Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie Groenstraat 8 te Wintelre en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) opgenomen in het omgevingsplan van de Gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan en STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de Gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikel nummer '22f' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct na het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik
- De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Groenstraat 8 te Wintelre, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOBGroenstr80123-VAST zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
Artikel 4 Doelen
- Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de Gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
- De gemeente Eersel staat voor het buitengebied voor toekomstbestendige gebruiksfuncties en beperking van verstening en (negatieve) milieugevolgen.
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden
5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
- agrarisch gebruik;
- behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- extensief recreatief medegebruik;
- doeleinden van openbaar nut;
- erfbeplanting;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten.
5.2 Specifieke regels over gebruik
Het is verboden de gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken voor:
- het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in 5.1;
- het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
- detailhandel;
- buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten,
- vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
- woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen;
- het bewonen van bedrijfsruimte;
- een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis of een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
- huisvesting van tijdelijke werknemers die werken op structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die langer dan 6 maanden beschikbaar is, en op tijdelijke arbeidsplaatsen;
- de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt.
5.3 Beoordelingsregels bouwwerken
5.3.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in
5.1.
5.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:
op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat:
- de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m mag bedragen;
- het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan;
- tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 2,5 m, (indien en voorzover er sprake is van een bouwwerk);
- overige teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 3 m;
- ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m;
- bouwwerken ten behoeve van schuilvoorzieningen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3,5 m en een maximale oppervlakte van 10 m²;
- paardenbakken zijn niet toegestaan;
- veldschuren en andere gebouwen zijn niet toegestaan.
5.4 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
5.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
5.5.1 Hogere erfafscheiding
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in
5.2.2 onder a, voor erf- en terreinafscheidingen buiten het werkingsgebied ‘bouwvlak’ een hogere bouwhoogte tot maximaal 2 m toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering aanwezig is;
- de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in 5.1;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.2 Paardenbak t.b.v. hobbymatig gebruik
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te gebruiken en te realiseren.
- Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een paardenbak toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
- de paardenbak is voor hobbymatig gebruik;
- de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' of binnen het werkingsgebied ‘Wonen’;
- de paardenbak wordt aansluitend aan het werkingsgebied 'bouwvlak' of het werkingsgebied ‘Wonen’ gesitueerd;
- de paardenbak wordt zodanig gesitueerd dat deze landschappelijk wordt ingepast;
- schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
- de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m², tezamen met de oppervlakte die binnen het werkingsgebied 'bouwvlak' danwel het werkingsgebied ‘Wonen’ wordt gesitueerd;
- er is maximaal één paardenbak per werkingsgebied ‘bouwvlak’ danwel werkingsgebied ‘Wonen’ toegestaan en uitsluitend bij het eigen bouwvlak respectievelijk de eigen woning;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent kan advies worden ingewonnen bij het waterschap;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.3 Teeltondersteunende voorzieningen
- Het is verboden om zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen te gebruiken en te realiseren.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om bouwwerken in de vorm van hoge tijdelijke, lage tijdelijke alsmede overige teeltondersteunende voorzieningen (TOV) toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
- teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan;
- de oppervlakte van hoge tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 10.000 m2;
- de voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
- de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden als omschreven in 5.1;
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
- het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;
- het vellen of rooien van houtgewas;
- het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;
- het aanbrengen van lage en hoge (voorzover het geen bouwwerken betreft) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige teeltondersteunende voorzieningen.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 1 wordt alleen verleend als:
- er geen onevenredige aantasting van de agrarische belangen ontstaat;
- er geen onevenredige aantasting van de landschappelijke en ecologische waarden plaatsvindt;
- de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 2, wordt alleen verleend als:
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke waarden;
- de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 3 wordt alleen verleend als:
- het aanbrengen van verhardingen noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik;
- er geen onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden plaatsvindt.
de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 4 wordt alleen verleend als:
- de activiteit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf;
- rekening wordt gehouden met de landschappelijke waarden als omschreven in 5.1;
- de oppervlakte van hoge tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 10.000 m² bedraagt.
6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Bedrijf' heeft de volgende functies:
- niet-agrarische bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding ‘statisch opslag’ uitsluitend statische opslag is toegestaan;
- wonen in bestaande bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'bedrijfswoning';
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen, een en ander overeenkomstig het erfbeplantingsplan zoals opgenomen in Bijlage 3 Landschappelijke inpassingsplan.
een en ander met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen.
