarnaast geldt gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat de verstoring door licht, geluid en optische verstoringen die voortvloeien uit het plan niet voor significante gevolgen zorgen.
Soortenbescherming
De gronden waarop de woning gerealiseerd zal worden waren tot een paar jaar geleden nog bebouwd. De gronden bestaan nu uit grasland zonder opgaande beplanting. Bij de realisatie van de woning zullen geen natuurwaarden worden verstoord.
In de toekomst zullen de bestaande schuren gesloopt worden om een beter uitzicht vanuit de woning te verkrijgen en zal een nieuwe schuur worden gerealiseerd. Omdat nu nog niet bekend is wanneer dit gaat gebeuren en de 'houdbaarheid' van een onderzoek naar natuurwaarden maar 3 jaar is zal ter zijner tijd een Quickscan Flora en fauna worden uitgevoerd. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die borgt dat dit onderzoek zal worden uitgevoerd alvorens tot sloop van de bestaande schuren over te gaan.
Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.
Het aspect natuurwaarden vormt inzake de realisatie van de woning geen planologische belemmering voor het plan.
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel.
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.
De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:
| benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) |
Bodemopbouw
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,9 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend.
Infiltratiecapaciteit
Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse sprake is van een bodem van matig fijn, matig siltig zand. De waterdoorlatendheid is redelijk goed.
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Watergang De Zandleij ligt wel in de directe omgeving van het plangebied.
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 0,4-0,8 m -mv (bron: bodemkaart).
Het plangebied ligt in attentiegebied Keur en attentie zone waterhuishouding op grond van de Interim omgevingsverordening (IOV) van de Provincie Noord-Brabant. Dit houdt in dat er dit gebied geen activiteiten mogen plaatsvinden die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding in het naastgelegen waterafhankelijke natuurgebied Helvoirts Broek.
Het vasthouden van hemelwater is in deze gebieden belangrijk. Ook ligt de Zandleij, een a-water met een Kader Richtlijn Water doelstelling, in de directe omgeving van het plangebied.
In overleg met het Waterschap is besloten een wadi in de voortuin aan te leggen van die niet dieper wordt dan de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) of maximaal 1,20m –mv.
Daarmee wordt wel het water in het gebied vastgehouden maar geen water van het grondwater uit het omliggende gebied onttrokken.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie.
In de eerste kolom staat het type verharding. In de tweede kolom staat het verhard oppervlak van de bestaande situatie. De derde kolom geeft de afname van verhard oppervlak. De toename van verhard oppervlak staat in de vierde kolom. De laatste kolom geeft het verhard oppervlak van de nieuwe situatie (nieuw = bestaand - afname + toename).
| bestaand | afname | toename | nieuw | |||||
| bebouwing | 140 | m2 | 170 | m2 | 310 | m2 | ||
| bestrating | 620 | m2 | 355 | m2 | 265 | m2 | ||
| totaal | 760 | m2 | 575 | m2 | ||||
De totale afname van de verharding is 185 m2.
Het waterschap stelt geen verdere eisen voor de verwerking van het hemelwater bij ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 2.000 m², hiervoor geldt dan het gemeentelijk beleid. De gemeente Haaren conformeert zich ten aanzien van de omgang met hemelwater in principe aan het beleid van het waterschap maar stelt dat een ontwikkeling te allen tijde hydrologisch neutraal dient plaats te vinden (HNO).
Onderhavig plan resulteert in een afname van het verharde oppervlak. Er hoeft geen extra water geborgen/geïnfiltreerd dient te worden. In de voortuin is echter wel een hemelwatervoorziening opgenomen. In de wadi kan het water van het verhard oppervlak geborgen worden. Volgens de berekening van het Waterschap zou de bergingscapaciteit van de wadi dan 34,5 m3 moeten zijn. Om wateroverlast in pieksituaties te voorkomen adviseert het Waterschap een noodoverloop- of leegloopvoorziening te creëren. Hiermee zorgt de ontwikkeling voor positieve balans met betrekking tot de waterhuishouding.
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.
Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Helvoirtsestraat geloosd worden.
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.
Op 12 maart 2020 is een reactie van het Waterschap ontvangen op het concept Ontwerpbestemmingsplan. Naar aanleiding daarvan is contact geweest met het Waterschap en is het plan aangepast. In plaats van een vijver met helofytenfilter zal een ondiepere wadi worden aangelegd om het hemelwater in op te vangen.
Het aspect water vormt inzake de realisatie van de woning geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Andere activiteiten zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.
De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen aangezien de realisatie van een woning niet valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.
Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft.
Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Het klimaat verandert door de stijgende temperatuur op aarde. Ook in Haaren merkt men dit, denk aan hevige regenbuien, lange droogte en hete zomers. Wetenschappers zijn het erover eens dat de mens grotendeels verantwoordelijk is voor deze verandering, met name door het gebruik van fossiele brandstoffen en de CO2 die hierbij vrij komt.
