Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Koppelen 16, Steensel
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0770.TOBKoppelen160125-VAST

Regels

 
Preambule
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een ontwikkeling op de locatie aan Koppelen 16 te Steensel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22k) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22k van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie '22k.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22k' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
  
  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, met uitzondering van:
    1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g. van de Invoeringswet Omgevingswet, voor zover het betreft de gronden ter plaatse van het werkingsgebied ‘milieuzone – spuitvrije zone’.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit TAM-omgevingsplan.
  3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Koppelen 16 te Steensel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOBKoppelen160125-VAST zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
 
Artikel 4 Doelen
 
  1. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  2. De gemeente Eersel staat voor het buitengebied voor toekomstbestendige gebruiksfuncties en beperking van verstening en (negatieve) milieugevolgen.
 
2 Functies en activiteiten
   
Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden
 
5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
A. Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke waarden’ heeft de volgende functies:
  1. agrarisch gebruik;
  2. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
  3. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. extensief recreatief medegebruik;
  6. doeleinden van openbaar nut;
  7. erfbeplanting;
  8. een recreatieve wandelroute ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – recreatieve wandelroute’;
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals perceelsontsluitingen en sloten.
B. Verhouding tussen doeleinden
Binnen het werkingsgebied 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden' is het beleid primair zowel gericht op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame en concurrerende landbouw als op de bescherming van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
 
5.2 Specifieke regels over het gebruik
A. Verbod
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor en/of als:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest,;
  2. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten;
  3. detailhandel;
  4. buitenopslag;
  5. evenementen
  6. mestbewerking.
B. Toegestane gebruiksvormen per categorie
  1. Extensief recreatief medegebruik
Het gehele gebied gelegen binnen dit werkingsgebied mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.
 
5.3 Beoordelingsregels bouwwerken
5.3.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in 5.1.
 
5.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat:
    1. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m mag bedragen;
    2. het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan;
    3. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m, (indien en voorzover er sprake is van een bouwwerk);
    4. overige teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3m
  2. Ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m.
  3. Bouwwerken ten behoeve van schuilvoorzieningen zijn in kernrandzones toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3,5 m en een maximale oppervlakte van 10 m2.
  4. Paardenbakken zijn niet toegestaan.
  5. Veldschuren en andere gebouwen zijn niet toegestaan.
 
