Toelichting
Toelichting HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In samenwerking met verschillende partijen werkt de Gemeente Breda aan het realiseren van een Ecologische Verbinzingszone (EVZ), ook wel "groene gordel, tussen Vliegbasis Gilze-Rijen en het Chaams Broek. De te overbruggen afstand tussen beide gebieden is ruim 11 km lang. Langs deze route worden kleine natuurgebiedjes, ook wel stapstenen genoemd, als leefgebied voor flora en fauna ingericht. Via deze stapstenen kunnen dieren en planten van het ene naar het andere natuurgebied verplaatsten. De aan te leggen EVZ zal met name ingericht worden voor de boomkikker. De activiteiten voor realisatie van deze natuurgebieden zijn niet overal rechtstreeks toegestaan in het aldaar vigerende bestemmingsplan, te weten bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Om deze realisatie mogelijk te maken moet de bestemming van diverse percelen, ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - zoekgebied ecologische verbindingszone' omgezet worden van Agrarisch naar Natuur. Het bestemmingsplan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid, die bij deze benut wordt. Figuur 1. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' 1.2 Vigerend bestemmingsplan Dit wijzigingsplan voorziet in een wijziging ter plaatse van het van de bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Bij besluit van 13 juli 2017 heeft de raad dit bestemmingsplan vastgesteld. Het vaststellingsbesluit is in werking getreden op de dag na het aflopen van de beroepstermijn, te weten op 17 oktober 2017. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State op 10 april 2019, kenmerk 201708192/1/R2, ECLI:NL:RVS:2019:1117, is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden. 1.3 Planvorm Het wijzigingsplan 'Buitengebied Oost, wijzigingsplan natuurontwikkeling Woestenbergseweg' voorziet in een wijziging van de bestemming Agrarisch in de bestemming Natuur ter plaatse van de (voormalige) agrarische percelen met de aanduiding 'wetgevingszone - zoekgebied ecologische verbindingszone', gelegen tussen de Gilzeweg en de Woestenbergseweg. Voor al het overige blijft het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' onverkort van toepassing. HOOFDSTUK 2 Project 2.1 Inleiding In samenwerking met verschillende partijen werkt de Gemeente Breda aan het realiseren van een Ecologische Verbinzingszone (EVZ), ook wel "groene gordel, tussen Vliegbasis Gilze-Rijen en het Chaams Broek. De te overbruggen afstand tussen beide gebieden is ruim 11 km lang. Langs deze route worden kleine natuurgebiedjes, ook wel stapstenen genoemd, als leefgebied voor flora en fauna ingericht. Via deze stapstenen kunnen dieren en planten van het ene naar het andere natuurgebied verplaatsten. Eén van de belangrijkste soorten die dat moet gaan doen is de boomkikker en daarvoor zal de EVZ met name worden ingericht. De boomkikker (Hyla arborea) is een vier centimeter grote, grasgroene kikker met kleine zuignapjes aan het einde van de poten. Op de vliegbasis en in het Chaams Broek zitten twee geïsoleerde populaties boomkikkers. Over de afgelopen decennia is deze soort in Nederland zeldzaam geworden door onder andere het verkleinen van leefgebieden en versnippering van het landschap. Het doel van de aanleg is dat het leefgebied van deze soort weer wordt uitgebreid en dat populaties zich kunnen vermengen en daardoor sterker worden. Met de uitvoering van deze maatregelen wordt geprobeerd de kwetsbare boomkikker te behouden in West Brabant. Naast de boomkikker is deze verbindingszone belangrijk voor vele andere dier- en plantsoorten zoals vlinders, vogels, hagedissen en zoogdieren. Ook worden de stapstenen ingericht voor recreatie door onder andere wandelpaden en bankjes aan te leggen. De Gemeente Breda is verantwoordelijk voor de realisatie van de stapstenen op grondgebied van Breda. Met de capaciteiten en expertise die aanwezig zijn binnen de Gemeente Breda wordt het gehele proces – van grond aankoop tot inrichting – uitgevoerd door verschillende afdelingen binnen de gemeente. Het project is bekend als "Realisatie EVZ Boomkikker fase III – Uitvoering Deel A ". 