1.1 Algemeen
Initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied aan de Zandbosweg één nieuwe vrijstaande bedrijfswoning te realiseren. In de huidige situatie heeft het plangebied al de bestemming 'Bedrijf', er zijn echter geen bouwvlak en geen aanduiding voor een bedrijfswoning aanwezig binnen het plangebied. Het realiseren van een nieuwe bedrijfswoning is daarom niet toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan. Om juridisch-planologisch een nieuwe bedrijfswoning mogelijk te maken is er een partiële wijziging van het bestemmingsplan nodig waarin een bouwvlak wordt toegevoegd aan het plangebied. Voorliggend plan voorziet hierin.
1.2 Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Zandbosweg tussen nummer 16 en 20 in de gemeente Deurne. Het plangebied ligt in het westelijke deel Deurne aan de noordoost rand van het bedrijventerrein 't Rijt-Oost. De locatie ligt aan het bebouwingslint van de wijk Houtenhoek en vormt mede de overloop naar deze wijk. Op onderstaande afbeeldingen (figuur 1 en 2) is de ligging van het betreffende plangebied weergegeven.
Figuur 1: Globale ligging van het plangebied, rood omcirkeld (bron: Google.com/maps)
Figuur 2: Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplannen
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Deurne, Zuid en West' vastgesteld op 11 oktober 2016 door de gemeente Deurne. De gronden zijn voorzien van de bestemming 'Bedrijf'. De gronden zijn onder andere bestemd voor bedrijven in de categorieën 2 tot en met 3.2 van de staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage bij de regels onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Daarnaast voor de aan deze bestemming ondergeschikte voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en verkeersvoorzieningen zoals wegen en verhardingen.
Onderstaande afbeelding (figuur 3) toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Figuur 3: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Deurne, Zuid en West', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Tevens geldt voor het plangebied het 'Paraplubestemmingsplan Deurne 2021' vastgesteld op 5 juli 2022. Met dit bestemmingsplan worden de geldende bestemmingsplannen gedeeltelijk herzien. Met de gedeeltelijke herziening van de bestemmingsplannen wordt het geactualiseerde beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening verwerkt. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het beleid ten aanzien van huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten, de regeling parkeernormen Deurne, ondergronds bouwen en evenementen.
Met het paraplubestemmingsplan wordt voorzien in een actuele en eenduidige juridisch-planologische borging van de parkeerregeling. Tevens wordt in een verwijzing naar toekomstige wijzigingen van het parkeerbeleid voorzien.
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.
2.1 Bestaande situatie
Het plangebied ligt in het oosten van het bedrijventerrein 't Rijt-Oost en maakt deel uit van het bebouwingslint van de wijk Houtenhoek, waar zich vooral rijtjeshuizen bevinden. In de overgangszone van de wijk naar het bedrijventerrein staan verschillende vrijstaande woningen. Het plangebied ligt ten oosten van de Zandbosweg 16 in Deurne, kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie B, nummer 2333. Het perceel heeft een oppervlakte van 1.040 m². In de directe omgeving bevinden zich vooral bedrijfspanden en verschillende woningen. De bedrijfspanden bevinden zich ten westen en ten zuiden van het plangebied, ten oosten van het plangebied bevinden zich vooral de woningen. Ten noorden van het plangebied ligt de provinciale weg N270.
Onderstaande afbeeldingen (figuren 4 & 5) geven een impressie van het plangebied.
Figuur 4: Bovenaanzicht plangebied (bron: Bouwkundig Tekenburo Ballegooij)
Figuur 5: Vooraanzicht plangebied vanaf de Zandbosweg (bron: Bouwkundig Tekenburo Ballegooij)
2.2 Toekomstige situatie
Het voornemen bestaat om in het plangebied een bedrijf met bedrijfswoning mogelijk te maken. Er is nog geen concreet bouwplan uitgewerkt voor het plangebied. De nu braakliggende grond zal gebruikt worden voor de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning op het noordelijke deel van het perceel en een bedrijf op het zuidelijk deel. Door in het plangebied een bedrijfswoning te realiseren wordt het bebouwingslint opgevuld en vormt deze woning een logische voortzetting van het straatbeeld.
Onderstaande afbeelding (figuur 6) laat zien hoe een nieuwe woning in het plangebied passend is in de omgeving. Figuur 7 toont het beoogde bouwvlak voor de bedrijfswoning op het noordelijke deel van het perceel.
Figuur 6: Lint van de Zandbosweg (bron: Kadastralekaart.com)
Figuur 7: bouwvlak voor de beoogde bedrijfswoning (bron: Bouwkundig Tekenburo Ballegooij)
3 Beleid Ruimtelijke ordening
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
- ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
- duurzaam economisch groeipotentieel;
- sterke en gezonde steden en regio's;
- toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke gevolgen heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot ruimte voor klimaatadaptatie en een goede fysieke leefomgeving, door de woning duurzaam te bouwen.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd, om nationale en provinciale belangen te beschermen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) komen de volgende veertien nationale belangen terug:
- Rijksvaarwegen;
- Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
- Kustfundament;
- Grote rivieren;
- Waddenzee en waddengebied;
- Defensie;
- Hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
- Elektriciteitsvoorziening;
- Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
- Natuurnetwerk Nederland;
- Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
- IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
- Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
- Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
Het Barro blijft van kracht totdat de omgevingswet in gaat, daarna wordt het Barro vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, dient daarvoor op grond van de Ladder een verantwoording te worden gegeven. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt heeft zodoende:
- Een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling;
- En, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen. In het onderhavige geval wordt er per saldo één woning toegevoegd. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Desalniettemin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat er sprake is van een behoefte. Uit
subparagraaf 3.3.2 blijkt dat er gemeentelijk een behoefte aan woningen bestaat. Voorliggende plan komt door het toevoegen van een woning aan deze behoefte tegemoet.
Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt één basisopgave en een viertal hoofdopgaven:
- De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
- Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
- Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
- Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken?
- Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in januari 2024) echt klaar te zijn, is er alvast een interim omgevingsverordening opgesteld. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling heeft met name betrekking op de basisopgave. Met de ontwikkeling wordt het mogelijk om een vrijstaande (bedrijfs)woning in het plangebied te realiseren. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling zal deze geen negatieve gevolgen hebben voor de opgaven die zijn genoemd in de omgevingsvisie.
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant' vastgesteld. Op 15 april 2022 is de meest recente herziening vastgesteld. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen samengevoegd. De Interim Omgevingsverordening blijft van kracht totdat de Omgevingswet in gaat, daarna wordt deze vervangen door de Omgevingsverordening.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd.
In de Verordening ruimte Noord Brabant, geconsolideerd op 1 januari 2019, staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
- ruimtelijke kwaliteit;
- stedelijke ontwikkelingen
- natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
- agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
- overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.
Belangrijk bij de beoordeling van nieuwe plannen is de inpasbaarheid in het provinciaal beleid. De verordening is daarbij het document wat de meest concrete regels biedt voor nieuwe ontwikkelingen. Binnen bestaand stedelijk gebied is stedelijke ontwikkeling mogelijk. Indien sprake is van nieuwbouw van woningen, dient verantwoord te worden hoe dit zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit en andere woningbouwafspraken.
Planspecifiek
Op de kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' staat aangegeven dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'stedelijk gebied' en gelegen is in een landelijke kern. Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkelingen binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvinden. Dat is in onderhavige situatie het geval. Verder dient de ontwikkeling regionaal te zijn afgestemd en dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
Duurzame stedelijke ontwikkeling
Het uitgangspunt voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is eerst de mogelijkheid in het stedelijk gebied te benutten. Een duurzame stedelijke ontwikkeling bevordert de omgevingskwaliteit. Daarnaast dient er een optimale invulling te zijn van de mogelijkheden voor duurzame energie en dient er rekening gehouden te worden met klimaatverandering.
Met het voorliggende initiatief wordt er gebruik gemaakt van een open terrein binnen bestaand stedelijk gebied. Er wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte naar woningen. Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de ambities voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. De woning wordt immers conform de BENG-eisen gerealiseerd en hemelwater wordt afgekoppeld van het riool om bodemverdroging tegen te gaan.
Regionale afstemming
Tevens dient de stedelijke ontwikkeling te passen binnen de regionale afspraken. Omdat een stedelijke ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen ook bovengemeentelijke gevolgen kan hebben, worden hierover binnen het regionale overleg afspraken gemaakt. Het is belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen op een juist niveau zijn afgestemd met andere initiatieven zowel vanuit kwantiteit als vanuit kwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op het realiseren van één vrijstaande woning. Met het voorliggende plan wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente. Zoals beschreven is in
subparagraaf 3.3.2.
Er kan daarmee geconcludeerd worden dat er voldaan wordt aan de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant'.
3.2.3 De Brabantse Agenda Wonen
De Brabantse Agenda Wonen geeft aan wat er de komende jaren speelt op de woningmarkt van de provincie Noord-Brabant. Brabant telt verscheidene regionale woningmarkten, elk met hun eigen regiospecifieke en gemeentelijke karakteristieken, kwaliteiten, ontwikkelingen en opgaven. Voor de provincie gelden vier actielijnen:
- Accent op duurzame verstedelijking.
- Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad.
- Inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen.
- Versterken van de regionale samenwerking en vernieuwen van de regionale woningbouwafspraken.
Daarnaast zijn er een aantal richtinggevende principes. Het woningbouwprogramma zet optimaal in op binnenstedelijke locaties. Woningbouwplannen binnen bestaand stedelijk gebied worden erg gewaardeerd door de provincie. Hiervoor wordt dan ook ruim baan gegeven. De nadruk voor woningbouwplannen ligt op de bestaande woningvoorraad. Daarnaast is vraaggericht bouwen van groot belang. Hiervoor is flexibiliteit in de regionale en gemeentelijke woningbouwplannen nodig. Als laatste dient de regionale woningbouwmarkt versterkt te worden.
Planspecifiek
Samenhangend met de grote groei van het aantal huishoudens moeten er tot 2050 ca. 160.000 woningen toegevoegd worden aan de woningmarkt in de provincie Noord-Brabant. Hiervan zullen er ca. 120.000 in de periode tot 2030 gebouwd moeten worden.
De woningbehoefte zal voornamelijk binnenstedelijk en waar mogelijk in bestaande bebouwing gerealiseerd moeten worden. De planlocatie betreft een onbebouwd terrein in bestaand stedelijk gebied. De locatie is dan ook geschikt voor woningbouw. De beoogde bedrijfswoning wordt daarnaast op een duurzame manier gebouwd. Daarmee levert het initiatief een bijdrage aan de kwantitatieve (en kwalitatieve) woningbehoefte in de provincie. Hiermee is de beoogde ontwikkeling in lijn met 'De Brabantse Agenda Wonen'.
3.3.1 Structuurvisie Deurne 2030
De Structuurvisie Deurne 2030 is vastgesteld op 13 maart 2013 door de gemeenteraad van Deurne en vormt de leidraad voor de uitnodigende houding van de gemeente.
De gemeente Deurne staat voor een aantal grote opgaven die van invloed zijn op de ruimtelijke ontwikkeling. De volgende maatschappelijk opgaven zijn van belang:
- het versterken van de economie van de Brainportregio;
- veranderende wensen omtrent het woon- en leefklimaat binnen de Metropoolregio Eindhoven;
- slimme verbindingen maken om de bereikbaarheid te verbeteren;
- energietransitie en klimaatadaptatie;
- de transitie van het landelijk gebied, inclusief;
- de transitie van de agrarische sector.
In de structuurvisie is de visie voor de woonkernen in de gemeente beschreven. De komende jaren is er nog een behoefte aan extra woningen, maar deze behoefte neemt wel af. Het is daarom belangrijk dat de toevoeging van woningen qua type en locatie passend is. De woningvoorraad moet aansluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van de Deurnese bevolking. Met uitgangspunten als verduurzaming van woningen, energieneutraal bouwen, onafhankelijk van fossiele brandstoffen en levensloopbestendig. Dit leidt tot de volgende beleidsuitganspunten en -keuzen:
- Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied;
- Woningbouw bij voorkeur nabij voorzieningen;
- Verbinden van voorzieningen;
- Aansluiten op behoefte van kernen en wijken;
- Omzetting van leegstaand vastgoed naar woonfunctie.
De gemeente maakt in de structuurvisie een nadrukkelijke keuze voor inbreiding in de bestaande kernen. Er zijn daarnaast ook geen zoekgebieden voor uitbreiding van de bestaande kernen opgenomen. Het uitgangspunt van het woningbouwbeleid is het toevoegen van passende kwaliteit en een beperkte kwantitatieve uitbreiding van de woningvoorraad.