5.4 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
 
5.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
5.5.1 Vergunningplicht hogere erfafscheiding
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.2, onder a, voor erf- en terreinafscheidingen buiten het werkingsgebied ‘bouwvlak’ een hogere bouwhoogte tot maximaal 2 m toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering aanwezig is;
  2. de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen;
  3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  4. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in 5.1;
  5. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
5.5.2 Vergunningplicht minicamping als nevenactiviteit
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een minicamping en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, te gebruiken en te realiseren.
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een minicamping en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen toe te staan bij een agrarisch bedrijf of het werkingsgebied ‘wonen’, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    1. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van:
      • het werkingsgebied ‘bouwvlak’; of
      • tot maximaal 100 m uit het werkingsgebied ‘bouwvlak’, gerekend vanaf de achtergrens van dit bouwvlak; of
      • op een afstand van 100 m van het (eigen) werkingsgebied ‘wonen’, op een afstand van minimaal 25 m van de woning van derden;
    2. er zijn slechts kampeermiddelen toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto’s, campers en toercaravans) en trekkershutten;
    3. voor trekkershutten geldt:
      • er zijn maximaal 5 trekkershutten toegestaan;
      • trekkershutten zijn uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied ‘bouwvlak’ danwel het werkingsgebied ‘wonen’ toegestaan; indien dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt te zijn, dan zijn trekkershutten op een afstand van 15 m van het werkingsgebied ‘bouwvlak’ danwel het (eigen) werkingsgebied ‘wonen’ toegestaan;
      • de bebouwde oppervlakte van de trekkershutten mag maximaal 30 m² bedragen;
      • de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte bedraagt 2,2 m respectievelijk 3,5 m;
    4. er zijn maximaal 25 kampeermiddelen toegestaan;
    5. gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van het werkingsgebied ‘bouwvlak’, met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 100 m² bij 25 kampeerplaatsen en een maximale gezamenlijke oppervlakte van 30 m² bij 15 kampeerplaatsen, waarbij geldt dat de bouwhoogte maximaal 5,5 m mag zijn;
    6. de sanitaire voorzieningen worden, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing, of anders aansluitend aan de bestaande bebouwing;
    7. voor ondergeschikte en ondersteunende horeca geldt:
      • ondergeschikte en ondersteunende horeca is uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied ‘bouwvlak’ toegestaan;
      • de inpandige oppervlakte bedraagt maximaal 100 m²;
      • de buitenpandige oppervlakte bedraagt maximaal 200 m²;
    8. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
    9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
    10. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
    11. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
    12. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de (milieu)wetgeving;
    13. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de binnen het gebied aanwezige waarden;
    14. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
5.5.3 Vergunningplicht paardenbak t.b.v. hobbymatig gebruik
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te gebruiken en te realiseren.
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een paardenbak toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    1. de paardenbak is voor hobbymatig gebruik;
    2. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' of binnen het werkingsgebied ‘Wonen’;
    3. de paardenbak wordt aansluitend aan het werkingsgebied 'bouwvlak' of het werkingsgebied ‘Wonen’ gesitueerd;
    4. de paardenbak wordt zodanig gesitueerd dat deze landschappelijk wordt ingepast;
    5. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
    6. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m², tezamen met de oppervlakte die binnen het werkingsgebied 'bouwvlak' danwel het werkingsgebied ‘Wonen’ wordt gesitueerd;
    7. er is maximaal één paardenbak per werkingsgebied ‘bouwvlak’ danwel werkingsgebied ‘Wonen’ toegestaan en uitsluitend bij het eigen bouwvlak respectievelijk de eigen woning;
    8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
    9. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent kan advies worden ingewonnen bij het waterschap;
    10. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
5.5.4 Vergunningplicht teeltondersteunende voorzieningen
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen te gebruiken en te realiseren.
  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om bouwwerken in de vorm van hoge tijdelijke, lage tijdelijke alsmede overige teeltondersteunende voorzieningen (TOV) toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
    1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 2,5 m;
    2. teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan;
    3. de oppervlakte van hoge tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 10.000 m2;
    4. de voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
    5. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in 5.1;
    6. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
    7. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
    8. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
5.5.5 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;
  2. het vellen of rooien van houtgewas;
  3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2;
  4. het aanbrengen van lage en hoge (voorzover het geen bouwwerken betreft) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige teeltondersteunende voorzieningen.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 1 wordt alleen verleend als:
    1. Er geen onevenredige aantasting van de agrarische belangen ontstaat
    2. Er geen onevenredige aantasting van de landschappelijke en ecologische waarden plaatsvindt
    3. Er geen blijvende aantasting plaatsvindt van het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’.
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 2, wordt alleen verleend als:
    1. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke waarden
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’:
      1. moet het verwijderen noodzakelijk zijn
      2. betekent het verwijderen geen onevenredige aantasting van het landschapselement.
  3. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 3 wordt alleen verleend als:
    1. Het aanbrengen van verhardingen noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik
    2. Er geen onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden plaatsvindt.
  4. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 4 wordt alleen verleend als:
    1. De activiteit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf
    2. Rekening wordt gehouden met de landschappelijke waarden als omschreven in 5.1
    3. De oppervlakte van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 10.000 m2 bedraagt.
 
Artikel 6 Natuur
 
6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
A. Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als ‘Natuur’ heeft de volgende functies:
  1. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;
  3. het als zodanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten;
  4. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
  5. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. extensief recreatief medegebruik;
  8. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals perceelsontsluitingen en sloten.
B. Verhouding tussen doeleinden
Binnen het werkingsgebied ‘Natuur’ is het beleid primair gericht op het beschermen van de landschappelijke en ecologische waarden.
 
6.2 Specifieke regels over het gebruik
A. Verbod
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor en/of als:
  1. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  2. voor lawaaisporten;
  3. voor verblijfsrecreatie;
  4. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen.
 