2.2 Voorgeschiedenis In samenwerking met Waterschap Brabantse Delta, Staatsbosbeheer, het Rijksvastgoedbedrijf, Golfclub Toxandria, Gemeente Alphen-Chaam, Gemeente Gilze en Rijen, Provincie Noord Brabant en het Groen Ontwikkelfonds Brabant realiseert de Gemeente Breda een robuuste ecologische verbindingszone tussen Vliegbasis Gilze-Rijen en het Chaams Broek. Het ambitie niveau reikt verder dan de ontwikkeling van een standaard 25 meter brede EVZ. Er is gekozen voor het aanleggen van een ‘parelsnoer van kleine natuurgebieden’, ook wel stapstenen genoemd. De boomkikker is weliswaar de kapstok soort van het project maar de stapstenen dienen als belangrijk leefgebied voor vele, al dan niet kwetsbare, flora en fauna soorten. 2.3 Gebied Het complete traject van de EVZ Boomkikker loopt vanaf de vliegbasis Gilze-Rijen naar het Chaams Broek in Chaam. Het traject is opgedeeld in drie fases. Gemeente Breda realiseert fase III. Deze loopt vanaf de gemeentegrens aan de Leijweg tot aan de gemeentegrens van de A58 ter hoogte van het Sint Annabosch. Meerdere percelen op het traject zijn in eigendom van de Gemeente Breda. Voor enkele andere percelen lopen nog onderhandelingen. Deze percelen gaan de stapstenen vormen voor de ecologische verbindingszone. In totaal maken 14 stapstenen deel uit van de EVZ op het grondgebied van Breda. Hiervan zijn er twee al ingericht door de Gemeente Breda en één door een externe projectontwikkelaar. 2.4 Doelsoorten Met het realiseren van EVZ Boomkikker wordt er getracht een verbinding te maken tussen twee bestaande leefgebieden van boomkikker. De boomkikker is de kapstoksoort van dit project. De verschillende stapstenen worden ingericht als potentieel leefgebied voor deze soort met specifieke voortplantingswateren, ruigten, struwelen en bosjes. Door habitat voor de boomkikker te realiseren, wordt er direct geschikt leefgebied aangelegd voor veel andere soorten. Zo zijn voortplantingswateren van de boomkikker geschikt voor vrijwel alle andere inheemse amfibiesoorten, maar ook voor bijzondere libellensoorten. De waterplantenvegetatie is er vaak zeer soortenrijk, met soorten kenmerkend voor bedreigde plantengemeenschappen zoals stijve waterranonkel, vlottende bies, pilvaren, naaldwaterbies en drijvende waterweegbree, soorten kenmerkend voor het oeverkruidverbond. Optimaal landhabitat voor de boomkikker biedt door de hoge rijkdom aan structuur en diversiteit aan planten soorten, leefgebied aan tal van aquatische- en terrestrische diersoorten zoals libellen, dagvlinders, reptielen, vogels en zoogdieren. Door de ecologische eisen van de boomkikker als leidraad te nemen kan met grote zekerheid worden verwacht dat ook een groot aantal andere soorten hier een geschikt leefgebied zullen vinden. Op grond daarvan kunnen veel meer doelsoorten voor dit project worden aangegeven. Een aantal van deze soorten, die door de provincie Noord-Brabant als prioritaire soort zijn aangemerkt, zijn weergegeven in tabel 1. Tabel 1: Doelsoorten binnen Project EVZ Boomkikker 2.5 Realisatie In de winterperiode 2018/2019 staan de volgende stapstenen gepland voor het project Realisatie EVZ Boomkikker fase III – Uitvoering Deel A: Stapsteen ‘Leijweg’ (1 en 3) Stapsteen ‘Eikberg’ (12) Stapsteen ‘Woestenberg’ (14) De overige stapstenen die deel uitmaken van de EVZ Boomkikker zullen in 2019/2020 gerealiseerd worden. De percelen worden in een aanvullend projectplan gepresenteerd onder de titel: "Realisatie EVZ Boomkikker fase III – Uitvoering Deel B". Figuur 3. In geel de locatie van de stapstenen die in winter 2018/2019 gerealiseerd worden. In gestreept groen de al gerealiseerde stapstenen of de nog te realiseren stapstenen in 2019/2020. Inrichtingsprincipes stapstenen Daar waar de EVZ percelen grenzen aan percelen die landbouwkundig worden bewerkt is de aanleg van een