6.2 Specifieke regels over het gebruik
Het is verboden de gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken voor:
- het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in 6.1;
- detailhandel;
- voor (ondersteunende) horeca;
- vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
- woondoeleinden, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen;
- het bewonen van bedrijfsruimte;
- een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis of een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
- een seksinrichting;
- geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
- risicovolle inrichtingen;
- de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt.
6.3 Beoordelingsregels bouwwerken
6.3.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in
6.1, zoals bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen.
6.3.2 Algemene regels voor het bouwen van gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
- afstand tot de bouwperceelgrens bedraagt niet minder dan 3 m, tenzij bij bestaande, legale bebouwing de afstand tot de bouwerceelgrens kleiner is, dan geldt als minimale afstand;
- afstand tot de as van de als stroomweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 100 m;
- afstand tot de as van de als gebiedsontsluitingsweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 20 m;
- afstand tot de as van de als erftoegangsweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 15 m;
- afstand tot de as van de als onverharde weg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaartwegcategorisering bedraagt minimaal 10 m;
- indien en voorzover binnen een werkingsgebied 'Bedrijf' een aanduiding 'bouwvlak' is aangegeven, mag uitsluitend gebouwd worden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
6.3.3 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, gelden de volgende beoordelingsregels:
- per werkingsgebied 'Bedrijf' is maximaal één bedrijf toegestaan;
- de vloeroppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de oppervlakte als opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bedrijfsgebouwen (m²)'.
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8 m;
- de dakhelling mag niet minder bedragen dan 15° en niet meer dan 60°, met dien verstande dat:
- de minimale dakhelling niet geldt voor bestaande lagere dakhellingen, ondergeschikte platte tussenleden en andere gebouwen van ondergeschikte aard;
- de maximale dakhelling niet geldt voor bestaande hogere dakhellingen.
6.3.4 Bedrijfswoning
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende beoordelingsregels:
- per werkingsgebied 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m;
- de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m³ (incl. aangebouwde bijbehorende bouwwerken), tenzij:
- de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt;
- het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het hele bestaande boerderijlichaam/bouwmassa daarvan als maximum geldt;
- de dakhelling bedraagt niet minder dan 12° en niet meer dan 45°.
6.3.5 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen:
- de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m² per hoofdgebouw;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
- de afstand tussen woning en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 15 m, tenzij de bestaande afstand meer bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als maximum.
6.3.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt:
- voor de voorgevelrooilijn maximaal 1,5 m;
- overige maximaal 2 m;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 6 m.
6.3.7 Herbouw
Aanvullend gelden voor herbouw van bestaande woningen de volgende voorwaarden:
- de herbouw vindt grotendeels plaats op de plaat van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning;
- de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaats in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning;
- de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en).
6.4 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
6.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
6.5.1 Afwijking m.b.t. herbouw
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in
6.3.6, teneinde de voorgevel te kunnen plaatsen buiten de (voormalige) voorgevelrooilijn, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar;
- er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning;
- door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast;
- de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van de omliggende bedrijven, voorvloeiende uit milieuregelgeving;
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt.
6.5.2 Afwijking minimum afstand zijdelingse bouwperceelsgrens bedrijfswoningen en/of bijbehorende bouwwerken
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in
6.3.2 onder d, teneinde de minimum afstand van gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens te verkleinen voor bedrijfswoningen en/of bijbehorende bouwwerken, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
- de stedenbouwkundige kwaliteit wordt niet onevenredig aangetast;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiend uit de milieuwetgeving.
Artikel 7 Groen – Landschappelijke inpassing
7.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Groen - Landschappelijke inpassing' heeft de volgende functies:
- het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen, een en ander overeenkomstig het erfbeplantingsplan zoals opgenomen in Bijlage 3 Landschappelijke inpassingsplan;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals doorgangen.
7.2 Specifieke regels over gebruik
Het is verboden de gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken voor:
- het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten behoeve van de in 7.1 bedoelde functies;
- het aanleggen van wegen en/of verhardingen.
7.3 Beoordelingsregels bouwwerken
7.3.1 Algemeen
Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van erfafscheidingen.
7.3.2 Beoordelingsregels erfafscheidingen
- een erfafscheiding mag uitsluitend in een open constructie worden opgericht;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1 m.
7.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
7.4.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
- het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen als doorgang;
- het verwijderen van houtopstanden ten behoeve van een doorgang.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen.
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
- de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 1 wordt alleen verleend als:
- de wegen en overige verhardingen moeten noodzakelijk zijn voor het (agrarische) gebruik, behorende bij de naastgelegen gronden;
- er vindt geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing plaats; of
- er wordt elders voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing
- de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 2 wordt alleen verleend als:
- het verwijderen noodzakelijk is voor het (agrarische) gebruik, behorende bij de naastgelegen gronden;
- bij de werkzaamheden geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing plaatsvindt; of
- elders wordt voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
7.4.2 Omgevingsvergunning voor het wijzigen van de landschappelijke inpassing
Een omgevingsvergunning ten behoeve van de wijziging van het landschappelijk inpassingsplan wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- het gewijzigde landschappelijk inpassingsplan dient gelijkwaardig te zijn aan het in bijlage 3 opgenomen landschappelijk inpassingsplan;
- voldaan wordt aan de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document zoals die geldt op het tijdstip van de ontvankelijke aanvraag van de omgevingsvergunning.
8.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als
Natuur heeft de volgende functies:
- behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels;
- behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;
- het als zodanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten;
- behoud en bescherming van aardkundige waarden;
- behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- extensief recreatief medegebruik;
- agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer.
8.2 Beoordelingsregels bouwwerken
8.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de in
8.1 genoemde activiteit(en).
8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m;
- in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen dan wel schuilvoorzieningen maximaal 3 m;
- de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 10 m2;
- in afwijking van het bepaalde onder a. bedraagt de bouwhoogte voor erfafscheidingen maximaal 1 m.
8.3 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
8.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
A. Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
- het verwijderen van houtopastanden;
- het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
- het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en half verhardingen;
- het aanbrengen van ondergrondse leidingen.
B. Uitzondering vergunningplicht
Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren welke het normale onderhoud en/of landschapsbeheer betreffen en welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 1 wordt alleen verleend als:
- deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer;
- de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 2, wordt alleen verleend als:
- deze werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bos- of natuurbeheer;
- de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 3 wordt alleen verleend als:
- de verhardingen noodzakelijk zijn voor het beheren dan wel verbeteren van bos en natuur dan wel voor het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik;
- de verhardingen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden.
de omgevingsvergunning als bedoeld in A, onder 4 wordt alleen verleend als:
- er geen blijvende aantasting plaatsvindt van de aanwezige natuurwaarden.
9.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Wonen' heeft de volgende functies:
- wonen in woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden;
- recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig kamperen of bed & breakfast;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen verhardingen, een en ander overeenkomstig het erfbeplantingsplan zoals opgenomen in Bijlage 3 Landschappelijke inpassingsplan;
een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven.
9.2 Specifieke regels over het gebruik
9.2.1 Verbod
Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken voor en/of als:
- vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
- een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis.
9.2.2 Niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
Het is toegestaan om als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie in een gedeelte van een woning en/of bijbehorende bouwwerk een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uit te oefenen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
- de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woonbebouwing tot een maximum van 150 m²;
- de Bed & Breakfast mag bestaan uit maximaal twee kamers met elk maximaal 2 bedden.;
- wanneer Bed & Breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin geen keuken of soortgelijke voorziening toegestaan;
- het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer;
- parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden;
- opslag vindt uitsluitend inpandig plaats;
- detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep;
- de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving;
- de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner;
- de activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend in bedrijfscategorie 1 of 2 van de in Bijlage 4 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteit.
9.2.3 Minicamping
Gebruik van gronden en bouwwerken voor een minicamping is uitsluitend toegestaan via een omgevingsvergunning als bedoeld in
9.2.2.
9.2.4 Bed & Breakfast
Gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bed & breakfast in een grotere omvang dan genoemd onder
9.2.1 onder 2, is uitsluitend toegestaan via een omgevingsvergunning als bedoeld in
9.5.7.
9.3 Beoordelingsregels bouwwerken
9.3.1 Algemeen
Met betrekking tot de op te richten bebouwing gelden de volgende regels:
- uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de gebruiksdoelen zoals opgenomen in 9.1, zoals woningen met bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
9.3.2 Algemene regels voor het bouwen van gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de in
9.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
- afstand tot de bouwperceelgrens bedraagt niet minder dan 3 m.
- afstand tot de as van de als stroomweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 100 m;
- afstand tot de as van de als gebiedsontsluitingsweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 20 m;
- afstand tot de as van de als erftoegangsweg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 15 m;
- afstand tot de as van de als onverharde weg aangeduide weg zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering bedraagt minimaal 10 m.
9.3.3 Woning
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen:
- per werkingsgebied ‘Wonen’ is maximaal één woning toegestaan;
- indien en voorzover binnen een werkingsgebied ‘Wonen’ een aanduiding ‘bouwvlak’ is aangegeven, mogen hoofdgebouwen uitsluitend worden opgericht ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, tenzij in de regels anders is bepaald;
de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande goothoogte als maximum:
- de maximale goothoogte geldt voor minimaal 60% van de lengte van de goot;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m, tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximum;
- de inhoud mag niet meer bedragen dan 1000 m³ (excl. aangebouwde bijbehorende bouwwerken);
- de dakhelling bedraagt niet meer dan 60°;
- voor herbouw gelden de volgende aanvullende regels:
- de herbouw vindt grotendeels plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning;
- de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning;
- de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en).
9.3.4 Bijbehorende bouwwerken bij de woning
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de woning:
- de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m² per hoofdgebouw;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
- de dakhelling mag niet minder bedragen dan 0° en mag niet meer bedragen dan 45°;
- de afstand tussen woning en vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 15 m.
9.3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de in
9.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
- de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 4 m;
- overkappingen mogen worden gebouwd op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw;
- de oppervlakte van paardenbaken mag niet meer bedragen dan 800 m² tezamen met het deel dat eventueel binnen het werkingsgebied ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke en natuurwaarden’ is gesitueerd.
9.4 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
9.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten
9.5.1 Vergunningplicht voor het vergroten van de bebouwde oppervlakte bijbehorende bouwwerken
Een omgevingsvergunning voor het vergroten van de bebouwde oppervlakte bijbehorende bouwwerken wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
- er kan een bebouwde oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden toegestaan tot een totaal maximum van 200 m²;
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
9.5.2 Vergunningplicht afwijking m.b.t. herbouw
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in
9.3.3 een omgevingsvergunning verlenen teneinde de voorgevel te kunnen plaatsen buiten de (voormalige) voorgevelrooilijn, mits aan de volgende beoordelingsregels wordt voldaan:
- de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar;
- er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning;
- herbouw van gesplitste boerderij(woningen) is niet toegestaan;
- door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast;
- de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;
- er moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder de herbouw op de betreffende locatie is milieuhygiënische aanvaardbaar;
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
9.5.3 Vergunningplicht verkleinen minimum afstand zijdelingse bouwperceelsgrens woningen en/of bijbehorende bouwwerken
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
9.3.2 teneinde de minimum afstand van gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens te verkleinen voor woningen en/of bijbehorende bouwwerken. Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
- de stedenbouwkundige kwaliteit wordt niet onevenredig aangetast;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
9.5.4 Vergunningplicht verkleinen minimum afstand van gebouwen tot de weg
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
9.3.2 teneinde de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg te verkleinen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
- er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;
- er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven;
- de wegbeheerder dient te worden gehoord;
- de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast;
- indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Omgevingswet, voor wat betreft het onderdeel geluidhinder;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
9.5.5 Vergunningplicht minicamping als nevenactiviteit
- het is verboden om zonder omgevingsvergunning een minicamping en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, te gebruiken en te realiseren.
het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een minicamping en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan in het werkingsgebied ‘wonen’, al dan niet in combinatie met afwijkingen zoals bedoeld in
9.2.2, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
- kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan op een afstand van minimaal 25 m van de woning van derden;
- slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans), alsmede maximaal 5 trekkershutten per minicamping;
- de bebouwde oppervlakte van de trekkershutten mag niet meer bedragen dan 30 m², de goothoogte mag niet meer bedragen dan 2,20 m en de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
- maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan;
- het bouwperceel, waarvoor de afwijking wordt verleend, mag niet kleiner zijn dan 3000 m²;
- gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan binnen het werkingsgebied ‘Wonen’;
- de bebouwing vindt plaats binnen de voor deze functie geldende bouwmogelijkheden, met dien verstande dat de oppervlakte van bouwwerken ten behoeve van kleinschalig kamperen maximaal 50 m² mag bedragen;
- ondergeschikte en ondersteunende horeca, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m²;
- de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
9.5.6 Vergunningplicht vergelijkbare activiteit aan huis
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
9.1 teneinde bedrijven aan huis toe te staan, die qua aard en omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen zijn met de in
9.2.1 toegestane bedrijven maar die niet zijn genoemd in de in Bijlage 5 Staat van bedrijfsactiviteiten, mits:
- omtrent de vergelijkbaarheid van de invloed op het milieu en de omgeving advies wordt gevraagd aan een onafhankelijke terzake deskundige;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
9.5.7 Vergunningplicht Bed & Breakfast
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
9.2.3 teneinde als nevenactiviteit bij een hoofdgebouw, bed & breakfast voorzieningen e.d., in een grotere omvang toe te staan, mits aan de volgende beoordelingsregels wordt voldaan:
- deze nevenactiviteit is in de woning en de daarbij behorende aangebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan;
- wanneer Bed & Breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin geen keuken of soortgelijke voorziening toegestaan;
- de nevenactiviteit is ondergeschikt van aard;
- er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
- de gebruiksoppervlakte niet meer mag bedragen dan 300 m²;
- ten behoeve van de bed & breakfast voorzieningen zijn maximaal 10 (éénpersoons)bedden toegestaan; permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
- de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
- het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
- er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 5) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
Artikel 10 Waarde - Archeologie 3
10.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Waarde - Archeologie 3' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
10.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied '
Waarde - Archeologie 3' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
- het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
- gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
- de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 30 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 250 m².
10.3 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
10.4 Vergunningplicht voor afwijken
10.4.1 Vergunningplicht
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
10.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
10.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in
10.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
10.4.3 Advies archeologische deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld
10.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
- het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
- grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
- bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
- het verlagen van het waterpeil;
- het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
- het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
- het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder
10.5.1 vervatte verbod geldt niet:
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 250 m²;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
- indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 10.5.1.
10.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
10.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.5.4 Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 11 Waarde - Archeologie 4.1
11.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Waarde - Archeologie 4.1' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
11.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied '
Waarde - Archeologie 4.1' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
- het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
- gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
- de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 30 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².
11.3 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
11.4 Vergunningplicht voor afwijken
11.4.1 Vergunningplicht
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
11.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
11.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in
11.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
11.4.3 Advies archeologische deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld
11.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
- het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
- grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
- bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
- het verlagen van het waterpeil;
- het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
- het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
- het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
11.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder
11.5.1 vervatte verbod geldt niet:
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 500 m²;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
- indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 11.5.1.
11.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
11.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
11.5.4 Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 12 Waarde - Archeologie 4.2
12.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Waarde - Archeologie 4.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
12.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied '
Waarde - Archeologie 4.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
- het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
- gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
- de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².
12.3 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
12.4 Vergunningplicht voor afwijken
12.4.1 Vergunningplicht
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
12.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
12.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in
12.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
12.4.3 Advies archeologische deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld
12.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
12.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
- het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
- grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
- bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
- het verlagen van het waterpeil;
- het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
- het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
- het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
12.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder
12.5.1 vervatte verbod geldt niet:
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 500 m²;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
- indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 12.4.1.
12.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
12.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
12.5.4 Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 13 Waarde - Archeologie 5.2
13.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Waarde - Archeologie 5.2' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
13.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied '
Waarde - Archeologie 5.2' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
- het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
- gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
- de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 50 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 2.500 m².
13.3 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
13.4 Vergunningplicht voor afwijken
13.4.1 Vergunningplicht
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
13.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
13.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in
13.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
13.4.3 Advies archeologische deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld
13.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
13.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
- het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
- grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
- bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
- het verlagen van het waterpeil;
- het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
- het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
- het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
13.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder
13.5.1 vervatte verbod geldt niet:
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 2.500 m²;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
- indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
- voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 13.4.1.
13.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
13.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
13.5.4 Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Artikel 14 Waterstaat - Waterbergingsgebied
14.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als '
Waterstaat - Waterbergingsgebied' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor de tijdelijke opvang van water.
14.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied '
Waterstaat - Waterbergingsgebied' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, mits:
- de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m.
14.3 Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
14.4 Vergunningplicht voor afwijken
14.4.1 Vergunningplicht
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
14.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien het waterbergend vermogen van de gronden niet onevenredig wordt aangetast. :
14.4.2 Advies waterschap
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in
14.4.1 kunnen zij schriftelijk advies inwinnen bij het waterschap.
14.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor '
Waterstaat - Waterbergingsgebied' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
- het ophogen van gronden;
- het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
14.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder
14.5.1 vervatte verbod geldt niet:
- voor zover op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd;
- voor zover het normaal onderhoud en beheer betreft.
14.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
14.5.1 mag alleen worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterbergend vermogen van de gronden.
14.5.4 Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in
14.5.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de waterbeheerder.
Artikel 15 Anti-dubbeltelregeling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 16 Algemene bouwregels
16.1 Afwijkende maatvoering
Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet of Wabo, maar in afwijking van dit hoofdstuk 2 Functies en activiteiten, zijn toegestaan. Herbouw van deze bestaande gebouwen is niet toegestaan.
16.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in dit TAM-omgevingsplan worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen, omgevingswaarden dan wel overige werkingsgebieden niet meer dan 1 m bedraagt.
16.3 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
- het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
voor de bouwwerken als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden de volgende voorwaarden:
- de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; en,
- de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m².
16.4 Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:
- met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2 Functies en activiteiten;
- anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 16.3.
Artikel 17 Algemene gebruiksregels
17.1 Verbod
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
- het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik en plaatsvindt ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak';
- vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
- het bewonen van bedrijfsruimten;
- een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis of een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
- seksinrichting;
- buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten.
17.2 Toegestane functies
Het is toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende functies:
- nutsvoorzieningen;
- voorzieningen voor verkeer en verblijf;
- groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
- water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
17.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied ‘Wonen’ te gebruiken of (doen) laten gebruiken indien de landschappelijke inpassing conform Bijlage 3 of een soortgelijke landschappelijke inpassing die middels een omgevingsvergunning is toegestaan, niet binnen 2 jaar na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
17.4 Voorwaardelijke verplichting sloop overtollige bebouwing
De vergunning voor het bouwen van gebouwen of bouwwerken als bedoeld in ‘Wonen’ wordt pas verleend indien de bebouwing en voorzieningen zoals aangeduid in bijlage 6 zijn gesloopt dan wel verwijderd. De bebouwing en voorzieningen dienen uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtredig van dit TAM-omgevingsplan te zijn gesloopt dan wel verwijderd.
17.5 Voorwaardelijke verplichting waterberging
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'Wonen' te gebruiken indien de waterberging niet binnen 12 maanden na verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak.
17.6 Voorwaardelijke verplichting bodem
De sanering van de asbestverontreiniging zoals in de rapportage van VMT (2024) is opgenomen, dient te worden uitgevoerd voordat de sloopwerkzaamheden van de onderbouw (putten en funderingen) worden uitgevoerd. Dit om te voorkomen dat tijdens de sloop van de onderbouw onbedoeld of abusievelijk in de verontreinigde grond wordt gegraven. Het graven in de verontreinigde grond dient te alle tijden te worden voorkomen.
17.7 Voorwaardelijke verplichting mitigerende maatregelen
Aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen, steenmarters, bunzing, hermelijn en wezels dient te worden uitgevoerd voordat de sloop- en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd. Dit om te voorkomen dat tijdens de sloop en bouw onbedoeld de vleermuizen, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel worden verstoord.
Artikel 18 Algemene aanduidingsregels
18.1 Geluidzone - luchtvaart 65-40 Ke
18.1.1 Verbodsbepalingen
In afwijking van het overige in het plan bepaalde is het niet toegestaan nieuwe geluidsgevoelige objecten te bouwen of geluidsgevoelige terreinen aan te leggen, in te richten of te gebruiken ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 65-55 Ke', te weten het gebied tussen de 65 en 55 Ke-lijn, ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 55-45 Ke', te weten het gebied tussen de 55 en de 45 Ke-lijn, ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 45-40 Ke', te weten het gebied tussen de 45 en 40 Ke-lijn of ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 40-35 Ke', te weten het gebied tussen de 40 en 35 Ke-lijn, allen behorende bij het vliegveld.
18.1.2 Afwijking
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
18.1.1 teneinde het oprichten van geluidsgevoelige objecten en/of het aanleggen, inrichten of gebruiken van geluidsgevoelige terreinen ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemmingen toe te staan ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 65-55 Ke', ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 55-45 Ke', ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 45-40 Ke' of ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - luchtvaart 40-35 Ke', mits hierbij wordt voldaan aan de wet- en regelgeving omtrent geluidsbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen per aangeduid Ke-gebied.
18.2 Luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebieden
18.2.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebieden', is het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogten (uitgedrukt in meters boven NAP) zoals aangegeven op de Kaarten Obstakelbeheergebieden in verband met de Vliegfunnel, IHCS en ILS, uitsluitend toegestaan indien voorafgaand aan de vergunningverlening uit een schriftelijk advies van het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, blijkt dat de bouwhoogte geen gevaar vormt voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven.
18.3 Milieuzone - spuitvrije zone
18.3.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding van de ‘milieuzone – spuitvrije’ is het verboden om gewassen te telen met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
18.3.2 Vergunning voor afwijken
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 18.3.1 ten behoeve van het toestaan van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, onder de voorwaarde dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast.
18.4 Milieuzone - vogelbeheersgebied
Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - vogelbeheersgebied' zijn oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare, natuurbeschermingsgebieden, vogelbeschermingsgebieden, vishouderijen met extramurale bassins, extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal en afvalwaterzuiveringsinstallaties uitsluitend toegestaan indien dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Defensie.
18.5 Overige zone - behoud en herstel watersystemen
18.5.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding '0verige zone - behoud en herstel watersystemen' zijn de aangewezen voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen waarbij het gebied een breedte heeft van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.
18.5.2 Beoordelingsregels bouwwerken
In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' op of in deze zone begrepen gronden, met uitzondering van de gronden binnen een bouwvlak geen bebouwing worden geplaatst.
18.5.3 Vergunningplicht voor afwijken
- Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 18.5.2 ten behoeve van bebouwing als toegestaan ingevolge de voor deze gronden geldende functies, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing het waterbergend vermogen van de gronden en/of ecologische verbinding niet wordt aangetast.
- Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap.
18.5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
- Verboden werken en werkzaamheden:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
- Ophogen van gronden.
- Het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
- Het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld).
- Het leggen van leidingen resp. het diepploegen, diepwoelen van de bodem op diepte van meer dan 0,60 m.
- Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
- Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels.
- De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand.
- Het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
- Het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt.
- Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
- Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
- Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
- Het normale onderhoud betreffen overeenkomstig functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de functie.
- Krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
- Toelaatbaarheid:
- De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien verzekerd is dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en aardkundige, hydrologische, archeologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden.
- Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydrologische waarden.
18.6 Overige zone- beperkingen veehouderij
18.6.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij':
- is uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet toegestaan;
- is toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij niet toegestaan.
18.6.2 Beoordelingsregels bouwwerken
- Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' geldt in afwijking van het bepaalde in de andere daar voorkomende functies dat:
- de oppervlakte van de gebouwen binnen een functie-/bouwvlak waarbinnen een veehouderij(tak) is gelegen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en), ten hoogste de omvang heeft van de gebouwen die:
- op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of
- gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning; of
- die zijn gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediend volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende (tijdelijke) omgevingsplan.
- de oppervlakte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen een functie-/bouwvlak waarbinnen een veehouderij(tak) is gelegen, ten hoogste de omvang heeft van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die:
- op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of
- gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning; of
- die zijn gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediend volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende (tijdelijke) omgevingsplan;
- Het bepaalde onder a. is niet van toepassing indien de binnen het functie-/bouwvlak gelegen veehouderij(tak) een grondgebonden veehouderij is.
18.7 Overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak
18.7.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak' wordt gestreefd naar behoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
18.7.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
- Verboden werken en werkzaamheden:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol vlak' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
- Het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van max. 5 jaar).
- Het diepploegen en diepwoelen van de bodem.
- Het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem.
- Het wijzigen van de historische kavelindeling zoals die door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
- Het graven en dempen van waterpartijen en watergangen.