6.3 Beoordelingsregels bouwwerken
6.3.1 Algemeen
  1. Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in 6.1.
 
6.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen dan wel schuilvoorzieningen maximaal 3 m;
  3. de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 10 m2;
  4. in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor erfafscheidingen maximaal 1 m.
 
6.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
6.4.1 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van houtopstanden;
  1. het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
  2. het graven, ophogen en egaliseren van de bodem; 
  3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en half verhardingen;  
  4. het aanbrengen van ondergrondse leidingen.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 1 wordt alleen verleend als:
    1. Deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer;
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 2, wordt alleen verleend als:
    1. Deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer;
  3. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 3 wordt alleen verleend als: 
    1. Deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer;
    2. De werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige aantasting van het reliëf;
  4. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 4 wordt alleen verleend als: 
    1. De verhardingen noodzakelijk zijn voor het beheren dan wel verbeteren van bos en natuur dan wel voor het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik; 
    2. De verhardingen mogen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden; 
  5. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 5 wordt alleen verleend als:
    1. Er geen blijvende aantasting plaatsvindt van de aanwezige natuurwaarden.
  
Artikel 7 Groen - Landschappelijke inpassing
 
7.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
A. Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ heeft de volgende functies:
  1. het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen, een en ander overeenkomstig het landschappelijk inrichtings- en inpassingsplan in bijlage 3 bij deze regels;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. een recreatieve wandelroute ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – recreatieve wandelroute’;
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals doorgangen.
 
7.2 Specifieke regels over het gebruik
A. Verbod
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor en/of als:
  1. Voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  2. voor lawaaisporten;
  3. voor verblijfsrecreatie;
  4. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen;
  5. het aanbrengen van verhardingen anders dan bedoeld in 7.4.
 
7.3 Beoordelingsregels bouwwerken
7.3.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van erfafscheidingen.
 
7.3.2 Bouwregels erfafscheidingen
Voor erfafscheidingen gelden de volgende bepalingen:
  1. de erfafscheiding mag uitsluitend in de vorm van een open constructie worden opgericht
  2. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m.
 
7.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden op of in de voor 'Groen - Landschappelijke inpassing' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van houtopstanden ten behoeve van een doorgang;
  2. het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen als doorgang;
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 1 wordt alleen verleend als: 
    1. Indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 7.1;
    2. Het verwijderen noodzakelijk is voor het (agrarisch) gebruik, behorende bij de naastgelegen functie;
    3. Het verwijderen geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing betekent, dan wel anderszins wordt voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.  
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in a, onder 2 wordt alleen verleend als: 
    1. Indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 7.1;
    2. De wegen en overige verhardingen noodzakelijk zijn voor het (agrarisch) gebruik, behorende bij de naastgelegen functie;
    3. De wegen en overige verhardingen geen aantasting betekenen van de aanwezige landschappelijke inpassing, dan wel anderszins wordt voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
 
Artikel 8 Wonen
 
8.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:
  1. wonen in woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen;
  2. recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig kamperen of bed & breakfast;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen, een en ander overeenkomstig het erfbeplantingsplan zoals opgenomen in Bijlage 3 Landschappelijk inpassingsplan;
een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven.
 
8.2 Specifieke regels over het gebruik
A Verbod
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken voor en/of als:
  1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
  2. een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis.
B Toegestane gebruiksvormen
 
8.2.1 Niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
Het is toegestaan om als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie in een gedeelte van een woning en/of bijbehorende bouwwerk een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uit te oefenen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 150 m2.
  2. De bed&breakfast mag bestaan uit maximaal twee kamers met elk maximaal 2 bedden.
  3. Wanneer bed&breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin geen keuken of soortgelijke voorziening toegestaan.
  4. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer.
  5. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.
  6. Opslag vindt uitsluitend inpandig plaats.
  7. Detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep.
  8. De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving.
  9. De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
  10. De activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend in bedrijfscategorie 1 of 2 van de in Bijlage 5 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.
 
8.2.2 Minicamping
Gebruik van gronden en bouwwerken voor een minicamping is uitsluitend toegestaan via een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.6.
 
8.2.3 Bed & Breakfast
Gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bed & breakfast in een grotere omvang dan genoemd onder 8.2.1 onder 2, is uitsluitend toegestaan via een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.8.
 
8.3 Beoordelingsregels bouwwerken
8.3.1 Algemeen
Met betrekking tot de op te richten bebouwing gelden de volgende regels:
  1. Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in 8.1, zoals woningen met bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
8.3.2 Algemene regels voor het bouwen van gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de in artikel 8.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. afstand tot de bouwperceelgrens bedraagt niet minder dan 3 m, tenzij bij bestaande, legale bebouwing de afstand tot de bouwperceelgrens kleiner is, dan geldt dat als minimale afstand;
  2. afstand tot de as van de als stroomweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 100 m;
  3. afstand tot de as van de als gebiedsontsluitingsweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 20 m;
  4. afstand tot de as van de als erftoegangsweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 15 m;
  5. afstand tot de as van de als onverharde weg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 10 m;
 
8.3.3 Woning
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning:
  1. per werkingsgebied ‘Wonen’ is maximaal één woning toegestaan, tenzij ter plaatse de waarde ‘aantal wooneenheden’ is opgenomen. In dat geval is het maximum aantal toegestane woningen de daar bepaalde waarde;
  2. indien en voorzover binnen een werkingsgebied ‘Wonen’ een aanduiding ‘bouwvlak’ is aangegeven, mogen hoofdgebouwen uitsluitend worden opgericht ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, tenzij in de regels anders is bepaald;
  3. Ter plaatse van de aanduiding ‘tae’ zijn uitsluitend twee-aaneen gebouwde woningen toegestaan;
  4. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande goothoogte als maximum:
    1. de maximale goothoogte geldt voor minimaal 60% van de lengte van de goot;
  5. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m, tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximum;
  6. de inhoud mag niet meer bedragen dan 650 m3 (excl. aangebouwde bijbehorende bouwwerken), tenzij:
    1. de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt;
    2. indien ter plaatse van de aanduiding ‘maximum volume (m3)’ een afwijkende inhoud is aangegeven geldt deze als maximum inhoud;
    3. voorzover het twee woningen binnen één bouwvolume betreft ter plaatse van de aanduiding ‘maximum volume (m3)’, geldt de inhoud voor beide woningen gezamenlijk als totale maximale inhoud;
  7. de dakhelling bedraagt niet meer dan 60º;
  8. voor herbouw gelden de volgende aanvullende regels:
    1. de herbouw vindt grotendeels plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning;
    2. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning;
    3. de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en).
 
8.3.4 Bijbehorende bouwwerken bij de woning
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de woning:
  1. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m2 per hoofdgebouw; tenzij:
    1. de bestaande oppervlakte meer bedraagt, dan geldt de bestaande oppervlakte als maximum.
    2. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak m2 bijgebouwen’ danwel ‘maximum bebouwd oppervlak (m2)’ een afwijkende oppervlakte is opgenomen, dan geldt die oppervlakte als totale maximale oppervlakte per werkingsgebied ‘Wonen’;
  2. De maximale goothoogte bedraagt 3,2 meter;
  3. De maximale bouwhoogte bedraagt 6 meter;
  4. De dakhelling bedraagt minimaal 0º en maximaal 45º;
  5. De afstand tussen woning en vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 15 meter, tenzij de bestaande afstand meer bedraagt dan 15 meter, dan geldt de bestaande afstand als maximum.
 
8.3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de in 8.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 4 meter, tenzij de bestaande hoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximum
  3. Overkappingen mogen worden gebouwd op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw, tenzij de bestaande afstand minder dan 3 meter bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als minimum.
 
