Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Landgoed Heijbroeck
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0770.TOBheijbroeck0122-VAST

Regels

 
Preambule
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Boeven-heuvel 14 en aansluitende gronden te Eersel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22j) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorzie-ning www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weer-gegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22j gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22j' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toe-passing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Boevenheuvel 14 en aanslui-tende gronden te Eersel, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOBheijbroeck0122-VAST zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bij-lage 1.
Artikel 3 Wijze van meten
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
Artikel 4 Doelen
 
Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op:
  1. het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en an-dere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet;
  2. het beschermen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  3. het bevorderen van een gezonde leefomgeving;
  4. het beschermen en verbeteren van landschappelijke, ecologische en natuurwaarden;
  5. het adaptief maken van de fysieke ruimte ten behoeve van de gevolgen van klimaatverandering en hittestress;
  6. het verwijderen van ontsierende bebouwing en verharding;
  7. het versterken van extensieve recreatieve voorzieningen.
 
2 Functies en activiteiten
   
Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurlijke waarden
 
5.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch met waarden- Landschappelijke en natuurlijke waarden' heeft de volgende functies:
  1. agrarisch gebruik;
  2. natuur- en landschapsbeheer;
  3. behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurparel';
  4. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
  5. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. extensief recreatief medegebruik;
  8. doeleinden van openbaar nut;
  9. erfbeplanting.
 
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten, en overeenkomstig de in 5.2 opgenomen regels over gebruik.
 
5.2 Specifieke regels over gebruik
A. Verbod
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken:
  1. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik en plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – natuur- en landschapsbeheer';
  2. voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van natuur- en landschapsbe-heer ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – natuur en landschapsbeheer’;
  3. voor detailhandel;
  4. voor buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  5. vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  6. voor woondoeleinden;
  7. voor het bewonen van een bedrijfsruimte;
  8. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen/kassen;
  9. huisvesting van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een ar-beidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is, en op tijdelijke arbeidsplaatsen;
  10. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour heb-ben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt;
  11. evenementen;
  12. mestbewerking.
 
B. Toegestane gebruiksvormen
 
5.2.1. Verhouding tussen gebruiksdoelen
Binnen de functie 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke en natuurlijke waarden' is het beleid primair zowel gericht op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame en concurrerende landbouw als op de bescherming van de aanwezige landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden.
 
5.2.2. Bouwvlak
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' zijn gebouwen en voorzieningen toegestaan ten behoeve van natuur- en landschapsbeheer van het landgoed. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
  1. de stalling van machines;
  2. de opslag van mest, hooi en voer;
  3. het verwerken en opslaan van hout en ander tuinafval;
  4. een verblijfsruimte voor personeel;
  5. een dierenverblijf.
 
5.2.3. Landschapselementen
De functie is mede gericht op behoud van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding 'landschaps-waarden'.
 
5.2.4. Extensief recreatief medegebruik
Het gehele gebied gelegen binnen deze functie mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.
 
5.3 Beoordelingsregels bouwwerken
5.3.1. Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de in 5.1 bedoelde functies gelden de volgende beoorde-lingsregels:
  1. Gebouwen mogen uitsluitend binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;
  2. De maximale gezamenlijke oppervlakte van gebouwen binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ bedraagt 500 m2;
  3. De maximale goothoogte bedraagt 3,2 meter, met dien verstande dat voor maximaal 10% van het ge-bouw een maximale goothoogte van 5 meter geldt;
  4. De maximale bouwhoogte bedraagt 12 meter;
  5. De dakhelling bedraagt minimaal 45º en maximaal 60º.
 
5.3.2. Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de in 5.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agra-risch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m mag bedragen;
    2. het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan;
    3. nieuwe teeltondersteunende voorzieningen (voor zover het bouwwerken betreft) niet zijn toe-gestaan.
  2. Ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouw-werken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m.
 
5.4 Vergunningsplicht
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werk-zaamheden uit te voeren:
  1. het vellen of rooien van houtgewas;
  2. het aanleggen van wegen en het aanbrengen van oppervlakte verhardingen ter plaatse van de aan-duiding 'landschapswaarden';
  3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2;
  4. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen.
 
