| Plan: | Buitengebied (P+R Aalsterweg) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0772.80325-0301 |
Eindhoven werkt aan het realiseren van ruimtelijk - en duurzaamheidsdoelstellingen op de langer termijn en het oplossen en voorkomen van knelpunten die met mobiliteit samenhangen. Belangrijk onderdeel daarbij is het creëren van overstapmogelijkheden in alle windrichtingen van de stad. Daarmee verbetert de bereikbaarheid van de stad en wordt het autoverkeer uit de binnenstad geweerd. De P+R Genneper Parken biedt de automobilist vanaf de zuidzijde van de stad een goed alternatief om met hoogwaardig openbaar vervoer snel en comfortabel de binnenstad te bereiken.
In het collegeprogramma "Evenwicht en Energie" wordt dit nogmaals onderschreven door het voornemen om bezoekers van de binnenstad te verleiden om zich binnen de stad te verplaatsen met het openbaar vervoer onder andere door realisatie van P+R's aan de randen van de stad direct gelegen aan de snelweg en HOV-lijnen.
In de P+R zal een nieuw onderkomen worden gerealiseerd voor de ambulancedienst die op termijn uit de huidige locatie aan de Deken van Somerenstraat moet verdwijnen. De locatie P+R Genneper Parken voldoet volledig aan het Spreidings- en Paraatheidsplan dat in november 2016 door het bestuur van de veiligheidsregio is vastgesteld. Met een combinatie van deze twee functies in één gebouw wordt een belangrijke stap gezet om te voldoen aan de mobiliteitsvraag vanuit het zuiden naar het centrum van de stad en de adequate hulpverlening van de GGD.
Het bestemmingsplan "Buitengebied (P+R Aalsterweg)" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.
Het plangebied ligt in het zuidelijk deel van het stedelijk gebied van Eindhoven en meer exact in de zuidoostpunt van Genneper Parken. Het plangebied ligt in het het sportlandgoed in het zuidoostelijk deel van Genneper Parken aan de Aalsterweg.
Luchtfoto plangebied (rood omlijnd).
Het plangebied wordt in grote lijnen begrensd door de het sportlandgoed Genneper Parken aan de noord- en westzijde. De Stappendijk vormt de grens aan de zuidzijde met direct daar achter het Van der Valk Hotel Eindhoven. De Aalsterweg vormt de oostelijke grens van het plangebied.
Het bestemmingsplan "Buitengebied (P+R Aalsterweg)" vervangt deels de volgende bestemmingsplannen:
Uitsnede geldende bestemmingsplannen (plangebied is rood gearceerd aangegeven).
Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg en de samenspraak/inspraak).
Masterplan Genneperparken
In het masterplan Genneperparken is een toekomstvisie neergelegd voor het “sportlandgoed” de Genneperparken. In het zuidelijk deel van de Genneperparken is naast een nieuw hockeystadion ook de bouw van een P&R garage voorzien aansluitend op de HOV lijn naar de binnenstad van Eindhoven.
Masterplan Genneperparken
Met de realisatie van een een P&R garage kan invulling gegeven worden aan het nieuwe mobiliteitsbeleid van de gemeente. Door auto's aan de rand van de stad te laten parkeren en over te laten stappen op openbaar vervoer kan de mobiliteit en luchtvervuiling worden teruggedrongen in de (binnen)stad. Door efficiënter te parkeren kan het parkeerterrein langs de Tongelreep worden omgezet van asfalt tot natuurontwikkeling.
Luchtfoto Genneperparken
Ambitie
Het gebouw staat op een prominente plek aan de entree van de stad en in een groene stadslob. Beiden vereisen een zorgvuldige inpassing. Het moet een ingetogen icoon worden met hoge eisen aan de integratie in de groene omgeving, duurzaamheid, innovatie en indien mogelijk integratie in het eco systeem van de omgeving.
Groene entree van de stad Groene stadslobben
De P&R garage moet meer zijn dan alleen een stallingsplaats voor 600 auto's en ambulances. Het gebouw dient op velerlei vlakken betekenis te krijgen voor het sportpark, de omgeving, de stad en de omliggende leefomgeving van mens, dier en plant. De ontwikkeling van de P&R garage moet leiden tot een verbetering en opwaardering van Genneperparken. Een samenhangend integraal ontwerp waarbij de facetten stedenbouw, architectuur, openbare ruimte, verkeer, groen, ecologie en duurzaamheid elkaar versterken, bijdrage aan identiteit en een meerledige betekenis.
Concept
Het groene maaiveld wordt op de hoek van de Stappendijk en de Aalsterweg opgetild en de P&R garage wordt eronder geschoven. Het groene maaiveld loopt op tegen het gebouw en ontneemt het gebouw vanuit het sportpark uit het zicht. Het groen lijkt oneindig door te lopen. Aan de zijde van de Aalsterweg is de Park&ride garage als gebouw ervaarbaar en benadrukt de entree van de stad.
Verbeelding concept
Referenties
P&R garage
Het gebouw staat los in de ruimte en heeft een alzijdig karakter. Ronde hoeken maken het gebouw zachter en minder massaal en trekken de gevel de hoek om. De huid van het gebouw bestaat uit een groene gevel of een natuurlijke gevel zoals bijvoorbeeld bamboe of hout.
Afbeelding groene gevel en natuurlijke gevel
Het gebouw heeft een hoogte die onder de boomkronen van de bestaande bomen langs de Aalsterweg blijft. De hoogte is maximaal 25 meter (6 bouwlagen).
Vanuit het sportpark wordt een geleidelijke overgang gemaakt tussen het park en de P&R garage. Voorgesteld wordt om het maaiveld ter hoogte van het hockeystadion op te laten lopen tegen het gebouw als een natuurlijke heuvel. Deze heuvel heeft een flauwe helling en kan fungeren als tribune of verblijfsplek bij toernooien, een soort Henman Hill van de Genneperparken. De heuvel, oplopend tot circa twee bouwlagen, gaat over in een groene of natuurlijke gevel.
Heuvel als landschappelijke tribune
Een verdere geleding vindt plaats door een sculpturale landschappelijke trap te integreren in de gevel die gericht is naar het sportpark. De trap verbindt het sportpark, de heuvel en de verdiepingen van de parkeergarage in een gebaar. Het afdalen van de 'luie' buitentrap is een spectaculaire entree van het sportpark met een wijds uitzicht op de Genneperparken. De verbinding tussen sportpark en garage wordt door de trap ruimtelijk verbeeld. De toegang naar het park en het gebouw is direct waarneembaar en gemakkelijk toegankelijk, lekker in de buitenlucht en is tevens een warming up voor de sporters. De buitentrap biedt ook toegang tot het dak.
Landschappelijke trap
Bouwenvelop en rooilijnen
Het gebouw reageert op de richting verdraaiingen in de omgeving en vormt daarin een scharnierpunt en trekt daarmee een parallel met het hockeystadion.
P&R als scharnierpunt tussen richtingverdraaiing binnen sportpark Aalsterweg en Stappendijk
Het hoofdgebouw ligt aan de noordzijde in één lijn met de noordgevel van het hockeystadion. Voor de ambulancepost wordt aan de noordzijde een volume in maximaal twee bouwlagen toegestaan buiten deze lijn. De oostgevel ligt parallel aan de Aalsterweg en staat loodrecht op de noordgevel. In verband met kabels- en leidingen is langs de Aalsterweg sprake van een minimale aan te houden rooilijn. Deze afstand is overigens prima om het gebouw "lucht" te geven en los te zetten van de infrastructuur en HOV baan langs de Aalsterweg.
De zuid- en westgevel volgen de richting van het hockeyveld bij het hockeystadion. Deze gevels liggen qua posities niet vast, hiervoor wordt wel een suggestie meegegeven. Bij de zuidgevel moet rekening gehouden worden met voldoende ruimte voor het inrijden van de garage en het veilig oversteken van voetgangers. Bij de westgevel moet voldoende ruimte vrij gehouden worden voor een ruime groene entree van de Genneperparken en de "groene" tribune tegenover het hockeystadion.
Schets situering P&R garage
Relatie P&R gebouw met het hockeystadion
Het nieuwe hockeystadion vormt aan de zuidoost zijde van de Genneperparken een opvallend accent in de open ruimte. Door de nabijheid van het P&R gebouw en het hockeystadion is gezocht naar een onderlinge samenhang.
Impressie hockeystadion
Het hockeystadion en het P&R gebouw zullen op de navolgende punten een 'relatie met elkaar aangaan':
Bij de entree van de P&R gebouw staat een bestaande trafo van ca. 3x3x3 meter. De gevel van deze trafo wordt meegenomen in het ontwerp van de P&R gebouw. De trafo wordt een extra functie gegeven als voorpost van Genneperparken en het P&R gebouw; bijvoorbeeld om open/gesloten en bezettingsgraad aan te duiden, voor het logo enz.