8.4 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
 
8.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
 
8.5.1 Vergunningplicht vergroten bebouwde oppervlakte bijbehorende bouwwerken
Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de inhoud van de woning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. vergroting van de bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’;
  2. er kan een bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden toegestaan tot een totaal maximum van 200 m2;
  3. in afwijking van het bepaalde onder a. kan indien sprake is van sloop van voormalige, legale bedrijfsgebouwen elders, een bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden toegestaan tot een totaal maximum van 250 m2;
  4. sloop van cultuurhistorisch waardevolle en monumentale panden is niet toegestaan;
  5. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  6. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  7. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  8. bij monumentale panden is een positief advies van de monumentencommissie vereist;
  9. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
8.5.2 Vergunningplicht voor vergroting inhoud woning
Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de inhoud van de woning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
  1. vergroting van de inhoud van de woning is niet toegestaan ter plaatse van de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’;
  2. vergroten kan tot een maximum inhoud van 850 m3;
  3. per 50 m3 vergroting van de woning dient telkens minimaal 500 m2 aan legaal opgerichte bebouwing te worden gesloopt;
  4. het surplus (alle aanwezige bebouwing boven de standaard maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken van 150 m2) moet in één keer worden gesloopt en deze sloop moet als voorwaarde aan de omgevingsvergunning worden verbonden;
  5. geen omgevingsvergunning kan worden verleend indien:
  6. op deze locatie sloop van de bebouwing al heeft plaatsgevonden,
  7. sloop kan plaatsvinden in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling,
  8. of de sloop al op andere wijze is verzekerd;
  9. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen;
  10. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  11. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  12. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  13. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
8.5.3 Vergunningplicht afwijking m.b.t. herbouw
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde onder 8.3.3 een omgevingsvergunning verlenen teneinde de voorgevel te kunnen plaatsen buiten de (voormalige) voorgevelrooilijn, mits aan de volgende beoordelingsregels wordt voldaan:
  1. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar;
  2. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning;
  3. herbouw van gesplitste boerderij(woningen) is niet toegestaan;
  4. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast;
  5. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;
  6. er moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder de herbouw op de betreffende locatie is milieuhygiënische aanvaardbaar;
  7. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  9. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
8.5.4 Vergunningplicht verkleinen minimum afstand zijdelingse bouwperceelsgrens woningen en/of bijbehorende bouwwerken
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.3.2 teneinde de minimum afstand van gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens te verkleinen voor woningen en/of bijbehorende bouwwerken. Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:
  1. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit wordt niet onevenredig aangetast;
  3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  4. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  5. bij monumentale panden is een positief advies van de monumentencommissie vereist;
  6. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
8.5.5 Vergunningplicht verkleinen minimum afstand van gebouwen tot de weg
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.3.2 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;
  2. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven;
  3. de wegbeheerder dient te worden gehoord;
  4. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast;
  5. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Omgevingswet, voor wat betreft het onderdeel geluidhinder;
  6. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  7. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
8.5.6 Vergunningplicht minicamping als nevenactiviteit
A. het is verboden om zonder omgevingsvergunning een minicamping en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, te gebruiken en te realiseren.
B. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een minicamping en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan in het werkingsgebied ‘wonen’, al dan niet in combinatie met eerdere afwijkingen, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
  1. Kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan op een afstand van minimaal 25 m van de woning van derden;
  2. Slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans), alsmede maximaal 5 trekkershutten per minicamping;
  3. De bebouwde oppervlakte van de trekkershutten mag max. 30 m2 bedragen, de goothoogte max. 2,20 m en de bouwhoogte: max. 3,5 m;
  4. Maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan;
  5. Het bouwperceel, waarvoor de afwijking wordt verleend, mag niet kleiner zijn dan 3000 m2;
  6. Gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan binnen het werkingsgebied ‘Wonen’;
  7. De bebouwing vindt plaats binnen de voor deze functie geldende bouwmogelijkheden, met dien verstande dat de oppervlakte van bouwwerken ten behoeve van kleinschalig kamperen maximaal 50 m2 mag bedragen;
  8. Ondergeschikte en ondersteunende horeca, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m2 en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m2;
  9. De verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  10. Er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  11. Het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  12. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  13. Er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
8.5.7 Vergunningplicht vergelijkbare activiteit aan huis
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2 teneinde bedrijven aan huis toe te staan, die qua aard en omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen zijn met de in 8.2.1 toegestane bedrijven maar die niet zijn genoemd in de in Bijlage 5 Staat van bedrijfsactiviteiten, mits:
  1. Omtrent de vergelijkbaarheid van de invloed op het milieu en de omgeving advies wordt gevraagd aan een onafhankelijke terzake deskundige;
  2. Het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  3. Er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
8.5.8 Vergunningplicht bed & breakfast
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.3 teneinde als nevenactiviteit bij een hoofdgebouw, bed & breakfast voorzieningen e.d., in een grotere omvang toe te staan, mits aan de volgende beoordelingsregels wordt voldaan:
  1. Deze nevenactiviteit is in de woning en de daarbij behorende aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan;
  2. Wanneer bed&breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin geen keuken of soortgelijke voorziening toegestaan;
  3. De nevenactiviteit is ondergeschikt van aard;
  4. Er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  5. De gebruiksoppervlakte niet meer mag bedragen dan 300 m2;
  6. Ten behoeve van de bed & breakfast voorzieningen zijn maximaal 10 (éénpersoons)bedden toegestaan; permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
  7. De verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  8. Het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  9. Het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
  10. Er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
 