- Het onder a. genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden welke:
- het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;
- reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
- binnen een bouwvlak plaatsvinden.
- De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:
- er geen aantasting plaatsvindt van de het reliëfrijke karakter van de bolle akkers;
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de openheid van de open akkers;
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
- de werkzaamheden bijdragen aan het herstel van verstoorde waarden (b.v het terugbrengen van bolle akkers).
18.8 Overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone
18.8.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone' zijn de gronden tevens aangewezen voor de instandhouding van waarden teneinde de toekomstig te realiseren ecologische verbindingszones, niet onmogelijk te maken.
18.8.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
- Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2 uit te voeren of te laten uitvoeren.
- Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
- het normale onderhoud, beheer en gebruik van de gronden betreffen overeenkomstig de functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
- krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
- binnen een bouwvlak plaatsvinden.
- Toelaatbaarheid:
- De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien is verzekerd dat het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van ecologische verbindingszones.
18.9 Overige zone - groenblauwe mantel
18.9.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn de gronden tevens aangewezen voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
18.10 Overige zone - resevering waterberging
18.10.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering waterberging' zijn de gronden aangewezen voor het behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.
18.10.2 Beoordelingsregels bouwwerken
In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald mag ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering waterberging' op of in deze zone begrepen gronden, met uitzondering van de gronden binnen een bouwvlak geen bebouwing worden geplaatst.
18.10.3 Vergunningplicht voor afwijken
- Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 18.10.2 ten behoeve van bebouwing als toegestaan ingevolge de voor deze gronden geldende functies, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing het waterbergend vermogen van de gronden en/of ecologische verbinding niet wordt aangetast.
- Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap.
18.10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
- Verboden werken en werkzaamheden:
Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering waterberging' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
- Ophogen van gronden.
- Het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.
- Het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld).
- Het leggen van leidingen resp. het diepploegen, diepwoelen van de bodem op diepte van meer dan 0,60 m.
- Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
- Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels.
- De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand.
- Het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
- Het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt.
- Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
- Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
- Uitzonderingen:
Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
- Het normale onderhoud betreffen overeenkomstig functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de functie.
- Krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
- Toelaatbaarheid:
- De onder a. genoemde vergunning wordt slechts verleend indien verzekerd is dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden en aardkundige, hydrologische, archeologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden.
- Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op de hydrologische waarden.
18.11 Veiligheidszone luchthaven 10-6 tot 10-5
18.11.1 Aanduidingsomschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - vliegveld 10-5', te weten het gebied tussen de 10-6 en de 10-5 risicocontour van het plaatsgebonden risico, gelden de volgende bepalingen:
- nieuwbouw van een gebouw, niet zijnde een bedrijfswoning, is niet toegestaan;
- in afwijking van het bepaalde onder a. kan voor nieuwbouw van een gebouw een verklaring van geen bezwaar worden afgegeven door het rijk:
- ten aanzien van een woning en een kwetsbaar gebouw bij een vliegveld wordt de verklaring van geen bezwaar, bedoeld onder b., slechts afgegeven:
- bij nieuwbouw op een open plek in de bestaande bebouwing;
- bij verandering van de bestemming van een gebouw; of
- bij verplaatsing van een woning of een kwetsbaar gebouw naar een minder risicodragende locatie binnen het gebied;
- het bepaalde onder c sub 3 wordt niet eerder toegepast dan nadat aan de oude woning of aan het oude kwetsbare gebouw de functie is onttrokken.
Artikel 19 Overige regels
19.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten en laden en lossen
19.1.1 Beoordelingsregels
A. Parkeergelegenheid
Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
- in het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan;
- in het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan;
- aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan;
- indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels;
- de parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden;
bij de aanvraag zijn de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en
- een parkeerbalans en toelichting hierop.
B. Ruimte voor laden en lossen van goederen
Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
- indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen;
- de ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden;
bij de aanvraag zijn de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen laad- en losruimte; en
- een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.
19.1.2 Uitzondering vergunningplicht parkeren en laden en lossen
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien:
- het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of;
- voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 20 Overgangsrecht
20.1 Overgangsrecht bouwwerken
- een bouwwerk dat op het tijdsstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
- het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%;
- het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
20.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
- het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is met, mag worden voortgezet;
- het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.