Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1. plan:
het bestemmingsplan ‘Landgoed Leijkant’ van de gemeente Goirle.
2. bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0785.BP2012002Leijkant-vg01 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen.
3. aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
4. aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
5. aan huis verbonden bedrijf:
het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke –geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid dat door tenminste één bewoner van een woning in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning of de daarbij behorende bijgebouwen past, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie, in ruimtelijke en visuele zin blijft behouden, en de activiteit ter plaatse kan worden uitgeoefend, waaronder een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit behoort, met dien verstande dat de activiteit niet vergunningplichtig is ingevolge de Wet milieubeheer en is vermeld in categorie A van de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage bij deze regels) of voor wat betreft de aard en omvang in relatie tot de milieuhinder die de bedrijfsactiviteit veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden met een bedrijf dat behoort tot één van deze categorieën.
6. aan huis verbonden beroep:
een beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig of hiermee te vergelijken gebied – niet zijnde detailhandel, dat door tenminste één bewoner van een woning in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie blijft behouden, en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke en visuele uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.
7. afhankelijke woonruimte:
een (gedeelte van een) bijgebouw, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de (bedrijfs)woning, waarbij dit bijgebouw hoort, en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest.
8. agrarische doeleinden:
doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
9. archeologisch onderzoek:
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling, dat voldoet aan de meest actuele versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), met als resultaat het overleggen van een archeologische rapportage zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988.
10.
archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
11. bebouwing;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
12. bedrijf:
een inrichting of instelling, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
13. bedrijfsgebouw:
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
14. bestaande situatie (bebouwing en gebruik):
a. legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals deze mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning;
b. het gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
15. bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
16. bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
17. bijgebouw:
een al dan niet vrijstaand gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
18. bos:
terrein begroeid met bomen bestemd voor natuurbeheer en/of houtproductie.
19. bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten.
20. bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
21. bouwlaag:
een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
22. bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
23.
bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel.
24. bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
25. bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
26. dienstverlening:
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden.
27. Ecologosche verbindingszone:
Een ecologische verbindingszone is een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur). Ecologische verbindingszones worden aangelegd met een minimale breedte van 10 m om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken (uitwisseling van genen).
28. escortbedrijf:
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen).
29. extensief dagrecreatief medegebruik:
extensieve vormen van dagrecreatie die in de open lucht plaatsvinden in gebieden waar de hoofdfunctie een andere is; hieronder worden in ieder geval verstaan: wandelen en fietsen;
30. gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
31. gebruiken:
het gebruiken, doen en laten gebruiken.
32. gevellijn:
een als zodanig op de verbeelding aangegeven gevellijn, die tevens functioneert als lijn waarnaar het hoofdgebouw met de voorgevel moet zijn gekeerd.
33. hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn ligging, constructie, afmetingen en/of functie, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
34. kunstwerk:
een in bouwkundige zin, door mensenhanden gemaakt (civiel technisch) bouwwerk, zoals onder andere aquaducten, bruggen, dijken, tunnels en viaducten;
35. mantelzorg:
het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
36. utsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, openbare sanitaire voorzieningen, transformatiehuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, waterhuishoudkundige voorzieningen, collectieve energievoorzieningen (onder andere warmtepompen), telefooncellen, abri's, apparatuur voor telecommunicatie, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, en dergelijke.
37. omgevingsvergunning:
vergunning als bedoeld in artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);
38. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b. van de Wabo;
39. omgevingsvergunning voor het afwijken;
omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 1, van de Wabo
40. omgevingsvergunning voor het bouwen:
omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo;
41. omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk:
omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo;
42. ondergeschikte bouwdelen / bouwdelen van ondergeschikt belang:
bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht-, antenne- en vlaggenmasten, windvanen, wolfseinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, balkon- en terrashekken en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten en overige overstekende ondergeschikte daken.
43. ondergronds:
beneden het peil.
44. peil:
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
45. prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
46. prostitutiebedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het tegen betaling doen plaatsvinden van seksuele omgang met prostituees op een naar buiten toe kenbare wijze, zoals een bordeel of escortbedrijf.
47. seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privéhuis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
48. Staat van bedrijfsactiviteiten:
een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en installaties.
49. uitvoeren:
het uitvoeren, doen uitvoeren en laten uitvoeren.
50. verharden van wegen:
het aanbrengen van een dichte deklaag in de vorm van bijvoorbeeld klinkers, asfalt of beton.
51. vloeroppervlak:
de totale oppervlakte, buitenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane grond, de verdiepingen, de zolder en de aangebouwde bijgebouwen.
52. voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie, dan wel gelet op de uitstraling ervan, als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
53. Wabo:
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
54. water en waterhuishoudkundige voorzieningen:
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke.
55. wijziging:
een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid , sub a, van de Wet ruimtelijke ordening.
56. woning:
een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend be-doeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden.
a. vrijstaande woning: een woning, die als woning niet aan een andere woning is aange-bouwd en die zich op een zekere afstand van beide zijdelingse perceelsgrenzen bevindt.
Artikel 3 Natuur - Landgoed
3.1.Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Natuur-Landgoed’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuur, bos/bosschages en landschappelijke waarden ten behoeve van het landgoed;
b. ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’, woningen ten behoeve van het landgoed met bijbehorende tuinen en erven;
c. bijbehorende en ondergeschikte verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;
d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan watergangen en andere waterpartijen, reserveringen voor infiltratievoorzieningen (zoals wadi's), retentievoorzieningen, waterbuffers en bergbezinkbassins, alsmede kunstwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen;
e. bijbehorende en ondergeschikte objecten voor beeldende kunst;
f. extensief dagrecreatief medegebruik;
g. nutsvoorzieningen;
h. parkeer- en groenvoorzieningen en andere tot de bestemming behorende voorzieningen;
i. ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch’, eveneens agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, met uitzondering van boomteelt en boomteeltondersteunende voorzieningen.
met dien verstande dat:
j. de woning en/of daarbij behorende bijgebouwen mogen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep;
k. de woning en/of daarbij behorende bijgebouwen mogen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf;
l. aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebruikt voor wonen.
3.2.Bouwregels
3.2.1. Algemeen
Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 3.1 omschreven doeleinden en met inachtneming van de volgende regels:
a. toegestaan zijn:
- woningen;
- daarbij behorende bijgebouwen;
- een werktuigenberging ten behoeve van het stallen van voertuigen noodzakelijk voor het onderhoud van het landgoed;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
b. buiten het bouwvlak mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van een werktuigenberging conform het bepaalde in lid 3.2.4;
c. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak onder bebouwd oppervlak, tot een verticale diepte van maximaal 5 meter.
3.2.2. Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van het hoofdgebouw, zijnde de woning, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. als hoofdgebouw zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij per bouwvlak ten hoogste één woning is toegestaan;
c. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter;
d. ter plaatse van de aanduiding ‘maximale volume’, mag de volume van de woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
e. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' mag de goothoogte van de woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
f. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
g. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de voorgevel van het hoofdgebouw geplaatst te worden in of evenwijdig aan de aangegeven gevellijn met dien verstande dat de afstand van deze gevel tot de gevellijn maximaal 5 meter mag bedragen, en dat de voorgevel met maximaal 20 graden ten opzichte van de gevellijn mag verdraaien.
3.2.3. Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
b. de bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gesitueerd;
c. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen mag per bouwvlak niet meer bedragen dan 100 m²;
d. de goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,25 meter bedragen;
e. de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen.
3.2.4. Gebouw ten behoeve van werktuigenberging
Voor het bouwen van een werktuigenberging gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding werktuigenberging (sw-wtb);
b. maximale oppervlakte van 200 m²;
c. maximale goothoogte van 4,5 meter;
d. maximale nokhoogte van 10 meter;
e. het gebouw dient voorzien te zijn van een kap met een dakhelling van niet minder dan 12 graden en niet meer dan 45 graden.
3.2.5. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a. op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer dan 1 meter mag bedragen;
b. de bouwhoogte van antenne- en vlaggenmasten mag niet meer dan 5 meter bedragen;
c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 meter bedragen;
d. uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ mogen zwembaden worden gebouwd.
3.3.Afwijken van de bouwregels
3.3.1. Erf- en terreinafscheidingen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.5., onder a, voor het toestaan van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 meter vóór de naar de weg gekeerde gevel, mits
a. dit past binnen het straat- en bebouwingsbeeld van de omgeving;
b. dit mogelijk is uit oogpunt van een veilige verkeerssituatie.
3.4.Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend:
a. vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
b. het gebruik van gronden en / of opstallen voor het beproeven van of racen of crossen met motoren of motorvoertuigen;
c. het gebruik van gronden en / of opstallen voor reclamedoeleinden;
3.5.Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.5.1. Verboden
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden, de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden of het graven van sloten;
b. het aanbrengen van drainagevoorzieningen;
c. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende con-structies;
d. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen zonder agrarische productiefunctie;
e. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
f. het onttrekken van grondwater ten behoeve van veedrenking danwel moestuinberegening.
3.5.2. Criteria
De in lid 3.5.1. bedoelde vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de andere werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke, aardkundige of hydrologische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
3.5.3 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1. is niet vereist voor:
a. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen danwel gericht zijn op realisering van de doeleinden van de bestemming;
b. werken of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.