De duurzaamheidsambities van de gemeente Haaren zijn:
Als het doel is om in 2035 geen CO2-uitstoot te hebben en in 2050 klimaatbestendig te zijn, moeten er in de tussenliggende periode genoeg maatregelen genomen worden die naar dit doel leiden.
In de toekomstige ontwikkelingen dienen deze maatregelen (zo mogelijk) doorgevoerd te worden.
De gemeente heeft aangegeven dat de volgende maatregelen onderzocht dienen te worden op toepasbaarheid in de ontwikkeling.
Voorliggend initiatief betreft de nieuwbouw van een woning waarbij de eerste 4 aspecten (lage epc waarde, isolatie, warmte en elektriciteit) op gebouwniveau worden uitgewerkt en bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning nader worden besproken.
Wat betreft de verwerking van hemelwater op eigen terrein en behoud groen op het perceel is bij de inrichting van het perceel al rekening mee gehouden. Er wordt een wadi aangelegd en de bestaande bomen worden behouden en er wordt nieuw groen aangelegd.
Er wordt in voorliggend plan rekening gehouden met de door de gemeente genoemde duurzaamheidsaspecten.
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
Alle kosten die verband houden met het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing, de realisatie van het bouwplan en de daaruit voortvloeiende uitvoeringskosten (zoals planschade) komen voor rekening van de initiatiefnemer. Afspraken over de planherziening worden in een anterieure overeenkomst vastgelegd. In deze overeenkomst worden tevens afspraken met betrekking tot het kostenverhaal vastgelegd. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.
Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:
De bewoners en gebruikers die direct gesitueerd zijn aan of zicht hebben op de locatie zijn door de initiatiefnemer benaderd per mail of via een brief in de brievenbus in de periode tussen 23 maart en 2 april. De omgevingsdialoog heeft met toestemming van de gemeente, in verband met de Covid-19 uitbraak, deels plaatsgevonden via de mail.
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties.
Op 12 maart 2020 is een reactie van het Waterschap ontvangen op het concept Ontwerpbestemmingsplan. Naar aanleiding daarvan is contact geweest met het Waterschap en is het plan aangepast.
Ook is een reactie van de Provincie Noord-Brabant ontvangen. Zij gaven aan dat de ontwikkeling is voorzien op een locatie die is gelegen binnen het werkingsgebied 'Attentiezone waterhuishouding' (artikel 3.26 IOV). De manier waarop de ontwikkeling zich verhoudt tot deze zone is nu nader toegelicht in de toelichting.
Op grond van artikel 3.8 Wro heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 25 juni 2020 tot en met 5 augustus ter inzage gelegen. Binnen deze termijn bestond de mogelijkheid om, (naar eigen keuze) mondeling of schriftelijke een zienswijze bij de gemeente in te dienen.
Er is één zienswijze ingediend. In de in bijlage 10 opgenomen Nota van zienswijzen is deze samengevat en beantwoord. De zienswijze heeft geleid tot een beperkte aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
Op 29 oktober 2020 is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels.
De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De indeling van de planregels is als volgt.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Hoofdstuk 4 Overgangsregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Wonen (artikel 3)
De voor 'Wonen‘ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en tuinen en erven.
Hoofdgebouwen in de vorm van woningen, ter plaatse van het bouwvlak is 1 woning toegestaan.
Verder zijn onder meer regels opgenomen betreffende de toegestane goot - en bouwhoogte.
Ten aanzien van de aan en uitbouwen en bijgebouwen alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bepalingen opgenomen aangaande de situering, oppervlaktemaatvoeringen en goot- en bouwhoogte.
Voorts is in de regels voorzien in een aantal mogelijkheden waarin met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van zowel de bouwregels alsook de gebruiksregels.
Waterstaat Natte natuurparel bufferzone (artikel 4)
Met deze dubbelbestemming wordt beoogd de hydrologische waarden van de bufferzone rondom de natte natuurparel te behouden, herstellen en/of te ontwikkelen.
In de regels is daartoe het uitvoeren van werken en werkzaamheden in nader in de regels aangegeven situaties aan een vergunningstelsel gebonden. Bij de afgifte van een dergelijke vergunning dient te worden beoordeeld in hoeverre met de uitvoering van de voorgestane werken en werkzaamheden een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de hydrologische waarden van de natte natuurparel
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 5)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene bouwregels (artikel 6)
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen.
Algemene gebruiksregels (artikel 7)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.
Algemene afwijkingsregels (artikel 8)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.
Algemene wijzigingsregels (artikel 9)
Dit artikel bevat enkele algemene bepalingen op basis waarvan het college bevoegd is de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen op ondergeschikte onderdelen te wijzigen
Algemene procedureregels (artikel 10)
Met betrekking tot de voorbereiding van de wijziging van het bestemmingsplan is Afdeling 3.4 (Openbare voorbereidingsprocedure) van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Overige regels (artikel 11)
Dit artikel bevat de regels met betrekking tot parkeren.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 12)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.
Slotregel (artikel 13)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.