| Plan: | Torenstraat 22 te Gassel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0786.BPTorenstr22Gassel-VA01 |
| COLOFON: | |||
| Betrokken ambtenaar: | Dhr. R. Harmsen | ||
| Projectleider Buro SRO: | Dhr. E. Mekelenkamp / www.buro-sro.nl | ||
De bewoner van de locatie Torenstraat 22 in het buitengebied van de gemeente Grave is voornemens om bij zijn voormalige boerderij enkele dagrecreatieve activiteiten te ontplooien. Tevens is het voornemen om twee ruimte-voor-ruimte-woningen te realiseren op een locatie waar recent een bedrijfsgebouw van een intensieve veehouderij is gesloopt en gesaneerd. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Grave, sectie L, nrs. 1327, 1798, 1816, 1817, 1826, 1827 en 1854.
Volgens het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' is de gewenste ontwikkeling niet mogelijk. De gemeente Grave wil echter medewerking verlenen aan het initiatief middels het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de grond wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan.
Het plangebied ligt aan de Torenstraat 22 ten zuiden van Gassel in de gemeente Grave. Op bijgaande luchtfoto is het plangebied aangegeven.
Globale ligging plangebied
Navolgende luchtfoto toont het totale bestemmingsplangebied in rood. Omdat het bestaande agrarische bouwvlak verwijderd wordt, zijn de agrarische percelen waarbinnen dit bouwvlak ligt ook opgenomen (blauw omlijnd). In het blauw omlijnde gebied vinden echter geen ontwikkelingen plaats. Daarom is bij de onderzoeken en op de verdere afbeeldingen in deze toelichting wanneer gesproken wordt over plangebied, het blauw omlijnde gebied buiten beschouwing gelaten.
Luchtfoto met kadastrale grenzen en plangebied rood omlijnd
Voor de plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Grave, dat op 23 april 2013 is vastgesteld. Tevens gelden de bestemmingsplannen 'Seksinrichtingen', vastgesteld op 27 januari 2015 en 'Boomteelt', vastgesteld op 4 juli 2017. Aangezien deze bestemmingsplannen regels voor zeer specifieke onderwerpen toevoegen, die voor dit initiatief niet van toepassing zijn, worden deze hier niet verder behandeld. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied gelden voor het plangebied de volgende bestemmingen en aanduidingen:
Binnen de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden' zijn recreatieve functies en de toevoeging van twee woningen niet toegestaan. Bijgevoegd een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied'.
Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied' met plangebied rood omlijnd
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 de huidige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is vervolgens het initiatief toegelicht. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving. In hoofdstuk 5 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 6 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
Het plangebied is gelegen aan de Torenstraat 22 in het buitengebied ten zuiden van de kern Gassel. Het gebied is ontgonnen in de tweede helft van de 19e eeuw, waarna er een boerderij is gesitueerd. Na de Tweede Wereldoorlog is het perceel bebouwd met meerdere agrarische opstallen, op de bijgevoegde kaart uit de jaren '60 is dit te zien.
Topografische kaart 1960 met plangebied blauw omcirkelt
Het plangebied is onderdeel van de bebouwingsconcentratie Torenstraat. Rondom het plangebied ligt verspreide bebouwing in een landschap met een open karakter. Ten westen van het plangebied wordt het open karakter begrensd door bossen. Het plangebied ligt in een wig tussen de Torenstraat aan de oostzijde en een onverharde weg die loopt van de Torenstraat in het zuiden naar de Heidestraat in het noorden. Beide wegen worden begeleid door (deels onderbroken) bomenrijen.
Luchtfoto met plangebied rood omlijnd
De bebouwing in het plangebied bestaat uit de voormalige boerderij (nu in gebruik als burgerwoning) met enkele bijgebouwen. Voorheen was er ten noorden van de boerderij een grote pluimveestal aanwezig die enkele jaren geleden is gesloopt. Het terrein bestaat nu uit grasland. De voormalige boerderij bestaat uit één laag met kap en een uitbouw. De foto geeft een impressie van het gebied.
Beeld van de onverharde weg richting het zuiden met linksvoor het plangebied met voormalige boerderij (linksvoor heeft de stal gestaan)
Het plangebied werd in het verleden doorkruist door een weg (zie ook historisch kaartfragment). Deze weg is verdwenen toen de grote kippenstal werd gerealiseerd. Het oostelijk deel van de weg met begeleidende bomen is nog wel aanwezig (zie foto), deze wordt gebruikt ter onstluiting van de nieuw gerealiseerde woning (op de foto nog in aanbouw).
Beeld van het pad ter plaatse van de historische weg richting het oosten
Het plangebied maakt deel uit van het buitengebied van de gemeente Grave. De omgeving kenmerkt zich voornamelijk door verspreid gelegen woningen en enkele agrarische bedrijven. Direct ten westen en noordoosten van het plangebied bevinden zich woningen. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een op- en overslagbedrijf en ten zuidoosten van het plangebied is een agrarisch bedrijf gelegen. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een ambachtelijke en machinale meubelmakerij.
In het plangebied was voorheen een intensieve veehouderij (kippenstal) aanwezig. De bedrijfsbebouwing is recent echter gesloopt en de plek waar deze stond is in de huidige situatie een grasveld. De agrarische bedrijfswoning is nog aanwezig in het zuidelijk gedeelte van het plangebied.
