| Plan: | Leenselweg 10, Liessel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0762.BP201701-C001 |
Initiatiefnemer Hendriks is voornemens om het voormalig agrarisch bedrijf aan de Leenselweg 10 te Liessel te herontwikkelen naar een dienstverlenend bedrijf in data analyse. De voormalige koeienstal wordt hiertoe gesloopt. In plaats van de koeienstal wordt een Vlaamse schuur gerealiseerd die in gebruik genomen wordt als bedrijfsgebouw. Tevens wordt de voormalige kippenschuur in een nieuwerwetse stijl herbouwd en in gebruik genomen als bedrijfsgebouw. De herontwikkeling van de locatie gaat gepaard met een flinke investering in het landschap. Een gebied van 4,5 hectare dat gelegen is tussen het voormalige agrarisch bouwvlak en de Astense Aa wordt landschappelijk en ecologisch versterkt. 3,3 Hectare hiervan wordt omgezet van de agrarische bestemming naar de bestemming natuur. Door de samenwerking tussen initiatiefnemer Hendriks en het waterschap wordt beekherstel van de Astense Aa over een lengte van 800 meter mogelijk gemaakt. De ontwikkeling van de natuur en het landschap binnen het plangebied wordt bovendien in samenhang met de ontwikkeling van het beekdal door het waterschap vormgegeven.
Sinds 2007 is de initiatiefnemer in samenwerking met het waterschap bezig geweest met de ontwikkeling van een nieuw landgoed waarbij de VAB ontwikkeling (voormalige agrarische bedrijfsbebouwing) die met voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt plus de ontwikkeling van 2 landhuizen in samenhang met de ontwikkeling van het beekdal van de Astense Aa en de realisatie van 8,4 hectare nieuwe natuur voorzien was. Vanwege de geuroverlast van een intensief agrarisch bedrijf in de omgeving heeft de initiatiefnemer hier uiteindelijk van afgezien.
De ontwikkeling die in voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt komt in grote lijnen overeen met de landgoedontwikkeling. Het waterschap neemt van het gebied dat ooit als landgoed ontwikkelt zou worden 3,9 hectare grond over van Hendriks en ontwikkelt daar het beekdal langs de Astense Aa. Hendriks realiseert 4,5 hectare natuur en landschap en de VAB ontwikkeling.
Het plangebied is gelegen tussen de Leenselweg, de Astensedreef en de Astense Aa. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie R, nummer 852, R 853 gedeeltelijk en een heel klein deel van 638.
De Astense Aa en de zone waarin het beekherstel en een ecologische verbindingszone worden voorzien zijn aangrenzend buiten het plangebied gelegen.
Luchtfoto met plangebied. (bron: google maps)
De geldende juridisch-planologische situatie van het plangebied is vastgelegd in het bestemmingsplan “Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied” van de gemeente Deurne. Dit bestemmingsplan is door de raad van de gemeente Deurne na tussenuitspraak van de Raad van State opnieuw vastgesteld op 16 februari 2016.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmigsplan. (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De locatie van het voormalig agrarisch bedrijf is gelegen binnen de bestemming 'Agrarisch' waarbij het voormalige agrarische bedrijf op een bouwvlak is gelegen. De grond richting de Astense Aa is gelegen binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'.
Over het agrarisch bouwvlak liggen de gebiedsaanduidingen 'Wetgevingzone - omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)' en 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied ontwikkelingscluster 8'.
Over het gehele plangebied liggen de gebiedsaanduidingen 'Overige zone - beperkingen veehouderij' en 'Vrijwaringszone – radarverstoringsgebied'.
Over het oostelijk deel van het plangebied ligt, uitgezonderd de agrarische gebouwen, de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3'.
In voorliggende toelichting wordt na dit inleidende hoofdstuk in hoofdstuk twee het voorgenomen plan beschreven. In hoofdstuk drie wordt ingegaan op het beleid van de verschillende overheden dat van toepassing is. In hoofdstuk vier wordt de haalbaarheid van het plan getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten zoals natuur en landschap, cultuurhistorie, milieu, etc. In hoofdstuk vijf vindt een algehele afweging plaats, in hoofdstuk zes wordt de opzet van de juridische regeling beschreven. Tenslotte komen in het zevende hoofdstuk de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Op de historische kaart uit 1892 is de (destijds) meanderende loop van de Astensche Aa goed te zien. Het beekdal bestond uit nat bos. Haaks op het natte beekdal waren kleine, rechte percelen weilanden. Aansluitend de akkers. Meer noordelijk, waar de droge zandgronden beginnen, bevond zich (droog) bos en heide. De oude nederzetting Leensel, aan de rand van het beekdal, bestaat uit losse bebouwing.
Uitsnede historische kaart rond 1900. (bron: www.topotijdreis.nl)
Het huidige beeld van de loop van de Astensche Aa verschilt sterk van dat uit de 19e eeuw. De oorspronkelijk meanderende beek is nu rechtgetrokken. De Astensche Aa is tussen 1960 en 1970 over bijna de hele lengte van 50 km gekanaliseerd ten behoeve van de landbouw (afwatering). Alleen over een stuk van 2 km is de oude loop in ere gehouden. Dit deel is het natuurgebied 'De Berken' van het Brabants Landschap.
Het huidige beeld is rationeler van opzet dan in de 19e eeuw. De percelen zijn ruimer, de Astensche Aa is gekanaliseerd en de bebouwing is toegenomen. Het landschap wordt doorsneden door de A67, die op een talud is aangelegd en daardoor een sterke impact op het gebied heeft gekregen. De enige overgebleven historische relikten zijn het buurtschap Leensel, de Astensedreef en het bos ten noorden van het plangebied.
De bebouwing rond het plangebied bestaat uit een landbouwmechanisatiebedrijf, een manege en het 'Duits keetje' (woning) in een tuinachtige omgeving.
Het plangebied heeft een grootte van circa 5 ha, waarbij 4,5 ha wordt ingericht als natuur. De overige 0,5 ha beslaat een bouwvlak, waarbinnen de bestaande karakteristieke woonboerderij, een bestaand bijgebouw, de nieuw te realiseren Vlaamse schuur en de te
herbouwen kippenschuur vallen. Een deel van de 4,5 ha natuur (1,2 ha) houdt een agrarische bestemming zodat de eigenaar de mogelijkheid heeft om hier paarden te weiden.
Inrichtingsschets Herontwikkeling Leenselweg 10. (bron: Pouderoyen Compagnons). Als bijlage bij voorliggend plan op A3 formaat. Het rood omlijnde gebied en het gebied ten zuiden daarvan maken geen onderdeel uit van het bestemmingsplan.
De herontwikkeling van het agrarisch bouwvlak is niet gewijzigd ten opzichte van het plan voor de ontwikkeling van het nieuwe landgoed. De karakteristieke woonboerderij met een bestaand bijgebouw bij de woning van circa 160m² blijven behouden. De voormalige koeienstal van 600m² wordt gesloopt en hiervoor wordt een karakteristieke Vlaamse schuur van 350m² terug gebouwd. Deze Vlaamse schuur zal gedeeltelijk fungeren als bergingsruimte ten behoeve van materieel voor het onderhoud van de natuur en gedeeltelijk in gebruik worden genomen als ontvangst/workshopruimte. Tevens wordt de voormalige kippenschuur van 160m² herbouwd en getransformeerd naar een kantoorruimte en gastenverblijf. In het gastenverblijf kan maximaal 2 weken aaneengesloten verbleven worden.