scheidingsgreppel noodzakelijk om te voorkomen dat voedselrijk water afspoelt naar de EVZ. Deze greppel moet binnen de stapsteen worden aangelegd zodat agrariërs niet worden beïnvloed en perceelgrenzen duidelijk gemarkeerd worden. De nieuw te graven voortplantingswateren worden zodanig aangelegd dat ze niet in verbinding komen te staan met sloten en/of de beek. Waar mogelijk worden ze zodanig aangelegd dat ze eenvoudig kunnen worden drooggezet mocht bezetting met vis toch onverhoopt plaatsvinden. Idealiter krijgen noord- en oostzijden een natuurvriendelijk flauw talud van minimaal 1:5, de zuid- en westkanten een talud van 1:3. In de nabijheid van de voortplantingswateren wordt struweel aangeplant voornamelijk bestaande uit braamstruweel en bes- en vruchtdragende inheemse struwelen. Waar mogelijk worden harde bosranden 'verzacht' en wordt het beheer afgestemd op de ontwikkeling en instandhouding van een structuurrijke mantel- en zoom. In de stapstenen worden rillen van stobben en takken geplaatst ook wel stobbenwal genoemd. Dit is een strook met boomstobben waarop braamstruweel ontwikkeld gaat worden. In een stobbenwal kan een scala van insecten, amfibieën, kleine zoogdieren, reptielen en vogels foerageren, schuilen of nestelen. Doordat de bramen verticaal tegen de stobbenwallen kunnen groeien, ontwikkelen deze zich sneller tot een dicht struweel. Dit soort braamstruwelen worden veelvuldig door boomkikkers gebruikt. Bij de ontwikkeling wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de ecologische eisen van andere (prioritaire) soorten, zoals kamsalamander, poelkikker, alpenwatersalamander, levendbarende hagedis, dagvlinders, libellen en kleine zoogdieren. 2.6 Inrichting per stapsteen Voor de inrichting van de stapstenen worden verschillende maatregelen uitgevoerd. De beoogde maatregelen zijn in dit hoofdstuk per stapsteen beschreven. Voor verschillende maatregelen staat rechtsbescherming open. Dit wijzigingsplan is de basis voor de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de uit te voeren maatregelen. Voor de waterhuishoudkundige maatregelen die getroffen worden in het project is reeds een watervergunning bij het Waterschap Brabantse Delta aangevraagd en verkregen. 2.6.1 Stapsteen Woestenberg Dit perceel (M00775) wordt ingericht als robuuste natuurstapsteen. Via een faunapassage die de Gilzeweg kruist wordt Perceel Eikberg Wonen (13) verbonden met dit gebied, stapsteen Woestenberg. Landhabitat wordt aangelegd in de vorm van kleine houtopstandjes van gemengd loofopstand in combinatie met stobbenwallen. Tussen de stobben zullen bramen aangeplant worden. Hierdoor zullen de stobbenwallen in de toekomst een dicht en massaal braamstruweel vormen. Deze zullen schuil, nest en foerageer gebied vormen voor een scala aan faunasoorten. Op dit perceel worden twee poelen en één moeraszone aangelegd. De moeraszone bevindt zich nabij de in- en uitgang van de faunapassage. De twee poelen dienen als voortplantingswateren voor de boomkikker. De zuidelijke poel ligt aan de voet van het viaduct over de A58. Dit is noodzakelijk om een grote populatie aan de voet van het viaduct te creëren, waardoor er voldoende juveniele boomkikkers aan de oversteek over de A58 kunnen beginnen. Voor de complete aanlegtekening nieuwe situatie zie Bijlage aanleg stapsteen Woestenberg, documentnummer 306619. Werkzaamheden De volgende werkzaamheden zullen uitgevoerd worden: Aanleggen van twee amfibieeen poelen; aanleg van een plas/draszone; afgraven van voedselrijke toplaag; aanplant van houtwallen en braamstruwelen; aanplant van solitaire bomen. Effect op omliggende percelen: Binnen het projectgebied wordt er niet gegraven aan watergangen. Bestaande greppels blijven gehandhaafd. Hierdoor zal de inrichting geen effect hebben op de omliggende percelen. Vergunningplichtige activiteiten: Aanleg twee poelen; Aanleg één moeraszone; Aanplant houtwal/braamstruweel/landschapselement. Verantwoording van de keuzes in het project Bij de inrichting van de stapstenen