 
Artikel 9 Hoogspanningsverbinding
 
9.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
A. Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ heeft, behalve voor de andere daar voorkomende functies, de volgende functies:
  1. Aanleg en instandhouding van een bovengrondse hoogspanningsverbinding;
een en ander met bijbehorende voorzieningen.
 
9.3 Beoordelingsregels bouwwerken
Binnen het werkingsgebied ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toegestaan.
 
9.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
6.4.1 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen;
  2. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 m;
  3. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
  4. het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld of weghoogte.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in a onder 1 t/m 4 wordt alleen verleend indien en voor zover door de werken en/of werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 6.4.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
 
Artikel 10 Waterstaat - Beschermingszone
 
10.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
A. Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als ‘Waterstaat – Beschermingszone’ heeft, behalve voor de andere daar voorkomende functies, de volgende functies:
  1. Een beschermings- en onderhoudszone van de aangrenzende A-watergang.
 
10.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Binnen het werkingsgebied ‘Waterstaat – Beschermingszone’ zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet toegestaan.
 
10.3 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
10.3.1 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van (hoogopgaande) beplanting of bomen;
  2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halverhardingen.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale beheer en betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
 
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in a onder 1 en 2 wordt alleen verleend indien en voor zover door de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de beschermings- en onderhoudszone. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.3.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12 Algemene bouwregels
 
12.1 Afwijkende maatvoering
Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet of Wabo, maar in afwijking van dit hoofdstuk 2 Functies en activiteiten, zijn toegestaan. Herbouw van deze bestaande gebouwen is niet toegestaan.
 
12.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.
 
12.3 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
  1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
  2. Voor de bouwwerken als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden de volgende voorwaarden:
    1. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
    3. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
 
12.4 Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
  1. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2 Functies en activiteiten;
  2. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 12.3.
 
Artikel 13 Algemene gebruiksregels
 
13.1 Verbod
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken:
  1. in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan;
  2. ten behoeve van de beoefening van lawaaisporten
 
13.2 Waterberging
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied ‘Wonen’ ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ te gebruiken indien de waterberging niet binnen 3 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak, met dien verstande dat de waterbergingsopgave volledig op eigen terrein dient te worden gerealiseerd en vervolgens in stand dient te worden gehouden.
 
13.3 Sloop overtollige bebouwing
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied ‘Wonen’ ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ te gebruiken indien de als te slopen aangeduide gebouwen maximaal na 1 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan zijn gesloopt, zoals opgenomen in bijlage 5 bij de regels.
 
13.4 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebied ‘wetgevingszone – voorwaardelijke bepaling’
13.4.1 Verbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingszone – voorwaardelijke bepaling’ te gebruiken indien de natuurinrichting en landschappelijke inpassing, conform Bijlage 3 Landschappelijk inrichtings- en inpassingspan of een soortgelijke natuurinrichting en landschappelijke inpassing die middels een afwijkingsmogelijkheid is toegestaan, niet binnen 2 jaar na inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan, ter plaatse van de gronden in het plangebied die de functies ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ en ‘Natuur’ hebben, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
 
13.4.2 Omgevingsvergunning afwijken groeninrichting - landschappelijke inpassing
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 13.4.1 ten behoeve van de wijziging van Bijlage 3 Landschappelijk inrichtings- en inpassingsplan, waarbij geldt dat het gewijzigde groeninrichtingsplan, landschappelijke inpassing en natuuraanleg minimaal gelijkwaardig dient te zijn en moet voldoen aan de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (bijlage 4) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document zoals die geldt op tijdstip van de ontvankelijke aanvraag van de afwijking.
 
13.5 Parkeren
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied ‘Wonen’ ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ te gebruiken of (doen) laten gebruiken indien niet binnen 2 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig artikel 15.1 van dit TAM-omgevingsplan worden ingetrokken.
 
13.6 Gebruik ter plaatse van het werkingsgebied ‘milieuzone – spuitvrije zone’
13.6.1 Verbod
Ter plaatse van het werkingsgebied 'milieuzone – spuitvrije zone' is het verboden om gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen, anders dan incidentele plant- en problematiekgerichte middelen.
 
13.6.2 Vergunningplicht afwijken ‘milieuzone – spuitvrije zone’
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 13.6.1 en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toestaan ter plaatse van (een gedeelte van) het werkingsgebied ‘milieuzone – spuitvrije zone’ , mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. uit onderzoek is gebleken dat de spuitzone kan worden verkleind al dan niet in combinatie met het treffen van maatregelen die de drift beperken ten behoeve van het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en/of
  2. er sprake is van gewijzigde wet- en regelgeving, waardoor het hanteren van een spuitzone niet of niet meer in zijn geheel noodzakelijk is; en/of
  3. het aanwezige agrarische bedrijf gesaneerd is en planologisch uitgesloten is dat een exploitatie met (mogelijk) gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen op de betreffende gronden toegestaan is.
 
Artikel 14 Algemene aanduidingsregels
 
14.1 Overige zone – bebouwingsconcentraties
In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1 onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bebouwingsconcentratie' tevens publieksgerichte, dorpsgerelateerde aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten toegestaan, zoals een huisarts en dierenarts of daarmee gelijk te stellen activiteiten, mits wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.2.1 sub 1 tot en met 10.
 
14.2 Overige zone – cultuurhistorisch waardevol vlak
14.2.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak' wordt gestreefd naar behoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
 
14.2.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Verboden werken en werkzaamheden: Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
    1. Het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van max. 5 jaar).
    2. Het diepploegen en diepwoelen van de bodem.
    3. Het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem.
    4. Het wijzigen van de historische kavelindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
    5. Het graven en dempen van waterpartijen en watergangen.
  2. Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
    1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
    2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    3. binnen een bouwvlak plaatsvinden.
  3. De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:
    1. er geen aantasting plaatsvindt van de het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
    2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de openheid van de open akkers;
    3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
    4. de werkzaamheden bijdragen aan het herstel van verstoorde waarden (b.v het terugbrengen van bolle akkers).
 
Artikel 15 Overige regels
 
15.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten en laden en lossen
15.1.1 Beoordelingsregels
A. Parkeergelegenheid
Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan;
  2. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan;
  3. Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan;
  4. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels;
  5. De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden;
  6. Bij de aanvraag zijn de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en
    • een parkeerbalans en toelichting hierop.
 
B. Ruimte voor laden en lossen van goederen
Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen;
  2. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden;
  3. Bij de aanvraag zijn de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen laad- en losruimte; en
    • een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.
 
15.1.2 Uitzondering vergunningplicht parkeren en laden en lossen
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien:
  1. het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of
  2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 16 Overgangsrecht
 
16.1 Overgangsrecht bouwwerken
Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
16.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
Artikel 17 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald onder de naam Regels van het 'Hoofdstuk 22h, TAM-Omgevingsplan Gemeentenweg 13’.