Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Woongebied Duizel-Noord Duizel
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0770.TODNoord3ef1008-VAST

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Duizel Noord fase III te Duizel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22n) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22n.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22n’ gelezen worden.

1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Duizel Noord fase III te Duizel, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TODNoord3ef1008-VAST zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.                            

Artikel 4 Doelen

  1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  2. De gemeente Eersel staat voor een nieuwe periode van groei waarin behoefte bestaat aan het realiseren van nieuwe woningen in verschillende woonmilieus.

2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden

5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden' heeft de volgende functies: 
  1. agrarisch gebruik;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. doeleinden van openbaar nut;
  6. erfbeplanting;  

    een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten.

5.2 Specifieke regels over gebruik

Het is verboden de gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in artikel 5 lid 1 
  2. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
  3. detailhandel;
  4. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten,
  5. vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  6. woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen;
  7. het bewonen van bedrijfsruimte;
  8. een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis of een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
  9. huisvesting van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is, en op tijdelijke arbeidsplaatsen;
  10. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt.

5.3 Beoordelingsregels bouwwerken

5.3.1 Verboden bouwwerken
Het is verboden om de volgende bouwwerken op te richten:
  1. gebouwen;
  2. veldschuren;
  3. paardenbakken.
5.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de in artikel 5 lid 1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Op de agrarische gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen maximaal 1,5 m mag bedragen;
    2. het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan;
    3. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m, (indien en voorzover er sprake is van een bouwwerk);
    4. overige teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3 m;
  2. Ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voort uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m;
  3. Bouwwerken ten behoeve van schuilvoorzieningen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3,5 m en een maximale oppervlakte van 10 m².

5.4 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.

5.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit

5.5.1 Hogere erfafscheiding
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 5.3.2 sub a onder 1, voor erf- en terreinafscheidingen buiten het werkingsgebied ‘bouwvlak’ een hogere bouwhoogte tot maximaal 2 m toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen;
  2. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  3. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in artikel 5 lid 1;
  4. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.2 Paardenbak t.b.v. hobbymatig gebruik
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te gebruiken en te realiseren.
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een paardenbak toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    1. de paardenbak is voor hobbymatig gebruik;
    2. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' of binnen het werkingsgebied 'woongebied';
    3. de paardenbak wordt aansluitend aan het werkingsgebied 'bouwvlak' of het werkingsgebied 'woongebied' gesitueerd;
    4. de paardenbak wordt zodanig gesitueerd dat deze landschappelijk wordt ingepast;
    5. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
    6. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m²;
    7. er is maximaal één paardenbak per werkingsgebied 'bouwvlak' danwel werkingsgebied 'woongebied' toegestaan en uitsluitend bij het eigen bouwvlak respectievelijk de eigen woning;
    8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
    9. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent kan advies worden ingewonnen bij het waterschap;
    10. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.3 Teeltondersteunende voorzieningen
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen te gebruiken en te realiseren.
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen on de bouwwerken in de vorm van hoge tijdelijke, lage tijdelijke alsmede overige teeltondersteunende voorzieningen (TOV) toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
    2. teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan;
    3. de oppervlakte van hoge tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 10.000 m²;
    4. de voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
    5. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in artikel 5 lid 1;
    6. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
    7. het woon- en leefklimaat van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
    8. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document. 
5.5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;
  2. het vellen of rooien van houtgewas;
  3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;
  4. het aanbrengen van lage en hoge (voorzover het geen bouwwerken betreft) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige teeltondersteunende voorzieningen.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning 
  1. de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 1 wordt alleen verleend als:
    1. er geen onevenredige aantasting van de agrarische belangen ontstaat;
    2. er geen onevenredige aantasting van de landschappelijke en ecologische waarden plaatsvindt;
  2. de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 2 wordt alleen verleend als:
    1. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke waarden;
  3. de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 3 wordt alleen verleend als:
    1. het aanbrengen van verhardingen noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik;
    2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke waarden;
  4. de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 4 wordt alleen verleend als:
    1. de activiteit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf;
    2. rekening wordt gehouden met de landschappelijke waarden als omschreven in artikel 5 lid 1;
    3. de oppervlakte van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 10.000 m² bedraagt. 

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:
  1. bermen en beplantingen;
  2. speelvoorziening;
  3. voorzieningen voor langzaam verkeer;
  4. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. parkeervoorzieningen;
  7. calamiteitenroutes;
  8. nutsvoorzieningen;
  9. buurtontsluitingswegen;
  10. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – groene buffer bestaande woningen’ een groene buffer zone. En aldus in stand wordt gehouden conform de overeengekomen anterieure overeenkomst;
  11. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing": de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlagen bij de regels bijlage 4;
een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

6.2 Beoordelingsregels bouwwerken

6.2.1 Verboden bouwwerken
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.
6.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in artikel 6 lid 1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

Artikel 7 Woongebied

7.1 Oogmerk

De regels over 'Woongebied' in dit artikel zijn gesteld met het oog op:
  1. het benutten en ontwikkelen van woonlocaties, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;
  2. het beschermen van gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en,
  3. het behoud en de samenstelling van de woningvoorraad, als bedoeld in de specifieke doelstellingen voor dit deelgebied.  

7.2 Toepassingsbereik gebruiksdoel

  1. Dit lid is van toepassing op het werkingsgebied 'Woongebied'.
  2. De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:
    1. wonen in een woning;
    2. tuinen, erven en verhardingen;
    3. wegen, straten, parkeervoorzieningen en voorzieningen voor langzaam verkeer;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening' zijn uitsluitend speelvoorzieningen toegestaan;
    5. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
    6. openbare ruimte;
    7. nutsvoorzieningen in de openbare ruimte;
    8. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
  3. Een ander gebruik van een woning, of van bij een woning behorende opstallen, dan voor wonen, is uitsluitend toegestaan voor zover dit in deze paragraaf is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels.

7.3 Specifieke regels over het gebruik

7.3.1 Aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid
  1. Toegestane gebruiksvormen
    Het is toegestaan om een gedeelte van een woning voor aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid te gebruiken, mits wordt voldaan aan de volgende regels:
    1. De omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m².
    2. Het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte.
    3. De activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving.
    4. Er is geen sprake van detailhandel.
    5. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
  2. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gedeelte van een woning te gebruiken voor een aan-huis-verbonden beroep en lichte bedrijvigheid, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid a.
  3. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
    De omgevingsvergunning als bedoeld in b wordt alleen verleend als:
    1. een gedeelte van een woning wordt gebruikt voor één praktijkruimte met een maximale oppervlakte van 100 m² aansluitend aan een woning;
    2. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
    3. sprake is van lichte bedrijvigheid die voorkomt in Bijlage 3, dan wel naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de in Bijlage 3 toegelaten milieucategorie A.
7.3.2 Instandhouding en minimale gebruiksoppervlakte
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning anders in stand te houden bij de betreffende woningcategorie:
  1. sociale huurwoningen dienen gedurende een termijn van ten minste 25 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
  2. middeldure huurwoningen dienen gedurende een termijn van 15 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
  3. sociale koopwoningen dienen gedurende een termijn van 5 jaar na ingebruikname voor de doelgroep beschikbaar te blijven.
  4. de koper van een sociale koopwoning heeft gedurende de instandhoudingstermijn de plicht om in de woongelegenheid zijn hoofdverblijfplaats te hebben en zich op dat adres als woonachtige in te schrijven.
  5. de minimale gebruiksoppervlakte van woningen bedraagt 50m².
7.3.3 Informatieplicht
  1. Door of namens de eigenaar dient voor de verhuur van sociale of middenhuur woningen jaarlijks een overzicht te worden overlegd aan het college van burgemeester en wethouders waarin aangetoond wordt dat de huurprijzen in lijn zijn met deze regels. Dit geldt gedurende de in subsubparagraaf 7.3.3 van deze regels gestelde instandhoudingstermijn voor de betreffende woningbouwcategorie.
  2. Door of namens de verkoper dient de verkoop en doorverkoop van sociale koopwoningen gedurende de in subsubparagraaf 7.3.3 gestelde instandhoudingstermijn, burgemeester en wethouders schriftelijk te informeren, uiterlijk binnen 4 weken na ondertekening van de koopovereenkomst.
  3. Dit artikel is niet van toepassing indien de huur- en/of koopwoning wordt geëxploiteerd dan wel verkocht door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet en vallend onder de diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 47 van de Woningwet.

7.4 Beoordelingsregels bouwwerken

7.4.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 7 lid 2 bedoelde functies gelden de volgende
beoordelingsregels:
  1. Het totale maximum aantal woningen, niet zijnde bestaande woningen, binnen het werkingsgebied 'Woongebied' gezamenlijk bedraagt 100 woningen, met dien verstande dat:
    1. in geval van vervangende nieuwbouw van bestaande woningen, de vervangende nieuwbouw niet bij de bepaling van het genoemde maximum wordt meegeteld, mits het bestaande aantal woningen niet vergroot wordt;
  2. bij de nieuw te bouwen woningen als bedoeld onder a moet in het totale programma worden voldaan aan onderstaande onderverdeling in wooncategorieën;
    1. minimaal 30 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een sociale huurwoning zijn;
    2. minimaal 5 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het lage segment zijn;'
    3. minimaal 13 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het midden segment zijn;
    4. minimaal 19 % van het onder a bedoelde aantal woningen moet een sociale koopwoning in het hoge segment zijn;
  3. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd in de volgende typologieën:
    1. vrijstaande woningen;
    2. twee-aan gebouwde woningen en geschakelde woningen;
    3. aaneengebouwde woningen;
    4. gestapelde woningen;
  4. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen, alsmede bij vervangende nieuwbouw waarbij de woningtypologie wijzigt, gelden de beoordelingsregels in subsubparagraaf 7.4.3.
  5. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen, gelden de beoordelingsregels in subsubparagraaf 7.4.4.
7.4.2 Beeldkwaliteitsplan
  1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend indien is aangetoond dat wordt voldaan aan de beeldkwaliteitseisen zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Duizel-Noord fase III.
  2. Voor de aanleg van de voorzieningen genoemd in artikel 7 lid 2 geldt dat voldaan moet worden aan de beeldkwaliteitseisen zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Duizel-Noord fase III.
7.4.3 Nieuwe hoofdgebouwen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bestaande hoofdgebouwen: 
  1. Voor de stedenbouwkundige uitwerking, situering van de woningen en de woningtypologieën, dient te worden aangesloten bij het beeldkwaliteitsplan, zoals bedoeld in subsubparagraaf 7.4.2. 
  2. De voorgevellijn mag uitsluitend worden overschreden met een erker, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. De overschrijding mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
    2. Een erker mag uit maximaal 1 bouwlaag bestaan.
    3. De breedte van de overschrijding mag in totaal niet meer dan de helft van de breedte van het hoofdgebouw bedragen.
    4. De afstand tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
  3. De afstand van een hoofdgebouw tot de voorste perceelsgrens mag niet meer bedragen dan 2,5 m met uitzondering van niet grondgebonden woningen. Bij niet grondgebonden woningen mag tot op de erfgrens worden gebouwd. In afwijking van het voorgaande mag de afstand tot de voorste perceelsgrens niet minder dan 1,2 m bedragen.
  4. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan respectievelijk:
    1. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 1' 3,5 en 8 meter;
    2. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 2' 6 en 10 meter;
    3. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 3' 4,5 en 9 meter;
    4. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding 4' 7 meter.
  5. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 35 graden en niet meer bedragen dan 50 graden, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' sprake is van een plat dak;
  6. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag bij:
    1. vrijstaande woningen aan beide zijden niet minder bedragen dan 3 m;
    2. twee-aaneen gebouwde woningen aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m;
    3. aaneengebouwde woningen uitsluitend bij de eindwoningen aan één zijde niet minder bedragen dan 1 m, met dien verstande dat indien het hoofdgebouw grenst aan het openbaar gebied, de afstand 0 m mag bedragen;
    4. gestapelde woningen 0 m bedragen.
  7. De diepte van een hoofdgebouw mag bij:
    1. vrijstaande woningen niet meer bedragen dan 15 m;
    2. twee-aaneen gebouwde en geschakelde woningen niet meer bedragen dan 12 m;
    3. aaneengebouwde woningen niet meer bedragen dan 11 m;
7.4.4 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken te bouwen.
  2. Het bevoegd gezag verleent de bedoelde omgevingsvergunning, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    1. bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 5 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
    2. bij vrijstaande hoofdgebouwen dient één der zijstroken vrij van bijbehorende bouwwerken te blijven tot 3 m achter de achtergevellijn.
    3. het bebouwingspercentage van de gronden achter de achtergevelrooilijn mag maximaal 50% bedragen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 100 m² per woning.
    4. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m.
    5. met betrekking tot de bouwhoogte geldt het volgende:
      1. van bijbehorende bouwwerken mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m, behoudens het bepaalde onder 2 en 3 hierna.
      2. indien bijbehorende bouwwerken worden gebouwd in de perceelsgrens, mag de bouwhoogte in de perceelsgrens niet meer bedragen dan 3,2 m en van daaraf in gelijke mate met de afstand tot de perceelsgrens toenemen tot niet meer dan 5,5 m, behoudens het hierna onder 3 bepaalde. 
      3. indien bijbehorende bouwwerken aan weerszijden van de perceelsgrens aaneengesloten worden gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 5,5 m.
    6. het onder subsubparagraaf 7.4.4 sub b onder 1 tot en met 5 is niet van toepassing op gestapelde woningen.
7.4.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Overkappingen dienen op een afstand van ten minste 5 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  2. Op hoekpercelen dienen overkappingen op een afstand van ten minste 1 m achter de zijdelingse perceelsgrens te worden gebouwd.
  3. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1,8 m bedragen, met dien verstande dat:
    1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel; niet meer mag bedragen dan 1m.
  4. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijde, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  5. De gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 20 m² per woning
  6. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  7. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 4 m.
7.4.6 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
  1. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. het voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  4. de sociale veiligheid.

7.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit

7.5.1 Aantal woningen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.1 sub a het maximum aantal woningen te wijzigen tot maximaal 110 woningen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III, zoals opgenomen als bijlage 4 bij deze regels dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
  2. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid;
  3. voldaan wordt aan het gemeentelijk woningbouwprogramma.
7.5.2 Afwijkend woningbouwprogramma
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het bepaalde in artikel 7 lid 3 en subsubparagraaf 7.4.1 sub b, een omgevingsvergunning verlenen voor woningbouwcategorieën die in strijd zijn met de in die onderdelen bedoelde
beoordelingsregels (woningbouwcategorieën, instandhoudingstermijnen, minimale gebruiksoppervlakte en/of inkomensgrenzen), als die niet in strijd zijn met de volgende beoordelingsregels:
  1. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III, dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
  2. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid;
  3. voldaan wordt aan het gemeentelijk woningbouwprogramma.
7.5.3 Afstand tot voorste perceelsgrens
 Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.3 sub c een hoofdgebouw op kortere afstand tot de voorste perceelsgrens toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels: 
  1. de afstand tot de voorste perceelsgrens bedraagt bij grondgebonden woningen minimaal 1,2 met uitzondering van niet grondgebonden woningen. Bij niet grondgebonden woningen mag tot op de erfgrens worden gebouwd;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III, dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
  3. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
7.5.4 Afstand overkappingen tot zijdelingse perceelsgrens
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.5  voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijdelingse perceelsgrens voor overkappingen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de hoofdgebouwen op de zijpercelen;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Veldhoek, dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
  3. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
7.5.5 Afstand tot zijdelingse perceelsgrens
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.3 sub f voor het toestaan van een hoofdgebouw op kortere afstand van de zijdelingse perceelsgrens, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens voor twee-aan gebouwde en geschakelde woningen mag aan één zijde niet minder bedragen dan 2 m;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III;
  3. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
7.5.6 Dakhelling
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.3 sub e voor het toestaan van een afwijkende dakhelling, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregel:
  1. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III.
7.5.7 Diepte hoofdgebouw
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.3 sub g voor het toestaan van een grotere diepte van een hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de diepte van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 15 m voor zover de afstand van de achtergevel tot de achterste perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III.
7.5.8 Afstand aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot zijgevellijn
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.4 voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de hoofdgebouwen op de zijpercelen;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III;
  3. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.
7.5.9 Afstand overkappingen tot zijgevellijn
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 7.4.5 voor het verkleinen van de aan te houden afstand achter de zijgevellijn voor overkappingen op hoekpercelen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de hoofdgebouwen op de zijpercelen;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de stedenbouwkundige uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Duizel Noord fase III, dan wel de (rechts)opvolger daarvan;
  3. in voorkomend geval nadere eisen aan de situering en/of afmetingen kunnen worden gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en/of de sociale veiligheid.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2

8.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

 Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

8.2 Beoordelingsregels bouwwerken

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
  1. het bouwplan betrekking heeft op de vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  2. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  3. de bodemverstoring als gevolg van het bouwplan niet dieper is dan 30 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 100 m².

8.3 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag is bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

8.4 Vergunningsplicht voor afwijken

8.4.1 Vergunningplicht
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: 
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermde bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  3. de verplichting de activiteiten die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties. 
8.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 8.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
8.4.3 Advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 8.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren: 
  1. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  2. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voer-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  9. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.5.2 Uitzondering vergunningplicht
Het onder subsubparagraaf 8.5.1 vervatte verbod geldt niet:
  1. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 100 m²;
  2. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  3. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  4. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in subsubparagraaf 8.4.1. 
8.5.3 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 8.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.5.4 Advies archeologisch deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 4.2

9.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel

 Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

9.2 Beoordelingsregels bouwwerken

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 4.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
  1. het bouwplan betrekking heeft op de vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  2. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  3. de bodemverstoring als gevolg van het bouwplan niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².

9.3 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag is bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

9.4 Vergunningsplicht voor afwijken

9.4.1 Vergunningplicht
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9 lid 2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: 
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermde bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  3. de verplichting de activiteiten die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties. 
9.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 9.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
9.4.3 Advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 9.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren: 
  1. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  2. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voer-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  9. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.5.2 Uitzondering vergunningplicht
Het onder subsubparagraaf 9.5.1 vervatte verbod geldt niet:
  1. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 500 m²;
  2. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  3. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  4. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in subsubparagraaf 9.4.1. 
9.5.3 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 9.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.5.4 Advies archeologisch deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene bouwregels

11.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.

11.2 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

  1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:
    1. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
    2. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
    3. waterhuishoudkundige voorzieningen.
  2. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
  3. Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden:
    1. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
    3. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m².

11.3 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen

  1. Het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen is toegestaan zonder omgevingsvergunning, mits:
    1. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;
    2. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;
    3. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;
    4. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en,
    5. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
  2. Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
    1. niet hoger dan 4 meter; en,
    2. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
  3. Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.

11.4 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
  1. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2;
  2. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in artikel 11 lid 2 t/m artikel 11 lid 3.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

 

12.1 Verbod

Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  2. detailhandel;
  3. seksinrichting;
  4. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  5. mestbewerking ten behoeve van niet door het gevestigde agrarische bedrijf ter plaatse geproduceerde mest.

12.2 Toegestane functies

Het is toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende functies:
  1. nutsvoorzieningen;
  2. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
  3. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

12.3 Voorwaardelijke bepaling 'specifieke vorm van groen - groene buffer bestaande woningen'

Bewoners van de nieuwe woningen grenzend aan de aanduiding “groene buffer-bestaande woningen” dienen de groene buffer ten behoeve van de bestaande woningen te onderhouden en in stand te houden.

12.4 Voorwaardelijke bepaling waterberging

Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'Woongebied' te gebruiken indien de waterberging niet binnen 3 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak, met dien verstande dat bij vrijstaande- en twee-onder-één-kapwoningen de waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd en vervolgens in stand dient te worden gehouden. De waterberging voor andere grondgebonden en niet grondgebonden woonvormen wordt elders in het plangebied gerealiseerd.

12.5 Voorwaardelijke bepaling kwaliteitsverbetering landschap

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden voor wonen in woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'Woongebied' is uitsluitend toegestaan indien: 
  1. ten minste 2% van de grondopbrengsten dient te worden geïnvesteerd als landschappelijke kwaliteitsverbetering;
  2. indien na realisatie van de landschappelijke kwaliteitsverbetering in het plangebied de 2% niet geheel is gebruikt, dient het resterende bedrag in het gemeentelijk groenfonds gestort te worden en gelabeld te worden;
  3. de gronden ter plaatse van de aanwijzing 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' landschappelijk worden ingepast conform het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in bijlage 4;
  4. de landschappelijke inpassing voldoet aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de rechtsopvolger daarvan;
  5. de landschappelijke kwaliteitsverbetering zoals bedoeld in sub a t/m c binnen maximaal 5 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan wordt gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.

12.6 Voorwaardelijke bepaling aanvullend archeologisch onderzoek

Het is niet toegestaan werkzaamheden uit te voeren die leiden tot bodemverstoring, zoals graven, heien, bouwen of het aanleggen van verhardingen, voordat een aanvullend archeologisch onderzoek is uitgevoerd en het plangebied door een deskundig archeoloog is vrijgegeven.