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ of welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraag-de (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 1 wordt alleen verleend als:
    1. het aanbrengen van de leidingen niet leidt tot onevenredige aantasting van de agrarische belan-gen;
    2. er geen onherstelbare schade plaatsvindt aan ecologische waarden;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden' geen blijvende aantasting plaatsvindt van het landschapselement.
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 2 wordt alleen verleend als:
    1. de wegen en overige verhardingen noodzakelijk zijn;
    2. de wegen en overige verhardingen geen aantasting betekenen van de aanwezige landschappe-lijke inpassing, danwel er anderszins wordt voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpas-sing.
  3. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 3 wordt alleen verleend als:
    1. het aanbrengen van verhardingen noodzakelijk is in het kader van de functies zoals omschreven in 5.1;
    2. er geen onherstelbare schade plaatsvindt aan ecologische waarden.
  4. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 4 wordt alleen verleend als:
    1. het aanbrengen van de leidingen niet leidt tot onevenredige aantasting van de agrarische belan-gen;
    2. er geen onherstelbare schade plaatsvindt aan ecologische waarden;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden' geen blijvende aantasting plaatsvindt van het landschapselement.
 
Artikel 6 Natuur
 
6.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Natuur' heeft de volgende functies:
  1. ontwikkeling en vervolgens beheer en behoud van het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze regels;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurpa-rels;
  3. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;
  4. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
  5. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. extensief recreatief medegebruik;
  8. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;
  9. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – blokhut’ een blokhut;
  10. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – begraafplaats’ een particuliere begraaf-plaats en een gebouw ten behoeve van een herdenkingsruimte en schuilgelegenheid;
  11. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – follie’ een follie;
  12. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – hekwerk’ een hekwerk.
 
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals (on)verharde paden, banken, picknicktafels, bewegwijze-ring e.d. en overeenkomstig de in 6.2 opgenomen specifieke regels over gebruik.
 
6.2 Specifieke regels over gebruik
A. Verbod
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken:
  1. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. voor lawaaisporten;
  3. voor verblijfsrecreatie;
  4. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen.
 
B. Toegestane gebruiksvormen
 
6.2.1 Bescherming van waarden
Binnen de functie ‘Natuur’ is het beleid gericht op het beschermen van de landschappelijke en ecologische waarden.
 
6.2.2 Extensief recreatief medegebruik
Het gehele gebied gelegen binnen deze functie mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.
 
6.3 Beoordelingsregels bouwwerken
6.3.1 Algemeen
  1. Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in 6.1.
 
6.3.2 Blokhut
Voor het oprichten van een blokhut ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – blokhut’ gel-den de volgende beoordelingsregels:
  1. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,2 meter;
  2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter;
  3. de oppervlakte van de blokhut bedraagt maximaal 60 m2;
  4. De dakhelling bedraagt minimaal 45º en maximaal 60º.
 
6.3.3 Begraafplaats
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – begraafplaats' mogen graven en bijbehorende voorzieningen worden gerealiseerd. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Het maximum aantal graven bedraagt 2 stuks;
  2. De grond waar graven worden gerealiseerd is vrij van rechten;
  3. De minimale afstand van graven tot een nutsvoorziening bedraagt 15 meter;
  4. De minimale afstand van graven tot de perceelsgrens met derden bedraagt 25 meter;
  5. Voor graven dient sprake te zijn van een geohydrologische scheiding;
  6. Graven dienen voor het zicht vanaf een openbare weg of openbaar toegankelijk perceel visueel afge-schermd te worden met behulp van een natuurlijke, fysieke afscheiding met een hoogte van minimaal 1,80 meter die in het landschap inpasbaar is;
  7. Uit onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor het aanleggen van graven.
 
6.3.4 Herdenkingsruimte
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – begraafplaats' mag een gebouw met herden-kingsruimte en schuilgelegenheid worden gerealiseerd. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,2 meter;
  2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter;
  3. de oppervlakte van de herdenkingsruimte bedraagt maximaal 60 m2.
 
6.3.5 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 6.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen dan wel entreevoorzieningen maximaal 3 m;
  3. de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 10 m2;
  4. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor erfafscheidingen maximaal 1 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – hekwerk’ de maximale bouwhoogte voor erfafscheidingen 2 m bedraagt.
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – follie’ is een bouwwerk, geen gebouw zijnde toegestaan met de maximale afmetingen:
    1. maximale hoogte: 6 meter;
    2. maximale breedte: 10 meter;
    3. maximale diepte: 2 meter.
 
6.4 Vergunningsplicht
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werk-zaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van houtopstanden;
  2. het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
  3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen;
  4. het aanbrengen van ondergrondse leidingen.
 
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 1 wordt alleen verleend als de werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer.
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 2 wordt alleen verleend als deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer.
  3. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 3 wordt alleen verleend als:
    1. de verhardingen noodzakelijk zijn voor het beheren dan wel verbeteren van bos en natuur dan wel voor het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik;
    2. de verhardingen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden.
  4. De omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 4 wordt alleen verleend als er geen blijvende aan-tasting plaatsvindt van de aanwezige natuurwaarden
 
Artikel 7 Verkeer
 
7.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer’ heeft de volgende functies:
  1. verharde en semi verharde wegen ten behoeve van de ontsluiting van de gebouwen;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, wildbegeleidende en wildbescher-mingsvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen, parkeervoorzieningen, wandel- en/of fietspaden, open-bare nutsvoorzieningen, bermen, wegbeplantingen en sloten.
 
7.2 Beoordelingsregels bouwwerken
7.2.1 Algemeen
Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van de func-ties zoals genoemd in 7.1, alsmede gebouwen ten dienste van openbare nutsvoorzieningen.
 
7.2.2 Gebouwen t.b.v. nutsvoorzieningen
Voor het oprichten van gebouwen ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen gelden de volgende beoor-delingsregels:
  1. de oppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 10 m2;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
7.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in 7.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 8 m bedragen;
  2. In afwijking van het genoemde onder a bedraagt de maximale bouwhoogte van lichtmasten maxi-maal 10 m.
  
Artikel 8 Water
 
8.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Water’ heeft de volgende functies:
  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  2. water met ecologische waarden;
  3. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging;
  4. waterstaatkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken;
  5. beheer en onderhoud van de watergang;
  6. beeldende kunstwerken.
 
één en ander met de bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen e.d. en overeenkom-stig de in 8.2 opgenomen specifieke regels over gebruik.
 
8.2 Specifieke regels over het gebruik
Ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde' is de hydrologische functie toegestaan, in combinatie met de volgende aanvullende doeleinden:
  1. behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke en ecologische waarden van de waterloop;
  2. meandering van de beek;
  3. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging;
  4. waterstaatkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken;
  5. bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen e.d.
 
8.3 Beoordelingsregels bouwwerken
8.3.1. Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van de functies zoals omschreven in 8.1.
 
8.3.2. Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in 7.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verkeersgeleiding en wegverlichting mag niet meer bedragen dan 8 m.
  2. De bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m.
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
 
Artikel 9 Wonen - Landgoed
 
9.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen - Landgoed’ heeft de volgende functies:
  1. wonen in woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen;
  2. niet- publieksgerichte beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten;
  3. groenvoorzieningen;
  4. ontsluitingswegen;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. erfbeplanting en landschappelijke beplanting ten behoeve van een goede inpassing en/of visueel af-schermende functie naar het omliggende gebied, een en ander overeenkomstig het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 3;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterberging;
  8. paardenbak ter plaatse van aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – paardenbak’.
 
een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven en overeenkomstig de in 9.2 opge-nomen specifieke regels over gebruik.
 
9.2 Specifieke regels over het gebruik
A. Verbod
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken:
  1. ten behoeve van de bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  2. ten behoeve van de uitoefening van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
  3. ten behoeve van de bewoning van de landgoedwoningen indien het landgoed niet is aangelegd en in stand wordt gehouden conform het inrichtings- en beheerplan zoals opgenomen in Bijlage 3 bij deze regels
 
B. Toegestane gebruiksvormen
 
9.2.1 Extensief recreatief medegebruik
Het gehele gebied gelegen binnen deze functie mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering en dergelijke.
 
9.2.2 Niet publieksgericht aan-huis verbonden beroep of bedrijf
In een woning mag ook een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit worden uitgeoefend als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
  1. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 150 m².
  2. Een bed&breakfast mag bestaan uit maximaal twee kamers met elk maximaal 2 bedden.
  3. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer.
  4. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.
  5. Opslag vindt uitsluitend inpandig plaats.
  6. Detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis ver-bonden beroep.
  7. De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving.
  8. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
  9. De activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend in bedrijfscategorie 1 of 2 van de in de bijlage opge-nomen Staat van inrichtingen of een daarmee qua milieuhinder en uitstraling vergelijkbare activiteit.
 
9.2.3 Voorwaardelijke bepaling
Ten behoeve van het gebruik conform het gestelde in artikel 9.1 wordt de volgende voorwaardelijke verplichting gesteld:
  1. Voor het bouwen van gebouwen of bouwwerken als bedoeld in 9.3, dient de natuur- en landschappelijke inrichting van het landgoed binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan te worden gerealiseerd en in stand te worden gehouden op de wijze zoals is aangegeven in het inrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 3 en bijlage 4 bij deze regels.
  2. de vergunning voor het bouwen van gebouwen of bouwwerken als bedoeld in 9.3 wordt pas verleend in-dien de bebouwing en voorzieningen zoals aangeduid als fase 1 in bijlage 5 is gesloopt dan wel verwij-derd. De bebouwing en voorzieningen dienen uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan te zijn gesloopt dan wel verwijderd.
  3. Het gebruiken van gronden en bouwwerken zoals omschreven in artikel 9.1 is enkel toegestaan indien de bebouwing zoals aangeduid als fase 2 in bijlage 5 binnen 6 maanden na het gereed melden van de (ver)bouw van de woningen ter plaatse van ‘specifieke vorm van wonen – 5‘ en ‘specifieke vorm van wo-nen – 6’ is gesloopt. De bebouwing dient uiterlijk na drie jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan te zijn gesloopt.
  4. Het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van de functies zoals omschreven in artikel 9.1 is enkel toegestaan indien gelijktijdig met of in ieder geval voorafgaand aan de ingebruikname van de gronden het gebruik van de gronden voor een agrarisch bedrijf is gestaakt en gestaakt blijft, en de om-gevingsvergunning voor het bedrijfsmatig houden van dieren onherroepelijk is ingetrokken.
  5. Het gebruiken van de woning ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 5’ zo-als omschreven in artikel 9.1 is uitsluitend toegestaan indien binnen 3 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-Omgevingsplan is voorzien in een landschappelijke inpassing van de woning conform het inrich-tingsplan in bijlage 3. De inpassing dient na aanleg in stand te worden gehouden.
  6. Het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van de functies zoals omschreven in artikel 9.1 is enkel toegestaan indien de bodemverontreiniging zoals opgenomen in het bodemonderzoek in bijlage 6 is gesaneerd en een rapport van deze sanering akkoord is bevonden door het bevoegd gezag.
 
9.3 Beoordelingsregels bouwwerken
9.3.1. Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van de in 9.1 bedoelde functies gelden de volgende be-oordelingsregels:
  1. Woningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;
  2. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan;
  3. De maximale inhoud van de woning bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’: 5.600 m3 inclusief aan-gebouwde bijbehorende bouwwerken, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, dan geldt de bestaande inhoud als maximale inhoud’;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 2’: 2.000 m3 inclusief aan-gebouwde bijbehorende bouwwerken, tenzij de bestaande inhoud meer bedraagt, dan geldt de bestaande inhoud als maximale inhoud;
    3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 3’: 2.500 m3;
    4. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 4’, ‘specifieke bouwaandui-ding – wonen 5’ en ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 6’: 1.000 m3.
  4. De maximale gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’: 1.100 m2;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 2’: 500 m2;
  5. De maximale bouwhoogte van de woning bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’: 12,5 meter;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 2’: 12,5 meter;
    3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 3’: 12 meter;
    4. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 4’:
      1. Indien voorzien van een hellend dak (tussen 40º en 60º): 10 meter;
      2. Indien voorzien van een plat of flauw hellend dak (tussen 0º en 15º): 7 meter;
    5. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 5’ en specifieke bouwaan-duiding – wonen 6’: 9 meter.
  6. De maximale goothoogte van de woning bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 3’ en specifieke bouwaan-duiding – wonen 4’: 6 meter;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 5’: 3,5 meter, tenzij de be-staande goothoogte hoger is, dan geldt de bestaande hoogte als maximum;
    3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 6’: 4 meter.
  7. De dakhelling van de woning bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’, specifieke bouwaandui-ding – wonen 2’, ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 3 en ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 6’ : minimaal 40º en maximaal 60º;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 4’:
      1. Indien voorzien van een hellend dak: minimaal 40º en maximaal 60º;
      2. Indien voorzien van een plat of flauw hellend dak: minimaal 0º en maximaal 15º;
    3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - wonen 5’: minimaal 30º en maxi-maal 60º.
  8. De minimale afstand tot de perceelsgrens bedraagt ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouw-aanduiding – wonen 1’ en ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 2’ 10 meter.
 
9.3.2. Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de in 9.1 bedoelde functies gelden de vol-gende beoordelingsregels:
  1. De gezamenlijke maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 200 m2 per woning, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:
    1. ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’ een maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbeho-rende bouwwerken van 600 m2 is toegestaan;
    2. ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 6’ een maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbeho-rende bouwwerken van 250 m2 is toegestaan.
    3. ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’ en ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 2’ aangebouw-de bijbehorende bouwwerken niet worden meegerekend in deze maximale oppervlakte;
    4. ‘specifieke vorm van wonen – paardenbak’ geen bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan.
  2. De maximale goothoogte bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’, ‘specifieke bouwaandui-ding – wonen 2’ en ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 3’: 4 meter;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 4’: 3,5 meter;
    3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 5’ en specifieke bouwaan-duiding – wonen 6’: 3,2 meter.
  3. De maximale bouwhoogte bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’ en ‘specifieke bouwaan-duiding – wonen 2’: 12 meter;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 3’: 9 meter;
    3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 4’:
      1. Indien voorzien van een hellend dak (tussen 40º en 60º): 7,5 meter;
      2. Indien voorzien van een plat of flauw hellend dak (tussen 0º en 15º): 4,5 meter;
    4. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 5’ of ‘specifieke bouwaan-duiding – wonen 6’: 6 meter.
  4. De dakhelling bedraagt:
    1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’ of ‘specifieke bouwaan-duiding – wonen 2’: minimaal 45º en maximaal 60º;
    2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 3’ : minimaal 40º en maxi-maal 60º;
    3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 4’:
      1. Indien voorzien van een hellend dak: minimaal 40º en maximaal 60º;
      2. Indien voorzien van een plat of flauw hellend dak: minimaal 0º en maximaal 15º;
    4. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 5’: minimaal 0º en maximaal 45º;
    5. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 6’: minimaal 0º en maximaal 60º
  5. De afstand tussen woning en vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 40 meter.
 
9.3.3. Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de in 9.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 4 meter;
  3. de maximale oppervlakte van een paardenbak bedraagt 850 m2, met dien verstande dat paarden-bakken uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – paar-denbak’;
  4. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt 6 meter, met dien verstande dat lichtmasten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – paardenbak’.
 
Artikel 10 Leiding - Riool
 
10.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Leiding - Riool' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor de aanleg en instandhouding van een rioolwatertransportleiding met bijbehorende beschermingszone. Één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
 
10.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Leiding - Riool' zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie. De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt 2,5 meter.
 
10.3 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
10.3.1. Vergunningplicht oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, mits:
  1. geen onevenredige aantasting van de onder 10.1 genoemde leiding met bijbehorende beschermingszone plaatsvindt;
  2. door de bouw en situering van het bouwwerk geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de onder 10.1 genoemde leiding.
 
10.3.2. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden op of in de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanbrengen van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting, waaronder bjivoorbeeld rietbeplanting;
  3. het vellen of rooien van houtgewas;
  4. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  5. het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal split- en ploegwerk;
  6. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem;
  7. diepploegen;
  8. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  9. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  10. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.
 
B. Uitzondering vergunningplicht
Het onder A vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden:
  1. welke worden uitgevoerd ten dienste van de in 10.1 bedoelde leidingen;
  2. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;
  3. welke het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De in A genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken of werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en het doelmatig functioneren van de leidingen niet onevenredig wordt aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in A wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
 
Artikel 11 Leiding - Water
 
11.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Leiding - Water heeft, behalve de andere daar-aan toegekende functies, mede de functie voor de aanleg en instandhouding van een watertransportleiding met bijbehorende beschermingszone. Één en ander met de bijbehorende voorzieningen.
 
11.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Leiding - Water zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie.
 
11.3 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
11.3.1. Vergunningplicht oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen teneinde het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leiding geen bezwaar bestaat; dienaangaande wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
 
11.3.2. Vergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhe-den
A. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden op of in de voor 'Leiding – Water’ aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omge-vingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van (half-)verhardingen;
  2. het vergraven, ophogen, diepwoelen of diepploegen van de bodem;
  3. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
  4. het verwijderen van beplanting;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen;
  6. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  7. het graven van sloten en het leggen van (drainage)leidingen.
 
B. Uitzondering vergunningplicht
Het onder A vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden:
  1. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krach-tens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen wor-den uitgevoerd;
  2. welke het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De in A genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken of werk-zaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in A wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies inge-wonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
 
Artikel 12 Waarde - Archeologie 4.1
 
12.1. Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.1' heeft, behalve
de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle
verwachte archeologische informatie in de bodem.
 
12.2. Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 4.1' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouw-werken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
  1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  2. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  3. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 30 cm onder het bestaande maai-veld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².
 
12.3. Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onder-zoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond
(in situ) worden behouden.
 
12.4. Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
12.4.1. Vergunningplicht oprichten gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het be-paalde in 12.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Ten-einde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepa-len kwalificaties.
 
12.4.2. Aanvullende indieningsvereisten rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in 12.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
 
12.4.3. Beoordelingsregels, advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 12.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergun-ning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
12.4.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
A. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  2. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ont-ginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeerge-legenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  9. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee ver-band houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
B. Uitzondering vergunningsplicht
Het onder A vervatte verbod geldt niet:
  1. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 500 m2;
  2. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  3. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onder-houds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen be-staande tracés van kabels en leidingen;
  4. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende om-gevingsvergunning op grond van het bepaalde in 12.4.1.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in A mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwe-zige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
D. Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergun-ning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
Artikel 13 Waarde - Archeologie 6
 
13.1. Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 6' heeft, behalve
de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle
verwachte archeologische informatie in de bodem.
 
13.2. Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 6' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouw-werken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
  1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  2. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  3. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maai-veld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 25.000 m².
 
13.3. Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onder-zoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond
(in situ) worden behouden.
 
13.4. Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
13.4.1. Vergunningplicht oprichten gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het be-paalde in 13.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Ten-einde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepa-len kwalificaties.
 
13.4.2. Aanvullende indieningsvereisten rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in 13.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
 
13.4.3. Beoordelingsregels, advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 13.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergun-ning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
13.4.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
A. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  2. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ont-ginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeerge-legenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  9. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee ver-band houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
B. Uitzondering vergunningsplicht
Het onder A vervatte verbod geldt niet:
  1. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 25.000 m2;
  2. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  3. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onder-houds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen be-staande tracés van kabels en leidingen;
  4. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende om-gevingsvergunning op grond van het bepaalde in 13.4.1.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in A mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwe-zige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
D. Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergun-ning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
Artikel 14 Waarde - Landgoed
 
14.1. Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Landgoed' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor ontwikkeling, behoud , bescherming en beheer van de samenhang binnen het landgoed als ruimtelijk-functionele eenheid (natuur, bos, landbouw, park, tuin, recreatie en wonen), mede in relatie tot de landschappelijke entiteit zoals opgenomen in het inrichtingsplan in bijlage 3.
 
14.2. Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Landgoed' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwer-ken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits deze bijdragen aan de samenhang van het landgoed als ruimtelijk-functionele eenheid.
 
14.3. Maatwerkvoorschrift
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde , de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onder-zoek is gebleken dat deze de ruimtelijkfunctionele eenheid aan zouden kunnen tasten. De nadere eisen zijn erop gericht dat de ruimtelijk-functionele eenheid zoveel mogelijk wordt behouden.
 
14.4. Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
14.4.1. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
A. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het opsplitsen van het landgoed in meerdere separate onderdelen;
  2. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  3. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  4. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  5. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee ver-band houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
B. Uitzondering vergunningplicht
Het onder A vervatte verbod geldt niet:
  1. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onder-houds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen be-staande tracés van kabels en leidingen;
  2. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krach-tens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen wor-den uitgevoerd;
  3. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende om-gevingsvergunning op grond van het bepaalde in 14.1.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in A wordt slechts verleend indien door de uitvoering de aanwezige ruimtelijk-functionele eenheid niet onevenredig (kan) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) de ruimtelijk-functionele eenheid wordt behouden.
 
D. Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een ter zake deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de ruimtelijk-functionele eenheid van het land-goed, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
  
Artikel 15 Waterstaat - Waterbergingsgebied
 
15.1 Toepassingsbereik en gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' heeft, be-halve
de andere daaraan toegekende functies, mede de functie om tijdelijk water op te vangen.
 
15.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen em bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie. De maximale bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt 2 meter.
 
15.3 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
15.3.1 Vergunningplicht oprichten bouwwerken
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien het waterbergend vermogen van de gronden niet onevenredig wordt aangetast.
  2. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in 15.3.1 onder a. wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap.
 
15.3.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
A. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden op of in de voor 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' aangewezen gronden zonder of in afwij-king van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen van gronden;
  2. het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
 
B. Uitzondering vergunningplicht
Het onder A vervatte verbod geldt niet voor een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden:
  1. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitge-voerd;
  2. welke betreffen het normale onderhoud en beheer.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in A mag alleen worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterbergend vermogen van de gronden.
 
D. Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in A wint het bevoegd gezag advies in bij de waterbeheerder.
 
3 Algemene regels
Artikel 16 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gege-ven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 17 Algemene bouwregels
 
17.1. Afwijkende maatvoering
Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet, maar in afwijking van dit hoofdstuk 22j, zijn toegestaan. Herbouw van deze bestaande gebouwen is niet toegestaan.
 
Artikel 18 Algemene gebruiksregels
 
18.1. Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken:
  1. in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan
  2. ten behoeve van de beoefening van lawaaisporten.
 
Artikel 19 Algemene aanduidingsregels
 
19.1. overige zone - reservering waterberging
19.1.1. Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – reservering waterberging' zijn activiteiten toegestaan die bijdra-gen aan het behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.
 
19.1.2. Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – reservering waterberging' mag, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, op of in deze zone begrepen gronden, met uitzondering van de gronden binnen een bouwvlak geen bebouwing worden opgericht.
 
19.1.3. Vergunningplicht oprichten bebouwing
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van bebouwing als toege-staan ingevolge de voor deze gronden geldende functies, indien door de bouw en situering van de be-treffende bebouwing het waterbergend vermogen van de gronden niet wordt aangetast.
  2. Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het water-schap.
 
19.1.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
a. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering wa-terberging' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. Ophogen van gronden.
  2. Het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
  3. Het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld).
  4. Het leggen van leidingen resp. het diepploegen, diepwoelen van de bodem op diepte van meer dan 0,60 m.
  5. Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
  6. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlo-pen, sloten en greppels.
  7. De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand.
  8. Het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
  9. Het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt.
  10. Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
  11. Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
 
b. Uitzondering vergunningsplicht:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeen-komstig de bestemming;
  2. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleen-de vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
c. Beoordelingsregels omgevingsvergunning:
  1. De onder a. genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien door de-ze werken of werkzaamheden, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterber-gende vermogen van de gronden.
  2. Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd ge-zag advies in bij het waterschap.
 
19.2. Overige zone - behoud en herstel watersystemen
19.2.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' hebben de gronden mede een functie voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen waarbij het gebied een breedte heeft van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.
 
19.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken
In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' op of in deze zone begrepen gronden, met uitzondering van de gronden binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ geen bebouwing worden opgericht.
 
19.2.3 Vergunningplicht oprichten bebouwing
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 19.2.2 ten behoeve van bebouwing als toegestaan ingevolge de voor deze gronden geldende functies, in-dien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing het waterbergend vermogen van de gronden en/of ecologische verbinding niet wordt aangetast.
  2. Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het water-schap.
 
19.2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam-heden
a. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en her-stel watersystemen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. Ophogen van gronden.
  2. Het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
  3. Het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld).
  4. Het leggen van leidingen resp. het diepploegen, diepwoelen van de bodem op diepte van meer dan 0,60 m.
  5. Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
  6. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlo-pen, sloten en greppels.
  7. De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand.
  8. Het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
  9. Het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt.
  10. Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
  11. Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
 
b. Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. Het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeen-komstig de bestemming.
  2. Krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleen-de vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
c. Toelaatbaarheid:
  1. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien verzekerd is dat geen on-evenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en aardkundige, hydrologische, ar-cheologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden.
  2. Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd ge-zag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydro-logische waarden.
 
