Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied, Graafschedijk 63
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0786.BPBUGraafsched63-VA01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
plan:
het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Graafschedijk 63’ met identificatienummer NL.IMRO.0786.BPBUGraafsched63-VA01 van de gemeente Grave.
 
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.
 
aanbouw:
een aan een hoofdgebouw gebouwde zelfstandige ruimte, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap en die vanuit het hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijk is.
 
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels re-gels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit:
een beroeps- of bedrijfsactiviteit die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebou-wen wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van het pand, waarbij de activiteiten in hoofdzaak niet pu-blieksaantrekkend zijn en waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de des-betreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.
 
afhankelijke woonruimte:
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de (bedrijfs-)woning en waarin een ge-deelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.
 
agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van
gewassen of het houden van dieren, waarbij onderscheid wordt gemaakt in:
  1. een (vollegronds)teeltbedrijf;
  2. een glastuinbouwbedrijf;
  3. een veehouderij;
  4. een overig agrarisch bedrijf;
  5. een paardenhouderij.
a (vollegronds)teeltbedrijf
een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van
gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in
gebouwen plaatsvindt.
 
b glastuinbouwbedrijf
een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in
kassen plaatsvindt.
 
c veehouderij
een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens,
schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.
 
c1 intensieve veehouderij
een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in
gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij,
varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een
combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen
bedrijfsvormen.
 
c2 grondgebonden veehouderij:
veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen
respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij
en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie. Of hiervan sprake is wordt
getoetst op grond van de criteria die zijn opgenomen in nadere regels die hieromtrent
op basis van de Verordening ruimte door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die
regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke
omgevingsvergunningaanvraag.
 
d overig agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, veehouderij of
paardenhouderij, gericht op het telen van vissen, wormen, insecten en/of
gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen,
niet zijnde kassen, plaatsvindt, zoals witlof of champignons
 
e paardenhouderij
een overig agrarisch bedrijf, dat in hoofdzaak is gericht op het houden, fokken, africhten van paarden en/of het bieden van gelegenheid tot het berijden van paarden;
 
akkerdek:
humusrijk grondpakket ontstaan door grondomwerking.
 
archeologisch monument:
terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 of de Erfgoedverordening Grave 2010 is aangewezen als beschermd archeologisch monument.
 
archeologisch onderzoek:
onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling,
beschikkend over een opgravingvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet (of voor
de betreffende werkzaamheden een vergunning heeft van de minister van OCW) en
werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
 
archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeolo-gische relicten.
 
archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden).
 
attentiezone waterhuishouding:
gebied gelegen rondom en binnen de ecologische hoofdstructuur waar fysieke ingrepen een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding.
 
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
bebouwingsconcentratie:
een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster:
  • Kernrandzone: een overgangszone tussen de bebouwde kom en het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een ondergeschikte en/of afnemende agrarische functie.
  • Bebouwingslint: een lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg in het buitengebied, doorgaans dubbelzijdig aanwezig, met geringe afstanden tussen de bouwkavels, veelal met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebiedfuncties.
  • Bebouwingscluster: een vlakvormige verzameling van gebouwen in het buitengebied.
bebouwingspercentage:
een in de regels aangegeven percentage dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maxi-maal mag worden bebouwd.
 
bed & breakfast:
het bieden van de, ten opzichte van de hoofdfunctie ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtver-blijf en ontbijt aan een beperkt aantal personen die hun hoofdverblijf elders hebben.
 
bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis ver-bonden beroepen daaronder niet begrepen.
 
bedrijfsbebouwing:
de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een gebouw en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening van een bedrijf, een dienstverlenend bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief (binnen)opslag, rust- en rookruimten, administratieruimten en dergelijke, uitgezonderd de bedrijfswoning met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen.
 
bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.
 
bedrijfsmatig:
in uitoefening van een bedrijf.
 
bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht.
 
beplantingsplan:
plan, waarin wordt aangegeven hoe de beplanting ingericht en beheerd zal gaan worden.
 
bestaand(e situatie):
  1. bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerpbestem-mingsplan bestonden of in uitvoering waren, en gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krach-tens een verleende vergunning voor het bouwen;
  2. bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan be-stond, met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende be-stemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming.
 
bijbehorende voorzieningen:
voorzieningen, die horen bij de betreffende bedrijfsvoering op gronden (onder andere weg- en water-bouwkundige voorzieningen) en/of bouwvlakken (onder andere opslag en energievoorziening).
 
bijgebouw:
een vrijstaand of aan het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat zowel ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw maar van daaruit niet rechtstreeks toegankelijk is en ten dienste staat van dat hoofdgebouw.
 
bodemingreep:
werken of werkzaamheden, die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige arche-ologische bodemarchief.
 
boomteelt:
de tak van tuinbouw die zich bezig houdt met het telen van houtige gewassen en planten hoger dan 1,5 m voor tuinen en groenvoorzieningen.
 
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.
 
bouwmassa:
een complex van aaneen gebouwde bouwwerken.
 
bouwvoor:
bovenste deel van de bodem van bijvoorbeeld een akker dat door menging door ploegen of spitten is ontstaan en humusrijker is dan de ondergrond (zie ook akkerdek). De grondlaag waar de wortels van de planten in groeien. Doorgaans de bovenste 30 cm.
 
bouwperceel:
aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.
 
bouwperceelsgrens:
de grens van een bouwperceel.
 