Het initiatief omvat het ontwikkelen van kleinschalige recreatieve functies in de bestaande boerderij, alsmede het realiseren van twee ruimte-voor-ruimtewoningen op het noordelijk perceel. De volgende afbeelding toont het schetsontwerp van de toekomstige situatie. Het schetsontwerp is met een legenda ook opgenomen in bijlage 1 bij de regels.
Inrichtingsschets met aan de zuidzijde de recreatiefunctie en aan de noordzijde de twee woningen
Het plangebied maakt onderdeel uit van een gebied met een oude landschapsstructuur, waar langs de wegen kleinschalige ontginningen hebben plaatsgevonden vanuit de diverse buurtschappen. De kleinschaligheid met bebouwingsclusters is in dit gebied nog steeds duidelijk herkenbaar en geeft het gebied zijn waardevolle karakter en structuur. De bebouwing ligt min op meer 'gestrooid' in het oude landschap en ligt vaak niet strak langs de wegen. Ook is er sprake van een grote afwisseling in landschapselementen: wegbeplanting en bosjes worden afgewisseld met doorzichten richting het open landschap in de omgeving. Op deze structuur wordt aangehaakt met het ontwerp van de locatie.
Ruimte-voor-ruimte woningen
Omdat het plangebied onderdeel uitmaakt van een aangewezen bebouwingsconcentratie, is het mogelijk om ruimte-voor-ruimte woningen te realiseren. In het noordelijk deel van het plangebied zal dit gerealiseerd worden. Dit is ongeveer op dezelfde plek als waar in het verleden ook bebouwing aanwezig is geweest, op een oude welving in het landschap.
Fragment inrichtingsschets met 2 ruimte-voor ruimte woningen en herstel historische route
De nieuwe woningen zijn op een informele wijze gesitueerd op de kavels. Door de situering van de bouwvlakken verspringt de rooilijn ten opzichte van elkaar. Op deze manier wordt gezorgd voor een landelijke situering van de woningen en wordt lintbebouwing voorkomen. De informele situering op de kavel is ook passend bij de erfopbouw zoals die in de omgeving voorkomt. De woonpercelen zullen landschappelijk worden ingepast door de toepassing van hagen, de aanplant van bomen en de aanleg van landschapselementen zoals boomgaarden en moestuinen. Daarbij worden gebiedseigen plantensoorten toegepast. Bestaande bomen worden ingepast. De landschappelijke inpassing wordt in de regels voorwaardelijk verplicht gesteld (zie artikel 8.3).
De woningen zullen bestaan uit 1 tot 1,5 bouwlaag met een kap (maximale goothoogte 4,5 meter, maximale bouwhoogte 9 meter) en een inhoud tot maximaal 1.000 m³. Hierdoor ontstaan eenvoudige bouwmassa's met (samengestelde) zadelkap met relatief grote dakvlakken, passend bij de landelijke bouwwijze in de omgeving. Het materiaalgebruik van de woningen sluit hierop aan: een kap van riet of gebakken pannen, muren van baksteen (evt. deels stucwerk) en/of hout met details in glas. De bijgebouwen zijn uitgevoerd in hout of baksteen.
De verdwenen historische weg (zie paragraaf 2.1) wordt weer hersteld: het nog aanwezige pad wordt doorgetrokken tot aan de onverharde weg aan de westzijde van het plangebied. Het pad is bedoeld voor langzaam verkeer en krijgt tevens een functie ten behoeve van de ontsluiting van de zuidelijke ruimte-voor-ruimtewoning. Hiermee wordt de route hersteld die vroeger doorliep naar de heidegronden in het westen. Het is gewenst dat dit pad niet wordt gebruikt voor doorgaand gemotoriseerd verkeer. Daarom is ervoor gekozen om de nieuwe woningen te oriënteren op de westelijk gelegen zandweg.
Het pad wordt opnieuw voorzien van bomen (in de inrichtingsschets donker gekleurd) en wordt daardoor een belangrijk structurerend groenelement. De bestaande bomen langs de westelijk gelegen zandweg kunnen behouden blijven, de inritten van de woningen zijn zo gesitueerd dat dit mogelijk is.
Nieuwe functie in bestaande boerderij
In de bestaande boerderij worden naast de te handhaven woonfunctie nieuwe recreatieve functies mogelijk gemaakt. Het terrein rondom de boerderij zal heringericht worden ten behoeve van de nieuwe recreatieve functie.
Fragment inrichtingsschets herinrichting terrein rondom boerderij
Bij de herinrichting zal het terrein aangeplant worden met hagen in gebiedseigen soorten. De bestaande bomen blijven gehandhaafd. De aanwezige bomenrij langs de Torenstraat zou doorgetrokken kunnen worden richting het zuiden. Dit past ook in het streven van de Gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties naar continue laanstructuren. Dit is echter gemeentelijk eigendom en dit valt buiten het plangebied. Om het naast de boerderij gelegen weiland wat meer diepte te geven, wordt een boomgroep geplant.
De bestaande bijgebouwen en ook de bestaande inritten blijven gehandhaafd. Ten behoeve van de recreatieve functie zal er een parkeerruimte worden gerealiseerd. Deze parkeerruimte zal rondom voorzien worden van een haag zodat de auto's voor de groot deel uit het zicht worden geparkeerd. De bestaande inritten blijven gehandhaafd.
De kleinschalige recreatieve functies die in de bestaande boerderij en bijbehorende gronden mogelijk worden gemaakt, zijn:
Voor de zaalaccommodatie worden maximaal 50 personen tegelijkertijd verwacht. De activiteiten die hier worden georganiseerd hebben voornamelijk een lokale doelgroep. Het theehuis/gasterij is vooral bedoeld voor (passerende) wandelaars en fietsers en bezoekers van het nabijgelegen Gasselse bos. Daarnaast blijft een deel van het bestaande gebouw als woning in gebruik. In deze bestaande woning wordt een bed & breakfast mogelijk gemaakt. De dagrecreatieve functies en de bed & breakfast voorziening worden via de bestaande inrit aan de westzijde van het plangebied ontsloten.
De buitenruimte wordt deels gebruikt voor deze recreatiefunctie, maar ook deels als privétuin en als extensief agrarische functie (hobbydieren).
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'acute regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en/of het Barro.
Ladder duurzame verstedelijking
De recreatieve functies worden voornamelijk in de bestaande bebouwing gesitueerd. De nieuwe bebouwing ten behoeve van deze functie bestaat slechts uit enkele bijgebouwen, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt (Uitspraak 201608869/1/R3). Aangezien er slechts twee ruimte-voor-ruimte-woningen worden toegevoegd, die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is voor het initiatief dan ook niet nodig.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten staat het Rijksbeleid ontwikkeling van de locaties niet in de weg.
Op 7 februari 2014 heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant 2014 vastgesteld. De SVRO is op 19 maart 2014 in werking getreden. De SVRO geeft het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant en vormt een belangrijke schakel tussen de structuurvisies van het Rijk en gemeenten op het vlak van ruimtelijke ordening. In de structuurvisie is de samenhang weergegeven tussen milieu, verkeer, vervoer en water. Daarnaast houdt de structuurvisie rekening met het provinciale economische-, sociaal-, cultureel-, en ecologisch beleid. De juridische vertaling van het beleid zoals gesteld in de SVRO is opgenomen in de Verordening ruimte.
De provincie kiest voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Daarnaast moeten de provinciale belangen en ruimtelijke keuzes bijdragen aan het vestigings- en leefklimaat van Noord-Brabant. De fysieke leefomgeving bepaalt mede de kwaliteit van leven. De leefomgevingskwaliteit en daarmee de gezondheid staat in delen van Noord-Brabant onder druk. Naast gezondheidsbescherming via milieubeleid en risicobeheersing is aandacht nodig voor gezondheidsbevordering via ruimtelijke planvorming en duurzame inrichting van steden, dorpen en het landelijke gebied.
Planspecifiek
Op de locatie is recent een intensieve veehouderij gesloopt en gesaneerd. Hiermee is bijgedragen aan de leefomgevingskwaliteit en daarmee de gezondheid. Het plangebied krijgt een nieuwe invulling van recreatieve functies en twee woningen, waardoor het vestigings- en leefklimaat ter plaatse wordt versterkt. Tevens sluit de ontwikkeling aan bij het provinciaal ruimtelijk belang van een multifunctioneel landelijk gebied. De beleidsdoelstellingen vanuit de SVRO zijn nader uitgewerkt in de Verordening Ruimte (zie paragraaf 4.2.2).
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn.
Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
Belangrijk bij de beoordeling van nieuwe plannen is de inpasbaarheid in het provinciaal beleid. De Ruimtelijke Verordening is daarbij het document wat de meest concrete regels biedt voor nieuwe ontwikkelingen.
Planspecifiek
Het plangebied ligt op basis van de Verordening ruimte in de 'Groenblauwe mantel'. Binnen het gebied behorende tot de Groenblauwe mantel kan een bestemmingsplan op basis van Artikel 6.8 voorzien in ruimte-voor-ruimte-kavels, indien:
De ruimte-voor-ruimte titels worden aangekocht via de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op in het verleden behaalde aanzienlijke milieu-en ruimtelijke kwaliteitswinst. De ruimte-voor-ruimte-kavels worden in een bebouwingsconcentratie gerealiseerd en landschappelijk ingepast. De ontwikkeling voorziet in twee woningen in een landelijke omgeving en is dus geen aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. Hiermee wordt er voldaan aan de voorwaarden om ruimte-voor-ruimte-kavels mogelijk te maken in het bestemmingsplan. Daarmee is is Artikel 3.2 over kwaliteitsverbetering van het landschap niet van toepassing.
Met de ontwikkeling van het recreatiebedrijf wordt voldaan aan artikel 6.1. De ontwikkeling staat slechts 400 m² aan gebouwen ten behoeve van de recreatiebestemming toe, die voornamelijk uit de bestaande bebouwing zal bestaan, en wordt landschappelijk ingepast. Het vestigen van een niet-agrarische functie is op basis van Artikel 6.10 toegestaan onder de voorwaarden dat:
Doordat er één recreatiebedrijf wordt gerealiseerd in de bestaande bebouwing, wordt voldaan aan de regels voor het toegestane type bedrijf en is er geen sprake van een grootschalige ontwikkeling. De landschappelijke waarden worden beschermd door middel van een landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 bij de regels).
Specifiek voor de vestiging van een recreatiebedrijf in de groenblauwe mantel geldt Artikel 6.11, op basis waarvan een recreatiebedrijf gevestigd mag worden, mits:
De ontwikkeling van het recreatiebedrijf is niet in strijd met deze regels, aangezien er gebruik wordt gemaakt van de bestaande bebouwing in het plangebied, die minder dan 1,5 hectare bedraagt. Er worden geen recreatiewoningen gebouwd. Het vestigen van lawaaisporten maakt geen onderdeel uit van de ontwikkeling, waarmee wordt voldaan aan Artikel 6.16.