19.3. Overige zone – natuurnetwerk brabant
19.3.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – natuurnetwerk brabant' hebben de gronden mede een functie voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
 
19.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken
In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – natuurnetwerk brabant' op of in deze zone begrepen gronden, met uitzondering van de gronden binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ en het werkingsgebied ‘Wonen’ geen bebouwing worden opgericht.
 
19.3.3 Vergunningplicht oprichten bebouwing
  1. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 19.3.2 voor het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de bescherming van het natuurnetwerk brabant of het recreatieve medegebruik daarvan indien door de bouw en situe-ring van de betreffende bebouwing de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden niet worden aangetast.
  2. Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het water-schap.
 
19.3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam-heden
a. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – natuurnetwerk brabant' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. Ophogen van gronden.
  2. Het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
  3. Het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld).
  4. Het leggen van leidingen resp. het diepploegen, diepwoelen van de bodem op diepte van meer dan 0,60 m.
  5. Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
  6. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlo-pen, sloten en greppels.
  7. De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand.
  8. Het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
  9. Het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt.
  10. Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
  11. Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
 
b. Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. Het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeen-komstig de bestemming.
  2. Krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleen-de vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
  3. Binnen een bouwvlak plaatsvinden.
 
c. Toelaatbaarheid:
  1. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien verzekerd is dat geen on-evenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en aardkundige, hydrologische, ar-cheologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden.
  2. Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd ge-zag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydro-logische waarden.
 
19.4. Overige zone – natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone
19.4.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone' zijn de gronden tevens aangewezen voor de instandhouding van waarden teneinde de toekomstig te realiseren eco-logische verbindingszones, niet onmogelijk te maken.
 
19.4.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam-heden
a. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2 uit te voeren of te laten uitvoeren.
 
b. Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud, beheer en gebruik van de gronden betreffen overeenkomstig de be-stemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
  2. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleen-de vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
 
c. Toelaatbaarheid:
  1. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien is verzekerd dat het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van ecolo-gische verbindingszones.
 
19.5. Overige zone – struweelvogels
19.5.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - struweelvogels' is het beleid gericht op behoud en bescherming van het leefgebied van struweelvogels (struwelen, houtopstanden).
 
19.5.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam-heden
a. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - struweelvogels' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de grond af te graven, op te hogen of te egaliseren.
 
b. Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud, beheer en gebruik van de gronden betreffen overeenkomstig de be-stemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
  2. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleen-de vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
 
c. Toelaatbaarheid:
  1. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien is verzekerd dat het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van ecolo-gische verbindingszones.
  2. Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd ge-zag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydro-logische waarden.
 
19.6. Overige zone – watergangen
19.6.1 Aanduidingsomschrijving
De voor 'overige zone - watergangen' aangeduide gronden zijn mede bedoeld voor:
 
  1. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  2. water met ecologische waarden;
  3. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging;
  4. waterstaatkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken;
  5. vijvers.
 
19.7. Overige zone – cultuurhistorisch vlak
19.7.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch vlak' wordt gestreefd naar behoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische en land-schappelijke waarden.
 
19.7.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werk-zaamheden
a. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de vol-gende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. Het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van max. 5 jaar).
  2. Het diepploegen en diepwoelen van de bodem.
  3. Het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem.
  4. Het wijzigen van de historische kavelindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingsele-menten is aangegeven.
  5. Het graven en dempen van waterpartijen en watergangen.
 
b. Uitzonderingen:
Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
 
c. Toelaatbaarheid:
De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:
  1. er geen aantasting plaatsvindt van de het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
  2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de openheid van de open akkers;
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische en landschappelijke waar-den;
  4. de werkzaamheden bijdragen aan het herstel van verstoorde waarden (b.v het terugbrengen van bolle akkers).
 
Artikel 20 Overgangsrecht
 
20.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uit-voering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwer-kingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepa-lingen.
 
20.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veran-deren of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door de-ze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervat-ten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen gel-dende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepa-lingen.