Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Nardushoek te Knegsel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22b’ gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik
- De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
- De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Nardushoek te Knegsel, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOKNardushoek-VAST zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
Artikel 4 Doelen
- Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
- De gemeente Eersel staat voor een nieuwe periode van groei waarin behoefte bestaat aan het realiseren van nieuwe woningen in verschillende woonmilieus.
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden
5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
- agrarisch gebruik;
- behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- extensief recreatief medegebruik;
- doeleinden van openbaar nut;
- erfbeplanting;
- De functie is mede gericht op behoud van landschapselementen ter plaatse van de aanwijzing 'landschapswaarden'.
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten.
5.2 Beoordelingsregels bouwwerken
5.2.1 Verboden bouwwerken
Het is verboden om de volgende bouwwerken op te richten:
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de in
artikel 5 lid 1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat:
- de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m mag bedragen;
- het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan;
- tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m, (indien en voorzover er sprake is van een bouwwerk);
- overige teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3 m;
- Ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m.
- Bouwwerken ten behoeve van schuilvoorzieningen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3,5 m en een maximale oppervlakte van 10 m².
5.3.1 Paardenbak t.b.v. hobbymatig gebruik
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning paardenbakken op te richten.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om paardenbakken ten behoeve van hobbymatig gebruik toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
- de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd ter plaatse van een bouwvlak of binnen een ander aangrenzend werkingsgebied;
- de paardenbak wordt aansluitend aan het werkingsgebied 'Woongebied' gesitueerd;
- de paardenbak wordt zodanig gesitueerd dat deze landschappelijk wordt ingepast;
- schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
- de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m², tezamen met de oppervlakte die binnen het werkingsgebied 'Woongebied' wordt gesitueerd;
- er is maximaal één paardenbak toegestaan;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent kan advies worden ingewonnen bij het waterschap;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.3.2 Aanbrengen van oppervlakteverhardingen
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen groter dan 200 m² aan te leggen.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om oppervlakteverhardingen groter dan 200 m² toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
- het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik;
- er vindt geen onevenredige aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden plaats.
5.3.3 Werkzaamheden binnen werkingsgebied 'cultuurhistorisch vlak'
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - cultuurhistorisch vlak' uit te voeren:
- het beplanten van gronden met houtgewas;
- het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
- het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
- het wijzigen van de historische kavelindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven;
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om de onder a. bedoelde werkzaamheden toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
- er vindt geen aantasting plaats van het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de openheid van de open akkers;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
- de werkzaamheden dragen bij aan het herstel van verstoorde waarden (waaronder het terugbrengen van bolle akkers).
5.3.4.1 Gewasbeschermingsmiddelen - vergunningplicht
Bij het telen van gewassen in de openlucht ter plaatse van de aanwijzing ‘spuitvrije zone’ is het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen verboden zonder omgevingsvergunning.
5.3.4.2 Gewasbeschermingsmiddelen – specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in
subsubparagraaf 5.3.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- een omschrijving van de te telen gewassen;
- een tekening waarop de gronden worden aangegeven waarop de gewassen worden geteeld en waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast;
- een locatiespecifiek onderzoek waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
- indien dit uit het onderzoek als bedoeld in lid c noodzakelijk blijkt, een landschappelijk inpassingsplan waarin de benodigde landschappelijke maatregelen worden uitgewerkt die nodig zijn om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
5.3.4.3 Gewasbeschermingsmiddelen – beoordelingsregels
- er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
- er sprake is van een goede landschappelijke inpassing indien dit noodzakelijk is op grond van een locatiespecifiek onderzoek.
5.3.4.4 Gewasbeschermingsmiddelen – voorschriften
Bij een omgevingsvergunning als bedoeld in
subsubsubparagraaf 5.3.4.1 kunnen – met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat – vergunningvoorschriften worden gesteld ten aanzien van:
- de gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen toegepast mogen worden;
- de landschappelijke inpassing om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Bos' heeft de volgende functies:
- bosbouw en houtproductie;
- behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden;
- behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;
- het als zodanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten;
- behoud en bescherming van de aardkundige waarden;
- behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- extensief recreatief medegebruik;
- agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer.