als nieuwe natuur en als leefgebied voor de doelsoorten waaronder de boomkikker is de nadruk gelegd op het behalen van de hoogste ecologische potentie die de percelen te bieden hebben. Er is ingezet op het zo compleet mogelijk maken van geschikt leefbiotoop voor boomkikkers. Daarbij zijn de poelen gedimensioneerd zodat ze optimaal gebruikt kunnen worden door amfibieën en andere water gerelateerde organismen. De inrichting is afgestemd op jaarlijks beheer met beheervoertuigen. Hiervoor is voldoende rijruimte gehanteerd langs poelen, watergangen en in het terrein zelf. De inrichtingsmaatregelen van de stapstenen hebben geen naar buitenwerkende effecten richting de aangrenzende en omliggende percelen. Stapsteen Leijloop en Stapsteen Woestenberg zullen niet opengesteld worden voor recreatie omdat de percelen zich daar niet voor lenen door hun geïsoleerde ligging en beperkte oppervlakte. Stapsteen Eikberg geeft mogelijkheden voor recreatie door middel van het aankoppelen van een laarzenpad tussen EikbergWonen en natuurgebied de Gilzerwouwerbeek. 2.7 Vergunningen Zoals hiervoor reeds is aangegeven zijn diverse activiteiten in het kader van de natuuraanleg omgevingsvergunningsplichtig. Het gaat om de volgende activiteiten: Aanleg twee poelen; Aanleg één moeraszone; Aanplant houtwal/braamstruweel/landschapselement. Deze vergunningen zijn géén onderdeel van het projectplan en volgen een gescheiden procedure. Tabel 2: Vergunningen en onderzoeken per stapsteen HOOFDSTUK 3 Beleid 3.1 Beleid en regelgeving De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages en andere wet- en regelgeving. Het wijzigingsplan 'Buitengebied Oost, wijzigingsplan natuurontwikkeling Woestenbergseweg' voorziet in een wijziging van de bestemming Agrarisch in de bestemming Natuur ter plaatse van de (voormalige) agrarische percelen met de aanduiding 'wetgevingszone - zoekgebied ecologische verbindingszone', gelegen tussen de Gilzeweg en de Woestenbergseweg. Voor al het overige blijft het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' onverkort van toepassing. Voor het van toepasing zijnde beleidskader wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.2.5 en hoofdstuk 3 uit de toelichting van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Meer in het bijzonder naar de passages over: Flora- en faunawet, inmiddels Wet natuurbescherming. Het Natuurbeleidsplan'. Om de achteruitgang van het areaal natuur te stoppen is in 1990 de ecologische hoofdstructuur (EHS) door het rijk vastgesteld in het “Natuurbeleidsplan”. De EHS is recent qua naam gewijzigd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verordening ruimte. De provincie Noord-Brabant heeft het Natuurnetwerk Brabant (NNB) vervolgens vast gelegd in de Verordening ruimte. De doelstelling van het NNB is het behoud, het herstel en de ontwikkeling van nationaal en internationaal belangrijke ecosystemen. Dit dient onder andere te door middel van de ruimtelijke veiligstelling in bestemmingsplannen. Een onderdeel van de NNB is de ecologische verbindingszones (EVZ’s). Dit zijn stroken natuur die natuurgebieden met elkaar moeten gaan verbinden om zo de versnippering tegen te gaan. Dit hoeft niet aaneengesloten natuurstroken te zijn, het mogen ook kleine vlakvormige landschapselementen. Structuurvisie Breda 2030. Op de kaart ‘Agenda voor Breda 2030’ zijn de gronden ter plaatse van het plangebied Buitengebied Oost weergegeven als overwegend agrarisch gebied met daar doorheen een ecologische verbinding, namelijk de realisatie van een ecologische verbindingszone ter hoogte van Gilzerwouwerbeek en Molenleij als gebiedsopgave (EVZ Boomkikker). Het moge duidelijk zijn dat onderhavig wijzigingsplan zich verhoud met het van toepassing zijnde beleidskader nu het wijzgingsplan strekt tot het mogelijk maken van de realisatie van de EVZ tussen de vliegbasis Gilze-Rijen en het Chaamsbroek met als doelsoort de Boomkikker. Naast de Boomkikker is deze verbindingszone belangrijk voor vele andere