Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Landgoed Leijkant
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0785.BP2012002Leijkant-vg01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:
 
1. plan:
het bestemmingsplan ‘Landgoed Leijkant’ van de gemeente Goirle.  
 
2. bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0785.BP2012002Leijkant-vg01 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen.  
 
3. aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.  
 
4. aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.  
 
5. aan huis verbonden bedrijf:
het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke –geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid dat door tenminste één bewoner van een woning in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning of de daarbij behorende bijgebouwen past, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie, in ruimtelijke en visuele zin blijft behouden, en de activiteit ter plaatse kan worden uitgeoefend, waaronder een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit behoort, met dien verstande dat de activiteit niet vergunningplichtig is ingevolge de Wet milieubeheer en is vermeld in categorie A van de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage bij deze regels) of voor wat betreft de aard en omvang in relatie tot de milieuhinder die de bedrijfsactiviteit veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden met een bedrijf dat behoort tot één van deze categorieën.  
 
6. aan huis verbonden beroep:
een beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig of hiermee te vergelijken gebied – niet zijnde detailhandel, dat door tenminste één bewoner van een woning in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie blijft behouden, en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke en visuele uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.  
 
7. afhankelijke woonruimte:
een (gedeelte van een) bijgebouw, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de (bedrijfs)woning, waarbij dit bijgebouw hoort, en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest.  
 
8. agrarische doeleinden:
doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.  
 
9. archeologisch onderzoek:
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling, dat voldoet aan de meest actuele versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), met als resultaat het overleggen van een archeologische rapportage zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988.
 
10.
archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
 
11. bebouwing;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
12. bedrijf:
een inrichting of instelling, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
 
13. bedrijfsgebouw:
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
 
14. bestaande situatie (bebouwing en gebruik):
a. legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals deze mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;
b. het gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
 
15. bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
16. bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
17. bijgebouw:
een al dan niet vrijstaand gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
 
18. bos:
terrein begroeid met bomen bestemd voor natuurbeheer en/of houtproductie.
 
19. bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten.
 
20. bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
21. bouwlaag:
een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
 
22. bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
23.
bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel.
 
24. bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
25. bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
26. dienstverlening:
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden.
 
27. Ecologosche verbindingszone:
Een ecologische verbindingszone is een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur). Ecologische verbindingszones worden aangelegd met een minimale breedte van 10 m om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken (uitwisseling van genen).
 
28. escortbedrijf:
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen).
 
29. extensief dagrecreatief medegebruik:
extensieve vormen van dagrecreatie die in de open lucht plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is; hieronder worden in ieder geval verstaan: wandelen en fietsen;
 
30. gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
31. gebruiken:
het gebruiken, doen en laten gebruiken.
 
32. gevellijn:
een als zodanig op de verbeelding aangegeven gevellijn, die tevens functioneert als lijn waarnaar het hoofdgebouw met de voorgevel moet zijn gekeerd.
 
33. hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn ligging, constructie, afmetingen en/of functie, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
 
34. kunstwerk:
een in bouwkundige zin, door mensenhanden gemaakt (civiel technisch) bouwwerk, zoals onder andere aquaducten, bruggen, dijken, tunnels en viaducten;
 
35. mantelzorg:
het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
 
36. utsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, openbare sanitaire voorzieningen, transformatiehuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, waterhuishoudkundige voorzieningen, collectieve energievoorzieningen (onder andere warmtepompen), telefooncellen, abri's, apparatuur voor telecommunicatie, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, en dergelijke.
 
37. omgevingsvergunning:
vergunning als bedoeld in artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);
 
38. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b. van de Wabo;
 
39. omgevingsvergunning voor het afwijken;
omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1, van de Wabo
 
40. omgevingsvergunning voor het bouwen:
omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo;
 
41. omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk:
omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo;
 
42. ondergeschikte bouwdelen / bouwdelen van ondergeschikt belang:
bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht-, antenne- en vlaggenmasten, windvanen, wolfseinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, balkon- en terrashekken en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten en overige overstekende ondergeschikte daken.
 
43. ondergronds:
beneden het peil.
 
44. peil:
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
 
45. prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
 
46. prostitutiebedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het tegen betaling doen plaatsvinden van seksuele omgang met prostituees op een naar buiten toe kenbare wijze, zoals een bordeel of escortbedrijf.
 
47. seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privéhuis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
48. Staat van bedrijfsactiviteiten:
een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en installaties.
 
49. uitvoeren:
het uitvoeren, doen uitvoeren en laten uitvoeren.
 
50. verharden van wegen:
het aanbrengen van een dichte deklaag in de vorm van bijvoorbeeld klinkers, asfalt of beton.
 
51. vloeroppervlak:
de totale oppervlakte, buitenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane grond, de verdiepingen, de zolder en de aangebouwde bijgebouwen.
 
52. voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie, dan wel gelet op de uitstraling ervan, als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
 
53. Wabo:
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 
54. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke.
 
55. wijziging:
een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid , sub a, van de Wet ruimtelijke ordening.
 
56. woning:
een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend be-doeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden.
a.  vrijstaande woning: een woning, die als woning niet aan een andere woning is aange-bouwd en die zich op een zekere afstand van beide zijdelingse perceelsgrenzen bevindt.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1. Meetregels
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
1. afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel: tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en enig punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
2. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
3. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
4. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen.
5. horizontale diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel.
6. volume van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
7. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
8. verticale diepte van een bouwwerk: vanaf het peil tot het laagste punt van het bouwwerk, fundering niet meegerekend.
9. lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de buitenste verticale projecties van bouwdelen en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren, boven peil
10. peil:
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
 
2.2. Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht-, antenne- en vlaggenmasten, windvanen, wolfeinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, Pagina 10 van 32
balkons, balkon- en terrashekken en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten, en overige overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- dan wel. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Natuur - Landgoed

3.1.Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Natuur-Landgoed’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuur, bos/bosschages en landschappelijke waarden ten behoeve van het landgoed;
b. ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’, woningen ten behoeve van het landgoed met bijbehorende tuinen en erven;
c. bijbehorende en ondergeschikte verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;
d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan watergangen en andere waterpartijen, reserveringen voor infiltratievoorzieningen (zoals wadi's), retentievoorzieningen, waterbuffers en bergbezinkbassins, alsmede kunstwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen;
e. bijbehorende en ondergeschikte objecten voor beeldende kunst;
f. extensief dagrecreatief medegebruik;
g. nutsvoorzieningen;
h. parkeer- en groenvoorzieningen en andere tot de bestemming behorende voorzieningen;
i. ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch’, eveneens agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, met uitzondering van boomteelt en boomteeltondersteunende voorzieningen.
met dien verstande dat:
j. de woning en/of daarbij behorende bijgebouwen mogen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep;
k. de woning en/of daarbij behorende bijgebouwen mogen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf;
l. aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebruikt voor wonen.
 
3.2.Bouwregels
3.2.1. Algemeen
Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 3.1 omschreven doeleinden en met inachtneming van de volgende regels:
a. toegestaan zijn:
- woningen;
- daarbij behorende bijgebouwen;
- een werktuigenberging ten behoeve van het stallen van voertuigen noodzakelijk voor het onderhoud van het landgoed;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
b. buiten het bouwvlak mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van een werktuigenberging conform het bepaalde in lid 3.2.4;
c. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak onder bebouwd oppervlak, tot een verticale diepte van maximaal 5 meter.
 
3.2.2. Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van het hoofdgebouw, zijnde de woning, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. als hoofdgebouw zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij per bouwvlak ten hoogste één woning is toegestaan;
c. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter;
d. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale volume’, mag de volume van de woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
e. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' mag de goothoogte van de woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
f. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
g. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de voorgevel van het hoofdgebouw geplaatst te worden in of evenwijdig aan de aangegeven gevellijn met dien verstande dat de afstand van deze gevel tot de gevellijn maximaal 5 meter mag bedragen, en dat de voorgevel met maximaal 20 graden ten opzichte van de gevellijn mag verdraaien.
 
3.2.3. Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
b. de bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gesitueerd;
c. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen mag per bouwvlak niet meer bedragen dan 100 m²;
d. de goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,25 meter bedragen;
e. de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen.
 
3.2.4. Gebouw ten behoeve van werktuigenberging
Voor het bouwen van een werktuigenberging gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding werktuigenberging (sw-wtb);
b. maximale oppervlakte van 200 m²;
c. maximale goothoogte van 4,5 meter;
d. maximale nokhoogte van 10 meter;
e. het gebouw dient voorzien te zijn van een kap met een dakhelling van niet minder dan 12 graden en niet meer dan 45 graden.
 
3.2.5. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer dan 1 meter mag bedragen;
b. de bouwhoogte van antenne- en vlaggenmasten mag niet meer dan 5 meter bedragen;
c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 meter bedragen;
d. uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ mogen zwembaden worden gebouwd.
 
3.3.Afwijken van de bouwregels
3.3.1. Erf- en terreinafscheidingen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.5., onder a, voor het toestaan van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 meter vóór de naar de weg gekeerde gevel, mits
a. dit past binnen het straat- en bebouwingsbeeld van de omgeving;
b. dit mogelijk is uit oogpunt van een veilige verkeerssituatie.
 
3.4.Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend:
a. vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
b. het gebruik van gronden en / of opstallen voor het beproeven van of racen of crossen met motoren of motorvoertuigen;
c. het gebruik van gronden en / of opstallen voor reclamedoeleinden;
 
3.5.Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.5.1. Verboden
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden, de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden of het graven van sloten;
b. het aanbrengen van drainagevoorzieningen;
c. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende con-structies;
d. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen zonder agrarische productiefunctie;
e. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
f. het onttrekken van grondwater ten behoeve van veedrenking danwel moestuinberegening.
 
3.5.2. Criteria
De in lid 3.5.1. bedoelde vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de andere werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke, aardkundige of hydrologische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
3.5.3 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1. is niet vereist voor:
a. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen danwel gericht zijn op realisering van de doeleinden van de bestemming;
b. werken of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 4 Water

4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. water en waterhuishoudkundige doeleinden (waaronder waterlopen) alsmede kunstwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen;
b. daarbij behorende waterbouwkundige kunstwerken, zoals oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en stuwen;
c. schouwpaden en groenvoorzieningen;
d. natuurlijke oevers/ecologische verbindingzone.
 
4.2 Bouwregels
4.2.1. Algemeen
Op de gronden zoals bedoeld in lid 4.1 mogen uitsluitend waterbouwkundige kunst-werken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, zoals oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en stuwen, voorzover deze bouwwerken ter plaatse noodzakelijk zijn in het kader van de waterbeheersing of voor verkeersdoeleinden, waaronder de ontsluiting van percelen.
 
4.2.2. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt naast het bepaalde in lid 4.2.1 dat de bouwhoogte van deze bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 1,20 meter mag bedragen.
 
4.3 Nadere eisen
Het bevoegd gezag is bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
a. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van;
1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
2. de ruimtelijke of landschappelijke inpassing;
3. de verkeersveiligheid;
4. de sociale veiligheid;
5. de brandveiligheid;
6. de milieusituatie;
7. de gebruismogelijkheden van aangrenzende gronden;
b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde-Archeologie (dubbelbestemming)’ aangewezen gronden zijn, naast de aldaar voorkomende onderliggende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud van mogelijk aanwezige archeologische waarden.
 
5.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, niet bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden
5.2.1. Verboden
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) op of in de in lid 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, voorzover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. het ontgronden, afgraven en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 0,5 m en met een oppervlakte van meer dan 100 m2;
b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,5 m en met een oppervlakte van meer dan 30 m2;
d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond.
 
5.2.2. Criteria
De in lid 5.2.1 bedoelde vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien de archeologische (verwachtings)waarden hierdoor onevenredig worden geschaad en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
5.2.3. Advies
Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 5.2.1 wint het bevoegd gezag daarover een schriftelijk advies in bij een instantie die deskundig is op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
 
5.2.4. Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.2.1 is niet vereist voor:
a. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
b. werken of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

Artikel 6 Waterstaat - Waterberging

6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waterstaat-Waterbergingsgebied aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede bestemd voor tijdelijke opvang van water.
 
6.2 Bouwregels
6.2.1. Algemeen Voor het bouwen geldt dat in afwijking van hetgeen wordt bepaald door de onderliggende basisbestemming(en), binnen de weergegeven dubbelbestemming Waterstaat-Waterbergingsgebied begrepen gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden opgericht ten behoeve van waterberging. Hierbij geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 2 m mag bedragen.
 
6.3 Ontheffing van de bouwregels
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van de bouwregels in 6.2 en dusdoende toe te staan dat bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende basisbestemmingen worden gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de bebouwing mag niet leiden tot een vermindering of verslechtering van het waterbergend vermogen van de gronden.
b. burgemeester en wethouders dienen schriftelijk advies in te winnen bij de waterbeheerder.
 
6.4 Omgevingsvergunning
6.4.1. Verboden
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) op of in de in lid 6.1 bedoelde gronden de volgende werken, voorzover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor zover groter dan 100 m2 per perceel;
b. het ophogen van gronden;
c. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of bemaling;
d. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren.
 
6.4.2. Criteria
De in lid 6.4.1 bedoelde vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterbergend vermogen van de gronden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
6.4.3. Advies
Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 6.4.1 wint het bevoegd gezag daarover een schriftelijk advies in bij de waterbeheerder.
 
6.4.2. Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.4.1 is niet vereist voor:
a. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
b. werken of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Overschrijding van bouwgrenzen
Bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze regels, worden overschreden ten behoeve van tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits:
a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 meter;
b. de bouwhoogte van erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het betreffende gebouw;
c. de breedte van erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de betreffende gevel van het gebouw.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, wordt in ieder geval gerekend:
a. een gebruik van gronden als stort- en / of opslagplaats van grond en / of afval, met uit-zondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
b. een gebruik van gronden als stallings- en / of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
c. de vestiging van inrichtingen als bedoeld in 2.1, derde lid van het Besluit omgevingsrecht (inrichtingen die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken);
d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens deze regels;
e. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van prostitutie, escortbedrijf, prostitutiebedrijf en/of seksinrichting.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van:
a. het gebruik van een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw als afhankelijke woon-ruimte, mits:
1. het een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw betreft behorende bij een woning binnen een bestemming waarbinnen een permanente woning is toegestaan;
2. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring van in ieder geval de behandelende huisarts;
3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
4. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m2;
5. het bijgebouw een onlosmakelijk geheel vormt met de woning van waaruit de mantelzorg wordt verleend;
6. het bevoegd gezag verleent bedoelde omgevingsvergunning zowel op naam van de mantelzorgverlener als de mantelzorgontvanger onder de voorwaarden dat binnen vier weken na beëindiging van het gebruik van het vrijstaand of aangebouwd bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg hiervan schriftelijk melding wordt gemaakt bij het bevoegd gezag en de gebruiksmogelijkheden van het vrijstaand of aangebouwd bijgebouw binnen twaalf weken na beëindiging van het gebruik als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg on-gedaan wordt gemaakt voor bewoning;
b. het gebruik van een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw voor het aanbieden van Bed & Breakfast, mits:
1. er aan maximaal vijf personen tegelijkertijd logies mag worden aangeboden;
2. de woning bewoond dient te worden door de hoofdbewoner(s);
3. het gebouw geschikt moet zijn voor permanente bewoning;
4. de oppervlakte van de bed & breakfast mag niet meer dan 80 m² bedragen;
5. er geen onevenredige verkeers- en parkeeroverlast mag ontstaan voor de omgeving;
6. er slechts terughoudende reclame-uitingen geplaatst mogen worden, neonreclame is niet toegestaan;
c. kleinschalig kamperen, waarbij dit is toestaan bij de (bedrijfs)woningen, mits:
1. het oppervlak van het aaneengesloten terrein, waarvan het terrein voor kleinschalig kamperen onderdeel uitmaakt, bedraagt minimaal 1 ha.
2. het totaal aantal kampeermiddelen niet meer dan 15 bedraagt;
3. er geen bebouwing plaatsvindt;
4. de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast;
5. een goede landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is;
6. als gevolg van het kleinschalig kamperen de bestaande bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van de omringende agrarische bedrijven niet onevenredig worden beperkt.
Pagina 23 van 32
d. het afwijken van de voorgeschreven maten voor de goothoogte, bouwhoogte, opper-vlakte, volume en afstand van bouwwerken, dan wel een voorgeschreven bebou-wingspercentage, eventueel met overschrijding van de bouwgrenzen binnen een bestemmingsvlak, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in deze regels voorgeschreven maten;
e. het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 2,5 meter bedraagt;
f. de bouw van hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dan toegestaan ingevolge deze regels, met dien verstande dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag worden vergroot tot niet meer dan 10 meter;
g. het oprichten van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van maxi-maal 5 meter;
h. het oprichten van zend-, ontvang-, sirenemasten en masten ten behoeve van tele-communicatie, al dan niet op of aan gebouwen of andere bouwwerken, met een op-pervlakte van niet meer dan 60 m2 en een bouwhoogte van niet meer dan 40 meter, waarbij de mogelijkheden van gezamenlijk gebruik van deze voorzieningen zo veel mogelijk moeten worden benut.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels

11.1 Algemene wijzigingen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen te wijzigen, met inachtneming van de volgende regels:
a. de bij de wijziging betrokken grenzen mogen ten hoogste 5 meter worden verschoven;
b. de oppervlakte van de bij de wijziging betrokken bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen mag ten hoogste 5% worden verkleind of vergroot ten opzichte van de oppervlakte vóór de wijziging;
c. door een wijziging mogen het straat-, behouwings- en landschapsbeeld, het woon- en leefklimaat, de waterstaatkundige belangen, de ontwikkeling van omliggende bedrijven, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 12 Overige regels

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan, tenzij expliciet anders is geregeld.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 13.1, onder a, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van het volume van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder lid 13.1, onder a, met maximaal 10%.
c. Lid 13.1, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
13.2 Overgangsrecht gebruik
13.2.1
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
13.2.2
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder lid 13.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
13.2.3
Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder lid 13.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
13.2.4
Lid 13.2.1. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
regels van het bestemmingsplan Landgoed Leijkant.
 
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 4 februari 2014
De voorzitter,
De griffier,
................................
................................