6.2 Specifieke regels over het gebruik
Het is verboden de gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken voor:
- voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
- voor lawaaisporten;
- voor verblijfsrecreatie;
- voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels bouwwerk
6.3.1 Verbod
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
6.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in
artikel 6 lid 1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m;
- in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen dan wel schuilvoorzieningen bedraagt niet meer dan 3 m;
- de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 10 m2;
- in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor erfafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen;
7.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Groen' heeft de volgende functies:
- bermen en beplantingen;
- speelvoorzieningen;
- ter plaatse van de aanwijzing 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing': de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing;
- voorzieningen voor langzaam verkeer;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- calamiteitenroutes;
nutsvoorzieningen;
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen;
de functie is mede gericht op behoud van landschapselementen ter plaatse van de aanwijzing 'landschapswaarden'.
7.2 Beoordelingsregels bouwwerken
7.2.1 Verbod
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
7.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in
artikel 7 lid 1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
- de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
- de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
met dien verstande dat in afwijking van onder a. de erf- en terreinafscheiding ter plaatse van de specifieke bouwaanwijzing 'afwijking hoogte erfafscheiding' de hoogte maximaal 3 m mag bedragen.
8.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Tuin' heeft de volgende functies:
- tuinen, erven en verhardingen;
- in- en uitritten;
- De functie is mede gericht op behoud van landschapselementen ter plaatse van de aanwijzing 'landschapswaarden'.
een en ander met bijbehorende voorzieningen.
8.2 Beoordelingsregels bouwwerken
8.2.1 Gebouwen
Op deze gronden mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.26 BS en 22.27 BS, geen gebouwen worden gebouwd.
8.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
- Op deze gronden mogen, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.26 BS en 22.27 BS, geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
- In afwijking van het bepaalde onder a, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten behoeve van de in artikel 8 lid 1 bedoelde functies verlenen, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1,80 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
- De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
Artikel 9 Verkeer - Openbaar gebied
9.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
- wegen, straten en voorzieningen voor langzaam verkeer;
- parkeervoorzieningen;
- bermen en beplantingen;
- speelvoorzieningen;
- inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder onder andere verstaan een wadi;
nutsvoorzieningen
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.
9.2 Beoordelingsregels bouwwerken
9.2.1 Verbod
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
9.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in
artikel 9 lid 1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
- de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
- de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 4 m.
9.3 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- de verkeersveiligheid;
- het voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
- de sociale veiligheid.
10.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Algemeen
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Water' heeft de volgende functies:
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- water met ecologische waarden;
- voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging;
- waterstaatkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken;
- beheer en onderhoud van de watergang;
- beeldende kunstwerken;
- vijvers;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen e.d. en overeenkomstig de in
artikel 10 lid 2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
10.2 Beoordelingsregels bouwwerken
10.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie.
10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen aan het volgende te voldoen:
- De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m.
- De bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m.
- De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
11.1 Oogmerk
De regels over '
Woongebied' in dit artikel zijn gesteld met het oog op:
- het benutten en ontwikkelen van woonlocaties, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;
- het beschermen van gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en,
- het behoud en de samenstelling van de woningvoorraad, als bedoeld in de specifieke doelstellingen voor dit deelgebied.
11.2 Toepassingsbereik gebruiksdoel
- Dit lid is van toepassing op het werkingsgebied 'Woongebied'.
De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
- wonen in een woning, met dien verstande dat ter plaatse van de maatvoeringsaanwijzing 'maximum aantal wooneenheden', het maximum aantal woningen zoals op de verbeelding is weergegeven is toegestaan;
- tuinen, erven en verhardingen;
- openbare ruimte, met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'ontsluiting' een doorgaande ontsluitingsweg voor gemotoriseerd verkeer is toegestaan;
- Een ander gebruik van een woning, of van bij een woning behorende opstallen, dan voor wonen, is uitsluitend toegestaan voor zover dit in deze paragraaf is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels.