Planspecifiek
Het voorliggende plan ziet toe op de invulling van een braakliggend terrein door hier een nieuwe bedrijfswoning toe te voegen aan het lint van de Zandbosweg. Het plan is daarmee in lijn met de keuze uit de structuurvisie voor inbreiding in de bestaande kernen. De bedrijfswoning die voorzien is in het plangebied is passend bij de woning in de omgeving en sluit aan bij de behoefte woningen in het duurdere segment in de gemeente.
Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de structuurvisie.
3.3.2 Woonvisie gemeente Deurne 2019 - 2040
De gemeenteraad van Deurne heeft op 3 juli 2019 de 'Woonvisie gemeente Deurne 2019 - 2040' vastgesteld. In de woonvisie zet de gemeente in op het stimuleren van woningbouwinitiatieven in bestaand stedelijk gebied, die aansluiten bij de veranderende woonbehoeften van de inwoners. Het aantal huishoudens in de gemeente Deurne blijft tot 2030 stijgen, met name door een toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Tevens blijft het aantal senioren stijgen als gevolg van de vergrijzing. In de woonvisie zijn senioren, starters, jonge gezinnen, jongeren en kwetsbare groepen dan ook als prioritaire groepen aangewezen. Deze doelgroepen leiden tot prioritaire woonsegmenten. Zoals levensloopbestendige woningen (mogelijk in vele varianten).
In de woonvisie zijn verschillende afwegingskaders uitgewerkt. Voor inbreidingslocaties geldt een ja, mits beleid, dit betekent dat het ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk zijn mits deze stedenbouwkundig en planologisch passend en milieutechnisch mogelijk zijn en passend zijn binnen het afwegingskader woningbouwkwaliteiten. Het afwegingskader woningbouwkwaliteiten schrijft voor dure koop woningen voor dat dit passend is binnen de woonvisie mits deze levensloopbestendig worden gebouwd.
Planspecifiek
Het voorliggende plan maakt de realisatie van één nieuwe vrijstaande bedrijfswoning mogelijk op een inbreidingslocatie in het bestaand stedelijk gebied. De locatie heeft op dit moment een bedrijfsbestemming, maar geen bouwvlak en geen aanduiding die het mogelijk maakt om een bedrijfswoning op te richten.
De ontwikkeling van een bedrijfswoning in het lint aan de Zandbosweg is stedenbouwkundig passend aangezien hier meerdere vrijstaande woningen staan en de voorliggende ontwikkeling het braakliggende terrein opvult in dit lint. Uit het navolgende hoofdstuk zal blijken dat de nieuwe bedrijfswoning milieutechnisch mogelijk en passend is. Daarnaast valt deze woning in het dure segment en zal daarom levensloopbestendig uitgevoerd worden. Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de woonvisie.
4.1 Milieueffectrapportage
In deze casus is sprake van een plan. Voor een plan moet worden nagegaan of er met het plan sprake is van dusdanige milieueffecten in de omgeving dat een m.e.r of milieueffectbeoordeling moeten worden uitgevoerd. Daarvoor is het wettelijk kader van belang.
Het wettelijk kader wordt gegeven door de Wet natuurbescherming, de Interim-omgevingsverordening Noord-Brabant en de Wet milieubeheer. Alleen indien een passende beoordeling als bedoeld in de Wet natuurbescherming moet worden opgesteld moet ook een (plan)m.e.r worden opgesteld. Voor dit plan is die noodzaak er niet. In de Interim-omgevingsverordening Noord-Brabant is er geen aanwijzing voor een m.e.r opgenomen. In de Wet milieubeheer in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage is bepaald voor welke activiteiten en gevallen en plannen of besluiten er een m.e.r (A) dan wel of er een milieueffectbeoordeling (B) moet worden uitgevoerd om te bepalen of er een m.e.r moet worden opgesteld. De activiteiten zijn benoemd in onderdeel C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage. In deze casus is er in beginsel sprake van alleen een activiteit “stedelijk ontwikkelingsproject” die alleen wordt genoemd in onderdeel D 11.2 van bijlage Besluit milieueffectrapportage.
Planspecifiek
Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Het plangebied heeft in de huidige situatie de bestemming ‘Bedrijf’ en is onbebouwd. Met het voorliggende plan wordt de bouw van een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Dit betekent een zeer beperkte ontwikkeling waarbij er een kleine toename aan bebouwing is. Er kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (activiteit D11.2). Gezien het voorgaande is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en geldt er geen m.e.r.-plicht.
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Afhankelijk van de activiteiten en eventuele bekende verontreiningen kan er ook de noodzaak bestaan om een bodemonderzoek uit te voeren.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt het mogelijk om op een perceel dat bestemd is als 'Bedrijf' één nieuwe bedrijfswoning mogelijk te maken. Het toekomstig bodemgebruik veranderd daarmee voor een deel van het plangebied waar de woonfunctie gerealiseerd wordt. Het is daarom noodzakelijk om te bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Om deze reden wordt er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Bakker Milieuadviezen (d.d. oktober 2022, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 1).
Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden
geconcludeerd:
- In de onverdachte bovengrond is alleen lood in een licht verhoogd gehalte aangetroffen. Dit heeft geen consequenties;
- In de ondergrond zijn alle parameters uit het NEN 5740-pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen;
- In het grondwater is alleen het gehalte aan barium licht verhoogd aangetroffen. Dit is een gangbare, niet relevante verhoging.
Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering of beperking voor de bouw van een woning. Er kan zodoende geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling bestaat in planologische zin uit het mogelijk maken van één nieuwe bedrijfswoning. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,5 μg/m³, 9,4 μg/m³ en 14,6 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
- verzorgingstehuizen;
- psychiatrische inrichtingen;
- medisch centra;
- poliklinieken;
- medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning. Een bedrijfswoning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een geluidgevoelig object. Er dient dan ook onderzocht te worden of er geluidhinder ontstaat door geluidbronnen, zoals omschreven in de Wgh. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd door Ingenieursburo Ulehake (d.d. 13 april 2023, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 2).
Wegverkeer
Het plangebied is gelegen aan de Zandbosweg, dit is ter plaatse een doodlopende fietsstraat wat een niet gezoneerde weg is. In de omgeving van het plangebied zijn twee geluidgezoneerde wegen gelegen op circa 30 m de Dubloen en op circa 75 m de Helmondsingel (N270). Het plangebied is daarmee binnen de geluidzone van deze weg gelegen.
Uit de resultaten blijkt dat de hoogst berekende etmaalwaarde voor de Helmondsingel in de uitgangssituatie is 59 dB inclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh. Dit betekent dat er niet voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde maar dat de maximaal toelaatbare waarde niet wordt overschreden. Als de rooilijn van de naast gelegen woning wordt aangehouden zijn de waarneempunten T05 t/m T07 representatief. Hier bedraagt de maximale geluidbelasting ten gevolge van de Helmondsingel maximaal 58 op een hoogte van 7,5 en 10,5 meter.
Het realiseren van een bouwvlak zal vrijwel op iedere locatie op het perceel tot gevolg hebben dat een hogere waarde noodzakelijk is. Dit vormt echter geen belemmering voor de realisatie van de woonbestemming. Ook zal worden voldaan aan de doelstelling van het hogere waarde beleid van de gemeente Deurne er wordt immers een openplaats tussen bestaande bebouwing opgevuld. Door het realiseren van een woning ontstaat aan de achterzijde een geluidluwe gevel. Omdat hier ook de tuin is gelegen zullen de vertrekken in hoofdlijn ook automatisch ook naar deze zijde worden georiënteerd.
Onder voorwaarde kan hogere waarde worden verleend. Hiervoor dient aangetoond te worden dat de geluidwering (GA;k) van de woning tenminste 26 dB bedraagt. De geluidbelasting ten gevolge van de Dubloen blijft onder de voorkeursgrenswaarde.
Spoorweglawaai
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Door de afwezigheid van spoorwegen zijn er geen belemmeringen wat betreft geluid van het spoor te verwachten.
Industrielawaai
Met behulp van bestemmingsplannen in de omgeving is bepaald welke milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied is een industrieterreinen aanwezig, dit industrieterrein is niet geluidgezoneerd. Wel is het geluid van de omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van de Wgh. Ten aanzien van deze bedrijven is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie voor de resultaten
paragraaf 4.8.
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied, ten aanzien van de geluidbelasting van de omliggende bedrijven. Ten aanzien van wegverkeer is de hoogste berekende etmaalwaarde in de uitgangssituatie is 59 dB inclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh. Dit betekent dat er niet voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde maar dat de maximaal toelaatbare waarde niet wordt overschreden. Onder voorwaarde kan hogere waarde worden verleend. Hiervoor dient aangetoond te worden dat de geluidwering (GA;k) van de woning tenminste 26 dB bedraagt. De geluidbelasting ten gevolge van de Dubloen blijft onder de voorkeursgrenswaarde.
4.5 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterprogramma
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Waterschap Aa en Maas
Het waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer. In het Waterbeheerplan 2022-2027 heeft het waterschap beschreven welke doelstellingen worden nagestreefd en hoe deze doelstellingen te behalen zijn voor deze periode. Het waterbeheerplan is gebaseerd op drie programma's
- Waterveiligheid;
- Klimaatbestendig en gezond watersysteem;
- afvalwaterketen.
Onder waterveiligheid wordt de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem beschreven. Het programma klimaatbestendig en gezond watersysteem draait om een goed functionerend watersysteem in normale en in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. In het programma afvalwaterketen staat het zuiveren van afvalwater centraal.
Het waterschap heeft specifieke doelen geformuleerd voor bebouwde gebieden, waarin wordt toegewerkt naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
- schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
- de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
- de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
- de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Daarnaast beschikt het waterschap over een eigen 'Keur' en 'Legger'. In de keur staan de gebods- en verbodsbepalingen met betrekking op de waterhuishouding en het waterbeheer. In de legger zijn de waterstaatwerken met bijbehorende afmetingen en onderhoudsplicht opgenomen.
De keuren van de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta zijn geüniformeerd. Onderdeel hiervan zijn de beleidsuitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Het uitgangspunt geldt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij een toename aan verhard oppervlak wordt uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Zo moet voorkomen worden dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd.
Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding.
Gemeentelijk Rioleringsplan - onweerstaanbaar Deurne
De gemeente Deurne heeft het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van de gemeente Deurne voor de planperiode 2019 tot en met 2023 vastgesteld. In dit GRP heeft de gemeente Deurne de ambitie voor de planperiode verwoord in de navolgende speerpunten:
ambitie via een aantal speerpunten:
- een duurzame afvalwaterketen;
- een klimaatbestendige afvalwaterketen;
- grondwaterhuishouding in balans;
- verder professionaliseren van onze watertaken;
- samen aan de slag.
De gemeente streeft naar een robuust watersysteem, waarbij het regenwater bij voorkeur zoveel als mogelijk zichtbaar en bovengronds wordt verwerkt. Daarbij is het streven om waar mogelijk de bodem te benutten en door het regenwater te laten infiltreren. Als beleidsregel wordt bij nieuwbouw gehanteerd: 60 mm berging van regenwater in de boven/ en-of ondergrond en, binnen het plangebied, over het totaal aanwezige verhad oppervlak.
Planspecifiek
WatercompensatieHet voorliggende bestemmingsplan maakt het mogelijk om maximaal circa 350 m² aan bebouwing te realiseren binnen het plangebied, in de vorm van een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning. Tevens is het de verwachting dat er circa 125 m² aan overkappingen/carports en terrein verharding (parkeerplaatsen) wordt aangebracht binnen het plangebied. Daarmee blijft de toename van verharding in voorliggend plan beneden de 500 m² en is watercompensatie derhalve niet vereist.
Tevens gelden er vanuit het gemeentelijk beleid bergingsregels voor infiltratie waaraan voldaan moet worden. Het gaat er daarbij om dat regenwater op het kavel verwerkt moet worden, door berging, directe infiltratie in de bodem of door lozing op het oppervlakte water. De normen 40 of 70 mm regen per uur (afhankelijk van situatie) gelden als bergingseis om wateroverlast bij aangrenzende percelen te voorkomen. In het gemeentelijkbeleid is de bergingseis van 60 mm opgenomen voor nieuwbouw. In het voorliggende plan zal een waterberging worden gerealiseerd die voldoet aan de bergingseisen zoals aangegeven. Overig regenwater kan indien nodig direct afgevoerd worden naar het oppervlakte water op het naast gelegen perceel. De manier om dit vorm te geven zal nader onderzocht worden bij de uitwerking van de nieuwbouw plannen, derhalve is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het voorliggende plan.
Riolering en afkoppeling
In de toekomstige situatie wordt aangesloten op de ambities van het waterschap. Zo wordt het hemelwater zoveel mogelijk geïnfiltreerd in de bodem en wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. De nieuwe bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw zullen aangesloten worden op het gemeentelijke rioolstelsel.
Waterkeringen
Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Aa en Maas blijkt dat binnen het plangebied geen regionale waterkeringen aanwezig zijn. Het plangebied grenst wel aan een watergang volgens de legger van het waterschap, de betreffende watergang is een A-watergang. Aan weerszijde van een A-watergang geldt een beschermingszone van 5 m vanaf de insteek ten behoeve van beheer en onderhoud. Binnen deze beschermingszone is de Keur van toepassing. Om deze zone bereikbaar te houden voor onderhoud gelden er regels met betrekking tot het hebben of plaatsen van obstakels binnen deze beschermingszone. Hiermee worden bijvoorbeeld hekwerken, bebouwing of beplanting bedoeld. Het plangebied bevindt zich buiten de beschermingszone van de watergang en wordt tevens gescheiden door een houtwal. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de functie van deze watergang.
Conclusie
Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling is voor zien op een braakliggend terrein en gaat dus niet gepaard met het verwijderen van bebouwing of grote groenstructuren in het plangebied. Er zijn geen bomen die verwijderd dienen te worden alvorens er gebouwd kan worden in het plangebied. Bij ruimtelijke ingrepen dient er in kaart te worden gebracht of actuele beschermde natuurwaarden van de locatie worden bedreigd. Om deze reden is er een quickscan ecologie uitgevoerd door IJzerman advies (d.d. 9 november 2022, zie
bijlagen bij toelichting Bijlage 3).
Soortenbescherming
Gezien de karakteristieken van het plangebied, braakliggend en zonder bomen of struiken is het niet aannemelijk dat met de realisatie van het voorliggende plan beschermde soorten worden aangetast. Van gebouwbewonende soorten zoals huismussen, gierzwaluwen, uilen of vleermuizen zijn geen nest- of verblijfslocaties aangetroffen, tijdens het locatie bezoek. Er worden geen vaste nest- of verblijfslocaties aangetast. Nader onderzoek hiernaar is niet nodig. Het is wel van belang dat er tijdens de bouw rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht.
Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober.
Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend.
Initiatiefnemer dient rekening te houden dat de ontwikkelingen geen fysieke verstoring van nestlocaties van broedende vogels (zoals vernietiging, verplaatsing of onbewuste verjaging) tot gevolg heeft.
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk.
Stikstofdepositie
Een plan mag geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Gelet op de afstand tot de dichtst bijgelegen Natura 2000-gebieden (Deurnsche Peel & Mariapeel) kan alleen stikstofdepositie nog een verstorende factor zijn. Op basis van expertjudgement kan worden gesteld dat het gebruik van één woning maximaal 8 voertuigbewegingen genereert. Dat zal nooit leiden tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee staat vast dat er ook geen significante gevolgen zullen zijn voor een Natura 2000-gebied vanwege dit plan.
Conclusie
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met aanwezige groenstructuren (bomen en bosschages) op het naastgelegen gemeentelijk perceel. Deze groenelementen mogen geen schade oplopen bij eventuele ontwikkelingen/werkzaamheden.
Het voorliggende plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ecologie.
4.7 Archeologie en cultuurhistorie
4.7.1 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Planspecifiek
In het geldende bestemmingsplan heeft de planlocatie geen archeologische verwachtingswaarde. De gemeente Deurne hanteert echter een archeologische beleidskaart, uit de archeologische verordening Gemeente Deurne 2008. Op de beleidskaart zijn de archeologische verwachtingswaarden voor het hele gemeentelijk grondgebied in beeld gebracht. Op de kaart is onderscheid gemaakt in 5 categorieën.
Archeologische beleidskaart Deurne, plangebied rood omkaderd
Zoals op bovenstaande kaart is te zien is het plangebied gelegen in een gebied waarvoor een lage archeologische verwachting geldt. Dit betekent dat er vrijstelling geldt voor bodemingrepen met een omvang die lager is dan omvang die m.e.r.-plichtig is. Het voorliggende plan is beperkt van omvang en zal de omvang die m.e.r.-plichtig is dan ook niet overschrijden. Nader onderzoek naar archeologie is dan ook niet noodzakelijk. Mochten er tijdens toekomstige grondwerkzaamheden archeologische vondsten en structuren worden aangetroffen, dan dient men dit op basis van de Erfgoedwet 2016 zo spoedig mogelijk bij de gemeente Deurne te melden. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.
4.7.2 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek
In het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. In de buurt van het plangebied zijn tevens geen rijks-of gemeentelijk monumenten gelegen. De voorliggende ontwikkeling heeft geen invloed op monumenten en/of cultuurhistorische waarden. De locatie is niet gelegen in een beschermd stads-, en dorpsgezicht. Met de beoogde ontwikkeling zijn er dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.
Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.8 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar.
Planspecifiek
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of omliggende milieubelastende activiteiten invloed hebben op het woon- en leefklimaat bij de woning en of deze activiteiten niet belemmerd worden als gevolg van het voorliggende plan. De ligging van het plangebied kan aangeduid worden als gemengd gebied, gezien de aanwezigheid van bedrijven en woningen.
In de omgeving van het plangebied is een industrieterrein aanwezig, dit industrieterrein is niet geluidgezoneerd. Wel is het geluid van de omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van de Wgh. Op het industrieterrein zijn in de directe omgeving van het plangebied, volgens het geldende bestemmingsplan bedrijven tot maximaal categorie 3.2 toegestaan. Waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 50 meter geldt. Binnen deze afstand zijn twee bedrijven gelegen, voor de overige bedrijven wordt aan de richtafstand voldaan. De geluidbelasting van de omliggende bedrijven is in een akoestisch onderzoek in kaart gebracht (Ingenieursburo Ulehake d.d. 13 april 2023, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 2).
Planologisch maximaal mogelijke situatie
Uitgaande van de planologisch maximaal mogelijke situatie zijn bedrijven mogelijk in milieucategorie 2 tot en met 3.2. Deze hebben een richtafstand van 10 tot 50 meter. Doordat het plangebied direct grenst aan een deze bestemming zal de afstand niet gerealiseerd kunnen worden. In het kader van ruimtelijke onderzoeken dient de maximaal mogelijke situatie te worden beschouwd. In deze situatie lijkt dit echter geen reële situatie. Het hele bedrijventerrein is voorzien van bedrijven met een bedrijfshal en parkeerplaatsen, activiteiten op het buitenterrein vinden slechts zeer beperkt plaats. Bedrijven in de hoogste categorieën 3.1 en 3.2 hebben vaak ook activiteiten op het buitenterrein. Dat is op het hele terrein niet het geval. De buitenactiviteiten blijven veelal beperkt tot transportactiviteiten en laden en lossen ten aanzien van de bedrijfshal.
De feitelijke situatie kan in dit geval dan ook worden beschouwd als representatieve planologische situatie waarbij de bedrijfshallen zullen zorgen voor afscherming van geluid. Uitbreiding van de activiteiten (waarbij de beoordeling van de maximaal representatieve planologische situatie moet worden uitgegaan) zal veelal liggen in uitbreiding van de bedrijfshallen tot het maximale bebouwingsoppervlak waardoor de afscherming naar het plangebied alleen maar zal toenemen.
Feitelijke situatie
Relevant zijn de activiteiten van de bedrijven gelegen aan Dubloen 14 en Dubloen 16. Aan Dubloen 14 is een motorspeciaalzaak gevestigd. Het pand is naar de erfgrens volledig gesloten en op de noordelijk gelegen kavel is reeds een woning gelegen.
Uitgaande van het bestemmingsplan is een afstand van minimaal 50 meter noodzakelijk. Deze is niet aanwezig tot de bestaande woning. Uitgaande van de feitelijke situatie is een afstand van minimaal 10 meter noodzakelijk ook deze afstand is niet aanwezig. Gezien de gesloten gevels kan redelijkerwijs worden aangenomen dat indien gebouwd wordt op een gelijke afstand als de bestaande woning die noordelijk van het bedrijf is gelegen er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Ten aanzien van Dubloen 16 geldt eenzelfde redenering. Conform het bestemmingsplan is een minimale afstand van 50 meter tot woningen noodzakelijk. Het feitelijke bedrijf handelt en installeert verwarmingsinstallaties. Ook hier is de gevel volledig gesloten. Uitgaande van de bijbehorende richtafstand voor detailhandel met reparaties is een minimale afstand tot het bedrijf van 0 meter vereist.
Vanuit beide bedrijven bedraagt de afstand tot de kavel ca. 10 meter. Op grond van deze afstand kan niet worden gesteld dat op basis van het bestemmingsplan een veilige afstand gewaarborgd is ten opzichte van het cv-installatie servicebedrijf.
In de richtlijn wordt uitgegaan van een geluidemissie vanuit alle zijden van het bedrijf. Echter geldt voor deze situatie dat beide bedrijven geen activiteiten hebben aan de zijden gelegen aan de kavel 2333. Er vinden voornamelijk verkeersbewegingen plaats aan de parkeerplekken aan de voorzijde van beide panden. Aangenomen kan worden dat de werkelijke geluidemissie enkel plaatsvindt aan de voorzijden van de bedrijven, waarmee de geluidbelasting ten gevolge van het bedrijventermijn lager is dan aangenomen in de richtlijn. Aangenomen kan worden dat de geluidemissie ten gevolge van het Cv-installatie servicebedrijf voldoende laag is om een aanvaard woon- en leefklimaat te waarborgen op kavel 2333. De feitelijke situatie sluit daarbij aan bij de planologische maximaal mogelijke situatie die een groter bebouwd oppervlak mogelijk maakt maar dat dan wel zorgt voor extra afscherming.
Naast de aanwezigheid van bedrijven is er aan de overzijde van het perceel aan de Zandbosweg een rioolgemaal van het waterschap aanwezig. Een rioolgemaal is een categorie 2 bedrijf volgens de VNG richtlijnen, in gemengd gebied geldt hiervoor een afstand van 10 m. Het plangebied is op circa 15 m afstand van de bestemmingsgrens van het rioolgemaal gelegen, de afstand tot het bouwvlak van het gebouw is circa 25 m. Er wordt daarmee ruim voldaan aan de richtafstand in gemengd gebied. Er worden geen belemmeringen verwacht.
Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van het aspect milieuzonering.
4.9 Geur
Sinds 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van kracht. In deze wet is bepaald wat geuroverlast is en in hoeverre sprake mag zijn van geuroverlast bij geurgevoelige objecten. In het kader van de realisatie van de burgerwoningen is sprake van het toevoegen van geurgevoelige objecten. Om te bepalen of het woon- en leefklimaat acceptabel is én of veehouderijen worden belemmerd, is het aspect geur nader beschouwd.
Normaal gesproken gelden voor dieren met een geuremissiefactor maximale waarden voor geurbelasting. Maar ten opzichte van sommige geurgevoelige objecten gelden voor dieren met geuremissiefactoren toch minimum afstanden, in plaats van maximale waarden voor geurbelasting.
De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (zoals bij een grondgebonden veehouderij het geval is), en een geurgevoelig object, zoals een burgerwoning bedraagt:
- ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
- ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. Of de veehouderij binnen (of buiten) de bebouwde kom ligt, maakt niet uit.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Deurne heeft aanvullend op de Wet geurhinder en veehouderij de 'Verordening geurhinder en veehouderij' en de 'Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Deurne 2015' vastgesteld. In de Verordening zijn regels met betrekking tot beslissingen inzake vergunning voor veehouderijen met betrekking tot geurhinder opgenomen. Dit is van belang om te beoordelen of veehouderijen onevenredig worden beperkt in de groei/ontwikkelingsmogelijkheden door een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast dient er voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die een gevoelige bestemming mogelijk maakt (onder andere woningen) sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.
In de 'Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Deurne 2015' zijn toetsingskaders vastgesteld voor ruimtelijke plannen. In onderstaande tabel zijn de te hanteren streef- en toetswaarden weergegeven.
Streef- en toetswaarden in Europese odour units (ouE) (bron: Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Deurne 2015)
Als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ of ‘goed’ dan zijn er vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ geen belemmeringen om mee te werken aan een ruimtelijke initiatief.
Planspecifiek
De achtergrondbelasting kan bepaald worden aan de hand van de geurbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de kaart met het plangebied.
Achtergrondbelasting geur, plangebied zwart omcirkeld (bron: ODZOB)
Voor het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 3-7 ouEm³. Dit wordt doorgaans beoordeeld als goed. Echter is het voor deze locatie ook van belang om te kijken naar de voorgrondbelasting op de nieuwe woning.
In de directe omgeving van het plangebied zijn er geen veehouderijen gelegen. Wat betreft de voorgrondbelasting is het plangebied volgens de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Deurne 2015 gelegen in het gebied 'Kern Deurne (gebied A). Voor dit gebied geldt voor de voorgrondbelasting een norm van 1 ouEm³. De dichtstbijzijnde intensieve veehoudrij ligt op een afstand van circa 550 m ten noordwesten van het plangebied. Er wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tussen een veehouderij met vaste afstandsdieren en een geurgevoelig object op basis van de Wgv. Echter ligt er ook een veehouderij aan de Strijpsebaan 5a waar vleeskalveren worden gehouden, dit zijn geen vaste afstandsdieren, en dient de voorgrondbelasting bepaalt te worden. Om de voorgrondbelasting te bepalen is er een V-stacks berekening gemaakt door De milieuadviseur (d.d. 5 september 2023, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 4).
Voor de nieuwe woningen zijn de voorgrondbelastingen afkomstig van de Strijpsebaan 5a in Deurne berekend met het model V-Stacks Vergunning, versie 2020.
De Strijpsebaan 5a heeft twee stallen waarin vleeskalveren worden gehouden. Echter op basis van de vergunde rechten uit de milieuvergunning uit 2006 blijkt deze veehouderij kan uitbreiden naar vier stallen. Deze derde en vierde stal is echter nooit gerealiseerd. In de notitie zijn zowel de voorgrondbelasting in de huidige situatie (2 stallen) en de vergunde situatie (4 stallen). De ligging van de stallen zijn afgeleid uit de milieuvergunning uit 2006 van de veehouderij.
Op basis van de berekende voorgrondbelasting is het leefklimaat bepaald. In de onderstaande tabellen worden de voorgrondbelastingen en de bijbehorende leefklimaat weergegeven.
Huidige situatie
In de huidige situatie bestaat de veehouderij Strijpsebaan 5a uit twee stallen (stal 1 en 2). In de huidige situatie worden er worden er 840 kalveren gehouden. De geuremissie bedraagt in de huidige situatie 29.904 ouE/s. In de onderstaande tabel is de voorgrondbelasting in de huidige situatie weergegeven.
Voorgrondbelasting in de huidige situatie
Vergunde situatie
In de huidige situatie bestaat de veehouderij Strijpsebaan 5a uit twee stallen (stal 1 en 2). Echter op basis van de vergunde rechten uit de milieuvergunning uit 2006 blijkt deze veehouderij kan uitbreiden naar vier stallen. Deze derde en vierde stal is echter nooit gerealiseerd. Deze veehouderij kan dan ook groeien van 840 kalveren in de huidige situatie naar 2.090 kalveren in de vergunde situatie. De geuremissie bedraagt in de vergunde situatie 74.404 ouE/s. In de onderstaande tabel is de voorgrondbelasting in de huidige situatie weergegeven.
Voorgrondbelasting in de vergunde situatie
Uit de berekende voorgrondbelasting blijkt dat in de huidige situatie maximaal 0,5 ouE/m³ bij de nieuwe woning, dit komt overeen met een zeer goede geursituatie. In de huidige situatie wordt dan ook voldaan aan de geurnorm van 3,0 ouE/m3 uit de Wet geurhinder en veehouderij en 1,0 ouE/m³ uit de gemeentelijke geurbeleid van de gemeente Deurne.
In het geval dat de veehouderij Strijpsebaan 5a op basis van de milieuvergunning uit 2006 wil groeien tot de maximaal vergunde situatie, dan kan de voorgrondbelasting bij de nieuwe woningen toenemen tot 1,8 ouE/m³, dit komt overeen met een goede geursituatie. Op basis van de goede geursituatie bij de nieuwe woning kan daardoor worden gezien als aanvaardbare situatie.
Tevens blijkt dat voor de twee omliggende woningen (Zandbosweg 16 en Dubloen 15) sprake is van een hogere voorgrondbelasting. Deze twee woningen zullen voor de Strijpsebaan 5a maatgevend zijn voor het aspect geur. De nieuwe woning zal dan ook niet beperkend zijn voor de bedrijfsvoering van de veehouderij Strijpsebaan 5a.
Er zijn daarmee geen bezwaren voor het toevoegen van een bedrijfswoning op deze locatie.
4.10 Gezondheid
De Wet ruimtelijke ordening (Wro), en vanaf januari 2024 ook de Omgevingswet (Ow), biedt de mogelijkheid gezondheid mee te wegen in de beoordeling van ruimtelijke plannen. Bij dergelijke besluiten hebben overheden een zogenoemde ‘beleidsvrijheid’. Deze afwegingsruimte is ruimer dan die binnen het milieuspoor. Daar geldt een ‘beoordelingsvrijheid’. Mogelijke gezondheidsrisico’s voor de omgeving bij veehouderijen worden als belang meegewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat er, mits deugdelijk gemotiveerd, ruimte is om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen mee te wegen.
Veehouderijen in de buurt van het plangebied kunnen van invloed zijn op de volksgezondheid en daarmee op een acceptabel woon- en leefklimaat. De GGD adviseert, op basis van de landelijke GGD/RIVM-richtlijn Veehouderij en Gezondheid (2020), om uit voorzorg tenminste 2 km afstand aan te houden tussen gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, kinderopvang) en geitenhouderijen. In onderzoek bij omwonenden van geitenhouderijen is een verhoogd risico op longontsteking gevonden binnen deze afstand. Het risico is kleiner naarmate de afstand groter is. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van de dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Daardoor ontbreekt op het moment van schrijven een toetsingskader voor geitenhouderijen. Pas als de oorzaak wetenschappelijk is aangetoond kunnen er namelijk ook pas gerichte maatregelen volgen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is drift van gewasbeschermingsmiddelen van belang. Het neerkomen van een deel van de gewasbeschermingsmiddelen door wind heeft namelijk mogelijk effect op de gezondheid van de mensen in de omgeving.
Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Deze afstand is echter indicatief. Hier kan gemotiveerd van afgeweken worden. Hierbij dient de afstand en situatie dusdanig te zijn, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functie.
De ABRvS geeft in haar uitspraak van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2373) aan dat het mogelijk is om bij vollegrondsteelt van gewassen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, af te wijken van de vuistregel van 50 m. Bij dergelijke vollegrondsteelt worden gewasbeschermingsmiddelen, in tegenstelling tot boom- en fruitteelt, op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden. Bij de betreffende uitspraak wordt een afstand van 9,5 m als voldoende geacht, mede omdat het woonerf is afgeschermd door een haag, die eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen zal tegenhouden.
Tevens wordt bij de afstand van 50 m uitgegaan van gewasbespuiting zonder enige vorm van driftreductie. Op grond van artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er verplicht ten minste 75% driftreducerend gespoten moet worden. Daarmee gelden strengere normen dan waarvan de ABRvS in haar uitspraken is uitgegaan.
Planspecifiek
Geitenhouderijen
Met het voorliggende plan wordt een nieuw gevoelig object (woning) gerealiseerd. Binnen twee kilometer afstand vanaf het plangebied zijn geen geitenhouderrijden gelegen. Daarmee zijn er geen gezondheidsrisico's voor het voorgenomen plan vanuit geitenhouderijen.
Gewasbeschermingsmiddelen
Er wordt een nieuw gevoelig object mogelijk gemaakt met het voorliggende plan. Binnen 50 m rondom het plangebied zijn er geen gronden aanwezig waar gewassen geteeld worden waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Derhalve hoeft er geen rekening te worden gehouden met drift van gewasbeschermingsmiddelen.
Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.11 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Figuur 8. Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlasleefomgeving.nl)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Er is wel een transportroute voor gevaarlijke stoffen ten zuiden van het plangebied gelegen, namelijk de spoorlijn Eindhoven - Venlo. De afstand van het plangebied tot de spoorlijn is circa 850 m. De spoorlijn is onderdeel van het Basisnet spoor, hier uit blijkt dat voor de spoorlijn geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour. Het groepsrisico ligt daarnaast ruim onder de oriëntatiewaarde. In het plangebied wordt een woning toegevoegd en leidt niet tot een verhoging van het groepsrisico.
In de omgeving van het plangebied zijn ook risicovolle inrichtingen gelegen. Het betreft onder andere risicovolle inrichtingen aan de Helmondsingel, waar een benzinestation is gevestigd. De kortste afstand van het plangebied tot deze inrichtingen is ca 550 m. Het plangebied is daarmee ver buiten de risicocontour voor het plaatsgebonden risico van 10-6 gelegen. Het toevoegen van één woning binnen het invloedsgebied waarbinnen het groepsrisico kan worden bepaald zal verwaarloosbaar zijn. Het absolute groepsrisico is zeer gering.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
4.12.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn kencijfers voor de verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Met het plan wordt ten opzichte van de huidige situatie een extra woning mogelijk gemaakt, waardoor de hoeveelheid verkeersbewegingen licht toe zal nemen. De extra verkeersgeneratie door de toevoeging van een woning ligt voor een vrijstaande woning in de rest bebouwde kom tussen de 7,8 en 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Dit is een hoeveelheid die de huidige ontsluiting goed kan verwerken. De ontsluiting van het plangebied is geregeld via de Zandbosweg, Strausslaan en de Schommerveld. De Zandbosweg is een relatief rustige erftoegangsweg waar enkele voertuigbewegingen aan kunnen worden toegevoegd. De Strausslaan en de Schommerveld zijn gebiedsontsluitingswegen die de toename aan verkeer goed kunnen opvangen.
Gelet op de beperkte toename van de verkeersgeneratie kan gesteld worden dat het opgevangen kan worden met de bestaande verkeersstructuur.
4.12.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’. Deze nota is door de gemeenteraad op 26 november 2019 vastgesteld. In het beginsel is het uitgangspunt voor de gemeente dat de parkeerbehoefte op eigen terrein of binnen de grenzen van het plangebied gerealiseerd wordt.
Planspecifiek
Doordat er een bedrijfswoning wordt toegevoegd en een bedrijfsgebouw wordt opgericht neemt de parkeereis ten opzichte van de bestaande situatie toe. Omdat het bij voorliggend plan gaat om een vrijstaande koopwoning in zone 2 van de kern Deurne betreft deze eis conform de 'Regeling parkeernormen Deurne 2019' 2,1 parkeerplaatsen. Ten aanzien van het bedrijf geldt dat er aangesloten kan worden bij de parkeernorm voor een bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief in zone 2 waarvoor een parkeernorm geldt van 0,9 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Dit betekent dat er voor het bedrijf, van circa 150 m², een parkeereis van 1,35 parkeerplaatsen geldt.
Voor de toekomstige situatie zijn er dus afgerond in totaal 4 parkeerplaatsen nodig. Doordat het perceel van het bedrijf en de nieuwe bedrijfswoning beschikt over een ruim erf kan de parkeereis hier gemakkelijk opgevangen worden. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
5 Toelichting op de regels
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
- bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Dit bestemmingsplan bevat de navolgende bestemmingen:
Bedrijf
De tot 'Bedrijf' bestemde gronden zijn bedoeld voor bedrijven tot en met categorie 2 als mede voor bedrijfswoningen, indien met aanduidingen op de kaart weergegeven. Bedrijfswoningen zijn toegestaan met een maximale goot- en bouwhoogte van 4,5 m en 10 m. Tevens zijn de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, verkeersvoorzieningen zoals wegen en verhardingen toegestaan.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Participatie
Om directe omwonenden te informeren over het voorgenomen initiatief is initiatiefnemer in gesprek gegaan met enkele directe buren. In deze gesprekken heeft initiatiefnemer de omwonenden geïnformeerd over de wens het bestemmingsplan te herzien en er een bedrijf met bedrijfswoning te realiseren. De omwonende hebben aangegeven dat er geen bezwaar is tegen het voorgenomen initiatief en dat zij het zelfs een positieve ontwikkeling vinden dat er geen grotere bedrijfshal wordt gerealiseerd.
6.2.1 Resultaat vooroverleg
Het voorliggende bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan de vooroverleg partners: de Provincie Noord-Brabant en het waterschap Aa en Maas.
Van het waterschap Aa en Maas is een reactie binnen gekomen op het bestemmingsplan. De gemaakte opmerkingen van het waterschap zijn verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.
6.2.2 Verslag zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 6 oktober 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.