Het bebouwingscluster wordt ontsloten vanaf het kavelpad dat dwars door het gebied heen snijdt, ondersteund door een eenzijdige transparante eikenstructuur. Enkel het eerste deel van het kavelpad heeft een verharde structuur. Voor de bezoekers is er voldoende parkeergelegenheid. Bezoekers kunnen tevens gebruik maken van de parkeergelegenheid aan de noordzijde, grenzend aan de Astensche dreef. Deze aftakking gaat over in een onverhard kavelpad, dat aansluit op het brede kavelpad.
Bij de indeling van het erf is er rekening gehouden met de openheid van het landschap, een samenhangende structuur en de wensen van de opdrachtgever.
Referentiebeelden kippenschuur
Referentiebeelden Vlaamse schuur
Het cultuurlandschap gaat geleidelijk over in het natuurlandschap. In deze zone wordt het open karakter van het landschap verbonden met het bebouwingsensemble, waarbij zichtvelden ontstaan richting gebiedskenmerkende en landschappelijke elementen.
Ten zuiden van het kavelpad, richting het beekdal komt nat bloemrijk grasland voor. Verder richting de beek komt geleidelijk meer bebossing voor. De oostelijke poel heeft een meanderende structuur met natuurlijke oeverzone en versterkt de ecologische waarden en het zichtveld vanaf de bebouwingscluster. Langs de poel wordt er een treurwilg geplaatst die het visuele beeld versterkt. Ten oosten van de poel wordt in de toekomst in een helofytenfilter voorzien, waardoor afvalwater kan worden gezuiverd tot een kwaliteit die onschadelijk is voor het milieu.
Het herstel van het beekdal staat centraal in de fysieke ontwikkeling van het plangebied, waarbij het terugbrengen van de meanderende loop van de Astensche Aa, typerende natte bosschages, rechthoekige percelen grasland haaks op het natte beekdal en de daarachter gelegen akkers relevante uitgangspunten zijn voor het ontwerp. Het beekdal maakt geen onderdeel uit van het plangebied maar het ontwerp van het plangebied hangt wel samen het voorziene herstel van het beekdal.
In het landschapsplan dat als Bijlage 1 Landschapsplan bij de regels van voorliggend bestemmingsplan is opgenomen, is de Astense Aa als een bosbeek ingericht. Bij inrichting van de Astense Aa als bosbeek wordt aan de zuidzijde van de meanderende beek een dichte bebossingstructuur voorgesteld. Aan de noordzijde van de beek wordt deze structuur op de gronden van Hendriks afgewisseld met populierenbossen in een gridstructuur en open doorzichten. De houtwallen die haaks op het beekdal worden gerealiseerd zijn verschillend van structuur en creëren een ruimtelijk karakter. De houtwallen zijn afgerasterd.
Opgemerkt wordt dat met het waterschap reeds gesproken is over het inrichten van de Astense Aa als bosbeek. Het waterschap is hier positief over maar heeft de inrichting van de beek nog niet definitief uitgewerkt. De inrichting van het plangebied van Hendriks heeft ook als de beek anders wordt ingericht kwaliteit.
Het koepad/wandelpad is voorzien van veeroosters en completeert de agrarische uitstraling. De natuurzone wordt versterkt door het realiseren van een tweetal poelen met natuurlijke oeverzone. Deze poelen versterken de ecologische waarden en passen in het natte gebied.
De gemeente heeft op (dd. 20 09 2016) de eerder verleende principe medewerking voor de landgoedontwikkeling (dd. 10-06-2014) herzien en daarmee opnieuw principe medewerking verleend.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een nationaal belang heeft aangewezen, derhalve heeft de SVIR geen consequenties voor voorliggend plan.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het Barro, ook wel bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn de 13 nationale belangen conform de SVIR opgenomen die juridische borging vereisen. Dit betreft onder meer de Ecologische Hoofdstructuur en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Onderhavige ontwikkeling heeft geen gevolgen voor aangewezen nationale belangen, derhalve heeft het Barro geen consequenties voor voorliggend plan.
Besluit ruimtelijke ordening; ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze ladder stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:
voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1);
trede 1 binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen;
De vraag is allereerst of het voorliggende plan een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mogelijk maakt. De hoofdregel die de Afdeling hanteert hierbij is dat planologische gebruikswijzigingen zonder een toename van bouwmogelijkheden niet kwalificeren als Ladderplichtige stedelijke ontwikkelingen.
Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in een toename van bouwmogelijkheden. In de huidige situatie is 760 m2 aan bedrijfsgebouwen aanwezig en in voorliggend bestemmingsplan worden de bedrijfsgebouwen begrensd op 510m 2.
Er is in voorliggend geval derhalve geen sprake van een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling.
Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerde Staten deze gedeeltelijke herziening van de Structuurvisie vastgesteld, die op 19 maart 2014 in werking is getreden. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) alsmede een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant.
In de structuurvisie zijn de kwaliteiten van provinciaal belang aangegeven en op basis hiervan zijn keuzes gemaakt voor het provincialebeleid. Hiertoe zijn vier ruimtelijke structuren onderscheiden:
- de groenblauwe structuur;
- het landelijk gebied;
- de stedelijke structuur;
- de infrastructuur.
De zonering is bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de diverse functies in het buitengebied, voor zover deze het provinciaal belang aangaan.
De planlocatie is gelegen in het landelijk gebied.
Uitsnede Structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant met ligging plangebied indicatief. Gele arcering=landelijk gebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Landelijk gebied
De provincie beschouwt het landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is.
Naast ruimte voor de land- en tuinbouw is hier ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. In het gebied is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Nieuwe ontwikkelingen dienen wel rekening te houden met hun omgeving en bij te dragen aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. De provincie wil daarnaast ruimte bieden voor de verdere ontwikkeling van de land- en tuinbouw, mits deze bijdraagt aan een verdere verduurzaming van de sector.
Gebiedspaspoort
Een specifiek onderdeel van de structuurvisie vormen de zogeheten Gebiedspaspoorten. Dit betreft een uitwerking van de structuurvisie en daarmee een apart document, waarin de provincie aangeeft welke landschapskenmerken zij bepalend vindt voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype (de kernkwaliteiten van Noord-Brabant). De provincie geeft tevens haar ambities weer voor de ontwikkeling van de landschapskwaliteit in die gebieden. Ontwikkelingen kunnen een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe en gebiedseigen kwaliteiten. In het geval dat gemeenten of andere partijen initiatiefnemer zijn, vraagt de provincie de landschapskenmerken en de ambities van de paspoorten uit te werken in hun eigen plannen, ze te betrekken in de afwegingen bij ruimtelijke planvorming en daaraan uitvoering te (laten) geven in plannen. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedspaspoort 'De Peelrand'.
Gebiedspaspoort De Peelrand
De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen. Tussen de dorpen liggen vaak oude bebouwingslinten, van waaruit het gebied is ontgonnen. In het gebied komen peelrandontginningen voor die grenzen aan de Peelkern, en oude zandontginningen, die met name grenzen aan Meierij en Kempen.
De ambitie van de provincie voor De Peelrand bestaat uit het versterken van het kleinschalige en afwisselende karakter door o.a.;
- ruimte te geven aan verbreding van de landbouw, recreatie, landgoedontwikkeling en andere vormen van wonen binnen de oude zandontginningen en met name in agrarische bebouwingslinten in combinatie met investeringen in het kleinschalige karakter van het landschap;
- herstel van de natuurlijke processen in bovenloop en brongebied van het
beeksysteem van de Aa.
Het plan past binnen de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de structuurvisie RO.
In de Verordening ruimte (2014, geconsolideerde versie 2016) zijn regels opgenomen waarvan de provincie het belangrijk acht dat die door iedere gemeente worden toegepast bij ruimtelijke besluiten.
De volgende thema's zijn voor de planlocatie met name van belang:
Gemengd landelijk gebied
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gemengd landelijk gebied. Dit betreft agrarische gronden, gelegen buiten de groenblauwe structuur (groenblauwe mantel of ecologische hoofdstructuur). Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies.
Land- en tuinbouw zijn daarbij de grootste ruimtegebruikers. Voor alle veehouderijbedrijven zijn stringente randvoorwaarden voor de ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen. In het gebied worden de agrarische functies in samenhang met de andere functies uitgeoefend.
Niet-agrarische functies
In artikel 7.10 zijn de bepalingen ten aanzien van niet agrarische functies in gemengd landelijk gebied opgenomen. Het gaat hierbij niet om ontwikkelingen waarvoor bijzondere bepalingen zijn opgenomen, zoals wonen, landgoederen en ruimte voor ruimte. Het betreffen zowel omschakelingsmogelijkheden als nevenactiviteiten. Overige niet-agrarische ontwikkelingen zijn mogelijk indien er sprake is van een vestiging op een bestaand bouwperceel. In het artikel zijn onder a t/m i de voorwaarden opgenomen voor vestiging. In het tweede lid is aangegeven dat uitbreiding van een niet-agrarische functie altijd mogelijk is, indien voldaan wordt aan de bepalingen uit het eerste lid. In het derde lid wordt de mogelijkheid geboden voor een redelijke uitbreiding van bestaande niet agrarische functies. Specifiek binnen gemengd landelijk geldt dat een afweging wordt gevraagd overeenkomstig artikel 7.1 van deze verordening. Dit betekent dat bepaald moet worden of het gebied wordt aangewezen als gemengde plattelandseconomie of dat een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd.
Voorwaarden voor vestiging van een niet-agrarische functie (artikel 7.10 lid 1 a t/m i) in gemengd landelijk gebied zijn hieronder op een rij gezet. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie mits:
Ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap
Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de provinciale Verordening de 'zorgplicht' opgenomen. Dit betekent dat ieder plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast is in de Verordening het beleidsvoornemen opgenomen met betrekking tot 'kwaliteitsverbetering van het landschap'. De vereiste kwaliteitsverbetering koppelt ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied aan een concrete tegenprestatie gericht op een verbetering van de kwaliteit van het landschap. Op basis van het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering valt de ontwikkeling van de nevenactiviteit die middels onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt in categorie 3 van ruimtelijke ontwikkelingen.
Onderhavig initiatief heeft betrekking op de herontwikkeling van de voormalige agrarisch bedrijfslocatie. De locatie is niet gelegen in de ecologische hoofdstructuur, groenblauwe mantel, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone danwel een aardkundig of cultuurhistorisch waardevol vlak. De herontwikkeling voldoet aan de regels voor niet-agrarische functies in het gemengd landelijk gebied;
De herontwikkeling van de voormalige agrarische bedrijfslocatie vindt plaats op een bestaand bouwperceel en daarbij is er geen sprake van uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag. Derhalve wordt voldaan aan de regels voor zuinig ruimtegebruik.
De kwaliteitsbijdrage aan landelijk gebied is vormgegeven in de ontwikkeling van 3,3 ha nieuwe natuur welke als voorwaarde is gekoppeld aan de planregels. Daarmee is de kwaliteitsbijdrage ook in juridische zin geborgd. In paragraaf 3.3.3 is de kwaliteitsbijdrage nader toegelicht en gemotiveerd.
Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Deurne van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Deurne wil de gemeente waar mogelijk voorkomen.
Vrijkomende agrarische gebouwen kunnen aangewend worden voor nieuwe economische functies. Dit kan een impuls geven voor de lokale economie en een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe functies binnen VAB's zijn uitsluitend mogelijk wanneer passend in de omgeving.
Uitsnede structuurvisiekaart met ligging planlocatie.
De planlocatie is conform de structuurvisie gelegen binnen het 'Landschappelijk waardevol gebied'.
Landschappelijk waardevol gebied
Het landschappelijk waardevolle gebied vormt de overgang tussen de bos- en natuurgebieden en het overige agrarische gebied en de kernen van de gemeente Deurne. Dit gebied wordt gevormd door met name grondgebonden agrarisch gebied (vaak met landschappelijke en natuurlijke waarden), de beekdalen en het kleinschalige cultuurlandschap ertussen (zoals Helenaveen). De belangrijkste functie in het gebied is de agrarische functie, met belangrijke nevenfuncties voor natuur, water en (niet-bezoekersintensieve) recreatie.
Het landschappelijk waardevolle gebied heeft belangrijke kwaliteiten op met name landschappelijk, natuurlijk, cultuurhistorisch en ruimtelijke-functioneel vlak. Door de kleinschaligheid en de specifieke waarden binnen dit gebied zal de transitie van deze zone op een andere wijze plaatsvinden dan in het primaire overige agrarische gebied. Functionele verbreding is te verwachten. Deze verbreding kan een motor zijn voor de versterking van de aanwezige waarden. Ontwikkelingen in het gebied zullen altijd in relatie tot deze waarden dienen plaats te vinden.
Kleinschalige ontwikkelingen, met een goede ruimtelijke inpassing op diverse schaalniveaus die een versterking van de aanwezige waarden kunnen vormen, zijn kansrijk in dit gebied. Er dient evenwel altijd een locatiespecifieke afweging plaats te vinden.
Het planvoornemen is gericht op de vestiging van een dienstverlenend bedrijf in data-analyse op een VAB-locatie in het buitengebied in het gehucht Leensel. De ontwikkeling gaat gepaard met een forse bijdrage (3,3 ha nieuwe natuur) aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Het initiatief past derhalve binnen het streven van de structuurvisie van de gemeente Deurne.
Groenstructuurplan
De gemeente Deurne heeft op 16 december 2009 het groenstructuurplan vastgesteld. Het groenstructuurplan geeft een integrale- en langetermijnvisie op hoofdlijnen aan voor de looptijd van 10 tot 20 jaar.
Uitsnede groenstructuurplan met plangebied indicatief.
Ten zuiden van het plangebied is het beoogde 'herstel van de natuurlijke beekloop' van de Astense Aa aangeduid. Tevens is een solitaire boom in het plangebied aangeduid.
Groene parels
Naast het groenstructuurplan is er specifiek beleid opgesteld voor groene waardevolle elementen, de groene parels. Op een kaart zijn de groene parels vastgelegd. Groene parels mogen, sinds vaststelling van de gewijzigde Algemene Plaatselijke Verordening (APV), niet gekapt worden. Kappen is pas mogelijk nadat er een omgevingsvergunning is verleend. Op de kaarten van de Groene parels is het plangebied niet nader aangeduid.
Voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor de gemeentelijke groenstructuur. De solitaire boom wordt met onderhavig initiatief niet aangetast. Het initiatief levert een positieve bijdrage aan het herstel van de natuurlijke beekloop van de Astense Aa. Door de samenwerking tussen de initiatiefnemer en het waterschap wordt beekherstel over een lengte van 800 meter mogelijk gemaakt.
De gemeente vereist conform de gestelde voorwaarden uit de provinciale Verordening Ruimte, dat elke ruimtelijke ontwikkeling die een wezenlijk ruimtelijk effect heeft op de omgeving gepaard moet gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap.
Functieverandering naar een niet agrarische bedrijfsfunctie wordt beschouwd als een categorie 3 ontwikkeling. Voor dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen wordt bovenop de basisinspanning (zijnde algemene kwaliteitseisen in het kader van de algemene zorgplicht alsmede een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan) een extra ruimtelijke kwaliteitstoevoeging vereist, de basisinpassing-plus.
Er kan op meerdere wijze geïnvesteerd worden in extra ruimtelijke kwaliteitstoevoeging. Dit kan onder meer door een extra robuuste landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken en/of de aanleg cq herstel van natuur- en landschapselementen (zoals akkerranden, poelen, hakhoutwallen, etc) alsmede sloop van overtollige bebouwing ter versterking van de landschapsstructuur.
