direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Irenestraat, Deurne
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0762.BP201906-C001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Irenestraat, Deurne".

1.1 Aanleiding

Het initiatief omvat de realisatie van maximaal 18 grondgebonden nieuwbouwwoningen op de locatie tussen de basisschool aan de Magrietstraat, de Irenestraat en de begraafplaats aan de Mariastraat in de dorpskern van Zeilberg in de gemeente Deurne. De woningen zijn divers van aard en bestaan uit:

  • 4 twee-onder-een-kapwoningen;
  • 6 aaneengebouwde woningen, en;
  • 8 levensloopbestendige twee-onder-een-kapwoningen.

Het initiatief kan niet rechtstreeks worden gerealiseerd op basis van de vigerende beheersverordening 'Zeilberg', omdat binnen de beheersverordening geen ontwikkelingen zijn toegestaan. Daarnaast ligt het plangebied binnen het besluitvlak waarbinnen geen woningen zijn opgenomen. De gemeente Deurne heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het realiseren van het initiatief door middel van het opstellen van een bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de ruimtelijke onderbouwing en regels voor het realiseren van 18 grondgebonden woningen.

1.2 Plangebied

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De grond is kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie L, nummers 8073 (gedeeltelijk) en 8074. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 5.150 m².

1.3 Huidig bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt de beheersverordening "Zeilberg", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 7 juli 2015.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding, waarop de ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING GELDEND BESTEMMINGSPLAN

Op basis van de beheersverordening vigeert de besluitvlakken 'Maatschappelijk' en 'Verkeer'. Het initiatief, de realisatie van maximaal 18 grondgebonden woningen, kan niet worden gerealiseerd, omdat binnen de besluitvlakken 'Maatschappelijk' en 'Verkeer' het realiseren van gebouwen anders dan ten behoeve van een maatschappelijke en verkeersfunctie niet is toegestaan.

Conclusie

Het initiatief kan niet worden gerealiseerd binnen de vigerende beheersverordening 'Zeilberg'.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt eerst de bestaande situatie en daarna het stedenbouwkundig plan beschreven. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied in de directe omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0004.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen ter hoogte van een bestaande paardenweide en enkele moestuinen aan de Irenestraat. Het plangebied is ingeklemd tussen de begraafplaats aan de Mariastraat, de Rooms-Katholieke Basisschool 'Zeilberg' aan de Margrietstraat en de eerder genoemde Irenestraat en kent daarmee een centrale ligging binnen het voormalige kerkdorp. Ten noordwesten van het plangebied staat de voormalige H. Willibrorduskerk, die in 2011 is gesloten als gebedshuis en tegenwoordig plaats biedt aan een fitnessclub en dansschool.

De woningen aan de Irenestraat tegenover het plangebied hebben zicht op de bestaande moestuinen. Achter deze moestuinen is een haag aanwezig die de begraafplaats omsluit. Tussen het schoolplein en het plangebied staat tot halverwege het perceel een rij met bomen, daarna is er een haag als afscheiding aanwezig. Dit is zichtbaar op onderstaande afbeeldingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0006.jpg"

2.2 Inrichtingsschets/stedenbouwkundig plan

2.2.1 Bebouwing en functies

Ruimtelijk/architectonisch

De realisatie van nieuwe woningen is passend op deze locatie binnen de dorpskern van Zeilberg in de gemeente Deurne, door de bijzondere / centrale ligging van de locatie binnen het voormalige kerkdorp. De locatie is gelegen binnen een kwadrant met van oudsher bijzondere dorpsvoorzieningen. De woningen zorgen voor een inbreiding in het hart van de kern waarmee nieuwe woningen in de nabijheid van deze voorzieningen worden gerealiseerd. Verder sluiten de nieuwe woningen aan bij de reeds aanwezige woningen in de directe omgeving van het plangebied. De ruimtelijke structuur is nader uitgewerkt in de voorlopige inrichtingsschets, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0007.jpg"

VOORLOPIGE INRICHTINGSSCHETS

Het bouwplan is opgedeeld in twee delen. Het eerste deel bestaat uit 4 twee-onder-een-kapwoningen en 6 aaneengebouwde woningen - maximaal 3 aaneen - die gesitueerd zijn aan de Irenestraat. De twee-onder-een-kapwoningen hebben de mogelijkheid om een bijgebouw naast de woning te realiseren. De garages staan verder naar achteren waardoor er ruimte tussen de woningen blijft en er geen gesloten straatbeeld ontstaat. De kaprichting is gelijk aan die van de bestaande bebouwing aan de Irenestraat waardoor een rustig straatbeeld ontstaat. Aan de Irenestraat zullen ter hoogte van de nieuwe woningen vier langsparkeerplaatsen worden gesitueerd. Dit zorgt er voor dat de straat voldoende visuele breedte behoud, zoals is weergegeven op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0008.png"

TWEE-ONDER-EEN-KAPWONINGEN EN AANEENGEBOUWDE WONINGEN VANAF DE IRENESTRAAT

Het tweede deel van het bouwplan is gesitueerd aan een nieuw te realiseren dwarsstraat die aansluit op de Irenestraat. Aan deze straat worden 8 relatief kleinere levensloopbestendige twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd. Deze woningen sluiten met hun achtertuinen aan op de oostkant van de bestaande begraafplaats en gaan bestaan uit één laag met een kap waarmee het zicht op de kerk wordt behouden. Desalniettemin krijgt één van elke twee-onder-een-kapcombinatie een verhoogde goothoogte, weergegeven op nevenstaande afbeelding. Hierdoor ontstaat in deze woningen op de eerste verdieping meer ruimte. De woningen hebben de mogelijkheid om een aangebouwd bijgebouw te realiseren. Hierdoor is het ook mogelijk om de hoofdfuncties (slaap- en badkamer) in het bijgebouw te realiseren, waardoor het levensloopgeschikte woningen zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0009.png"

DE KLEINERE TWEE-ONDER-EEN-KAPWONINGEN AAN DE NIEUW GESITUEERDE WOONSTRAAT

In totaal worden binnen het plan maximaal 18 grondgebonden woningen gerealiseerd.

2.2.2 Verkeer en parkeren

Ontsluiting

De woningen binnen het plangebied liggen direct aan de Irenestraat en aan het nieuw aan te leggen hofje (die uiteindelijk aansluit op de Irenestraat). Het plan leidt niet tot een relevante extra verkeersaantrekkende werking.

Parkeren
Het gemeentelijk parkeerbeleid van de gemeente Deurne is vastgelegd in de 'Regeling parkeernormen Deurne 2019'. Dit document wordt gebruikt bij het opstellen van de (additionele) parkeerbehoefte van dit plan. In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is gekeken of voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte.

Voor de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de parkeernorm voor 'zone 2' van de gemeente Deurne. Onderstaande tabellen laten de berekening van het aantal minimaal te realiseren parkeerplaatsen en de berekening van het te realiseren aantal parkeerplaatsen zien.

Type woningen   Parkeernorm   Aantal   Totaal  
twee-onder-een-kap, koopwoning   2,0 p.p. per woning   12 woningen   24,0  
tussen/hoek, koopwoning   1,8 p.p. per woning   6 woningen   10,8  
totaal       34,8  

Parkeervoorziening   Theoretisch aantal   Berekeningsaantal   Aantal   Totaal  
woning met garage en oprit   2,0 p.p per woning   1,0 p.p per woning   14 woningen   14,0  
p.p.openbare ruimte   1,0 p.p.   1,0 p.p.   21 p.p.   21,0  
Totaal         35,0  

Na aanleiding van bovenstaande berekeningen en de getekende inrichtingsschets, komt naar voren dat het initiatief ten minste moet voorzien in 35 parkeerplaatsen. Hieraan wordt voldaan, doordat het initiatief voorziet in deze 35 parkeerplaatsen (zie afbeelding in paragraaf 2.2.1).

