direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Eerselseweg 35 en Sneidershoek 2 te Knegsel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0770.TOBeerselwg350121-VAST

Regels

Préambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van uitbreiding van een bedrijfsfunctie en transformatie van vab-locatie naar woningbouwontwikkeling aan Eerselseweg 35 en Sneidershoek 2 te Knegsel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22i.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22i’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Eerselseweg 35 en Sneidershoek 2 te Knegsel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOBeerselwg350121-VAST zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.

Artikel 4 Doelen

  • 1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  • 2. De gemeente Eersel staat voor een nieuwe periode van groei waarin behoefte bestaat aan het realiseren van nieuwe woningen in verschillende woonmilieus.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf

5.1 Functieomschrijving

Een werkingsgebied dat op de plankaart is aangewezen als 'Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf' heeft de volgende functies:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - planten- en bomencentrum' een planten- en bomencentrum met daarbij behorende
    • 1. boomkwekerij;
    • 2. tuincentrum;
    • 3. hoveniersbedrijf;
    • 4. opslag van planten en bomen ter plaatse van de aanduiding 'opslag'.
  • b. wonen in een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' met bijbehorende bouwwerken;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

een en ander met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.

5.2 Specifieke regels over gebruik
5.2.1 Verbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te laten gebruiken voor en/of als:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik;
  • b. voor ondersteunende horeca;
  • c. en seksinrichting;
  • d. vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  • e. woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • f. het bewonen van bedrijfsruimte;
  • g. een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis of een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
  • h. een geluidzoneringsplichtige inrichting;
  • i. een risicovolle inrichting;
  • j. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt;
  • k. vestiging van mestbewerking of een toename van de gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking.

5.2.2 Toegestane gebruiksvormen
a Bed & Breakfast

Het is toegestaan om in een bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken, als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, een bed & breakfast te exploiteren, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • 1. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 80 m²
  • 2. De bed & breakfast mag bestaan uit maximaal twee kamers met elk maximaal 2 bedden.
  • 3. Wanneer bed & breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin een keuken of soortgelijke voorziening toegestaan.
  • 4. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer.
  • 5. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.
  • 6. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

b Parkeervoorzieningen

De gronden zijn mede bestemd voor erfverharding en (verharde) parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'.

5.2.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het gebruik van de in 5.1 bedoelde functies is enkel toegestaan indien:

  • a. de landschappelijke inpassing als bedoeld in Bijlage 3 binnen 2 jaar na het inwerkingtreden van dit omgevingsplan is aangeplant;
  • b. de onder a genoemde landschappelijke inpassing duurzaam wordt beheerd en in stand wordt gehouden.

5.2.4 Voorwaardelijke verplichting waterberging

Het gebruik van de in 5.1 bedoelde functies is enkel toegestaan indien benodigde waterberging is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak.

5.3 Beoordelingsregels - bouwen
5.3.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 5.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze functie;
  • b. de afstand tot de bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter;
  • c. de afstand tot de as van de weg bedraagt niet minder dan 15 meter;
    • 1. bestaande kleinere afstanden zijn toegestaan.
  • d. indien en voorzover binnen een functievlak een werkingsgebied 'bouwvlak' is aangegeven, mogen gebouwen uitsluitend worden opgericht ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak'.

5.3.2 Bedrijfswoningen

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen:

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bedrijfswoning' worden gebouwd, en maximaal één per aanduiding;
  • b. de goothoogte van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 3,5 meter;
  • c. de bouwhoogte van een bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 9 meter;
  • d. de inhoud van een bedrijfswoning, inclusief aangebouwde bijgebouwen, bedraagt niet meer dan 750 m³, tenzij:
    • 1. de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt;
    • 2. het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het gehele bestaand boerderijlichaam/bouwmassa daarvan als maximum geldt;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 150 m²;
  • f. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 3,2 meter;
  • g. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 6 meter;
  • h. de afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot de bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 15 meter, tenzij de bestaande afstand meer bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als maximum;
  • i. voor het herbouwen van bestaande woningen geldt:
    • 1. de herbouw vindt grotendeels plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning;
    • 2. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooijlijn van de woning;
    • 3. de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en).

5.3.3 Bedrijfsgebouwen

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen:

  • a. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 5.015 m², bestaande uit maximaal 2.000 m² aan kassen;
  • c. de goothoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt niet meer dan 6,5 meter;
  • d. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt niet meer dan 10 meter;
  • e. de dakhelling bedraagt niet minder dan 15° en niet meer dan 60°, met dien verstande dat de minimale dakhelling niet geldt voor ondergeschikte platte tussenleden en andere gebouwen van ondergeschikte aard.

5.3.4 Teeltondersteunende voorzieningen

Ter plaatse van de aanduiding 'opslag' zijn de volgende beoordelingsregels van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen:

  • a. teeltondersteunende voorzieningen mogen zowel binnen als buiten het werkingsgebied 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 3 meter.

5.3.5 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het werkingsgebied 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn bedraagt niet meer dan 1,5 meter, indien geplaatst achter de voorgevellijn bedraagt de bouwhoogte niet meer dan 2 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt niet meer dan 6 meter.

5.4 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek. 

5.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
5.5.1 Vergunningplicht afwijken m.b.t. herbouw

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde onder 5.3.2 een omgevingsvergunning verlenen teneinde de voorgevel te kunnen plaatsen buiten de (voormalige) voorgevelrooilijn, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar;
  • b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning;
  • c. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast;
  • d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;
  • e. er moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder;
  • f. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • h. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

5.5.2 Vergunningplicht verkleinen minimum afstand van bebouwing tot de weg

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.3.3 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering moet aanwezig zijn;
  • b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;
  • c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven;
  • d. de wegbeheerder dient te worden gehoord;
  • e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast;
  • f. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder;
  • g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • h. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

5.5.3 Vergunningplicht verkleinen minimum afstand zijdelingse bouwperceelsgrens

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.3.3 teneinde de minimum afstand van gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens te verkleinen voor bedrijfswoningen en/of bijbehorende bouwwerken. Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:

  • a. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • d. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  • e. bij monumentale panden is een positief advies van de monumentencommissie vereist;
  • f. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

5.5.4 Vergunningplicht grotere bouwhoogte i.v.m. technische maatregelen

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.3.3 teneinde een grotere bouwhoogte toe te staan voor het treffen van milieutechnische maatregelen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m boven de (feitelijke) hoogte van het betreffende gebouw;
  • b. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • c. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • d. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

5.5.5 Afwijking agrarisch verwant bedrijf/agrarisch technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 teneinde een vorm van agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit bij een bedrijf toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  • b. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 250 m²;
  • c. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het bedrijf mag maximaal 1.000 m² bedragen; de oppervlakte die nodig is voor het plaatsen van kampeermiddelen wordt hierbij niet meegerekend;
  • d. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • e. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  • f. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • h. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
  • i. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • j. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • k. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
  • l. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document;
  • m. bedrijven die behoren tot categorie 3 of hoger van de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 6) zijn niet toegestaan.
  • n. voor de vestiging van mestbewerking en/of een toename van de gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking gelden in aanvulling op het bepaalde onder a. tot en met m. de volgende voorwaarden:
    • 1. de mest wordt met pijpleidingen aangevoerd vanaf de locatie waar de mest wordt geproduceerd;
    • 2. ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;
    • 3. de op-, overslag en verwerking van producten vindt niet in de openlucht plaats;
    • 4. de mestbewerking is vanuit het oogpunt van een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
    • 5. de locatie is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel', de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' of de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant'.
    • 6. de landschappelijke inpassing bedraagt ten minste 15% van de omvang van het bouwperceel;
    • 7. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling;
    • 8. er dient te worden aangetoond dat geen toename van ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden plaatsvindt.

5.5.6 Afwijking zorgverlenende nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 teneinde - bedrijfsmatige - nevenactiviteiten in de vorm van zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak toe te staan bij een bedrijf, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 500 m²;
  • c. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het bedrijf mag maximaal 500 m² bedragen; de oppervlakte die nodig is voor het plaatsen van kampeermiddelen wordt hierbij niet meegerekend;
  • d. ondergeschikte en ondersteunende horeca, met een inpandige oppervlakte van maximaal 100 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 200 m²;
  • e. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  • f. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • h. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • i. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • j. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
  • k. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

5.5.7 Afwijking recreatieve nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 teneinde als nevenactiviteit bij een bedrijf extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theehuis, ambachtelijke ijs- of kaasmakerij, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen en exposities, bed en breakfastvoorzieningen in een grotere omvang e.d., toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de nevenactiviteit vindt plaats naast en ter ondersteuning van de bedrijfsvoering;
  • b. verblijfsrecreatieve activiteiten zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van vakantieappartementen, kamerverhuur, bed & breakfast e.d.; solitaire recreatiewoningen, kampeermiddelen en stacaravans zijn niet toegestaan;
  • c. maneges zijn niet toegestaan;
  • d. de nevenactiviteit dient plaats te vinden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; de nevenactiviteit is daarnaast toegestaan in cultuurhistorisch waardevolle vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
  • e. bed & breakfast is toegestaan met een maximum van 10 (éénpersoons)bedden per bedrijf;
  • f. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 500 m²; de oppervlakte die nodig is voor het plaatsen van kampeermiddelen wordt hierbij niet meegerekend;
  • g. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het bedrijf, exclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 1.000 m² bedragen;
  • h. ondergeschikte en ondersteunende horeca, met een inpandige oppervlakte van maximaal 100 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 200 m²;
  • i. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • j. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  • k. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • l. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  • m. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • n. detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm;
  • o. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
  • p. vooraf kan door de gemeente advies worden ingewonnen bij de commissie Recreatie en Toerisme;
  • q. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

5.5.8 Afwijking inpandige statische opslag als nevenactiviteit

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 teneinde nevenactiviteiten in de vorm van inpandige statische opslag toe te staan bij een bedrijf, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  • b. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen;
  • c. de vloeroppervlakte van de bebouwing, die wordt aangewend voor de nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 750 m²;
  • d. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
  • e. de milieubelasting mag niet toenemen;
  • f. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • g. het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • h. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  • i. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • j. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • k. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
  • l. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

5.5.9 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden
a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen
  • 2. het verwijderen van houtopstanden;
  • 3. het aanbrengen van ondergrondse leidingen.

b Uitzondering vergunningplicht

Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. welke plaatshebben ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.

c Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 1 wordt alleen verleend als:

  • 1. de wegen en overige verhardingen noodzakelijk zijn;
  • 2. de wegen en overige verhardingen geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing betekenen, danwel er anderszins wordt voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 2 wordt alleen verleend als:

  • 1. het verwijderen noodzakelijk is;
  • 2. het verwijderen geen onevenredige aantasting betekent van het landschapselement.

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 3 wordt alleen verleend als:

  • 1. er geen blijvende aantasting plaatsvindt van het landschapselement.

Artikel 6 Groen - Landschappelijke inpassing

6.1 Functieomschrijving

Een werkingsgebied dat op de plankaart is aangewezen als 'Groen - Landschappelijke inpassing' heeft de volgende functies:

  • a. het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen, een en ander overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 3; 
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 
  • c. calamiteitenroutes;
  • d. doeleinden van openbaar nut;
  • e. extensief recreatief medegebruik;

een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals doorgangen.

6.2 Specifieke regels over het gebruik
6.2.1 Verbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken voor: 

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten behoeve van de in artikel 6.1 bedoelde functies; 
  • b. het aanleggen van wegen en/of verhardingen, anders dan bedoeld in 6.4.1.

6.3 Beoordelingsregels - bouwen
6.3.1 Algemeen

Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van erfafscheidingen en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' in de vorm van geluidwerende voorzieningen.

6.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - schuilgelegenheid' zijn bouwwerken toegestaan uitsluitend in de vorm van een schuilgelegenheid, waarbij de volgende beoordelingsregels gelden:

  • a. de maximale goothoogte bedraagt 2,5 meter;
  • b. de maximale bouwhoogte bedraagt 3,75 meter;
  • c. de maximale bebouwde oppervlakte bedraagt 16 m².

6.3.3 Beoordelingsregels erfafscheidingen

Voor erfafscheidingen gelden de volgende beoordelingsregels: 

  • a. een erfafscheiding mag uitsluitend in een open constructie; 
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 1 m.

