direct naar inhoud van Artikel 4 Recreatie - Verblijfsrecreatie
Plan: Recreatie Centrum Linberg Park
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0784.BPCampLinberg-VG01

Artikel 4 Recreatie - Verblijfsrecreatie

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein b': een kampeerterrein met 750 standplaatsen;
  • b. bedrijfswoningen;
  • c. speelhal;
  • d. horeca;
  • e. evenementen;
  • f. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en (ontsluitings)wegen

met uitzondering van:

  • h. aan-huis-gebonden beroepen;

met dien verstande dat:

  • i. tevens het bepaalde in de artikelen 5 en 9 van toepassing is als de gronden zijn voorzien van een dubbelbestemming of een gebiedsaanduiding.
4.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, sanitaire voorzieningen en kampeermiddelen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

met dien verstande dat:

  • b. algehele herbouw van de woning uitsluitend mag plaatsvinden op bestaande fundamenten;
  • c. overigens geldt het volgende:
  max. aantal per bouw- vlak   max. opper- vlak   max.
inhoud  
max. goothoogte   max. bouw-
hoogte  
dakhel-ling (min./ max.)   min. afstand tot  
bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen)   1 tenzij anders op de verbeel-ding is aange- geven     750 m³   5 m   11 m   20°/55°   -  
bijgebouwen en overkappingen behorende bij de bedrijfswoning     100 m²     3 m   5,5 m   20°/55°   bedrijfswoning:
2 m

zijdelingse perceels- grens:
5 m

voorgevel-rooilijn 10 m  
bebouwing ten behoeve van gemeenschappelijke voorzieningen     zoals aange- geven op de verbeel-ding     3,5 m, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven   6 m, tenzij anders op de verbeel- ding is aangegeven   20°/55°   bedrijfs- woning:
2 m  
sanitaire voorzieningen buiten het bouwvlak     50 m²     3,5 m, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven   6 m, tenzij anders op de verbeel- ding is aangegeven     bedrijfswoning:
2 m

zijdelingse perceels- grens:
10 m  
kampeermiddel   zoals aange- geven in lid 20.1   50 m²     3 m   4 m     bedrijfs- woning:
2 m

zijdelingse perceelgrens:
10 m

overige kampeermiddelen: 3 m  
vrijstaande bebouwing per kampeermiddel   1   7,5 m²       3 m     bedrijfswoning: 2 m

zijdelingse perceelsgrens: 10 m

overige vrijstaande bebouwing: 3 m  
erf- of terreinafscheidingen:
binnen bouwvlakken:
-1 voor de voorgevelrooilijn
overige plaatsen

buiten bouwvlakken  
       



1 m

2 m
1 m  
   
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen)           4 m      

4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Ten behoeve van de herbouw van woningen buiten bestaande fundamenten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen teneinde af te wijken van het bepaalde in lid 4.2 sub b teneinde algehele herbouw van een burgerwoning buiten de bestaande funderingen toe te staan met in achtneming van het volgende:

  • a. de herbouw vindt plaats op het desbetreffende perceel;
  • b. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuomgeving;
  • c. herbouw leidt tot een betere milieuhygiënische inpasbaarheid;
  • d. de herbouw buiten de bestaande funderingen is stedenbouwkundig aanvaardbaar;
  • e. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast.
4.3.2 Ten behoeve van afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen teneinde af te wijken van het bepaalde in lid 4.2 sub c ten behoeve van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de voorgenomen afstand stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

4.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. kampeerterreinen met recreatiewoningen dienen bedrijfsmatig te worden geëxploiteerd;
  • b. permanente bewoning van kampeermiddelen en recreatiewoningen is niet toegestaan;
  • c. kleinschalig kamperen is alleen toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels

Ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen teneinde af te wijken van het bepaalde in lid 4.1 sub f ten behoeve van het toestaan van aan-huis-gebonden beroepen die ten hoogste vallen binnen de categorieën A en B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt met inachtneming van het volgende:

  • a. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen mag niet meer dan 60 m² bedragen;
  • b. buitenopslag en buitenactiviteiten ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen zijn niet toegestaan;
  • c. in het kader van de aan-huis-gebonden beroepen is geen horeca en detailhandel toegestaan uitgezonderd horeca en detailhandel ondergeschikt en gelieerd aan het aan-huis-gebonden beroep;
  • d. aan-huis-gebonden beroepen zijn toegestaan indien er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  • e. ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak;
  • f. het gebruik voor aan-huis-gebonden beroepen heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • g. één van de bewoners van het hoofdgebouw dient eigenaar/bedrijfsleider te zijn van het aan-huis-gebonden beroep.
4.6 Wijzigingsbevoegdheid

Ten behoeve van het maximaal te bebouwen oppervlak

Burgemeester en wethouders kunnen de maximumoppervlaktemaat ten behoeve van het bebouwd oppervlak wijzigen, met inachtneming van het volgende:

  • a. het bestaande bebouwde oppervlak mag met ten hoogste 15% worden vergroot;
  • b. de verkeersaantrekkende werking mag niet toenemen;
  • c. er mag geen sprake zijn van een vergroting van de milieubelasting op de omgeving;
  • d. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak, waarvoor het volgende geldt:
    • 1. de bestemming van de gronden die worden ingezet ten behoeve van de landschappelijke inpassing dienen te worden gewijzigd in de bestemming Groen zodat de groene inpassing planologisch wordt beschermd.