| Plan: | VIII Blixembosch (Aanschotse Beemden) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0772.80159-0301 |
Voor het gebied de Aanschotse Beemden gelden enkele verouderde bestemmingsplannen. Mede gelet op de actualiseringsplicht die in de Wet ruimtelijke ordening is verankerd, wordt voor het gebied een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
Uitgangspunt voor het opstellen van het bestemmingsplan "VIII Blixembosch (Aanschotse Beemden)", is de bestaande situatie. Nieuwe regelgeving, alsmede nieuw (rijks-, provinciaal en gemeentelijk) beleid wordt doorvertaald in het nieuwe plan. Tevens biedt dit bestemmingsplan een kader voor het landschapsplan 'Definitief ontwerp Aanschotse Beemden'.
Het bestemmingsplan "VIII Blixembosch (Aanschotse Beemden)" bestaat uit een digitale en analoge verbeelding met de daarbij behorende regels waar een toelichting aan is toegevoegd.
Naast de digitale versie is er tevens een versie op papier van het bestemmingsplan beschikbaar.
Het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan is gelegen in het noordelijk deel van het stedelijk gebied van Eindhoven. Het projectgebied bestaat uit een groene zone die, met de klok mee gezien, wordt begrensd door de volgende wegen en bebouwingen:
Het voorliggende bestemmingsplan "VIII Blixembosch (Aanschotse Beemden)" vervangt een deel van het bestemmingsplan "Blixembosch", vastgesteld door de gemeenteraad op 24 november 1981 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op 14 december 1982; en een deel van het bestemmingsplan "Blixembosch A", vastgesteld door de gemeenteraad op 27 oktober 1975, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 8 september 1976. Ook vervangt dit plan het bestemmingsplan "V Blixembosch", vastgesteld door de gemeenteraad op 1 februari 1999, en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op 21 september 1999; en het uitwerkingsplan "6e uitwerking van het bestemmingsplan I Blixembosch", vastgesteld door Burgemeester en Wethouders op 7 december 1999, en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 14 maart 2000.
Het gebied is in de bestemmingsplannen "Blixembosch" (1981) en Blixembosch A (1975) grotendeels bestemd tot 'landschappelijk park'. De resterende delen zijn bestemd als 'bosgebied', 'volkstuinen' en 'verkeersdoeleinden'. Met name de landschappelijke waarde en de cultuurhistorische waarde worden als relatief waardevol aangemerkt; de natuurwaarde van het gebied is niet van uitzonderlijk belang. Het bestemmingsplan "V Blixembosch" voorzag in de bestemming van het volkstuinencomplex aan het Aanschot. De "6e uitwerking van het bestemmingsplan I Blixembosch" voorzag in een plantsoen aan de Diamantring.
In het bestemmingsplan Blixembosch zijn voor het gebied de volgende uitgangspunten beschreven: Het gebied van de Aanschotse Beemden ter weerszijden van de Groote Beek, zijnde ca. 80 m gemeten vanuit de beek in noordelijke richting en ca. 100 tot 170 m gemeten vanuit de beek in zuidelijke richting, alsmede het buurtschap Aanschot, worden bestemd als “landschappelijk park” waar het weiden van vee mogelijk moet zijn. Verder zal dit gebied in een zo natuurlijk mogelijke staat gelaten moeten worden.
Vigerende bestemmingen uit het bestemmingsplan Blixembosch 1981 (bron: Voorlopig Ontwerp voor 'Inrichting buitengebied Aanschot')
Deze toelichting bestaat uit de volgende delen.
Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met de beschrijving van de bestaande situatie in het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden voor en het beleidskader voor de opstelling van het voorliggende bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 beschrijft het plan en de gewenste ontwikkelingen. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de milieuaspecten. Hoofdstuk 6 bevat de waterparagraaf. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is neergelegd in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan de handhaving van het bestemmingsplan. De financiële uitvoerbaarheid is neergelegd in hoofdstuk 9. Hoofdstuk 10 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure inclusief de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg en de inspraak).
Het plangebied wordt gevormd door een beekdal dat is ontstaan door de Groote Beek en menselijk ingrijpen. Het gebied is in ieder geval in agrarisch gebruik sinds in de middeleeuwen. Ook in een verder verleden hebben mensen het gebied bewoond, echter hier zijn boven de grond geen sporen meer van te zien. Vanaf de vroege Middeleeuwen zijn de akkergronden binnen het projectgebied aanzienlijk opgehoogd door het opbrengen van potstalmest. Deze manier van bemesten heeft geduurd tot rond 1900 en heeft ertoe geleid dat de landbouwgronden en graslanden geleidelijk zijn opgehoogd zodat er dikke humushoudende bovengronden (enkeerdgronden) zijn ontstaan.
Aanschot is zich vanaf de middeleeuwen gaan ontwikkelen als een lintvormig buurtschap met een overwegend agrarische functie. Bij het ontstaan van gemeentelijke overheden is het buurtschap en dus ook het beekdal opgenomen in de gemeente Son. Dit is zo gebleven tot 1811, het jaar dat Son en Breugel zijn samengegaan. Na diverse gemeentelijke herindelingen is dit gebied uiteindelijk opgenomen in gemeente Eindhoven. Na opname van Aanschot binnen Eindhoven, is het gebied binnen stedelijk uitbreidingsgebied komen te liggen. Dit heeft in de tweede helft van de 20e eeuw uiteindelijk geleid tot de realisatie van de aangrenzende wijken Achtse Barrier en Blixembosch, waardoor het gebied volledig is ingesloten door stedelijke bebouwing.
De agrarische functie is in het plangebied nog aanwezig, maar dit is beperkt tot een tweetal agrarische bedrijven en de daartoe behorende gronden. Een aanzienlijk deel van de gronden zijn in bezit van de gemeente Eindhoven. De gemeente heeft deze gebieden bestemd tot 'park'. Hiermee is de agrarische functie grotendeels beëindigd en heeft het gebied een recreatieve functie gekregen. Het gebied van de Aanschotse Beemden neemt voor fietsen, wandelen en natuurbeleving voor dit deel van Eindhoven een belangrijke plaats in. Met name omdat elders in stadsdeel Woensel weinig natuurlijk en landschappelijk groen voorhanden is. Hierdoor is dit gebied met name voor wandelaars aantrekkelijk. Er is een uitgebreide wandel- en fietspadeninfrastructuur aanwezig.
Een aantal percelen zijn door de gemeente 'om niet' in gebruik gegeven voor verschillende doeleinden zoals volkstuinen, maaien en afvoeren van gras en begrazing door paarden. Ten slotte zijn in 1990 gronden aan de Nationale Houtbank B.V. verhuurd, die populieren bossen en singels met populier heeft aangeplant.
De ligging
Het gebied is ingesloten in de wijk Blixembosch. Aan de noordwestzijde ligt de Castilliëlaan met enkele maatschappelijke instellingen. De Aanschotse Beemden vormen een groene uitloper in dit stedelijk gebied. Deze groene ader loopt door in het stadspark Aanschot ten zuiden van het plangebied. Op deze manier maakt het gebied deel uit van een grotere groenstructuur binnen Eindhoven.
De ligging van het plangebied
Het beekdal
Het plangebied betreft het beekdal van de Groote Beek. De Groote Beek begint in het landelijk gebied van Strijp ten westen van Eindhoven. De beek stroomt via het projectgebied naar de Ekkersrijt en mondt uit in de beek de Dommel ter hoogte van Son.
Herkenbare structuur in het plangebied is de lintvormige structuur van de beek. Deze structuur wordt benadrukt door zware populieren ter weerszijden van de Groote Beek en het komvormige reliëf van het beekdal waarin de Groote Beek het laagste punt vormt. Verder zijn de ontwateringsloten met begeleidende singels haaks op de beek karakteristiek voor de landschapsstructuur. Deze sloten dateren al vanaf de eerste ontginning van het gebied.
Op de hogere delen in het plangebied overheerst het agrarische karakter. De gronden worden hier nog gebruikt als gras- of akkerland. Naast deze oorspronkelijke inrichting van het beekdal zijn in een later stadium bossen toegevoegd, met name populierenbossen.
Onderstaande kaart geeft een globale indruk van de in het plangebied aanwezige structuren en het grondgebruik.
Landschappelijke structuren (bron: Voorlopig Ontwerp voor 'Inrichting buitengebied Aanschot')
In het gebied zijn enkele structurerende elementen aanwezig die in een later stadium zijn ontstaan/ toegevoegd en opvallen door een verhoogde ligging in het landschap:
Bebouwing en functies
In het plangebied zijn de volgende functies aanwezig die met bebouwing gepaard gaan:
Deze functies en de bebouwing zijn geconcentreerd rond de enige weg in het plangebied, de Aanschot. Volgende luchtfoto geeft de bebouwing weer. De bedrijven liggen aan de noordwestzijde van de weg Aanschot. Het volkstuincomplex ligt ten zuidoosten van de weg Aanschot.
Luchtfoto Aanschot (bron: Google)
De agrarische bedrijven en hun bedrijfsbebouwing zijn met name opvallend. De bedrijfswoning ligt aan de straatzijde. Daarachter ligt de bedrijfsbebouwing geconcentreerd binnen een bouwvlak. De foto geeft één van de bedrijven in het plangebied weer.
Het agrarisch bedrijf aan de Aanschot 76 (bron: Google)
Het volkstuincomplex kenmerkt zich door veel verspreide gebouwtjes en bouwwerken. Vanaf de weg Aanschot is dit echter niet zichtbaar, vanwege de groene haag aan de straatzijde. De volkstuinen worden aan de achterzijde begrensd door de Victor Hugolaan en de Sartrelaan. Aan beide zijden is een groenstrook aanwezig waarmee het zicht op de enigszins rommelige volkstuinen wordt beperkt.
Het volkstuincomplex gezien vanaf de Victor Hugolaan (bron: Google)
Infrastructuur
In het plangebied is één weg aanwezig, de weg Aanschot. Deze weg vormt een verbinding tussen de wijken Blixembosch-Oost en Blixembosch West. Door het plangebied loopt tevens een fietspad, het Blixemboschpad, die een verbinding vormt tussen de wijk Blixembosch en de aan de Castilliëlaan gelegen maatschappelijke instellingen. In het plangebied zijn verder verscheidene onverharde wandelpaden aanwezig.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. De voorgenomen ontwikkeling moet passen in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling in dit hoofdstuk een complete samenvatting te geven van al het beleid op de verschillende niveaus. Uitsluitend de meest relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven. Niet-ruimtelijk beleid is per onderwerp apart in dit hoofdstuk opgenomen. Het beleid dat gericht is op verschillende milieu- en andere planologische aspecten wordt toegelicht in de milieuparagraaf. Beleid met betrekking tot het aspect water wordt beschreven in de waterparagraaf.
In februari 2006 is de Nota Ruimte formeel in werking getreden. De Nota bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de belangrijkste bijbehorende doelstellingen voor de komende decennia. De Nota Ruimte wordt momenteel vervangen door de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Het hoofddoel van het nationaal ruimtelijk beleid is ruimte te scheppen voor verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak dat in Nederland ter beschikking staat. Deze hoofddoelstelling is gesplitst in vier deeldoelstellingen:
Het voorliggend plan heeft ondermeer betrekking op het verbeteren van de waterhuishouding. Deze doelstelling sluit hiermee aan op het beleid uit de Nota Ruimte. Ook heeft het gebied een belangrijke functie als uitloopgebied binnen de stad Eindhoven. Deze functie is van wezenlijk belang voor het ontwikkelen van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in de stad en daarmee draagt het gebied bij aan de doelstelling van krachtige stad.
Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is het de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Op regionaal niveau zijn de belangrijkste opgaven per gebied beschreven.
In de structuurvisie wordt gesteld dat in de regio Eindhoven het vestigingsklimaat voor (buitenlandse) bedrijven en kenniswerkers een versterking met hoogwaardige woonmilieus, stedelijke voorzieningen en grensoverschrijdende verbindingen behoeft. Ook de diversiteit aan toegankelijke groengebieden rond de stad en een robuust netwerk voor natuur vormen voor deze regio een belangrijke vestigingsfactor.
Voorliggend plan sluit aan bij deze doelstelling. Met de uitvoering van het ontwerp wordt de groene ruimte opnieuw ingericht waarmee een bijdrage wordt geleverd aan een verbeterd woonmilieu.
Provinciale Staten hebben de structuurvisie ruimtelijke ordening vastgesteld op 1 oktober 2010. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het beleid tot 2025. Deze structuurvisie bevat een overzicht van de ruimtelijke belangen, doelen en hoofdlijnen van het Brabantse ruimtelijk beleid. In de uitvoeringsagenda staat welke (juridische, financiële en/of communicatieve) instrumenten de provincie Noord-Brabant inzet om haar beleid uit de structuurvisie te realiseren.
Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen als onderdeel van BrabantStad. De vijf grote steden (Eindhoven, Helmond, Den Bosch, Tilburg en Breda) van het samenwerkingsverband BrabantStad ontwikkelen zich tot (hoog)stedelijke concentraties voor wonen, werken en voorzieningen. Dit komt in het bijzonder tot uitdrukking in de intensivering van verstedelijking in de zone langs infrastructuurassen en in de centra.
In de visie kent de provincie een belangrijke rol toe aan beken. De beken in Noord-Brabant maken deel uit van de samenbindende waterstructuur. Bij toekomstige ontwikkelingen in stad en land wil de provincie dat het patroon van beken en kreken beter beleefbaar wordt. De water-, natuur- en recreatieve ontwikkelingen worden sterker aan dit patroon gekoppeld en het systeem wordt meer ingericht en afgestemd op de gevolgen van de klimaatverandering.
De structuurvisie geeft aan dat in de nabijheid van de grote steden kansen kunnen worden benut voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied.
De ontwikkeling in het plangebied geeft invulling aan de provinciale visie. Er wordt met de ontwikkeling nadrukkelijk getracht het waterbergend vermogen binnen de stad Eindhoven te vergroten. Ook heeft het gebied een belangrijke functie als recreatief uitloopgebied. Deze functie wordt versterkt door de aanleg van recreatieve paden.
Ontwikkelingsbeeld structuurvisie Noord-Brabant
De Provinciale Staten hebben op 17 december 2010 de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 vastgesteld. In de Verordening zijn de provinciale belangen vastgelegd.
Het plangebied is gelegen in de zones:
Het plangebied behoort niet tot de ecologische hoofdstructuur.
Stedelijk concentratiegebied
In het gebied wordt beleidsmatig de mogelijkheid geboden voor verstedelijking. De gemeente acht verstedelijking in het plangebied echter niet wenselijk vanwege het belang van het plangebied als recreatief gebied, waterbergingsgebied en de cultuurhistorische waarden.
Extensiveringsgebied landbouw
In het plangebied mogen geen uitbreidingsmogelijkheden worden geboden aan de intensieve veehouderij. De agrarische bedrijven in het plangebied kennen in de huidige situatie een (gedeeltelijk) intensief gebruik (houden van kippen/ varkens). De regels van dit bestemmingsplan voor deze bedrijven zijn afgestemd op de bepalingen in de Verordening die gelden voor intensieve veehouderijen.
Waterbergingsgebieden
De Groote Beek is aangeduid als waterbergingsgebied. In het waterbergingsgebied mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die deze functie belemmeren.
Met voorliggend plan wordt gestreefd naar een verbetering van het waterbergend vermogen. Ook is in dit bestemmingsplan bepaald dat, in de aangewezen gebieden, in de toekomst geen ontwikkelingen mogen plaatsvinden die belemmerend zijn voor het waterbergend vermogen.
In het 'Ontwerp reconstructieplan Boven – Dommel' heeft dit gebied de volgende aanduidingen gekregen:
Hoewel er sprake is van verschillende (mogelijke) ontwikkelingsrichtingen wordt er binnen de reconstructieatlas duidelijk de voorkeur aan gegeven om het gebied te ontwikkelen als extensivering- en inundatiegebied.
Extensiveringsgebied natuur
Extensiveringgebieden zijn ruimtelijk begrensde gedeelten met het primaat natuur en (bestemmings-) functies, waar uitbreiding van intensieve veehouderij wordt beperkt en nieuwe vestiging onmogelijk is. In het plangebied zijn momenteel enkele kleinschalige en hobbymatige veehouderijen aanwezig. Alleen op het bedrijf gevestigd op Aanschot 76 en de Aanschot 80 is sprake van beroepsmatige uitoefening van een agrarisch bedrijf. In het kader van het reconstructiebeleid wordt de ontwikkeling van intensieve veehouderij niet toegestaan.
Bestaand inundatiegebied
Inundatiegebieden zijn gebieden die wanneer het noodzakelijk is onder water gezet kunnen worden in verband met de waterberging. In het projectgebied wordt de functie als waterbergingsgebied verder ontwikkeld. Hiermee is dit plan in overeenstemming met het reconstructieplan.
In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad van Eindhoven vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid. Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.
De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik.
Gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven
Onderhavig plangebied is op de op de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie aangeduid als: Gebruiksgroen. Dit zijn groengebieden, waarin op voorwaarde van het behoud van de natuur- en landschapskwaliteiten uiteenlopende (groen)recreatieve functies zijn ondergebracht, zoals maneges, golfbanen, uitloopgebieden, parken en volkstuinen. Verder zijn de gronden bedoeld voor landbouw, kleinschalige aan het buitengebied gebonden bedrijven (inclusief kleinschalige horeca) en extensieve sportgebieden.
Met de toekomstige inrichting van de Aanschotse Beemden blijft de functie van het gebied 'gebruiksgroen' behouden. Het gebied zal verschillende functies bergen, waaronder volkstuinen, agrarisch gebruik en een parkfunctie. Een en ander gebeurt met behoud van landschaps- en natuurwaarden.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Eindhoven heeft eigen archeologiebeleid, als uitwerking van het nationale en provinciale beleid. Dit beleid staat in het 'Beleidsplan archeologisch 2008-2012' , waarmee de raad in september 2008 heeft ingestemd. De gemeente neemt de verantwoordelijkheid voor het bodemarchief zelf ter hand door te investeren in kerntaken en opbouw van expertise. De gemeente Eindhoven kent archeologische waarden daterend uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Het gemeentelijk bodemarchief herbergt tevens fundamentele gegevens over de geschiedenis van stad en platteland gedurende en na de middeleeuwen.
Het beleid van de gemeente Eindhoven is, om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de archeologische waarden in de ondergrond. Ingevolge het beleidsplan Archeologie 2008-2012 worden de archeologische gebieden met een archeologische waarde of verwachting, onderverdeeld in categorieën. Per categorie gelden andere consequenties bij voorgenomen bouw- of andere bodemverstorende activiteiten.
Archeologische waarden in het plangebied
Archeologische waarden in het plangebied Aanschotse Beemden
Voor het gehele plangebied geldt een archeologische verwachting. Er is sprake van twee categorieën. Voor het dal van de Groote Beek geldt een middelhoge archeologische verwachting. Binnen dit gebied wordt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, historische gegevens en aangetroffen archeologische vondsten een middelhoge concentratie van archeologische sporen en vondsten verwacht. Bij verstoringen die groter zijn dan 2500m2 en dieper gaan dan 50 cm is archeologisch onderzoek, voorafgaand aan de ruimtelijke ingreep verplicht.
Voor het hogere zuidwestelijke deel van het plangebied, ten oosten en westen van Aanschot, geldt een hoge verwachtingswaarde. Binnen dit gebied wordt op basis van de geomorfologische en bodemkundige opbouw, historische gegevens en eerder aangetroffen vondsten een hoge concentratie van archeologische sporen en vondsten verwacht. Hier geldt bij verstoringen die groter zijn dan 100m2 en dieper gaan dan 50 cm een bouwverbod met ontheffingsmogelijkheid in combinatie met een aanlegvergunning. Voorafgaand aan een vergunningverlening kan een rapportage worden verlangd waarin de archeologische waarde van het gebied is vastgesteld. Conform het rijks- en provinciaal beleid is behoud van archeologische waarden 'in situ' het uitgangspunt. Als dat niet mogelijk is, wordt een archeologische vindplaats opgegraven.
Herinrichting Aanschotse Beemden
Door de afdeling Archeologie van de gemeente Eindhoven is op basis van het archeologisch beleid het volgende vastgesteld: De bodemingrepen in het kader van de herinrichting Aanschotse Beemden vinden plaats in het gedeelte met middelhoge archeologische verwachting. Aangezien de bodemingrepen plaatsvinden over een oppervlakte van meer dan 2500 m2 én dieper dan 50 cm onder het maaiveld, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het gaat om vijf deellocaties binnen het plangebied. Omdat het om relatief kleine oppervlaktes gaat, is gekozen voor een Archeologische Begeleiding. Doel van het onderzoek is om binnen de grenzen van het uit te voeren grondwerk de eventuele archeologische sporen en vondsten te documenteren en te bergen
Ten behoeve van de Archeologische Begeleiding is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, dat als bijlage bij dit bestemmingsplan is opgenomen, zie Bijlage 2 Archeologie.
De archeologische waarden dienen ook in de toekomst, nadat de betreffende ingrepen hebben plaatsgevonden, te worden beschermd. Derhalve is in dit bestemmingsplan voor het gehele plangebied een dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen. Voor het gedeelte met een hoge archeologische verwachting geldt Waarde-Archeologie - 1 en voor het gedeelte met een middelhoge archeologische verwachting geldt de Waarde-Archeologie - 2.
Op 18 maart 2008 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven vastgesteld. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart geeft, naast rijks- en gemeentelijke monumenten een overzicht van de historische structuur van wegen en waterlopen, historisch waardevolle stedenbouwkundige en landschappelijke- en groenstructuren, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumentale bomen. Bij de samenstelling van de kaart is onder andere gebruik gemaakt van de gegevens van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.
Het plangebied, ten noorden van de weg Aanschot, wordt op basis van de kaart als volgt beschreven:
Beekdallandschap langs de Groote Beek, waarvan het historisch landschappelijk patroon met een kleinschalige verkaveling van voor 1850 nog bewaard is gebleven. De weg door het gehucht Aanschot volgt in zijn slingerend verloop de geografische gesteldheid van het landschap. Langs gedeelten van de weg staan zomereiken. Tussen de weg en de Grote Beek bevinden zich oude akkers en beemden met elzen(hakhout)singels langs de beek. De begroeiing omvat verder o.a. oude boerenbosjes (laag gelegen populierenbos of elzenbroekbos en hoger gelegen eiken-berkenbos) en plaatselijk gemengd struweel op een overhoek (met name met sleedoorn). Het agrarisch karakter van deze buurtschap wordt ondersteund door de aanwezigheid van enkele boerderijen. Het gebied heeft ook ecologische waarde. (criteria 1,3,4)
Met de inrichting van het plangebied wordt nagestreefd dat de cultuurhistorische waarden behouden blijven en versterkt worden. De heeft ertoe geleid dat de volgende keuzes zijn gemaakt in het inrichtingsplan:
In het bestemmingsplan worden de cultuurhistorische waarden beschermd middels de gebiedsaanduiding wro-zone- omgevingsvergunning cultuurhistorische waarden.
Autoverkeer
De weg Aanschot is bestemd voor autoverkeer. Deze weg vormt de toegang voor de bewoners en de agrarische bedrijven aan de Aanschot. In dit bestemmingsplan is het gebied derhalve bestemd als Verkeer- Verblijfsgebied.
Fiets- en wandelverkeer
De (on)verharde paden in het gebied zijn bestemd voor fiets- en wandelrecreatie. Het uitgangspunt is dat het plangebied goed bereikbaar dient te zijn voor met name wandelaars. Ook voor fietsers zijn paden aanwezig. Ondermeer het schouwpad langs de beek is toegankelijk voor wandelaars en fietsers. Verder is er een uitgebreid stelsel van onverharde en halfverharde paden en één verhard fietspad, het Blixemboschpad, welke een verbinding vormt voor de fietsers tussen de Castilliëlaan en de weg Aanschot. Het fietspad is tevens onderdeel van de ANWB-fietsroute 'Kempenland-route'.
In het bestemmingsplan zijn de paden niet aangeduid. Binnen de relevante bestemmingen wordt de aanleg en het beheer van de paden mogelijk gemaakt. Dit biedt de gemeente de ruimte om, indien nodig, de routestructuren aan te passen.
Parkeren
In en rond het plangebied is voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor bezoekers. In dit bestemmingsplan is binnen de bestemming Groen de inrichting van een parkeerplaats toegestaan.
Het Groenbeleidsplan 2001, zoals dat op 5 november 2001 is vastgesteld door de gemeenteraad, heeft als doel het duurzaam veilig stellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met de daarin passende functies. Onder de groenstructuur wordt verstaan: het stelsel van terreinen en/of elementen met ecologische, waterhuishoudkundige, recreatieve en/of ruimtelijk structurerende betekenis.
Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Groen en recreatievoorzieningen
Onderhavig plangebied is in de kaart 'Groen en recreatievoorzieningen' uit het Groenbeleidsplan aangeduid als Multifunctioneel groen. In dit gebied wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:
Het betreft voornamelijk aan de stadsrand gelegen gebieden met uiteenlopende groenfuncties, gericht op relatief intensieve benutting van het landschap. Het beleid is gericht op het versterken van het contact tussen de stedelingen en het landschap, derhalve met een relatief intensieve benutting van het landschap. Uitgangspunt daarbij is het behouden van de aanwezige natuur- en landschapskwaliteiten en waar mogelijk deze verder te ontwikkelen. Gebruiksfuncties zijn veelal volkstuinen, golfbanen, bos, natuureducatie, kleinschalige sportgebieden, maneges, wandelen, fietsen, maar ook landbouw.
Gebieden met deze aanduiding liggen voor een belangrijk deel in de Groene Hoofdstructuur. Verdere verstedelijking (toevoeging van niet aan het groen gebonden functies of gebouwen) is in deze categorie derhalve niet aan de orde tenzij in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie. De aanleg van nieuwe sportcomplexen wordt uitgesloten (wel eventueel verplaatsing van sportterreinen naar minder kwetsbare locaties). Uitbreiding van sportcomplexen kan echter niet worden uitgesloten.
Voorliggend bestemmingsplan sluit aan op deze ontwikkelingsstrategie. De aanwezige natuur- en landschapskwaliteiten worden behouden en ontwikkeld. Aanwezige en legale gebruiksfuncties worden bestemd. Verdere verstedelijking wordt niet mogelijk gemaakt.
Het Bomenbeleidsplan 2008 'Ruimte voor bomen' is in april 2008 door de raad van de gemeente Eindhoven vastgesteld . Doel van het bomenbeleidsplan is het ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand dat een duurzame bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit en het groene imago van Eindhoven. Het Bomenbeleidsplan vormt een bindend kader tot 2020. Het is een strategisch beleidskader voor de instandhouding en versterking van de Eindhovense boomstructuur.
In de bijlage van het bomenbeleidsplan wordt het beleid ten aanzien van bomen op strategisch niveau uitgewerkt. Aandacht wordt onder meer besteed aan de bomenstructuur op gemeentelijk niveau en de cultuurhistorische structuur. Voor concrete projecten wordt aangegeven hoe door middel van een Quickscan Bomen en een eventuele boomeffectrapportage bepaald kan worden of er belemmerende factoren zijn voor bomen binnen de projectgrenzen en 10 meter daar buiten.
De bomen langs de weg Aanschot maken deel uit van de cultuurhistorisch waardevolle groenstructuur. Deze structuur wordt door de herontwikkeling van het plangebied niet aangetast.
In het bestemmingsplan wordt het aanwezige groen, middels de bestemming groen bestemd en beschermd.
In het plangebied liggen geen hoofdleidingen of kabels die bestemd moeten worden.
Onderstaande afbeelding geeft het ontwerp weer voor het gedeelte van het plangebied waar herinrichting plaats zal vinden. Het ontwerp geeft aan waar bomen, bosschages en water wordt gesitueerd. Dit ontwerp heeft als doelstelling een aantrekkelijk ecologisch, hydrologisch, recreatief en cultuurhistorisch waardevol gebied te creëren. De ontwikkeling van de waterbergende functie vormt één van de meest voorname redenen voor de herontwikkeling van het plangebied. Met de ontwikkeling worden tevens extra gebruiksmogelijkheden voor recreanten en cliënten van het revalidatiecentrum nagestreefd. In het ontwerp wordt nadrukkelijk ingezet op het behoud en de ontwikkeling van de natuurwaarden en de cultuurhistorische waarden.
In dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen worden genomen om deze doelstellingen te bereiken. Het volledige ontwerpplan is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan zie: 'Definitief ontwerp Aanschotse Beemden'.
Ontwerp Aanschotse Beemden (bron: Aanschotse Beemden Definitief Ontwerp )
Water
In het plangebied worden 4 ‘waterbergingsgebieden’ ontwikkeld met een totaal volume van 25.000 m3 water:
In paragraaf Toekomstige situatie van het watersysteem worden de maatregelen ten aanzien van de hydrologische situatie in detail beschreven.
Bomen en struiken
In het gebied zijn in de huidige situatie populierenbossen aanwezig. De populier zal geleidelijk plaats maken voor inlandse boomsoorten maar niet helemaal verdwijnen. Langs de linkeroever of noordwestelijke oever van de Groote Beek zullen de nog jonge populieren nog tot volle wasdom kunnen komen. Twee percelen populier zullen in principe nog in lengte van jaren gehandhaafd blijven. Het omvormingsproces in de overige populierenvakken zal over een lange periode worden uitgesmeerd en in het kader van het reguliere beheer worden uitgevoerd.
Daar waar bomen vervangen worden zullen inlandse bomen geplant worden. Op de lage en natte delen worden bestaande elzen- en essensingels zo nodig hersteld. Verder wordt aansluiting gezocht bij het vogelkers-essenverbond en is gekozen voor de Es, Boskriek (randen), Zomereik, Ruwe berk en Inlandse vogelkers. Op de hogere delen komen Zomereiken en Ruwe berken te staan.
Natuur
Het gebied de Aanschotse Beemden zal ecologisch worden 'aangetakt' op het Aanschotpark en het Henri Dunantpark. Ook zal het plangebied worden aangetakt aan de officiële ‘ecologische verbindingszone’ van de Ekkersrijt ten noorden van de A58.
Onder de weg Granaat wordt een open en droge amfibieëntunnel in het wegdek aangebracht met geleidingsschermen (lage opstaande betonnen kanten).
Cultuurhistorie
De cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied worden, waar mogelijk, behouden. In de paragraaf Cultuurhistorische waarden is reeds nader ingegaan op de betekenis van voorliggend plan voor de cultuurhistorische waarden.
Recreatief gebruik
Het plangebied wordt voorzien van de volgende padenstelsels voor voetgangers en fietsers:
In het plangebied wordt één hondenlosloopterreinen ingericht, namelijk ten zuiden van (het einde van) de Toledolaan voor de bewoners van de Achtste Barrier.
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.
In het plangebied zijn twee agrarische bedrijven gevestigd, namelijk aan het Aanschot 76 en 80. Het bedrijf Aanschot 76 is een varkenshouderij, waarvoor op 14 september 2011 een omgevingsvergunning is verleend. Uit deze vergunning blijkt dat de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, worden voorkomen of tenminste in voldoende mate worden beperkt door naleving van het gestelde in de aanvraag en de aan de verleende vergunning verbonden voorschriften. Onder meer blijkt daaruit dat aan de gewenste afstand tot geurgevoelige objecten van minimaal 50 meter, in alle gevallen voldaan wordt.
Het bedrijf Aanschot 80 betreft een agrarisch bedrijf met legkippen, paarden en schapen. Voor dit bedrijf is op 8 februari 2006 een milieuvergunning verleend. Uit deze vergunning blijkt dat ook in dit geval de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, worden voorkomen of tenminste worden beperkt door naleving van het gestelde in de aanvraag en de aan de verleende vergunning verbonden voorschriften. Ook hier blijkt dat in alle gevallen aan de gewenste afstand tot geurgevoelige objecten van minimaal 50, c.q. 100 meter, voldaan wordt.
5.2 Geluid
Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige dan wel geluidsproducerende functies mogelijk gemaakt. De Wet Geluidhinder heeft derhalve voor dit bestemmingsplan geen gevolgen.
De invloed van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte functies op de luchtkwaliteit ter plaatse wordt bepaald door de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe activiteiten op deze locatie.
De luchtkwaliteitseisen van de Wet luchtkwaliteit vormen geen belemmering voor de plannen wanneer de activiteiten 'niet - in betekenende' mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16 lid 1 onder c Wm). In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Voor de functies in dit bestemmingsplan zijn in de Wet Luchtkwaliteit geen grenzen aangegeven. Aangezien de invloed van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte functies op de luchtkwaliteit wordt bepaald door de verkeersaantrekkende werking, wordt aangesloten bij de grenzen die gesteld worden voor woningbouwlocaties, waarbij ook de verkeersaantrekkende werking maatgevend is. Conform voorschrift 3B.2 van bijlage 3b van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' draagt een bouwplan niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit wanneer het plan niet voorziet in de bouw van meer dan 1500 woningen. Hierbij wordt over het algemeen uitgegaan wordt van een kengetal van 5 verkeersbewegingen per woning. Dit betekent dat een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit wanneer sprake is van niet meer dan 7500 verkeersbewegingen.
In de huidige situatie is het plangebied reeds bestemd als landschappelijk park. Het wijzigen van het bestemmingsplan zal geen gevolgen hebben voor de verkeersaantrekkende werking van het park. Derhalve wordt geen toename van het aantal verkeersbewegingen verwacht. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Op basis van artikel 5.16, lid 1, aanhef en onder c kan het project zonder nader onderzoek doorgang vinden.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico´s en de effecten van calamiteiten en het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen “plaatsgebonden risico” (de ten minste in acht te nemen grenswaarde die niet mag worden overschreden ten aanzien van "kwetsbare objecten", alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde ten aanzien van "beperkt kwetsbare objecten") en het “groepsgebonden risico” (een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken).
De gemeenteraad van Eindhoven heeft de Visie Externe Veiligheid: 'Risico's de maat genomen' op 19 mei 2009 vastgesteld. Met deze visie wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoord veilige, integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkeling passend binnen de Brainportontwikkelingen en het Programma Brabant veiliger. In de visie wordt o.a. aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd.
Een stadspark, of een groenbestemming, is geen kwetsbaar object. Mensen verblijven in het gebied gedurende een kortere periode. Daarnaast wordt het gebied extensief gebruikt. Er is hierdoor geen sprake van een knelpunt met bestaande risicovolle inrichtingen. Andersom brengt het voorgestelde gebruik als stadspark geen risico's voor omliggende functies met zich mee.
In opdracht van de sector Openbare Ruimte, Verkeer & Milieu van de gemeente Eindhoven heeft Aeres Milieu B.V. een indicatieve partijkeuring uitgevoerd in het park Aanschotse Beemden in Eindhoven.
Op basis van de analyseresultaten blijkt dat:
Klasse Wonen-grond mag toegepast worden op bodem met bodemfunctieklasse én bodemkwaliteitsklasse 'wonen' of 'industrie'.
Er bestaan geen restricties met betrekking tot de toepassingshoogte. AW2000 grond mag in beginsel zonder voorwaarden worden toegepast in de bodemfunctie klasse AW2000 en/of bodemkwaliteitsklasse AW2000 van de ontvangende bodem. Tevens mag AW2000 grond worden toegepast op de bodem in de klassen 'wonen' en 'industrie'. Wel dient de toepassing van schone grond vanaf 50 m³ eenmalig gemeld te worden via het E-loket van Senternovem-bodemplus.
Naar aanleiding van de geplande herinrichting van de Aanschotse Beemden in Eindhoven is een quickscan uitgevoerd om de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten dieren en planten in het kader van de Flora- en faunawet vast te stellen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan, zie 'Quickscan flora en fauna'. De resultaten van dit onderzoek geven aan of de geplande maatregelen nadelig kunnen zijn voor beschermde planten of dieren. Naar aanleiding van deze onderzoeken is bepaald of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet nodig is.
Los van de conclusies zullen de volgende aanbevelingen worden gevolgd om schade te voorkomen:
Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze waterparagraaf is tot stand gekomen met een werkwijze volgens de Handreiking Watertoets. Er wordt gewerkt op basis van documenten die zijn vastgelegd met instemming van het Waterschap De Dommel en de Provincie Noord-Brabant (Gemeentelijk rioleringsplan) of zelfs mede worden ondertekend door deze partijen (Waterplan).
Gemeentelijk rioleringsplan (GRP)
Het huidige GRP kent een geldigheidsduur tot en met 2010. Op 1 januari 2011 wordt het nieuwe GRP van kracht, dit GRP is geldig tot en met 2014.
Het GRP bevat de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel en bevat maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak waarbij het regenwater gescheiden van afvalwater wordt ingezameld, zoveel mogelijk wordt geborgen en afgevoerd naar het oppervlaktewater.
In voorliggend plan worden geen wijzigingen aangebracht in het rioolstelsel. Wel kan in de toekomst het opgevangen en afgekoppelde hemelwater (vanuit het stedelijk gebied) naar het plangebied worden afgevoerd. Deze ontwikkelen sluit aan op de doelstellingen uit het Gemeentelijk Rioleringsplan.
Waterplan
Het Waterplan is een plan dat is opgesteld door de gemeente Eindhoven, waterschap De Dommel, provincie Noord-Brabant en waterleidingbedrijf Brabant Water. Het plan omvat drie delen.
Het "Visiedocument" geeft het gezamenlijk streefbeeld van de waterpartijen weer. Het deel "Taken en Bevoegdheden" regelt de (verdeling van de) verantwoordelijkheden voor het stedelijk water tussen de vier waterpartijen. Het deel "Maatregelen" geeft de projecten weer die de komende jaren uitgevoerd worden.
Deze projecten zijn ingedeeld naar de vier thema´s (programmalijnen) van het Visiedocument. Het gehele Waterplan is bestuurlijk bekrachtigd met een convenant in januari 2006.
Eén van de belangrijkste doelstellingen uit het Waterplan is het realiseren van een waternetwerk in de stad.
In het waterplan is de Groote Beek niet specifiek beschreven. De functie van de beek is aangeduid als sterk genormaliseerde beek. Ten aanzien van de beken in het algemeen is in het plan aangegeven dat deze een functie hebben ten behoeve van de wateropvang.
Waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 2010-2015 "Krachtig water" vastgesteld. Hierin zijn de activiteiten en doelstellingen van het Waterschap opgenomen. Voorts geeft het Waterschap in de beleidsnota "Samen werken aan stedelijk water" inzicht in hoe het stedelijk waterbeheer verder inhoud zal worden gegeven. In de Inrichtingsvisies geeft het Waterschap voor de stroomgebieden de geplande ontwikkelingen weer. Dit dient voor het Waterschap als toetsingskader voor de plannen die door derden in het stroomgebied worden opgesteld (waterhuishouding en ecosysteem). Tenslotte is de Keur Waterschap de Dommel 2009 van belang. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of melding verplicht is.
De provincie Noord-Brabant heeft het waterbeleid opgenomen in het Provinciaal Waterplan Het Provinciaal Waterplan ‘Waar water werkt en leeft’ is op 22 december 2009 in werking getreden. De provincie is ook het bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen voor de onttrekking van grondwater.
De uitgangspunten van het ontwikkelingsplan: ruimte bieden voor de opvang van hemelwater uit het stedelijk gebied, het verbeteren van de waterkwaliteit middels een helofytenfilter en het beleefbaar maken van water, vormen een uitwerking van het waterbeleid.
De Aanschotse Beemden maken deel uit van de stedelijke waterhuishouding van de Gemeente Eindhoven en dan met name van het stadsdeel Woensel-Noord. De Groote Beek speelt een belangrijke rol in de afwatering van Woensel-Noord, doordat deze beek de wateroverlast aanzienlijk beperkt. In deze paragraaf zijn de waterhuishoudkundige omstandigheden in het projectgebied nader besproken en toegelicht. In de inventarisatie van het gebied is onderscheid gemaakt in de waterhuishoudkundige elementen: oppervlaktewater, grondwater en riolering.
Het projectgebied kent verschillende vormen van oppervlaktewater, waarvan de Groote Beek de belangrijkste is. Verder zijn er enkele poelen in het gebied waar het grondwater door ontgraving aan de oppervlakte is gekomen. In onderstaand figuur 'Kaart waterhuishouding' is te zien hoe de verschillende vormen van oppervlaktewater in het projectgebied zijn gesitueerd. In deze paragraaf zijn de poelen buiten beschouwing gelaten, omdat deze verder geen rol vervullen in het waterhuishoudkundig systeem.
Ter hoogte van de Huizingalaan komt de Groote Beek, via een duiker, het plangebied binnen om verder van zuidwest naar noordoost dwars door het gebied naar de autosnelweg A58 te stromen. De beek passeert hier verschillende duikers, voetbruggen, zijloopjes, een sifon en een stuw.
Het water dat door de beek stroomt is afkomstig uit verschillende voedingsbronnen. De beek ontspringt op het landgoed 'De Wielewaal' in het zuidwesten van Eindhoven. De beek stroomt vervolgens in noordoostelijke richting verder en passeert daarbij het (voormalige) bedrijvencomplex 'Vredeoord'. Op dit complex bevindt zich een voormalige industriële grondwaterwinning van Philips, welke thans in gebruik is bij Brabant Water. Om grondwateroverlast in de omgeving te voorkomen, wordt het grondwater thans direct geloosd op de Groote Beek en vormt zo een belangrijke 'bron'. Gezocht wordt nog naar een potentiële afnemer voor het gewonnen water. Andere belangrijke voedingsbronnen voor de beek zijn het kwelwater dat ontstaat door de hoge grondwaterstanden in de gemeente en het hemelwater dat door afkoppeling van verharde oppervlakken in de beek terecht komt.
De Groote Beek is in beheer en onderhoud bij van het Waterschap De Dommel. Voor het beheer van de beek wordt gebruik gemaakt van een schouwpad dat op de linkeroever is gelegen.
Kaart waterhuishouding (bron: Voorlopig Ontwerp voor 'Inrichting buitengebied Aanschot')
Het is niet wenselijk dat de beek voor een belangrijk deel kunstmatig gevoed wordt door een grondwaterwinning. Afname van de hoeveelheid geloosd water betekent echter dat de beek droog kan vallen, wat voor het waterleven niet wenselijk is. De beek kent grote verschillen in waterstanden en snelheid van de stroming. In droge perioden (zomer) staat het water in de beek zeer laag en is er sprake van een lage stroomsnelheid, terwijl in natte perioden (winter) de beek soms buiten haar oevers treedt.
In het dal van de Aanschotse Beemden zijn de grondwatertrappen lll, V en VI aanwezig. Dit zijn grondwatertrappen waarbij het grondwater dicht aan het maaiveld kan staan. Hoge grondwaterstanden zijn ook de reden dat er kwel is en dat het gebied een nat karakter heeft. In onderstaande tabel: 'grondwatertrappen projectgebied' is terug te zien welke grondwaterstanden bij deze trappen horen. De grondwaterstanden zijn uitgedrukt in Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG).
| Grondwatertrap | III | V | VI |
| GHG (cm) | 5 – 25 | >40 | 40 – 80 |
| GLG (cm) | 90 – 110 | 150 – 180 | 170 – 200 |
Tabel: 'grondwatertrappen Aanschotse Beemden'
Grondwatertrap lll komt langs de oevers van de beek en in laag gelegen natte gebieden voor en beslaat ongeveer de helft van het gebied. Grondwatertrap V komt vooral voor aan de westzijde van de beek ter hoogte van het woonwagenkamp. Deze grondwatertrap kent een nat profiel in de winter en een droog tot zeer droog profiel in de zomermaanden en beslaat ongeveer 10 % van de totale oppervlakte. Gronden met grondwatertrap Vl komen in ongeveer 40 % van het gebied voor en zijn droog. Deze droge gronden bevinden zijn aan de oostzijde van de beek.
Naast het oppervlaktewater en het grondwater is het rioolstelsel van Eindhoven in meer dan één opzicht van belang voor de Aanschotse Beemden:
Om de kwaliteit van het afgekoppelde stedelijke hemelwater te verbeteren, wordt ten zuiden van de Methylschool en Revalidatiecentrum Blixembosch een helofyten- of rietfilter aangelegd tussen de Huizingalaan en de Groote Beek. Nadat de Groote Beek uit een overkluizing de Aanschotse Beemden is binnengekomen, kruist de beek een halfverharde weg dat NW-ZO loopt. Direct na deze kruising zal ten behoeve van het helofytenfilter een instroomvoorziening gerealiseerd middels een schotbalkenstuwtje in de Groote Beek en een schotbalkenstuwtje bij de instroom van het helofytenfilter.
Direct na de instroom wordt een 'slibvang' aangelegd om de zware metalen (o.a. zink van dakgoten) en cyclische koolwaterstoffen (anorganische verontreinigingen zoals minerale olie), welke aan slibdeeltjes gebonden zijn te laten bezinken. Hier wordt in de toekomst regelmatig het verontreinigde slib verwijderd. De oevers van de slibvang dienen voor een hydraulische kraan goed bereikbaar te zijn.
In het lage en meest oostelijke deel van de akker wordt middels een ontgraving het helofytenfilter of rietfilter aangelegd in de vorm van een breed uitgevoerde 'beekmeander'. Om ecologisch kansrijke overgangsituaties en recreatief een aantrekkelijk bloemrijke oever te creëren, wordt het westelijke talud zo flauw mogelijk aangelegd. Botanisch ontstaan hier van 'nat' naar 'droog' achtereenvolgens vegetaties van rietland, nat schraalland, dotterbloem-grasland, glanshaverhooiland en droog schraalgrasland.
Het traject van uitstroom van de overkluizing van de Huizingalaan tot aan de instroom van het helofytenfilter wordt aan de zuidzijde (of rechteroever) met 2 meter verbreed middels een verhoogd eenzijdig accoladeprofiel om in de toekomst de grotere hoeveelheden afgekoppeld hemelwater af te kunnen voeren. Aan de 'overkluizing' wordt niets veranderd.
De bomen op de huidige rechteroever of (zuid)oostelijke zijde van de Groote Beek dienen jammer genoeg geveld te worden. In het oorspronkelijke opzet zou het eenzijdige accoladeprofiel op de linkeroever of noordwestzijde gelegd worden. Voor deze 'switch' is gekozen, omdat de bomen op de rechteroever zwaarder zijn en eerder zullen omwaaien dan de jongere bomen op de linker oever. Op de nieuwe zuidoostelijke oever worden Essen teruggeplant om het huidige landschappelijke 'galerij'- of laaneffect, op termijn, weer te herstellen. Het diepste deel van het accoladeprofiel ofwel de huidige geul wordt niet gewijzigd. Bij kleine afvoeren is de toekomstige situatie gelijk aan de huidige situatie. Vanaf ca. 20 cm waterdiepte wordt het beekprofiel éénzijdig verbreed, waardoor de berging wordt vergroot. Hier is sprake van een dynamische berging, omdat nabij de A58 een regelbare V-vormige houten stuw gebouwd wordt. Deze stuw zorgt tevens dat in de meest droge perioden het beekdal niet te sterk verdroogt en vissen kunnen blijven trekken. Zo kan een bijdrage worden geleverd aan het bestrijden van verdroging. Alle stuwen zijn V-vormig in plaats van 'ononderbroken horizontaal' om niet als hindernis voor vismigratie te fungeren en het ecologisch evenwicht in de beek te behouden.
Aan de zuidoostelijke kant van de Groote Beek ligt een gebied met een relatief laag maaiveld. Op hoogtekaarten heeft dit de vorm van een verlande beekgeul en is duidelijk in het landschap aanwezig. Deze zone wordt door enkele aanpassingen omgevormd tot een nevengeul. De nevengeul komt niet dieper te liggen dan de bestaande sloten. Hierdoor worden alleen de hogere delen tussen de sloten ontgraven tot ongeveer 30 cm boven de bodem van de nevengeul over een breedte van ca. 7 meter.
Stroomafwaarts van het stamriool ligt aan de oostelijke zijde van de beek een laaggelegen grasland dat als waterberging zal worden benut. Het is een laaggelegen grasland dat bij hoogwater onder water loopt. Hiervoor is geen graafwerk nodig; er is dan ook geen 'profiel'. Via een vaste stuwdrempel nabij het stamriool zal het water bij hoogwater het gebied in moeten kunnen stromen. Bij zakkend water moet het water via een vaste 'knijpstuw' weer uit de 'bergingsvijver' kunnen stromen.
Het bestemmingsplan "VIII Blixembosch (Aanschotse Beemden)" is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012). Waar dat noodzakelijk is, wordt afgeweken van de standaard en kan specifiek toegesneden worden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied.
Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.
Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.
De Hoofdstuk 1 Inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels.
In Artikel 1 Begrippen (artikel 1 Begrippen ) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik.
In het artikel over de "Wijze van meten" ( Artikel 2 Wijze van meten ) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd.
De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht.
Bestemming `Agrarisch' (artikel 3)
Deze bestemming is gelegd op de agrarische gronden binnen het plangebied, met uitzondering van de gronden direct behorend bij het agrarisch bedrijf. Hierbinnen zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Hiervoor geldt de uitzondering dat teeltondersteunende voorzieningen, en voorzieningen die direct behoren bij het bouwvlak, niet zijn toegestaan.
Bestemming `Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (artikel 4)
Deze bestemming is gelegd op het agrarische bedrijf en de direct daarbij behorende gronden. De bedrijfsgebouwen en bedrijfsvoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'bouwvlak'. Ter plaatse zijn grondgebonden bedrijven toegestaan. Afwijkingen hiervan zijn door middel van een aanduiding op de verbeelding weergegeven.
Bestemming `Groen' (artikel 5)
Deze bestemming is gelegd op de gronden waarop een landschapspark is voorzien. Hiervoor geldt een brede bestemmingsomschrijving, zoals park en agrarisch natuurbeheer. Tevens ligt hier een waterbergingsopgave waardoor het groen doorkruist kan worden met waterlopen. De waterbergingsopgave is mogelijk gemaakt via de dubbelbestemming Waterstaat - Waterbergingsgebied. In het park is recreatie in de vorm van extensieve recreatie mogelijk. Ten behoeve van het nabijgelegen revalidatiecentrum zullen ook revalidatievoorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kunnen worden getroffen, bijvoorbeeld een hellingbaan of een rekstok voor revalidatieoefeningen.
Bestemming `Recreatie - Volkstuinen' (artikel 6)
Deze bestemming is gelegd op het binnen het plangebied gelegen volkstuinencomplex. Hierbinnen is een gemeenschappelijk gebouw toegestaan, alsmede kleine bijgebouwen en overkappingen per volkstuinperceel, gekoppeld aan een minimale omvang van het volkstuinperceel.
Bestemming `Verkeer - Verblijfsgebied' (artikel 7)
Het gaat bij deze bestemming om de wegen die primair dienen c.q. zullen dienen voor de ontsluiting van de aangrenzende of nabijgelegen gronden. Ook is deze bestemming bedoeld voor de parkeerterreinen en voor de groenstrookjes die een onderdeel zijn van de straatinrichting.
Bestemming `Water' (artikel 8)
Deze bestemming is opgenomen voor de hoofdwaterloop De Groote Beek, binnen het plangebied. Voor deze hoofdwaterloop is een verbreding voorgestaan in verband met een waterbergingsopgave. De breedte van deze bestemming is op de toekomstig benodigde verbreding afgestemd.
Bestemming `Wonen' (artikel 9)
Deze bestemming is gelegd op de in het plangebied gelegen gronden met woningen en de bijbehorende voor- en achtererven (al dan niet met ondergeschikte beroeps- of bedrijfsuitoefening aan huis; zie ook hiernavolgende).
In de regels is onderscheid gemaakt tussen enerzijds hoofdgebouwen en anderzijds bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen. Het gebouw dat door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken, wordt beschouwd als het hoofdgebouw. Bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen zijn in architectonisch opzicht te onderscheiden van, en ondergeschikt aan, het hoofdgebouw.
Hoofdgebouwen moeten binnen de aangegeven bouwvlakken worden gebouwd. Binnen een bouwvlak geldt geen beperking ten aanzien van het oppervlak dat mag worden bebouwd. De bouwvlakken mogen dus volledig worden benut.
Geen uitbreiding mogelijk aan voorgevel
De voorzijde van woningen bepaalt in hoge mate het straatbeeld evenals de onderlinge samenhang van de gevels en het straatmeubilair. Een rommelig gevelbeeld zal afbreuk doen aan de belevingswaarde van het straatbeeld. Daarom zal bij een goed stedenbouwkundig plan altijd worden uitgegaan van een helder en evenwichtig gevelbeeld zodat de gevels van de afzonderlijke woningen gezamenlijk een aantrekkelijk ensemble opleveren. Daarbij dient ook samenhang te ontstaan tussen de afmetingen van het profiel van de openbare ruimte en de gevelhoogten en gevelbreedten.
Bij substantiële uitbreidingsmogelijkheden aan de voorgevels van bebouwing, dus de gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, bestaat het risico dat de bestaande ruimtelijke kwaliteit van het desbetreffende openbare gebied verstoord wordt. Dit is zeker het geval indien bij individuele gebouwen de voorgevels worden gewijzigd zonder dat sprake is van samenhang met de aanliggende gevels. Het ensemble van de gevels kan dan door een individuele gevelaanpassing in negatieve zin veranderd worden. Om deze ongewenste situatie te voorkomen wordt het in het kader van dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt substantiële uitbreidingen aan de voorgevels te doen.
Voor de achtergevels, dus de gevels die veelal niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, geldt de bovenstaande beperking niet. Een substantiële uitbreiding aan deze gevels is wel mogelijk omdat deze gevel niet beeldbepalend is voor de openbare ruimte. Uiteraard zal in het kader van de omgevingsvergunning altijd gecontroleerd dienen te worden of een substantiële uitbreiding van de achtergevel bouwtechnisch en esthetisch verantwoord is.
Bepaling situering bijgebouwen en garages
Om te waarborgen dat de bebouwing aan de openbare ruimte voldoende esthetische kwaliteit behoudt wordt gekozen voor een duidelijk onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen c.q. hoofdgebouwen en garages. Dit onderscheid wordt geconcretiseerd door bijgebouwen gelegen aan de openbare ruimte, zoals garages e.d., terug te leggen ten opzichte van de hoofdgebouwen. Hierdoor vallen de hoofdgebouwen extra op en de bijgebouwen, die doorgaans esthetisch minder aantrekkelijk zijn, vallen minder op.
De bijgebouwen en garages dienen minimaal 3 m terug te liggen ten opzichte van de voorgevel (de gevel die aan de openbare ruimte ligt). De afstand tussen de afzonderlijke hoofdbebouwing dient dan wel minimaal 3 m te zijn. Bij een kleinere afstand dan 3 m is het onderscheidend beeld van de afzonderlijke hoofdgebouwen dermate gering dat de terugliggende bijgebouwen en garages geen toegevoegde esthetische waarde meer creëren. Daarnaast is een bijgebouw van minder dan 3 m tussen twee hoofdgebouwen van ondergeschikt belang zodat het terugleggen van minimaal 3 m ten opzichte van de voorgevel geen verbeterd beeld oplevert. In dat geval mogen de bijgebouwen in het verlengde van de voorgevel liggen. Garages van minder dan 3 m breed zijn in functionele zin niet breed genoeg en vervallen in bovengenoemde situatie.
Om het vlak aan te geven waarbinnen aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen worden gebouwd wordt de bouwaanduiding 'bijgebouwen' gebruikt.
Concreet betekent dit dat de bouwaanduiding ´bijgebouwen', aan de zijde van de openbare ruimte, tussen de hoofdbebouwing 3 m terug ligt ten opzichte van de voorgevelrooilijn. De onderlinge afstand tussen de hoofdgebouwen dient dan wel minimaal 3 m te zijn. Indien dit niet het geval is, ligt de aanduiding 'bijgebouwen' voor zowel hoofdbebouwing als bijgebouwen in dezelfde lijn.
Bebouwingspercentage bouwaanduiding ´bijgebouwen´
Om te voorkomen dat het vlak van de aanduiding ´bijgebouwen´ volledig volgebouwd wordt met hoofd- en bijgebouwen is een maximaal bebouwingspercentage van 65% opgenomen. Dit resulteert in de mogelijkheid dat bij relatief kleine percelen met een beperkte aanduiding ´bijgebouwen' minder dan de genormeerde oppervlakte van 75 m2 aan bijgebouwen, uitbouwen en aanbouwen kan worden gerealiseerd.
Ingeval van grotere bouwpercelen van 500 m2 en groter geldt een maximum van 100 m2 en 50%. Vaak staan op dergelijke grote kavels vrijstaande woningen. Bij dergelijke grote kavels zal de genormeerde oppervlakte van 100 m2 niet onder druk komen te staan.
Aan- en uitbouwen en bijgebouwen voorzover binnen het bouwvlak gerealiseerd, worden niet in mindering gebracht op de in het voorgaande genoemde maten en percentages.
De gronden met de aanduiding ´bijgebouwen´ zijn primair gelegen aan de achterzijde van de hoofdbebouwing. In de gevallen waarin reeds sprake is van bijgebouwen, uitbouwen en aanbouwen aan de voorzijde/straatzijde dan wel de kopse zijde van de woning, zijn deze eveneens meegenomen binnen de begrenzing ´bijgebouwen´. Het voorgaande geldt in beginsel niet voor carports; deze blijven in dit verband buiten beschouwing.
Bouwhoogte
De maximale (goot)bouwhoogte is conform de bestaande hoogte op de verbeelding vastgelegd door middel van een aanduiding.
Aan huis-gebonden-beroepen
Het gebruik van ruimten voor aan huis verbonden beroepen is binnen de woonbestemming toegestaan (tot maximaal 50 m2). Met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 75 m² vloeroppervlak te benutten voor aan huis gebonden beroepen. Tevens is het via een binnnenplanse afwijkingsmogelijkheid onder bepaalde voorwaarden mogelijk om maximaal 30 m2 te benutten voor kleinschalige bedrijvigheid. Indien sprake is van beroeps- c.q. bedrijfsuitoefening aan huis dan is deze meegenomen in de bestemming `Wonen´.
Bestemming `Waarde - Archeologie - 1' (artikel 10)
Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de te verwachten archeologische waarden. De inhoud van deze dubbelbestemming, alsmede de begrenzing hiervan, is conform de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart, opgenomen.
Bij een dubbelbestemming kan er gebouwd worden en kunnen werken en werkzaamheden worden uitgeoefend, ten dienste van de onderliggende bestemming. Hiervoor is echter een binnenplanse omgevingsvergunning benodigd, om te toetsen of de belangen die de dubbelbestemming beschermt, geschaad kunnen worden. Als dit het geval is, dan bestaat nog de mogelijkheid om met aanvullende voorschriften wellicht alsnog de activiteit mogelijk te maken. De werkzaamheden die in het Programma van Eisen Archeologie zijn opgenomen, zijn al in overeenstemming met deze waarden, en zijn derhalve uitgezonderd van de vergunningplicht.
Bestemming 'Waarde - Archeologie - 2' (artikel 11)
Deze dubbelbestemming is eveneens opgenomen ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden. Het betreft hier de gebiedsdelen waar de te verwachten archeologische waarden minder beperkingen aan het gebruik opleveren.
Bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' (artikel 12)
Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het betreft hier vooral de aanwezige landschappelijke kwaliteiten, zoals de structuur van - en het historische groen langs - de waterlopen, de openheid van de akkers, etc..
Bestemming `Waterstaat - Waterbergingsgebied' (artikel 13)
Deze dubbelbestemming is opgenomen om de voorzieningen ten behoeve van de waterbergingsopgave, als bestemmingsdoeleind mogelijk te maken. Specifieke inhoudelijke regels zijn hieraan niet gekoppeld.
Onder de Algemene regels zijn opgenomen de Anti-dubbeltelregel en de Algemene afwijkingsregels.
In de Overgangs- en slotregels zijn het Overgangsrecht en de Slotregel opgenomen.
De gemeenteraad heeft in maart 2009 het toezicht- en handhavingsprogramma 2009 vastgesteld.
In dit handhavingsprogramma is aangegeven dat de gemeente zich inzet om van Eindhoven een sterke stad met een levendige economie te maken. Veiligheid en leefbaarheid staan daarbij voorop.
Het gemeentebestuur heeft een gemeente voor ogen die maximaal dienstverlenend is, maar die ook de grenzen aangeeft en de spelregels bewaakt. Zij treedt, waar dat nodig is, daadkrachtig op in het algemeen belang voor de bescherming van de rechtszekerheid van individuele belangen.
De gemeente handhaaft consequent, werkt in belangrijke mate stadsdeel- en gebiedsgericht en programmatisch en staat dicht bij de burger.
Goed toezicht en handhaving zijn van cruciaal belang om de leefbaarheid, de rechtszekerheid, de veiligheid, bedrijvigheid en het milieu in Eindhoven te bevorderen. Overlast en vervuiling dienen te worden teruggedrongen en naleving van voorschriften van bijvoorbeeld ruimtelijke ordening , bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen is hierbij noodzakelijk.
De wet- en regelgeving blijft het uitgangspunt voor toezicht en handhaving. Cruciaal is evenwel dat de gemeente zich vanuit toezicht en handhaving als partner opstelt en daarbij de nodige dynamiek toont en helder communiceert over wat wel en niet kan.
Er is een handhavingsmodel voor toezicht en handhaving en dit model wordt gekenmerkt door 7 basisprincipes:
Op basis van dit toezicht- en handhavingsprogramma is een gemeentelijk werkplan opgesteld waarin per aandachtsveld de toezicht- en handhavingsactiviteiten SMART zijn vorm gegeven.
Voor het aandachtsveld Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening (strijdigheid met het bestemmingsplan) zijn op ruimtelijke ordeningsgebied onder meer de volgende activiteiten benoemd:
Bij illegale bouw en illegaal gebruik worden gemelde misstanden aangepakt waarbij zaken als veiligheid, monumentale panden en welstand in het geding zijn.
Een eerste vereiste om goed te kunnen handhaven zijn duidelijk regels. Bij het ontwikkelen van de standaardregels voor het stedelijk gebied van Eindhoven is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. De regels zijn zo geredigeerd, dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Planregels dienen duidelijke normen te bevatten die niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn en tevens actueel en controleerbaar zijn. Teneinde hieraan te voldoen zijn de regels aangepast aan de meest recente jurisprudentie en wetgeving (bijv. Woningwet en de SVBP2012). Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van de nieuwe bestemmingsplannen.
In het voorliggende bestemmingsplan is het actuele ruimtelijk beleid van Eindhoven vastgelegd, toegespitst op het plangebied. Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd. Goede voorlichting en informatievoorziening dragen bij aan een verbetering in de naleving van de bestemmingsplannen.
Leidend motief bij de toekenning van de bestemmingen is het antwoord op de vraag of de desbetreffende functie ter plaatse in ruimtelijk opzicht acceptabel is (ongeacht of een en ander in overeenstemming is met de voorgaande (nu nog vigerende) bestemmingsplannen en/of een en ander functioneert in overeenstemming met andere regelgeving). Er is in het voorliggende plan slechts aandacht voor handhaving in geval van het met dit bestemmingsplan wegbestemmen van momenteel bestaande functies, dus als er sprake is van het om redenen van een de goede ruimtelijke ordening toekennen van een bestemming die niet conform de bestaande situatie is.
Binnen het plangebied is er sprake van illegale beweiding op de graslanden. Het gebruik van de gronden voor beweiding was en is vanuit het bestemmingsplan legaal, indien dit gebruik ten dienste staat van het beheer van de gronden. In voorliggend geval is de beweiding die plaatsvindt illegaal omdat de eigenaar (gemeente) geen toestemming heeft verleend voor het betreffende gebruik en omdat het gebruik niet ten dienste staat van het beheer van het groen.
Illegaal gebruik van gemeentelijk eigendom wordt aangemeld bij de sector 'Vergunningverlening Toezicht & Handhaving'. De sector treedt in samenwerking met politie handhavend op.
Op basis van het 'Definitief ontwerp Aanschotse Beemden' is een kostenraming gemaakt van de maatregelen, welke zullen worden uitgevoerd. Het project heeft betrekking op het Raadsprogramma Groen. Daar waar in het plan ingrepen zijn voorzien, is dit gedekt door geoormerkte gemeentelijke budgetten uit de raadsprogramma's Water en Groen. Voor het overige blijft de bestaande situatie gehandhaafd .
Het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan "VIII Blixembosch (Aanschotse Beemden)" is gepubliceerd in Groot Eindhoven op 22 februari 2012.
In het kader van het wettelijk voorgeschreven overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerp-bestemmingsplan ' VIII Blixembosch (Aanschotse beemden)' voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel.
Provincie Noord-Brabant
De Provincie Noord-Brabant heeft bij brief van 5 april 2013 (kenmerk C2113181/3388610) laten weten dat dit bestemmingsplan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
Waterschap De Dommel
Waterschap De Dommel heeft bij brief van 19 april 2013 (kenmerk Z20344/U20082) enkele opmerkingen ten aanzien van het voorontwerp-bestemmingsplan gemaakt. Deze worden hieronder weergegeven, met daarbij de reactie van de gemeente:
| Opmerking Waterschap | Reactie gemeente |
| Het waterschap verzoekt de leggerwatergang ER 48 op de verbeelding op te nemen, en als 'water' te bestemmen. | De leggerwatergang ER 48 wordt op de verbeelding opgenomen. |
| Het waterschap verzoekt in de bestemmingsplanregels in alle artikelen de functie 'water en waterhuishoudkundige voorzieningen' op te nemen. | De planregels worden hierop aangepast. |
| Het waterschap verzoekt in de planregels welke direct of indirect (via een wijzigingsbevoegdheid) meer dan 250 m2 verhard oppervlak mogelijk maken een bepaling op te nemen dat ontwikkelingen hydrologisch neutraal dienen plaats te vinden, waarbij advies dient te worden ingewonnen bij de waterbeheerder. | Gelet op het zeer geringe percentage oppervlakte- verharding in het plangebied heeft een dergelijke bepaling weinig toegevoegde waarde. Daarnaast is het niet wenselijk om voor een relatief geringe toevoeging aan verharding een extra adviesverplichting in het plan op te nemen. Deze opmerking wordt dan ook niet opgenomen in het plan. |
| Op de verbeelding is het waterbergingsgebied aangeduid als 'waterstaat-waterbergingsgebied'. In deze gebieden mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die het waterbergend vermogen van het plangebied kunnen belemmeren. Op basis van een hydraulische berekening constateert het waterschap dat de inundatie bij de T=100-situatie afwijkt van de begrenzing op de verbeelding. | De begrenzing op de verbeelding is hierop aangepast; de plangrens aan de noordijzde van het pangebied is hiertoe in noordelijke richting opgeschoven, waardoor het gebied met de aanduiding 'waterstaat-water- bergingsgebied' in het bestemmingsplan overeenkomt met het berekende waterbergingsgebied. |
| Het waterschap heeft overleg gehad met de gemeente over inrichting en functioneren van het in het plangebied geprojecteerde helofytenfilter. De voorzieningen in Aanschotse Beemden zijn om overtollig water afkomstig van de waterstructuur Eindhoven-noord te zuiveren en vast te houden om geen overlast benedenstrooms te veroorzaken. Omdat de waterstructuur nog niet is gerealiseerd, kan het waterschap nog geen uitspraak doen over de werking van de aan te brengen zuiveringstechnische voorziening. Het waterschap verzoekt de gemeente voldoende flexibiliteit in het plan aan te brengen om eventuele andere oplossingen mogelijk te maken. | Het helofytenfilter heeft naast de door het waterschap genoemde zuiverende functie, tevens een functie voor waterberging en recreatie. Inderdaad is niet volledig te voorzien hoe het filter in de praktijk zal werken. Mocht dat nodig zijn, dan zal de gemeente aanvullende maatregelen nemen. De planregels zijn ruim genoeg om eventuele andere voorzieningen mogelijk te maken. |
Het voorontwerp-bestemmingsplan is conform de gemeentelijke inspraakverordening voorafgaand aan de formele vaststellingsprocedure voor inspraak vrijgegeven. Van donderdag 14 maart tot en met woensdag 24 april 2013 is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren oop het bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan is één inspraakreactie ontvangen. In de bij dit plan gevoegd verslag van de inspraak is deze inspraakreactie samengevat en van een gemeentelijk standpunt voorzien. In verband met privacy zijn de naam- en adresgegevens van de indieners in een aparte bijlage opgenomen. Deze bijlage is niet digitaal beschikbaar, maar wel analoog. De inspraakreactie gaf geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen; wel leidde het tot een aanpassing van het landschapsplan 'Definitief ontwerp Aanschotse Beemden'.