6.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
6.4.1 Werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Aanwijzing vergunningplichtige gevallen-

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: 

  • 1. het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen als doorgang; 
  • 2. het verwijderen van houtopstanden ten behoeve van een doorgang.

b Uitzondering vergunningplicht-

Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen.

c Beoordelingsregels omgevingsvergunning-

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 1 wordt alleen verleend als: 

  • a. de wegen en overige verhardingen moeten noodzakelijk zijn voor het (agrarische) gebruik, behorende bij de naastgelegen gronden; 
  • b. er vindt geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing plaats; of 
  • c. er wordt elders voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 2 wordt alleen verleend als: 

  • a. het verwijderen noodzakelijk is voor het (agrarische) gebruik, behorende bij de naastgelegen gronden; 
  • b. bij de werkzaamheden geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing plaatsvindt; of 
  • c. elders wordt voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

6.4.2 Wijzigen landschappelijke inpassing

Een omgevingsvergunning ten behoeve van de wijziging van het landschappelijk inpassingsplan wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels: 

  • a. het gewijzigde landschappelijk inpassingsplan dient gelijkwaardig te zijn aan de in Bijlage 3 opgenomen landschappelijk inpassingsplan; 
  • b. voldaan wordt aan de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document zoals die geldt op het tijdstip van de ontvankelijke aanvraag van de omgevingsvergunning.

Artikel 7 Natuur

7.1 Functieomschrijving

Een werkingsgebied dat op de plankaart is aangewezen als 'Natuur' heeft de volgende functies:

  • a. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels, een en ander overeenkomstig het natuurinrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 4;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;
  • c. de aanleg en instandhouding van bos ter plaatse van de aanduiding 'bos';
  • d. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
  • e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. extensief recreatief medegebruik;
  • h. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen zoals (on)verharde paden en overeenkomstig de in 7.3 opgenomen specifieke gebruiksregels.

7.2 Specifieke regels voor gebruik
7.2.1 Verbod

Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken en/of laten gebruiken voor en/of als:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • b. lawaaisporten;
  • c. verblijfsrecreatie;
  • d. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen.

7.2.2 Toegestane gebruiksvormen
a Bescherming van waarden

Binnen de functie 'Natuur' is het beleid gericht op het beschermen van de landschappelijke en ecologische waarden.

b Extensief recreatief medegebruik

Het gehele gebied gelegen binnen deze functie mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

7.3 Beoordelingsregels - bouwen
7.3.1 Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze functie.

7.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 7.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen dan wel schuilvoorzieningen maximaal 3 m;
  • c. de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 10 m2;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a, bedraagt de bouwhoogte voor erfafscheidingen maximaal 1 meter.

7.4 Omgevingsvergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit
7.4.1 Werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a -Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: 

  • 1. het verwijderen van houtopstanden;
  • 2. het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
  • 3. het graven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • 4. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en half verhardingen;
  • 5. het aanbrengen van ondergrondse leidingen.

b -Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder a. vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;
  • b. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer

c -Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 1 wordt alleen verleend als:

  • a. deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer.

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 2 wordt alleen verleend als: 

  • a. deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van bos- of natuurbeheer.

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 3 wordt alleen verleend als:

  • a. deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van bos- of natuurbeheer;
  • b. de werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige aantasting van het reliëf.

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 4 wordt alleen verleend als:

  • a. de verhardingen noodzakelijk zijn voor het beheren dan wel verbeteren van bos en natuur dan wel voor het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik;
  • b. de verhardingen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden.

De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 5 wordt alleen verleend als:

  • a. er geen blijvende aantasting plaatsvindt van de aanwezige natuurwaarden.

Artikel 8 Verkeer - Openbaar gebied

8.1 Functieomschrijving

Een werkingsgebied dat op de plankaart is aangewezen als 'Verkeer - Openbaar gebied' heeft de volgende functies:

  • a. wegen, straten en voorzieningen voor langzaam verkeer;
  • b. bermen en beplanting;
  • c. inritten ten behoeve van aangrenzende bouwpercelen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

 

8.2 Beoordelingsregels - bouwen
8.2.1 Verbod

Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen te bouwen.

8.2.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 8.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van erf- enterreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter.

8.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. het voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • d. de sociale veiligheid.

Artikel 9 Wonen

9.1 Functieomschrijving

Een werkingsgebied dat op de plankaart is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen in woningen;
  • b. tuinen, erven en erfverhardingen;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen zoals tuinen en erven en overeenkomst de in 9.2 opgenomen specifieke regels voor gebruik.

9.2 Specifieke regels over gebruik
9.2.1 Algemeen
  • a. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken en/of laten gebruiken voor en/of als:
    • 1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
    • 2. een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis.
  • b. Het gebied ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken' is geen achtererfgebied als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor zover het gaat om voor bewoning gebruikte bijbehorende bouwwerken.

9.2.2 Toegestane gebruiksvormen
a Niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

Het is toegestaan om als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie in een gedeelte van een woning en/of bijbehorende bouwwerk een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uit te oefenen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • 1. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 150 m².
  • 2. De bed&breakfast mag bestaan uit maximaal twee kamers met elk maximaal 2 bedden.
  • 3. Wanneer bed&breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin geen keuken of soortgelijke voorziening toegestaan.
  • 4. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer.
  • 5. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.
  • 6. Opslag vindt uitsluitend inpandig plaats.
  • 7. Detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep.
  • 8. De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving.
  • 9. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
  • 10. De activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend in bedrijfscategorie 1 of 2 van de in Bijlage 6 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.

b Bed & Breakfast

Gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bed & breakfast in een grotere omvang dan genoemd onder a, is uitsluitend toegestaan via een omgevingsvergunning als bedoeld in 9.5.4.

c Landschapselementen

De functie is mede gericht op behoud van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden'.

9.2.3 Voorwaardelijke verplichting waterberging

Het gebruiken en (doen) laten gebruiken voor de voor 'Wonen aangewezen gronden is alleen toegestaan indien benodigde waterberging is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak.

9.2.4 Voorwaardelijke verplichting sanering

Ten aanzien van sanering van de voormalige veehouderij gelden de volgende bepalingen:

  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen als bedoeld in 9.3 kan slechts worden verleend indien de omgevingsvergunning voor het bedrijfsmatig houden van dieren onherroepelijk is ingetrokken.
  • b. De bouw van gebouwen als bedoeld in 9.3 kan pas gestart worden indien alle gebouwen ten behoeve van de veehouderij zijn gesloopt en gesloopt blijven.

9.2.5 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het gebruiken en (doen) laten gebruiken voor de voor 'Wonen' aangewezen gronden is alleen toegestaan indien de landschappelijke inpassing en natuurinrichting zoals opgenomen in Bijlage 3 en Bijlage 4 binnen 2 jaar inwerkingtreding van dit plan is aangelegd en duurzaam in stand wordt gehouden.

9.3 Beoordelingsregels - bouwen
9.3.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 9.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze functie;
  • b. het maximum aantal wooneenheden bedraagt niet meer dan het aantal zoals met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangeduid op de plankaart;
  • c. hoofdgebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden in de volgende typologieën:
    • 1. twee-aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'tae';
    • 2. aaneengebouwde woningen ter plaatse van het werkingsgebied 'ae';
  • d. de afstand tot de bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter;
  • e. de afstand tot de as van de weg bedraagt niet minder dan 15 meter.

9.3.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de inhoud per woning mag ter plaatse van het werkingsgebied 'tae' niet meer bedragen dan 500 m³;
  • b. de inhoud van de totale bouwmassa ter plaatse van het werkingsgebied 'ae' mag niet meer bedragen dan 1.600 m³;
  • c. de goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 3,5 meter;
  • d. de maximale goothoogte geldt voor minimaal 60% van de lengte van de goot;
  • e. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 9 meter;
  • f. de dakhelling bedraagt niet meer dan 60°;
  • g. voor herbouw gelden de volgende aanvullende regels:
    • 1. de herbouw vindt grotendeels plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning;
    • 2. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning;
    • 3. de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en).

9.3.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw bedraagt:
    • 1. ter plaatse van het werkingsgebied 'tae': 75 m² per woning;
    • 2. ter plaatse van het werkingsgebied 'ae': 60 m² per woning.
  • b. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 3,2 meter;
  • c. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  • d. in afwijking van het gestelde onder b en c geldt ter plaatse van het werkingsgebied 'tae' voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een doorlopend dakvlak vanuit het hoofdgebouw, een goothoogte van maximaal de goothoogte van het hoofdgebouw en een bouwhoogte van maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • e. de dakhelling bedraagt minimaal 0° en maximaal 45°;
  • f. de afstand tussen de woning en vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 15 meter, tenzij de bestaande afstand meer bedraagt dan 15 meter, dan geldt de bestaande afstand als maximum.

9.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 9.1 bedoelde functies, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. overkappingen dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' een afwijkende bouwhoogte is opgenomen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel; niet meer mag bedragen dan 1 meter;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  • d. de oppervlakte van paardenbakken bedraagt maximaal 800 m² tezamen met het deel dat eventueel binnen een ander werkingsgebied is gesitueerd.

9.4 Maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.

9.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
9.5.1 Vergunningplicht afwijken m.b.t. herbouw

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde onder 9.3.2 een omgevingsvergunning verlenen teneinde de voorgevel te kunnen plaatsen buiten de (voormalige) voorgevelrooilijn, mits aan de volgende beoordelingsregels wordt voldaan:

  • a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar;
  • b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning;
  • c. herbouw van gesplitste boerderij(woningen) is niet toegestaan;
  • d. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast;
  • e. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;
  • f. er moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder;
  • g. de herbouw op de betreffende locatie is milieuhygiënische aanvaardbaar;
  • h. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • i. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • j. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

9.5.2 Vergunningplicht verkleinen minimum afstand zijdelingse bouwperceelsgrens woningen en/of bijbehorende bouwwerken

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.3.3 teneinde de minimum afstand van gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens te verkleinen voor woningen en/of bijbehorende bouwwerken. Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:

  • a. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • d. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  • e. bij monumentale panden is een positief advies van de monumentencommissie vereist;
  • f. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

9.5.3 Vergunningplicht vergelijkbare activiteit aan huis

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2 teneinde bedrijven aan huis toe te staan, die qua aard en omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen zijn met de in 9.2.2 toegestane bedrijven maar die niet zijn genoemd in de in Bijlage 6 Staat van bedrijfsactiviteiten, mits:

  • a. omtrent de vergelijkbaarheid van de invloed op het milieu en de omgeving advies wordt gevraagd aan een onafhankelijke terzake deskundige;
  • b. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • c. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

9.5.4 Afwijking bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.2 teneinde als nevenactiviteit bij een hoofdgebouw, bed & breakfast voorzieningen e.d., in een grotere omvang toe te staan, mits aan de volgende beoordelingsregels wordt voldaan:

  • a. deze nevenactiviteit is in de woning en de daarbij behorende aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan;
  • b. wanneer bed&breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin geen keuken of soortgelijke voorziening toegestaan;
  • c. de nevenactiviteit is ondergeschikt van aard;
  • d. er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  • e. de gebruiksoppervlakte niet meer mag bedragen dan 300 m2;
  • f. ten behoeve van de bed & breakfast voorzieningen zijn maximaal 10 (éénpersoons)bedden toegestaan; permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
  • g. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • h. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • i. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  • j. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 4.2

10.1 Functieomschrijving

Een werkingsgebied dat op de plankaart is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

10.2 Beoordelingsregels - bouwen

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 4.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:

  • a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  • b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  • c. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².

10.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.

De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

10.4 Vergunningplicht voor afwijken
10.4.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.

10.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart

De omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.

10.4.3 Advies archeologisch deskundige

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 10.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

10.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 10.5.1 vervatte verbod geldt niet:

  • a. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 500 m²;
  • b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • c. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 10.5.1.

10.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

10.5.4 Advies deskundige

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 6

11.1 Functieomschrijving

Een werkingsgebied dat op de plankaart is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 6' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.

11.2 Beoordelingsregels - bouwen

Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 6' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:

  • a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  • b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
  • c. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 25.000 m².

11.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.

De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

11.4 Vergunningplicht voor afwijken
11.4.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.

11.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart

De omgevingsvergunning als bedoeld in 11.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.

11.4.3 Advies archeologisch deskundige

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 11.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
  • b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

11.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 11.5.1 vervatte verbod geldt niet:

  • a. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 25.000 m²;
  • b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  • c. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  • e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 11.5.1.

