Toelichting
Inhoudsopgave Hoofdstuk 2 Huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen Hoofdstuk 4 Milieu en duurzaamheid 4.3 Waterhuishoudkundige aspecten 4.9 Besluit milieueffectrapportage Hoofdstuk 5 Beschrijving van het plan 5.2 Toelichting op de bestemmingen Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 7 Maatschappelijke toetsing en overleg Hoofdstuk 8 Overzicht van wijzigingen Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op 19 december 2016 heeft de gemeenteraad de visie Stationslocatie vastgesteld. Deze visie heeft betrekking op het openbaar gebied en de aangrenzende kantoorgebouwen aan het Stationsplein en het noordelijk deel van de Anna van Berchemlaan. De inrichting van het perceel Stationsplein 2 en aangrenzende gronden voor parkeren en fietsenstalling is een onderdeel van deze visie. Deze ontwikkeling past niet in het geldend bestemmingsplan 'Markt - Centrum e.o.'. Voor de uitvoering hiervan moet het bestemmingsplan gewijzigd worden. Dit heeft geresulteerd in het bestemmingsplan 'Stationsplein 2'. 1.2 Plangebied Het plangebied heeft betrekking op het perceel Stationsplein 2 (voormalig PostNL). Ook de aangrenzende gronden waar momenteel de bewaakte fietsenstalling is, maakt onderdeel uit van het plangebied. Hieronder is de ligging van het plangebied weergegeven. 1.3 Geldende bestemmingsplan Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Markt- Centrum e.o.', vastgesteld door de gemeenteraad op 11 juni 2013, in werking getreden op 20 september 2013 en onherroepelijk geworden op 16 april 2014. 1.4 Opzet van de toelichting In deze toelichting worden de uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan ‘Stationsplein 2' weergegeven. De bestaande situatie en de mogelijke nieuwe ontwikkelingen worden beschreven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de actuele en relevante beleidskaders, doelstellingen en wet- en regelgeving van het rijk, de provincie en de gemeente. Diverse mogelijke randvoorwaarden zoals bijvoorbeeld archeologie, geluidhinder, bodem en water, komen aan bod in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op het juridische deel van het bestemmingsplan, de planregels en planverbeelding. Hoofdstukken 6 en 7 hebben betrekking op de economische uitvoerbaarheid respectievelijk de maatschappelijke toetsing en het overleg zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. In de fase van vaststelling van het bestemmingsplan wordt hoofdstuk 8 ingevuld. Hoofdstuk 2 Huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen Voor het formuleren van beleid en het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de bestaande situatie goed in beeld wordt gebracht. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de nieuwe ontwikkelingen op het perceel Stationsplein 2. 2.1 Bestaande situatie Op het perceel Stationsplein 2 staat het voormalige gebouw van PostNL met parkeergelegenheid. Het zijn ongeveer 20 parkeerplaatsen. Deze waren voor eigen gebruik. Daarnaast is op het aangrenzende perceel naast het perron een bewaakte fietsenstalling aanwezig. Deze fietsenstalling is vanaf de openbare weg niet goed zichtbaar. 2.2 Nieuwe ontwikkelingen Het gebouw van PostNL wordt gesloopt. Dit geldt eveneens voor de bewaakte fietsenstalling. Het vrijkomend terrein wordt heringericht voor parkeren en fietsenstalling. De entree naar het perron inclusief de opgang voor minder validen komt ook ter hoogte van Stationsplein 2 te liggen. De parkeergelegenheid is openbaar. Het is een aanvulling op de al aanwezige parkeergelegenheid in de omgeving van het station. De nieuwe fietsenstalling vervangt de openbare (achter Chinees restaurant) en bewaakte fietsenstallingen aan de zuidzijde van het station. Ook in de nieuwe situatie zijn er bewaakte en openbare fietsenstallingen. Daarbij wordt rekening gehouden met een uitbreiding van het aantal plaatsen. Ook worden er fietskluizen toegevoegd. Hoofdstuk 3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beleidsdoelstelling van rijk, provincie en gemeente die van belang zijn voor het bestemmingsplan 'Stationsplein 2'. 3.1 Rijksbeleid Wet ruimtelijke ordening Een van de uitgangspunten van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is een centrale rol voor actuele bestemmingsplannen voor het hele grondgebied van een gemeente. De rijksoverheid hecht grote waarde aan de digitalisering van bestemmingsplannen. Wijziging, uitwisseling, vergelijking, monitoring en toetsing van digitale bestemmingsplannen is technisch vele malen eenvoudiger dan van bestemmingsplannen in papieren vorm. Digitaal uitwisselbare bestemmingsplannen ondersteunen de doelstelling van de nieuwe Wro met betrekking tot de actualisering. Het wijzigen van gedigitaliseerde bestemmingsplannen is technisch gemakkelijk hetgeen de actualiteit van bestemmingsplannen bevordert. Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' is opgesteld conform de Wro. Dit betekent dat de planverbeelding en de planregels zijn opgesteld volgens de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Daarnaast wordt er voldaan aan de verplichting om een digitaal gecodeerd plan aan te leveren conform het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012 (IMRO 2012). Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’ vastgesteld. De SVIR vormt de nieuwe rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, over aan provincies en gemeenten. Eerdere afspraken over verstedelijking zoals binnenstedelijk bouwen laat het rijk los. Er is enkel nog sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij is het uitgangspunt dat toenemende ruimtebehoefte in beginsel wordt opgevangen in het bestaand stedelijk gebied. Op deze manier kan verder ruimtebeslag elders zo veel mogelijk worden voorkomen. De herinrichting van het perceel Stationsplein 2 is geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Daarom is een toetsing aan de 'ladder' voor duurzame verstedelijking niet nodig. 3.2 Provinciaal beleid Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 provincie Noord-Brabant Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 Noord-Brabant in werking getreden. Provinciale Staten hebben deze op 7 februari 2014 vastgesteld. De Structuurvisie geeft de samenhang weer tussen het beleid op het gebied van milieu, verkeer en vervoer en water. Daarnaast houdt de Structuurvisie ruimtelijke ordening rekening met provinciaal beleid op economisch, sociaal-cultureel en ecologisch vlak. De provincie geeft in de Structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De provincie kiest voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De provincie streeft naar een complete kennis- en innovatieregio. Daarnaast zijn een aantrekkelijke woon- en leefomgeving, natuur- en landschapsontwikkeling, een robuust verkeer- en vervoersysteem en een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven van cruciaal belang. Duurzaam en zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte staat daarbij centraal. Het plangebied 'Stationsplein 2' is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie aangewezen als 'stedelijk concentratiegebied'. Structurenkaart Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 provincie Noord-Brabant Verordening Ruimte 2014 Noord-Brabant De Verordening Ruimte 2014 is door Provinciale Staten op 10 juli 2015 vastgesteld en op 15 juli 2015 in werking getreden. De Verordening Ruimte is een uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de Verordening Ruimte staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren. In de Verordening Ruimte wordt aandacht gevraagd voor de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking zoals deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Daarnaast zijn in relatie tot het principe 'meer aandacht voor de onderste lagen' ook water en archeologie van belang. In hoofdstuk 4 wordt aan deze en andere relevanten aspecten aandacht besteed. Bij het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' zijn geen provinciale belangen in het geding. 3.3 Gemeentelijk beleid Visie Stationslocatie Op 19 december 2016 heeft de gemeenteraad de visie Stationslocatie vastgesteld. Deze visie geeft zowel voor de onbebouwde als de bebouwde ruimte mogelijkheden om de komende jaren de zuidzijde van het stationsgebied te vernieuwen. De vernieuwing betreft zowel functioneel als representatief. De uitvoering gebeurt in vier fases. Fase 1 is de sloop van het gebouw van PostNL en de bestaande bewaakte fietsenstalling naast het perceel Stationsplein 2. De vrijkomende gronden worden ingericht voor parkeren en fietsenstallingen. Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' maakt dit mogelijk. 3.4 Conclusie Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' is opgesteld conform de landelijke standaarden voor digitaal raadpleegbare bestemmingsplannen. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling waarvoor het bestemmingsplan is opgesteld, past binnen het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 Milieu en duurzaamheid In dit hoofdstuk komen de onderwerpen met betrekking tot de kwaliteit van de leefomgeving aan de orde die van belang zijn voor de herziening van het plangebied 'Stationsplein 2'. 4.1 Archeologie Archeologie In Europees verband is het zogenaamde Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit te laten plaatsvinden wordt naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Archeologie wordt een vast onderdeel van de planvoorbereiding van ingrepen in en om de bodem. Plannen worden getoetst aan het belang van het behoud van het archeologisch erfgoed en de consequenties voor het archeologisch bodemarchief worden nagegaan. Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht geworden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De eigen rol van de overheden is daarmee officieel. Gemeenten moeten rekening houden met archeologie bij nieuwe bestemmingsplannen. Op 11 oktober 2010 heeft de gemeenteraad een actualisatie van het archeologiebeleid, de archeologische beleidskaart en de erfgoedverordening vastgesteld. De beleidskaart is gebaseerd op de laatste archeologische stand van zaken en de actuele inzichten over dit onderwerp. De beleidskaart is leidend voor lokale projecten. Op basis van deze kaart heeft het perceel Stationsplein 2 de aanduidingen 'archeologische verwachting onbekend' en 'bebouwde kom'. Uitgangspunt is dat in geval van een te verstoren gebied dat groter is dan 2500 m² met bodemingrepen dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek moet plaatsvinden in de vorm van een bureau- en verkennend booronderzoek. Bij gebieden met de aanduiding 'bebouwde kom' is de kans op verstoorde bodemprofielen zondermeer groter dan bij gebieden zonder deze aanduiding. Voor het gebied ten noorden van de Stationslocatie (Spoorzone Noord) zijn archeologische onderzoeken uitgevoerd in de vorm van een bureau- en karterend booronderzoek en een waarderend proefsleuven- onderzoek. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er archeologische sporen aanwezig zijn die als niet-behoudenswaardig gewaardeerd worden. Deze sporen zijn in verband te brengen met historisch gebruik als bouwland. Dit is wel waardevolle informatie voor de gemeente maar verder onderzoek is niet zinvol. Dit levert geen nieuwe inzichten op. Het plangebied Stationsplein 2 heeft een oppervlakte van 3100 m². Door de bouw van PostNL is het bodemprofiel in grote mate verstoord. Mede gelet op de beperkte omvang van het plangebied Stationsplein 2 en het type archeologische sporen dat is gevonden aan de noordzijde, zal archeologisch onderzoek op deze locatie geen aanvullende informatie opleveren. Daarom is archeologisch onderzoek voor deze locatie niet nodig. Het perceel kan vrijgegeven worden voor graaf- en bouwwerkzaamheden. 4.2 Bodem De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij nieuwe ontwikkelingen. Wettelijk is bepaald dat een vergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein dat er schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Indien een bodemonderzoek uitwijst dat er in de bodem wezenlijke verontreinigingen aanwezig zijn, dienen deze gesaneerd te worden. voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het dus van belang om inzicht te hebben in de bodemkwaliteit van het plangebied. Gelet op het recente gebruik van het perceel (postkantoor en bewaakte fietsenstalling) is er naar verwachting geen sprake van een zodanig verontreinigd terrein dat er gevaar te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Na sloop van het gebouw van PostNL wordt er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van asbest. Naar verwachting is de bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan 'Stationsplein 2'. 4.3 Waterhuishoudkundige aspecten Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die effect hebben op het watersysteem dient rekening gehouden te worden met de belangen van het waterbeheer. Het waterschap 'Brabantse Delta' voert hiertoe de zogenaamde watertoets uit. De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Het waterschap 'Brabantse Delta' hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van het verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydrologische uitgangspunten bij Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, 2015'. Het plangebied 'Stationsplein 2' heeft een oppervlakte van ongeveer 3100 m². Het perceel is nagenoeg volledig verhard. Ook in de nieuwe situatie is dit het geval. De toename van verhard oppervlak bedraagt minder dan 2000 m². Op grond van het beleid van het waterschap behoeven er dan geen extra retentievoorzieningen aangelegd te worden. Toch wordt er nog nagegaan of er reële mogelijkheden zijn om afstromend hemelwater (gedeeltelijk) te infiltreren of te bergen op de locatie Stationsplein 2. In de Spoorlaan ligt een gemengd rioleringsstelsel (hemelwater en vuilwater). De afwatering van het perceel Stationsplein 2 wordt hierop aangesloten. De capaciteit van de riolering is toereikend. Indien het rioleringsstelsel wordt gewijzigd in een gescheiden stelsel wordt de afvoer van het hemelwater afgekoppeld. Conform het beleid van het waterschap wordt bij de bouw van de fietsenstalling aandacht gevraagd voor het gebruik van milieuvriendelijke materialen en het achterwege laten van uitlogende materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Dit kan echter niet afgedwongen worden. De toe te passen bouwmaterialen moeten namelijk getoetst worden aan het Bouwbesluit. Dit is een landelijke regeling. De wetgever biedt geen mogelijkheden om vanwege de mogelijke uitloging van materialen, aanvullende eisen te stellen ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu. Het waterschap 'Brabantse Delta' heeft op 19 december 2016 een positief wateradvies uitgebracht. 4.4 Flora en fauna Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied 'Stationsplein 2' het volgende gemeld. Natura 2000-gebieden In deze situatie zijn de dichtstbijzijnde gebieden het Hollands Diep en het Ulvenhoutse bos. Deze liggen op een ruime afstand van het plangebied 'Stationsplein 2'. Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' voorziet niet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De parkeergelegenheid is namelijk bedoeld voor het bestemmingsverkeer dat nu ook al in de omgeving van het station een parkeerplaats zoekt. Daarnaast is bij het gebouw van PostNL ook parkeergelegenheid aanwezig. Dit is weliswaar geen openbare parkeergelegenheid maar in het verleden wel gebruikt voor personeel en bedrijfswagens. Er zal dus geen sprake zijn van een (wezenlijke) toename van verkeer. De aanwezigheid van de genoemde Natura 2000-gebieden is dus geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan 'Stationsplein 2'. Soortenbescherming Het perceel Stationsplein 2 is nagenoeg volledig verhard. Gelet hierop kan aangenomen worden dat er geen beschermde dier- en plantsoorten aanwezig zijn. Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet echter altijd rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de aanwezigheid van vleermuizen in het nog te slopen pand van PostNL. Er kan geconcludeerd worden dat op grond van de Wet natuurbescherming geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van het bestemmingsplan 'Stationsplein 2'. 4.5 Milieuzonering Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient er een goede ruimtelijke scheiding te zijn tussen milieugevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningbouw) en milieubelastende activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Afstemming van bestaande en nieuwe functies dient te gebeuren door voldoende afstand in acht te houden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave: Bedrijven en milieuzonering 2009. Hierin wordt een handreiking gegeven voor een goede ruimtelijke scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen. Er worden richtafstanden gegeven voor de aan te houden afstanden tussen dergelijke bestemmingen. Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' voorziet niet in milieubelastende activiteiten. Daarom is milieuzonering niet aan de orde. 4.6 Geluidhinder Op grond van de Wet geluidhinder zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Als een geluidzone geheel of gedeeltelijk binnen een plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld een woning, school of kinderdagverblijf) binnen die geluidzone. Dit geldt eveneens indien het bestemmingsplan de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg mogelijk maakt. Ook bij een reconstructie van een weg moet de geluidbelasting op geluidgevoelige bestemmingen in beeld worden gebracht. Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' heeft geen betrekking op de bouw van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. Daarnaast voorziet het niet in de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg of de reconstructie van een weg. Daarom is een akoestisch onderzoek niet nodig. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet beoordeeld worden of de nieuwe inrichting van het perceel Stationsplein 2 akoestische gevolgen heeft voor de woningen aan de Spoorlaan. Het is daarbij van belang of er sprake is van een (wezenlijke) toename van verkeer. Ook is de bestaande verkeersintensiteit op de Spoorlaan van belang. De parkeergelegenheid is bedoeld voor het bestemmingsverkeer dat nu ook al in de omgeving van het station een parkeerplaats zoekt. Daarnaast is bij het gebouw van PostNL ook parkeergelegenheid aanwezig. Dit is weliswaar geen openbare parkeergelegenheid maar in het verleden wel gebruikt voor personeel en bedrijfswagens. Er zal dus geen sprake zijn van een (wezenlijke) toename van verkeer. Daarnaast is de Spoorlaan een gebiedsontsluitingsweg. De verkeersintensiteit is hoog. Ten opzichte hiervan is de eventuele toename van verkeer nihil en heeft geen akoestische gevolgen. 4.7 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen) bepalingen opgenomen over luchtkwaliteit. Artikel 5.16 eerste lid van de Wm bepaalt in hoofdlijnen dat het bevoegd gezag er op toeziet dat een voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van luchtkwaliteitgrenswaarden zoals die zijn aangegeven in bijlage 2 van de Wm. Bijlage 2 van de Wm bevat voor diverse luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht grenswaarden en plandrempels. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan van de buitenlucht die op een aangegeven tijdstip tenminste moet zijn bereikt en, wanneer die eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden. De praktijk leert dat langs wegen alleen de jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes, en de 24-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes de normen kunnen overschrijden. Onderzoeken naar luchtkwaliteit zullen daarom in hoofdzaak gericht zijn op deze twee stoffen. In het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' zijn geen ontwikkelingen opgenomen die leiden tot (wezenlijk) meer bewegingen van gemotoriseerd verkeer. Daarom behoeft er geen nader onderzoek plaats te vinden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. 4.8 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de produktie als op het transport van gevaarlijke stoffen. Centraal staat de vraag hoe groot het risico is dat een individu of een groep individuen hierbij loopt. Bij het bepalen van het risico worden twee soorten risico’s onderscheiden, te weten het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Volgens de risicokaart van de provincie Noord-Brabant zijn er in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen gevestigd. Het plangebied ligt niet binnen de contour van het plaatsgebonden risico noch binnen een invloedsgebied van en dergelijk bedrijf. Het plangebied 'Stationsplein 2' grenst aan de spoorlijn Breda-Roosendaal. Dit is een transportroute van gevaarlijke stoffen. Er is getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Parkeerplaatsen en fietsenstallingen worden niet aangemerkt als (beperkt) kwetsbare objecten. Daarom gelden hiervoor vanuit het Bevt geen eisen. Het gebouw van PostNL is wel een beperkt kwetsbaar object. Dit wordt echter gesloopt. Er is geen sprake van een toename van personendichtheid. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten. Er kan geconcludeerd worden dat vanuit de externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van het bestemmingsplan 'Stationsplein 2'. 4.9 Besluit milieueffectrapportage Op grond van het Besluit milieueffectraportage (Besluit mer) dient bij de bepaling of er voor een bepaalde activiteit een milieueffectbeoordeling en/of rapportage moet worden gemaakt de omvang van de activiteit, de ruimtelijke context en de cumulatie met de omgeving beoordeeld te worden. De realisering van parkeergelegenheid en fietsenstallingen zijn geen activiteiten die in het Besluit mer worden genoemd. Gelet op de aard en omvang van deze voorzieningen, de locatie en de potentiële effecten hebben deze ook geen nadelige gevolge voor het milieu. Daarom wordt er geen milieueffectenrapportage opgesteld. 4.10 Conclusie Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' past binnen de geldende regelgeving en beleid met betrekking tot milieu en duurzaamheid. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat er in het plangebied of de directe omgeving situaties voorkomen die van uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar zijn. Hoofdstuk 5 Beschrijving van het plan 5.1 Planvorm Dit bestemmingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de herinrichting van de locatie 'Stationsplein 2'. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om hier parkeergelegenheid en fietsenstallingen te realiseren. De planopzet kent één bestemming en een gedetailleerde planverbeelding. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Standaard voor vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. Het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de planverbeelding met planregels. Bij ieder plan hoort een toelichting. Deze heeft als zodanig geen rechtskracht. De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), bestemmingsregels ( hoofdstuk 2), algemene regels (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). 5.2 Toelichting op de bestemmingen Inleidende regels. Begrippen (artikel 1). In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2). In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden. Bestemmingsregels. Verkeer - Verblijf (artikel 3). Het perceel Stationsplein 2 is bestemd voor 'Verkeer-Verblijf' . De planregels maken het mogelijk om hier openbare parkeergelegenheid aan te leggen. Ook is de mogelijkheid opgenomen voor de bouw van fietsenstallingen met een personeelsruimte. Deze ruimte is nodig bij de bewaakte fietsenstalling. Daarnaast is het mogelijk om groen aan te planten. Ook kunnen er andere openbare voorzieningen aangelegd worden. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan nutsvoorzieningen. Algemene regels. Anti-dubbeltelregel (artikel 4). Het is een wettelijke verplichting om dit artikel in het bestemmingsplan op te nemen. Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Doel van deze regels is dat wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene gebruiksregels (artikel 5). In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen voor het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken in strijd met de bestemming. Algemene afwijkingsregels (artikel 6). In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om in geringe mate af te wijken van de maatvoeringen en bestemmings- en/of bouwgrenzen. Overgangs- en slotregels. Overgangsrecht (artikel 7). Het is een wettelijke verplichting om dit artikel in het bestemmingsplan op te nemen. In lid 1 zijn de overgangsregels ten aanzien van het bouwen opgenomen. Bouwwerken, die op het moment dat het plan inwerking is getreden, bestaan of (kunnen) worden gebouwd op grond van een verleende omgevingsvergunning en die afwijken van het bestemmingsplan mogen gedeeltelijk worden veranderd of vernieuwd mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot. Is het bouwwerk verloren gegaan door een calamiteit dan mag het bouwwerk volledig worden vernieuwd of veranderd mits de aanvraag om omgevingsvergunning binnen 2 jaar na de calamiteit wordt ingediend. Lid 2 betreft het overgangsrecht voor het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het moment dat dit plan inwerking is getreden. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Het overgangsrecht geldt niet voor bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd in strijd met het toen geldend plan en voor illegaal gebruik van bouwwerken en gronden. Slotregel (artikel 8). Deze regel verwijst naar de naam van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Voor de realisering van de visie Stationslocatie heeft de gemeenteraad een krediet beschikbaar gesteld van € 4.000.000,--. In de visie is een fasering aangegeven voor de uitvoering. Het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' heeft betrekking op fase 1. De realisering hiervan maakt dus onderdeel uit van het beschikbaar gestelde krediet. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid aangetoond. Hoofdstuk 7 Maatschappelijke toetsing en overleg 7.1 Maatschappelijke toetsing Inspraak De visie Stationslocatie is in overleg met belangstellenden tot stand gekomen. Daarnaast is er inspraak verleend op de ontwerp-visie. De inspraakreacties hadden geen betrekking op onderdelen uit de visie waarvoor het bestemmingsplan gewijzigd moet worden. Daarom heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van de visie tevens besloten dat de inspraakprocedures voor de wijzigingen van het bestemmingsplan zijn afgerond. Vaststellingsprocedure Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Stationsplein 2’ heeft gedurende de periode 9 februari 2017 tot en met 22 maart 2017 ter inzage gelegen met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. De bekendmaking hierover heeft op 8 februari 2017 plaatsgevonden in het weekblad ‘Etten-Leurse Bode’, de Staatscourant en www.overheid.nl en het gemeentelijk publicatiebord. Omwonenden, de eigenaar van het aangrenzende perceel Spoorlaan 21 en de wijkvereniging ‘Centrum Oost’ zijn persoonlijk in kennis gesteld. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 7.2 Overleg In het kader van het wettelijk voorgeschreven vooroverleg ex. artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn de volgende instanties op 19 december 2016 digitaal geïnformeerd over het voor-ontwerp bestemmingsplan 'Stationsplein 2' (toen: Openbaar gebied Stationslocatie Zuid). Provincie Noord-Brabant. Waterschap Brabantse Delta. De betreffende instanties zijn tot en met 16 januari 2017 in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen. De provincie Noord-Brabant heeft op 19 december 2016 gemeld dat er geen aanleiding is tot het maken van opmerkingen. Het waterschap 'Brabantse Delta' heeft op 19 december 2016 een positief wateradvies uitgebracht. De resultaten van het vooroverleg zijn als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Pro-rail is intensief betrokken geweest bij de opstelling van de visie Stationslocatie. Hoofdstuk 8 Overzicht van wijzigingen Bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Stationsplein 2' zijn er geen wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan.
Bestemmingsplannen worden aan deze normen getoetst. Bronnen van luchtverontreiniging zijn enerzijds de achtergrondwaarde en anderzijds industriële bronnen en verkeer.