dier- en plantsoorten zoals vlinders, vogels, hagedissen en zoogdieren. Ook worden de stapstenen ingericht voor recreatie door onder andere wandelpaden en picknickplaatsen aan te leggen. HOOFDSTUK 4 Doelstellingen van het wijzigingsplan 4.1 Doelstelling Het realiseren van een groene gordel (EVZ) tussen Vliegbasis Gilze-Rijen en het Chaams Broek vraagt om diverse werkzaamheden zoals de aanleg van poelen, een moeraszone en de aanplan van diverse houtopstanden. Het van toepassing zijnde bestemmingsplan laat deze werkzaamheden niet overal direct toe. Dit komt omdat sommige van de de gronden waarover de EVZ loopt in bezit zijn of waren van agrariërs. Deze gronden hebben hun agrarische bestemming behouden. Wel is de aanduiding 'wetgevingszone - zoekgebied ecologische verbindingszone' opgenomen èn is in de agrarische bestemming een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar Natuur. Binnen de bestemming Natuur zijn de werkzaamheden in het kader van de realisatie van de EVZ, al dan niet via een omgevingsvergunning, toegestaan. Het wijzigingsplan 'Buitengebied Oost, wijzigingsplan natuurontwikkeling Woestenbergseweg' voorziet in een wijziging van de bestemming Agrarisch in de bestemming Natuur ter plaatse van de (voormalige) agrarische percelen met de aanduiding 'wetgevingszone - zoekgebied ecologische verbindingszone', gelegen tussen de Gilzeweg en de Woestenbergseweg. Als gevolg van deze bestemmingswijzigingen wordt het mogelijk om de diverse werkzaamheden die nodig zijn van de realisatie van de EVZ uit te voeren. HOOFDSTUK 5 Milieu 5.1 Milieuhygiënische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk worden de verschillende omgevingsaspecten die van belang zijn voor de inrichting van de gronden toegelicht. 5.2 Bodem 5.2.1 Algemeen Een bodemverontreiniging is over het algemeen niet zichtbaar aanwezig. Daarom speelt de bodemkwaliteit in de beleving van de gebruikers van de ruimte een relatief kleine rol. Toch kan een eventuele bodemverontreiniging nieuwe ontwikkelingen frustreren omdat de kosten van een sanering te hoog zijn. Daarnaast kan een (vermoeden van) bodemverontreiniging leiden tot ontrust bij de omwonenden. Het plangebied heeft steeds een agrarische bestemming gehad. Grootschalige bedrijfsactiviteiten hebben hier niet plaatsgevonden. Naar verwachting zullen er binnen het plangebied dan ook geen verontreinigingen aanwezig zijn die eventuele nieuwe ontwikkelingen frustreren. Wel kunnen plaatselijk verontreinigingen aanwezig zijn ten gevolge van activiteiten in het verleden. Hierbij kan gedacht worden aan kleinschalige bedrijfsactiviteiten, maar ook aan huisbrandolietanks of dempingen. 5.2.2 Regelgeving Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming, inclusief de aanvullende besluiten leidend. De Wet bodembescherming kent nieuwe gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan na 1 januari 1986) waarbij er sprake is van een saneringsplicht die direct van kracht is. Voor oude gevallen van bodemverontreiniging is de start van de sanering met de nieuwe Wet bodembescherming afhankelijk van de ontoelaatbare risico's voor de mens, verspreiding of het milieu nu en in de toekomst. De saneringsverplichtingen zijn voortaan gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het (toekomstig) gebruik van de bodem. Het gemeentelijk beleidskader voor bodem van de gemeente Breda is verwoord in de Verordening bodemsanering. Hierin is het functiegericht en kosteneffectief saneren opgenomen en zijn de regels ten aanzien van het omgaan met asbest in de bodem toegevoegd. In 2015 is Breda een eind op weg richting de landelijke doelstelling: een stad op een stevige, leefbare en duurzamere bodem, die geschikt is voor een breed gebruik. Alle historische bodemverontreinigingen zijn gesaneerd of beheersbaar geworden. In de Bouwverordening is opgenomen dat de gemeente bij het verlenen van een bouwvergunning moet toetsen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige gebruik van de locatie. Hierbij wordt