Entree P&R gebouw en logistiek
Ter plaatse van de Stappendijk is een eenvoudige eenrichting lus vormige parkway bedacht die een eenduidige ontsluiting mogelijk maakt van de P&R garage, Genneperparken, de Stappendijk (Slowlane) en het hotel van der Valk. De bomenstructuur van de Stappendijk loopt door. Er ontstaat een ruimtelijk ontspannen oplossing in een groene omgeving.
Afbeelding 'eenrichting lus vormige parkway'
Voor de oversteek tussen de HOV halten en Genneperparken is het van belang om de oversteek van de entree van de garage zo kort mogelijk te maken en aan te geven met een zebrapad. Hiervoor, maar ook voor de ruimtelijke kwaliteit, is het een uitgangspunt dat de opstelruimte inpandig wordt opgelost. De route op het Genneperpark is vooral voor fietsers en voetgangers. Incidenteel kan verkeer hiervan gebruik maken ten behoeve van expeditie of TV opnames.
Langs de route wordt een zone aangebracht voor laden en lossen en ultrakort in - en uitstappen (Kiss & Ride). Voor fietsers wordt een aansluiting gemaakt aan de zuidzijde van de parkway op de Slowlane aan de Stappendijk en de Aalsterweg. Fietsverkeer vanuit de stad zal al noordelijker de Genneperparken op kunnen.
Entree Genneperparken en openbare ruimte
De zuidzijde van de Genneperparken is altijd een achterzijde geweest. Door de komst van het hockeystadion en de P&R wordt het sportpark geopend en krijgt de Genneperparken aan de zuidzijde een duidelijke volwaardige entree. Dit wordt een groene entree vergelijkbaar met de voorruimten van de Sporthogeschool, het hockeystadion en het zwembad de Tongelreep.
Afbeelding/schets entree Genneperparken zuidzijde
De entree krijgt een toegangsroute overeenkomstig de profielen van het park en een zone met ruime groenvakken en zitranden. Deze kunnen een functie hebben als de begane grond van de P&R garage wordt voorzien van mobiliteits gerelateerde voorzieningen en voor wachtenden voor de kiss&ride zone.
Impressie groenvakken en zitranden
De materialisering en vormgeving van de openbare ruimte op de Genneperparken is uniform om een duidelijke samenhang en identiteit uit te stralen. Aan de zuidzijde wordt het park geopend door de bestaande hekken in het entreegebied te verwijderen.
Doorontwikkeling naar masterplan
De gekozen opzet maakt een verdere door ontwikkeling van het masterplan Genneperparken mogelijk. De entreeroute kan gekoppeld worden aan de Charles Roelslaan waardoor een betere verbinding met de Genneperparken en het hockeystadion ontstaat.
Luchtfoto en schets nieuwe situatie Genneperparken
Door het bestaande veld aan de noordzijde van het beoogde P&R gebouw op te schuiven in de richting van de Aalsterweg (bestaand oefenveldje) ontstaat er ruimte om een groen voorplein te maken bij het hockeystadion gecombineerd met een keerlus voor de expeditie. De bestaande verharde voorruimte bij de entree van dit gebouw kan daarmee ook extra worden vergroend. Daarnaast ontstaat er meer ruimte voor een goed ingepaste ruimere fietsenstalling. Een andere optie kan zijn om het bestaande hockeyveld aan de noord oostzijde van het hockeystadion te verplaatsen naar de zuidzijde van het hockeystadion.
Meerwaarde P&R gebouw
Het P&R gebouw kan gelet op de mogelijkheden die dit gebouw biedt en de ligging meer dan alleen een garage. De meerwaarde van het P&R gebouw kan tot uiting komen in:
Voorbeeld zonnepanelen gecombineerd met carports of sedum dak
Mogelijke functies op de begane grond
Voorbeeld voorzieningen voor levende gevels
Voorbeelden interieur
Voorbeelden extra functies gebouw
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.
In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.
Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.
Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.
Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).
De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuid-Oost Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land.Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. High-tech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk.
In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieu's, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.
Realisatie
Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.
De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:
Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).
Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik.
De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Daarin staat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Onder een stedelijke ontwikkeling wordt volgens artikel 1.1.1 Bro het volgende verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'andere stedelijke voorzieningen' worden volgens de Nota van Toelichting (2017) verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoorsport en leisure.
Met artikel 3.1.6 lid 2 Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. In dat kader is in de jurisprudentie ook bepaald dat infrastructurele projecten zoals het aanleggen van een weg of een busbaan geen stedelijke ontwikkeling in de zin van 'andere stedelijke voorzieningen' betreft. Dit bestemmingsplan ziet op het realiseren van een infrastructureel project. Het doel van het realiseren van een P&R garage aan de Aalsterweg is om het verkeer in de stad zo veel mogelijk terug te dringen. Het verkeer wordt 'uit de stad gehaald'. De P&R garage wordt niet gerealiseerd om in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien voor andere functies (zoals bedrijven, kantoren, wonen etc). Gelet op het vorenstaande is deze ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro in samenhang met artikel 1.1.1 lid 1 onder 1 Bro.
Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen zoals rijksvaarwegen, zones buisleidingen, zones van hoogspanningsleidingen en militaire objecten.
Voor Eindhoven is de 380 Kv hoogspanningsleiding van belang. Deze is gelegen in Eindhoven Noord en (deels) Oost. Verder is in het Barro opgenomen dat de provinciale begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) direct doorwerkt naar het bestemmingsplan. De gebieden die de EHS vormen worden bij provinciale verordening aangewezen. Daarmee is de EHS een provinciaal belang geworden. De EHS betreft tegenwoordig voor Brabant 'Natuur Netwek Brabant (NNB)'. Tot slot worden de belangen van luchthaven Eindhoven via het Barro geborgd.
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Daarnaast valt het plangebied niet in het beperkingengebied van Eindhoven Airport. Ook de hoogspanningsleiding ligt niet in dit plangebied. Op deze aspecten wordt dan ook verder niet ingegaan.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking.
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn:
Dit plangebied is gelegen binnen de groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur bestaat uit bestaande natuur, watersystemen en nieuwe natuur in hiervoor kansrijke gebieden. Het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Dit is nodig voor een goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering.
Verder is het plangebied binnen deze structuur aangeduid als waterbergingsgebied en zoekgebied verstedelijking.
Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.
Uitwerking structuurvisie
De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de zogenaamde 'gebiedspaspoorten'. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Voor dit plangebied is het gebiedspaspoort 'Kempen' van toepassing. Voor onderhavige ontwikkeling zal een kwaliteitsverbetering van het landschap plaatsvinden. Hierbij geldt als leidraad de gebiedskenmerken en ambities zoals beschreven in het gebiedspaspoort 'Kempen'. Hieronder wordt (kort) ingegaan op de gebiedskenmerken en ambities van De Kempen.
Gebiedskenmerken
De Kempen maakt onderdeel uit van het zwak golvende dekzandplateau dat doorsneden wordt door de bovenlopen van de beeksystemen Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. Het plateau bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. De dekzandruggen hebben een grofzandige en arme bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Op plaatsen met leem in de ondergrond stagneert regenwater en lagen destijds kleinere veenkussens. Daar zijn veelal vennen ontstaan. Van noordwest naar zuidoost ligt een breuklijn die de westgrens vormt van de 'centrale slenk'. Hierdoor maakt het noorden en oosten van de Kempen deel uit van de 'centrale slenk'.
De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen beekdalen, oude en jonge ontginningen, beboste dekzandruggen en restanten van woeste gronden met heidevelden, vennen en zandverstuivingen.
In de afgelopen decennia heeft door de ruilverkaveling, normalisatie van de watergangen en grootschalige landinrichting een nivellering van de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen plaatsgevonden. Het moderne landschap van de Kempen bestaat uit een landelijk gebied met een sterke menging van landbouw, natuur, wonen en recreatie. Binnen de landbouwbedrijven zijn grote verschillen, die uiteenlopen van verbrede landbouw met inzet op natuur- en landschapsbeheer, recreatie en/of zorg tot gespecialiseerde intensieve veehouderijen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. Het afwisselende en kleinschalige landschap draagt bij aan de aantrekkelijkheid van dit gebied als woonomgeving. Landinrichtingen en kavelverbeteringen hebben het landschap haar huidige vorm gegeven. Er zijn sterke contrasten tussen het kleinschalige landbouwbedrijf en de rationeel ingerichte landbouwgebieden in de zuidelijke Kempen. Het noordoosten van de Kempen wordt gekenmerkt door een stedelijke concentratie rond Eindhoven, met suburbane dorpen als Best, Geldrop, Valkenswaard en Veldhoven, en daarmee samenhangende infrastructuur. De snelwegen A2, A58 en A67 komen samen in deze stedelijke concentratie, evenals spoorlijnen en het Wilhelminakanaal.
Ambities
Hieronder worden alleen de ambities aangegeven die van toepassing zijn op dit plangebied.
In paragraaf 3.2.2 is op deze kwaliteitsverbetering ingegaan waarbij de ambities van de Kempen mede als uitgangspunt zijn genomen voor de kwaliteitsverbetering.
Provinciale Staten van Noord-Brabant heeft op 7 februari 2014 de 'Verordening ruimte Noord - Brabant' vastgesteld. Op 8 juli 2017 is de 'Wijziging Verordening Ruimte 2014, actualisatie 2017' vastgesteld. In de verordening staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. De provincie stelt algemene regels die voor heel Brabant gelden, maar verdeelt het grondgebied ook in vier structuren waarvoor apart beleid geldt.
Algemene regels
In de verordening zijn algemene regels opgenomen die altijd en voor heel Brabant gelden. Deze regels hebben betrekking op zorgvuldig ruimtegebruik en op het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van Brabant. In het algemeen houdt dit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. Het doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren.
Structuren (hoofdkaart)
Verder onderscheidt de verordening de volgende vier structuren:
Deze structuren zijn gekoppeld aan de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en zijn Brabant dekkend. Elk ruimtelijk oppervlak van Brabant valt onder één van deze structuren. Per structuur is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden en onder welke voorwaarden. De vier structuren staan op de hoofdkaart van de verordening. Dit plangebied is gelegen binnen de structuur 'groenblauwe mantel'.
Themakaarten
Naast de hoofdkaart zijn er vijf themakaarten opgenomen in de Verordening Ruimte. Voor onderhavig plangebied zijn de themakaarten 'Stedelijke ontwikkeling', 'Water', 'Natuur en landschap' en 'Agrarische ontwikkeling en windturbines' van belang.
Zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen buiten stedelijk gebied is de zorgplicht voor kwaliteit vastgelegd en uitgewerkt in artikel 3.1 ('Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit') en 3.2 ('Kwaliteitsverbetering van het landschap') van de Verordening Ruimte. Dit bestemmingsplan ziet op het uitbreiden van het bestaand bestemmingsvlak 'Verkeer' ten behoeve van het realiseren van een P&R garage.
Deze ontwikkeling is gelegen aan de Aalsterweg dat bestemd is als 'Verkeer'. De P&R garage heeft als doel het verkeer uit de stad te houden.De bezoekers van Eindhoven kunnen hier hun auto parkeren en vervolgens met de bus, HOV-bus of fiets verder de stad in. Deze ontwikkeling is een infrastructureel project dat als uitbreiding gezien wordt als uitbreiding van het bestaand bestemmingsvlak 'Verkeer'. Op grond van artikel 6.10 lid 1, lid 2 en lid 3 van de verordening Ruimte is uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie onder voorwaarden toegestaan binnen de groenblauwe mantel (zie hieronder bij 'themakaart Natuur en Landschap').
Deze ontwikkeling gaat gepaard met een fysieke verbetering van van de aanwezige/potentiële kwaliteiten. Hieronder wordt dit per aspect uiteengezet.
Water
Het regenwater van de parkeergarage wordt opgevangen en naar het aansluitende terrein (binnen het plangebied) geleid voor infiltratie.
Natuur
Op de volgende manier wordt een fysieke bijdrage aan de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones gerealiseerd:
- In de gevel van het gebouw voor de P+R worden voorzieningen opgenomen voor vogels en insecten;
- In de gevel van het gebouw voor de P+R worden voorzieningen opgenomen voor vleermuizen (zoals vleermuiskasten).
- Aan de Stappendijk tot aan de Tongelreep worden eiken en lindes aangeplant, hetgeen kan leiden tot een verbetering van de vliegroute voor de vleermuizen naar het westen (Stappedijk-Tongelreep) vliegen.
Landschap
Landschappelijke inpassing bebouwing
- De holle landschapskamer heeft twee verschillende kavelrichtingen (verkaveling/sportvelden). De locatie van de parkeergarage is als het ware het scharnier van de twee verschillende richtingen van het landschap (zie onderstaande afbeelding). De massa van het gebouw voor de P+R is de logica voor verdraaiing richting van de sportvelden.
- Er zal een groene overgang gerealiseerd worden van de parkeergarage en het gebied Genneperparken.
- De bouwhoogte van de parkeergarage is niet hoger dan de hoogte van de aangrenzende bomen aan de Aalsterweg.
- De bekleding van de parkeergarage zal bestaan uit een groen of een natuurlijk materiaal.
P&R als scharnierpunt tussen richtingverdraaiing binnen sportpark Aalsterweg en Stappendijk
Toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de
versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land.
- De Stappendijk had van oudsher een soort van laanbeplanting van eiken. In de loop der tijd zijn verschillende eiken verdwenen. Nieuwe eiken en lindes worden aangeplant. Minimaal 15 bomen in het plangebied en aan de Stappendijk worden aangeplant. Door de aanplant van nieuwe eiken en lindes aan de Stappendijk wordt niet alleen de laan hersteld, maar ook wordt de begrenzing van de landschapskamer. Dit is tevens conform de Landschapsvisie Genneper Parken.
Cultuurhistorie
- Door de P+R garage in het scharnierpunt van de twee kavelrichting(en) in het landschap te plaatsen, wordt de van oudsher aanwezige verkaveling benadrukt (zie onderstaande luchtfoto's uit 1950 en 1969).
- De Stappendijk had van oudsher een soort van laanbeplanting van eiken. In de loop der tijd zijn verschillende eiken verdwenen. Nieuwe eiken worden aangeplant. Door de aanplant van eiken wordt de laan hersteld.
Luchtfoto 1950Luchtfoto 1969
Extensieve recreatie
- Momenteel is het (sport)terrein afgesloten voor publiek vanaf de Aalsterweg en Stappendijk. In de toekomstige situatie wordt het terrein opengesteld vanaf de Stappendijk voor publiek, bijvoorbeeld voor het kijken van sportwedstrijden op de groene overgang van de P+R garage naar Genneperparken.
Klimaat/duurzaamheid
- De P+R garage in combinatie met de aanwezige HOV leidt tot minder mobiliteit in de binnenstad. Dit komt vervolgens ten goede van de luchtkwaliteit.
- Er is bewust gekozen voor compact ruimtegebruik door de auto's te 'stapelen' in een parkeergarage in plaats van parkeren op maaiveld.
- De P+R garage zal zoveel mogelijk voorzien in een eigen energiebehoefte en het opslaan daarvan, bijvoorbeeld door toepassing van zonnepanelen op het dak van de parkeergarage.
Impressie schets P&R garage met zonnepanelen en inrichting gebied met groene overgang naar Genneperparken.
Themakaart Natuur en Landschap
Structuur groenblauwe mantel
De gronden van dit plangebied zijn gelegen binnen de structuur ‘groenblauwe mantel’. Volgens artikel 6.1 van de Verordening zijn dit gebieden die vanuit het bodem- en watersysteem essentieel zijn voor het behoud en ontwikkeling van natuurwaarden. Het bestemmingsplan moet gericht zijn op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Uitsnede themakaart verordening ruimte 'Natuur en Landschap': structuur Groenblauwe mantel (plangebied met blauwe stip aangegeven).
Niet agrarische functies zijn onder voorwaarden toegelaten. Een P&R garage is zo'n niet agrarische functie. De P&R functie is inherent aan de verkeerfunctie en in dat kader wordt het bestemmingsvlak 'Verkeer' uitgebreid. Ingevolge artikel 6.10 lid 1 en lid 3 van de verordening ruimte is dit mogelijk mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. Hieronder wordt op deze voorwaarden ingegaan:
Themakaart stedelijke ontwikkeling
Op deze themakaart staan het bestaand stedelijk gebied, zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, integratie stad-land en de regionale bedrijventerreinen. Het plangebied is aangeduid als 'integratie stad-land'.
Uitsnede themakaart verordening ruimte 'stedelijke ontwikkeling': aanduiding 'integratie stad-land' van de verordening ruimte (plangebied globaal in rood aangegeven).
Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling ook mogelijk in gebieden me bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenaamde 'gebieden integratie stad-land'.
Deze aanduiding biedt mogelijkheden indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling en nieuwvestiging. Nieuwvestiging is volgens de verordening ruimte gedefinieerd als: 'vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel'. Uitbreiding is volgens de verordening ruimte gedefinieerd als: 'vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak'; In dit geval is er sprake van een uitbreiding van een bestaand bestemmingsvlak (te weten 'Verkeer') en is dus geen sprake van nieuwvestiging. Daarom kan aan deze ontwikkeling toepassing worden gegeven met toepassing van artikel 6.10 van de verordening ruimte (zoals hierboven aangegeven).
Themakaart water
Middels deze aanduiding worden gebieden aangewezen en beschermd die in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 zijn benoemd als 'beschermingszone voor grondwaterwinningen voor de openbare drinkwatervoorziening'. De regeling in de Verordening ruimte is aanvullend op de regeling in de Provinciale Milieuverordening (PMV) en richt zich specifiek op de regulering van de ruimtelijke ontwikkelingen. Via de PMV wordt met name het milieuspoor (kwalitatieve aspecten van grondwaterbescherming) gereguleerd.
Uitsnede themakaart verordening ruimte 'water': aanduiding 'waterwingebied','grondwaterbeschermingsgebied' en 'boringsvrije zone' (plangebied globaal in rood aangegeven). Met de wijziging Verordening ruimte is in oktober 2018 de aanduiding 'regionale waterberging' ter plaatse van het plangebied vervallen.
Waterwingebied
Een gebied met deze aanduiding is volgens de Verordening ruimte voorbehouden aan functies die ten dienste staan van de openbare watervoorziening, zoals (drink)waterproductiebedrijven (pompstations). Ook een natuur- of bosbestemming is mogelijk.
De beoogde P&R garage is voor een klein gedeelte geprojecteerd binnen de aanduiding 'waterwingebied'. Het betreft het waterwingebied aan de Stappendijk in de beschermingszone Aalsterweg/Klokputten (kaart nr. 34 PMV). Brabant Water wint in het waterwingebied aan de Stappendijk geen grondwater meer. De putten zijn enkele jaren geleden gesloten. Door de aanleg van infrastructuur binnen het waterwingebied waar geen sprake meer is van winning van grondwater wordt het drinkwaterwinning dus niet geschaad. Op 3 september 2018 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant toestemming verleend op basis van artikel 10 lid 11 van de PMV om binnen het waterwingebied de aanleg en het gebruik van infrastructuur ten behoeve van de P&R toe te staan. Deze toestmming maakt als Bijlage 1 onderdeel uit van de toelichting.
In de regels is hiervoor de gebiedsaanduiding 'milieuzone - waterwingebied' opgenomen. Binnen de regels is aangegeven dat de PMV van toepassing is, behoudens voor die gevallen waarvoor op basis van de PMV een afwijking is verleend dan wel bepalingen van de PMV buiten toepassing zijn verklaard.
Grondwaterbeschermingsgebied
Deze gebieden liggen als een 'schil' om het waterwingebied heen. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden geldt dat uit de verantwoording bij het bestemmingsplan moet blijken dat er een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden en dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. Door de verantwoordingsplicht gaat het beschermingsniveau van de grondwaterbeschermingsgebieden niet achteruit: het is aan de gemeente om aan te tonen dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater door de ruimtelijke ontwikkeling gelijk blijven.
Bij de ontwikkeling van de P&R garage wordt onder andere veel aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid. Bij de toepassing van materialen voor de nieuwbouw worden geen uitlogende materialen gebruikt. Er wordt niet meer verhard dan noodzakelijk is voor de parkeergarage en verkeerscirculatie. Met de provincie zal in het kader van de benodigde ontheffing op basis van de Provinciale milieuverordening afgestemd worden welk doelmatig werkend zuiveringssysteem toegepast zal worden voor het infiltreren van afstromend water.
Gelet op het vorenstaande zullen door de ontwikkeling in dit bestemmingsplan de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. In de regels is hiervoor de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen.
Boringsvrije zone
Binnen deze zone geldt de minst strikte vorm van bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. In de Provinciale Milieuverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van deze kleilaag. In de regels is hiervoor de gebiedsaanduidng 'milieuzone - boringsvrije zone' opgenomen.
Themakaart agrarische ontwikkeling en windturbines
Op deze kaart staan de structuren en aanduidingen rond landbouw en windturbines. Het plangebied is aangeduid als 'beperkingen veehouderij' en 'stalderingsgebied'. Ter plaatse van deze aanduidingen worden beperkingen gesteld aan veehouderijen. Dit is niet van toepassing in dit plangebied.
Uitsnede themakaart verordening ruimte 'agrarische ontwikkeling en windturbines': aanduiding 'beperkingen veehouderij' en 'stalderingsgebied' (plangebied globaal in rood aangegeven).
Conclusie
Gelet op het bovenstaande voldoet deze ontwikkeling aan de verordening ruimte en zijn er op dit punt geen belemmeringen.
In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit. Dit bestemmingsplan ligt buiten een transformatiegebied.
De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in kaarten die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur en in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik.
Figuur: Ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven
Dit plangebied is op de kaart 'Ruimtelijke hoofdstructuur' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'structureel groen'.
Figuur: Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven
Onderhavig plangebied is op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als 'gebruiksgroen'. Dit zijn groengebieden, veelal behorende tot de Groene Hoofdstructuur, waarin op voorwaarde van het behoud van de natuur- en landschapskwaliteiten uiteenlopende (groen)recreatieve functies kunnen zijn ondergebracht, zoals maneges, golfbanen, uitloopgebieden, parken en volkstuinen. Verder zijn de gronden bedoeld voor landbouw, kleinschalige aan het buitengebied gebonden bedrijven (inclusief kleinschalige horeca) en extensieve sportgebieden. Hoewel de P&R garage niet aansluit bij het gebruik van de ruimte zoals dit volgt uit de Interimstructuurvisie, wordt door de stedenbouwkundige opzet en uitvoering wel aangesloten bij de landschappelijke kwaliteiten van dit gebied. Daarnaast is de ontwikkeling van een gebouwde parkeergarage opgenomen in het masterplan Genneperparken. Dit masterplan dateert uit 2010. In 2012 is een actualisatie opgesteld van het masterplan. Dit masterplan dateert van na de Interimstructuurvisie.
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012' , dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise.
De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd.
Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.
De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.
Volgens de Archeologische Waardenkaart kent onderhavig plangebied geen archeologisch waardevolle gebieden of archeologische verwachtingsgebieden. Binnen het bestemmingsplan hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met archeologische waarden of verwachtingen. Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Mochten tijdens eventuele grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht ingevolge art. 5.10 Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.
Voor het gehele buitengebied van de gemeente Eindhoven is in 2018 door RAAP Archeologisch Adviesbureau BV een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd (RAAP-rapport 3398 'Het landschap onder de stad - Een cultuurhistorisch onderzoek naar de relicten van het prestedelijk landschap in het stedelijk gebied van de gemeente Eindhoven'). Op deze manier is een volledige inventarisatie ontstaan van de aanwezige cultuurhistorische gebieden en elementen, inclusief een waardering daarvan.
Dit plangebied valt (gedeeltelijk) binnen dit onderzoek. Langs de Aalsterweg is de bomenrij gewaardeerd als landschapselement met 'hoge waarde'. De Aalsterweg zelf wordt gewaardeerd als een wegstructuur van 'zeer hoge waarde'. De Stappendijk wordt gewaardeerd als een wegstructuur van middenwaarde. Met het voorgenomen initiatief worden de in bovenstaande rapportage geconstateerde waarden niet onevenredig aangetast. Beide structuren blijven als zodanig herkenbaar en behouden dus vanuit cultuurhistorisch oogpunt hun belangrijke waarden. Zowel de Aalsterweg als de bomenrij langs de Aalsterweg zijn gelegen buiten dit plangebied. Een klein gedeelte van de Stappendijk is gelegen binnen dit plangebied.
De mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is in 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het verkeersbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2040) vastgelegd. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen voor het gebied P&R Genneper Parken beschreven.
Autoverkeer
De wegencategorisering is in Eindhoven op Weg geactualiseerd. Er is een nieuwe tussencategorie opgenomen ten opzichte van de vorige wegencategorisering: de zogenaamde 'wijk- en buurtontsluitingsweg'.
In het plangebied wordt de toekomstige P&R ontsloten op een pleinvormige wegenstructuur (Stappendijk). Op deze structuur ontsluit ook de toegang van hotel van der Valk. De Stappendijk sluit aan op aangrenzende gebiedsontsluitingsweg, te weten Aalsterweg.
De komst van de P&R garage zal zorgen voor een grotere belasting van de kruising Aalsterweg-Stappendijk inclusief de ontsluiting met hotel Eindhoven. Om te voorkomen dat hier afwikkelingsproblemen voor het verkeer ontstaan is een onderzoek gedaan naar de effecten van een P&R garage met 600 parkeerplaatsen voor de afwikkeling van het verkeer op de Aalsterweg. Dit onderzoek is verricht door RHDHV en op 7 december 2017 opgeleverd. Het onderzoek maakt als Bijlage 2 onderdeel uit van de toelichting. Uit dit onderzoek volgt dat het realiseren van de beoogde P&R garage mogelijk is indien op de Aalsterweg voor het kruispunt met de Stappendijk een extra opstelvak voor rechtdoorgaand verkeer in zuidelijke richting wordt gerealiseerd. Deze rijstrook zorgt voor een goede kruispuntafwikkeling waarbij zelfs een verbetering van de verkeerssituatie mogelijk is (ten opzichte van de huidige situatie). De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt in het ontwerp voor de aanpassingen van de Aalsterweg.
Afbeelding beoogde aanpassing verkeersstructuur.
In de P&R garage zal tevens de GGD / ambulancedienst worden gevestigd. Deze vestiging van de ambulancedienst verzorgt de noodhulp. Hierdoor zal de afwikkeling van het verkeer gemiddeld 5 tot 8 keer per dag door spoedritten worden verstoord. Deze ingreep is verwaarloosbaar voor de reguliere afwikkeling van het verkeer. De ambulances rijden vanuit de parkeergarage over de busbaan. Doormiddel van een verkeersregelinstallatie/ waarschuwingssysteem wordt de veiligheid gewaarborgd.
Fietsverkeer
De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In de mobiliteitsvisie 'Eindhoven op Weg' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat drie soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid; snelfietsroutes, primaire fietsroutes en secundaire fietsroutes. Deze fietsroutes zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
Afbeelding fietsroutes
Openbaar vervoer
Eindhoven op Weg gaat uit van twee netwerken voor het openbaar vervoer: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen. Het plangebied wordt ontsloten door een regulier openbaar vervoer netwerk met een bediening van drie lijnen, te weten 117, 317 en 318 op vrijliggende infrastructuur. Daarnaast is de infrastructuur van het HOV2-netwerk vanaf Hotel Eindhoven naar station Eindhoven gereed.Op termijn zal deze HOV-verbinding worden doorgetrokken naar Valkenswaard.
Autoparkeren
De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom worden bij een bouwplan eisen aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen gesteld. Uitgangspunt daarbij is dat deze op eigen terrein worden gerealiseerd. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld.
De gemeente Eindhoven heeft de parkeernormen flexibeler gemaakt ten opzichte van de parkeernormen uit 2012, maar wel met voorwaarden om parkeeroverlast in woonwijken te voorkomen. Flexibele parkeernormen maken ontwikkelingen mogelijk die goed zijn voor de stad. Ook is het wenselijk dat er niet meer parkeerplekken worden gerealiseerd in de stad dan nodig. Dan blijft er meer ruimte over voor bijvoorbeeld groen of recreatie. Tot slot wordt duurzame mobiliteit gestimuleerd, dus meer lopen, fietsen en openbaar vervoer-gebruik.
In het kader van de stimulering van deze duurzame mobiliteit wordt in de zuidoosthoek van Gennerper Parken een parkeergarage met een capaciteit van 600 auto's gerealiseerd. Deze parkeergarage gaat dienst doen als park & ride voorziening. Hierdoor wordt het autoverkeer een goed alternatief geboden om de binnenstad te bereiken. Tevens wordt de druk op het parkeren in het centrum van Eindhoven verminderd.
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport.
Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan.
Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. Voor het groen dat niet automatisch beschermd is, zet de gemeente in op behoud via inspireren, stimuleren en faciliteren van betrokkenen.
In het Groenbeleidsplan 2017 zijn richtlijnen en procesafspraken geformuleerd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een richtlijn om alleen te bouwen en verharden als dat noodzakelijk is. In het algemeen geldt voor het bestaande groen dat de toevoeging van andere dan groene functies in principe niet mogelijk is. In beperkte mate wordt inbreuk op het groen toegestaan, mits er sprake is van versterking van de beleving, behoud van de kwaliteit van de openbare ruimte als totaal en aangetoond wordt dat er geen andere alternatieven mogelijk zijn. Een nadere afweging is ook mogelijk bij zwaarwegend maatschappelijk belang.Voorwaarde bij ingrepen in het groen is dat de groene kwaliteiten tenminste worden gehandhaafd door de nieuwe ontwikkeling integraal te ontwerpen, inclusief groen. Als groen niet gehandhaafd kan blijven moet compensatie plaatsvinden van het groen dat verloren gaat. Deze compensatie geldt alleen voor locaties die binnen het stedelijk gebied zijn gelegen.
Het betreft verder een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. Een groenplan is een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling. Uitgangspunt is kwalitatief en duurzaam groen en zo min mogelijk verharding. Dit betekent behoud van het bestaande groen, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Figuur: Ruimtelijke Strategieënkaart
Dit plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'multifunctioneel groen' en 'stad, groen beeldbepalend'. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie(en) aangehouden:
Strategie: Stad, groen beeldbepalend
In deze gebieden zijn groen en rood gemengd maar ze hebben vooral een groen karakter. Het groen sluit aan op de hoofd-groenstructuur van de stad. Dit betekent dat deze gebieden belangrijk zijn voor het behoud van die groenstructuur. Je kunt hier wel bouwen, maar het groene karakter moet daarbij centraal staan. Deze gebieden maken ook onderdeel uit van de groene kaart (onderdeel verordening bomen en nadere regels). Voor de kap van bomen (met een omtrek van 45 centimeter op een stam hoogte van 130 centimeter) in deze gebieden is een vergunning verplicht. Uitzondering hierop vormt de taxus welke vanaf een omtrek van 30 centimeter een vergunningplicht kent.
Strategie: Multifunctioneel groen
Dit zijn gebieden vooral aan de rand van de stad waar hele groene, landschappelijke en ecologische functies samengaan met recreatieve rode functies. Het groen is hier bedoeld om tegelijkertijd een mooi landschap te vormen voor mens en dier en ook rust en ruimte te bieden voor bijvoorbeeld wandelen en fietsen. Dat moet in balans zijn. Hier wordt niet meer gebouwd, behalve als het echt nodig is voor natuur, groen en recreatie.
Gebieden met deze aanduiding liggen voor een belangrijk deel in het Natuur Netwerk Brabant. Verdere verstedelijking (toevoeging van niet aan het groen gebonden functies of gebouwen) is in deze categorie aldus niet aan de orde tenzij in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie. Dit is hier het geval. Er wordt bebouwing en verharding toegevoegd. Het belang van de realisatie van een park & ride voorziening is een ontwikkeling van zwaarwegend maatschappelijk belang. Hierdoor wordt namelijk het verkeer uit het centrum van Eindhoven 'geweerd'. Dit draagt bij aan een duurzame stad en verbetering van de luchtkwaliteit. Daarnaast wordt het gebouw zodanig ontworpen dat het opgaat in/aansluit bij het landschap. Levende gevels zullen worden toegepast. Dat wil zeggen dat in de gevels voorzieningen voor vleermuizen, zwaluwen , insecten etc. worden opgenomen. De 'huid' van het gebouw zal tevens bestaan uit een groene gevel of een natuurlijke gevel zoals bijvoorbeeld bamboe of hout. Verder vindt er een kwaliteitsverbetering van het landschap plaats in het plangebied. Voor deze kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2.
Beleidsregel groencompensatie
Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen. Een van de uitzonderingen op de beleidsregel zijn de locaties die vallen buiten het bestaand stedelijk gebied (volgens de provinciale verordening ruimte). In dat gebied is de verordening ruimte leidend voor natuurcompensatie, bijvoorbeeld voor groen dat onderdeel uitmaakt van het Natuur Netwerk Brabant.
De P&R garage wordt aangelegd in een gebied buiten het stedelijk gebied. In de verordening ruimte is deze locatie aangeduid als 'groenblauwe mantel'. Dit betekent dat de aantasting van het groen moet worden gecompenseerd: uitbreiding van bebouwing is hier alleen mogelijk als er een kwaliteitsverbetering van het landschap plaats vindt. Zie hiervoor paragraaf 3.3.2. De beleidsregel groencompensatie is hier aldus niet van toepassing.
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2015. Deze is op 7 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en op 24 augustus 2016 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels Bomen is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op:
- bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen;
- alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are;
- bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat.
Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2015. In dit geval is het plangebied gelegen buiten de vastgestelde 'bebouwde kom-grens Wnb'. Voor het vellen van bomen dient volgens de Wnb, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. Omdat de Wnb van toepassing is, blijft een bespreking van het gemeentelijk beleid (Verordening bomen en Nadere regels bomen) hier achterwege.
Het plangebied
De insteek is om de bomen te behouden. Op dit moment is duidelijk dat drie bomen gekapt moeten worden om de P&R garage goed te kunnen ontsluiten. Dit heeft te maken met de aanpassingen in de infrastructuur. Twee te kappen bomen zijn gelegen binnen het plangebied en staan aan de Stappendijk, ter plaatse van de ontsluiting van het plangebied. Deze bomen maken deel uit van een rijbeplanting dat uit meer dan 20 bomen bestaat. Eén boom is gelegen buiten het plangebied. De aanpassingen in de infrastructuur, die niet zijn gelegen binnen dit plangebied, kunnen uitgevoerd worden binnen de geldende bestemmingsplannen. De te verwijderen bomen worden in ieder geval gecompenseerd.
Binnen dit plangebied zijn geen ruimtelijk relevante kabels, leidingen en/of straalpaden aanwezig.
Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld.
Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.
De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:
De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.
In dit kader is 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang. Het gaat daarbij om: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
De m.e.r. richtlijn strekt ertoe dat projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, goed worden beoordeeld op hun milieuhygiënische aanvaardbaarheid voordat ze worden toegestaan.
Verder volgt uit de jurisprudentie dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang, locatie en de mogelijke gevolgen van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Beoordeling plan: concrete omstandigheden
Het planvoornemen betreft het realiseren van een P&R garage met een parkeercapaciteit van circa 600 parkeerplaatsen. De locatie ligt in Genneper Parken, tegen het stedelijk gebied aan en nabij de Rijksweg A2 en het Van der Valk Hotel. Deze parkeergarage dient niet om te voorzien in een parkeerbehoefte ten behoeve van commerciële functies, woningen, maatschappelijke voorzieningen en dergelijke. Deze P&R garage heeft tot doel om het verkeer in het centrum van Eindhoven terug te dringen. Het gaat hier in beginsel om een 'verplaatsing' van de verkeersbewegingen, in die zin dat het verkeer dat op bezoek komt in Eindhoven niet verder meer richting het centrum rijdt. Het eindstation is de P&R garage. Deze P&R garage kan succesvol functioneren bij de aanwezigheid van goede, kwalitatieve andere voorzieningen. Deze andere voorzieningen zijn reeds (deels) aanwezig. Het plangebied ligt nabij de bestaande HOV- baan en bushalte. Daarnaast zullen fietsen beschikbaar gesteld worden. Er zijn goede fietsverbindingen aanwezig naar het centrum van Eindhoven. Zoals reeds uit paragraaf 3.6 blijkt dient als gevolg van deze ontwikkeling voor een goede kruispuntafwikkeling een extra opstelvak op de Aalsterweg voor rechtdoorgaand verkeer in zuidelijke richting te worden gerealiseerd. De gevolgen van deze ontwikkeling zijn bovenal positief. Doordat het verkeer in het centrum wordt teruggedrongen komt dit ten goede van de luchtkwaliteit in het centrum. Daarnaast leidt de realisatie van een extra opstelvak tot een verbetering van de verkeerssituatie ten opzichte van de huidige situatie. De luchtkwaliteit ter plaatse van de P&R garage zal door de extra parkeerbewegingen iets verslechteren maar voldoet nog wel aan de grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Tenslotte wordt nog opgemerkt dat de uitgevoerde (milieu)onderzoeken aantonen dat het realiseren van een P&R garage op onderhavige locatie voldoet aan de wettelijke eisen vanuit milieuoogpunt. De verrichte onderzoeken onderstrepen de conclusie dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten.
Gelet op de concrete omstandigheden van het geval is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. Gelet op de functie van de P&R garage (het terugdringen van het verkeer richting het centrum van Eindhoven) en de (overige) concrete omstandigheden is dit geen project die juist aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden.
Een parkeergarage valt volgens voornoemde VNG-brochure binnen de milieucategorie 2. Voor deze categorie dient ten op zichte van milieugevoelige objecten (veelal woningen) een afstand van 30 meter in acht genomen te worden. De beoogde parkeergarage is op een afstand van circa 260 meter gelegen van woningen en een school. Aan de richtafstanden uit de VNG - Brochure wordt aldus voldaan.
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken.
De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.
Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
In dit bestemmingsplan worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ook is er geen sprake van een 'reconstructie van de weg' in de zin van de Wet geluidhinder. Op de Aalsterweg wordt gedeeltelijk een extra opstelvak voor rechtdoorgaand verkeer in zuidelijke richting gerealiseerd. Deze wijziging aan de weg leidt niet tot een toename van meer dan 2 dB op een of meerdere geluidgevoelige bestemmingen. De geluidgevoelige bestemmingen zijn namelijk gelegen op meer dan 200 meter van de beoogde fysieke aanpassing van de Aalsterweg.
Gelet op het vorenstaande is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
Het plangebied ligt op enige afstand (circa 8 km) van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militaire luchthaven met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. Op basis van deze wet is voor luchthaven Eindhoven een luchthavenbesluit vastgesteld. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen.
In dit plangebied worden geen woningen of andere geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Standplaatsen en ligplaatsen zijn ook niet toegestaan in dit bestemmingsplan. Het aspect luchtvaartlawaai vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m³.
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:
Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.
Samengevat
Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.
Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een P+R garage aan Aalsterweg. Voor het plan is een luchkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt als Bijlage 3 deel uit van de toelichting. De resultaten van het luchtkwaliteitsonderzoek zijn getoetst aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer (grenswaarden luchtkwaliteit). Uit het rapport blijkt dat overal wordt voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft luchtkwaliteit. Daarnaast is een P+R geen gevoelige bestemming volgens het Besluit gevoelige bestemmingen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om een P+R garage te realiseren,
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';
Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Beoordeling
Met betrekking tot het aspect externe veiligheid leveren inrichtingen en buisleidingen geen beperkingen op. Het plangebied ligt echter wel op een afstand van 187 meter van de A2. Hiermee komt het plangebied niet binnen het plaatsgebonden risico of het plasbrandaandachtsgebied te liggen, maar wel binnen het invloedsgebied van 200 meter.
Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om op deze locatie een P&R te realiseren, hierdoor krijgt het gehele gebied de bestemming 'Verkeer'. In het plangebied is het hierbij niet mogelijk om (beperkt) kwetsbare objecten te realiseren. Bij het vaststellen van onderhavige bestemmingsplan hoeft het groepsrisico dan ook niet te worden verantwoord.Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Belangrijke thema's daarbij zijn:
The Natural Step
Samenwerking tussen de partners in de stad en co-creatie zijn essentieel. Om te zorgen dat we een gedeelde taal spreken, gebruiken wij de aanpak van The Natural Step (TNS) om duurzaamheid vorm te geven. In het kort komt het erop neer dat we duurzaam handelen door met vier principes van duurzaamheid rekening te houden:
Het P&R gebouw wordt ontworpen als een compact integraal concept, waar gebouw, verkeer, openbare ruimte, duurzaamheid en ecologie samenkomen. Een ingetogen icoon met alzijdig karakter, zorgvuldig ingepast op een prominente plek. Een P&R gebouw met meerwaarde en betekenis voor het sportpark, de stad en de omliggende leefomgeving van mens, dier en plant. Op grotere schaal draagt de 'P&R functie' bij aan verduurzaming van mobiliteit door het terugdringen van automobiliteit gekoppeld aan HOV en aan het versterken van natuurontwikkeling rond De Dommel.
De volgende ambities worden meegenomen bij het ontwerp en uitwerking van het P&R gebouw:
Het plangebied was in het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd als 'sport'. Naar aanleiding hiervan kan geconcludeerd worden dat de gronden ook geschikt zijn voor de functie parkeergarage. In het kader van dit bestemmingsplan is geen onderzoek naar de bodem verricht. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zal in ieder geval een bodemonderzoek uitgevoerd gaan worden.
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2019 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.
Door ecologica is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd voor een groter gebied waarin dit plangebied is gelegen. In het plangebied worden in ieder geval drie bomen gekapt. Twee bomen daarvan staan langs de Stappendijk. Eén boom langs de Aalsterweg. Deze kap is noodzakelijk om de herinrichting van de verkeersstructuur te kunnen uitvoeren. Gebleken is dat de kap van deze bomen geen effect heeft op vleermuizen. In deze bomen bevinden zich geen vleermuizen en hun verblijfplaatsen. Zeer waarschijnlijk broeden er van maart tot in september wel houtduiven in, en andere zangvogelsoorten zoals vinken / lijsterachtigen. Buiten het broedseizoen zullen de betreffende bomen gekapt worden. Verder zijn er in dit plangebied geen beschemde plan-of diersoorten aangetroffen. Momenteel wordt nader onderzoek verricht naar de bebouwing die in het plangebied aanwezig is (kantine voetbalvereniging). Deze bebouwing wordt gesloopt.
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid.
Het bestemmingsplan Buitengebied (P+R Aalsterweg) maakt een ontwikkeling mogelijk. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).
Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.
Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Gedacht kan dan worden aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.
Wettelijke taken
De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Integrale en gezamenlijke aanpak
Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven.
Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.
De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.
Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.
Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen.
De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.
Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.
Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het GRP 2019 - 2022 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.
Speerpunt van het GRP is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen 60mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd worden naargelang de hoeveelheid groen binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de opgave.
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.
| Checklist Watersysteem | |
| Hoofdwatergang cq open water | Nee, wel nabij de Tongelreep (TR1) |
| zijwatergang | Nee, wel nabij Oppervlaktewater B |
| Keurgebied binnen plangebied? | Nee, wel binnen 'invloedsgebied Natura 2000' |
| Binnen 25-100 jaarszone? | Ja, binnen waterwingebied (gedeeltelijk) |
| Binnen boringsvrije zone? | Ja |
| Ecologische verbindingszone? | Nee |
| Binnen reserveringsgebied waterberging 2050? | Nee |
| Attentiegebied NNB | Nee |
| Rioolwatertransportleiding | Nee |
| Waterschap gemaal | Nee |
| Landelijke afvoernorm binnen plangebied | 1,33 |
| Verdachte/verontreinigde locaties? | Nee |
| Infiltratie praktisch mogelijk? | Ja |
| Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid | Nee |
De ontwikkellocatie voor de nieuwe Park and Ride bevindt zich tussen de Tongelreep en de Aalsterweg in de nabijheid van Hotel van der Valk. Momenteel bevinden zich op het terrein sportvelden en een clubhuis voor sporters. De Stappendijk (weg) bevindt zich ook binnen het plangebied. Deze ligt naast een zaksloot die afwatert richting Tongelreep. Het plangebied is ongeveer 1,45 ha groot.
Oppervlaktewater
Evenwijdig aan de Stappendijk bevindt zich een zaksloot die afwatert richting Tongelreep. Een klein gedeelte van deze sloot bevindt zich binnen het plangebied. Verder is er geen oppervlaktewater binnen het plangebied aanwezig. De Tongelreep ligt op ongeveer 200 meter van de ontwikkeling (maar buiten het plangebied).
Verharding
De locatie wordt gebruikt als sportaccommodatie met clubhuis waar rondom wat verharding ligt. De Stappendijk dient als toegang voor Hotel van der Valk. De sportvelden zijn gedraineerd.
Afbeelding verhard oppervlak bestaande situatie.
Bodemopbouw
De bodem bestaat uit leemhoudend fijn zand en leemlagen. Infiltratie is mogelijk binnen het zuiden van Eindhoven.
Grondwater
De GHG varieert tussen de 1,0 en 0,7 meter onder maaiveld. Dat is vrij hoog. Bij het ontwerp van de Park and Ride dient rekening te worden gehouden met de huidig optredende grondwaterstanden.
Regenwater
De sportaccommodatie ligt in de 25-jaarszone van de drinkwaterwinning Aalsterweg. Dat betekent dat hemelwater afkomstig van wegen en vervuilde oppervlakten niet mag worden geïnfiltreerd (tenzij doelmatig gezuiverd). Voor de accommodatie zal een plan worden gemaakt om zoveel mogelijk water af te voeren naar het oppervlaktewater en potentieel vervuilde oppervlakten naar de gemeentelijke riolering.
Afvalwater
De nieuw te bouwen Park and Ride dient te worden aangesloten op het vuilwatersysteem dat in de Aalsterweg ligt.
25-jaarszone (grondwaterbeschermingsgebied)
Het plangebied is tevens gelegen in de 25-jaarszone van PS Aalsterweg. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een 25-jaarszone strekt mede tot de bescherming van de grondwaterwaterkwaliteit binnen het intrekgebied (25-jaarszone) van de drinkwaterwinning. Het is niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijke spoor op te nemen omdat in de Provinciale milieuverordening (PMV) al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten. Van opname in het bestemmingsplan van de 25-jaarszone gaat dan ook vooral een signalerende functie uit.
Boringsvrije zone
Dezze aanduiding ligt over het gehele plangebied. Binnen deze zone geldt de minst strikte vorm van bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. In de Provinciale Milieuverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van deze kleilaag.
Verharding
Het bouwplan betreft de sloop van een sportaccommodatie inclusief het sportveld binnen het plangebied en de nieuwbouw van een Park and Ride parkeergarage inclusief toegangswegen vanaf de Aalsterweg. Het totale oppervlak in het plangebied bedraagt ca 1,45 ha. Het toekomstig verhard oppervlak bedraagt ca. 8300 m2.
Afbeelding verhard oppervlate nieuwe situatie.
Gevolgen voor de waterhuishouding
Overzicht tabel huidige en toekomstige situatie verhardingen.
Oppervlaktewater
Door het realiseren van de toegangswegen verdwijnt een gedeelte van de zaksloot langs de Stappendijk. Gedeeltelijk zal deze overkluisd worden en gedeeltelijk gedempt. Door deze maatregelen verdwijnt er ongeveer 85m3 aan waterberging in deze sloot. Het plan zal maatregelen nemen om dit verlies aan waterberging te compenseren binnen het plangebied. Oppervlakten binnen het plangebied die vroeger op de zaksloot afwaterden zullen dit in de toekomst niet meer doen. Kolken in de nieuwe wegaansluiting zullen afstromend hemelwater opvangen en voortaan afvoeren naar de riolering in de Aalsterweg. Hiermee wordt tegelijkertijd voorkomen dat mogelijke vervuiling afkomstig van voertuigen in de bodem komt. Omdat het dempen van de sloot op het einde van de sloot plaats vindt zijn er geen negatieve gevolgen voor de overige afwatering en het verder hydraulisch functioneren.
Berging
Door realisatie van de ontwikkeling neemt binnen het plangebied het verhard oppervlak toe. Vanuit het nieuwe gemeentelijke klimaatbeleid is de verhouding groen/grijs binnen het plangebied bepalend en niet meer de toename verhard oppervlak t.o.v. de huidige situatie. Op basis van de oppervlakten volgt dat ongeveer 33% van het plan groen wordt. Oftewel de te realiseren bergingsnorm is 40mm. Daaruit volgt een te realiseren waterbergingsopgave van 332m3 over het gehele verharde oppervlak. Omdat 2019 een overgangjaar voor het nieuwe beleid is hoeft maar 50% van deze opgave gerealiseerd te worden. Oftewel 166m3. Omdat wel het bergingsverlies van de zaksloot volledig gecompenseerd dient te worden moet er in totaal 251m3 aan waterberging binnen het plangebied gerealiseerd worden.
Omdat de ontwikkeling niet binnen het reserveringsgebied waterberging ligt is er geen negatief advies om kapitaalintensieve voorzieningen of maatregelen op maaiveld niveau te realiseren. Gezien de nabijheid van de Tongelreep is dit echter nooit onverstandig.
De ontwikkeling gaat in de berging voorzien middels een wadi ten noorden van de parkeergarage. De ruimte daarvoor is beschikbaar en de wadi zal zo worden ingericht dat hij minimaal 251m3 volume water onder het noodoverlaatpeil kan bevatten. Omdat de ontwikkeling in een grondwaterbeschermingsgebied plaatvindt worden enkel schone oppervlakken aangesloten op de wadi. Onderstaand figuur geeft dat weer.
Overzicht afwaterende oppervlakten At/m D binnen het plangebied.
Enkel het dak van de parkeergarage (A) en de buitenruimte wat als voetgangersgebied ingericht wordt (C) worden aangesloten op de Wadi (B). De wadi krijgt een overloopvoorziening op het interne stelsel van Genneper Sportparken en loost via die weg uiteindelijk op de Tongelreep. De nieuwe toegangsweg (D) wordt aangesloten op de Aalsterweg.
Het dak van de parkeergarage (A) zal worden voorzien van zonnecellen en een systeem om opgevangen regenwater af te voeren naar de wadi (B) zonder dat het in aanraking komt met het daaronder gelegen parkeerdek.
Afvalwater
De nieuwe Park and Ride parkeergarage zal haar huishoudelijk afvalwater onder vrij verval lozen via een aansluiting op de Stappendijk op de Aalsterweg. Indien de locatie gaat beschikken over horeca gelegenheden dient een vetvangput te worden toegepast.
Waterkwaliteit
De ontwikkeling is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Daarin is het verboden activiteiten te ondernemen die vervuild regenwater in de grond kunnen brengen. Om dat bij deze ontwikkeling te voorkomen zijn de volgende afspraken gemaakt:
Deze drie punten leveren een positieve bijdrage aan de waterkwaliteit en krijgen bij het uitwerken van het bouw- & beheersplan de noodzakelijke aandacht.
Voor de afwatering van maaiveldverharding rondom de sportaccommodatie heeft vooroverleg met de ODZOB plaats gevonden. Daarbij is afgesproken enkel het dak (A) en de niet bereden wegverharding (C) op de wadi aan te sluiten. De oppervlakten met een grote belasting door verkeer worden aangesloten op het vuilwater riool in de Aalsterweg en dus niet binnen het plangebied infiltreren naar de ondergrond.
In december 2018 is met Waterschap de Dommel gestart met overleg over dit plan. Daarbij zijn de volgende afspraken gemaakt om de wateropgave te compenseren:
- Binnen het totale plangebied wordt minimaal 251m3 waterberging gerealiseerd; Daarin zit ook 80m3 compensatie voor het overkluizen van de bestaande sloot binnen het plangebied.
- Het hemelwater afkomstig van het parkeerdak met zonnecellen en het voetgangersgebied zal via het te realiseren regenwaterstelsel worden afgevoerd naar de bovengrondse bergende voorziening (= de wadi);
- De daken met zonnecellen wateren rechtstreeks af naar de wadi;
- Het parkeerdek: druppend water afkomstig van auto's wordt opgevangen en afgevoerd via het vuilwater riool in de Aalsterweg.
- Het gebouw krijgt één huisaansluiting. Afvalwater dient intern naar het zuiden van het gebouw te worden gebracht en te worden aangesloten op de Aalsterweg.
- De wegaansluiting van het plan wordt uitgevoerd in banden en aangesloten op het riool van de Aalsterweg.
- De bovengrondse bergende voorziening wordt uitgevoerd in de vorm van watergangen en verlagingen in het maaiveld.
- De aansluitingen van het vuilwaterriool op het gemeentelijke stelsel vindt in overleg met de afdeling huisaansluitingen van de gemeente Eindhoven plaats.
- De wadi krijgt een volume gebaseerd op de benodigde berging (251m3). De wadi wordt voorzien van een doorlaatbare toplaag van humus/lutum (+/- 30cm) die de zuiverende functie van de wadi moet waarborgen. Voor de wadi worden duidelijke beheerafspraken binnen onze eigen gemeente gemaakt om de zuiverende functie in stand te houden. De wadi wordt natuurlijk ingericht.
- De wadi krijgt een leegloopvoorziening en een stuwpeil. Het te realiseren volume dient boven de GHG (70cm onder maaiveld) te worden gerealiseerd.
- De overloop van de wadi gaat afwateren via het bestaande rioolstelsel van het sportcomplex. Dat dient ook te worden meegenomen in het ontwerp.
- De uitwerking van het wadiontwerp dient nog te worden aangeleverd en getoetst door de Gemeente Eindhoven en het Waterschap de Dommel
Op 14 februari 2019 heeft Waterschap de Dommel ingestemd met de maatregel en is het wateradvies, zodra aan alle bovenstaande punten voldaan is, afgedaan.
Het bestemmingsplan "Buitengebied (P+R Aalsterweg)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.
Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.
Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.
Bestemming "Verkeer" (Artikel 3)
De P+R garage die in dit plangebied mogelijk wordt gemaakt ziet op de uitbreiding van de bestemming 'Verkeer'. De bestemming verkeer wordt op de gronden gelegd die primair gericht zijn op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Een P+R garage is hier onderdeel van. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnnen de garage gerealiseerd dient te worden. Op de verbeelding zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen.
Onder de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel en de Algemene afwijkingsregels.
In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.
Handhavingsnota Leefomgeving 2018-2021
In Eindhoven streven we naar een aantrekkelijke stad waar inwoners en bezoekers zich welkom, thuis en veilig voelen. Voor het behoud van een prettige leefomgeving zijn regels nodig. Het voorkomen van overtredingen en de bereidheid om regels na te leven heeft een hoge prioriteit. Hoe dit wordt vormgegeven staat in de 'nota Handhaving Leefomgeving 2018-2021'. De nota is op 27 februari 2018 door het college vastgesteld. Het is een integraal beleidsplan waarin op hoofdlijnen de keuzes voor het handhaven van de fysieke leefomgeving staan beschreven. Op basis van de nota wordt jaarlijks een uitvoeringsplan opgesteld waarin de aanpak wordt geconcretiseerd.
Uitgangspunten
Bij de vertaling van dit beleidskader naar een concreet, jaarlijks uitvoeringsplan worden een aantal uitgangspunten in acht genomen. De belangrijkste uitgangspunten zijn:
Prioritering
De gemeente Eindhoven maakt keuzes om ervoor te zorgen dat de beschikbare capaciteit zo adequaat mogelijk wordt ingezet. Om goede prioriteiten te stellen is inzicht noodzakelijk in mogelijke problemen, de risico's en negatieve effecten. Hierdoor kan beter ingespeeld worden op de grootste ergernissen en notoire overtreders en draagt handhaving bij aan een verhoogd gevoel van veiligheid. Met inachtneming van de uitgangspunten zijn in de nota prioriteiten gesteld. Aan de hand van deze prioriteiten, het budget uit de programmabegroting, incidentele bestuurlijke prioriteiten en het naleefgedrag van burgers en bedrijven, wordt jaarlijks het uitvoeringsplan voor toezicht en handhavingsprogramma opgesteld.
Uitvoeringsplan
In het uitvoeringsplan wordt op hoofdlijnen opgenomen waar de capaciteit dat jaar wordt ingezet. Daarbij is een onderverdeling gemaakt in:
Bovengenoemde onderverdeling komt in elk uitvoeringsplan terug. Per jaar wordt aangegeven welke prioriteit een onderdeel heeft en hoeveel capaciteit er wordt ingezet.
Duidelijke regels
Om overtredingen te voorkomen en goed te kunnen handhaven is het belangrijk dat regels duidelijk zijn. Het moet duidelijk zijn wat wel en niet mag. Regels dienen niet voor verschillende uitleg vatbaar te zijn. Bij het opstellen van bestemmingsplannen is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geschreven, dat deze in de praktijk goed toetsbaar zijn. De juridische toelichting op het bestemmingsplan en de begrippenlijst geven nadere uitleg over de regels en over de begrippen die gebruikt worden.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar.
Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst.
De kosten voor de investering en exploitatie van de bouw van de P+R Genneper Parken inclusief alle bijkomende werkzaamheden zijn geheel gedekt. In het raadsbesluit van 11 september 2018 (inzake de realisatie van de P+R Genneperparken) is de dekking van de kosten vastgesteld.
Op grond van artikel 1.3.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet van het voornemen een bestemmingsplan voor te bereiden, kennis worden gegeven. De kennisgeving van de voorbereiding van onderhavig bestemmingsplan is geplaatst in Groot Eindhoven op 28 juni 2018. De kennisgeving is tevens bij de officiële publicaties op de gemeentelijke website www.eindhoven.nl geplaatst. Er zijn geen stukken betreffende het voornemen ter inzage gelegd, noch de mogelijkheid open gesteld om zienswijzen tegen het voornemen in te dienen of instanties om advies te vragen.
Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Provincie
Op 2 november 2017 heeft een goed en constructief vooroverleg plaats gevonden op het provinciehuis over de ontwikkeling van een P+R in Genneperparken en de daarmee samenhangende verplaatsing van voetbalvereniging RPC naar sportpark Heihoef. Aanleiding van dit gesprek was om al in een vroeg stadium van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling(en) af te stemmen wat de mogelijkheden zijn en welke maatregelen (eventueel) genomen moeten worden. De provincie heeft aangegeven dat onderhavige ontwikkeling aangemerkt kan worden als 'uitbreiding' in de zin van de verordening ruimte. Dat aandacht zal moeten worden besteed aan de provinciale belangen en de kwaliteitsverbetering die moet plaatsvinden. In paragraaf 3.2.2 is uitvoerig ingegaan op de provinciale belangen en de kwaliteitsverbetering.
Waterschap De Dommel
Met het waterschap heeft vooroverleg plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in de waterparagraaf zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van de toelichting. Voor de resultaten wordt hiernaar kortheidshalve verwezen.
Per 1 oktober 2008 is de "Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008" in werking getreden. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming. Het project P+R Genneper Parken is ook middels samenspraak tot stand gekomen. In de omgeving van de toekomstige P+R locatie heeft een klankbordgroep meegedacht over de herinrichting van de kruising met de Aalsterweg en de bouw van de parkeergarage. De klankbordgroep Genneper Parken is meerdere malen betrokken bij de planvorming. De klankbordgroep staat positief tegenover deze ontwikkeling. Ook gedurende het proces van dit project blijft de klankbordgroep betrokken.
Daarnaast zijn een aantal partijen zoals Trefpunt Groen Eindhoven, Van der Valk als toekomstige buur en de verhuizende voetbalvereniging RPC betrokken in het proces.
De stakeholders kunnen zich vinden in de plannen.
Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 20 december 2018 tot en met woensdag 30 januari 2019 op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerp van het bestemmingsplan kenbaar te maken. Binnen deze termijn is geen zienswijze ingediend.
Kennisgeving van de ter inzage legging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen is in de edities van de Staatscourant en het weekblad Groot Eindhoven van 19 december 2018 gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om de digitale versie van het ontwerp bestemmingsplan via de gemeentelijke website www.eindhoven.nl/bestemmingsplannen en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen.