Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Munitiestraat ong. Neerkant
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0762.BP202317-C001
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Munitiestraat ong. Neerkant' met identificatienummer NL.IMRO.0762.BP202317-C001 van de gemeente Deurne.
 
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
 
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.5 archeologische waarden:
waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundigezaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschapen/of hun cultuurhistorische waarde.
 
1.6 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.7 bestaand
bij bouwwerken: op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplanaanwezig of in uitvoering, dan wel gebouwd kan worden krachtens een onherroepelijkeomgevingsvergunning;
bij gebruik: bestaand op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan welgebruik dat is toegestaan krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning.
 
1.8 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.9 bevoegd gezag
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraagom een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
 
1.10 bijgebouw
een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging,constructie of afmeting ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw.
 
1.11 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en hetvergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen ofveranderen van een standplaats.
 
1.12 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
1.13 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regelsbepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
1.14 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzijdirect of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op degrond.
 
1.15 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing
is, deze die inrichting niet verbieden (definitie volgens artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor)).
 
1.16 escortbedrijf
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in eenomvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in debedrijfsruimte of de woning wordt uitgeoefend.
 
1.17 extensief recreatief medegebruik
die vormen van natuurvriendelijke recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- enlandschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.
 
1.18 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk metwanden omsloten ruimte vormt.
 
1.19 hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als hetbelangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
 
1.20 huishouden
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijkehuishouding voeren of willen voeren.
  
1.21 kamerverhuur
het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de kamerverhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft.
 
1.22 logies
het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de betreffende huurder het hoofdverblijf elders heeft.
 
1.23 nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes,gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes,telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie.
 
1.24 opslag
het opslaan van materialen en materieel met de bedoeling en op een dergelijke wijze, datmen later hier weer over kan beschikken.
   
1.25 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
 
1.26 prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele diensten aananderen.
 
1.27 seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvangalsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen vanerotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk gevalverstaan: een (raam-) prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, eenseksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, of parenclub, al dan niet gecombineerd metelkaar.
 
1.28 voorgevel
de gevel van een gebouw, die is gekeerd naar de weg of het openbaar gebied waarop hetbouwperceel overwegend georiënteerd is (bij een hoekperceel is er slechts sprake van éénvoorgevel).
 
1.29 voorgevellijn
denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan deperceelsgrenzen.
 
1.30 voorgevelrooilijn
de naar de weg toegekeerde grens van het bouwvlak, waarop het belangrijkste gebouw opeen bouwperceel is georiënteerd.
 
1.31 waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer,waterberging en waterkwaliteit. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan duikers,stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie vanhemelwater.
 
1.32 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijkhuishouden.
 
1.33 zijdelingse/achterperceelsgrens
een niet naar een weg of openbaar gebied gekeerde grens van een bouwperceel.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken totperceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.
 
2.2 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouwzijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen,lichtkoepels, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.3 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.4 goothoogte van een bouwwerk
verticaal vanaf de laagst gelegen snijlijn van elk dakvlak, met elk daaronder staandbuitenwerks gevelvlak, tot aan het peil.
 
2.5 inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hartvan de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.6 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken langs) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart vangemeenschappelijke scheidingsmuren).
 
2.7 ondergrondse (verticale) bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het peil tot de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.
 
2.8 oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaartsgeprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van hetbouwwerk.
 
2.9 peil
  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Agrarisch
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarisch grondgebruik, met dien verstande dat;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing’, zijn de gronden bestemd voor een dierenweide en het aanbrengen en in standhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen;
  3. extensief recreatief medegebruik;
met daarbij behorende:
  1. tuinen, erven en terreinen;
  2. wegen, paden en verhardingen;
  3. voorzieningen zoals groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
3.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels.
 
3.2.1 Gebouwen en overkappingen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en /of overkappingen worden gebouwd.
 
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. De bouwhoogte van erfafscheidingen in de vorm van een open afrastering mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  2. De hoogte van overige bouwwerken geen gebouw zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen.
 
3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Strijdig gebruik
  1. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor het uitoefenen van enige vorm van bedrijf, met uitzondering van de in 3.1 toegelaten bedrijven;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor het uitoefenen van een veehouderij.
Artikel 4 Wonen-1
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen-1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. wonen;
  2. erven en tuinen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. speelvoorzieningen;
  5. wegen, paden en parkeren;
  6. bij de bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. deze gronden dienen niet te worden beschouwd als (gebouw)erf in de zin van artikel 1 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidde op 31 december 2023 en /of in de zin van het Besluit bouwwerken leefomgeving zoals dit luidt ten tijde van de datum van de inwerkingtreding van dit plan;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' de landschappelijke inpassing van de woningen en bijbehorende infrastructuur, een en ander overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 10.3.2.
 
4.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels.
 