getoetst of er geen gezondheidsrisico's zijn voor de toekomstige gebruikers. In de nota ‘De Bredase grondslag Bodembeleid, uitvoering en procedures (januari 2009)’ is vastgelegd welke eisen de Gemeente Breda stelt aan bodemonderzoeken, saneringsplannen en saneringsverslagen. De algemene doelstelling van het Rijk is dat in 2030 alle ernstige verontreinigingen van de (water)bodem zijn gesaneerd en /of onder controle zijn. 5.2.3 Onderzoek Binnen het plangebied zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken blijkt dat de bodemkwaliteit in het bestemmingsplangebied over het algemeen geen belemmering voor toekomstige ontwikkelingen vormt. Op de bodemkwaliteitskaart die voor Breda is opgesteld is het gebied opgenomen in de zone waar de gemiddelde kwaliteit van de bodem voldoet aan de streefwaarde. Plaatselijk kunnen ten gevolge van activiteiten in het verleden verontreinigingen in de bodem zijn ontstaan. Bij nieuwe ontwikkelingen zal dan ook per geval onderzocht moeten worden of er een bodemverontreiniging aanwezig is. Indien een verontreiniging aanwezig is, zal bekeken worden hoe hiermee om moet worden gegaan. 5.2.4 Conclusie Binnen het plangebied vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de realisatie van natuur. Bij ontwikkelingen moet de bodemkwaliteit in kaart worden gebracht. Indien nodig moeten hierop acties worden ondernomen. 5.3 Cultureel Erfgoed In de nota Erfgoed in context, ErfgoedVisie Breda 2008-2015 is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens de basis vormt van ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze toelichting op het bestemmingsplan wordt het aanwezige cultureel erfgoed (te verdelen in archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht en wordt aangegeven hoe deze waarden beschermd worden. Archeologie wordt in het bestemmingsplan vertaald middels de Waarde Archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed worden vertaald middels de Waarde Cultuurhistorie. 5.3.1 Archeologie Het plangebied kenmerkt zich door een zeer gevarieerd fysisch landschap. Het beekdal van de Gilze-Wouwerbeek doorkruist van het noordwesten naar het zuidoosten het plangebied. Aan weerszijden van het beekdal loopt het plangebied omhoog naar de hoge dekzandruggen en Lijndonk, Bolberg en Eikberg. Deze hoger gelegen delen zijn van oudsher het meest geschikt voor bewoning en genoten daarom ook vaak de voorkeur. Ook de middeleeuwse akkercomplexen zijn altijd op de dekzandruggen gesitueerd. Indien er in gebied sprake is van een middeleeuwse akkerlaag kan deze oudere archeologische sporen beschermd hebben tegen recentere verstoringen. Figuur 4 beleidsadvieskaart Breda 1: Archeologie (bron: gemeente Breda) Om de archeologische waarden in het gebied te beschermen conform het vastgestelde gemeentelijk beleid, de Monumentenwet 1988, waarin besloten ligt de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007, is de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ opgenomen voor de gebieden die conform de Beleidsadvieskaart Breda’s Erfgoed, deel 1 Archeologie zijn gekenmerkt als gebieden met een archeologische verwachting anders dan laag. Hetzelfde geldt voor de gebieden van archeologische waarde en gemeentelijke archeologische monumenten. Ter plaatse van gronden met een dubbelbestemming dient voorafgaand aan ontwikkelingen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het archeologisch onderzoek wordt door bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Als gevolg van het gevarieerde landschap, waarbij sommige gebieden een grote voorkeur voor bewoning hadden, kent de archeologische verwachting in het plangebied ook een grote variëteit. In het plangebied is er daarom sprake van zones met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. In aanvulling op de landschappelijke voorkeuren zijn ook de lopen van de oude infrastructuur (zie historische geografie) in de beleidskaart verwerkt middels een hoge archeologische verwachting. Daarnaast zijn er op de archeologische beleidskaart een aantal zones die als verstoord zijn aangemerkt of die al voldoende archeologisch zijn onderzocht. Hieronder staan de bepalingen vermeldt die voor de verschillende verwachtingen gelden. 