direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Schuttersweg 29, Gassel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Schuttersweg 29, Gassel" van de gemeente Grave.

1.1 Aanleiding en doel

Op het adres Schuttersweg 29 te Gassel was voorheen een rijwielhandel met bedrijfswoning gevestigd. Op 15 januari 2007 is het pand door brand verwoest. De overblijfselen van het pand zijn nog steeds aanwezig, hetgeen een armoedige aanblik geeft.

De eigenaar van het perceel wenst het volgende:

  • de bouw van een vrijstaande woning met kantoorruimte;
  • het behoud van het vrijstaande bijgebouw op de achterzijde van het perceel.

Voor plangebied vigeert de bestemming 'Gemengd - 2' van het bestemmingsplan "Kerkdorpen, Grave". Binnen deze bestemming zijn geen van beide wensen mogelijk. Hoewel het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat voor het wonen op de begane grond, is ervoor gekozen één bestemmingsplan op te stellen waarin ook het behoud van het bijgebouw is opgenomen.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Grave, sectie L, nummers 842, 977 en 1114.

De oppervlakte van het plangebied bedraagt 1133 m². De gronden zijn eigendom van Service- en montagebedrijf Van der Heyden VOF.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Kerkdorpen, Grave", vastgesteld door de gemeenteraad op 28 juni 2011. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Het plangebied heeft de bestemming 'Gemengd - 2', waarbinnen onder meer detailhandel en dienstverlening zijn toegestaan, en wonen op de verdiepingen.

De relevante bouwregels houden in:

  • gebouwen moeten worden gerealiseerd binnen een bouwvlak;
  • de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter, de bouwhoogte niet meer dan 9 meter;
  • per bouwperceel mag niet meer dan 80 m² aan bijgebouwen worden gebouwd.

Het plan kan niet rechtstreeks worden gerealiseerd op basis van het bestemmingsplan "Kerkdorpen, Grave", omdat dat wonen op de begane grond niet toestaat.

Artikel 9.6.2 bevat een bevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming 'Gemengd - 2' naar 'Wonen'. Zoals vermeld wordt geen gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding toont de bestaande toestand van het plangebied en de directe omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01_0004.jpg"

PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING

Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van de kern Gassel, aan de Schuttersweg. De Schuttersweg komt aan de westzijde uit op de Schaarweg die de verbinding vormt tussen de provinciale weg N321 en het dorpshart van Gassel, met de kerk, enkele winkels en horecagelegenheden. Het plangebied is daarmee goed ontsloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01_0005.jpg"

De Schuttersweg heeft overwegend het karakter van een woonstraat. De bebouwing aan de zuidzijde bestaat uit vrijstaande woningen van twee bouwlagen met een zadeldak evenwijdig aan de straat. De woningen hebben eenzelfde omvang en onderlinge afstand, waardoor een duidelijke ritmiek aanwezig is.
Aan de noordzijde van de Schuttersweg staan enkele bungalows, bestaande uit één bouwlaag met een plat dak.
Het restant van het afgebrande pand geeft een armoedige aanblik aan de straat.

Hoofdstuk 3 Plan

Na voorgaande beschrijving van de bestaande situatie volgt in dit hoofdstuk de beschrijving van het feitelijke plan. Op onderstaande afbeelding is de situering van het bouwplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01_0006.jpg"

SITUERING BOUWPLAN

3.1 Bouwplan

3.1.1 Nieuwbouw woning met kantoorruimte

De resterende bebouwing op het voorste gedeelte van het plangebied wordt gesloopt. Na de brand en de jarenlange weersinvloeden zijn de overblijfselen van de oorspronkelijke bebouwing niet meer bruikbaar.

Er wordt een nieuwe, vrijstaande woning gerealiseerd, bestaande uit twee bouwlagen en een zadeldak evenwijdig aan de straat, alsmede een aanbouw van één bouwlaag met plat dak aan de zij- en achterkant. De bebouwde oppervlakte van de woning bedraagt circa 90 m². De goothoogte bedraagt maximaal circa 5,8 meter en de bouwhoogte circa 9 meter. De oppervlakte van de aanbouw bedraagt circa 80 m². De aanbouwen hebben een bouwhoogte van circa 3,1 meter.

Het hoofdgebouw wordt gebruikt voor één woning. Het bijgebouw biedt ruimte voor een kantoor aan huis met een oppervlakte van 48 m².

Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de linker zijgevel en de voorgevel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0786.BPSchuttersweg29-VA01_0007.jpg"

LINKER ZIJGEVEL EN VOORGEVEL

3.1.2 Behoud vrijstaand bijgebouw

Op het achterste perceelgedeelte staat een vrijstaand bijgebouw met een oppervlakte van circa 100 m². Het gebouw vraagt groot onderhoud om het te kunnen behouden en zal voor opslag gebruikt worden.

