| Plan: | III Stratum buiten de Ring (Tijgerstraat-Neushoornstraat) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0772.80303-0301 |
Initiatiefnemer is voornemens in totaal maximaal 63 wooneenheden te realiseren in het driehoekig plangebied tussen Tijgerstraat en Neushoornstraat te Eindhoven. De bestaande 50 eengezinswoningen worden hiervoor gesloopt om plaats te maken voor de nieuwbouw van appartementen, rij-, beneden- en bovenwoningen. Het binnenterrein, waar in het verleden bedrijven waren gevestigd, is reeds gesloopt en de grond is gesaneerd en bouwrijp gemaakt.
Het ter plaatse geldende bestemmingsplan biedt geen ruimte voor de realisatie van bovenstaand planvoornemen op het betreffend plangebied. Om het woningbouwplan te realiseren, dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld voor de locatie. Het nieuwe bestemmingsplan is genaamd 'III Stratum buiten de Ring (Tijgerstraat-Neushoornstraat)'.
Het bestemmingsplan "III Stratum buiten de Ring (Tijgerstraat-Neushoornstraat)" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding (plankaart) met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is onderhavige toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.
Luchtfoto ligging plangebied 2016 (rood omlijnd)
Het plangebied ligt in de driehoek Neushoornstraat, Tijgerstraat en Tivolilaan. De grondgebonden woningen die grenzen aan de Tivolilaan behoren niet tot het plangebied. De planomgeving is gelegen in stadsdeel Stratum, in het zuidoosten van Eindhoven.
Het plangebied is in het westen begrensd door de achtertuinen van de woningen die gelegen zijn aan de Tivolilaan. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de Neushoornstraat. Aan de zuid- en oostzijde grenst het plangebied aan de Tijgerstraat.
Het projectgebied ligt binnen het geldende bestemmingsplan 'Stratum buiten de Ring 2004', vastgesteld door de raad op 31 oktober 2005 en door Gedeputeerde Staten goedgekeurd op 11 april 2006. In het geldende bestemmingsplan is het plangebied ter plaatse van de huidige grondgebonden woningen bestemd tot 'Woondoeleinden (W)'. Het binnengebied is bestemd tot 'Bedrijfsdoeleinden (B)' en 'Garageboxen (Gb)'.
Uitsnede uit de verbeelding van het geldende bestemmingsplan (plangebied rood omlijnd)
Voorliggend plan voorziet in het mogelijk maken van maximaal 63 wooneenheden. De beoogde ontwikkeling past niet binnen deze bestemming. Om de ontwikkeling mogelijk te kunnen maken zal daarom een nieuw bestemmingsplan moeten worden vastgesteld voor deze locatie.
Deze toelichting bestaat uit negen hoofdstukken. Na deze inleiding volgt Hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied en het planvoornemen gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en zo nodig de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de waterparagraaf. In deze paragraaf is de wijze beschreven waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in Hoofdstuk 6. In Hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in Hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg en de samenspraak/inspraak).
In dit hoofdstuk worden zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven. Tevens wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van het project.
Het plangebied is gelegen in stadsdeel Stratum. Stratum is één van de vijf lobben die rond het centrum van Eindhoven zijn ontwikkeld. Deze lobben zijn te vergelijken met een bloem waarvan de blaadjes (de lobben) rondom het hart (Eindhoven Centrum) zijn geformeerd. De scheiding tussen de lobben is duidelijk waarneembaar en wordt gevormd door groengebieden of bedrijventerreinen. Voor Stratum wordt de scheiding met de aangrenzende lobben gevormd door het groengebied Genneperpark en het sportpark Aalsterweg aan de westzijde en het bedrijfsterrein DAF/Kanaaldijk-Noord aan de Noordzijde.
Binnen het stadsdeel Stratum liggen 12 woonbuurten. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de buurt Tivoli. De in 1930 gebouwde buurt Tivoli is genoemd naar een boerderij annex café gelegen aan de Leenderweg in de huidige buurt Schuttersbosch. De buurt bestaat uit circa 800 kleine woningen waarvan een groot deel uit goedkope vooroorlogse huurwoningen bestaat in overwegend kleinschalige laagbouw. De buurt is vanuit een helder stedenbouwkundig plan vormgegeven. De straten zijn smal en er is weinig groen in de buurt aanwezig, op een park na. Dit park is centraal in de buurt gelegen en bevat veel grasveld, enkele speel- en sportvoorzieningen (een Cruyff Court) en zitmogelijkheden.
In Tivoli zijn weinig voorzieningen aanwezig. Er zijn aan de randen hier en daar kleinschalige voorzieningen gelegen met gemengde functies, zoals detailhandel of horeca. Daarnaast is er een kleinschalige maatschappelijke voorziening gelegen op de hoek van Jaguarstraat met Heezerweg, namelijk Steunpunt 55+ de Jaguar. Er wonen ongeveer 1.500 mensen in de buurt Tivoli (GBA, januari 2015).
Tivoli heeft een heldere orthogonale (rechthoekige) structuur - met uitzondering van de diagonaal Heezerweg - van gesloten bouwblokken die voornamelijk worden gevormd door eengezinswoningen. Het park is centraal gelegen. De buurt wordt omringd door de buurt- en wijkontsluitende wegen Heezerweg, Leeuwenstraat, Neushoornstraat en Tivolilaan. Door de ligging aan wijkontsluitingswegen heeft de buurt een goede bereikbaarheid en is zowel met de auto als met openbaar vervoer goed bereikbaar. Ook de overzichtelijke rechthoekige opbouw van de buurt speelt daarbij een rol.
Het plangebied is gelegen in de driehoek Neushoornstraat, Tijgerstraat en Tivolilaan. De panden gelegen aan de Tivolilaan behoren niet tot het plangebied. Aan de Tijgerstraat en Neushoornstraat zijn twee lange rijen met vooroorlogse woningen gesitueerd. Het betreffen sociale huurwoningen die middels onderhavig planvoornemen gesloopt worden, waarna herontwikkeling van de locatie plaatsvindt. In het binnenterrein waren tot 2012 enkele bedrijven en garageboxen gevestigd. De bebouwing is reeds gesloopt, en de grond is daarna gesaneerd en bouwrijp gemaakt. Er staat in de bestaande situatie een trafohuisje. De Tijgerstraat betreft een nauwe straat met aan weerzijden parkeervakken evenwijdig gesitueerd aan het trottoir. De Neushoornstraat is een stuk breder qua opzet omdat het een wijk- en buurtontsluitingsweg betreft. De Tivolilaan is een gebiedsontsluitingsweg.
Ter plaatse van de T-splitsing Tijgerstraat-Poemastraat is een onderdoorgang in de bebouwing aanwezig. Deze onderdoorgang is ook aanwezig in de bebouwing in het midden van de rijwoningen aan de Neushoornstraat.
Luchtfoto plangebied
Foto karakteristieke gevels en tunneltje bij T-splitsing Tijgerstraat-Poemastraat
Initiatiefnemer is voornemens de bebouwing ter plaatse te herontwikkelen. Dit houdt in dat de bestaande 50 woningen gelegen aan de Neushoornstraat en Tijgerstraat worden gesloopt. Hiervoor in de plaats komen maximaal 63 woningen in de vorm van rijwoningen, beneden- en bovenwoningen en appartementen. De rij- en beneden- en bovenwoningen zijn voorzien aan de Tijgerstraat en Neushoornstraat. De appartementen zijn voorzien in een appartementengebouw met drie bouwlagen in het binnenterrein.
Het plangebied wordt derhalve volledig bestemd voor de functie wonen, hetzij gestapeld hetzij rijwoningen. De parkeerplaatsen ten behoeve van de appartementen en de direct naastgelegen rijwoningen worden voorzien op een parkeerterrein in het binnenterrein. Daarnaast is er een centraal gelegen groenstructuur voorzien in het binnenterrein om het aandeel groen in de buurt te vergroten. De woningen gesitueerd aan de Neushoornstraat en Tijgerstraat zijn net als in de huidige situatie voorzien van een voor- en achtertuin. De woningen zijn in eerste instantie met name bedoeld voor senioren en personen met een lichamelijke beperking. Dit geldt niet voor de bovenwoningen.
In de huidige staat zijn accenten op de bebouwing aangebracht ter plaatse van hoeken en ter plaatse van T-splitsingen. Deze accenten zijn vormgegeven als lichte verspringingen in de voorgevelrooilijn. Vanwege het cultuurhistorisch en stedenbouwkundig belang blijven deze accenten gewaarborgd in het nieuwe stedenbouwkundig plan. Op de navolgende afbeeldingen zijn deze accenten zichtbaar.
Voorgevelfragmenten
Voorgevelfragmenten
Stedenbouwkundig ontwerp
In het binnenterrein wordt een parkeerterrein gerealiseerd. Dit parkeerterrein is voor bewoners beschikbaar vanuit de achtertuinen van de woningen, en dit terrein wordt ontsloten via de Neushoornstraat. Deze ontsluiting is gelegen tussen de huidige panden met detailhandel nabij de rotonde en het begin van de nieuw te bouwen rijwoningen aan de Neushoornstraat.
Op basis van het ontwerp zijn er drie verschillende type bebouwing voorzien met onderhavig planvoornemen. Enerzijds worden de reeds bestaande rijwoningen vervangen door nieuwbouw rijwoningen. Omdat in de toekomstige situatie ook twee onderdoorgangen worden gerealiseerd naar het binnenterrein is er boven deze onderdoorgangen sprake van zogenaamde 'poortgebouwen'. In het poortgebouw aan de Tijgerstraat komen beneden- en bovenwoningen. Hetzelfde geldt voor de Neushoornstraat, echter komt daar ook de hoofdentree voor het appartementengebouw. De nieuwbouw in het binnengebied bestaat uit appartementen in drie bouwlagen. In onderhavig bestemmingsplan bedraagt de maximale bouwhoogte voor de grondgebonden rijwoningen 7,5 meter en 9,5 meter voor het appartementengebouw en de poortgebouwen.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten.
Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie.
Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.
Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1).
De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuidoost-Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land. Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. Hightech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk.
In de regio Eindhoven moeten vanwege de groei van het aantal huishoudens in de periode tot 2040 nog circa 40.000 woningen worden bijgebouwd en ook een kleine 30.000 woningen worden vervangen die niet meer voldoen aan de woonwensen. Het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers behoeft versterking met hoogwaardige woonmilieus, stedelijke voorzieningen, voldoende aanbod van cultuur en sport en grensoverschrijdende verbindingen. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de steden en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.
Realisatie
Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven zullen op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken worden gemaakt.
De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:
Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).
Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. In de volgende subparagraaf wordt hier nader op ingegaan.
Conform artikel 3.1.6 Bro moet bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld kantoorlocaties, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) in het bestemmingsplan worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. Dit dient te gebeuren door middel van de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking. Deze ladder werkt volgens drie stappen:
Voorafgaand aan het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is het belangrijk om te bepalen of met het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt en of derhalve de ladder voor duurzame verstedelijking aan de orde is op de betreffende ontwikkeling.
Onderhavig plan ziet op de realisatie van maximaal 63 wooneenheden op de locatie waar in het huidige geval 50 wooneenheden zich bevinden. Er vindt dus een toename plaats van circa 13 wooneenheden.
Uit jurisprudentie blijkt dat kleinschalige woningbouwplannen niet als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' worden aangemerkt. Zo heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) bepaald dat de realisatie van 10 woningen op zichzelf geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, tenzij er samenhang is met een groter woningbouwproject (ECLI:NL:RVS:2015:653). Ook heeft de ABRS aangegeven dat de realisatie van soortgelijke woningaantallen (8 woningen (ECLI:NL:RVS:2014:4720) en 11 woningen (ECLI:NL:RVS:2015:2921)) niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gekwalificeerd.
Uit een uitspraak van 9 april 2014 van de ABRS (ECLI:NL:RVS:2014:1252) volgt dat het realiseren van 14 woningen wel wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarop de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is. Gelet op deze jurisprudentie is in onderhavig geval sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit plangebied worden maximaal 13 wooneenheden toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie. Hieronder volgt de onderbouwing ten behoeve van de Ladder voor Duurzame verstedelijking.
1. Beoordeling of beoogde ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte
voor woningbouw
Omdat in onderhavig geval sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt de eerste trede van de ladder onderbouwd. De woningbouwontwikkeling is met name bedoeld voor de doelgroep senioren en personen met lichamelijke beperking. Daarom wordt in het navolgende de woningmarkt bekeken met een nadruk op senioren en mensen met een lichamelijke beperking en de vraag naar nultreden-woningen.
De rol van ouderen, waaronder ook 55 jaar en ouder, wordt in de woningmarkt steeds groter. Hoe ouder men wordt, hoe vaker men lichamelijke beperkingen krijgt die mogelijk vragen om een geschikte (nultreden) woning. Woningen voor deze doelgroep zijn derhalve anders dan woningen voor jongere doelgroepen. Uit het woningmarktonderzoek 2014 van Metropool Regio Eindhoven is gebleken dat hoe ouder men wordt, hoe vaker men een kleinere woning wil, hoe vaker men wil huren, en hoe vaker men een gelijkvloerse woning wil en hoe meer men in de huidige gemeente wil blijven wonen. De behoefte voor deze doelgroep bestaat voornamelijk uit nultredenwoningen, zoals blijkt uit navolgende statistieken.
Wens en gerealiseerde verhuizingen van 55+ers (Bron: Woningmarktonderzoek
Zuidoost-Brabant 2014)
De afgelopen jaren is uit onderzoek en enquêtering van initiatiefnemer gebleken dat er vraag is naar gelijkvloerse woningen of appartementen in de buurt Tivoli. Uit een enquête in 2016 is gebleken dat 39 respondenten belangstelling heeft voor een gelijkvloerse woning of appartement. Circa de helft is 55 jaar of ouder is, en 25% is 65 jaar of ouder. Uit een enquête in 2014 is gebleken dat de belangstelling voor grondgebonden seniorenwoningen bijzonder groot is, vergeleken met andere type woningen in de buurt.
Dit plan voorziet in de ontwikkeling van woningen en appartementen voor met name de doelgroep senioren en personen met een lichamelijke beperking. In 2030 zal het aantal Eindhovenaren in de leeftijdsgroep 55+ zijn toegenomen met 20%. Dit betekent dat het huidige aantal 55+'ers, circa 60.0000, zal toenemen tot circa 71.800 mensen (Bevolkingsprognose 2013, gemeente Eindhoven). Daarnaast stijgt ook de vraag naar nultredenwoningen, zoals is gebleken uit het woningmarktonderzoek en de enquêtes. Voor de kwantitatieve behoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.5.
Uit bovenstaande blijkt dat er een actuele regionale behoefte is voor seniorenwoningen en daarom wordt voldaan aan trede 1.
2. Beoordeling of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden
gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten
Het plangebied is gelegen binnen het bestaande stedelijk gebied. Aan deze woningbouwontwikkeling gaat sloop vooraf. De bestaande woningen voldoen niet meer aan de hedendaagse woningbouw standaarden. Uit onderzoek is gebleken dat het niet mogelijk is om de woningen om te bouwen tot een geschikte gelijkvloerse woning, waardoor de gesloopte rijwoningen worden vervangen door moderne rijwoningen en appartementen. Hierdoor wordt de ontwikkeling voorzien in bestaand stedelijk gebied door transformatie van de gronden. Derhalve wordt voldaan aan trede 2. Omdat kan worden voldaan aan trede 2 wordt trede 3 niet behandeld.
Conclusie
Uit vorengaande is gebleken dat er voldoende behoefte is aan het type senioren woningen in de wijk en buurt. Met toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat deze ontwikkeling voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen zoals rijksvaarwegen, zones buisleidingen, zones van hoogspanningsleidingen en militaire objecten.
Voor Eindhoven is de 380Kv-hoogspanningsleiding van belang. Deze is gelegen in het noorden en deels oosten van Eindhoven. Verder is in het Barro opgenomen dat de provinciale begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) direct doorwerkt naar het bestemmingsplan. De gebieden die de EHS vormen worden bij provinciale verordening aangewezen. Daarmee is de EHS een provinciaal belang geworden. Tot slot worden de belangen van luchthaven Eindhoven via het Barro geborgd.
Het plangebied is niet gelegen nabij de hoogspanningsleiding of EHS. Het is dan ook niet noodzakelijk om op deze zaken afzonderlijk nader in te gaan. Dit geldt ook voor het luchtvaartterrein daar het plangebied niet gelegen is in het obstakelbeheergebied.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking.
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn:
In dit geval is het plangebied volledig gelegen binnen de stedelijke structuur. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen. De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen kernen in het landelijk gebied zoveel mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen.
Eindhoven vormt samen met de provincie en met de steden Breda, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg het stedelijk netwerk BrabantStad. Dit samenwerkingsverband vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Sterke steden zijn een voorwaarde voor de toekomst van Noord-Brabant. Vooral in deze steden is de dynamiek van Noord-Brabant goed zichtbaar. De provincie ziet deze steden als het brandpunt van de verstedelijking. Hier wordt geïnvesteerd in de binnensteden (stationsgebieden, kanaal- en snelwegzones) en worden hoogstedelijke functies, zoals bovenregionale voorzieningen, geconcentreerd. Daardoor wordt de centrale positie van de steden versterkt en het draagvlak voor hoogwaardig openbaar vervoer en stedelijke- en culturele voorzieningen op peil gehouden. Dat draagt bij een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant.
Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 (plangebied bij blauwe markering)
Toepassing plangebied
Onderhavig plangebied bevindt zich in binnen het 'Stedelijke concentratiegebied'. Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale ruimtelijke overleggen (RRO's). Zorgvuldig ruimtegebruik en toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro) zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken.
Dit plan maakt de realisatie van maximaal 63 wooneenheden mogelijk, waarbij eerst de huidige 50 (verouderde) wooneenheden worden gesloopt. Een dergelijke ontwikkeling is een goed voorbeeld van transformatie, waarbij veel aandacht is besteed aan zowel zorgvuldig ruimtegebruik als de ruimtelijke kwaliteit. In de SVRO zijn deze twee aspecten aangemerkt als aandachtspunten voor het stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen het beleid uit de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant.
In de SVRO is opgenomen dat het stedelijk concentratiegebied per saldo het migratieoverschot van de hele provincie opvangt. In de RRO's voor wonen vindt regionale afstemming plaats. In paragraaf 3.2.2 is reeds ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de 'Verordening Ruimte 2014' vastgesteld. Op 18 november 2016 is deze opnieuw en gewijzigd vastgesteld. In de Verordening Ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. De provincie stelt algemene regels die voor heel Brabant gelden, maar verdeelt het grondgebied ook in vier structuren waarvoor apart beleid geldt.
Algemene regels
In de verordening zijn algemene regels opgenomen die altijd en voor heel Brabant gelden. Deze regels hebben betrekking op zorgvuldig ruimtegebruik en op het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van Brabant. In het algemeen houdt dit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. Het doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren.
Structuren (hoofdkaart)
Verder onderscheidt de verordening de volgende vier structuren:
Deze structuren zijn gekoppeld aan de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en zijn Brabant dekkend. Elk ruimtelijk oppervlak van Brabant valt onder één van deze structuren. Per structuur is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden en onder welke voorwaarden. De vier structuren staan op de hoofdkaart van de verordening.
Toepassing plangebied
Het plangebied is gelegen binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het provinciale beleid is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling.
Uitsnede Themakaart Stedelijke ontwikkeling Verordening ruimte 2014 (plangebied bij blauwe markering)
Omdat er bij deze ontwikkeling extra woningen worden toegevoegd is de verantwoordingsplicht uit de Verordening Ruimte 2014 van toepassing. In paragraaf 3.5 wordt hierop ingegaan. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.
Verder is het belang 'zorgvuldig ruimtegebruik' in de Verordening Ruimte 2014 aangemerkt als een provinciaal belang. Stedelijke ontwikkelingen dienen te worden gemotiveerd met in achtneming van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit geval is sprake van een binnenstedelijke transformatie. Dit is een goed voorbeeld van zorgvuldig ruimtegebruik. In paragraaf 3.2.2 is reeds ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking.
In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.
Gebruik van de ruimte
De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik. Onderhavig plangebied is op de op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als wonen. Deze gronden zijn primair bedoeld voor wonen, inclusief alle afgeleide wijk- en buurtgerichte functies op het gebied van (middelbaar-/ basis-) onderwijs, zorg, opvang, cultuur, religieuze voorzieningen, ontspanning en vrije tijd, groen (o.a. buurt- en wijkparken, sportfaciliteiten en -velden, buurtontmoetingsruimten), detailhandel en werken (woonwerkcombinaties en kleine bedrijven met milieucategorie 1, 2 en gedeeltelijk 3). Deze functies zijn noodzakelijk voor het functioneren van een gebied als woongebied. Zij vallen dus onder deze definitie en worden niet afzonderlijk in beeld gebracht, mede omdat hun ruimtebeslag relatief beperkt is. Onderhavige ontwikkeling voorziet in een woonfunctie en is daarmee dan ook in overeenstemming met de Interimstructuurvisie.
Interimstructuurvisie Eindhoven, 2009: Gebruik van de ruimte (plangebied blauw omlijnd)
In Eindhoven en omgeving is sprake van een regionale woningmarkt. Daarom werken we samen met andere gemeenten in de regio (Metropool Regio Eindhoven) en de provincie. Jaarlijks stellen we een woningbouwprogramma en de prijsgrenzen voor sociale koop en huur vast. Daarnaast is in 2013 het Bestuursconvenant Stedelijk Gebied 2013 ondertekend door de gemeentebesturen. Met betrekking tot het thema wonen wordt met name ingezet op het streven naar evenwicht tussen stad en randgemeenten voor wat betreft sociale woningvoorraad en vrije sectorwoningen, maar ook inhoudelijke afspraken over de bestaande (sociale) voorraad en de (spreiding van) huisvesting van bijzondere doelgroepen.
Regionaal woningbouwprogramma
Gemeenten moeten in hun bestemmingsplan verantwoorden hoe de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de regionale afspraken en de bestaande harde plancapaciteit. De provinciale bevolkings- en woningbehoeftenprognose vormt hiervoor de basis. Uit deze prognose blijkt dat voor Eindhoven nog een duidelijke groei in huishoudens wordt verwacht tot 2030. Het betreft hier vooral éénpersoonshuishoudens voor personen in de leeftijd tot 30 jaar en 55+.
In 2014 zijn de regionale woningbouwafspraken voor de periode 2014 tot en met 2023 vastgesteld. Daarin is aangegeven dat Eindhoven in de periode tot en met 2023 nog 3.775 woningen aan de woningvoorraad kan toevoegen. Dit betreft de netto toename van de woningvoorraad exclusief vervangende nieuwbouw door sloop. Eind 2015 is het woningbouwprogramma tot en met 2024 vastgesteld.
In 2015 is voor het Stedelijk Gebied alleen het totaalprogramma in de cijfers opgenomen, omdat de discussie in de regio meer tijd vergde. Uitgangspunt voor de totale subregio is de prognose van de woningvoorraad, zoals deze door de provincie is berekend.
Door het ontbreken van programma-aantallen per gemeente was het voor de provincie niet mogelijk nieuw planaanbod (bestemmingsplannen) te beoordelen. In het RRO van 16 december 2015 is de werkafspraak gemaakt dat nieuw planaanbod voor Eindhoven gebaseerd zou worden op het aantal inclusief de eerder gemaakte BOR-afspraken (3.780 woningen) en bij de overige gemeenten op het aantal exclusief de BOR-afspraken (i.c. de prognose-aantallen). Dit voorkwam positieve advisering op plannen van randgemeenten op basis van de oude afspraken om dit vervolgens te moeten terugdraaien. Tevens hield dit in dat voorkomen werd dat Eindhoven voorsorteerde op afspraken, die nog niet gemaakt waren.
In het Regionaal Ruimtelijk Overleg van 30 november 2016 is de Regionale Agenda Wonen vastgesteld. Besloten is dat bovengenoemde werkafspraak van kracht blijft tot het moment dat er nieuwe afspraken zijn. Daarnaast spreken gemeenten in het Stedelijk Gebied met elkaar af gezamenlijk integraal te kijken naar de mogelijkheid om binnen meerdere projecten (m.n. grote suburbane uitbreidingen) kwalitatieve verbetering aan te brengen waardoor deze beter aansluiten op de woonbehoefte.
De gemeenten zijn zich bewust van de noodzaak tot het spoedig maken van afspraken hierover. Vooruitlopend hierop hebben de gezamenlijke gemeenten in het Stedelijk Gebied de gedeputeerde in een brief verzocht om Eindhoven meer ruimte te bieden om te kunnen voldoen aan de behoefte aan binnenstedelijke wonen, mits Eindhoven ook haar verantwoordelijkheid neemt bij het realiseren van oplossingen voor het tegengaan van overcapaciteit.
Onderhavig plan ziet op de realisatie van maximaal 63 wooneenheden voor met name de doelgroep 55+ en personen met een lichamelijke beperking op de locatie waar in het huidige geval 50 wooneenheden zich bevinden. Er vindt dus een toename plaats van het aantal wooneenheden (maximaal 13). Dit plan heeft echter geen consequenties voor de regionale woningbouwafspraken.
Woonvisie
De Woonvisie is op 15 december 2015 vastgesteld. De woonvisie is samen met de partners in stad en regio opgesteld. Via gesprekken en bijeenkomsten hebben inwoners en bedrijven op ambtelijk en bestuurlijk niveau een bijdrage geleverd. Voorbeelden van de ruim honderd participanten zijn: inwoners zoals studenten, expats, zelfbouwers en geïnteresseerde Eindhovenaren, corporaties en huurdersorganisaties, zorginstellingen, ontwikkelaars, bouwers en beleggers, Platform 31, provinciale en landelijke overheid, gemeenten in het stedelijk gebied, bedrijven, onderwijsinstellingen, makelaars, particuliere verhuurders, architecten, stedenbouwers, adviseurs, en belangenbehartigers. In december 2015 is de woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad.
De Woonvisie Eindhoven 2015 is opgebouwd langs drie sporen, namelijk Eindhoven als:
Binnen deze drie sporen wordt aandacht besteed aan een aantal belangrijke thema's, zoals de twee snelheden in de stad, verdichting en stedelijkheid, gedifferentieerde wijken en buurten, de (gewenste) samenstelling van de woningvoorraad, de relatie met de regio, duurzaamheid en Eindhoven als Living Lab om de toekomst van het wonen te ontdekken. Uit het spoor solidaire stad volgt dat de sociale woningvoorraad onderdeel is van de sociale basisinfrastructuur. Uit paragraaf 3.2.2 blijkt dat behoefte bestaat aan nultredenwoningen in de sociale sector. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.
Huisvestingsverordening
Op 15 december 2015 heeft de gemeenteraad de 'Huisvestingsverordening 2016' vastgesteld. In de Huisvestingsverordening is een urgentieregeling opgenomen en een regeling voor het wijzigen van de samenstelling van de woningvoorraad. De urgentieregeling is samen met de gemeenten van het Stedelijk Gebied Eindhoven opgesteld. In deze regeling wordt geregeld dat bepaalde doelgroepen voorrang krijgen op de woningmarkt.
Daarnaast zijn regels opgenomen over het wijzigen van de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Hieronder wordt verstaan het onttrekken of samenvoegen van woonruimte, het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte (kamerbewoning), woningvorming (verbouwen tot twee of meer woonruimten) en splitsing in appartementsrechten. In de verordening staan regels voor het verlenen van een vergunning hiervoor.
De huisvestingsverordening is van toepassing naast onderhavig bestemmingsplan.
De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologie Eindhoven en Helmond 2008-2012', dat de raad in september 2008 heeft vastgesteld. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise.
De gemeente kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat archivalische bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.
De archeologische gebieden binnen de gemeente Eindhoven staan aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart, onderdeel van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart. Het beleid is om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen in de ondergrond en daarbij uit te gaan van de gemeentelijke archeologische waardenkaart.
Uitsnede archeologische waardenkaart (plangebied blauw omlijnd)
Zoals op de archeologische waardenkaart van de gemeente Eindhoven is te zien is het plangebied niet aangeduid als een archeologisch waardevol of verwachtingsgebied of als een gebied dat op de landelijke Archeologische Monumentenkaart voorkomt. Het gebied is echter ook niet aangeduid als archeologisch onderzocht gebied. Dat betekent dat het gebied te typeren is als een gebied van Categorie V. Een dergelijk terrein heeft een lage of geen archeologische verwachting. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is in deze gebieden niet noodzakelijk, tenzij het gaat om een MER-plichtig project of een project dat onder de Tracéwet valt. Van een dergelijk project is in dit geval geen sprake. Een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven.
Wel geldt ten aanzien van archeologie een meldingsplicht voor archeologische toevalvondsten. Mochten tijdens werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dan dienen deze (op grond van de meldingsplicht in art. 5.10 van de Erfgoedwet 2016) direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en de Afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of en zo ja welke aanvullende maatregelen getroffen worden.
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen.
Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Het plangebied is onderdeel van de historisch stedenbouwkundige structuur van de wijk Tivoli.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Eindhoven (plangebied rood omlijnd)
Tivoli
De wijk Tivoli is ontworpen door C. Smit en is gerealiseerd in 1929. In stedenbouwkundige opzet en in architectonisch bebouwingsbeeld is het ontwerp nauw verwant aan het Drents Dorp, de Sint Joseph-, Boten-, Bloemen- en Kruidenbuurt. Dit betreffen allen (van oorsprong) vooroorlogse woningbouwcomplexen met een rechthoekig stratenpatroon waarin open ruimtes voor pleinen en groenvoorzieningen zijn uitgespaard, alsmede een verzorgde architectuur met veel aandacht in de bebouwing voor de koppen, het midden en het uiteinde van een straat.
De wijk Tivoli bestaat uit een afwisseling van brede en smalle straten waaraan overwegend éénlaagse bebouwing onder een kap, deels voorzien van kleine voortuinen zijn gelegen. De structuur en het karakter van de wijk zijn nog goed herkenbaar. De wijk werd gebouwd nadat door woningbouwvereniging Thuis Best (Philips) het destijds hier aanwezige landgoed Tivoli was aangekocht. Het plangebied ligt in het noordelijk deel van de wijk Tivoli en betreft een driehoekig bouwblok dat begrensd wordt door de Tijgerstraat en de Neushoornstraat. Beide straten zijn cultuurhistorisch hooggewaardeerd. Ter plaatse van de T-splitsing Tijgerstraat-Poemastraat is een onderdoorgang in de bebouwing aanwezig. Deze doorgang is ook aanwezig in het midden van de rij woningen aan de Neushoornstraat. Daarnaast kent het plangebied een binnenplaats.
Motivering plan
Naar aanleiding van de hiervoor gestelde waardering is een cultuurhistorische quickscan uitgevoerd door Van Meijel adviseurs in cultuurhistorie en Taeke Bouma architectuur / stedenbouw. Het rapport is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. In het rapport wordt het volgende geadviseerd. Onder elk advies is tevens door initiatiefnemer aangegeven op welke wijze met het advies is omgegaan bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan. De adviezen gaan in op de onderwerpen gebruik, deel en onderdeel, kennis en maatwerk en oud en nieuw.
Gebruik
Advies:
Keuze/motivering initiatiefnemer:
Advies:
Keuze/motivering initiatiefnemer:
Deel en geheel
Advies
Keuze/motivering initiatiefnemer:
Advies
Keuze/motivering initiatiefnemer:
Kennis en maatwerk
Advies
Keuze/motivering initiatiefnemer:
Advies
Keuze/motivering initiatiefnemer:
Oud en nieuw
Advies
Keuze/motivering initiatiefnemer:
Gevelfragmenten nieuwbouw
Gevelfragmenten nieuwbouw
Conclusie
In paragraaf 2.2 zijn afbeeldingen weergegeven met daarop de verschillende gevels die het plan zo kenmerkend maken. In summum:
Het uitgangspunt voor het parkeren is parkeren op eigen terrein. Conform de Nota Parkeernormen (2016) is het plangebied gelegen binnen het gebied 'rest' van de bebouwde kom. De maximaal 63 te bouwen woningen zijn onder te verdelen in:
- 31 nul-tredenwoningen (110 - 120 m² bvo);
- 18 appartementen (80 - 90 m² bvo);
- 6 poortwoningen (73m² bvo);
- 8 poortwoningen (110 - 120 m² bvo)
Voor deze woningtypologieën gelden volgens de Nota Parkeernomen verschillende parkeernormen. In de navolgende tabel is uiteengezet hoeveel parkeerplaatsen ingevolge van de Nota Parkeernormen minimaal benodigd zijn, afgezet tegen de verschillende woningtypologieën. Alle wooneenheden vallen in het segment 'midden', met een bvo van 60 m² tot 120 m² per woning.
| Woningtypologie | Parkeernorm | Parkeerplaatsen |
| 31 grondgebonden woningen | 1,60 | 49,6 |
| 32 niet-grondgebonden | 1,20 | 38,4 |
| Totaal (minimaal) | 88 | |
Voor onderhavig bouwplan betekent dit dat minimaal 88 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De parkeereis zal niet volledig op eigen terrein worden ingevuld binnen de grenzen van het plangebied. Enerzijds zijn bij de rijwoningen (evenwijdig aan de weg) parkeerplaatsen aanwezig zoals in de huidige situatie. Anderzijds zal voor de appartementen en het overschot van de rijwoningen een parkeerterrein worden gerealiseerd in het binnenterrein van het plangebied.
Op de plaats van het huidige binnenterrein zullen 45 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Aan de Tijgerstraat (zijde plangebied) zijn 21 (17+4) parkeervakken reeds voorzien. Aan de Neushoornstraat zijn 22 parkeervakken reeds voorzien.
In totaliteit zijn derhalve (21 + 22 + 45) 88 parkeerplaatsen voorzien voor onderhavig planvoornemen. Op de navolgende afbeelding is de te realiseren parkeerplaats in het binnenterrein weergegeven.
45 parkeerplekken binnenterrein
Het plangebied is goed bereikbaar. Volgens de nota 'Eindhoven op Weg' (2013) zijn de Tivolilaan en Neushoornstraat belangrijke ontsluitingswegen voor de omgeving. De Tivolilaan is aangewezen als gebiedsontsluitingsweg, en de Neushoornstraat is als wijk- en buurtonsluitingsweg aangewezen. Op navolgende figuur is de wegcategorisering, zoals opgenomen in de voornoemde nota, weergegeven.
De Neushoornstraat is van oudsher een toegangsweg geweest richting Stratum, en heeft tegenwoordig nog steeds een belangrijke waarde op het gebied van mobiliteit. Het plangebied - gelegen in de driehoek Tivolilaan, Neushoornstraat en Tijgerstraat - is daarom goed bereikbaar voor autovoertuigen.
De woningen die gesitueerd zijn in het binnenterrein worden voor auto's ontsloten via de Neushoornstraat. Langzaam verkeer kan tevens via de Tijgerstraat het binnenterrein bereiken. De realisatie van de maximaal 63 wooneenheden zal ten opzichte van de voorgaande situatie niet tot een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen leiden dat dit voor problemen zal zorgen op de omliggende wegen. Dit komt enerzijds omdat het saldo wooneenheden wordt uitgebreid met slechts 13 wooneenheden, vergeleken met de huidige situatie. Anderzijds hebben de Neushoornstraat en de Tivolilaan voldoende capaciteit met betrekking tot verkeersaantallen.
Begin 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is, welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. De doelen van het Groenbeleidsplan 2017 zijn:
Het Groenbeleidsplan 2017 blijft na vaststelling van kracht tot de gemeenteraad anders beslist; het streven is een geldigheid van 10 jaar of langer. Het plan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.
In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen. Dit bestemmingsplan is geheel gelegen binnen de strategie 'Stad, rood beeldbepalend'.
Strategie: Stad, rood beeldbepalend
In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud van de bestaande structuur, kwaliteit, identiteit en functionaliteit. Uiteindelijk moet het groen in deze meer stenige gebieden omspoeld zijn door grotere groenstructuren die deel uitmaken van de groene dooradering die op de groene wiggen aansluit. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. In dit plangebied wordt een centraal gelegen groenstructuur gerealiseerd in het binnenterrein om het aandeel groen in de buurt te vergroten. Het plan voldoet dan ook aan het groenbeleidsplan.
Kaart ruimtelijke strategieën Groenbeleidsplan 2017
Op 7 april 2015 heeft de gemeenteraad de Verordening bomen 2015 vastgesteld. Deze is op 24 augustus 2016 in werking getreden. De verordening en (uitwerking daarvan in) 'nadere regels Bomen' samen, vervangen het onderdeel houtopstanden uit de Algemene Plaatselijke Verordening, het Bomenbeleidsplan 2008 en de Nota Niet kappen tenzij.
Het bomenbeleid is gebaseerd op drie pijlers: behoud, versterking en ruimte voor dynamiek. Eindhoven wil een aantrekkelijke groene stad zijn en blijven. Bomen spelen daarbij een voorname rol. Een hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en recht doet aan het groene imago van de stad is waar de gemeente naar streeft. Duurzaam behoud van de groene signatuur staat voorop. Het bomenbestand dient echter ook aan te sluiten op intensief gebruik van de openbare ruimte en de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent soms dat in een bepaalde situatie andere belangen preferabel zijn en bomen moeten wijken. Het bomenbeleid voorziet in die gevallen in de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie.
Groene kaart
Een belangrijk onderdeel van de verordening Bomen is de groene kaart. Het is een topografische kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstand. De Groene Kaart bevat verschillende categorieën houtopstanden. Voor bomen in gemeentelijk eigendom (publiek eigendom) kent de Groene Kaart zes categorieën:
De Groene Kaart kent daarnaast voor bomen in particulier eigendom (privaat eigendom) drie categorieën:
Voor het vellen van een houtopstand die deel uitmaakt van tenminste één van deze categorieën is, behoudens een aantal vrijstellingen, een omgevingsvergunning verplicht.
Nadere regels
De Verordening is uitgewerkt in nadere regels Bomen. Deze zijn op 19 juli 2016 vastgesteld door het college en op 4 augustus 2016 in werking getreden. De beleidsregels geven inzicht in de wijze waarop het college gebruik maakt van de aan haar in de Verordening toegekende bevoegdheden tot het aanwijzen en plaatsen van houtopstanden op de Groene Kaart. Tevens zijn richtlijnen uitgewerkt voor omgang met overlast, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de weigeringsgronden bij beoordeling van de kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in houtopstanden.
Het plangebied
Binnen en direct rondom het plangebied zijn 17 bomen aanwezig die op de Groene Kaart zijn opgenomen. Deze bomen zijn in beheer en bezit van de gemeente Eindhoven. Daarnaast zijn er 13 bomen aanwezig binnen het plangebied, namelijk ter plaatse van de voor- en achtertuinen van de huidige woningen. Deze bomen zijn in beheer en bezit van initiatiefnemer. Vanwege de aanwezigheid is een bomen effect analyse uitgevoerd naar de effecten van de ontwikkeling op deze bomen
Bomen Effect Analyse (BEA)
In het kader van dit bestemmingsplan is een Bomen Effect Analyse uitgevoerd. De resultaten zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen uiteengezet.
Uit de visuele boominspectie is vast komen te staan dat de invloed van de bouwplannen niet alleen de 13 bomen aangaat, die in de voor- en achtertuinen van de woningen staan. In de Tijgerstraat en Neushoornstraat staan ook nog 17 bomen die eigendom zijn van de gemeente Eindhoven en ook invloed van de bouwactiviteiten kunnen ondervinden. De bomen van de gemeente hebben een redelijke tot goede conditie. De bomen zullen tijdens de bouw dan ook behouden moeten worden. Dit kan door maatregelen te nemen om de bomen te beschermen en eventueel de groeiplaatsen te verbeteren. De bomen in de voor- en hebben een redelijke tot slechte conditie. De bomen hebben echter schade aan stam en/of kroon. Er is beoordeeld dat de bomen niet geschikt zijn om te verplanten en dat de kans op een lange levensduur na verplanting klein is. Voor de 13 bomen moet nog wel een kapvergunning worden aangevraagd.
In de analyse is advies gegeven over maatregelen om schade aan de bomen te voorkomen door bouwhekken te plaatsen en een bomenwacht in te stellen. Aangegeven is hoe de ondergrondse en bovengrondse delen van de bomen moeten worden beschermd.
Overzichtskaart bestaande bomen
Bij de verdere planuitwerking wordt zorgvuldig rekening gehouden met deze aanbevelingen. Op basis van de BEA kan worden geconcludeerd dat het bouwplan voor de gemeentelijke bomen geen negatieve gevolgen met zich meebrengt, mits de adviezen worden meegenomen in het bouwproces.
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden. In het binnenterrein is een trafohuisje aanwezig dat verplaatst wordt naar het parkeerterrein.
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.
In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in de richtafstandentabel gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.
Toepassing plangebied
Dit bestemmingsplan voorziet in maximaal 63 wooneenheden en wordt in het westen begrensd door appartementen met gemengde functies in de plint, grondgebonden rijwoningen in het zuiden en oosten van het plangebied en groen ten noorden van het plangebied. Tevens is er een benzinestation (zonder LPG) gelegen aan de rotonde (St. Bonifaciuslaan 83). Aangezien de omgeving bestaat uit verschillende functies is het gebied te typeren als 'gemengd gebied'. De richtafstand wordt derhalve met één stap te verlaagd.
Rondom het plangebied zijn enkele niet-woonfuncties aanwezig, gelegen binnen de geldende bestemming 'Gemengd'. Hierbinnen zijn de volgende niet-woonfuncties mogelijk: detailhandel, horecabedrijven (categorie 1a en 1b), dienstverlenende bedrijven/instellingen en bedrijven in de categorie 1 en 2 zoals genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten in het geldende bestemmingsplan, maatschappelijke voorzieningen.
Voor dit type bedrijven (tot categorie 2) geldt volgens de VNG-brochure een maximale richtafstand van 30 meter. Door de toedeling van dit gebied als 'gemengd gebied' wordt de richtafstand met één stap verlaagd, waardoor er een maximale richtafstand geldt van 10 meter. Geen van de als 'Gemengd' aangewezen gronden zijn gelegen binnen 10 meter van het plangebied.
Gelet op het voorgaande zal het plan niet zorgen voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat binnen en in de omgeving van het plangebied. Anderzijds brengt het planvoornemen geen verslechtering teweeg voor de niet-woonfuncties, omdat in de huidige situatie het plangebied reeds is bestemd voor wonen. Het brengt bovendien een verbetering teweeg omdat het binnenterrein ook bestemd wordt voor wonen, waar dat nu nog bestemd is voor bedrijven.
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken.
De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.
Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in realisatie van een woongebied met maximaal 63 wooneenheden. Deze zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wgh.
Het plan is gelegen binnen de zone van de Neushoornstraat en de Tivolilaan. In het kader van "Duurzaam Veilig" hebben de Tijgerstraat en overige wegen in de nabijheid van het plangebied een maximumsnelheidsregime van 30 km/uur gekregen. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat hiervoor geen hogere waarden kunnen worden aangevraagd of verleend. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter wel te worden beoordeeld of de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woningen nabij wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur voldoet aan de voorkeursgrenswaarden van 48 dB.
Op basis van het voorgaande is voor zowel de zoneplichtige wegen als voor de genoemde 30-km/uurwegen getoetst of de geluidsbelasting van de nieuw te bouwen woningen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De voornaamste bevindingen en conclusies zijn hieronder weergegeven.
Uit het uitgevoerde onderzoek valt te concluderen dat vanwege wegverkeer op de wegen, waarvoor een wettelijke rijsnelheid geldt van meer dan 30 km/uur, de toetsingswaarde van Lden 48 dB op de gevels van de woningen niet wordt overschreden. Aanvullende maatregelen aan deze wegen zijn daarom niet nodig.
Wegen waarvoor een wettelijk vastgestelde rijsnelheid van 30 km/uur geldt kunnen in het kader van de Wet Geluidhinder buiten beschouwing blijven. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting echter vanwege verkeer op deze wegen toch inzichtelijk gemaakt. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt Lden 56 dB. Deze waarde is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van Lden 48 dB. Alle woningen zijn voorzien van ten minste één geluidsluwe gevel. Daarom is sprake van een akoestisch gezien acceptabel woon- en leefklimaat. Wegverkeerslawaai vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling van dit bouwplan.
Het plangebied ligt op ongeveer twee kilometer van de spoorlijn tussen Eindhoven en Geldrop. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de zone van de spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan.
Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan.
Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 7 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.
Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m3. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor (PM2,5) geldt een grenswaarde van 25 microgram/m3. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m3 .
In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:
Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen.
Samengevat
Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:
Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.
Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse "Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.
Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.
Het planvoornemen ziet op de realisatie van maximaal 63 wooneenheden op de locatie waar in het huidige geval 50 wooneenheden zich bevinden. Per saldo is er een toename van maximaal 13 wooneenheden. Op basis daarvan kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van de Leenderweg (dichtstbijzijnde locatie nabij het plangebied, waar er ook meer verkeersstromen zijn dan ter hoogte van het plangebied) zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden.
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is.
Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; april 2015) van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. Deze norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR)
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Toepassing plangebied
Aan de hand van de Professionele risicokaart is bekeken of binnen of in de nabijheid van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. Nabij het plangebied is een CNG-tankstation gelegen aan de Sint Bonifaciuslaan 83. Regelgeving met betrekking tot externe veiligheid van CNG-tankstations staat beschreven in artikel 3.18 van het Activiteitenbesluit. Afhankelijk van de grootte van de buffertank en de doorzet per etmaal is de minimumafstand tot kwetsbare objecten maximaal 20 meter vanaf de bufferopslag en de afleverzuil. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand, waardoor het CNG-tankstation geen belemmeringen vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
Uitsnede risicokaart (plangebied rood omlijnd)
De gemeente Eindhoven heeft de visie Externe Veiligheid: 'Risico's de maat genomen' opgesteld. De gemeenteraad heeft de visie op 19 mei 2009 vastgesteld waardoor het een kaderstellend beleidsstuk is geworden. Dit betekent dat lokale ruimtelijke besluiten en milieubeheervergunningen vanuit de visie kunnen worden gemotiveerd.
Met de visie Externe Veiligheid wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant veiliger. In de visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd.
In de Visie Externe Veiligheid is Tivoli aangewezen als woonwijk waar geen risicovolle activiteiten plaatsvinden.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Alles wat we als gemeente doen draagt bij aan een goede kwaliteit van leven, nu en in de toekomst. Met name hier in Eindhoven maar ook daarbuiten. Om te werken aan een goede kwaliteit van leven in Eindhoven zorgen we er voor dat we de stad zowel boven- als ondergronds zodanig ontwerpen en inrichten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is: gezonde en duurzame verstedelijking. In een gezonde stad is ruimte voor de natuur en duurzame voedsel-, energie-, water-, grondstoffen- en afvalkringlopen. Niet alleen hier en nu maar ook elders in de wereld en voor volgende generaties.
Kwaliteit van leven wordt in steeds grotere mate bedreigd door globale problemen als klimaatverandering en luchtvervuiling. Integrale duurzaamheid gaat daarom ook in deze opgave verder dan de gebouwen alleen. We streven ernaar in elk project ook het gebied/ de openbare ruimte te verduurzamen en daarmee een integrale bijdrage te leveren aan kwaliteit van leven in Eindhoven.
De gemeente Eindhoven heeft gekozen voor een aanpak die uitgaat van een systeembenadering van duurzaamheid voor de ontwikkeling van Eindhoven tot duurzame, gezonde, energieneutrale, flexibel bestuurde, aantrekkelijke en inspirerende stad; The Natural Step-aanpak.
The Natural Step Aanpak is eind jaren '80 ontstaan in Zweden in een nauwe samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven; een Triple Helix. In de kern van The Natural Step-aanpak vinden we vier duurzaamheidsprincipes, gebaseerd op de ecologische en sociale systeemeigenschappen. Aan de basis van deze principes ligt ruim 20 jaar wetenschappelijk onderzoek en de praktische toepassing daarvan bij bedrijven, gemeenten, scholen en non-profit organisaties over de hele wereld.
De 4 duurzaamheidsprincipes kunnen we zien als spelregels. Houden we ons aan deze regels dan zijn we duurzaam bezig. Ze vertellen wat de grenzen zijn die we moeten respecteren als we een duurzaam product, een duurzame organisatie of duurzame gemeenschap willen ontwikkelen.
|
Niet meer en sneller stoffen uit de aardkorst in het milieu brengen dan de natuur kan verwerken. |
|
Niet meer en sneller natuurvreemde stoffen in het milieu brengen dan de natuur kan verwerken. |
|
De natuur niet sneller afbreken dan de tijd die nodig is om te herstellen. |
|
Geen dingen doen waardoor we mensen beperken in het kunnen vervullen van hun behoeften. |
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid.
- Energie/CO2-emissie
Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken. Eindhoven heeft in 2008 de ambitie vastgelegd om 'energieneutraal' te worden in de toekomst (2035 - 2045). Dat wil zeggen dat alle energie die de stad dan nog gebruikt, duurzaam wordt opgewekt.
Daarbovenop heeft de gemeenteraad in de 'Klimaatverordening gemeente Eindhoven 2016' vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. Dit betekent dat bij elk project of ontwikkeling enerzijds ingezet moet worden op een zo groot mogelijke bijdrage aan de beperking van de CO2 emissie, en anderzijds dat in de planontwikkeling gekwantificeerd moet worden wat voor en na de ingreep de omvang van de CO2 emissie is, uitgedrukt in kg CO2/jaar. Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is ook Rijksbeleid. Hoewel er op dit moment geen eis tot 'aardgasloos bouwen' kan worden opgelegd, is het verstandig voor bouwers en ontwikkelaars om zich te realiseren dat aardgas uit gefaseerd zal gaan worden. Het is wijs om nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst mogelijk is.
- Duurzame mobiliteit
Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins) en daarnaast dat smart mobility concepten een vlucht zullen nemen, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
- Circulaire Economie
Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur.
- Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
De 50 bestaande woningen worden circulair gesloopt volgens de principes van TNS. Ook bij de nieuwbouw wordt rekening gehouden met hergebruik en recycling. De nieuwe woningen zullen worden gebouwd conform het Bouwbesluit. De exacte invulling van de duurzaamheidsmaatregelen zal in een latere fase worden bepaald en is afhankelijk van de EPC-berekeningen.
Onderhavig plan voorziet in energiezuinige woningen die conform het Bouwbesluit worden gebouwd. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Eindhoven.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw bestemmingsplan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie.
Om te bepalen of er op de locatie sprake is van bodemverontreiniging is door Sweco een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater). De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
Conclusies en aanbevelingen
Gezien de resultaten van het onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Geconcludeerd wordt dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' juist is. De locatie is geschikt voor de toekomstige functie van wonen.
Op basis van de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de grondsanering van de sterke verontreinigingen in de puin (metalen, pak en asbest) reeds heeft plaatsgevonden. Er is geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese.
Indien grond van de locatie vrijkomt en wordt toegepast gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit.
De Wet Natuurbescherming (per 1-1-2017 van kracht) biedt bescherming aan Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden, hout en houtproducten. Aanwezigheid van beschermde gebieden of beschermde soorten en/of hun beschermde leefomgeving kan van invloed zijn op de uitwerking van bestemmingen. In het onderhavig plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. In het kader van onderhavig plan worden ook geen negatieve effecten verwacht op elders gelegen Natura 2000-gebieden. Onderhavig bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de gunstige staat van instandhouding van beschermde planten- of diersoorten.
Ten behoeve van onderhavig plan is een Natuurtoets flora en fauna uitgevoerd. Hierbij is gekeken of er zich in het plangebied (mogelijk) beschermde soorten bevinden die door het plan negatief kunnen worden beïnvloed. De resultaten van deze Natuurtoets zijn gerapporteerd in een rapport en als bijlage opgenomen bij deze toelichting.
Het onderzoek werd eind november 2016 uitgevoerd conform de Flora- en faunawet. Voor de natuurwaarden die in de huidige casus aan de orde zijn (huismus en vleermuizen), blijft het beschermingsregime echter onveranderd.
Het plangebied is op relatief grote afstand van de EHS gelegen. Samen met de aard en de relatiefbeperkte omvang van de ingreep (herontwikkeling in het stedelijk gebied) is er geen negatief effect te verwachten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat het plangebied op grote afstand hiervan is gelegen. Samen met de aard en de beperkte omvang van de ingreep zorgt dit ervoor dat eveneens geen negatief effect te verwachten is op de wezenlijke kenmerken en waarden van Natura 2000-gebieden.
Beschermde natuurgebieden (plangebied in rood omlijnd)
Uit de Natuurtoets zijn de resultaten van het veldbezoek beschreven, alsook is er een mitigatieplan opgenomen. Binnen het plangebied zijn 3 verblijfplaatsen van vleermuizen en 10 nestlocaties van huismussen aangetroffen. Op basis van de onderzoeksresultaten is voor het plangebied een mitigatieplan opgesteld ter onderbouwing van de gunstige staat van instandhouding van de vastgestelde soorten huismus en gewone dwergvleermuis. Het uitgangspunt daarbij is om de Wet natuurbescherming na te leven, al of niet door middel van compenserende- en/of mitigerende maatregelen.
Bij de totstandkoming van het mitigatieplan is gebruik gemaakt van de bepalingen uit de Soortenstandaard gewone dwergvleermuis en huismus. Afwijkingen van de soortenstandaard zijn ecologisch onderbouwd en gemotiveerd. In het mitigatieplan wordt gestreefd naar volledige mitigatie van de verblijfplaatsen om daarmee overtreding van artikel 11 te kunnen voorkomen. Hetzelfde geldt voor het voorkomen van effecten op individuen, maatregelen worden getroffen om overtreding van artikel 9 en 12 te voorkomen. Het doel van het treffen van mitigatiemaatregelen vanuit de Ff-wet is dan ook tweedelig:
Korte termijn effecten
Tijdelijke verblijfplaatsen en nestlocaties dienen ruim voorafgaand aan de ingreep gerealiseerd te zijn. De minimale veilige periode is één actief vliegseizoen / broedseizoen voorafgaande aan de ingreep maar hoe eerder, hoe meer kans op effectieve mitigatie en daarmee bespoediging van procedures en planning. Tijdelijke verblijfplaatsen zijn in april 2016 geplaatst.
Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden gaan verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en nestlocaties van huismus verloren. Dit verlies wordt gemitigeerd door het realiseren van tijdelijke voorzieningen binnen het plangebied en in bebouwing binnen 200 meter van het plangebied. Er is dus geen sprake van tijdelijk verlies van verblijfplaatsen en nestlocaties. Tevens wordt voorkomen dat individuen worden gedood en/of verwond.
Als gevolg van de werkzaamheden en het verwijderen van de bestaande verblijfplaatsen, blijft de overtreding artikel 11 'verstoring van verblijfplaatsen' wel aan de orde.
Lange termijn effecten
In de nieuwbouw worden nieuwe verblijfplaatsen gecreëerd. De gunstige staat van instandhouding van de soort wordt hiermee gegarandeerd, er is daarmee geen sprake van effecten op de lange termijn.
Verbodsbepalingen
Door de voorgenomen werkzaamheden wordt, na mitigatie, de volgende verbodsbepaling nog overtreden (en waarvoor een ontheffingsaanvraag moet worden ingediend):
Op alle in het wild voorkomende planten- en diersoorten, ongeacht of deze beschermd of vrijgesteld zijn of als een ontheffing is verkregen, is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht verplicht iedereen om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Handelingen met nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk achterwege gelaten worden of er moeten maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen of beperken.
Met inachtneming van het mitigatieplan, het advies van de Natuurtoets en de algemene zorgplicht is geen sprake van wezenlijke negatieve invloed op beschermde soorten. Een ontheffingsaanvraag is noodzakelijk voor verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en huismus. Deze ontheffing is reeds aangevraagd.
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moeten voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.
De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave, geheel in de geest van de Omgevingswet. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.
Brabant is duurzaam beschermd tegen overstromingen vanuit het hoofdwatersysteem. In 2050 heeft de provincie alle maatregelen uitgevoerd die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke beschermingsnormen. Er is lokaal maatwerk geleverd en zoveel mogelijk rekening gehouden met economie, natuur, recreatie, cultuurhistorie, landschap, agrarisch gebruik en leefbaarheid in dorpskernen. De kwaliteit van het rivierengebied is veel hoger dan voorheen en heeft een belangrijke economische waarde. Het rivierbed van de rivieren wordt zo min mogelijk bebouwd.
Het regionale watersysteem is robuust ingericht, zodat wateroverlast voorkomen kan worden, ook bij een veranderend klimaat. Hierbij wordt de trits vasthouden, bergen, afvoeren gehanteerd. Als in het systeem waterkeringen noodzakelijk zijn, dan voldoen ze aan de gestelde normen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt ervoor gezorgd dat die niet ten koste gaan van de hoeveelheid water die het watersysteem kan bergen (waterbergend vermogen).
Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.
Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's.
Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn:
De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.
Hydrologisch neutraal bouwen is overgenomen in de Keur. In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar het voor staat en welke maatregel er nodig is om hier aan te voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen.
Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft.
Hierbij wordt getoetst aan de trits "vasthouden-bergen-afvoeren". Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of het infiltreren van water in de bodem en past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewater- als grondwatersysteem. Als niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Het gaat hier dan om een voorziening die ervoor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht en op het gebied van (grond)water. Het GRP bevat de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen binnen het plangebied waarna alsnog vertraagd kan worden afgevoerd.
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en het (drink)waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen. Het "Visiedocument" (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2004) geeft het gezamenlijke streefbeeld van de waterpartijen weer. De onderdelen "Taken en Bevoegdheden" en "Maatregelen" zijn achterhaald.
Sweco heeft een watertoets uitgevoerd op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijk ordening (Bro). De watertoets is een notitie verwerkt en als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In het navolgende worden de belangrijkste resultaten en conclusies van de watertoets beschreven.
Door de klimaatverandering neemt de kans op overlast toe en de opnamecapaciteit van het riool is beperkt. Toekomstige hevige buien kunnen dus ook niet verwerkt worden. Derhalve is het advies om binnen het plan goed te kijken naar mogelijkheden om water vast te houden in het gebied en de afvoer van hemelwater (naar de riolering) te beperken. Daarnaast het advies om in het toekomstig plan goed te kijken naar de bouwpeilen en het verloop van het maaiveld, zodat bij extreme neerslag het water oppervlakkig van de bebouwing af richting de weg kan afstromen.
Verhouding bebouwing, groen en bestrating van het planvoornemen
De bodemopbouw is in het veld in beeld gebracht door grondboringen (Sweco,19 januari 2017). In bijlage 1 van de watertoets zijn de boorprofielen bijgevoegd. Tot 1,2 m bestaat de bodem uit matig fijn zand. De geschatte doorlatendheid ligt tussen de 0,3 tot 1,5 m dag. Onder het zandpakket ligt een kleilaag met een lage doorlatendheid. Door de aanwezigheid van de kleilaag kunnen schijngrondwaterstanden optreden. Daardoor mag een infiltratievoorziening in het plangebied alleen worden toegepast als er onder de infiltratievoorziening bodemverbetering wordt toegepast. Sweco hanteert een minimale doorlatendheid (k > 1 m/d) voor infiltratievoorzieningen. Het is aan te bevelen om voorafgaand aan de realisatie de infiltratiecapaciteit in het veld te bepalen door het uitvoeren van doorlatendheidsmetingen.
De grondwaterstroming is noordwestelijk gericht. Gemeente Eindhoven meet de grondwaterstanden. Op basis van de gemeten grondwaterstanden is de gemiddeld hoogste grondwaterstand voor het plangebied ingeschat op NAP 17,8 m, ofwel een ontwateringsdiepte van 1,15 m. De geschatte GHG is een indicatie en kan lokaal hoger zijn.
Tijdens het veldwerk zijn de grondwaterstanden gemeten, en daaruit blijkt dat de grondwaterstand (m-mv) varieert van 1,7 m-mv tot 2,0 m-mv.
Waterkwantiteit
Door de ontwikkelingen neemt het verharde oppervlak toe met 1.980 m². Gemeente Eindhoven hanteert voor dit plan een benodigde watercompensatie van 0,042 m³ per m² verharding. Ter compensatie van circa 1.980 m² toename verharding dient minimaal 83,3 m³ waterberging te worden gerealiseerd in het plangebied. In bijlage 2 van de watertoets is de bergingsberekening opgenomen.
Initiatiefnemer wenst geen bovengrondse infiltratievoorziening, dit mede omdat de ruimte tussen de nieuwe woningen bestemd zal zijn om elkaar te ontmoeten. De benodigde waterberging ter grootte van 83,3 m³ wordt gerealiseerd door het aanbrengen van ondergrondse infiltratievoorzieningen bij de nieuwe woningen en/of ondergrondse infiltratiekratten onder/naast de wegen in het plangebied. Dit komt neer op globaal 288 m² aan ondergrondse waterberging, uitgaande van kratten met 0,29 m³ berging per krat. Dit zal in het kader van het bouwrijpadvies nader worden uitgewerkt in samenspraak met het waterschap en de gemeente.
Waterkwaliteit
Het hemelwater dat afkomstig is van daken en kavelverhardingen kan worden gezien als schoon. Voor deze oppervlakken is het toepassen van een zogenaamde zuiverende voorziening niet nodig. Binnen het plangebied komen ook verhardingen en parkeerplaatsen te liggen. Om de vervuiling van het afstromende hemelwater zoveel mogelijk te beperken is het volgende van belang:
Conclusie
Op 13 april heeft de gemeente Eindhoven en het waterschap De Dommel de waterparagraaf en de bijbehorende watertoets beoordeeld en zijn onderstaande afspraken gemaakt m.b.t. de te nemen maatregelen en ten behoeve van de verdere uitwerking van de wateropgave.
Voorafgaand aan de aanvraag van de omgevingsgunning dient het plan met betrekking tot de watercompensatie, ontwateringsdiepte en riolering nader te worden uitgewerkt.
Onderhavig planvoornemen is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het waterschap. Het waterschap heeft op d.d. 6 juni akkoord gegeven op het plan.
Het bestemmingsplan "III Stratum buiten de Ring (Tijgerstraat-Neushoornstraat)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is wordt afgeweken van de standaard en is specifiek ingespeeld op de situatie binnen het onderhavige plangebied.
Er is, conform de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Al dan niet in combinatie met een nadere - eisen - regeling.
Op de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. In verband met de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat de manier van raadplegen anders is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
Inleidende regels (Artikel 1 en 2)
De Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten. Dit is om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In "Artikel 1 Begrippen" wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels begrippen voorkomen die niet in dit artikel zijn opgenomen, dan geldt hiervoor de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" zijn de te gebruiken meetmethodes opgenomen. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.
Bestemmingsregels:
Bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' 3
De bestaande toegangsweg vanaf de Neushoornstraat vormt tevens de ontsluiting van het geplande parkeerterrein en het appartementencomplex op het binnenterrein. Deze toegansgweg grenst aan de percelen behorende bij de woningen aan de Tivolilaan 1 t/m 27 met oneven huisnummers. Gedeeltelijk ligt de toegangsweg buiten het plangebied. Het gedeelte van de toegangsweg dat is gesitueerd binnen het plangebied heeft de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Slechts bouwwerken passende in de bestemming zijn togelaten.
Bestemming 'Wonen' (Artikel 4)
Deze bestemming in het plangebied is opgenomen ten behoeve van woningen en de bijbehorende voor- en achtererven. In de regels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen. Het gebouw dat door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken, wordt beschouwd als het hoofdgebouw. Bijgebouwen zijn in architectonisch opzicht te onderscheiden van, en ondergeschikt aan, het hoofdgebouw. Hoofdgebouwen moeten binnen de bouwvlakken worden gebouwd. Daarnaast zijn er specifieke regels opgenomen voor aan- en bijgebouwen.
Aan huis-verbonden-beroepen
Het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden beroepen is binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 50 m²). Onder voorwaarden is het mogelijk om maximaal 75 m² vloeroppervlak te benutten voor aan huis gebonden beroepen.
Tevens is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 30 m² te benutten voor kleinschalige bedrijvigheid.
Algemene regels
Onder de Algemene regels zijn de Anti-dubbeltelregel, Algemene afwijkingsregels en de Overige regels opgenomen. Deze regels gelden voor het hele plan.
De Algemene afwijkingsregels bevatten bepalingen op basis waarvan in bepaalde gevallen binnenplans kan worden afgeweken van de bepalingen uit de bestemmingsregels.
Onder de Overige regels zijn eisen opgenomen die gelden met betrekking tot het aspect parkeren. Voor het aantal parkeerplaatsen wordt in de regels verwezen naar de vigerende parkeernormen.
Overgangs- en slotregels
In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.
De gemeente stelt jaarlijks het toezicht- en handhavingsprogramma vast. In dit handhavingsprogramma is aangegeven dat de gemeente zich inzet om van Eindhoven een sterke stad met een levendige economie te maken. Veiligheid en leefbaarheid staan daarbij voorop. Het gemeentebestuur heeft een gemeente voor ogen die maximaal dienstverlenend is, maar die ook de grenzen aangeeft en de spelregels bewaakt. Zij treedt, waar dat nodig is, daadkrachtig op in het algemeen belang voor de bescherming van de rechtszekerheid van individuele belangen. De gemeente handhaaft consequent, werkt in belangrijke mate stadsdeel- en gebiedsgericht en programmatisch en staat dicht bij de burger.
Goed toezicht en handhaving zijn van cruciaal belang om de leefbaarheid, de rechtszekerheid, de veiligheid, bedrijvigheid en het milieu in Eindhoven te bevorderen. Overlast en vervuiling dienen te worden teruggedrongen en naleving van voorschriften van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen is hierbij noodzakelijk.
De wet- en regelgeving blijft het uitgangspunt voor toezicht en handhaving. Cruciaal is evenwel dat de gemeente zich vanuit toezicht en handhaving als partner opstelt en daarbij de nodige dynamiek toont en helder communiceert over wat wel en niet kan.
Handhavingsmodel
Er is een handhavingsmodel voor toezicht en handhaving en dit model wordt gekenmerkt door zeven basisprincipes:
Op basis van dit toezicht- en handhavingsprogramma is een gemeentelijk werkplan opgesteld waarin per aandachtsveld de toezicht- en handhavingsactiviteiten SMART zijn vorm gegeven.
Voor het aandachtsveld Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening (strijdigheid met het bestemmingsplan) zijn op ruimtelijke ordeningsgebied onder meer de volgende activiteiten benoemd:
Bij illegale bouw en illegaal gebruik worden gemelde misstanden aangepakt waarbij zaken waar veiligheid, monumentale panden en welstand in het geding is.
Duidelijke regels
Een eerste vereiste om goed te kunnen handhaving zijn duidelijk regels. Bij het ontwikkelen van de standaardregels voor het stedelijk gebied van Eindhoven is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geredigeerd, dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Planregels dienen duidelijke normen te bevatten die niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn en tevens actueel en controleerbaar zijn. Teneinde hieraan te voldoen zijn de regels aangepast aan de meest recente jurisprudentie en wetgeving (bijv. Woningwet en de SVBP2012). Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van de nieuwe bestemmingsplannen.
In het voorliggende bestemmingsplan is het actuele ruimtelijk beleid van Eindhoven vastgelegd, toegespitst op het plangebied. Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd. Goede voorlichting en informatievoorziening dragen bij aan een verbetering in de naleving van de bestemmingsplannen.
De handhavingscapaciteit is beperkt zodat het college jaarlijks de handhavingsprioriteiten vastlegt in een werkprogramma handhaving.
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 63 wooneenheden ter vervanging van de huidige 50 wooneenheden. In dit geval is handhaving dan ook niet aan de orde.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten; die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst.
Ook kan er sprake zijn van zogenaamde "kruimelgevallen". Het komt er hierbij op neer dat de door de gemeente te maken kosten beperkt zijn en de kosten verhaald kunnen worden via de legesverordening. Voorwaarde hierbij is dat er geen sprake is van fasering, locatie-eisen of eisen aan woningbouwcategorieën.
Er is in casu een anterieure overeenkomst afgesloten zodat er geen verplichting bestaat tot het vaststellen van een exploitatieplan.
De gemeente heeft de voorbereiding van dit bestemmingsplan conform artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bekend gemaakt.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Gezien de aard en omvang van het planvoornemen alsmede het feit dat er met het plan geen rijksbelangen in het geding zijn, heeft geen vooroverleg met het Rijk plaatsgevonden.
Met het waterschap De Dommel heeft op 14 februari vooroverleg plaatsgevonden. Tevens is de waterparagraaf en de bijbehorende watertoets op 13 april beoordeeld door de gemeente Eindhoven en het waterschap. De resultaten hiervan zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
Het concept van het ontwerp bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan de provincie voorgelegd. Naar aanleiding hiervan zijn er van de provincie geen opmerkingen.
Het concept van het ontwerp bestemmingsplan is voor advisering naar de Henri van Abbe Stichting en Trefpunt Groen Eindhoven verstuurd. Beiden zijn positief over de plannen. De opmerkingen en het advies zijn meegenomen in de verdere planuitwerking.
Per 1 oktober 2008 is de "Verordening Samenspraak en Inspraak gemeente Eindhoven 2008" in werking getreden. Het doel hiervan is het betrekken van burgers bij de besluitvorming.
Er hebben al diverse informatiebijeenkomsten voor omwonenden plaatsgevonden. Tijdens de informatiebijeenkomsten heeft initiatiefnemer de aanwezigen geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling.
Op 19 juli 2017 heeft er een inloopbijeenkiomst voor de buurt plaatsgevonden waarbij men kon kennisnemen van de definitieve plannen voor de beoogde ontwikkeling en de te doorlopen bestemmingsplanprocedure.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor de duur van zes weken op de gebruikelijke wijze ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is iedereen in de gelegenheid om schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken.
Kennisgeving van de terinzagelegging en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen zijn in de edities van de Staatscourant en het weekblad Groot Eindhoven gepubliceerd. Ook is kennis gegeven van de mogelijkheid om de digitale versie van het ontwerp bestemmingsplan via de gemeentelijke website www.eindhoven.nl/bestemmingsplannen en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen.
Naar aanleiding van de ter inzage leggng is 1 zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is ontvankelijk en deels gegrond en ongegrond verklaard. Voor een beknopte beschrijving van de inhoud vvan de zienswijze en het ten aanzien daarvan ingenomen standpunt zij hier kortsheidshalve verwezen naar het raadsbesluit tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan met bijbehorende documenten.