- De functie is mede gericht op behoud van landschapselementen ter plaatse van de aanwijzing 'landschapswaarden'.
alsmede voor:
- het behoud en herstel van cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische waardevolle bebouwing’.
11.3 Specifieke regels over het gebruik
11.3.1 Aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid
Toegestane gebruiksvormen
Het is toegestaan om een gedeelte van een woning voor aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid te gebruiken, mits wordt voldaan aan de volgende regels:
- De omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m².
- Het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte.
- De activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving.
- Er is geen sprake van detailhandel.
- De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
- Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gedeelte van een woning te gebruiken voor een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid a.
Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in b wordt alleen verleend als:
- een gedeelte van een woning wordt gebruikt voor één praktijkruimte met een maximale oppervlakte van 100 m² aansluitend aan een woning;
- het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
- sprake is van lichte bedrijvigheid die voorkomt in Bijlage 4, dan wel naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de in Bijlage 4 toegelaten milieucategorie A.
11.3.2 Doelgroepen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor andere doelgroepen bij de betreffende woningcategorie:
- de doelgroep voor sociale huurwoningen met een huurprijs tot de maximale huurgrens als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal de DAEB-norm.
- de doelgroep voor middeldure huurwoningen zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
- de doelgroep voor sociale koopwoningen in het lage segment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,25 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
- de doelgroep voor sociale koopwoningen in het middensegment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
- de doelgroep voor sociale koopwoningen in het hoge segment zijn huishoudens met een inkomen tot maximaal 1,75 maal de DAEB-norm voor meerpersoonshuishoudens.
11.3.3 Instandhouding en minimale gebruiksoppervlakte
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning anders in stand te houden bij de betreffende woningcategorie:
- sociale huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
- middeldure huurwoningen dienen gedurende een termijn van 15 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
- sociale koopwoningen dienen gedurende een termijn van 5 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
- de koper van een sociale koopwoning heeft gedurende de instandhoudingstermijn de plicht om in de woongelegenheid zijn hoofdverblijfplaats te hebben en zich op dat adres als woonachtige in te schrijven.
- de minimale gebruiksoppervlakte van woningen bedraagt 50 m².
11.3.4 Informatieplicht
- Door of namens de eigenaar dient voor de verhuur van sociale of middenhuur woningen jaarlijks een overzicht te worden overlegd aan het college van burgemeester en wethouders waarin aangetoond wordt dat de huurprijzen in lijn zijn met deze regels. Dit geldt gedurende de in subsubparagraaf 11.3.3 van deze regels gestelde instandhoudingstermijn voor de betreffende woningbouwcategorie.
- Door of namens de verkoper dient de verkoop en doorverkoop van sociale koopwoningen gedurende de in subsubparagraaf 11.3.3 gestelde instandhoudingstermijn, burgemeester en wethouders schriftelijk te informeren, uiterlijk binnen 4 weken na ondertekening van de koopovereenkomst.
- Dit artikel is niet van toepassing indien de huur- en/of koopwoning wordt geëxploiteerd dan wel verkocht door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet en vallend onder de diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 47 van de Woningwet.
11.4 Beoordelingsregels bouwwerken
11.4.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in
artikel 11 lid 2 bedoelde functies gelden de volgende
beoordelingsregels:
- Het totale maximum aantal woningen, niet zijnde bestaande woningen, binnen het werkingsgebied 'Woongebied' gezamenlijk bedraagt 94 woningen, met dien verstande dat:
- in geval van vervangende nieuwbouw van bestaande woningen, de vervangende nieuwbouw niet bij de bepaling van het genoemde maximum wordt meegeteld, mits het bestaande aantal woningen niet vergroot wordt;
bij de nieuw te bouwen woningen als bedoeld onder a moet in het totale programma worden voldaan aan onderstaande onderverdeling in wooncategorieën;
- minimaal 30 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een sociale huurwoning zijn;
- minimaal 5 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het lage segment zijn;'
- minimaal 13 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een middeldure huurwoning of sociale koopwoning in het midden segment zijn;
- minimaal 19 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het hoge segment zijn;
Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd in de volgende typologieën:
- vrijstaande woningen;
- twee-aan gebouwde woningen en geschakelde woningen;
- aaneengebouwde woningen;
- rug-aan-rug gebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied Nieuw buurtschap';
- gestapelde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied Nieuw buurtschap';
- bestaande woningen in de bestaande typologie;
- Voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen, alsmede bij vervangende nieuwbouw waarbij de woningtypologie wijzigt, gelden de beoordelingsregels in subsubparagraaf 11.4.3.