Voor het plangebied geldt daarnaast de aanduiding 'Cultuurhistorisch vlak' (Artikel 22), waarbinnen bestemmingsplannen mede zijn gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en regels stelt om deze waarden te beschermen. Op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie ligt de locatie in het gebied 'Maasvallei'. De regio ontleent zijn cultuurhistorische betekenis aan de landschappelijke zonering van laag-, midden- en hoogterras. De verschillen in inrichting en het gebruik van deze zones zijn nog redelijk goed herkenbaar in het huidige landschap. De ontwikkelingsstrategie bestaat enerzijds uit behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio en anderzijds uit het in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten van de cultuurhistorische waarden van de Maasvallei. Met de voorgenomen ontwikkeling worden landschappelijke elementen toegevoegd en worden bestaande bomenstructuren hersteld. Hierdoor worden de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het landschap versterkt en wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteiten van het plangebied en de omgeving.
De locatie is onderdeel van het 'Eiland Gassel'. Dit gebied bestaat uit Gassel en de omliggende gronden, die in de 19e eeuw ter verdediging omringd konden worden door water, waardoor een eiland ontstond. Aangezien aan de ontwikkeling en daarmee verdichting plaatsvindt aan de binnenzijde van de contouren van het eiland Gassel, worden de cultuurhistorische waarden niet aangetast.
Hiermee wordt voldaan aan Artikel 22 van de Vr.
Het plangebied is ook aangeduid als 'Stalderingsgebied' (Artikel 26) waardoor omschakeling naar hokdierhouderij mogelijk is. Dit artikel is gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan het provinciale beleid.
Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de structuurvisie Grave 2025 ('Vitale vestinggemeente aan de Maas') vastgesteld. Hierin zet de gemeente in op behoud en versterking van leefbare kernen en een beleefbaar platteland voor haar bewoners, bedrijven, organisaties en bezoekers.
In de structuurvisie wordt voor het buitengebied aangegeven dat er wordt gestreefd naar een goede balans tussen de agrarische sector, natuur, water, recreatie en landschap. Het behoud van een vitale agrarische sector is van belang, maar daarnaast vragen natuur en waterberging steeds smeer ruimte, en zijn er steeds meer toeristische en recreatieve nevenactiviteiten. De gemeente zal soepel omgaan met aanvragen om het ondernemerschap in het buitengebied te stimuleren. Bijvoorbeeld door het mogelijk maken van kleinschalige bed & breakfasts of kampeerboerderijen.
Om de kwaliteit en het karakter van het landschap te behouden, worden in het buitengebied geen grootschalige ontwikkelingen voorzien van andere dan agrarische functies. In algemene zin wordt nieuw ruimtebeslag van stedelijke functies zoveel mogelijk voorkomen, in lijn met het provinciaal beleid. In het bestemmingsplan buitengebied is dan ook vastgelegd dat de bouwmogelijkheden in het buitengebied beperkt zijn. Kleinschalige ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het vlak van toerisme en recreatie, zijn wel mogelijk. Indien daarvoor nieuwe gebouwen of voorzieningen nodig zijn, dan moeten deze zorgvuldig worden ingepast in de omgeving (passend bij de aard, schaal en functie).
Wel zijn er mogelijkheden voor projecten die zorgen voor een aantoonbare verbetering van structuren of waarden op het vlak van natuur, water, landschap of cultuurhistorie (kwaliteitsverbetering van het landelijke gebied). Het door de gemeente vastgestelde beleid voor bebouwingsconcentraties is leidend voor het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing voor andere ontwikkelingen.
Planspecifiek
Het initiatief voorziet in een kleinschalige ontwikkeling op het gebied van recreatie die landschappelijk wordt ingepast op basis van het landschappelijk inpassingsplan dat is opgenomen in bijlage 1 bij de regels. Daarnaast worden op de locatie van vrijkomende agrarische bebouwing twee woningen gerealiseerd, waarop nader wordt ingegaan in paragraaf 4.3.2. Het initiatief is niet strijdig met het gestelde in de Structuurvisie Grave 2025.
De gebiedsvisie voor bebouwingsconcentraties van de gemeente Grave bevat een ontwikkelings- en toetsinskader voor ruimtelijke initiatieven in bebouwingsconcentraties. Per bebouwingsconcentratie is een ruimtelijk kader opgesteld. Het plangebied ligt binnen de bebouwingsconcentratie 'Torenstraat'.
De visie zet in op behoud van openheid van het zuidwestelijk deel van de bebouwingsconcentratie. Vanuit kern Gassel blijft hierdoor de overgang van dichtere naar open bebouwing bestaan en blijven de waardevolle zichtrelaties naar het open buitengebied behouden. Door geen extra bebouwing toe te staan rond het kruispunt Torenstraat - Turnhoutseweg/Heidestraat blijft de situatie overzichtelijk en de relatie met de omgeving aanwezig. Extra bebouwing is toegestaan in het noordwestelijke deel van de bebouwingsconcentratie. Hierdoor wordt de overgang vanuit de kern Gassel richting het buitengebied ruimtelijk versterkt. Van belang is dat aangesloten wordt op de karakteristiek van bebouwing aan de overzijde van de Torenstraat. De bebouwingsconcentratie kan ruimtelijk versterkt worden door een continue laanstructuur te verwezenlijken. Door de groenstructuur voor te zetten zal de bebouwingsconcentratie meer eenheid uitstralen. De volgende afbeelding visualiseert het voorgaande.