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologisch regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indi-rect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in
of op de grond.
 
categorie:
zone of gebied dat op de gemeentelijke beleidskaart archeologie is opgenomen.
 
cultuurhistorische waarden en kenmerken:
waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
 
dak:
een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk.
 
deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg:
een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van ar-cheologie. Deze dient in ieder geval te voldoen aan de in de KNA gestelde kwalificaties van senior arche-oloog.
 
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
diepploegen:
het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,50 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik.
 
diepte bodemingreep:
de diepte van de bodemverstorende ingreep, gemeten ten opzichte van het maaiveld ter plaatse (straat of terreinniveau).
 
ecologische hoofdstructuur:
samenhangend netwerk van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosge-bieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden.
 
ecologische verbindingszone (evz):
in dit plan aangeduid langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd.
 
erf- en perceelsafscheiding:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een afbakening vormt tussen een erf of perceel en een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte.
 
escortbedrijf:
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoe-fend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.
 
extensieve (openlucht)recreatie
vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch en/of natuurgebied door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen sub-stantieel beslag legt op de ruim-te, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes.
 
extensief recreatief medegebruik:
een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsom-schrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden zoals wandelen, fietsen en dergelijke.
 
functie:
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
 
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omslo-ten ruimte vormt.
 
gebruiken:
gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken.
 
geluidzoneringsplichtige inrichting:
een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestem-mingsplan een geluidzone moet worden vastgesteld.
 
groenblauwe mantel:
gebieden die grenzen aan de ecologische hoofdstructuur, de ecologische verbindingszone of het zoek-gebied voor behoud en herstel van watersystemen, en deze verbinden, zijnde gebieden met overwegend grondgebonden agrarisch gebruik en belangrijke nevenfuncties voor natuur en water.
 
herbouw:
reconstructie, wederopbouw, opnieuw bouwen.
 
hergebruik:
gebruik van een bestaande agrarische bouwlocatie (bouwvlak) ofwel een bestaande niet-agrarische bouwlocatie (niet-agrarisch bedrijf of wonen) voor de nieuwvestiging of verplaatsing van een bedrijf.
 
hoofdfunctie:
een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt.
 
hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, danwel gelet op de bestem-ming, als belangrijkste gebouw valt aan te merken.
 
horeca:
bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse, bedrijfsmatig bieden van hotel- of groepsaccommodatie bedrijfsmatig bieden van vermaaks- of wellnessfaciliteiten of bedrijfsmatig bieden van congres- of vergaderfaciliteiten, één en ander al dan niet in combinatie met elkaar.
 
hydrologische waarde:
gronden met een bijzondere betekenis voor het watersysteem van het plansysteem in verband met beek-herstel, verdrogingsbestrijding, waterberging en/of waterkering.
 
kantoor:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in onder-geschikte mate recht-streeks te woord wordt gestaan en geholpen.
 
kas:
agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaat-omstandigheden, waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m.
 
kelder:
een geheel of gedeeltelijk ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbeho-rend bovengronds bouwwerk.
 
kernrandzone:
een overgangszone tussen de bebouwde kom en het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een ondergeschikte en/of afnemende agrarische functie.
 
kleinschalige horeca:
kleinschalige horeca-activiteiten op gronden met een andere hoofdfunctie, tot een in de regels aangege-ven maximale oppervlakte.
 
kunstwerk:
civieltechnisch bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen.
 
landschapselementen:
ter plaatse gebonden ecologische en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen, moerasjes en dergelijke.
 
landschappelijke waarden en kenmerken:
gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecolo-gische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.
 
maatschappelijke voorziening:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorziening, met eventueel ondergeschikte horeca en/of detailhandel.
 
mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
 
mestkelder:
ondergronds gelegen ruimte die hoofdzakelijk gebruikt wordt voor het opslaan van mest.
 
natuurwaarden/natuurwetenschappelijke waarden:
waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leef-gemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied.
 
nevenfunctie:
een activiteit met een zodanige beperkte omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm als hoofdfunctie herkenbaar blijft.
 
niet-agrarische functies:
functies als (statische) binnenopslag, recreatie, een bedrijf in categorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsac-tiviteiten (zie bijlage 1 bij deze regels) of een naar aard en invloed hiermee gelijk te stellen bedrijf, zorg-boerderijen, kinderboerderijen, educatieve en sociale voorzieningen, met ondergeschikte horeca .
 
ondergeschikte horeca (inclusief terras):
een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is, waar uit-sluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte (inclusief terras) specifiek wordt ingericht voor het verstrekken van drank en etenswaren. Deze onder-geschikte horeca-activiteiten dienen ten dienste te staan van de hoofdfunctie
 
onderkomen:
een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent.
 
oppervlakte bodemingreep:
Het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het archeologisch bodemarchief.
 
paardenbak:
een onoverdekte voorziening bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden
 
peil:
  1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
perceelsgrens:
de grens van een bouwperceel.
 
plaatsgebonden risico:
risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebro-ken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.
 
plattelandswoning:
een agrarische bedrijfswoning die tevens bewoond mag worden door personen die geen functionele bin-ding hebben met het op hetzelfde bouwvlak gevestigde bedrijf.
 
productiegebonden detailhandel:
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het produc-tieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.
 
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.
 
publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis:
een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.
 
raamprostitutie:
een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen.
 
recreatieve voorziening:
voorzieningen bedoeld voor recreatief gebruik.
 
recreatief medegebruik:
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.
 
reëel agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve volle-dige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen.
 
risicovolle inrichting:
  1. een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestem-mingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;
  2. een Amvb-inrichting waarvoor krachtens artikel 8.40 Wet milieubeheer regels gelden met betrek-king tot minimaal aan te houden afstanden bij de opslag en/of het gebruik van gevaarlijke stoffen;
  3. bedrijven waarvan de aantoonbare plaatsgebonden risicocontour is gelegen buiten de inrich-tingsgrens.
ruimtelijke eenheid:
complex van bij elkaar behorende bouwwerken.
 
ruimtelijke kwaliteit:
kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, bele-vingswaarde en toekomstwaarde.
 
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij be-drijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seks-automatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een ero-tische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
sociale en educatieve voorzieningen:
kleinschalige voorzieningen al dan niet gekoppeld aan een agrarisch bedrijf welke is gericht op het (in groepsverband) informeren over landbouw, landschap, natuur en recreatie.
 
statische binnenopslag:
binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) au-to’s, boten, caravans, campers en dergelijke.
 
straatprostitutie:
het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze ingaan op het aanbod van prostitutie, uitnodigen dan wel aanlokken.
 
uitbouw:
een aan een hoofdgebouw gebouwde, en vanuit dat hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijke ruimte, die in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap – en een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is.
 
verkoopvloeroppervlak:
in een detailhandelsvestiging voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte, gemeten in m² op de vloer van de bedrijfsruimte, ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goe-deren of het verlenen van aanverwante diensten
 
voorgevel:
een naar de openbare weg en/of openbaar gebied toegekeerde, meest gezichts-bepalende, gevel van een hoofdgebouw.
 
voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijde-lingse perceelsgrenzen.
 
volwaardig(heid van een) bedrijf:
een bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één volledige arbeids-kracht, met een daarbij passend jaarinkomen, en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoen-de mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen zowel bedrijfseconomisch als milieuhygi-enisch.
 
vormverandering van een bouwvlak:
wijziging van de begrenzing van een bouwvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte.
 
water:
alle water dat zichtbaar aanwezig is (oppervlaktewater) in bijvoorbeeld waterlopen, poelen, vijvers, meren en zeeën, of onzichtbaar aanwezig is (grondwater) zoals freatisch grond-water direct beneden het maai-veld.
 
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer, water-berging, waterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan infiltratievoorzie-ningen, dijken, dammen, grondwallen, duikers, stuwen, gemalen, inlaten etc.
 
werk:
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.
 
windturbine:
bouwwerk bedoeld voor het opwekken van elektriciteit door middel van wind(energie).
 
wonen:
het gebruik van een complex van ruimten voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden (geen woongroepen zijnde).
 
woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
 
zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen:
gebied naast een waterloop waar maatregelen op het gebied van morfologie en inrichting nodig zijn om de doelstellingen uit het Provinciaal Waterplan 2010-2015 op het gebied van de ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren te behalen.
 
zorgboerderij:
de opvang van mensen met een zorgvraag hetzij als niet-agrarische neventak, hetzij als vervolgfunctie op een agrarisch bouwperceel, waarbij het meewerken in het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van resociali-satie of therapie.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 Algemeen
 
afstand tot de weg:
de afstand van bebouwing tot de as van de weg;
 
afstand tot de zijdelingse/achterste perceelgrens:
de kortste afstand tussen de zijdelingse/achterste perceelgrens(zen) van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
 
bebouwd oppervlak:
het gezamenlijk oppervlak op een bouwperceel van de gebouwen en van uitsluitend die bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die een overdekte ruimte vormen tenminste 1 m boven peil. Het oppervlak van laatstgenoemde bouwwerken wordt gemeten door middel van projectie en wel 1 m boven peil.
 
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
de breedte van een bouwperceel:
tussen de twee zijdelingse bouwperceelgrenzen, gemeten op een afstand van 10 m tot de grens van het bouwperceel met een verkeersbestemming.
 
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
de lengte, de breedte en de diepte van een gebouw:
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidingsmuren);
 
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.2 Ondergeschikte bouwdelen
  1. De in deze regels gegeven bepalingen omtrent plaatsing, afstanden en maten zijn niet van toe-passing op goot- en kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt.
  2. Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt.
  3. Bij toepassing van een dakkapel of dakopbouw met een breedte van meer dan 50% van de wo-ningbreedte wordt de bovenzijde daarvan als dakvlak aangemerkt voor het meten van de goot-hoogte.
  4. Bij toepassing van een lessenaarsdak wordt de laagste snijlijn als goothoogte aangemerkt.
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. duurzaam agrarisch grondgebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
  2. binnen het bouwvlak een grondgebonden agrarische (vollegronds) teeltbedrijven, met dien ver-stande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden – niet-agrarisch bedrijf' (sa-niet-agrarisch bedrijf), tevens een niet-agrarisch bedrijf is toegestaan in de vorm van
    1. statische binnenopslag; en
    2. bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 zoals genoemd in bijlage 1 Bedrijvenlijst danwel hiermee gelijk te stellen, een en ander met uitzondering van zelfstandige detailhandel met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m², horeca, dienstverlening, zelf-standige kantoren met een baliefunctie, maatschappelijke voorzieningen, voorzieningen op het gebied van cultuur en ontspanning, inrichtingen die in belangrijke mate geluidhin-der kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder, risicovolle in-richtingen en vuurwerkbedrijven;
  3. één bedrijfswoning per bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maxi-mum aantal wooneenheden' het aantal bedrijfswoningen niet meer mag bedragen dan is aange-geven;
  4. aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  5. waterberging;
  6. groenvoorzieningen in de vorm van erfbeplanting;
  7. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  8. water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen en poelen;
  9. extensief recreatief medegebruik;
  10. behoud, herstel en/of ontwikkeling van:
    1. cultuurhistorische waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’/ ‘overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied’
    2. het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de on-derscheiden gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘groenblauwe mantel’/ ‘overige zone - groenblauwe mantel’;
waarbij het bepaalde in lid 9.1 van toepassing is.
 
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Algemeen
  1. Per bouwvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan.
  2. Gebouwen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan tenzij anders is bepaald.
  3. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met dien verstande dat:
    1. de afstand tot de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 10 m tot de voor die weg aangegeven bestemmingsgrens, met uitzondering van erf- en perceels-afscheidingen en soortgelijke bouwwerken tot een bouwhoogte van 1 m;
    2. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en/ of achterste perceelsgrenzen niet minder mag bedragen dan 3 m;
  4. Het bepaalde in lid c onder 1 en 2 is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden – niet-agrarisch bedrijf'.
  5. Bouwwerken, voorzien van een dak, worden met een kap afgedekt waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 12º en niet meer mag bedragen dan 45º.
3.2.2 Bedrijfsgebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven, niet zijnde veehouderijen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven, niet zijnde veehouderijen gelden de volgende voorwaarden:
  1. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden – niet-agrarisch bedrijf' waar de goothoogte niet meer mag bedragen dan bestaand.
  2. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden – niet-agrarisch bedrijf' waar de goothoogte niet meer mag bedragen dan bestaand.
3.2.3 Bedrijfswoningen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende voor-waarden:
  1. De goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  2. De bouwhoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m.
  3. De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3.
  4. De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m² per bedrijfswoning.
  5. De goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m.
  6. De bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  7. Bijgebouwen mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden gebouwd.
  8. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 20 m.
3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak gelden de volgende voorwaarden:
  1. De bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswo-ning mag niet meer bedragen dan 1 m.
  2. De bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswo-ning mag niet meer bedragen dan 2 m.
  3. De bouwhoogte van torensilo’s mag niet meer bedragen dan 15 m.
  4. De bouwhoogte van mestsilo’s mag niet meer bedragen dan 8 m.
  5. De bouwhoogte van sleufsilo’s mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
  6. De bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 5 m.
  7. Per bedrijf is niet meer dan één windturbine toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 15 m.
  8. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde paardenbakken, mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak gelden de volgende voorwaarden:
  1. Teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan.
  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2,5 m, waarbij voor erf- en perceelsafscheidingen geldt dat deze dienen te bestaan uit een open con-structie.
3.3 Afwijken van de bouwregels
 
3.3.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:
  1. lid 3.2.1 voor het bouwen van bouwwerken op een afstand van minder dan 10 m tot de voor die weg aangegeven bestemmingsgrens mits het verkeersbelang niet onevenredig wordt aangetast en vooraf advies is ingewonnen van de beheersinstantie van de betreffende weg;
  2. lid 3.2.1 voor het bouwen van gebouwen binnen 3 m van of in de zijdelingse en/ of achterste per-ceelsgrenzen, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en het verkeers-belang en het stedenbouwkundig/ruimtelijk beeld niet onevenredig wordt aangetast;
  3. lid 3.2.1 voor het bouwen van bouwwerken, voorzien van een dak, met een kap waarvan de dak-helling minder bedraagt dan 12º of een plat dak;
  4. lid 3.2.2 voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een hogere goothoogte tot maximaal 7,5 m, indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en voor zover dit ste-denbouwkundig en landschappelijk inpasbaar is;
  5. lid 3.2.3 voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand van meer dan 20 m van de bedrijfs-woning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel;
  6. lid 3.2.4 voor het bouwen van torensilo’s met een hogere bouwhoogte tot maximaal 17 m, indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
  7. lid 3.2.4 voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte, waarbij de toegestane bouwhoogte met maximaal 2 m mag worden verhoogd, mits hierdoor het stedenbouwkundig/ruimtelijk beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
3.4 Specifieke gebruiksregels
 
3.4.1 Strijdig gebruik
  1. Het gebruiken of laten gebruiken van een bedrijfswoning als plattelandswoning.
  2. Het binnen gebouwen houden van dieren, al dan niet in hokken, niet op de grond, onverlet voor-zieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.
  3. Het is verboden gebouwen die niet in gebruik zijn voor de uitoefening van een veehouderij, in ge-bruik te nemen voor de uitoefening van een veehouderij;
  4. Het gebruiken of laten gebruiken van bestaande bedrijfsgebouwen ten behoeve van de huisves-ting van seizoensarbeiders;
  5. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – boomteelt uitgesloten’ is het gebruik van de gron-den voor boomteelt niet toegestaan.
3.4.2 Nevenfunctie productiegebonden detailhandel
Bij ieder agrarisch bedrijf is productiegebonden detailhandel als nevenfunctie toegestaan tot een ver-koopvloeroppervlakte van 25 m², met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingscon-centratie’/ ‘overige zone - bebouwingsconcentratie’ een maximale verkoopvloeroppervlakte van 50 m² geldt.
 
3.4.3 Voorwaardelijke verplichting
De gebouwen en de gronden ten behoeve van de onder artikel 3.1 genoemde doeleinden
mogen niet in gebruik zijn indien niet aan de volgende voorwaarden is voldaan:
  1. het terrein waarop dit bestemmingsplan van toepassing is dient ingericht/aangelegd te zijn over-eenkomstig een door het bevoegd gezag goedgekeurd landschappelijk inrichtingsplan zoals bij-gevoegd in Bijlage 2.
  2. het terrein waarop dit bestemmingsplan van toepassing is dient overeenkomstig het in artikel 3.4.3 onder a genoemde landschappelijk inrichtingsplan duurzaam in stand te worden gehouden.
3.4.4 (Kikker en/of padden)poelen
Binnen deze bestemming mogen gronden gebruikt worden ten behoeve van (kikker en/of padden)poelen, met dien verstande dat de oppervlakte van een poel niet meer mag bedragen dan 1.000 m² (met een minimum van 200 m²) en dat de diepte minimaal 0,5 m bedraagt en niet meer mag bedragen dan 1,5 m. Ter bevordering van de ecologische waarde van de poel en omgeving mag de oppervlakte van het land-biotoop 2 maal de oppervlakte van de poel beslaan.
 
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
 
3.5.1 Gebruik voormalige agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1. onder a voor het gebruik van een voormalige agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. De woning ligt binnen het agrarisch bouwvlak.
  2. Het agrarisch bedrijf binnen het agrarisch bouwvlak is in werking.
  3. De woning ondervindt geen onevenredige milieubelemmeringen op de aspecten geluid, trilling, fijnstof of verkeer.
  4. De activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving.
  5. Er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecolo-gie, hydrologie en archeologie.
3.5.2 Gebruik bestaande bedrijfsgebouwen ten behoeve van seizoensarbeiders
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1. onder d voor het gebruiken of laten gebruiken van bestaande bedrijfsgebouwen ten behoeve van de huisvesting van seizoensarbeiders, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Huisvesting in bedrijfsgebouwen is alleen toegestaan als de huisvesting niet geregeld kan wor-den in de eigen bedrijfswoning.
  2. Huisvesting in bedrijfsgebouwen mag uitsluitend worden gebruikt voor de huisvesting van perso-nen, wier huisvesting daar ter plaatse gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodza-kelijk is vanwege een tijdelijk grote arbeidsbehoefte.
  3. Huisvesting mag maximaal 9 maanden duren.
  4. Per bouwvlak mag maximaal 150 m² worden aangewend voor de huisvesting, inclusief gemeen-schappelijke voorzieningen.
  5. Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen.
3.5.3 Omgevingsvergunning afwijken landschappelijk inrichtingsplan
Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.3. ten behoeve van de wijziging van het landschappelijk inrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels, waarbij moet worden voldaan aan de criteria zoals ten tijden van de vaststelling van dit plan zijn gesteld in de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant en de door de gemeente Grave opge-stelde ‘Beleidsregel art. 2.2. Verordening ruimte’ zoals op 3 oktober 2012 in werking getreden.
 
3.6 Wijzigingsbevoegdheden
 
3.6.1 Vormverandering bouwvlak
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vormveran-dering van het bouwvlak van agrarische bedrijven, niet zijnde veehouderijen, waarbij de totale oppervlak-te van het bouwvlak niet mag worden vergroot, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaar-den:
  1. De totale oppervlakte van het bouwvlak niet mag worden vergroot.
  2. Er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente geaccordeerd beplantingsplan, deze inspanning telt mee voor de invulling van het bepaalde on-der d.
  3. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aan-wezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische en/of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.
  4. De uitvoering van de landschappelijke inpassing dient te worden gegarandeerd middels een overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
  5. De in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aan-getast.
3.6.2 Wijzigen naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Wijziging is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak.
  2. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk.
  3. Het bouwvlak wordt verwijderd en het bestemmingsvlak ‘Wonen’ bestaat uit de voormalige agra-rische bedrijfswoning met bijhorende bijgebouwen, tuinen, erven en verhardingen.
  4. De voormalige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt waarbij geldt dat ofwel 10% van de oppervlakte van de te slopen voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de in-houd van de woning tot een maximum van 900 m³, ofwel 10% van de oppervlakte van de te slo-pen voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 200 m².
  5. De bestaande situering van de voormalige bedrijfswoning mag niet worden gewijzigd en in geval van verbouw mag het bestaande oppervlak van de voormalige bedrijfswoning niet worden ver-groot.
  6. De woning(en) mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfs-voering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.
  7. De woning(en) dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat.
  8. De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aan-wezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische en/of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.
Artikel 4 Waarde - Archeologie
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor Waarde – Archeologie (WR-A) aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.
 
4.2 Bouwregels
 
Uitsluitend mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de in 4.1 omschreven doeleinden, en voor de andere daar voorkomende bestemmingen, met dien ver-stande dat:
  1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken en/of waterstaatkundi-ge werken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
  2. het verstoringsoppervlak (het nieuw te bebouwen oppervlak plus fundering, leidingsleuven en in-filtratiekoffers) niet groter is dan:
    1. ten hoogste 50 m² ter plaatse van de aanduiding ‘archeologie categorie 2’/ ‘overige zone – archeologie categorie 2’;
    2. 250 m² ter plaatse van de aanduiding ‘archeologie 4’/ ‘overige zone – archeologie categorie 4’; en
  3. de verstoringsdiepte niet dieper is dan 0,5 m ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - ar-cheologie categorie 2’; ‘overige zone - archeologie categorie 4’; onder maaiveld; of
  4. het een bouwwerk betreft dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte tot 3 m;
  5. de werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestem-mingsplan;
  6. de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd kracht een reeds verleende vergunning.
4.3 Nadere eisen
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van ge-bouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit on-derzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.
 
De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
4.4 Afwijken van de bouwregels
 
4.4.1 Afwijking
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van een afwijking van het bepaalde in 4.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijn-de voor de op deze gronden liggende andere bestemming(en) toe te staan, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een des-kundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  2. Indien het bepaalde onder 4.4.1.a sub 3 van toepassing is, worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoe-ring van bouwwerkzaamheden.
4.4.2 Verplichting rapportage
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in 4.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeolo-gische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende ma-te is vastgesteld;
  2. Een onderzoek als bedoeld in 4.4.2.a is niet vereist indien naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastge-steld;
  3. Een onderzoek als bedoeld in 4.4.2.a is ook niet vereist indien door het overleggen van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onderzoek blijkt dat de verstorings-diepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan de Laatmiddeleeuwse en moderne bouwvoor (akkerdek);
  4. Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel genoegzaam blijkt dat:
    1. er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
    3. de verstoringsdiepte minder diep reikt dan het akkerdek;
    4. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden be-perkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
4.4.3 Advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag kan beslissen over een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.4.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werk-zaamheden
 
4.5.1 Vergunningplichtige werken
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in deze bestemming bedoel-de gronden de volgende werkzaamheden of andere werken uit te voeren:
  1. grondwerkzaamheden, zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden;
  2. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
  3. waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling;
  4. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
  5. het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en pro-fiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
  6. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  7. het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
  8. het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt;
  9. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van ande-re oppervlakteverhardingen;
  10. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, waarbij de breedte van de grondwer-ken meer dan 0,5 m bedragen;
  11. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
  12. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  13. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie;
  14. verwijderen/vervangen van funderingen van waterstaatkundige werken.
4.5.2 Uitzonderingen
  1. Het bepaalde in 4.5.1. is niet van toepassing indien de werkzaamheden of werken:
    1. maximaal 0,5 m diep reiken ten opzichte van het maaiveld, tenzij het werkzaamheden be-treffen genoemd onder 4.5.1 sub h, l en m;
    2. een verstoringsoppervlakte hebben van ten hoogste 250 m² ter plaatse van de aandui-ding ‘archeologie categorie 4’/ ‘overige zone – archeologie categorie 4;
    3. een verstoringsoppervlakte hebben van:
      1. ten hoogste 50 m² ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - archeologie catego-rie 2’/ ‘ overige zone - archeologie categorie 2’;
      2. ten hoogste 250 m² ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - archeologie catego-rie 4’/ ‘ overige zone - archeologie categorie 4’;
    4. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; of
    5. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits ver-richt door een ter zake deskundige; of
    6. het normale beheer en onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud - en vervan-gingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen be-staande tracés van kabels en leidingen; of
    7. het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grond bewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,5 m onder maaiveld wordt geroerd; of
    8. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op dat moment het van kracht worden van het bestemmingsplan een aanlegvergunning of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend; of
    9. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 4.4; of
    10. het normaal beheer en onderhoud van watergangen, waaronder baggeren tot het ont-werpprofiel, betreffen; of
    11. vervangingswerkzaamheden betreffen van bestaande waterstaatswerken.
  2. Het verbod als bedoeld in 4.5.1 is ook niet van toepassing indien:
    1. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld, voorzien van een over-eenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan de diepte van het akkerdek, en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 4.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaam-heden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist; of
    2. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld, voorzien van een schrifte-lijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 4.5.1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is vereist.
4.5.3 Verlening
  1. Een vergunning als bedoeld in 4.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een des-kundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
    4. Indien het bepaalde onder 4.5.3.a sub 3 van toepassing is, worden aan de omgevingsver-gunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tij-dens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
4.5.4 Verplichting rapportage
  1. De vergunning als bedoeld in 4.5.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
  2. Een onderzoek als bedoeld in 4.5.4.a is niet vereist indien naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastge-steld.
  3. Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het rapport als bedoeld onder a genoegzaam blijkt dat :
    1. er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    2. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden ge-schaad;
    3. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
4.5.5 Advies archeologisch deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een vergunning wint het bevoegd gezag schrifte-lijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waar-den, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
4.6 Wijzigingsbevoegdheid
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door:
  1. De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, be-stemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen, indien:
    1. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken, dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden;
    2. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarde voorziet.
  2. Aan gronden de dubbelstemming ‘Waarde-Archeologie’ toe te kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat op de betreffende gronden archeologische waarden aanwezig zijn die be-scherming behoeven.
Artikel 5 Waarde - Attentiezone waterhuishouding
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Waterstaat – Attentiezone waterhuishouding’ aangegeven gronden zijn, behalve voor de andere daar voor-komende bestemming, mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden.
 
5.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
 
5.2.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouw-werken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet;
  2. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage;
  3. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  4. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.
5.2.2 Uitzonderingen
Het in lid 5.2.1 Werken en werkzaamheden vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werk-zaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
5.2.3 Toelaatbaarheid
  1. De in lid 5.2.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen on-evenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de hydro-logische waarden.
  2. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het betrokken waterschapsbestuur.
5.3 Wijzigingsbevoegdheid
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen, door de begrenzing van de bestemming te wijzigen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. De beoogde ruimtelijke ingreep waarvoor wijziging van de begrenzing noodzakelijk is heeft geen invloed op de waterhuishouding ter plaatse.
  2. Het betrokken waterschapsbestuur is gehoord.
  3. Gedeputeerde Staten tot de wijziging van de begrenzing positief hebben besloten.
3 Algemene regels
 
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten be-schouwing.
Artikel 7 Algemene bouwregels
 
7.1 Ondergronds bouwen
  1. Op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens on-dergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd.
  2. De verticale diepte bij ondergronds bouwen mag niet meer bedragen dan 3,5 m.
  3. In afwijking van het bepaalde onder a zijn bij agrarische bedrijven mestkelders overal binnen het bouwvlak toegestaan.
  4. Ondergrondse bouwwerken mogen uit niet meer dan één bouwlaag bestaan.
7.2 Afwijken ondergronds bouwen
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 7.1 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw, bijge-bouw, sleufsilo’s of mestbassins, mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
 
8.1 Strijdig gebruik
 
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksin-richting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  2. het gebruik van bijgebouwen bij een (bedrijfs)woning als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  3. het permanent bewonen of laten bewonen van recreatieve nachtverblijven;
  4. het gebruik van gronden als staanplaats voor onderkomens, alsmede voor wagens en kramen, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel;
  5. het gebruik van gronden als kampeerterrein;
  6. het gebruik van gronden als opslag-, stort- en/of lozingsplaats;
  7. het gebruik van gronden als parkeerterrein of stallingsplaats van al dan niet aan het gebruik ont-trokken rij- of voertuigen c.q. onderdelen daarvan;
  8. het gebruik van ruimten binnen de woning of aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor het uitoefe-nen van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
  9. het binnen een afstand van 50 m van een dassenburcht uitvoeren of laten uitvoeren van de vol-gende werken en werkzaamheden:
    1. afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren;
    2. diepploegen;
    3. vellen/rooien van houtgewas, uitgezonderd erfbeplanting;
    4. aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communi-catieleidingen, uitgezonderd drainageleidingen nodig voor een normale agrarische bedrijfs-voering en leidingen noodzakelijk voor het aansluiten van bouwwerken op het net van open-bare nutsvoorzieningen;
    5. aanbrengen van oppervlakteverhardingen van meer dan 200 m², uitgezonderd veepaden;
    6. aanleggen van paden.
8.2 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
 
Gebruik van ruimten binnen de woning en/of aan-/uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van de uitoe-fening van een niet-publieksgerichte verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voorzover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunc-tie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het vloeroppervlak aan bebouwing per bouwperceel dat hiervoor gebruikt wordt mag niet meer bedragen dan 1/3 deel van dat vloeroppervlak met een maximum van 60 m²;
  2. het gebruik mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woon-milieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  3. de activiteiten die worden ontplooid mogen niet geluidzoneringsplichtig zijn;
  4. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer;
  5. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ter plaatse;
  6. de activiteiten mogen niet meldings- en/of vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer;
  7. er mogen geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden anders dan ondergeschikt en ten dienste van het aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  8. er mogen geen reclame-uitingen (aan de woning) worden aangebracht;
  9. degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn.
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
 
9.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden
 
9.1.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaam-heden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’/ ‘overige zone - cultuurhisto-risch waardevol gebied’:
    1. vellen/rooien van houtgewas, uitgezonderd erfbeplanting;
    2. aanbrengen van houtgewas, uitgezonderd erfbeplanting;
    3. het aanbrengen van hoogopgaand houtgewas hoger dan 1,5 m met een agrarische pro-ductiefunctie;
    4. aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatie-leidingen, uitgezonderd drainageleidingen nodig voor een normale agrarische bedrijfs-voering en leidingen noodzakelijk voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen;
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ / ‘overige zone - groenblauwe mantel’:
    1. vellen/rooien van houtgewas, uitgezonderd erfbeplanting;
    2. aanbrengen van houtgewas, uitgezonderd erfbeplanting;
    3. het aanbrengen van hoogopgaand houtgewas hoger dan 1,5 m met een agrarische produc-tiefunctie;
    4. aanbrengen van oppervlakteverhardingen van meer dan 200 m², uitgezonderd veepaden;
    5. aanleggen van paden;
9.1.2 Uitzonderingen
Het in lid 9.1.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. binnen het bouwvlak plaatsvinden;
  4. het aanleggen en/of wijzigen van (kikker en/of padden)poelen, zoals genoemd in lid 3.4.4. betref-fen.
9.1.3 Toelaatbaarheid
De in lid 9.1.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsom-schrijving aangegeven waarden.
 
9.2 Vrijwaringszone – watergang
 
9.2.1 Algemeen
De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – watergang’ zijn, behalve voor de daar voor-komende bestemmingen, mede bestemd voor het beheer en onderhoud van de ter plaatse gelegen A-waterloop door het betreffende Waterschap.
 
9.2.2 Bouwregels
Op gronden ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – watergang’ is het, in afwijking van het be-paalde bij de daar voorkomende bestemming(en), verboden enig bouwwerk te bouwen.
 
9.2.3 Afwijken van de bouwregels
  1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2.2 ten behoeve van bebouwing, die is toegestaan ingevolge de ter plaatse geldende andere bestem-ming, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt toege-bracht aan het belang van de waterhuishouding.
  2. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. wordt pas verleend nadat ter zake advies is in-gewonnen bij de beheersinstantie van de watergang; de beslissing inzake het verlenen van om-gevingsvergunning wordt aan genoemde instantie medegedeeld.
9.2.4 Strijdig gebruik
Het is verboden om zonder vergunning op grond van de Waterwet handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven op gronden die zijn aange-duid als ‘vrijwaringszone – watergang’.
 