De gemeente heeft als uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen dat maatregelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in ieder geval ook op de planlocatie zelf of op direct aangrenzende gronden dient plaats te vinden.
Op basis van het Gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap ligt de planlocatie in het beekdallandschap. De verkaveling in het beekdal kent van oorsprong een langgerekt patroon, haaks op de beekloop. De bebouwing ligt van oudsher op de overgang van het lage beekdal (grasland) en de hoger gelegen akkers. Kleine landschapselementen zoals houtwallen, houtsingels en sloten accentueren de perceelsgrenzen. In samenhang met kleine bospercelen ontstaat er zo een landschapsbeeld met een kleinschalig karakter.
Uitsnede kaart landschapstypen gemeente beleidskader kwaliteitsverbetering.
Voor het bepalen van de hoogte van de vereiste extra kwaliteitstoevoeging voor categorie 3 ontwikkelingen heeft de gemeente Deurne in haar Nota Kostenverhaal 2014 gekozen voor het aanhouden van forfaitaire bedragen. Bij functieverandering dient 20% van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering.
Onderhavig initiatief heeft betrekking op de vestiging van een dienstverlenend bedrijf in data analyse. Het bedrijf wordt landschappelijk ingepast met een houtwalstructuur aan de noordzijde en hagen aan de zuid- en westzijde.
Daarnaast wordt in het kader van de kwaliteitsverbetering 3,3 ha landbouwgrond omgezet naar natuur in de vorm van natte boschages en rechthoekige kavels grasland met houtwallen loodrecht op de beek. Het bestaande bouwvlak wordt verkleind van 9.370 m2 naar 5.000 m2.. Tevens wordt de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen begrensd op 510 m2. De huidige omvang van de bedrijfsgebouwen is 760 m2. Zie verder Bijlage 1 Landschapsplan van de regels, waarin een nadere verantwoording van de ruimtelijke kwaliteitsverbetering is opgenomen.
Op 4 oktober 2016 is de nota Ruimte voor Dynamiek vastgesteld door het college van B&W van Deurne.
De Nota Ruimte voor Dynamiek (RvD) ziet op de herontwikkeling van VAB-locaties. Het maakt onderscheid tussen de volgende ontwikkelingen:
Hoewel de ontwikkeling van de Leenselweg meer omvat dan alleen de herontwikkeling van de VAB-locatie, kan ten aanzien van de notitie RvD het volgende worden aangegeven. De herontwikkeling van de VAB-locatie aan de Leenselweg 10 valt onder de categorie 'Omschakeling naar een buitengebied gebonden functie'. Een dienstverlenend bedrijf in data-analyse is niet buitengebied gebonden in de enge zin maar de herontwikkeling is wel passend in het buitengebied. De argumenten, die aansluiten bij de wegingsfactoren uit de RvD, welke in het principebesluit van het college van B&W hiervoor zijn opgenomen zijn:
Landschappelijke inpassing
Voorzien wordt in landschappelijke inpassing. De ontwikkeling gaat echter verder dan alleen de herontwikkeling van de VAB-locatie. Door overdracht van grond aan het waterschap wordt beekdalontwikkeling mogelijk over een lengte van 800 meter. Als onderdeel van de beekdalontwikkeling van de Astense Aa wordt voorzien in 3,3 ha nieuwe natuur.
Maatschappelijke inpassing
Er is geen sprake van een belasting voor de omgeving. In de nieuw te realiseren natuur wordt voorzien in een wandelpad. Samen met de kwaliteitsimpuls aan de bebouwing (sloop en nieuwbouw met behoud van het ensemble) leidt dit tot een positieve bijdrage voor de leefbaarheid.
Economische inpassing
Er is geen sprake van concurrentie met reguliere bedrijventerreinen. Informatietechnologiebureau's (SBI-code 62.A) behoren tot milieucategorie 1. Vanwege deze lage milieucategorie is er geen noodzaak om dergelijke bedrijven op een bedrijventerrein te huisvesten. Op grond van de provinciale verordening ruimte 2014 worden dan ook in het buitengebied bedrijven tot milieucategorie 3 toegestaan. Het bedrijf kent bovendien een beperkte ruimtebehoefte waardoor het goed is in te passen binnen het plangebied.
Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder.
Voor de toetsing kan onder meer gebruik worden gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' waarin voor de onderscheiden bedrijfsactiviteiten generieke afstandsnormen zijn opgenomen. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden, die indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Bij de toetsing van concrete situaties dient echter maatwerk te worden geleverd. Afwijking van de generieke richtafstanden uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd.
Het plan voorziet in het herontwikkeling van een voormalig agrarisch bedrijf naar een dienstverlenend bedrijf in data analyse met een milieucategorie 1. In de directe nabijheid van het plangebied, op 10 meter afstand aan de noordzijde op Leenselweg 6, bevindt zich een landbouwmechanisatie en handelsbedrijf. Als dit bedrijf vergeleken wordt met een 'dienstverlenend bedrijf ten behoeve van de landbouw' conform de richtafstandenlijst van de VNG dan kent het bedrijf een richtafstand voor geluid van 50 meter, een richtafstand voor geur van 30 meter en een richtafstand voor stof van 10 meter. Ten aanzien van de bestaande geur- en geluidgevoelige woning binnen het plangebied wijzigt er niets ten opzichte van de bestaande situatie. De bestemmingswijziging van de woning is derhalve niet van invloed op het bedrijf aan de Leenselweg 6.
De bedrijfsgebouwen in de nieuwe situatie zijn geen geluidgevoelige objecten. De bedrijfsgebouwen hoeven ook niet als geurgevoelig beschouwd te worden omdat de werknemers van het bedrijf onregelmatig werkzaam zijn op het bedrijf. Het betreft internationale werknemers die onregelmatig een aantal dagen achter elkaar (maximaal 2 weken aaneengesloten) op het bedrijf werkzaam zijn. Werknemers overnachten dan ook op het bedrijf maar omdat dit slecht een beperkt aantal nachten per keer is betreffen de bedrijfsgebouwen geen geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij.
Het planvoornemen is derhalve niet belemmerend voor het bedrijf aan de Leenselweg 6.
Op het adres Leensel 20 was tot voor kort een varkenshouderij gevestigd. In het vigerende bestemmingsplan kent dit adres de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Sinds mei 2015 is de vergunning voor dit bedrijf ingetrokken en is er feitelijk geen sprake meer van een veehouderij. Het opnieuw ontwikkelen van deze locatie is gezien de woningen die rondom gelegen zijn gelegen onmogelijk. Het planvoornemen is derhalve niet belemmerend voor deze locatie.
Het plan voorziet in de vestiging van bedrijf in data analyse. De activiteit is als 'informatietechnologiebureau' opgenomen in de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering. Er geldt alleen een richtafstand voor geluid van 10 meter. Binnen een cirkel van 10 meter van het plangebied zijn er geen geluidgevoelige objecten gelegen. Derhalve veroorzaakt het planvoornemen geen hinder voor omliggende gevoelige objecten.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van voorliggend planvoornemen is derhalve door Aelmans Eco BV (E171055.001/HWO, 6 oktober 2017) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als Bijlage 2 Bodemonderzoek opgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Naar aanleiding van het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende gesteld worden:
Deze strook dient tijdig (voorafgaande aan verdergaande sloopwerken) verwijderd te worden en naar een daartoe erkende verwerker afgezet te worden. Alvorens men de grond alhier kan saneren dient een saneringsplan of BUS-melding te worden opgesteld en ter accordering aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Het is aanbevelingswaardig om voorafgaande aan de sloop van de opstallen deze grond te verwijderen;
Conclusie
Het aspect bodem is niet belemmerend voor het planvoornemen.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van voorliggend planvoornemen is derhalve een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder onderzocht te worden of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven. Het plan voorziet niet in het toevoegen van een geluidgevoelig object.
Het plan voorziet ook niet in een geluidhinder veroorzakende functie.
Het aspect geluid legt geen restricties op aan onderhavig planvoornemen.
Geur
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ook getoetst worden op het aspect geur. Enerzijds dient getoetst te worden of ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Anderzijds mogen bestaande agrarische bedrijven door het nieuwe initiatief niet onevenredig worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Het planvoornemen voorziet niet in een nieuw geurgevoelig object. De bedrijfswoning is reeds in de bestaande situatie aanwezig en het bedrijf in data analyse hoeft niet als geurgevoelig te worden aangemerkt vanwege de onregelmatige aanwezigheid van werknemers.
Daarnaast is het zo dat in een cirkel van 250 meter rond het nieuwe bouwvlak geen agrarische bedrijven gelegen zijn.
Uitsnede kaart 'indicatieve achtergrondbelasting' geurvisie gemeente Deurne. met plangebied globaal aangeduid.
Ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat is in het kader van de gemeentelijke geurverordening reeds in beeld gebracht wat de geurhindersituatie is binnen de gemeente. Ter plekke van het plangebied is blijkens de gemeentelijke geurgebiedsvisie sprake van een goed woon- leefklimaat, zie voorgaande afbeelding.
Een en ander leidt tot de conclusie dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Fijnstof
De fijnstofconcentratie ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 0 – 25 ì³g/m³ en voldoet daarmee aan de normen uit het Besluit Luchtkwaliteit.
Endotoxinen
In de directe omgeving van het plangebied, op een afstand van ± 400 meter, is aan de Leensel 3 te Asten een vleeskuikenhouderij gelegen. Het vleeskuikenbedrijf heeft een fijnstofemissie van 3.520 kg per jaar. De fijnstofemissie heeft direct verband met de hoogte van de endotoxineconcentratie in de omgeving van deze veehouderij. Bij deze fijnstofemissie leidt een afstand van 360 meter de endotoxineconcentratie niet tot onacceptabele gezondsheidsrisico's. Aangezien de afstand tussen het plangebied en de vleeskuikenhouderij groter is dan 360 meter kan binnen het bouwvlak een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.
Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
In artikel 5.16, lid 2 van de Wet milieubeheer is opgenomen wanneer een ontwikkeling wordt aangemerkt als een project in de zin van de Wet milieubeheer. In dit artikel is opgenomen dat er bij het wijzigen van het bestemmingsplan altijd sprake is van een project. Derhalve is bekeken of de luchtkwaliteit onderzocht moet worden.
De wijziging van het plan voorziet in herontwikkeling van een voormalig agrarisch bedrijf naar een dienstverlenend bedrijf in data analyse. De gevolgen van de ontwikkeling voor de luchtkwaliteit zijn beperkt gezien de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen. Met behulp van de NIBM-tool van Infomil is volledigheidshalve bepaald of onderhavig plan met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Hierbij is uitgegaan van een 'worst-case' benadering. Voor het aantal extra verkeerbewegingen als gevolg van het plan is 29 bewegingen (weekdag-gemiddelde) aangehouden, waarvan het aandeel vracht- en trekkerverkeer (vanwege het beheer van het plangebied) maximaal 15 % bedraagt. Uit het resultaat van de berekening blijkt dat onderhavig plan ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen NIBM is, zie navolgende figuur.
De achtergrondconcentratie voor fijn stof (PM10) ter hoogte van het plangebied is gelegen tussen 18-20 ìg/m3 (Bron: www.geodata.rivm.nl). Dit ligt onder de maximaal toegestane jaargemiddelde concentratie van 31,2 ìg/m3 fijn stof in de buitenlucht. De fijnstofconcentratie vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Daarnaast geldt in het kader van het aspect luchtkwaliteit het Besluit gevoelige bestemmingen. Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Dit besluit is om die reden niet op onderhavig bouwplan van toepassing.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Burgers mogen voor de veiligheid van hun omgeving rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron.
De belangrijkste risicobronnen in het kader van de externe veiligheid zijn:
1. Bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004).
2. Transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015).
3. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011).
Aan de hand van de professionele risicokaart zijn de risicobronnen in de directe omgeving van de planontwikkeling weergegeven.
Uitsnede risicokaart met plangebied globaal aangeduid.
Bedrijven en inrichtingen
Er zijn géén inrichtingen met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving gesitueerd.
Transportroutes
Het plangebied ligt op ± 320 meter van de A67. De plaatsgebonden risicocontour van de A67 ter hoogte van het plangebied bedraagt 32 meter. Het plan is buiten deze plaatsgebonden risicocontour van de Rijksweg gelegen. Ook speelt het plasbrandaandachtsgebied geen rol van betekenis vanwege de afstand tot de Rijksweg van meer dan 30 meter. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
Het plangebied is buiten een afstand van 200 meter van de Rijksweg gelegen. Hierdoor speelt het groepsrisico geen rol.
Buisleidingen
Er zijn geen buisleidingen met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving van het plangebied gesitueerd.
In de omgeving van het plan zijn in het kader van externe veiligheid geen risicobronnen gelegen.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarnaast niet in activiteiten waarin sprake is van veiligheidsrisico's voor de omgeving.
Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.
Er is een archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied uitgevoerd door KSP Archeologie (rapportnummer 17095, versie 2.0, 5 oktober 2017 en opgenomen als Bijlage 1 Archeologisch onderzoek). Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Aan het plangebied is een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum vanwege de aanwezigheid van een dekzandrug en het beekdal van de Astensche Aa. Omdat de dekzandrug relatief laag is, is de kans aanwezig dat de omstandigheden voor bewoning en akkerbouw in de daaropvolgende periode minder gunstig was. Op basis hiervan is aan de dekzandrug in het noordoostelijke deel van het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw).
De rest van het plangebied ligt in het beekdal van de Astensche Aa. Het beekdal is aangemerkt als aandachtsgebied voor archeologische vondsten die kunnen samenhangen met bewoning op de hoger gelegen gronden ten noorden van het beekdal. Tot op heden zijn er echter geen vindplaatsen bekend op het dekzandrugcomplex in/ten noorden van het plangebied.
De historische beekloop (18e - 20e eeuw) ligt ten zuiden van het plangebied. Het AHN-kaartbeeld levert echter aanwijzingen op voor een oudere beekloop die noordelijker heeft gelegen binnen het plangebied. Als inderdaad een oude beekloop/restgeul aanwezig is, verhoogt dit de kans op archeologische resten. Specifiek geldt hier de verwachting op een voorde/beekovergang vanwege de (middeleeuwse) Leenselweg. In dat verband kunnen ten zuiden van de oude beekloop sporen aanwezig zijn van het buurtschap/blokhuis Leensel.
Wel hebben in de jaren '70 van de 20e eeuw grootschalige (graaf)werkzaamheden in het gebied plaatsgevonden ten behoeve van de ruilverkaveling en normalisatie van de Astensche Aa. Dit kan tot verstoring van het archeologische bodemarchief hebben geleid.
Voor de realisatie van de poel en de gewenste locatie voor het helofytenfilter is op basis van de resultaten van het bureauonderzoek nader archeologisch onderzoek nodig in de vorm van een inventariserend veldonderzoek om vast te stellen of hier archeologische resten aanwezig zijn. De gemeente Deurne, de opdrachtgever en het waterschap Aa en Maas hebben afgesproken dat het nader archeologisch onderzoek in een later stadium kan plaatsvinden als het waterschap voor de hermeandering van de Astensche Aa aan de slag gaat met het archeologisch onderzoek. Op dat moment zullen de opdrachtgever en het waterschap in overleg met de gemeente de strategie en werkwijze voor het archeologisch vervolgonderzoek afstemmen. Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek zal in het bestemmingsplan de dubbelbestemming archeologie worden opgenomen met de verplichting dat nader archeologisch onderzoek (inventariserend veldonderzoek) moet worden uitgevoerd bij bodem-ingrepen die dieper reiken dan 0,5 m om vast stellen of archeologische resten in de bodem aanwezig zijn.
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie bestaan geen belemmeringen voor het planvoornemen.
Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg in werking getreden. Als gevolg van de MoKo is het Bro (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden.
Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. De provincie heeft hiertoe in haar Verordening zogeheten cultuurhistorische vlakken aangeduid. Deze vlakken verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden. Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten.
Het plangebied is niet gelegen in een cultuurhistorisch vlak.
In het plangebied zijn daarnaast geen monumentale panden aanwezig. Ook in de omgeving bevinden zich geen (rijks)monumenten die 'aangetast' worden met het voorgenomen initiatief. Daarnaast wordt in de bestaande bebouwingsstructuur en erfindeling geen wezenlijke wijziging aangebracht.
Op de historische kaart uit 1892 is de (destijds) meanderende loop van de Astensche Aa goed te zien. Het beekdal bestond uit natte graslanden en nat bos. Haaks op het natte beekdal waren kleine, rechte percelen weilanden met aansluitend de akkers. Meer noordelijk, waar de droge zandgronden beginnen, bevond zich (droog) bos en heide. De oude nederzetting Leensel, aan de rand van het beekdal, is als een buurtschap ontstaan met solitaire bebouwing.
In de 20e eeuw is het landschap waarin het plangebied is gelegen sterk veranderd. Het gehucht Leensel lag rond 1892 aan de doorgaande weg van Liessel naar Rinkveld. Door de aanleg van de A67 en de Leenselweg is deze oude weg verdwenen. Ook het beekdal van de Astense Aa waaraan het plangebied en het gehucht Leensel zijn gelegen is sterk veranderd. In de jaren zestig is de beek gekanaliseerd en zijn agrarische percelen vergroot waardoor de kleinschaligheid van het landschap grotendeels is verdwenen.
Het gehucht Leensel is wat betreft stedenbouwkundige opzet redelijk intact gebleven. Door het gehucht loopt nog een klein stukje van de vroegere doorgaande weg van Liessel naar Rinkveld.
Historische kaart 1892
Historische kaart 1930
Historische kaart 1980
De herontwikkeling van het voormalig agrarisch bedrijf en de natuurontwikkeling binnen het plangebied dragen bij aan het terugbrengen van cultuurhistorische waarden in het gebied. De herontwikkeling van het voormalig agrarisch bedrijf is gebaseerd op het beeld van het vroegere agrarische erf en de natuurontwikkeling binnen het plangebied is gebaseerd op het vroegere kleinschalige landschap.
Onderhavig plan draagt derhalve bij aan de cultuurhistorische waarden van het gebied waarin het plangebied is gelegen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er te worden onderzocht of er leidingen onder het perceel doorlopen, om te voorkomen dat de leiding bij werkzaamheden wordt beschadigd. Daarnaast kan er een omgevingsvergunning benodigd zijn om bepaalde werkzaamheden uit te voeren.
In of in de directe nabijheid van de planlocatie lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het plan.
Het plan voorziet in de vestiging van een dienstverlenend bedrijf in data analyse. De toekomstige ontsluiting van de bedrijfslocatie en bedrijfswoning is aan de Leenselweg iets verder naar het zuiden dan de bestaande ontsluiting. Daarnaast wordt het bedrijf ontsloten via de Astensedreef. De perceelsontsluitingen voldoen aan de algemene richtlijnen van de gemeente Deurne.
Ten aanzien van de verkeersstructuur kan worden gesteld dat het planvoornemen niet leidt tot een significante wijziging ten opzichte van de bestaande situatie. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen dient nagegaan te worden of de voorgenomen functiewijziging een potentiële verkeersaantrekkende werking heeft ten opzichte van de bestaande planologische situatie.
Voor het aantal verkeersbewegingen in de bestaande situatie wordt uitgegaan van minimaal 8 motorvoertuigbewegingen per dag op basis kencijfers voor een vrijstaande koopwoning in niet stedelijk gebied uit de CROW uitgaven 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'.
Voor de toekomstige verkeersbewegingen wordt eveneens uitgegaan van kencijfers uit de genoemde CROW uitgave; namelijk maximaal 5,7 motorvoertuigbewegingen per dag per 100 m2 bvo voor een bedrijf dat zowel arbeidsextensief als bezoekersextensief is. Op basis van 510 m2 bvo moet rekening gehouden worden met een toename van minimaal 29 motorvoertuigbewegingen verwacht.
De onderhavige planontwikkeling leidt daarmee slechts tot een beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen. De Leenselweg heeft, gelet op de huidige praktijk, voldoende capaciteit om de beperkte toename (29 extra verkeersbewegingen per dag) in verkeersbewegingen als gevolg van de functieverandering zodanig te verwerken, dat er geen knelpunten zullen ontstaan wat betreft de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid.
Parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden. Uitgaand van de kencijfers uit de Nota Parkeernormen 2013 van de gemeente Deurne zijn voor een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf maximaal 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo nodig. Op basis van 510 m2 bvo moeten maximaal 6 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In het landschapsplan is rekening gehouden met 10 parkeerplaatsen binnen het bouwvlak.
Kortom, het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Inhoudelijk is er ook het nodige gewijzigd. Zo voorziet de Wet Natuurbescherming onder andere in een gewijzigd beschermingsregime van soorten en regelt ze dat provincies het bevoegde gezag worden voor de ontheffingverlening voor projecten en het vaststellen van vrijstellingsregelingen.
Het plangebied ligt op 2,5 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Deurnesche en Mariapeel en op 4 km afstand van de Groote Peel.
Deze gebieden maken onderdeel uit van een Europees natuurnetwerk. Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van dit netwerk van beschermde natuurgebieden; Natura 2000. Hiervoor zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen is Nederland verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Daarvoor worden gebieden aangewezen waar deze soorten en habitats voorkomen. Voor deze aangewezen gebieden, veelal reeds onderdeel uitmakend van de ecologische hoofdstructuur, geldt een speciaal beschermingsregime. Bij uitbreiding of verandering van activiteiten of bij nieuwe activiteiten in of in de nabijheid van deze gebieden moet er getoetst worden of er significante gevolgen zijn voor de gebieden.
Vanwege de grote afstand tussen de genoemde Natura 2000 gebieden en het plangebied en de geringe verandering van de activiteiten binnen het plangebied is het aannemelijk dat het planvoornemen geen significante gevolgen voor de gebieden zal hebben.
Het beekdal van de Astense Aa dat ten zuiden van het plangebied is gelegen behoort tot het Nationaal Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het planvoornemen levert een positieve bijdrage aan het NNB. In het kader van het planvoornemen wordt grond overgedragen aan het waterschap waardoor invulling van het NNB, in de vorm van een ecologische verbindingszone en hermeandering van de Aa, over een lengte van 800 meter mogelijk wordt. Bovendien wordt 4,5 ha grond binnen het plangebied, gelegen tegen het NNB, landschappelijk en ecologisch versterkt. 3,3 Hectare van dit gebied wordt bovendien omgezet naar de bestemming natuur.
De Wet Natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en /of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. De wet is bedoeld om soorten te beschermen, niet individuele planten of dieren. Het gaat erom dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. Te allen tijde geldt dat de algemene zorgplicht van toepassing is. Dit houdt in, dat handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, achterwege moet blijven.
Het plan voorziet in de sloop van de bestaande koeienstal, de herbouw van de inmiddels ingestorte kippenschuur en de bouw van een nieuwe Vlaamse schuur binnen het bestaande agrarische bouwvlak waarbij de omvang van het bouwvlak wordt verkleind van 9.370 m2 naar 5.000 m2.
Ter plekke is nu sprake van een agrarische bouwkavel, deels voorzien van erfverhardingen en van bebouwing. Het is dan ook niet te verwachten dat ter plaatse sprake is van de aanwezigheid van beschermde flora en fauna.
De te slopen koeienstal zou een verblijfplaats voor vleermuizen en broedvogels kunnen zijn. De stal is echter onlangs zwaar beschadigd door hagelschade. Hierdoor is de stal tochtig, is er geen stabiele temperatuur aanwezig en is kan het er erg koud worden. De koeienstal bestaat bovendien uit enkelsteens muren. Dit maakt de stal ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
Wat betreft broedvogels zijn bij de eigenaar van het perceel geen vaste broedplaatsen van vogels bekend. Om vernietiging van eventuele nestentoch te voorkomen wordt de stal buiten het broedseizoen gesloopt.
Geconcludeerd kan worden dat de Wet Natuurbescherming het planvoornemen niet in de weg staat.
Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.
Rijk
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde nota Waterhuishouding uit 1998. Het beleid is niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.
Waterschap Aa en Maas
Op 22 december 2015 heeft het waterschap Aa en Maas het waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen die het waterschap nastreeft en wat het waterschap in de periode 2016-2021 gaat doen om deze doelen te halen. In het plan worden de volgende doelstellingen voor water uitgewerkt:
Rond het plangebied zijn vanuit het waterbeheerplan geen specifieke maatregelen gepland.
Op 26 februari 2015 heeft het waterschap de nieuwe Keur vastgesteld, die op 1 maart 2015 inwerking is getreden. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur.
Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en -kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
Gemeente
Met de invoering van de Waterwet is de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening verbeterd. De ruimtelijke aspecten van rijks- en regionale waterplannen worden aangemerkt als structuurvisie in de zin van de Wro. Met AMvB's of provinciale verordeningen wordt geborgd dat deze structuurvisies doorwerken in de ruimtelijke ordeningen. In bestemmingsplannen wordt rekening gehouden met deze structuurvisies door de ruimtelijke inpassing van de maatregelen die de waterbeheerder treft.
Per 1 januari 2008 is de Wet Gemeentelijke Watertaken van kracht geworden. Met de inwerkingtreding heeft de gemeente de zorg voor afvalwater, hemelwater en grondwater. De zorgplicht voor hemelwater en grondwater beperkt zich tot het stedelijk gebied. Op particulier terrein is de eigenaar verantwoordelijk voor het hemelwater van en het grondwater binnen het eigen perceel. Daar waar van de eigenaar redelijkerwijs niet kan worden gevraagd zelf voor het eigen hemel- en grondwater zorg te dragen, draagt de gemeente zorg voor de inzameling en afvoer. Voor de voorzieningen binnen het eigendom blijft de eigenaar van het perceel verantwoordelijk.
De planlocatie ligt buiten het stedelijk gebied. De gemeentelijke taak beperkt zich hier tot de zorg voor het inzamelen van huishoudelijk afvalwater. De gemeente heeft besloten al het huishoudelijk afvalwater in het buitengebied in te zamelen en heeft daarvoor in het buitengebied drukriolering aangelegd.
Voor zover de lozing van bedrijfsafvalwater op de vuilwaterriolering algemeen wordt toegestaan en de lozing geen risico vormt voor het functioneren van de riolering, wordt een beperkte lozing van bedrijfsafvalwater op de riolering toegestaan. Alternatieven voor riolering voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater, worden niet gelijkwaardig geacht.
De bodem op de locatie bestaat uit zandgronden in het beekdal van de Astense Aa. Het maaiveld bevindt zich op ca 26,7 meter boven NAP. De geschatte Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ter plaatse van de planlocatie ligt tussen 90 en 140 cm onder maaiveld. In de nabijheid van de planlocatie ligt de Astense Aa. Dit is een A-watergang.
Met onderhavige ontwikkeling wordt het bestaande bouwvlak, inclusief gebruiks- en bouwmogelijkheden verkleind tot de bestaande bebouwing en verharding. In totaal zal de (mogelijkheid tot) erfverharding en bebouwing ten opzichte van de bestaande situatie afnemen met circa 3.850 m2.
Afkoppeling en waterberging
Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden.
Het hemelwater dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit niet mogelijk is kan in overleg met het waterschap worden bekeken in hoeverre vertraagde afvoer naar het oppervlakte water mogelijk is.
Aangezien er met het voornemen geen toename aan bebouwing cq. verharding plaats vindt wordt er derhalve door het waterschap (op basis van de Keur 2015) geen extra compensatie verreist.
De GHG is voldoende laag om hemelwater te kunnen infiltreren. Het hemelwater infiltreert vanaf het dak van de bestaande en nieuwe gebouwen rechtstreeks in de bodem.
Afvoer schoon- en vuilwater
In het kader van het bevorderen van het duurzaam omgaan met water
is het beleid van de gemeente en het waterschap erop gericht om schoon hemelwater af te koppelen van het gemengde rioolstelsel (of niet aan te koppelen). Hemelwater dat van de daken af stroomt is aan te merken als schoon. Zuivering van dit water is dan ook niet noodzakelijk.
Het (schone) hemelwater van de bestaande bedrijfsgebouwen en verhardingen wordt reeds afgekoppeld en is niet op de riolering worden aangesloten, maar infiltreert via goten in de bodem. Het vuilwater wordt gescheiden afgevoerd. De droogweerafvoer is vanuit de bestaande (bedrijfs)bebouwing aangesloten op het bestaande rioolsysteem.
Waterlopen
In de nabijheid van de planlocatie bevindt zich de Astense Aa, dit is een leggerwatergang. In samenhang met voorliggend planvoornemen worden de plannen van het waterschap voor beekherstel en de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone langs de Astense Aa vormgegeven. De ontwikkeling van het landschap en de natuur binnen het planvoornemen sluit aan bij de plannen van het waterschap.
Waterkwaliteit – Duurzaam waterbeheer
De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem en/of het oppervlaktewater.
Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen (zoals bv lood, koper en zink).
Afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en via de rioolpersleiding afgevoerd. De afvoer van het bedrijfsafvalwater via de riolering moet voldoen aan de daarvoor geldende gemeentelijke richtlijnen en mag voor het gehele perceel (inclusief bestaand) niet meer bedragen dan 0,5 m3/uur. Indien per uur meer afvalwater vrijkomt binnen de inrichting dient een vloeistofdichte buffervoorziening aanwezig te zijn om het overtollige afvalwater tijdelijk op te slaan. Spoel- en schrobwater van stallen en mestopslagen mogen niet in een openbaar riool worden gebracht.
Vervuiling van grondwater is niet aan de orde.
In de toekomst wil de initiatiefnemer van het planvoornemen het afwalwater dat ontstaat binnen het plangebied middels een helofytenfilter zuiveren.
Het helofytenfilter wordt gerealiseerd om het afvalwater van de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning te zuiveren. Het bestaat uit een rietveld dat het afwalwater zuivert.
Navolgends is in een plaatje weergegeven hoe een helofytenfilter werkt.
Op de afbeelding is te zien hoe de vaste stof in het afvalwater in de septic tank (anaerobe voorzuivering) in oplossing gaat. Vervolgens komt het in een pomp put van waaruit het door een dompelpomp over het helofytenfilter gepompt wordt. Tijdens het omlaag zakken wordt het water tussen de wortels van de planten gezuiverd door de bacteriën. Daarna kan het afvalwater hergebruikt, op het oppervlaktewater geloosd of in de bodem geïnfiltreerd worden.
Voor een helofytenfilter wordt gekozen omdat de initiatiefnemer in de toekomst zelfvoorzienend wil zijn.
In voorliggend bestemmingsplan wordt de bouw van een helofytenfilter daarom mogelijk gemaakt. Voor een dergelijk helofytenfilter is voor de realisatie een watervergunning nodig. De initiatiefnemer is hier van op de hoogte.
Watertoets
Voor onderhavig plan is de watertoets uitgevoerd. De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen.
Realisatie van onderhavig plan leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
Gemeenten zijn sinds 7 juli 2017 verplicht om óók bij 'kleine' projecten een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (mer). Het besluit behoeft niet te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning.
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. De herontwikkeling van de locatie Leenselweg 10 kan beschouwd worden als een landinrichtingsproject zoals in de D-lijst genoemd. Derhalve wordt hieronder een korte beschrijving conform artikel 7.16 en 7.17 Wm gegeven.
De herontwikkeling van een vrijkomende agrarische locatie en de ontwikkeling van natuur bestaat concreet uit de sloop van een koeienstal van 600 m2, de bouw van een Vlaamse schuur van 350 m2 en de herbouw/verbouw van de kippenschuur van 160 m2 tot kantoorruimte. In samenhang met de herontwikkeling van de agrarische bedrijfsgebouwen wordt 3,3 hectare natuur ontwikkeld. Bij genoemde ontwikkelingen is naar verwachting geen emissie van afvalstoffen aan de orde. Ook is er geen negatieve impact op natuurlijke hulpbronnen zoals bodem, land, water en biodiversiteit.
Uit de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde analyse van milieuaspecten blijkt dat het plan - zowel op zichzelf als in combinatie met andere projecten (cumulatie) - geen belangrijke milieugevolgen veroorzaakt die een mer-beoordeling rechtvaardigen.
Conclusie
Het opstellen van een milieueffectrapportage is voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied niet relevant.
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien.
De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie.
Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht.
Vergelijkbare bestemmingsplannen
SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. De toelichting maakt immers - strikt juridisch gezien - geen deel uit van het bestemmingsplan.
De verbeelding van het bestemmingsplan bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.
Bestemmingen
Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken.
Dit bestemmingsplan bevat ook dubbelbestemmingen. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen.
Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor.
Verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het buitengebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter. Deze gegevens zijn een hulpmiddel voor het bepalen van bestemmingsvlakken en bouwvlakken.
Bestemmingsregeling
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare
Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt:
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:
Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure.
De planregels zijn gebaseerd op het voorontwerp van bestemmingsplan 'Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied'.
Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de gebruikte bestemmingen:
Het gehele voormalige agrarische bouwvlak is opgenomen in voorliggend plangebied. Dit is nodig om op het deel buiten de bedrijfsbestemming de aanduiding 'bouwvlak' te verwijderen. Daarnaast maken ook gronden van buiten dit voormalige agrarische bouwvlak onderdeel uit van deze bestemming.
Binnen deze bestemming is uitsluitend agrarisch grondgebruik toegestaan, zoals bijvoorbeeld het weiden van paarden. Gebouwen zijn hier niet toegestaan.
Met deze bestemming wordt het voormalige agrarische bouwvlak herbestemd ten behoeve van een data-analyse bedrijf. Dit is door middel van een aanduiding vertaald naar de planregels. Dit betreft een internationaal bedrijf waarbij ook op onregelmatige basis werknemers/ klanten ter plaatse overnachten (arbeidslogies). Hiertoe is aansluiting gezocht bij de regeling voor bed&breakfast.
Op het perceel dienen voormalige agrarische opstallen te worden gesloopt, alvorens er nieuwe bebouwing opgericht mag worden. Dit is door middel van een voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Ook de aanleg van een landgoed, gevisualiseerd in een landschapsplan, geldt als voorwaardelijke verplichting voor het gebruik van de bedrijfsgebouwen. Hiervoor geldt echter een termijn van 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe gebouwen. Zonder de nieuwbouw is de kwaliteitsverbetering niet vereist. Het eerste jaar kan dan gebruikt worden voor het oprichten van de gebouwen, het tweede jaar voor het inrichten van het landgoed.
Het aanleggen van de benodigde parkeerplaatsen is gekoppeld aan het bedrijfsmatig in gebruik nemen van de bedrijfsgebouwen.
De bestemming 'Natuur' is opgenomen voor de gronden waarop het landgoed wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, conform het opgestelde landschapsplan.
Binnen deze bestemming is het eveneens mogelijk, om ter plaatse van een specifieke aanduiding, een helofytenfilter aan te leggen, ter zuivering van afvalwater van de naastgelegen bedrijfsbestemming.
In deze bestemming is omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. De aanleg en het onderhoud van het landgoed, conform het landschapsplan, alsmede de aanleg van een helofytenfilter zijn uitgezonderd van deze omgevingsvergunningplicht. Deze werkzaamheden zijn zodanig specifiek en reeds in de toelichting getoetst aan de omgevingswaarden. Een omgevingsvergunning zou hierin een dubbele toets zijn.
De regeling ter bescherming van archeologische verwachtingswaarden is overgenomen uit de regeling van het voorontwerp. De bescherming is in de vorm van een dubbelbestemming opgenomen. Een dubbelbestemming werkt primair ten opzichte van de onderliggende enkelbestemming.
Om in beeld te brengen of er archeologische waarden ter plaatse aanwezig zijn, geldt een onderzoeksplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. Per dubbelbestemming geldt hiervoor een vrijgestelde oppervlakte en diepte. Daarnaast is er door middel van een aanduiding een gebied aangewezen waarbinnen geen onderzoeksplicht geldt.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzocht worden of het plan economisch uitvoerbaar is. In een aantal gevallen moet een exploitatieplan worden vastgesteld.
De kosten voor deze ruimtelijke procedure komen voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Deurne sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af waarin wordt vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten betreffende exploitatiekosten en eventuele planschade bij de initiatiefnemer ligt. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.
Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke kas.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Hiertoe is het concept ontwerp bestemmingsplan toegezonden aan de betreffende instanties.
Waterschap Aa en Maas
Er zijn een aantal aspecten, die mening meer aandacht nodig hebben en onderbouwd kunnen worden:
Deze reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
Het helofytenfilter wordt gerealiseerd om het afvalwater van de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning te zuiveren. Het bestaat uit een rietveld dat het afwalwater zuivert.
Hieronder is in een plaatje weergegeven hoe een helofytenfilter werkt.
Op de afbeelding is te zien hoe de vaste stof in het afvalwater in de septic tank (anaerobe
voorzuivering) in oplossing gaat. Vervolgens komt het in een pomp put van waaruit het
door een dompelpomp over het helofytenfilter gepompt wordt. Tijdens het omlaag zakken
wordt het water tussen de wortels van de planten gezuiverd door de bacteriën. Daarna kan
het afvalwater hergebruikt, op het oppervlaktewater geloosd of in de bodem geïnfiltreerd
worden.
Voor een helofytenfilter wordt gekozen omdat de initiatiefnemer in de toekomst
zelfvoorzienend wil zijn.
Provincie Noord-Brabant
De provincie heeft op 26 september 2017 aangegeven, dat het bestemmingsplan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
Na het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan heeft een ieder de mogelijkheid gehad om binnen 6 weken te reageren op dit plan. Hierop is één zienswijze ingediend. Deze is samengevat en beantwoord in de Nota van zienswijzen, zoals opgenomen in Vaststellingsbesluit en nota van zienswijzen. Nadat de gemeenteraad van Deurne het bestemmingsplan heeft vastgesteld, staat het bestemmingsplan open voor het instellen van beroep bij de Raad van State.