2.2.3 Groen en water

Langs de nieuw te situeren woonstraat is een groenstrook gepland waarin enkele bomen worden aangeplant. Deze groenstrook dient tevens als ruimte voor de waterberging van het plangebied. Deze krijgt vorm door een verlaging aan te brengen waarin het water geborgen kan worden om langzaam te infiltreren in de bodem.

2.3 Beeldkwaliteitbeschrijving

De beeldkwaliteitbeschrijving dient als leidraad voor het bereiken van de gewenste stedenbouwkundige samenhang, ruimtelijke samenhang en kwaliteit. De beeldkwaliteitbeschrijving is een stedenbouwkundig instrument en blijft beperkt tot díe elementen en aspecten die het beeld van de openbare ruimte inclusief de verschijningsvorm van aangrenzende percelen en bebouwing bepalen.

De kwaliteit van een stedenbouwkundige ruimte wordt bepaald door de samenhang van de inrichting van de openbare ruimte en de inrichting van de aangrenzende particuliere percelen. Een kwalitatief goede gemeenschappelijke ruimte is ook winst voor het individu. Een mooi huis in een fraaie straat heeft meerwaarde. Hierna zijn beschrijvingen en beelden opgenomen van de gewenste beeldkwaliteit binnen het plangebied.

2.3.1 Sfeer gebied

Het initiatief kent twee typen woningen. Desalniettemin zullen de woningen - om een eenheid te bewerkstelligen - in dezelfde kleurstelling, architectuur en materiaal worden gebouwd. Echter worden in de twee woningtypes verschillende accenten aangebracht met ander metselwerk, kleur- en materiaalaccenten. Tevens bestaan alle woningen uit één of twee lagen met een kap. Daarnaast sluiten de woningen binnen het initiatief aan bij de reeds bestaande woningen in de Irenestraat. Hierdoor vindt er een afronding van de bestaande woonstraat plaats. Ten slotte blijft het zicht op de H. Willibrorduskerk bestaan, wat zorgt dat de bestaande sfeer in het gebied behouden blijft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0010.jpg"

VOGELVLUCHT VANAF DE WESTZIJDE VAN HET INITIATIEF

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0011.jpg"

VOGELVLUCHT VANAF DE NOORDZIJDE VAN HET INITIATIEF

2.3.2 Groen en openbare ruimte

Aan één zijde van de straat is ruimte gereserveerd voor een groenzone met bomen waardoor de nieuwe straat een groen aanzicht krijgt. Het parkeren in de openbare ruimte is met haaks parkeren geconcentreerd in 2 parkeerkoffers aan de nieuw te realiseren dwarsstraat en met vier langsparkeerplaatsen aan de Irenestraat ter hoogte van de aaneengebouwde woningen. Aan het einde van de nieuwe woonstraat is een groenzone gesitueerd waarin de waterberging van het gebied wordt vormgegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0012.jpg"

ACHTERZIJDE VAN DE NIEUWE WOONSTRAAT VANUIT DE GROENZONE

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft daarom ook geen toetsing aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats te vinden.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Er dient allereerst sprake te zijn van een 'stedelijke ontwikkeling'. Daarnaast moet aangetoond worden dat de ontwikkeling voorziet in de behoefte. De bouw van maximaal 18 grondgebonden woningen betreft een ‘stedelijke ontwikkeling’ omdat het een woningbouwontwikkeling is van meer dan 11 woningen. De behoefte aan woningen is enkele jaren geleden onderzocht en wordt sindsdien voortdurend geactualiseerd. Uit de 'Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040' en nieuwe 'Structuurvisie Deurne 2030' blijkt dat er nog steeds behoefte is aan woningen in de gemeente Deurne (zie paragraaf 3.3.1 en 3.3.2).

Het initiatief omvat een woningbouwontwikkeling op een inbreidingslocatie van maximaal 18 grondgebonden woningen binnen de dorpskern van Zeilberg in de gemeente Deurne, waaraan vanuit de (regionale) afspraken behoefte is. Het planvoornemen is gelegen binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Hiermee past deze ontwikkeling binnen het gestelde beleid.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

3.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie;
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant;
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad;
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Analyse
Onderhavig plan betreft de bouw van maximaal 18 grondgebonden nieuwbouwwoningen op de locatie tussen de basisschool aan de Magrietstraat, de Irenestraat en de begraafplaats aan de Mariastraat in de dorpskern van Zeilberg in de gemeente Deurne. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.

ad 1.   De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening.  
ad 2.   Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen en de inrichting van de woonpercelen kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt.  
ad 3.   Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De 18 extra woningen worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijke gebied van de gemeente Deurne. Hierdoor is een uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied niet aan de orde.  
ad 4.   Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de woningen wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat.  

Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking zal treden.

De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
3.2.2.1 De toedeling van functies

Het plangebied is onderdeel van het stedelijke gebied. In beginsel zijn daar conform artikel 3.42 IOV woningen toegestaan, mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. Hieronder is dit artikel overgenomen en wordt aan de voorwaarden getoetst.

Artikel 3.42 - duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

  • a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
    Onderhavig planvoornemen past binnen de regionale afspraken als bedoeld in afdeling 5.4.
  • b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
    Onderhavig planvoornemen zorgt voor een woningbouwontwikkeling op een geschikte locatie binnen de kern Deurne. Deze ontwikkeling moet minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen voldoen. Daarnaast wordt deze woonlocatie gerealiseerd als stedelijke inbreiding, waardoor binnen de landelijke kern van de gemeente Deurne de stedelijke opgaven worden verwezenlijkt.

Lid 2

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

  • a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; Onderhavig planvoornemen voldoet aan alle uitvoeringsaspecten. Deze worden nader toegelicht in hoofdstuk 4.
  • b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
    Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 18 nieuwe woningen, waarbij een logische afronding van de straat en de nieuw te realiseren straat ontstaat. Daarnaast neemt onderhavig planvoornemen gedeeltelijk de verrommelde situatie in de omgeving weg. Hiermee draagt dit planvoornemen bij aan een zorgvuldig ruimtegebruik.
  • c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
    Onderhavig planvoornemen biedt met de realisatie van 18 extra woningen mogelijkheden voor duurzaam gebruik van de bebouwing. Dit wordt verder uitgewerkt in het bouwplan behorende bij dit planvoornemen.
  • d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
    Onderhavig planvoornemen voldoet aan de in hoofdstuk 4.1.2 benoemde eisen voor de opvang en afvoer van hemelwater. Hiermee wordt voldaan aan dit sublid.
  • e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
    Onderhavig planvoornemen zorgt niet voor een verandering/aanpassing met betrekking tot duurzame mobiliteit. Dit sublid is niet van toepassing.
  • f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
    Onderhavig planvoornemen draagt met de realisatie van 18 extra woningen bij aan de continuïteit van Deurne als woon-/verblijfslocatie. Daarnaast wordt de gemeentelijke economie gestimuleerd doordat de bewoners van deze locatie normaliter uitgaven binnen de gemeentegrens doen.
3.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

Ter plaatse van het plangebied geldt het gebiedskenmerk 'Stalderingsgebied'. Het artikel 3.52 IOV stelt regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.

3.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.

Er is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik, omdat de verrommelde situatie ter plaatse van het plangebied wordt weggenomen en 18 nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijke gebied van Deurne. Hiermee ontstaat een logische afronding van de straat.