9.2.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
  1. het is verboden op of in gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - watergang' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het in de grond aanbrengen, wijzigen, hebben, onderhouden of uit de grond verwijderen van voorwerpen en beplanting;
    2. boren of sonderen in de grond;
    3. het verhogen of verlagen van het maaiveld.
  2. het verbod bedoeld onder a. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:
    1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    3. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
  3. De werken en/of werkzaamheden als bedoeld onder a. zijn slechts toelaatbaar, indien hierdoor geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de beschermingsfunctie ten behoeve van de watergang.
  4. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden als bedoeld onder a. wordt pas verleend nadat terzake advies is ingewonnen bij de beheersinstantie van de watergang; de beslissing inzake het verlenen van de omgevingsvergun-ning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt aan genoemde instantie medegedeeld.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
 
10.1 Algemene afwijkingen
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:
  1. het in geringe mate overschrijden van bestemmings- of bouwgrenzen, indien een meetverschil of de werkelijke toestand van het terrein daartoe aanleiding geeft;
  2. het afwijken van de op de verbeelding of in de regels gegeven maten, afmetingen en percenta-ges, voorzover daarvoor geen bijzondere afwijkingsbevoegdheid in deze regels is opgenomen, mits deze met niet meer dan 10% worden veranderd; deze afwijkingsbevoegdheid is niet van toepassing op bebouwingspercentages, oppervlaktematen boven 100 m² en inhoudsmaten boven 250 m³;
  3. het afwijken van de voorgeschreven afstandsmaat ten opzichte van zijdelingse en achterste per-ceelgrens ten behoeve van het bouwen tot op de perceelgrens, mits is aangetoond dat zich op het betreffende perceel geen andere reële mogelijkheden voordoen en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
  4. het bouwen van voorzieningen ten dienste van het ontvangen en zenden van radio- en televisie-signalen, voorzover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding ‘ecolo-gische hoofdstructuur’;
  5. het bouwen van voorzieningen (masten) ten dienste van het openbare tele-communicatieverkeer, voorzover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 25 m;
  6. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
    2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m.
  7. de onder sub a tot en met f genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend verleend wor-den mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de sociale veiligheid;
    4. de milieusituatie, en;
    5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
10.2 Bed & breakfast
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van de bestemmingsregels voor het toestaan van kleinschalig logeren bij (bedrijfs)woningen bij agrarische bedrijven binnen de be-stemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, waarbij voldaan moet worden aan de volgen-de voorwaarden:
  1. De voorziening ten behoeve van Bed & breakfast wordt binnen de bestaande woning of bijge-bouwen gerealiseerd.
  2. De voorziening functioneert door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet als een zelfstandige woning.
  3. Het maximale aantal gasten dat gelijktijdig gebruik mag maken van de Bed & breakfast is gesteld op 5.
  4. De oppervlakte die gebruikt wordt ten behoeve van de voorziening mag niet meer bedragen dan 50% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en bijgebouwen tot een maximum op-pervlakte van 150 m².
  5. Parkeren vindt plaats op eigen terrein.
10.3 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 8.1 en toestaan dat een publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit wordt uitgeoefend, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Het vloeroppervlak aan bebouwing per bouwperceel ten behoeve van de (bedrijfs-) woning dat hiervoor gebruikt wordt mag niet meer bedragen dan 1/3 deel van dat vloeroppervlak met een maximum van 60 m²;
  2. Het gebruik mag geen ernstige c.q. onevenredige hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  3. De activiteiten die worden ontplooid mogen niet geluidzoneringsplichtig zijn.
  4. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer.
  5. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ter plaatse.
  6. De activiteiten mogen niet omgevingsvergunningplichtig zijn ingevolge de Wet algemene bepa-lingen omgevingsrecht.
  7. Er mogen geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden anders dan ondergeschikt en ten dienste van de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit.
  8. Er mogen geen reclame-uitingen (aan de woning) worden aangebracht.
  9. Degene die de activiteiten in de woning uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn.
10.4 Evenementen
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van evenementen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. Het evenement duurt maximaal 10 dagen, inclusief opbouwen, inrichten, afbreken en opruimen.
  2. Er vindt geen horeca plaats ter plaatse, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegesta-ne evenement.
  3. Er vindt geen detailhandel ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toe-gestane evenement, met uitzondering van vlooien- en/of rommelmarkten.
  4. Er treden geen onomkeerbare gevolgen voor het landschap op.
  5. De belangen van de betreffende bestemming wordt niet onevenredig aangetast;
  6. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangren-zende gronden.
  7. Belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.
  8. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische of natuurwaarden.
  9. De belangen van in de nabijheid gelegen functies verzetten zich niet tegen het gebruik van de be-treffende bestemming voor het evenement.
10.5 Paardenbakken
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van de bestemmingsregels ten behoeve van paardenbakken, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. De paardenbak wordt gesitueerd direct grenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak waarbij de paardenbak wordt gerealiseerd.
  2. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 800 m2.
  3. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 m, met uit-zondering van lichtmasten waarvan de hoogte niet meer dan 6 m mag bedragen.
  4. Bedrijfsmatig gebruik is niet toegestaan.
  5. De belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  6. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  7. De omgevingsvergunning kan uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de sociale veiligheid;
    4. de milieusituatie;
    5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; en
    6. de aanwezige waarden.
Artikel 11 Overige regels
 
11.1 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening
 
De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:
  1. de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige voorwaarden;
  2. de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;
  3. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
  4. het bouwen bij ondergrondse hoofdtransportleidingen;
  5. de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden en
  6. de ruimte tussen bouwwerken.
11.2 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen
 
Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
 
11.3 Nadere eisen
  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde indien dit noodzakelijk is ten behoeve van het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van de bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistori-sche, ecologische en/of landschappelijke waarden.
  2. De onder sub a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld indien zulks noodzakelijk is ten behoeve van zorgvuldig ruimtegebruik en/of ruimtelijke kwaliteit.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een om-gevingsvergunning voor het bou-wen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder sub a een omgevingsver-gunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder sub a met maximaal 10 %.
  3. Het bepaalde onder sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Graafschedijk 63’.