Ruimtelijk kader bebouwingsconcentratie Torenstraat
Planspecifiek
Door de realisatie van twee woningen in het plangebied wordt de laanstructuur van de onverharde weg, waaraan deze woningen liggen, versterkt. Hoewel de ontwikkeling niet bijdraagt aan openheid, is de ontwikkeling stedenbouwkundig wel mogelijk, omdat de recreatieve functies zich concentreren in en rondom de bestaande bebouwing en de nieuwe woningen op de locatie komen van de gesloopte agrarische bedrijfsbebouwing.
De gemeente grave heeft op 21 juni 2011 de Welstandsnota Grave vastgesteld. Hierin is voor het gehele grondgebied van de gemeente welstandsbeleid bepaald.
Voor het plangebied geldt het welstandsniveau 'G3: Boerenerf - agrarisch buitengebied'. Dit niveau geldt voor het grootste deel van het landelijk gebied, waarbinnen agrarisch grondgebruik plaatsvindt. Er dient zorgvuldig omgegaan te worden met historische en cultuurhistorische bebouwing. De bebouwing bestaat overwegend uit één bouwlaag met een kap. Individuele woningbouw dient qua maat, schaal en materiaalgebruik aan te sluiten bij de bestaande burgerwoningen in het buitengebied.
Planspecifiek
De nieuwe woningen kennen een eenvoudige massa met (samengestelde) zadelkap met relatief grote dakvlakken en een lage goothoogte. Ook het materiaalgebruik van de woningen sluit aan bij de bestaande burgerwoningen in het buitengebied: een kap van riet of gebakken pannen, muren van baksteen (evt. deels stuukwerk) en/of hout met details in glas. De bijgebouwen zijn uitgevoerd in hout of baksteen. Het plan is in de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit behandeld, waaruit geen bezwaren naar voren kwamen. Er wordt daarmee aangesloten bij het welstandsbeleid van de gemeente.
De gemeente heeft in woningbouwprogramma voor 2017 opgesteld die concrete realisatie van woningen in 2017 en 2018 ten doel heeft. Hierin zijn de projecten opgenomen die naar verwachting in 2017 en 2018 worden gerealiseerd. Voor de Regeling ruimte voor ruimte is een bandbreedte van 2 tot 6 woningen opgenomen in het programma op diverse locaties. De twee nieuwe woningen vallen binnen deze categorie en passen daarmee in het woningbouwprogramma.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
Aangezien er in het plangebied sprake is van een functiewijziging, moet aangetoond worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Hiervoor is een bodemonderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 1. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging te verwachten op de locatie. In de bovengrond zijn slechts lichte verontreinigingen aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is naast lichte verontreinigingen ook een matige verontreiniging met zink aangetroffen. Deze metaalverontreinigingen zijn vermoedelijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op de aard en mate van de verontreinigingen, is nader onderzoek niet nodig en zijn er geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Op het gebied van bodem is het plan uitvoerbaar.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde hiervan bedraagt 40 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in (paragraaf 5.2). De Wet kent onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het dichtstbijzijnde rekenpunt 15857787 (aan de Maasveld (N321)ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) | PM10 (Fijn stof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2015 (µg/m3) | 19,1 µg/m3 | 19,7 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
De ontwikkeling van twee woningen in het plangebied kan, gezien de toevoeging van het aantal woningen ruim onder de 1.500 woningen ligt, aangemerkt worden als een NIBM-project. Ook de recreatieve functies zullen slechts een beperkte verkeersaantrekkende werking (circa 52 verkeersbewegingen) met zich mee brengen. Voor de volledigheid is de NIBM tool ingevuld voor de totale toename aan verkeersbewegingen (68), zie navolgende tabel.
Hiermee is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Het initiatief voorziet met de ontwikkeling van twee woningen in geluidgevoelige objecten. De recreatieve functies vormen geen geluidgevoelig object en de woning aan de Torenstraat 22 is in de bestaande situatie al aanwezig.
De nieuwe woningen zijn gesitueerd aan een onverharde weg, die voornamelijk door bestemmingsverkeer wordt gebruikt. De verkeersintensiteit over deze weg is daarmee beperkt. De historische weg wordt in de vorm van een pad voor langzaam verkeer hersteld en zorgt dus niet voor geluidbelasting. De Torenstraat is een rustige weg waarover een snelheid van 60 km/uur is toegestaan. De nieuwe woningen liggen op tenminste 76 van de Torenstraat. Voor deze weg is een akoetsisch onderzoek uitgevoerd. Hierin wordt geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage
Het aspect geluid staat hiermee niet aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de weg.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden op basis van artikel 3. lid 2 van de Wgv gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij buiten danwel binnen de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
Planspecifiek
De dagrecreatieve functies in het zuiden van het plangebied zijn niet geurgevoelig, omdat deze functies niet zijn gericht op menselijk verblijf. De toekomstige bed & breakfast voorziening en ruimte-voor-ruimte-woningen zijn wel geurgevoelig.
In opdracht van de gemeente Grave is een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij (gebiedsvisie geur) opgesteld (31 juli 2013). Aanleiding voor deze gebiedsvisie is de wens om gemeentebreed een afweging te maken over de geurnormen.
Met betrekking tot de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat de nieuwe woningen binnen het plangebied in het gebied zonder geurcontour (witte gedeelte) liggen en grenzen aan het donkergroene gedeelte. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondconcentraties als goed kan worden beschouwd.
Achtergrondbelasting maximale groei (Geurgebiedsvisie Grave 2013) met plangebied blauw omcirkeld
Op basis van artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt voor de twee ruimte-voor-ruimte-woningen en de bed & breakfast voorziening dat de afstand tot veehouderijen tenminste 50 meter dient te bedragen. Aangezien de woningen op meer dan 50 meter van het dichtstbijzijnde agrarisch bouwvlak (Torenstraat 29) liggen, wordt aan deze afstand voldaan. De bed & breakfastvoorzieningen worden in de bestaande woning gerealiseerd en komen daardoor dichter bij het agrarisch bouwvlak te liggen dan op 50 meter afstand. De veehouderij moet in de huidige situatie al rekening houden met deze woning van derden. Het agrarische bedrijf vormt dus ook geen belemmering voor de bed & breakfastvoorzieningen.
Het aspect geur vormt dus geen belemmering voor het initiatief.
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
Planspecifiek
De nieuwe woningen en bed & breakfastvoorziening zijn milieugevoelige objecten, de dagrecreatieve functies zijn niet milieugevoelig en de woning aan de Torenstraat 22 is in de bestaande situatie al aanwezig en hoeft dus niet meer te worden getoetst aan de bestaande omliggende bedrijven. Er liggen enkele (agrarische) bedrijven rondom het plangebied. In de volgende tabel is per bedrijf de door de VNG brochure voorgestelde richtafstand aangegeven.
| Adres | Type bedrijf | Maximale richtafstand | Afstand tot nieuwe milieugevoelige functies |
| Torenstraat 14 | ambachtelijke en machinale meubelmakerij | 100 m (geluid) | 100 m |
| Torenstraat 28 | opslag/overslag | 30 m (geluid) | 110 m |
| Torenstraat 29 | agrarisch bedrijf | 30 m (geluid) | 37 m (tot B&B) |
De nieuwe milieugevoelige functies liggen niet binnen de milieucontouren van deze bedrijven. Voor het agrarische bedrijf aan de Torenstraat 29 is het aspect geur behandeld in paragraaf 5.1.4.
De toekomstige recreatieve functies zijn vergelijkbaar met een pension met congrescentrum / ijssalon / café. Deze activiteiten vallen op basis van de VNG brochure in milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter wordt geadviseerd.
De bestaande woningen in de omgeving liggen op meer dan 10 meter van de recreatieve functies. De woning in de voormalige boerderij en één van de twee nieuwe woningen grenzen direct aan de recreatieve functie. Activiteiten in milieucategorie 1 zijn ook in woonwijken e.d. toegestaan en verhouden zich goed met woningen in de directe omgeving.
Er zal daarom sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zowel de nieuwe woningen als de bestaande omliggende woningen. Daarnaast worden er door de ontwikkeling geen bedrijven belemmerd in de bedrijfsvoering.
Vanuit oogpunt van milieuzonering is voorliggend plan goed uitvoerbaar.
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's:
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Hierbij is de 1% letaliteit belangrijk. Zolang deze oriëntatiewaarde niet overschreden wordt is er geen specifieke motivatie noodzakelijk (let wel: er is dus wel een risico!). Indien de 1% letaliteit wel overschreden wordt dient in de ruimtelijke planvorming dit risicoaspect bewust geaccepteerd te worden met daarbij de motivatie waarom dat acceptabel gevonden wordt. Via inrichtingsmaatregelen (op basis van de gebruiksvergunning en de bouwverordening) en rampenplannen e.a. kan het effect bij een calamiteit beperkt worden.
(Bevi-)inrichtingen
De regelgeving omtrent externe veiligheid bij inrichtingen (bedrijven) is geregeld in het Bevi. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. Het besluit (en bijbehorende regeling) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het ministerie heeft het Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen gepubliceerd, waarin praktische informatie en voorbeelden staan voor het opnemen van buisleidingen met gevaarlijke stoffen in bestemmingsplannen.
De aanpak richt zich op veiligheidsafstanden rond buisleidingen, het beheer en toezicht en de registratie van de ligging van buisleidingen. In de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) wordt de regelgeving verder uitgewerkt en worden regels gesteld ten aanzien van risico's en zonering langs buisleidingen, het opnemen van regels in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Als categorieën buisleidingen waarvoor het Bevb geldt zijn voorlopig alleen buisleidingen met een druk vanaf 16 bar voor het transport van aardgas en vloeibare brandstoffen aangewezen.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijke besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt iseen verantwoording van het groepsrisico is niet verplicht.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart met plangebied omcirkeld in blauw
Op de afbeelding is te zien dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen in de directe omgeving van het plangebied liggen, die een belemmering voor het initiatief kunnen vormen. Met betrekking tot het aspect externe veiligheid is het initiatief uitvoerbaar.
Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (Afdeling 3.5 van het Activiteitenbesluit), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de bestemmingsplanpraktijk word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits dit gemotiveerd kan worden. Deze praktijk wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De volgende aandachtspunten zijn van belang:
Met name bij boomgaarden en boomkwekerijen hebben gewasbeschermingsmiddelen invloed op het woon- en leefklimaat. In voorliggend plan is er geen sprake van boomgaarden of boomkwekerijen in de nabijheid van het plangebied. Bij overige gewassen is het risico op aantasting van het woon- en leefklimaat beperkt.
Planspecifiek
De nieuwe woningen zijn kwetsbare objecten. Rondom het plangebied liggen enkele agrarische percelen, waar gewasbeschermingsmiddelen toegepast kunnen worden. Op een aantal van deze percelen is bedrijfsmatige boom- of fruitteelt niet aannemelijk, gezien de beperkte omvang van de percelen. Voor de overige percelen geldt dat de nieuwe woningen op voldoende afstand worden gerealiseerd, zodat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Er is een memo opgesteld met een uitgebreidere onderbouwing van dit aspect. Deze is opgenomen in bijlage 3. Door op de verbeelding een zone op te nemen waarbinnen verblijf niet is toegestaan, is ook gewaarborgd dat er niet binnen de spuitzones wordt verbleven. Aangezien dit deel in de voortuin ligt en deels gebruikt wordt als inrit, staat dat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Een inrichting als terras of speelplek is hier niet toegestaan.
Op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen is het plan uitvoerbaar.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Keur Waterschap Aa en Maas (2015)
De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. agrariërs en tuinders).
De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug. Medewerkers van het waterschap controleren de naleving van de Keur en overtredingen worden bestraft.
Planspecifiek: watertoets
Ten noordoosten van het plangebied loopt een primaire waterloop met een beschermingszone. Het initiatief voorziet niet in ontwikkelingen binnen deze beschermingszone en heeft daardoor geen invloed op de waterloop. Verder is er geen oppervlakte aanwezig in of rondom het plangebied.
Door de bouw van de ruimte-voor-ruimte-woningen en de aanleg van extra verharding ten behoeve van de dagrecreatie is er sprake van een toename van verharding. Per woning is maximaal 340 m² aan bebouwing toegestaan. Daarnaast wordt er uitgegaan van circa 250 m² per woning aan verharding voor terrassen en ontsluiting. Dit levert per woning 600 m² aan verharding op. Voor de dagrecreatieve functies is de verharding grotendeels al aanwezig. Uitgegaan wordt van maximaal 400 m² aan extra verharding. In totaal wordt er daarmee circa 1.600 m² verharding toegevoegd. Deze toename ligt binnen de vrijstelling van 2.000 m² die het waterschap hanteert. Er zijn geen waterschapsbelangen in het geding. Realisatie van het initiatief past binnen de uitgangspunten van het Waterschap Aa en Maas. Het hemelwater zal op eigen terrein verwerkt worden. De uitwerking van de wijze van verwerking van het hemelwater vindt plaats ten tijde van de omgevingsvergunningsaanvraag voor de activiteit bouwen.
Het afvalwater van de nieuwe functies zal door middel van een persriool worden afgevoerd.
Voor het plan is de digitale watertoets ingevuld. De resultaten daarvan zijn opgenomen in bijlage 4. Realisatie van het initiatief past binnen de uitgangspunten van het Waterschap Aa en Maas en is daarmee uitvoerbaar op het gebied van water.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. De dagrecreatieve functies en de bestaande woning (Torenstraat 22) maken gebruik van de bestaande inritten die uitkomen op de onverharde weg in het westen en op de Torenstraat. Voor de twee ruimte-voor-ruimte-woningen worden nieuwe inritten aangelegd, welke op de onverharde weg worden aangesloten.
Voor de plannen wordt aangesloten bij de Nota Parkeernomen van de gemeente Grave (2014). Voor de twee nieuwe woningen geldt een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning, welke op eigen terrein worden gerealiseerd. Voor de dagrecreatieve functies geeft de Nota Parkeernormen geen specifieke normen. Voor de zaalaccommodatie worden maximaal 50 gasten tegelijkertijd verwacht, waarvan het grootste deel te voet of met de fiets komt, gezien de lokale doelgroep. Ervan uitgaande dat de helft van de bezoekers niet met de auto komt en uitgaande van gemiddeld 2 personen per auto, zijn er circa 13 parkeerplaatsen nodig voor de zaalaccommodatie. Voor de bezoekers van het theehuis die niet te voet of met de fiets komen, worden 10 parkeerplaatsen gerekend. Voor de Bed & Breakfast voorziening (met maximaal 5 gasten) zijn 3 parkeerplaatsen nodig. Dit levert in totaal een parkeerbehoefte van 26 parkeerplaatsen op voor de recreatieve functies. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om de parkeerbehoefte op te vangen. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het verharde terrein zoals opgenomen in de inrichtingsschets in Hoofdstuk 3. De ontwikkeling leidt daarmee niet tot parkeerproblemen.
Voor de recreatieve functies worden 52 motorvoertuigbewegingen per dag verwacht (26 voor zaalaccommodatie, 20 voor theehuis en 6 voor B&B). Per nieuwe woning worden op basis van kencijfers van het CROW circa 8 verkeersbewegingen per dag verwacht. Dit levert in totaal 68 verkeersbewegingen op. Dit staat gelijk aan circa 5 verkeersbewegingen per uur (overdag). De onverharde weg en de Torenstraat kunnen deze toename aan verkeer goed aan.
Op het gebied van verkeer is het initiatief uitvoerbaar.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermt. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voor de ontwikkeling is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. De reslutaten daarvan zijn in deze paragraaf opgenomen. Het volledige onderzoeksrapport is te raadplegen in bijlage .
Gebiedsbescherming
Er liggen geen Natura-2000 gebieden in de omgeving van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 9,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Ten westen van het plangebied liggen enkele gronden die onderdeel zijn van het NNN. De ontwikkelingen zorgen gezien hun aard en beperkte omvang echter niet voor effecten voor deze natuurgebieden.
Soortenbescherming
Er komen in of in de directe omgeving van het plangebied beschermde diersoorten voor. De bomen rondom het plangebied en ebouwing binnen het plangebied zijn potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen, waardoor het aannemelijk is dat het plangebied onderdeel is van het foerageergebied en/of een migratieroute van vleermuizen. Om de verstoring van vleermuizen te voorkomen dienen maatregelen genomen te worden, zoals het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting en werken buiten de schemerperiode. Daarnaast kunnen algemene broedvogels voorkomen in het plangebied. Om negatieve effecten op de broedvogels te voorkomen dienen werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden opgestart. Voor overige beschermde diersoorten heeft het plangebied geen essentiële betekenis. De te nemen maatregelen zijn opgenomen in het volledige rapport van de quick scan flora en fauna. Wanneer deze maatregelen worden toegepast is het plan uitvoerbaar.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
In elk ruimtelijk plan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 overgegaan in de Erfgoedwet. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
In het verleden werd het plangebied door een historische weg doorkruist, waarvan nu nog een deel intact is als pad. Met het initiatief wordt deze cultuurhistorisch waardevolle weg hersteld door het pad door te trekken tot aan de onverharde weg ten westen van het plangebied. Zoals in paragraaf 4.2.2 beschreven, heeft de ontwikkeling ook geen negatieve effecten voor de cultuurhistorische waarde van het gebied 'Eiland Gassel'. In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich verder geen cultuurhistorische waarden waar het initiatief effect op kan hebben.
Archeologie
Op basis van de archeologische beleidskaart geldt voor het plangebied deels een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4) en deels een middelhoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 5), zie hiervoor de navolgende afbeelding.
Uitsnede archeologoische beleidskaart gemeente Grave met plangebied rood omcirkeld
Voor categorie 4 geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstoringsoppervlakte van 250 m². Voor categorie 5 geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstoringsoppervlakte van 2.500 m². Voor de locatie van de dagrecreatieve functies geldt categorie 4. Hiervoor zijn geen grondwerkzaamheden groter dan 250 m² gepland. Van de twee nieuwe woningen ligt er één binnen categorie 4 en één binnen categorie 5. Aangezien er maximaal 340 m² aan bebouwing per woning is toegestaan, kan de verstoringsoppervlakte groter worden dan 250 m². Daarom is er een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Vervolgens is voor de locatie van de zuidelijke woning ook een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierin wordt geconcludeerd dat een groot deel van de bodem binnen het onderzoeksgebied is verstoord door in het verleden uitgevoerde bouw- en sloopwerkzaamheden. Er worden op basis van het onderzoek geen archeologische resten meer verwacht binnen de onderzoekslocatie. Het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De dubbelbestemming wordt binnen dit deel van het plangebied verwijderd. Voor de rest van het plangebied blijft de archeologische dubbelbestemming behouden.
Op het gebied van cultuurhistorie en archeologie is het initiatief uitvoerbaar.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Verder zijn de gebiedsaanduidingen 'overige zone - groenblauwe mantel' en 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied' overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het bestemmingsplan is voor vooroverleg toegezonden aan de veiligheidsregio, de provincie en het waterschap. De veiligheidsregio en het waterschap hebben aangegeven akkoord te zijn met het plan. De provincie heeft een vooroverlegreactie ingediend met betrekking tot de Ruimte voor Ruimte regeling, cultuurhistorie en het overblijvende agrarisch bouwvlak. De opmerkingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan.
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 26 oktober 2017 tot en met woensdag 6 december 2017 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn is er één reactie ingediend. Hierin wordt ingegaan op de verkeers- en geluidsoverlast van feesten die op dit moment al worden georganiseerd bij Torenstraat 22. Daarnaast worden er vragen gesteld over de alcohol die daarbij geschonken wordt en wat het begrip 'recreatieve activiteiten op kleine schaal' betekent.
Gemeentelijke reactie
In de plantoelichting is in paragraaf 5.1.5 (milieuzonering) uitgebreid met de volgende tekst: “De toekomstige recreatieve functies zijn vergelijkbaar met een pension met congrescentrum / ijssalon / café. Deze activiteiten vallen op basis van de VNG brochure in milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter wordt geadviseerd.” In de planregels is opgenomen dat met dagrecreatieve voorzieningen bedoeld wordt voorzieningen zoals een startpunt voor wandel- en fietsroutes, een ruimte voor bijeenkomsten en workshops alsmede voorzieningen die hier naar aard en omvang vergelijkbaar mee zijn. De ondergeschikte horeca die in de planregels wordt benoemd mag vanwege het ondergeschikte karakter niet meer effect hebben dan de hoofdactiviteit (dus ook een richtafstand van 10 meter). Daarnaast is in de planregels (artikel 9.3) opgenomen dat de bebouwing uitsluitend in gebruik mag worden genomen voor onder de voorwaarde dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd conform de vigerende nota parkeernormen. Op basis hiervan is een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving gewaarborgd en zijn er kaders om op te kunnen handhaven.
Handhaving gaat ook plaats vinden naar aanleiding van het huidige recreatieve gebruik. Op basis van het geldende bestemmingsplan is dit nu niet toegestaan. Ook zijn er geen omgevingsvergunningen afwijkend gebruik of drank- en horecavergunningen verleend. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan is het daarom niet toegestaan om nu al activiteiten vallend onder dagrecreatie uit te voeren. Zowel nu als onder het nieuwe bestemmingsplan is het niet toegestaan om langs de rijbaan te parkeren. Op eigen terrein moeten voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn, anders mag het niet in gebruik worden genomen voor dagrecreatie.
Het ontwerp van het bestemmingsplan is door de gemeente Grave gedurende 6 weken ter visie gelegd (6 juni 2018 tot en met 17 juli 2018). Gedurende de periode van ter inzage legging is één zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Deze zienswijze wordt in een separate nota samengevat en beantwoord en bij de besluitvorming voor het bestemmingsplan betrokken.