4.2.1 Hoofdgebouwen
  1. Per bouwvlak mogen twee woningen worden gebouwd;
  2. De woningen worden uitgevoerd als twee-onder-één-kapwoningen;
  3. elke woning mag maximaal 120 m2 gebruiksoppervlak, exclusief inpandige berging van maximaal 20 m2, beslaan;
  4. De goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 3,80 meter;
  5. De nokhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 9,00 meter;
 
4.2.2 Bijgebouwen
  1. Ter hoogte van de aanduiding specifieke vorm van wonen - bijgebouwen toegestaan mag een bijgebouw worden gerealiseerd met een maximum vloeroppervlak van 15 m² per woning;
  2. De bouwhoogte van de bijgebouwen bedraagt maximaal 3 meter;
  3. De bijgebouwen worden uitgevoerd met een plat dak;
  4. Op deze gronden mogen, anders dan in het eerste lid genoemd, geen (vrijstaande) bijgebouwen worden gebouwd, uitgezonderd een inpandige berging aan /in het hoofdgebouw binnen het bouwvlak conform hetgeen is opgenomen onder artikel 4.2.1 onder c.
 
4.2.3 Ondergronds bouwen
  1. Ondergronds bouwen is toegestaan onder de woning en in gronden aansluitend aan deze gebouwen;
  2. De verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4 meter.
 
4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. De bouw van erf- en terreinafscheidingen is niet toegestaan;
  2. De hoogte van kunstobjecten, palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  3. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 meter, met dien verstande dat de hoogte van overige bouwwerken vóór de naar de weg gekeerde gevel van een hoofdgebouw en de denkbeeldige lijn door de naar de weg gekeerde gevel van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1 meter.
  4. De bouw van een zwembad is niet toegestaan.
 
4.3 Gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor het uitoefenen van een bedrijf of bedrijf aan huis;
  2. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor het uitoefenen van een internetwinkel;
 
4.3.2 Voorwaardelijke verplichting parkeren
Het gebruiken en (doen) laten gebruiken van een woning conform de in artikel 4.1opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan als op het eigen terrein bij dewoning minimaal is voorzien in achttien parkeerplaatsen
Artikel 5 Waarde - Archeologie Hoog
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie Hoog’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de anderedaar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming vanarcheologische waarden.
 
5.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels.
 
5.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor archeologisch onderzoek
Op deze gronden mogen ten behoeve van de in 5.1 bedoelde dubbelbestemming uitsluitendbouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die voor archeologisch onderzoeknoodzakelijk zijn.
 
5.2.2 Overige bouwwerken
Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - metinachtneming van de voor de betrokken bestemmingen geldende (bouw)regels - uitsluitendworden gebouwd indien:
  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd, dan wel verwijst naar een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch onderzoek, waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op:
    1. het behoud van de archeologische resten in de bodem;
    2. het doen van opgravingen;
    3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.
 
5.2.3 Uitzonderingen
Het bepaalde in 5.2.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een ofmeer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
  1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  2. een bouwwerk dat niet dieper dan 30 cm onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
 
5.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering ende afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uitarcheologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardigearcheologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.
 
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ofvan werkzaamheden
5.4.1 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerkzijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:
  1. grondwerkzaamheden die dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage en verwijderen van funderingen, met dien verstande dat in deze oppervlakte een ingreep overeenkomstig het bepaalde in 5.2 wordt meegerekend;
  2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels, indien de grondwerkzaamheden dieper gaan dan 30 centimeter onder maaiveld;
  3. het aanleggen van leidingen dieper dan 30 cm onder het maaiveld.
 
5.4.2 Toelaatbaarheid
  1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.4.1 kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
  2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, dan wel verwijst naar een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch onderzoek, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  3. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
 
5.4.3 Uitzonderingen
Het in 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
Artikel 6 Waarde – Landschap
 
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daarvoorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van delandschappelijke en natuurlijke omgevingskwaliteiten alsmede ter bescherming van deopenheid van het landschap en de overgang van bebouwd gebied naar buitengebied.
 
6.2 Bouwregels
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en /of overkappingen worden gebouwd,anders dan op basis van de artikelen 3, 4 en 5 gebouwd mogen worden.
3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraanuitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van laterebouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene bouwregels
 
Uitzondering ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschiktebouwonderdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen,schoorstenen, zonnecollectoren, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buitenbeschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouw- of bestemmingsgrenzen nietmeer dan 1 meter bedraagt.
Artikel 9 Algemene gebruiksregels
 
9.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik strijdig met dit bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:
  1. het gebruik van woningen voor bed & breakfast voorzieningen;
  2. het gebruik van woningen anders dan voor permanente bewoning;
  3. het gebruik van bouwwerken voor een seksinrichting of escortbedrijf;
  4. het gebruik van gronden voor de opslag van onbruikbare of aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken goederen, machines of voertuigen en van materialen, emballage en afval, behoudens voor zover dit noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden.
  5. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen voor afhankelijke woonruimte;
  6. het gebruiken van bouwwerken voor de huisvesting van arbeidsmigranten;
  7. het gebruik van woningen voor kamerverhuur en/of logies.
 
9.2 Parkeren
9.2.1 Bestaande parkeerplaatsen
Tot een gebruik strijdig met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruikvan aangelegde parkeerplaatsen voor andere gebruiksdoeleinden dan parkeren.
 
9.2.2 Parkeernormen
Bij nieuw- of verbouw of wijziging van het gebruik dient de inrichting van de grondenzodanig plaats te vinden, dat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen zoalsweergegeven in de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’ (bijlage 2 bij deze regels),inclusief later vastgestelde aanvullingen, dan wel de nota die volgend op voornoemde wordtvastgesteld, waarbij voornoemde nota is komen te vervallen.
 
9.2.3 Afwijken
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2.2 mits de afwijkingin overeenstemming is met het vastgestelde gemeentelijke parkeerbeleid zoalsweergegeven in de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’, inclusief later vastgesteldeaanvullingen dan wel de nota die volgend op voornoemde wordt vastgesteld, waarbijvoornoemde nota is komen te vervallen.
Artikel 10 Algemene aanduidingsregels
 
10.1 Attentiegebied ecologische hoofdstructuur
10.1.1 Algemeen
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ecologische hoofdstructuur' zijnde gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede aangewezen alsattentiegebied ecologische hoofdstructuur.
 
10.1.2 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ecologischehoofdstructuur' zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken,geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:
  1. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  2. de aanleg van drainage ongeacht diepte, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;
  3. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  4. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk.
 
10.1.3 Uitzonderingen
Het in 10.1.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
10.1.4 Toelaatbaarheid
De vergunning als bedoeld in 10.1.2 kan slechts worden verleend, indien geen onevenredigeafbreuk wordt gedaan aan het behoud en de verbetering van het attentiegebied ehs.Alvorens te beslissen over een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in 10.1.2 hoort hetbevoegd gezag het ter plaatse bevoegde waterstaatsgezag.
 
10.2 Vrijwaringszone - watergang
10.2.1 Algemeen
De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - watergang’ zijn, behalvevoor de daar voorkomende enkel- en/of dubbelbestemmingen, mede bestemd voor hetbeheer en onderhoud van de ter plaatse gelegen A-waterloop door het betreffendeWaterschap.
 
10.2.2 Voorrangsregels
In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel vóór debepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassingzijn.
 
10.2.3 Bouwregels
Op gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - watergang’ is het, inafwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemming(en), verboden enigbouwwerk te bouwen.
 
10.2.4 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaaldein artikel 31.3.3 voor het bouwen overeenkomstig de daar voorkomende enkel- en/ofdubbelbestemming(en) indien de belangen van de watergang niet worden geschaad. Hetbevoegde gezag wint hier voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunningschriftelijk advies in bij de betrokken beheerder van de watergang.
 
10.2.5 Strijdig gebruik
  1. Het is verboden om zonder vergunning op grond van de Waterwet handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties en/of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven op de gronden met de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - watergang’.
  2. Het is verboden om beplanting aan te leggen die het beheer en onderhoud van de AWatergang belemmerd.
 
10.3 Voorwaardelijke verplichting
10.3.1 Voorwaardelijke verplichting waterberging
Het gebruiken en (doen) laten gebruiken van een woning co-form de in artikel 4.1 onder a opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan onder de voorwaarde dat ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging’ een voorziening gerealiseerd en in stand gehouden wordt voor de berging en infiltratie van hemelwater met een omvang van 0,06 m3 per m2 verhard oppervlak met een minimale bergingscapaciteit van 36,9 m3.
 
10.3.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van een woning conform in artikel 4.1 onder a bestemmingsomschrijving is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' alleen toegestaan indien de landschappelijke inpassing, conform bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan bij deze regels, is uitgevoerd binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan en vervolgens duurzaam in stand wordt gehouden met het daarbij benodigde beheer en onderhoud.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
 
Indien niet op grond van een andere regel van deze regels afgeweken kan worden en mitsgeen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, dewoonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de17
gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunningworden afgeweken van de desbetreffende regels van het plan voor:
  1. andere dan de voorgeschreven minimum- en maximummaten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. het bouwen van nutsvoorzieningen, mits:
    1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m²;
    2. de goothoogte van gebouwen niet meer bedraagt dan 3,2 meter;
    3. de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedraagt dan 5,5 meter;
    4. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3,2 meter;
  3. het in geringe mate afwijken van de bestemmingsgrens en de vorm van een bouwvlak, voor zover zulks noodzakelijk of wenselijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  3. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
12.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13 Slotregel
 
Deze regels kunnen worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan ‘Munitiestraat ong. Neerkant’.