11.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 11.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

11.5.4 Advies deskundige

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 12 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en als dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 13 Antidubbeltelregeling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Specifieke beoordelingsregels - bouwen

14.1 Afwijkende maatvoering

Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet, maar in afwijking van dit TAM-IMRO omgevingsplan, zijn toegestaan. Herbouw van deze bestaande gebouwen is niet toegestaan.

14.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.

14.3 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen
  • 1. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen:
    • a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;
    • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;
    • c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;
    • d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en,
    • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.

14.4 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:

  • a. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2;
  • b. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 14.2 tot en met 14.3.

Artikel 15 Specifieke beoordelingsregels - gebruik

15.1 Verbod

Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • b. detailhandel;
  • c. seksinrichting;
  • d. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  • e. mestbewerking ten behoeve van niet door het gevestigde agrarische bedrijf ter plaatse geproduceerde mest;
  • f. de beoefening van lawaaisporten.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 luchtvaartverkeerszone - obstakelbeheergebied

Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebieden', is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogten (uitgedrukt in meters boven NAP) zoals aangegeven op de Kaarten Obstakelbeheergebieden (Kaarten Obstakelbeheergebieden) in verband met de Vliegfunnel, IHCS en ILS, uitsluitend toegestaan indien voorafgaand aan de vergunningverlening uit een schriftelijk advies van het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, blijkt dat de bouwhoogte geen gevaar vormt voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven.

16.2 milieuzone - vogelbeheergebied

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - vogelbeheersgebied' zijn oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare, natuurbeschermingsgebieden, vogelbeschermingsgebieden, vishouderijen met extramurale bassins, extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal en afvalwaterzuiveringsinstallaties uitsluitend toegestaan indien dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Defensie.

16.3 overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak
16.3.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch vlak' wordt gestreefd naar behoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

16.3.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Verboden werken en werkzaamheden:

Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • 1. Het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van max. 5 jaar).
  • 2. Het diepploegen en diepwoelen van de bodem.
  • 3. Het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem.
  • 4. Het wijzigen van de historische kavelindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
  • 5. Het graven en dempen van waterpartijen en watergangen.

  • b. Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
  • 1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • 2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  • 3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.

  • c. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:
  • 1. er geen aantasting plaatsvindt van de het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
  • 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de openheid van de open akkers;
  • 3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  • 4. de werkzaamheden bijdragen aan het herstel van verstoorde waarden (b.v het terugbrengen van bolle akkers).

16.4 overige zone - watergangen
16.4.1 Aanduidingsomschrijving

De voor 'overige zone - watergangen' aangeduide gronden zijn mede bedoeld voor:

  • a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. water met ecologische waarden;
  • c. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer en waterberging;
  • d. waterstaatkundige kunstwerken, bruggen en andere waterstaatswerken;
  • e. beheer en onderhoud van de watergang.

16.4.2 Beoordelingsregels - bouwen

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze functie.

16.4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - watergangen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanbrengen van kaden of wijzigen daarvan;
  • b. het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m onder maaiveld;
  • c. het leggen van leidingen respectievelijk het diepploegen, diepwoelen van de bodem op een diepte van meer dan 0,6 m onder maaiveld;
  • d. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem;
  • e. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • f. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand;
  • g. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  • h. het aanbrengen van hoog opgaande en/of diepwortelende beplanting;
  • i. het verwijderen van onverharde wegen of paden;
  • j. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 10 m².

16.4.4 Verlening

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in 16.4.3 wint zij schriftelijk advies in bij het waterschap.

Artikel 17 Overige regels

17.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten
  • a. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen.
    • 1. Voor parkeergelegenheid gelden de volgende beoordelingsregels:
      • In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan;
      • In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan;
      • Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan.
      • Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels;
      • De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden.
    • 2. Voor ruimte voor laden en lossen van goederen gelden de volgende beoordelingsregels:
      • Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.
      • De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.
    • 3. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het gestelde onder 1 en 2 tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien:
      • het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzonder omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
      • voor zover of andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
  • b. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • 1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en,
    • 2. een parkeerbalans en toelichting hierop; en/of
    • 3. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

18.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.