- Voor bestaande hoofdgebouwen gelden de beoordelingsregels in subsubparagraaf 11.4.4;
- Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen, gelden de beoordelingsregels in subsubparagraaf 11.4.6.
- Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bestaande hoofdgebouwen gelden de beoordelingsregels in subsubparagraaf 11.4.6.
11.4.2 Beeldkwaliteitsplan
- Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend indien is aangetoond dat wordt voldaan aan de beeldkwaliteitseisen zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Nardushoek.
- Voor de aanleg van de voorzieningen genoemd in artikel 11 lid 2 geldt dat voldaan moet worden aan de beeldkwaliteitseisen zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Nardushoek.
11.4.3 Nieuwe hoofdgebouwen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen:
- Voor de stedenbouwkundige uitwerking, situering van de woningen en de woningtypologieën, dient te worden aangesloten bij het beeldkwaliteitsplan, zoals bedoeld in subsubparagraaf 11.4.2.
- De voorgevellijn mag uitsluitend worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
- De overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
- Een erker mag uit maximaal 1 bouwlaag bestaan.
- De breedte van de overschrijding mag in totaal niet meer dan de helft van de breedte van het hoofdgebouw bedragen.
- De afstand tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan:
ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied Nieuw buurtschap'
- voor woningen met één bouwlaag met kap respectievelijk 3,5 en 8,5 meter;
- voor woningen met twee bouwlagen met kap respectievelijk 6 en 10 meter.
ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied Seniorenhof'
- voor woningen met één bouwlaag met kap respectievelijk 3,5 en 7,5 meter.
- voor vrijstaande woningen met één bouwlaag met kap respectievelijk 3,5 en 8,5 meter;
- ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied Historisch erf'
- voor woningen met één bouwlaag met kap respectievelijk 3,5 en 8,5 meter;
- De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij de gebiedsaanwijzing 'overige zone Woongebied Seniorenhof' bij vrijstaande woningen niet minder bedragen dan 3 meter.
- De diepte van een hoofdgebouw mag bij:
- vrijstaande woningen niet meer bedragen dan 17 m;
- twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen niet meer bedragen dan 12 m;
- aaneengebouwde woningen niet meer bedragen dan 12 m;
- rug-aan-rug gebouwde woningen en gestapelde woningen niet meer bedragen dan 15 m voor de totale bouwmassa.
11.4.4 Bestaande hoofdgebouwen
- De afstand tot de bouwperceelsgrens moet minimaal 3 m bedragen. Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
- De afstand tot de weg moet minimaal 15 m bedragen. Indien de bestaande afstand minder bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
- De dakhelling mag maximaal 60 graden bedragen.
- De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande goothoogte als maximum.
- De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m, tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximum.
11.4.5 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen.
Het bevoegd gezag verleent de bedoelde omgevingsvergunning, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd met uitzondering van:
- bijbehorende bouwwerken bij rug-aan-rugwoningen;
- de in het beeldkwaliteitsplan gelegen woning bij de Y-splitsing ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - woongebied Nieuw buurtschap'.
- het bebouwingspercentage van de gronden achter de achtergevelrooilijn mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 150 m² per woning.
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m.
met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:
- van bijbehorende bouwwerken mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m, behoudens het bepaalde onder 2 en 3 hierna.
- indien bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3,2 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m, behoudens het hierna onder 3 bepaalde.
- indien bijbehorende bouwwerken aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten worden gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.
- het onder subsubparagraaf 11.4.5 sub b onder 1 tot en met 4 is niet van toepassing op gestapelde woningen.
11.4.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
- De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat
- de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel niet meer mag bedragen dan 1 m;
- de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel bij rug-aan-rug gebouwde woningen niet meer mag bedragen dan 1,2 m
- De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
11.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
11.5.1 Aantal woningen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 11.4.1 sub a het maximum aantal woningen te vergroten naar 110, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Nardushoek, dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
- in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid;
- voldaan wordt aan het gemeentelijk woningbouwprogramma.
11.5.2 Afwijkend woningbouwprogramma
beoordelingsregels (woningbouwcategorieën, parkeren en ruimtelijke kwaliteit beeldkwaliteitsplan), mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Nardushoek, dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
- in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid;
- voldaan wordt aan het gemeentelijk woningbouwprogramma.
11.5.3 Afstand tot zijdelingse perceelsgrens
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 11.4.3 sub d voor het toestaan van een hoofdgebouw op kortere afstand van de zijdelingse perceelsgrens, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor twee-aan gebouwde en geschakelde woningen mag aan één zijde niet minder bedragen dan 2 m;
- de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor de eindwoning van aaneengebouwde woningen mag aan één zijde 0 m bedragen, mits deze zijde grenst aan het openbaar gebied;
- de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek;
- in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
11.5.4 Diepte hoofdgebouw
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in
subsubparagraaf 11.4.3 sub e voor het toestaan van een grotere diepte van een hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de diepte van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 15 m voor zover de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt;
- de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Nardushoek.
Artikel 12 Leiding - Brandstof
12.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Leiding - Brandstof' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor de aanleg en instandhouding van een brandstofleiding;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
12.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied '
Leiding - Brandstof' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie.
12.3 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in
artikel 12 lid 2, het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leiding, alsmede uit oogpunt van externe veiligheid geen bezwaar bestaat; dienaangaande wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.4.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor '
Leiding - Brandstof' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
- het aanbrengen van (half-)verhardingen;
- het vergraven, ophogen, diepwoelen of diepploegen van de bodem;
- het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
- het verwijderen van beplanting;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen;
- het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
- het graven van sloten en het leggen van (drainage)leidingen.
12.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht
- welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;
- welke het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen.
12.4.3 Verlening
De in
subsubparagraaf 12.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in
subsubparagraaf 12.4.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 14 Algemene bouwregels
14.1 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.
14.2 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:
- voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
- groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
- waterhuishoudkundige voorzieningen.
- Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden:
- de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
- de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
- de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
14.3 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen
Het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen is toegestaan zonder omgevingsvergunning, mits:
- de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;
- de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;
- de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;
- de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en,
- de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
- Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
- niet hoger dan 4 meter; en,
- uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
- Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.
14.4 Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
- met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2;
- anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 13.2 t/m 13.3.
Artikel 15 Algemene gebruiksregels
15.1 Verbod
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
- het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
- detailhandel;
- seksinrichting;
- buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
- mestbewerking ten behoeve van niet door het gevestigde agrarische bedrijf ter plaatse geproduceerde mest.
15.2 Toegestane functies
Het is toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende functies:
- nutsvoorzieningen;
- voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
- groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
15.3 Waterberging
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied ‘
Woongebied’ te gebruiken indien de waterberging niet binnen 2 maanden na realisatie van de eerste woning is gerealiseerd. De waterberging dient in elk geval 3 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan te zijn gerealiseerd en in stand te worden gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak.
15.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
ten minste 1% van de grondopbrengsten dient te worden geïnvesteerd als landschappelijke inpassing, waarbij geldt dat:
- een deel van dit bedrag wordt ingezet voor de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan voor Nardushoek; en
- het resterende bedrag wordt gestort in het gemeentelijk groenfonds. Dit wordt binnen 5 jaar besteed aan een groenproject binnen de gemeente.
- binnen 2 jaar na oplevering van de woningen dient het landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 5, volledig volgens plan te zijn aangelegd. Met dien verstande dat het landschappelijk inpassingsplan wordt aangelegd binnen de functieaanwijzing 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'.