12.7 Voorwaardelijke bepaling doorlatendheidsonderzoek

Het is niet toegestaan werkzaamheden uit te voeren die leiden tot bodemverstoring, het aanleggen van verhardingen of het realiseren van bouwwerken, voordat een doorlatendheidsonderzoek van de bodem is uitgevoerd en de resultaten door een deskundige zijn beoordeeld en akkoord bevonden door het bevoegd gezag.

12.8 Voorwaardelijke bepaling akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden voor wonen in woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'Woongebied' is uitsluitend toegestaan indien een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai aantoont dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

12.9 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebied 'wetgevingszone - voorwaardelijke bepaling'

 
12.9.1 Verbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - voorwaardelijke bepaling' te gebruiken indien de groeninrichting en landschappelijke inpassing, conform bijlage bij de regels bijlage 4, niet binnen 3 jaar na inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan, ter plaatse van de gronden in het plangebied met de functie Groen, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden en de stroring in het fonds kwaliteitverbetering buitengebied van €110.769,65 binnen 30 dagen na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is gedaan door initiatiefnemer.

12.10 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone'

12.10.1 Verbod
Ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone - spuitzone' is het verboden om gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen, anders dan met gebruik van niet-chemische middelen en/of methoden.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 Overige zone - beekdal

13.1.1 Toepassingsbereik
Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - beekdal' is het beleid gericht op behoud en bescherming van de hydrologie en de landschappelijke openheid.
13.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden:
    Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:
    1. Het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen.
    2. Het aanbrengen van houtopstanden.
    3. Het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem.
    4. Het diepploegen van de bodem.
    5. Het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen.
  2. Uitzonderingen:
    Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
    1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
    2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
  3. Toelaatbaarheid:
    1. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien verzekerd is dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en aardkundige, hydrologische, archeologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden.
    2. Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydrologische waarden.

13.2 Overige zone - beperking veehouderij

13.2.1 Toepassingsbereik
Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - beperking veehouderij': 
  1. is uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet toegestaan;
  2. is toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij niet toegestaan.
 
13.2.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - beperking veehouderij' geldt in afwijking van het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemmingen dat:
    1. de oppervlakte van de gebouwen binnen een bestemmings-/bouwvlak waarbinnen een veehouderij(tak) is gelegen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en), ten hoogste de omvang heeft van de gebouwen die
      1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of
      2. gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning; of
      3. die zijn gebaseerd op een een vóór 21 september 2013 ingediend volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.
    2. de oppervlakte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen een bestemmings-/bouwvlak waarbinnen een veehouderij(tak) is gelegen, ten hoogste de omvang heeft van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die:
      1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of
      2. gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning; of
      3. die zijn gebaseerd op een een vóór 21 september 2013 ingediend volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan;
  2. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing indien de binnen het bestemmings-/bouwvlak gelegen veehouderij(tak) een grondgebonden veehouderij is.

13.3 Overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak

13.3.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - cultuurhistorische waardevol vlak' wordt gestreefd naar behoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
13.3.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden
  1. Verboden werken en werkzaamheden:
    Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - cultuurhistorische waardevol vlak' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
    1. Het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van max. 5 jaar).
    2. Het diepploegen en diepwoelen van de bodem.
    3. Het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem.
    4. Het wijzigen van de historische kavelindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
    5. Het graven en dempen van waterpartijen en watergangen.
  2. Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
    1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
    2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
  3. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:
    1. er geen aantasting plaatsvindt van de het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
    2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de openheid van de open akkers;
    3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
    4. de werkzaamheden bijdragen aan het herstel van verstoorde waarden (b.v het terugbrengen van bolle akkers).

13.4 Luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebieden

Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebieden', is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogten (uitgedrukt in meters boven NAP) zoals aangegeven op de Kaarten Obstakelbeheergebieden in verband met de Vliegfunnel, IHCS en ILS, uitsluitend toegestaan indien voorafgaand aan de vergunningverlening uit een schriftelijk advies van het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, blijkt dat de bouwhoogte geen gevaar vormt voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven.

Artikel 14 Overige regels

14.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten

  1. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
    Parkeergelegenheid
    1. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
    2. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan.
    3. Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan.
    4. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels.
    5. De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden.
    Ruimte voor laden en lossen van goederen
    1. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.
    2. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.
    Afwijkingsmogelijkheden
    1. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien:
    2. het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
    3. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en,
    2. een parkeerbalans en toelichting hierop; en/of
    3. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.

4 Overgangsrecht

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

15.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie

  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.