De situering van de woningen sluit aan bij de verkavelingsstructuur in directe omgeving. Er wordt zowel aansluiting gezocht bij de omliggende percelen en woningen qua afmeting en situering van de bebouwing.

Het planvoornemen leidt tot de toevoeging van 18 woningen binnen de kern Deurne, waarbij de woningen aansluiten bij de doelstellingen geformuleerd in de woonvisie (paragraaf 3.3.2). Er is daarmee tevens een waardecreatie in het algemeen belang.

3.2.2.4 Conclusie

Het plan past binnen het beleid van de Interim Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Deurne 2030

Op 13 maart 2018 heeft de gemeenteraad van Deurne de 'Structuurvisie Deurne 2030' vastgesteld. Met deze structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Deurne van belang zijn. In deze structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen.

De structuurvisie richt zich op de volgende thema's: 'Gezond wonen en leven', 'Een gezonde lokale economie', 'Een sociale en zorgzame gemeente', Betaalbaar en divers wonen', Goede bereikbaarheid en 'Passende voorzieningen'. De gemeente streeft een prettige woon en leefomgeving en wil in 2050 energieneutraal zijn. De gemeente wil daarnaast de woningbouwopgave binnen het bestaande stedelijk gebied oplossen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0013.jpg"

UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE

Structuurvisiekaart

De Blasiusstraat, ten noorden van het plangebied is aangeduid als onderdeel van de hoofdinfrastructuur. Het plangebied ligt binnen bestaand woonkernen. Binnen deze gebieden wil de gemeente de woningbouwopgave oplossen door woningen te realiseren in leegstaand vastgoed, op lege binnenterreinen of door herontwikkeling van oude bedrijfspanden of bedrijventerreinen.

Hierbij word aangegeven dat het belangrijk is om aan te sluiten op behoeften van kernen en wijken. Voorliggende inbreiding in Zeilberg met twee-onder-een-kapwoningen, aaneengesloten woningen en relatief kleinere (levensloopbestendige) twee-onder-een-kapwoningen sluit daarmee goed aan; doordat bewoners met de levensloopbestendige woningen langer wonen in de wijk kunnen blijven wonen. Voorliggende ontwikkeling past hiermee binnen de 'Structuurvisie Deurne 2030'.

3.3.2 Woonvisie 2019-2040

In 2019 heeft de gemeenteraad de 'Woonvisie gemeente Deurne 2019-2040' vastgesteld. De gemeente Deurne geeft aan dat haar gemeente bij uitstek een woon- en leefgemeente is. Tot 2030 blijft het aantal huishoudens in de gemeente Deurne stijgen. De stijging wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door eenpersoonshuishoudens. Daarnaast blijft het aantal senioren stijgen als gevolg van de vergrijzing. Daarmee verandert de woonbehoefte en het is van belang dat het woningaanbod meebeweegt. De kaders in de Woonvisie 2019-2040 geven daarvoor richting, maar zijn ook voldoende flexibel om ruimte te bieden aan innovatie en nieuwe ontwikkelingen.

Gelet op de veranderende behoeften en de tekorten in de bestaande woningvoorraad zijn senioren, (her)starters en jonge gezinnen, jongeren en kwetsbare doelgroepen de prioritaire doelgroepen voor Deurne. De kaders zijn gericht op het stimuleren van woningbouwinitiatieven voor deze doelgroepen.

Kwantiteit

De woningbehoefteprognose van de provincie Noord-Brabant is op basis van de Verordening Ruimte richtinggevend voor het gemeentelijk woningbouwprogramma (prognose 2017). In de provinciale prognose 2017 is de 'marge' van de voor Deurne berekende woningbehoefte voor de periode 2019-2040 tussen de 640 en 935 woningen. Door de provincie is vastgelegd dat de harde woningbouwcapaciteit in bestemmingsplannen maximaal 100% van de woningbehoefteprognose voor 10 jaar mag zijn. Zo kan de provincie de woningbouw 'sturen' via bestemmingsplanprocedures.

De gemeente Deurne gebruikt het volgende afwegingskader voor woningbouwaantallen:

  • Inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en leegstaand vastgoed binnen bestaand stedelijk gebied: ja, mits.
  • Voor onbebouwde locaties aan de randen van de kernen en locaties in het buitengebied: nee, tenzij.

Kwaliteit

Om passende, betaalbare woonoplossingen te blijven bieden voor alle inwoners is een woningaanbod dat meebeweegt met de bevolkingssamenstelling en de woonbehoeften (vergrijzing, kleinere huishoudens, veranderende zorgvraag) noodzakelijk. De nieuwbouw en aanpassing van de bestaande voorraad moet daarbij aansluiten. De gemeente Deurne zet hierin in op:

  • Levensloopgeschikte woningen (huur en koop)
  • Koopwoningen tot € 200.000
  • Koopwoningen tussen € 200.000 en € 250.000
  • (Midden)huurwoningen
  • (Kleine) sociale huurwoningen
  • Onzelfstandige woonvormen (kamergewijze verhuur)
  • Woonvormen met een koppeling met zorg

De gemeente Deurne gebruikt voor woningbouwlocaties binnen bestaand stedelijk gebied het volgende afwegingskader:

  • Inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en leegstaand vastgoed (inclusief monumenten en beeldbepalende panden) binnen bestaand stedelijk gebied: ja, mits:
    • 1. Stedenbouwkundig en planologisch passend en milieutechnisch mogelijk (inclusief omgekeerde werking), en
    • 2. Passend binnen afwegingskader woningbouwkwaliteiten.

Analyse

Onderhavig planvoornemen omvat de realisatie van maximaal 18 grondgebonden nieuwbouwwoningen op de locatie tussen de basisschool aan de Magrietstraat, de Irenestraat en de begraafplaats aan de Mariastraat in de dorpskern van Zeilberg in de gemeente Deurne. Dit betreft een inbreidingslocatie binnen het bestaand stedelijk gebied, passen binnen het afwegingskader van de woningbouwaantallen.

Het bouwplan is opgedeeld in twee delen. Het eerste deel bestaat uit 4 twee-onder-een-kapwoningen en 6 aaneengebouwde woningen - maximaal 3 aaneen - die gesitueerd zijn aan de Irenestraat. Het tweede deel van het bouwplan is gesitueerd aan een nieuw te realiseren dwarsstraat die aansluit op de Irenestraat. Aan deze straat worden 8 relatief kleinere levensloopbestendige twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd. Deze woningen sluiten kwalitatief aan bij het soort woningen dat de in de woonvisie genoemd wordt als woningen die gerealiseerd moeten worden.

Conclusie

Met voorliggend initiatief is dus rekening gehouden in het gemeentelijke woningbouwprogramma en past het in de gemeentelijke 'Woonvisie'.

3.3.3 Regionale woningbouwafspraken en de Ladder voor Duurzame Verstedelijking

In de Metropoolregio Eindhoven worden jaarlijks, samen met de provincie Noord-Brabant, de regionale woningbouwafspraken geactualiseerd via de vaststelling van de Regionale Agenda Wonen. De regionale woningbouwafspraken zijn conform de Verordening ruimte van de provincie gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De provincie Noord-Brabant actualiseert deze prognose iedere drie jaar. Voor de gemeenten in de landelijke regio's (dus ook de gemeente Deurne), wordt uitgegaan van de 'migratiesaldo = 0 benadering' voor de binnenlandse migratie.

De regionale woningbouwafspraken zijn voor Deurne (en de overige landelijke gemeenten) gebaseerd op het bouwen voor de eigen behoefte. Uit de provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2017 blijkt dat de groei van het aantal huishoudens in Deurne afneemt, rond 2030 stabiliseert en daarna (op termijn) overgaat in krimp.

Verwacht wordt dat in de gemeente Deurne in de periode 2017–2030 nog een toevoeging van 900 tot 1200 woningen noodzakelijk is.

De Deurnese woningvoorraad moet aansluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van de Deurnese bevolking. Woningen en woningbouw kunnen daarnaast een belangrijke rol spelen in het behoud en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

De afstemming tussen de regionale woningbouwafspraken, de benutte plancapaciteit in bestemmingsplannen en de voorgenomen woningbouwontwikkelingen (het gemeentelijk woningbouwprogramma) worden jaarlijks gemonitoord door de provincie Noord-Brabant. Het gemeentelijk woningbouwprogramma past binnen de regionale woningbouwafspraken.

De locatie Irenestraat is opgenomen in het gemeentelijk woningbouwprogramma.

Daarmee wordt voldaan aan trede 1 van de Ladder voor duurzame verstedelijking: de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte (trede 1).

Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied, in het centrum van de kern Deurne, nabij de centrumvoorzieningen. Daarmee wordt ook voldaan aan trede 2: de behoefte wordt binnen bestaand stedelijk gebied opgevangen. Het initiatief voldoet daarmee aan de Ladder en past binnen zowel de regionale als de gemeentelijke woningbouwkaders.

3.3.4 Welstandsnota gemeente Deurne 2016

Het doel van de welstandzorg is de kwaliteit van de individuele architectuur en van het totale straatbeeld op peil te houden en waar nodig en mogelijk te verbeteren. Uitgangspunt daarbij is de karakteristiek van het gebied waarin een bouwwerk staat of wordt opgericht. Een goede balans tussen individueel en algemeen belang staat hierbij centraal. Daartoe heeft de gemeente Deurne welstandsbeleid opgesteld.

Zowel het bestemmingsplan als de welstandsnota heeft betrekking op de kwaliteit van de gebouwde omgeving. In beide documenten zijn regels opgenomen voor het oprichten van bouwwerken. Het bestemmingsplan bevat regels voor de bouw van gebouwen en overige bouwwerken, die bindend zijn. De uitwerking van de uiterlijke verschijning van gebouwen is vastgelegd in de welstandsnota.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan sluit aan op de Welstandsnota. De uiteindelijke toetsing aan de Welstandsnota vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

3.3.5 Regeling parkeernormen Deurne 2019

De 'Regeling parkeernormen Deurne 2019' is op 12 november 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Deurne en bevat het beleid met betrekking tot parkeren. Voor de kernen buiten de hoofdkern Deurne zijn specifieke parkeernormen opgenomen, deze zijn van toepassing op het plangebied. De parkeernormen zijn in de regels van het bestemmingsplan verankerd.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

4.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

4.1.1 Bodem- en grondkwaliteit
4.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

4.1.1.2 Analyse

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van incidentele bouwlocaties, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen. Bij de daadwerkelijke invulling van nieuwe bouwmogelijkheden dient de kwaliteit van de bodem door middel van een bodemonderzoek, opgesteld volgens de daarvoor geldende normen, te worden onderzocht.

Verkennend bodemonderzoek

Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Econsultancy een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Rapportage verkennend bodemonderzoek Irenestraat te Deurne" (4712.001, d.d. 5 oktober 2017). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 1.

Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn tot zeer grof zand. De bodem is verder plaatselijk zwak tot sterk grindig en/of zwak humeus. Zeer plaatselijk bestaat de ondergrond uit zwak zandig grind of zwak zandige leem.

In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.

Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.

De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, lood, PCB en/of PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium, koper en zink.

Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten, waardoor een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 niet noodzakelijk wordt geacht.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

Na uitvoering van het bodemonderzoek is het plangebied aan de zuidzijde tegen de begraafplaats beperkt aangepast. Het vooronderzoek heeft ook betrekkingen op deze omliggende terreindelen. Bij wijzigingen in de grootte van het plangebied minder dan 25 meter geldt het vooronderzoek en hiervoor hoeft geen aanvullend onderzoek voor uitgevoerd te worden.

4.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.1.2 Geluid
4.1.2.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

4.1.2.2 Wet geluidhinder

Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten. Het plangebied is gelegen in de geluidszone van de spoorlijn Venlo-Eindhoven en de wegen Toon Kortoomslaan, Amstel, Liesselseweg en Maassingel. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing wordt tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen (Derpsestraat en Tramstraat) in het onderzoek betrokken.

(Spoor)wegverkeerslawaai

Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft Volantis

Consultants een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Nieuwbouw woningen

Irenestraat Zeilberg te Deurne" (6 mei 2019, 20170372-R02). Het onderzoeksrapport is als

bijlage 2 bijgevoegd. Het plan is enigszins gewijzigd ten opzichte van het onderzochte

plan. De wijzigingen hebben echter geen gevolgen voor de conclusie van het

geluidsonderzoek omdat de woningen niet dichter bij de onderzochte wegen zijn

gesitueerd.

Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai Lden 48 dB

niet wordt overschreden ten gevolge van de Zeilbergsestraat, Hagelkruisweg en

Blasiusstraat.

Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai Lden 55 dB

niet wordt overschreden ten gevolge van traject Venlo - Eindhoven.

Derhalve is er vanwege weg- en railverkeerslawaai geen belemmering onderhavig plan ten

uitvoer te brengen. Bij toepassing van materialen en maatregelen conform het huidige

nieuwbouw niveau is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd en is er te allen tijde

sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Industrielawaai
In paragraaf 4.1.4 Milieuzonering is een nadere beschrijving met betrekking tot industrielawaai opgenomen.

4.1.2.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.1.3 Luchtkwaliteit
4.1.3.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.1.3.2 Het besluit NIBM

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.

Onderhavig plan omvat 14 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:

  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
  • 25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
  • 35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2015 en 2020 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 ruimschoots wordt voldaan.

De concentratie PM2,5 is volgens de NSL monitoringstool in 2017 ter plaatse gelegen onder 20 µg/m³, de concentratie PM10 in 2017 gelegen onder 35 µg/m³ en de concentratie NO2 in 2017 ter plaatse gelegen onder 35 µg/m³. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van geen goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan.

4.1.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.1.4 Milieuzonering
4.1.4.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.

4.1.4.2 Analyse

In de nabijheid van het plangebied liggen een basisschool en begraafplaats. Voor beide functies dient aangetoond te worden dat er ondanks de ligging in de nabijheid toch een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

Om de gevelbelasting door de omliggende functies inzichtelijk te maken heeft Volantis Consultants een akoestisch advies uitgebracht: rapport: "Nieuwbouw woningen Irenestraat Zeilberg te Deurne, akoestisch advies" (20 maart 2020, 20170372-R03). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd.

Op basis van de uitgevoerde beoordeling van de akoestische situatie rondom het plan voor de nieuwbouw van 18 woningen aan de Irenestraat te Deurne, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de belangen van de school, de kerk of het fitnesscentrum niet worden geschaad.

Op de gevels van de nieuw te bouwen 18 woningen treden langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op tot circa 50 dB(A) etmaalwaarde en piekniveaus tot circa 65 dB(A) ten gevolge van de school, de kerk en het fitnesscentrum.

Uit de reken resultaten blijkt dat aan de gestelde grenswaarden uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit in de dag- en avondperiode wordt voldaan. In de nachtperiode is er een overschrijding van piekniveaus met maximaal 5 dB(A) ten gevolge van de kerkklokken. De reken resultaten zijn voor het schrijven van dit rapport gedeeld met bevoegd gezag, welke de geluidbelasting acceptabel acht.

Gesteld kan worden dat sprake is van een acceptabel woon- en verblijfklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.

4.1.4.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.1.5 Externe veiligheid
4.1.5.1 Inleiding

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.

4.1.5.2 Analyse

Het plan maakt 18 grondgebonden woningen mogelijk. Het plan ligt niet binnen een plaatsgebonden risico contour. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding of weg maar wel gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van het spoor en volledig binnen het invloedsgebied van inrichting Driessen United Blenders. Hierna wordt voor beide aspecten beschreven.

Inrichtingen

Het plangebied ligt op circa 1 km van Driessen United Blenders en daarmee binnen het invloedsgebied. Conform artikel 13 van het Bevi dient het groepsrisico te worden verantwoord en advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het groepsrisico zal marginaal toenemen omdat het plangebied enkel 18 woningen betreft, op circa 1 km is gelegen van de inrichting en het enkel een toxisch scenario betreft. Hiermee kan een verdere verantwoording van het groepsrisico uitblijven.

Op 11 mei 2017 heeft de Veiligheidsregio voor ontwikkelingen op grote afstand van risicobronnen en voor kleine ontwikkelingen een standaard advies opgesteld. Samengevat luidt dit advies:

  • Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen;
  • Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe;
  • Pas risicocommunicatie toe.

Hieronder wordt ingegaan op het advies.

Mechanische ventilatie

De woningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Als de woningen worden voorzien van een mechanische ventilatie dient deze conform artikel 3.31 van het Bouwbesluit uitgezet te kunnen worden.

Beleidsregels

Het betreft een bestaand perceel, waar alleen een functie wijzigt. Aan de bereikbaarheid of bluswatervoorziening vinden geen aanpassingen plaats.

 

Risicocommunicatie

Deurne sluit zich aan bij de landelijke risicocommunicatie.

Transportroutes

Om de situatie rondom externe veiligheid inzake de transportroutes inzichtelijk te maken heeft Econsultancy een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd: rapport "kwantitatieve risicoanalyse spoorlijn Venlo-Eindhoven, Irenestraat te Deurne " (5 juni 2019, 4712.005, D2). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 4.

Econsultancy concludeert dat er vanwege de ligging nabij de spoorlijn Eindhoven - Venlo dient er een kwantitatieve risicoanalyse diende te worden verricht.

Het onderzoek had als doel het bepalen van het groepsrisico in relatie tot de oriëntatiewaarde uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Wet en Regeling Basisnet. De gemeente Deurne heeft aangegeven dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor deze inrichting.

Uit de berekening volgt dat het gesommeerd groepsrisico lager is dan 0,1 x de oriënterende waarde. Zowel het groepsrisico als het aantal te verwachten slachtoffers (weergegeven in tabel 3.1) blijft gelijk.

Omdat het groepsrisico lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoordingsplicht

Omdat het plangebied binnen 200 meter van een transportroute ligt, moet er toelichting gegeven worden aan de maatregelen die getroffen worden met betrekking op de externe veiligheid van het plan. Deze maatregelen zijn terug te vinden in bijlage 5. Hierna worden deze kort aangehaald.

Maatregelen

  • De gevels van de woningen, met grotere gevel openingen, zijn zo veel mogelijk van het spoor af georiënteerd.
  • Ook met de materialisatie van de woningen is er rekening gehouden met de transportroute. De gevels gericht op het spoor worden opgetrokken uit baksteen. De ramen voor de verblijfsruimtes, gericht op het spoor worden voorzien van gelamineerd glas.

Verantwoording groepsrisico

Zelfredzaamheid

Omdat het plangebied zal worden bestemd voor woningen zonder zorgfunctie, mag worden verondersteld dat de zelfredzaamheid van aanwezige personen goed te noemen is. Bewoners zullen via de regionale waarschuwingssystemen zoals NL-Alert worden gealarmeerd om ramen en deuren te sluiten in geval van calamiteiten met toxische wolken. De ontvluchting vanuit het plangebied van de risicobronnen af is goed mogelijk. Via Margrietstraat, Mariastraat en Kerkplein kunnen aanwezigen snel en veilig het risicogebied verlaten. Bij deze evacuatie zal naar alle waarschijnlijkheid geen sprake zijn van belemmering van aanrijdende een aanwezige hulpdiensten.

Bereikbaarheid

Conform het Bouwbesluit dienen de primaire voorzieningen op orde te zijn. Hulpdiensten kunnen binnen de gewenste aanrijtijd ter plaatse zijn. Het plan is vanaf de brandweerpost aan de Hogeweg binnen 4 minuten bereikbaar. Ambulances vanaf het Elkerliek ziekenhuis zijn binnen 6 minuten ter plaatse. Bij calamiteiten op het spoor zal de eerste aandacht van hulpdiensten zich richten op de calamiteit zelf.

Bestrijdbaarheid

In geval van brand op het spoor moet escalatie zo effectief mogelijk worden voorkomen en bestreden. Hiervoor zijn voorzieningen buiten de inrichting van primair belang. Door langs het spoor hydranten aan te brengen en te zorgen voor voldoende opstelplaatsen en secundair bluswater kunnen branden beter worden bestreden. De verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen ligt niet bij de initiatiefnemer.

Advies bevoegd gezag

Het plaatsgebonden risico voldoet aan de grenswaarde. Het groepsrisico is lager dan 0,1 x de oriënterende waarde. De toename van het groepsrisico ten opzichte van de bestaande situatie is verwaarloosbaar klein.

Op het plan is het standaardadvies van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost van toepassing. De ontwikkeling van 18 woningen op deze locatie wordt niet belemmerd door externe veiligheid. Het advies is bijgevoegd als bijlage 6 van de toelichting.

4.1.5.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.1.6 Kabels en Leidingen

Binnen het plangebied en in de directe omgeving geen kabels of leidingen met een planologische beschermingszone die van invloed is op het plangebied.

4.1.7 Geurhinder veehouderijen
4.1.7.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

4.1.7.2 Analyse

De gemeente Deurne heeft in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij de ''Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Deurne 2015 (17 november 2015)'' vastgesteld op basis van de gebiedsvisie "Geurgebiedsvisie Deurne" van Arcadis van 9 april 2015.

afbeelding "i_NL.IMRO.0762.BP201906-C001_0014.jpg"

De grens van de norm van 10 ou/m³ van de achtergrondgeurbelasting voor bebouwde kom ligt vlak langs het plangebied. De achtergrondgeurbelasting voor het plangebied is gelegen tussen 7-10 ou/m³. Er is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur van veehouderijen.

4.1.7.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.1.8 Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen
4.1.8.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

4.1.8.2 Analyse

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.
Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.

Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Er liggen geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 km rondom het plangebied. Het plangebied ligt daarmee buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving en blijft buiten de gecumuleerde adviesgrenswaarde van 30 ou/m³. Dat betekent dat er derhalve geen belemmering is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het aspect gezondheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

4.1.8.3 Conclusie

Het aspect volksgezondheid i.r.t. veehouderijen vormt geen planologische belemmering

voor het plan.

Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk circa 8 km, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.5 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.2 Ecologie

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de 'Wet natuurbescherming' (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant.

Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar.
Om de effecten van onderhavig plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd door Econsultancy uit Boxmeer, rapport: Onderzoek stikstofdepositie Irenestraat te Deurne (21 april 2020, 10859.001 D2). Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase wordt voldaan aan de genoemde grenswaarde. Er is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

De provinciale groenstructuur, bestaande uit het Brabants Natuurnetwerk (voormalige EHS) en Groenblauwe Mantel, is ruimtelijk vastgelegd in de hernieuwde Verordening ruimte Noord-Brabant 2014. Het Brabants Natuurnetwerk is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook de beheergebieden voor agrarische natuurbeheer behoren tot het Brabants Natuurnetwerk. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het plangebied ligt op meer dan 2 km afstand van het dichtsbijzijnde gebied van Natuur Netwerk Brabant, De Groenblauwe mantel of attentie gebied Natuur Netwerk Brabant.

Er zijn geen effecten op deze gebieden te verwachten.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

De beoordeling van het plan ten aanzien van de soortenbescherming is uitgevoerd door Econsultancy uit Swalmen: rapport “Rapportage quickscan flora en fauna Irenestraat te Deurne” (10 maart 2020, nr. 10859.002). Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bijgevoegd. In het onderzoeksrapport doet Econsultancy de volgende aanbevelingen om te voldoen aan de Wet natuurbescherming:

  • 1. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie uit te voeren.
  • 2. Voor overige beschermde soorten zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming gezien de aard van de voorgenomen ingreep of wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde.
  • 3. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie.
4.2.1 Conclusie

Het aspect Flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

De Wet op de archeologische monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De wet is op 1 september 2007 in werking getreden.

De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden.

De uitgangspunten van de wet zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is;
  • vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers tot ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden om gegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren. De invoering hiervan wordt geregeld via bestemmingsplannen en vrijstellingen, de mer-plichtige activiteiten en ontgrondingen;
  • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit.

In de Wet op de archeologische monumentenzorg is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat de gemeente bevoegd gezag is. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de archeologische monumentenzorg dient de gemeente Deurne te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.

De gemeente Deurne heeft een eigen archeologisch beleid, zoals omschreven in de “Nota archeologische monumentenzorg gemeente Deurne, 2008” en vervat in de beleidsstukken “archeologische beleidskaart Deurne” en de “Archeologieverordening Deurne”.

Om de archeologische situatie inzichtelijk te maken heeft Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd: rapport "Archeologisch onderzoek Irenestraat te Deurne" (27 september 2017, 4712.002). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 9.

Gespecificeerde archeologische verwachting 

Het plangebied ligt op de hoger gelegen Peelhorst, op 150 meter ten oosten van de Peelrandbreuk. Deze hoge ligging maakt het een met name voor landbouwers interessante vestigingslocatie. De gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied is laag voor resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum, middelhoog voor resten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd en hoog voor resten uit de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd.

Resultaten inventariserend veldonderzoek

In het plangebied zijn dekzandafzettingen aangetroffen, afgedekt door een eerddek. Uit de bij vier boringen aangetroffen onverstoorde podzol-B-horizont in de top van de dekzandafzettingen blijkt dat het bodemprofiel in het plangebied grotendeels onverstoord is. Alleen ter plaatse van boring 2 is het bodemprofiel plaatselijk verstoord, vermoedelijk door de teelt van asperges. Op basis van de aangetroffen bodemprofielen blijft de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, gehandhaafd. Op basis van het behoud van een middelhoge tot hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.

Advies

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P).

Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Deurne). Het bevoegd gezag neemt vervolgens een besluit.

Voor het uitvoeren van het proefsleuven onderzoek (IVO-P) heeft Econsultancy een programma van eisen opgesteld. Hierin staat de werkwijze beschreven evenals de doelstelling en de vraagstelling van het onderzoek. Het programma van eisen: "Rapportage PvE Proefsleuvenonderzoek Irenestraat te Deurne" (22 maart 2018, 4712.008) is bijgevoegd als bijlage 10.

Proefsleuvenonderzoek

Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd door Antea Group. De bevinden daarvan zijn beschreven in een memo: "MEMO 433460 evaluatie proefsleuvenonderzoek" (2 juli 2018, 0433460.00) en is bijgevoegd als bijlage 11.

Tijdens het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek zijn twee vindplaatsen aangetroffen. De eerste vindplaats betreft enkele nieuwetijdse sporen zonder een duidelijk gebouw of indeling van een groter erf. Deze vindplaats is dan ook als niet behoudenswaardig aangemerkt.

De tweede vindplaats bestaat uit een (deel van een) crematiegrafveld uit voorlopig late ijzertijd of vroege Romeinse tijd.

Tijdens de proefsleuffase is een eerste begraving aangetroffen. In overleg met de opdrachtgever en de adviseur van de bevoegde overheid (ODZOB) is besloten om gebruik te maken van de aanvullende m² proefsleuven die in het PvE waren voorzien. Met de inzet van deze m² is getracht de vindplaats (vindplaats 2) nader te duiden en te begrenzen. Bij deze uitbreiding kwam de tweede begraving aan het licht. Op basis van de resultaten van het veldwerk adviseerde Antea Group een doorstart naar een opgraving te maken voor een beredeneerd deel van het plangebied.

Voor de opgraving is er geen nieuw PvE proefsleuven opgesteld maar is er volstaan met een oplegvel. Onderdeel van het oplegvel is de bijgevoegde opgravingscontour. Dit PvE is bijgevoegd als bijlage 12.

Plan van aanpak

Voor de doorstart naar de opgraving is er plan van aanpak (PVA) opgesteld door Antea Group. Dit plan van aanpak: "Plan van Aanpak Opgraving Irenestraat te Deurne" (31 juli 2018, 433460.00) is bijgevoegd in bijlage 13. Voor de opgraving is er daarna een Programma van Eisen opgesteld. Dit is bijgevoegd als bijlage 14.

Opgraving

Antea Group heeft de opgraving van 1 tot en met 4 oktober 2018 uitgevoerd. Tijdens de opgraving, van het plangebied is nog één crematie aangetroffen en zijn geen aanwijzingen gevonden voor grafmonumenten (kringgreppels). De resultaten van de opgraving zijn in het veld besproken met de adviseur van bevoegde overheid. Op basis van de (beperkte) extra informatie die tijdens de opgraving is gevonden, heeft de adviseur van bevoegde overheid aangegeven dat hiermee het archeologisch proces in het veld is afgerond (e-mail 5 oktober 2018). De rapportage is bijgevoegd als bijlage 15.

Cultuurhistorie

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten om het aspect cultuurhistorie uitdrukkelijk mee te wegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Cultuurhistorische waarden worden vaak in één adem genoemd met archeologische waarden. Deze waarden verschillen echter van archeologische waarden. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die zichtbaar zijn in het landschap en aanwezige (bebouwings-) structuur en 'iets vertellen' over het (cultuurhistorische) verleden van het gebied.

De stedenbouwkundige structuur van het religieuze ensemble wordt vormgegeven door de kerk, kerkhof, pastorie, klooster, en scholen verbonden door groene zones; veelal (fruitboom- & moes-) tuinen. Het parochiële bouwen voor een geloofsgemeenschap is een typerend voorbeeld van de vorming van de katholieke kerkdorpen in Noord-Brabant.

De Willibrorduskerk, klooster en pastorie zijn beschermde rijksmonumenten. De basisschool aan de Blasiusstraat 8 en het kerkhof zijn beschermingswaardig als monument.

Het nieuwe woningbouwplan betreft de bouw van meerdere woningen op het perceel achter de kerk, kerkhof, klooster en pastorie. De nokhoogte van de woningen blijven ondergeschikt aan de kerk. De zichtbaarheid, belevingswaarden en zichtlijnen op de kerk en -toren worden hiermee in stand gehouden.

De begrenzing van de woonpercelen sluiten bij de huidige verkaveling direct aan op het kerkhof. In fysieke zin tast deze erfgrens de cultuurhistorische waarden niet aan.

De bouw van woningen in het hofje, onderbreken vanuit de historisch oogpunt de stedenbouwkundige en functionele structuur van het religieuze ensemble, maar de beperkte hoogte en open aansluiting naar het noordelijke gelegen perceel zorgt niet voor een onacceptabele situatie.

4.3.1 Conclusie

Met betrekking tot het aspect archeologie is een uitgebreid onderzoek uitgevoerd wat heeft geresulteerd in een opgraving. Na de opgraving is het plangebied vrij gegeven voor de ontwikkeling van woningen.

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.4 Water

4.4.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas.

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

4.4.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

4.4.2.1 Waterschap Aa en Maas

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren.

Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend.

In de keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van de verharde oppervlakte of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:

  • Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;
  • de toename van het verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 is, of;de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
  • De toename van het verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.

Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:

  • De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
  • De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
  • Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 2.000 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist.

4.4.2.2 gemeente Deurne

De gemeente Deurne eist een waterbergingsopgave van 60 mm per m² verharding. Wat wordt vertaald in het 'gemeentelijke rioleringsplan 2019-2023'. Doordat onderhavig planvoornemen voorziet in een toename van het verhard oppervlak van ten minste 2000 m² is het gemeentelijke beleid overeenkomstig aan het beleid van het waterschap Aa en Maas.

4.4.3 Watersysteem
4.4.3.1 Bodem

Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 4.1.1) blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn tot zeer grof zand, met plaatselijk zwak tot sterk grindig en/of zwak humeus. De waterdoorlatendheid van de bodem is goed waarbij een gevoeligheidsfactor van 1,0 mag worden gehanteerd. Daarnaast is door Geonius een infiltratieadvies opgesteld (zie paragraaf 4.4.4.3).

4.4.3.2 Oppervlaktewater

Binnen de locatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Op ongeveer 185 meter afstand is de kleine plas 'De Clarinet' gesitueerd. Tussen het plangebied en de plas liggen nog verschillende woningen en een spoorlijn.

4.4.3.3 Grondwater

De gemeten hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied lag tijdens het bodemonderzoek op 255 cm-mv. Omdat er maar 1 boring tijdens het bodemonderzoek dieper is gegaan dan 2 meter is er geen ander vergelijkingsmateriaal.

4.4.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen,

zoals waterkeringen, waterberging of waterwinning.

4.4.4 Hemelwater
4.4.4.1 Verhard oppervlak

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie. De toename van het verhard oppervlak staat in de vierde kolom in vierkante meters (m²). Voor de verharding wordt er voor alle percelen 50% van de woning extra gerekend voor de verharding op het perceel.

omschrijving   bestaand   nieuw   toename m²  
verharding   0 m²   ca. 2.720 m²   ca. 2.720 m²  

De totale toename van de verharding is ca. 2.720 m².

4.4.4.2 Berekening bergingscapaciteit

Voor de berekening van de bergingscapaciteit wordt de rekenregel uit de Brabant Keur gehanteerd, voor het ontwerp betekent dat: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). In het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1,0.

2.720 m² x 1,0 x 0,06 m = 163 m³

De totale benodigde compensatie (in m³) bedraagt = ca. 163 m³.

4.4.4.3 Ontwerp bergingscapaciteit

Door Geonius is voor voorliggend initiatief een infiltratieadvies uitgevoerd: "Infiltratieadvies nieuwbouw woningen aan de Irenestraat te Deurne" (GA190508.R01.v1.0, 26 juli 2019). De rapportage is als bijlage 16 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Er zijn twee systemen berekend; enerzijds een systeem met infiltratiekratten voor kavels 1 t/m 10 en anderzijds een wadi voor kavels 11 t/m 18. Deze systemen zijn gezien de gemiddeld vrij goed doorlatende toplaag geschikt voor deze locatie.

Het totale verharde oppervlak dat op de infiltratiekratten wordt aangesloten bedraagt ca. 763 m2 en op de wadi wordt een verhard oppervlak van ca. 1.956 m2 aangesloten. De hoeveelheid toestromend water is berekend op basis van het afwaterend oppervlak, de waterschijf van 60 mm en de gevoeligheidsfactor. De uitkomst van deze berekening bedraagt ca. 45,8 m3 voor de infiltratiekratten en ca. 117,4 m3 voor de wadi. Bij de dimensionering van de wadi wordt tevens rekening gehouden met hemelwater dat op het oppervlak van de wadi zelf valt. Uit het infiltratieadvies volgt dat de infiltratie ter plaatse van de wadi voldoende is.

Voor de infiltratiekratten wordt aangenomen dat deze onder de zes opritten worden aangelegd. De infiltratiekratten hebben een oppervlak van 3,6 x 2,4 m2. Dit past binnen de oppervlakte van de inritten van 3 x 6 m2.

Mogelijk zijn er tijdelijke vernattende effecten wanneer de infiltratiekratten gevuld zijn op een maximale afstand van ca. 5 m van de infiltratiekratten. De begraafplaats ligt op grotere afstand. Er worden geen verstorende effecten voor de begraafplaats verwacht.

Het oppervlak van de wadi binnen de groenbestemming dient ca. 400 m2 te bedragen om een voldoende grote waterberging te realiseren. De groenbestemming is ca. 975 m2 groot. Binnen de groenbestemming is dus voldoende ruimte om de waterberging te realiseren.

Het infiltratiesysteem dient van een noodoverstort te worden voorzien. Bij zeer intensieve buien (bijvoorbeeld T>100), zal het systeem het toestromende regenwater mogelijk niet kunnen verwerken en kan het regenwater gecontroleerd naar elders afstromen. Indien gekozen wordt voor een ondergrondse overstort op het gemeentelijke riool dan dient de overstort van een terugslagklep te worden voorzien.

4.4.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering van de Irenestraat geloosd worden.

4.4.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

4.4.7 Advies waterschap

Het Waterschap 'Aa en Maas' heeft het ontwerpbestemmingsplan getoetst en is hieruit voorkomend met het volgende advies gekomen.

  • "het plan verder uit te werken en te onderbouwen dat de voorziene groenzone met infiltratie voldoende is voor de gevraagde compensatie."
  • ''Om te borgen dat er voldoende ruimte wordt gereserveerd en behouden blijft voor waterberging/infiltratie een aparte bestemming 'Groen' opnemen.''

Dit advies is opgevolgd en verwerkt in voorgaande subparagrafen en op de verbeelding.

4.4.8 Conclusie

Het aspect water vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.5 Verkeerskundige aspecten

In paragraaf 2.2.2 is een beschrijving van de verkeersaspecten opgenomen.

4.6 M.e.r.-plicht

4.6.1 Beoordeling directe m.e.r.-plicht

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw aan de Irenestraat te Deurne mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht.

Ontwikkeling van woningen

De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht)

Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.2 'Ecologie' blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.

Conclusie

De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

4.6.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Inzake deze activiteit is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd.

In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel):

  • 1. De kenmerken van het project;
  • 2. De plaats van het project;
  • 3. De kenmerken van het potentiële effect.

  Kenmerken van het project  
-   Omvang van het project  
-   Cumulatie met andere projecten  
-   Gebruik van natuurlijke grondstoffen  
-   Productie van afvalstoffen  
-   Verontreiniging en hinder  
-   Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën  
  Plaats van het project  
-   Bestaand grondgebruik  
-   Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied  
-   Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijn-gebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang  
  Kenmerken van het potentiële effect  
-   Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)  
-   Grensoverschrijdende karakter van het effect  
-   Waarschijnlijkheid van het effect  
-   Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect  

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan

Kenmerken van het project    
Criteria   Toets  
Omvang van het project   Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.144 m². Het project richt zich op de realisatie van maximaal 18 woningen, bestaande uit 4 tweekappers, 6 aaneengesloten (maximaal 3 aaneen) en 8
kleinere levensloopbestendige tweekappers  
Cumulatie met andere projecten   Nee  
Gebruik van natuurlijke grondstoffen   N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.  
Productie van afvalstoffen   Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.  
Verontreiniging en hinder   De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouw-verkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3: Met onderhavig plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.1.2): Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon-en leefklimaat ten gevolge van het wegverkeer.

Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.5): Er is sprake van een relatief beperkte verkeersaantrekkende werking, die naar verwachting zonder problemen op het bestaande wegennet kan worden verwerkt.

Geur: Het betreft een stedelijke locatie, veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig.  
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën   Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.  

Plaats van het project    
Criteria   Toets  
Bestaand grondgebruik   In de huidige situatie zijn de gronden bestemd ten behoeve van maatschappelijke doeleinden en de bescherming van de archeologische waarden. Het plangebied is onbebouwd. Het gehele plangebied krijgt middels dit bestemmingsplan een woonbestemming, waarin bebouwing en het gebruik ten behoeve van woondoeleinden wordt toegestaan en waarbinnen tevens parkeerplaatsen en bijbehorende voorzieningen als groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige worden toegestaan.  
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied   N.v.t.  
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:

- gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

- gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden

- gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

- landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
 




Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.2 'Ecologie'



Nee





N.v.t.


Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.3): binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang.

Archeologie (zie ook paragraaf 4.3): het archeologisch belang is door middel van een archeologisch onderzoek betrokken in het plan. Met betrekking tot het aspect archeologie is een uitgebreid onderzoek uitgevoerd wat heeft geresulteerd in een opgraving. Na de opgraving is het plangebied vrij gegeven voor de ontwikkeling van woningen.  

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Gevoelig gebied (conform Besluit m.e.r.)   onderdeel A van de bijlage bij het  
Gevoelig gebied   Toets  
Beschermd natuurmonument   Nee.  
Habitat en vogelrichtlijngebieden   Nee, zie paragraaf 4.2 'Ecologie'.  
Watergebied van internationale betekenis   Nee.  
Natuurnetwerk Nederland
(voormalige EHS)  
Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuur-netwerk Nederland (NNN). Zie paragraaf 4.2 'Ecologie'.  
Landschappelijk waardevol gebied   Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.  
Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermings
gebieden  
Nee, zie paragraaf 4.4 'Water'.  
Beschermd monument   Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.  
Belvedere-gebied   Nee.  

Kenmerken van het potentiële   effect  
Criteria   Toets  
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)   N.v.t.  
Grensoverschrijdende karakter van het effect   Nee.  
Waarschijnlijkheid van het effect   Van onevenredige effecten voor de omgeving is echter geen sprake.  
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
 
Er is sprake van nieuwbouw van woningen. De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.  

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met:

  • 1. de kenmerken van het project;
  • 2. de plaats van het project; en
  • 3. de kenmerken van het potentiële effect;

sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

Het plan betreft een particulier initiatief, waarvan alle kosten en risico's voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

6.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1 )
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2 )
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Bestemming Groen (artikel 3 )

Binnen deze bestemming zijn de gronden met openbare groenvoorzieningen opgenomen. Bouwen is toegestaan ten behoeve van openbare voorzieningen, zoals nuts-, speel- en verkeersvoorzieningen. Tevens zijn hierbinnen water en waterhuishoudkundige voorzieningen voorzien.

Bestemming Woongebied (artikel 4 )

Binnen deze bestemming is wonen (in de bestaande woningen) toegestaan.

Binnen het besluitvlak zijn ook wegen, paden en parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen toegestaan.

In de bouwregels is bepaald dat het bouwen van nieuwe woningen uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', waarbij het aantal nieuwe woningen niet meer mag bedragen dan aangeduid.

Twee-onder-een-kapwoningen en aaneengebouwde woningen

Voor de bouw van nieuwe woningen of de herbouw van bestaande woningen zijn regels opgenomen met betrekking tot het type woningen, de situering, diepte en hoogte van de woningen. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding. Voor dit plan is afgeweken van de standaardhoogten en is maatwerk geleverd ten aanzien van de goot- en bouwhoogten. Omdat de, van de standaard afwijkende, gewenste hoogten van het bouwplan rechtstreeks zijn opgenomen op de verbeelding is in de 'Algemene afwijkingsregels' van dit bestemmingsplan de '10% afwijkingsregeling' van de maten niet meer opgenomen.

Voor de woningen geldt dat de dakhelling niet minder dan 25 en niet meer dan 60 graden mag bedragen. In het bestemmingsplan wordt uitgegaan van het zogenaamde envelop-principe. Dit houdt in dat binnen een bepaalde voorgeschreven dakhelling (in dit geval niet minder dan 25 en niet meer dan 60 graden) ook andere dakconstructies zijn toegelaten, mits de voorgestelde dakoplossing van het bouwplan blijft binnen de denkbeeldige lijnen van deze dakhelling. Het maximum bebouwingspercentage van het totale perceel is opgenomen op de verbeelding.

In de regels is een bijgebouwen regeling opgenomen. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen is afhankelijk van de grootte van het bouwperceel, waarbij altijd het maximum bebouwingspercentage van het totale perceel in acht moet worden genomen.

Gebruiksregels

In de gebruiksregels zijn regels opgenomen voor aan-huis-verbonden beroepen en is aangegeven onder welke voorwaarden het bevoegd gezag een aan-huis-verbonden bedrijf of een internetwinkel kan toestaan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 5 )
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 6 )
In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen voor de overschrijding van bouwgrenzen en besluit(sub)vlakgrenzen. Daarnaast is bepaald dat, als bestaande

legaal gerealiseerde) maten meer of minder bedragen dan in de gebiedsregels is aangegeven, deze maten als maximale of minimale maat mogen worden aangehouden.

Algemene gebruiksregels (artikel 7 )
In de algemene gebruiksregels is aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig gebruik wordt aangemerkt en zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor het realiseren van een afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg, voor bed & breakfastvoorzieningen en voor kamerverhuur en logies. Daarnaast is een regeling opgenomen voor het parkeren.

Algemene afwijkingsregels (artikel 8 )
In de algemene afwijkingsregels is aangegeven in welke gevallen het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het afwijken kan verlenen. Het betreft beperkte afwijkingen van de regels van de beheersverordening.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 9 )
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 10)

Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Inspraak, overleg en procedure

Het wijzigingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure op grond van artikel 3.9a Wro. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Informatieavond
  • 2. Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 3. Zienswijzen - terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 4. Vaststelling door gemeenteraad
  • 5. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

7.1 Informatieavond

Het voorontwerpbestemmingsplan is tijdens een informatieavond aan de omgeving getoond.

7.2 Vooroverleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden worden aan de betrokken instanties. Naar aanleiding van een reactie vanuit het Waterschap is het ontwerpbestemmingsplan aangepast. De bestemming 'Groen' is opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast is het plan op voorgeschreven wijze aangemeld bij de provincie.

7.3 Zienswijzen en vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan "Irenestraat, Deurne" heeft, met de daarbij behorende stukken, met ingang van 19 juni 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingekomen.

Het bestemmingsplan is op 15 september 2020 ongewijzigd vastgesteld.