- het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de voor Woongebied aangewezen gronden is alleen toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing naar rato van de bouw van de woningen is aangelegd, wordt beheerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
15.5 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Seniorenhof
- binnen 2 jaar na oplevering van de woningen aan het Seniorenhof dient het landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 6, volledig volgens plan te zijn aangelegd. Met dien verstande dat het landschappelijk inpassingsplan wordt aangelegd binnen de functieaanwijzing 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing groenstrook Seniorenhof'.
- het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de voor Woongebied aangewezen gronden is alleen toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing naar rato van de bouw van de woningen is aangelegd, wordt beheerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
Artikel 16 Overige regels
16.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten
- Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
Parkeergelegenheid | - In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
- In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
- Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan.
- Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels.
- De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden.
|
Ruimte voor laden en lossen van goederen | - Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.
- De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.
|
Afwijkingsmogelijkheden | - Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien:
- het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
- voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
|
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en,
- een parkeerbalans en toelichting hierop; en/of
- een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.
Artikel 17 Algemene aanwijzingsregels
17.1 Luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebieden
Ter plaatse van de aanwijzing 'luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebieden', is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogten (uitgedrukt in meters boven NAP) zoals aangegeven op de Kaarten Obstakelbeheergebieden in verband met de Vliegfunnel, IHCS en ILS, uitsluitend toegestaan indien voorafgaand aan de vergunningverlening uit een schriftelijk advies van het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, blijkt dat de bouwhoogte geen gevaar vormt voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven.
17.2 Overige zone - aardkundig waardevol gebied
17.2.1 Aanwijzingsomschrijving
Ter plaatse van de aanwijzing 'Overige zone - aardkundig waardevol gebied' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud en bescherming van aardkundige waarden. Dit houdt in dat de aan het gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het aanwezig zijn van bijzondere aardkundige verschijnselen zoals dalglooiingen, steilranden en bodemovergangen, dienen te worden beschermd.
17.2.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Vergunningsplichtige werken en/of werkzaamheden:
- Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:
- Het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen.
- Het afgraven, verlagen, egaliseren of ophogen van de bodem.
- Het diepploegen en diepwoelen van de bodem.
- Het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en half verhardingen.
- Uitzonderingen:
Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
- het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
- reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
- binnen een bouwvlak plaatsvinden.
- Toelaatbaarheid:
- De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien verzekerd is dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en aardkundige, hydrologische, archeologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden.
- Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydrologische waarden.
17.3 Overige zone - natuurnetwerk Brabant
17.3.1 Aanwijzingsomschrijving
Ter plaatse van de aanwijzing 'overige zone - natuurnetwerk Brabant' zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
17.3.2 Bouwregels
Ter plaatse van de aanwijzing 'overige zone - natuurnetwerk Brabant' mag geen bebouwing worden opgericht.
17.3.3 Afwijken van de bouwregels
- Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in subsubparagraaf 17.3.2 voor het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de bescherming van het natuurnetwerk brabant of het recreatieve medegebruik daarvan indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden niet worden aangetast.
- Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap.
17.3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
- Verboden werken en werkzaamheden:
- Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanwijzing 'overige zone - natuurnetwerk Brabant' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
- Ophogen van gronden.
- Het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
- Het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld).
- Het leggen van leidingen resp. het diepploegen, diepwoelen van de bodem op diepte van meer dan 0,60 m.
- Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
- Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels.
- De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand.
- Het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
- Het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt.
- Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
- Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
- Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
- het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
- krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
- binnen een bouwvlak plaatsvinden.
- Toelaatbaarheid:
- De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien verzekerd is dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en aardkundige, hydrologische, archeologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden.
- Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydrologische waarden.
17.4 Vrijwaringszone - leiding
Ter plaatse van de aanwijzing 'veiligheidszone - leiding' is het verboden kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten op te richten.
Artikel 18 Overgangsrecht
18.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
- Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
18.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
- Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.