3.2 Verkeer en parkeren

Ontsluiting
Het plangebied is rechtstreeks op de Schuttersweg ontsloten middels de bestaande inrit. Er hoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd.

Verkeersaantrekkende werking
Het plan omvat een functieverandering van detailhandel/dienstverlening naar wonen. De verkeersaantrekkende werking zal afnemen.

Parkeren
Voor een berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen zijn de kengetallen van de CROW Kennisbank (publicatie 27 juli 2012) gehanteerd. Uitgegaan is van het gemiddelde kengetal in de kolommen 'niet stedelijk' en 'schil/overloopgebied' voor het kantoor en voor de woning het maximum in de genoemde kolommen. In onderstaand schema staan de oppervlakten, kengetallen en benodigde parkeerplaatsen per functie.

onderdeel   aantal   kengetal   benodigd
aantal p.p.  
vrijstaande woning   1   2,7 p.p./woning   2,7  
kantoor zonder baliefunctie   48 m²   2,6 p.p./100 m²   1,2  
totaal       3,9  

Uit de berekening volgt dat binnen het plangebied 4 parkeerplaatsen nodig zijn. Omdat de persoon die in het kantoor werkzaam is tevens de bewoner van de woning is, kan één parkeerplaats vervallen, zodat binnen het plangebied 3 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.

Op de inrichtingsschets zijn 3 parkeerplaatsen getekend. Hiermee wordt aan de norm voldaan.

3.3 Groen en water

Binnen het plangebied is erfbeplanting aanwezig. Na realisatie van de woning en renovatie van het bijgebouw wordt nieuwe erfbeplanting aangebracht.
Er is geen sprake van oppervlaktewater.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.

Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.

Conclusie
Het Barro is niet rechtstreeks van toepassing op het plan.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is van toepassing op het plan. Specifiek aandachtspunt is het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, waarin de verplichting is opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren; de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij moet achtereenvolgens worden aangetoond dat er een actuele regionale behoefte is (trede 1), of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en - in geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied - dat de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten (trede 3).

Projecten die minder dan negen woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4720) niet als stedelijke ontwikkeling gezien. In onderhavig plan blijft het aantal woningen gelijk. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening en aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Structuurvisie Ruimtelijke Ordening;
  • Verordening ruimte 2014.

Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014 in werking getreden. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van het provinciale bestuur op de ontwikkeling van Noord-Brabant.

Analyse
Het plangebied ligt in een 'kern in het landelijk gebied'. In de kernen in het landelijk gebied wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte. Daarbij is het van belang dat de stedelijke ontwikkelingen qua maat en schaal bij de kern passen.
Onderhavig plan betreft de bouw van een woning op een locatie waar thans detailhandel of dienstverlening met een bedrijfswoning is toegestaan. Per saldo blijft het aantal woningen gelijk. Het plan sluit daarmee aan bij de hoofddoelen van de structuurvisie.

Conclusie
Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

4.2.2 Verordening ruimte 2014

Op 19 maart 2014 is de Verordening ruimte 2014 in werking getreden. Deze Verordening stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Het plan omvat de bouw van een woning binnen bestaand stedelijk gebied. Derhalve zijn de artikelen 4.2 en 4.3 van de Verordening van toepassing.

"Artikel 4.2 - Stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied

Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied.

Artikel 4.3 - Regels voor nieuwbouw van woningen

  • 1. De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop:
    • a. de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 37.4, onder b, zijn gemaakt, worden nagekomen;
    • b. de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken genoemd onder a, en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw.
  • 2. [...]"

Analyse

ad art. 4.2   Onderhavig plan betreft een stedelijke ontwikkeling en ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.  
ad art. 4.3   Het aantal toegestane woningen blijft gelijk. Daarmee past het plan binnen de regionale afspraken. De nieuwe woning is reeds opgenomen in de harde plancapaciteit.  

Conclusie
Het plan voldoet aan de Verordening ruimte 2014.

4.3 Gemeentelijk niveau

Behoudens het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3) is er geen gemeentelijk beleid dat specifiek van toepassing is op onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Het plan omvat een functieverandering van detailhandel naar wonen. Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Boxmeer een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Schuttersweg 29 te Gassel" (12 januari 2016, nr. 15104238.D1). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 1.
Econsultancy concludeert, gelet op het diffuse karakter van de lichte verontreinigingen met PAK in de grond, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving kan worden beschouwd. Er bestaan volgens Econsultancy met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede de bestemmingswijziging.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) c.q. of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Het plan omvat de bouw van een woning met kantoor aan huis. Woningen hebben geen milieutechnische invloed op de omgeving. De bestemming blijft hetzelfde, waarmee de planologische situatie onveranderd blijft.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.

adres en omschrijving   SBI-code   categorie   richtafstand   werkelijke afstand  
Dorpstraat 15:
Toon Cornelissen Witgoedservice  
47.A   1   10 m   60 m  
Dorpstraat 19:
Das-Brans Installatiebedrijf  
41.3   2   30 m   0 m  

Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de richtafstand van het installatiebedrijf aan de Dorpstraat 19, maar buiten de richtafstanden van overige bedrijven.

Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn op het adres Dorpstraat 19 bedrijven in milieucategorie 1 of daarmee vergelijkbare bedrijven toegestaan. Hoewel een installatiebedrijf in VNG-handreiking als categorie 2-bedrijf is opgenomen, is Das-Brans Installatiebedrijf naar aard en omvang een bedrijf in categorie 1 met een richtafstand van 10 meter.
Ondanks dat de richtafstand van het bedrijf tot over het plangebied reikt, vormt het plan geen nadere belemmering voor de bedrijfsvoering en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Dat is gebaseerd op de volgende overwegingen:

  • 1. Het plan leidt niet tot een toename van het aantal woningen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.
  • 2. De nieuwe woning moet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Het bouwvlak ligt op een afstand van meer dan 10 meter van de bedrijfsbestemming en daarmee buiten de richtafstand.
  • 3. De huidige bedrijfsactiviteiten van Das-Brans worden uitgevoerd op het zuidelijke perceelgedeelte, op meer dan 50 meter afstand van de nieuwe woning (en de overige woningen aan de Schuttersweg. In het geval het bedrijf in noordelijke richting zal willen uitbreiden - hetgeen mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan - zal voldaan moeten worden aan het Activiteitenbesluit. Indien nodig kunnen richtinggevende afstandsvoorschriften worden toegepast.
5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit komen te overlijden. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar worden gerealiseerd en moet een eventuele toename van het groepsrisico verantwoord worden.

5.1.3.2 Analyse

Het plan omvat geen toevoeging van kwetsbare objecten. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet noodzakelijk.

Volledigheidshalve is een toetsing gedaan aan de Risicokaart Nederland, waarop de ligging van risicovolle activiteiten is opgenomen. Uit de Risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plan geen risicovolle activiteiten voorkomen, zoals inrichtingen, buisleidingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen. Bovendien is er geen sprake van ligging nabij een hoogspanningsleiding. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is daarom niet nodig.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geluid
5.1.4.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de (gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.4.2 Analyse

Verkeerslawaai
Hoewel het plan geen nieuwe geluidgevoelige objecten omvat, is vanwege de ligging nabij de provinciale weg N321 een toetsing aan het aspect geluidhinder uitgevoerd.

Om de gevelbelasting van de nieuwe woning inzichtelijk te maken heeft Abovo Acoustics uit Wijchen een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Akoestische rapportage betreffende de verkeersgeluidbelasting aan de gevels van het nieuw te bouwen woonhuis aan de Schuttersweg 29 te Gassel" (2 mei 2013, nr. W1546-1-GB). Het onderzoeksrapport is als bijlage 2 bijgevoegd.
Abovo concludeert dat de gevelbelasting als gevolg van het wegverkeer op de provinciale weg N321 op enkele plaatsen meer bedraagt dan de voorkeurgrenswaarde (48 dB), maar minder dan de maximaal te ontheffen waarde (63 dB). De maximaal berekende waarde bedraagt 57 dB. Hiervoor kan een hogere waarde worden vastgesteld. De procedure hiervoor loopt parallel aan het bestemmingsplan.

N.B.   Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd in 2013, met het jaar 2023 als prognosejaar. Op basis van de thans bekende verkeersintensiteiten kan worden gesteld dat het onderzoek nog voldoende actueel is. De nieuwe verkeersintensiteiten zouden leiden tot een iets gunstiger geluidsbelasting, maar nog boven de voorkeursgrenswaarde. Het vaststellen van een hogere geluidwaarde blijft aan de orde.  

Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van industrielawaai. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Luchtkwaliteit
5.1.5.1 Inleiding

Het aspect luchtkwaliteit heeft betrekking op ruimtelijke ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging en op ruimtelijke ontwikkelingen die gevoelig zijn voor een slechte luchtkwaliteit.

Om mensen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. In de praktijk blijken vooral de normen voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een rol te spelen.

Daarnaast is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat de bouw van een woning ter vervanging van een winkel. Het plan is daarmee niet (in betekenende mate) van invloed op de luchtkwaliteit.

Aan de hand van de NSL-monitoringstool (www.rijksoverheid.nl) kan het leefklimaat worden beoordeeld. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Milieueffectrapportage
5.1.6.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.

5.1.6.2 Analyse

Het plan valt onder de activiteit "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. De omvang van het plan blijft echter zodanig ruim onder de drempelwaarde van 2000 woningen voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten, dat zonder nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.6.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

De gemeente Grave beschikt over eigen archeologiebeleid dat is vastgelegd in de Nota Archeologie Grave en de bijbehorende Archeologische Beleidskaart, die sinds 1 april 2012 in werking zijn.

Het plangebied ligt in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (categorie 4). Voor deze gebieden geldt dat ingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 0,5 meter voorafgegaan moeten worden door een archeologisch onderzoek.

Het bouwplan heeft een oppervlakte van 170 m² en blijft daarmee onder de onderzoeksdrempel. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet nodig.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

In het plangebied liggen geen cultuurhistorische waarden. Het plan is niet van invloed op omliggende cultuurhistorische waarden.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Flora en fauna
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren zijn twee wetten van toepassing. Middels de Natuurbeschermingswet 1998 worden waardevolle natuurgebieden beschermd. De Flora- en faunawet bevat een soortenbescherming.

5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur.

De Natuurbeschermingswet 1998 kent tevens een zogenaamde 'externe werking', wat betekent dat ook projecten buiten Natura 2000-gebieden vergunningplichtig zijn wanneer zij een negatief effect hebben op deze gebieden.
Gezien de aard en de beperkte omvang van het plan, en de afstand (circa 9 km) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Sint Jansberg) is het niet aannemelijk dat het plan negatieve effecten heeft op natuurgebieden.

Soortenbescherming
Het plangebied was in gebruik voor detailhandel. Het is niet te verwachten dat in het plangebied beschermde planten- of diersoorten voorkomen.

Een nader onderzoek is niet nodig. Te allen tijde geldt de zorgplicht ten aanzien van beschermde soorten.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas.

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf betreft een beschrijving van zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2010-2015. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap Aa en Maas

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2010-2015
    Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.
  • De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’
    De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van voorliggend plan:
    • 1. Wateroverlastvrij bestemmen
    • 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen
    • 3. Voorkomen van vervuiling
    • 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water
    • 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer"
    • 6. Meervoudig ruimtegebruik
    • 7. Water als kans
    • 8. Waterschapsbelangen
5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit de bodemkaart blijkt dat ter plaatse sprake is van een zandbodem met grof zand. De waterdoorlatendheid is goed. In het vervolg van deze waterparagraaf wordt uitgegaan van een waterdoorlatendheid (k-waarde) van 2 meter per etmaal.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 100 tot 120 cm -mv (bron: Wateratlas Noord-Brabant).

5.3.4 Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak

De bebouwde oppervlakte bedraagt 170 m². Daarnaast wordt binnen het plangebied circa 330 m² terreinverharding aangelegd. In totaal bedraagt de verharde oppervlakte circa 500 m².

5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit

Bij ontwikkelingen die leiden tot een toename van het verhard oppervlak van maximaal 2000 m² eist het waterschap geen compensatie.

Het hemelwater moet echter wel worden verwerkt. Daarbij moet gerekend worden met een bergingscapaciteit voor hemelwater van 60 mm/m². Voor dit project is sprake van een toename van het verhard oppervlak met 500 m². De benodigde berging hiervoor is derhalve (500 * 0,06) 30 m³.

5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening

Bij het ontwerp van de bergingsvoorziening zijn achtereenvolgens de volgende afwegingsstappen gehanteerd:

  • 1. hergebruik;
  • 2. infiltratie;
  • 3. buffering;
  • 4. afvoer.

Voor onderhavig plan is gekozen voor infiltratie van het hemelwater binnen het plangebied. Het zuidelijke deel van het plangebied biedt voldoende ruimte voor het realiseren van een bovengrondse waterberging.

De uitvoerbaarheid van de infiltratie van het hemelwater is hiermee aangetoond. Bij de uitwerking van het bouwplan kan worden gekozen voor een andere wijze van infiltratie.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Schuttersweg geloosd worden.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Financiële aspecten

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het plan betreft een particulier initiatief, waarvan alle kosten en risico's voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

6.2 Kostenverhaal

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is dus niet vereist.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1 )
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2 )
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Gemengd - 2 (artikel 3)
Het gehele plangebied heeft de bestemming 'Gemengd - 2' behouden. De relevante delen van de planregels van het vigerend bestemmingsplan zijn overgenomen. Toegevoegd is de mogelijkheid van het wonen op de begane grondlaag.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 4 )
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 5 )
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het het relevante beleidsdocument.

Algemene gebruiksregels (artikel 6 )
In dit artikel is nader omschreven dat het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid strijdig is met het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 7 )
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen.
Het gebruik van de bebouwing daarentegen wordt indien mogelijk positief bestemd of indien noodzakelijk door handhaving aan de gebruiksregels van de betreffende bestemming aangepast.

Slotregel (artikel 8 )
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 2. Vaststelling door gemeenteraad
  • 3. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan vanaf 26 januari 2018 tot en met 8 maart 2018 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingekomen.