Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Vosven te Knegsel
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0770.TOKVosven3012-VAST

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de woningbouwontwikkeling Vosven op de locatie aan de Eerselseweg ongenummerd te Knegsel. Een en ander wordt als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22e) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het
omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22e.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22e’ gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de woningbouwlocatie Vosven ter plaatse van de locatie aan de Eerselseweg ongenummerd te Knegsel, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOKVosven3012-VAST, zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
Artikel 4 Doelen
 
  1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  2. De gemeente Eersel staat voor een nieuwe periode van groei waarin behoefte bestaat aan het realiseren van nieuwe woningen in verschillende woonmilieus.
 
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 5 Groen
 
5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:
  1. het aanbrengen en instandhouden van landschapselementen;
  2. bermen en beplantingen;
  3. extensief agrarisch gebruik in de vorm van natuurbeheer;
  4. extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. speelvoorzieningen;
  7. voorzieningen voor langzaam verkeer;
  8. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  9. calamiteitenroutes;
  10. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  11. ter plaatse van de aanwijzing ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’ is uitsluitend de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing en water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.
 
5.2 Beoordelingsregels bouwwerken
 
5.2.1 Verbod
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
 
5.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 5.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
 
Artikel 6 Verkeer - Openbaar gebied
 
6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer – Openbaar gebied' heeft de volgende functies:
  1. wegen en straten;
  2. voorzieningen voor langzaam verkeer ter plaatse van het werkingsgebied ‘langzaam verkeer’;
  3. nutsvoorzieningen;
  4. bermen en beplantingen;
  5. speelvoorzieningen;
  6. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.
 
6.2 Beoordelingsregels bouwwerken
 
6.2.1 Verbod
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
 
6.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 6.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  3. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 4 m.
 
6.3 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
  1. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. het voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  4. de sociale veiligheid.
 
Artikel 7 Wonen
 
7.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:
  1. wonen in een woning;
  2. aan-huis-verbonden beroepen;
  3. lichte bedrijvigheid op de begane grond, genoemd in bijlage 3 (Staat van bedrijfsactiviteiten, functiemenging), onder milieucategorie A;
  4. tuinen, erven en verhardingen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. een ander gebruik van een woning, of van bij een woning behorende opstallen, dan voor wonen, is uitsluitend toegestaan voor zover dit in dit artikel is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels
 
7.2 Specifieke regels over het gebruik
 
7.2.1 Aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid
  1. Toegestane gebruiksvormen
Het is toegestaan om een gedeelte van een woning voor aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid te gebruiken, mits wordt voldaan aan de volgende regels:
  1. De omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m².
  2. Het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte.
  3. De activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving.
  4. Er is geen sprake van detailhandel.
  5. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner;
  6. Aangetoond wordt dat de beoogde aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid geen nadelige effecten op het Natuur Netwerk Brabant hebben.
 
  1. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gedeelte van een woning te gebruiken voor een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid a.
  1. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in b wordt alleen verleend als:
  1. een gedeelte van een woning wordt gebruikt voor aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid met een maximale oppervlakte van 100 m² aansluitend aan een woning;
  2. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  3. sprake is van lichte bedrijvigheid die voorkomt in Bijlage 3, dan wel naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de in Bijlage 3 toegelaten milieucategorie A.
 
7.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
7.3.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in 7.1 bedoelde functies gelden de volgende
beoordelingsregels:
  1. Ter plaatse van de waarde 'aantal woningen' is het maximum aantal toegestane woningen de daar bepaalde waarde;
  2. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd in de volgende typologieën:
    1. vrijstaande woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'vrijstaand';
    2. twee-aaneengebouwde woningen en geschakelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'twee-aaneen';
    3. aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'aaneengebouwd';
    4. gestapelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'gestapeld’;
  3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van nieuwe woningen in het gebied aangeduid met ‘woningbouwproject Vosven te Knegsel (NL.IMRO.0770.TOKVosven3012-VAST)’:
    • in het totale programma worden voldaan aan onderstaande onderverdeling in wooncategorieën:
      • minimaal 30% van het onder 7.3.1 onder a bedoelde aantal woningen (8 woningen) moet een sociale huurwoning zijn;
      • minimaal 11% van het onder 7.3.1 onder a bedoelde aantal woningen (3 woningen) moet een betaalbare koopwoning in het lage segment zijn;
      • minimaal 30% van het onder 7.3.1 onder a bedoelde aantal woningen (8 woningen) moet een betaalbare koopwoning in het midden segment of een middenhuur woning of een betaalbare woning in het hoge segment zijn;
      • het resterende deel van het onder 7.3.1 onder a bedoelde aantal woningen (8 woningen) is vrij invulbaar.
  4. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor andere doelgroepen bij de betreffende woningcategorie:
    • De doelgroep voor sociale huurwoningen met een huurprijs tot de maximale huurgrens als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal de DAEB-norm.
    • de doelgroep voor middeldure huurwoningen zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
    • de doelgroep voor sociale koopwoningen in het lage segment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,25 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
    • de doelgroep voor sociale koopwoningen in het middensegment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
    • de doelgroep voor sociale koopwoningen in het hoge segment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,75 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
  5. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning anders in stand te houden bij de betreffende woningcategorie:
    • Sociale huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven;
    • Middeldure huurwoningen dienen gedurende een termijn van 15 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven;
    • sociale koopwoningen dienen gedurende een termijn van 5 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
    • de koper van een sociale koopwoning heeft gedurende de instandhoudingstermijn de plicht mom in de woongelegenheid zijn hoofdverblijfplaats te hebben en zich op dat adres als woonachtige in te schrijven.
    • de minimale gebruiksoppervlakte van woningen bedraagt 50m².
  6. Bij de nieuw te bouwen woningen is de navolgende informatieplicht:
    • Door of namens de eigenaar dient voor de verhuur van sociale of middenhuur woningen jaarlijks een overzicht te worden overlegd aan het college van burgemeester en wethouders waarin aangetoond wordt dat de huurprijzen in lijn zijn met deze regels. Dit geldt gedurende de in artikel 7.3.1 onder e van deze regels gestelde instandhoudingstermijn voor de betreffende woningbouwcategorie.
    • Door of namens de verkoper dient de verkoop en doorverkoop van sociale koopwoningen als bedoeld in artikel 7.3.1 onder c van deze regels gedurende de in artikel 7.3.1 onder e van deze verordening gestelde instandhoudingstermijn, burgemeester en wethouders schriftelijk te informeren, uiterlijk binnen 4 weken na ondertekening van de koopovereenkomst.
    • Dit artikel is niet van toepassing indien de huur- en/of koopwoning wordt geëxploiteerd dan wel verkocht door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet en vallend onder de diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 47 van de Woningwet.
  7. Bij de nieuw te bouwen woningen is de navolgende vergunningsplicht afwijkend woningbouwprogramma/hardheidsclausule van toepassing:
    • Het bevoegd gezag kan, in afwijking van artikel 7.3.1 onder c, d en e, een omgevingsvergunning verlenen voor woningbouwcategorieën die in strijd zijn met de in die onderdelen bedoelde beoordelingsregels (woningbouwcategorieën, instandhoudingstermijnen, minimale gebruiksoppervlakte en/of inkomensgrenzen), als die niet in strijd zijn met de volgende beoordelingsregels:
      • De toepassing van de eerder bedoelde beoordelingsregels naar het oordeel van het bevoegd gezag leidt tot een bijzondere hardheid, ten gunste van de aanvrager.
  8. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de beoordelingsregels in lid 7.3.2.
  9. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen, gelden de beoordelingsregels in lid 7.3.3.
 
7.3.2 Hoofdgebouwen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen:
  1. De voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden geplaatst in de voorgevelrooilijn of achter de voorgevelrooilijn tot maximaal 3 m;
  2. De voorgevellijn mag uitsluitend worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. De overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
    2. Een erker mag uit maximaal 1 bouwlaag bestaan.
    3. De breedte van de overschrijding mag in totaal niet meer dan de helft van de breedte van het hoofdgebouw bedragen.
    4. De afstand tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
  3. De goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding middels het werkingsgebied ‘maximum goothoogte (m);
  4. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding middels het werkingsgebied ‘maximum bouwhoogte (m);
  5. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 35 graden en niet meer dan 75 graden;
  6. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij:
    1. vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m;
    2. twee-aaneen gebouwde woningen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;
    3. gestapelde woningen en aaneengebouwde woningen alleen bij de eindwoningen aan één zijde niet minder bedragen dan 2 m, met dien verstande dat indien het hoofdgebouw grenst aan het openbaar gebied, de afstand 0 m mag bedragen.
  7. De diepte van een hoofdgebouw mag bij:
    1. vrijstaande woningen niet meer bedragen dan 15 m;
    2. twee-aaneen gebouwde woningen niet meer bedragen dan 12 m;
    3. aaneengebouwde en gestapelde woningen niet meer bedragen dan 11 m;
  8. Bij het bouwen van hoofdgebouwen dient te worden voldaan aan de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen.
 
7.3.3 Bijbehorende bouwwerken
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken:
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen.
  2. Het bevoegd gezag verleent de bedoelde omgevingsvergunning, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    1. bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
    2. bij vrijstaande hoofdgebouwen dient één der zijstroken vrij van bijbehorende bouwwerken te blijven tot 3 m achter de achtergevellijn.
    3. het bebouwingspercentage van de gronden achter de achtergevelrooilijn mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 100 m² per woning.
    4. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m.
    5. met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:
      • van bijbehorende bouwwerken mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m, behoudens het bepaalde onder de volgende twee bullets;
      • indien bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m, behoudens het in de volgende bullet bepaalde;
      • indien bijbehorende bouwwerken aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten worden gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.
 
7.3.4 Praktijkruimte
  1. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van artikel 7.3.3 onder b, een omgevingsvergunning voor de bouw van een praktijkruimte die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde beoordelingsregels toch verlenen, als de activiteit niet in strijd is met de volgende beoordelingsregels:
    1. De vloeroppervlakte mag niet meer dan 100 m² bedragen, met dien verstande, dat ten hoogste 50% van de gronden gelegen achter de achtergevellijn van het hoofdgebouw mogen worden bebouwd.
    2. Bebouwing dient op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van de woning te worden gebouwd.
    3. De bebouwing dient te zijn georiënteerd op en rechtstreeks bereikbaar te zijn vanaf de openbare weg.
    4. De goothoogte mag niet meer dan 3,5 m bedragen.
    5. Met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:
      • van de bebouwing mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m, behoudens het bepaalde onder punt de volgende twee bullets;
      • indien de bebouwing wordt gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3,2 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m, behoudens het hierna onder de volgende bullet bepaalde;
      • indien de bebouwing aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten wordt gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.
 
7.3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde 
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Overkappingen dienen op een afstand van ten minste 5 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  2. Op hoekpercelen dienen overkappingen op een afstand van ten minste 1 m achter de zijgevellijn te worden gebouwd.
  3. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat:
    1. de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel; niet meer mag bedragen dan 1 m;
  4. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  5. De gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 20 m² per woning.
 
7.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
 
7.4.1 Afstand tot voorste perceelsgrens
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.2 sub b, een hoofdgebouw op kortere afstand van de voorste perceelsgrens toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen;
  2. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
 
7.4.2 Dakhelling
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.2 sub e voor het toestaan van een afwijkende dakhelling, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:
  1. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen.
 
7.4.3 Afstand tot zijdelingse perceelsgrens
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.2 sub f voor het toestaan van een hoofdgebouw op kortere afstand van de zijdelingse perceelsgrens, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor twee-aan gebouwde woningen mag aan één zijde niet minder bedragen dan 2 m;
  2. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor de eindwoning van aaneen-gebouwde woningen mag aan één zijde 0 m bedragen, mits deze zijde grenst aan het openbaar gebied;
  3. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen;
  4. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
 
7.4.4 Diepte hoofdgebouw
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.2 sub g voor het toestaan van een grotere diepte van een hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de diepte van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 15 m voor zover de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen.
 
7.4.5 Afstand aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot zijgevellijn
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.3 voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de hoofdgebouwen op de zijpercelen;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen;
  3. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
 
7.4.6 Afstand overkappingen tot zijgevellijn
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.6 voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor overkappingen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de hoofdgebouwen op de zijpercelen;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen;
  3. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
 
7.4.7 Afwijking maximaal aantal woningen tot maximaal 30 woningen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde 7.3.1 onder a, b en c voor het toestaan van maximaal 30 woningen, mits:
  1. voldaan wordt aan de parkeernormen;
  2. aangetoond wordt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
  3. voldaan wordt aan het Beeldkwaliteitsplan woonbebouwing, zoals opgenomen in bijlage 4;
  4. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven.
  5. voldaan wordt aan het gemeentelijk woningbouwprogramma.
 
7.4.8 Goothoogte
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.2 sub c, een hogere goothoogte toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afwijking over maximaal 1/3 van de lengte van de gevel bedraagt
  2. er wordt maximaal aan één zijde van het dakvlak een hogere goothoogte toegestaan
  3. de maximale bouwhoogte mag niet worden overschreden
  4. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan die als bijlage 4 aan de regels is opgenomen
 
Artikel 8 Waarde - Archeologie 5.2
 
8.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
 
8.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 5.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
  1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  2. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  3. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 2.500 m².
 
8.3 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.
 
De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
8.4 Vergunningplicht voor afwijken
 
8.4.1 Afwijking
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het
bepaalde in 8.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten
behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
 
8.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in 8.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
 
8.4.3 Advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 8.4.1 winnen zij
schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een
omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
8.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  2. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  9. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
8.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder 8.5.1 vervatte verbod geldt niet:
  1. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 2.500 m²;
  2. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  3. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  4. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 8.4.1.
 
8.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te
bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden
verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
8.5.4 Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
3 Algemene regels
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene omgevingsplanactiviteiten bouw
 
10.1 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige
 
10.2 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
A. Toegestane bouwwerken
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:
  1. voorzieningen voor verkeer, parkeren, verblijf en openbare nutsvoorzieningen;
  2. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
  3. waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
B. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Voor de bouwwerken als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden de volgende voorwaarden:
  1. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
  3. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
 
10.3 Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
  1. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2;
  2. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 10.2.
 
Artikel 11 Algemene functieregels
 
11.1 Verbod
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  2. detailhandel;
  3. seksinrichting;
  4. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  5. mestbewerking ten behoeve van niet door het gevestigde agrarische bedrijf ter plaatse geproduceerde mest.
 
11.2 Toegestane functies
Het is toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende functies:
  1. nutsvoorzieningen;
  2. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
  3. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
11.3 Waterberging
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied ‘Wonen’ te gebruiken indien de waterberging niet binnen 2 maanden na realisatie van de eerste woning is gerealiseerd. De waterberging dient in elk geval 3 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan te zijn gerealiseerd en in stand te worden gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak.
 
11.4 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebied 'wetgevingszone - voorwaardelijke bepaling'
 
11.4.1 Verbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingszone – voorwaardelijke bepaling’ te gebruiken indien de groeninrichting en landschappelijke inpassing, conform Bijlage 6 Landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan of een soortgelijke landschappelijke inpassing die middels een afwijkingsmogelijkheid is toegestaan, niet binnen 3 jaar na inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan, ter plaatse van de gronden in het plangebied met de functie Groen en ter plaatse van de aanwijzing ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
 
11.4.2 Omgevingsvergunning afwijken groeninrichting - landschappelijke inpassing
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 11.4.1 ten behoeve van de wijziging van Bijlage 6 Landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan, waarbij geldt dat het gewijzigde groeninrichtingsplan en landschappelijke inpassingsplan minimaal gelijkwaardig dient te zijn en moet voldoen aan de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document zoals die geldt op tijdstip van de ontvankelijke aanvraag van de afwijking.
 
Artikel 12 Overige regels
  
12.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten
  1. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
Parkeergelegenheid
a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
b. In het geval van functiewijziging van een
gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
c. Aan het voorgaande (in voldoende
parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan.
d. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden
met de gewijzigde beleidsregels.
e. De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden.
Ruimte voor laden en lossen van goederen
a. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.
b. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.
Afwijkingsmogelijkheden
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien:
a. het voldoen aan de voorgaande
beoordelingsregels door bijzondere
omstandigheden op overwegende bezwaren stuit,
of
b. voor zover op andere wijze in de nodige
parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of
losruimte wordt voorzien.
 
  1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en,
    2. een parkeerbalans en toelichting hierop; en/of
    3. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.
       
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht
 
13.1 Overgangsrecht bouwwerken
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
13.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangs- bepalingen van dat plan.