5.3.2 Historische geografie De eerste boeren in het gebied vestigden zich op de dekzandruggen en namen deze als bouwland in gebruik. De natte beekdalen bleven welhaast onbewoond en werden gebruikt als weidegrond en hooiland. Als bemesting gebruikte men de mest uit de potstallen, vermengd met heideplaggen of bosstrooisel. Door deze mest honderden jaren lang op de akkers op te brengen ontstonden in de loop der tijd de karakteristieke bolle akkers, gronden met een sterk humeuze bovenlaag, die ook nu nog de betere landbouwgronden in het gebied zijn. De reeds aanwezige hoogteverschillen zijn hierdoor nog verder versterkt. De Gilzewouwerbeek is genoemd naar de visvijvers of ‘wouwers’ van de heer van Breda die langs de bovenloop van deze beek, net onder Gilze lagen. Aan weerszijden van de Gilzewouwerbeek liggen de dekzandruggen waarop de nederzettingen, Tervoort, Lage Aard, Lijndonk, Bolberg, Eikberg en Roosberg zijn ontstaan. De begrippen donk en berg duiden er op dat deze locaties de hoogste plekken op de dekzandruggen betreffen. Tervoort is ontstaan op de flank van een dekzandrug, nabij een doorwaadbare plaats van de Gilzewouwerbeek, op het punt waar de Dorstseweg de Gilzewouwerbeek kruist en het beekdal zeer smal is. Lijndonk en Tervoort worden reeds rond 1300 vermeld in oude geschriften. Lage Aard wordt in 1511 voor het eerst vermeld en is ontstaan langs een weg aan de rand van de heide van Gilze. In de Jonge Steentijd bestaat het landschap uit niet al te dicht bos. Bij het ontstaan van de nederzettingen liggen akkers rondom de nederzettingen en weidt men de dieren in het omringende bos. Door begrazing en houtkap verandert het bos echter in de loop der eeuwen in heide. Tegen 1500 is er bijna geen bos meer over en wordt de omgeving gekenmerkt door uitgestrekte heidevelden. De ontginning van het landschap richt zich na 1500 met name op ontginning van heide tot akker- en weiland. Daarnaast wordt er opnieuw bos aangeplant in verband met de behoefte aan hout. In de zuidwesthoek van het plangebied bevond zich in de 15e eeuw de Woestenbergse Hoef, een grote ontginningshoeve die een deel van de heide (ter hoogte van de huidige zandwinplas) in cultuur heeft gebracht. Omstreeks 1974 is de (tweemaal herbouwde) hoeve afgebroken om plaats te maken voor de A58. De gronden met bijbehorende lanen horen nu bij de Mariahoeve, die hier in 1940 is gebouwd. De middeleeuwse boerderijen op de dekzandruggen, opgetrokken uit hout en leem, worden vanaf de 17e eeuw vervangen door stenen gebouwen. Meestal ligt de woning parallel aan de weg en staan daarachter de schuren in een rechthoekig patroon. Dit boerderijtype wordt Brabantse langgevel genoemd. Bij de meeste boerderijen van het Brabantse langgevel type komt een Vlaamse schuur voor, opgebouwd uit geteerde, gepotdekselde planken, met eiken gebinten en met riet afgedekt. In de directe omgeving van Breda zijn met name rondom de gehuchten Tervoort, Bolberg en Lijndonk relatief veel langgevelboerderijen gebouwd. In de twintigste eeuw wordt dit type vervangen door boerderijcomplexen bestaande uit een woonhuis met aangebouwde stal, soms met extra vrijstaande stallen. Tot circa 1900 worden akkers en weilanden afgeschermd door houtopstanden (houtwallen, houtsingels, hagen) die dienen als erfafscheiding, hakhout en veekering. In de loop van de 19e eeuw brengt de Industriële Revolutie nieuwe welvaart en nieuwe technieken met zich mee waardoor hout als energieleverancier wordt vervangen door steenkool, gas en/of olie en waardoor perceelsrandbegroeiing wordt vervangen door moderne afrasteringen zoals ijzerdraad. Het heiningenlandschap transformeert langzaamaan naar een meer open landschap. Een aantal houtopstanden rond de (voormalige) boerderijen zijn bewaard gebleven. Figuur 5 Topkaart ca. 1850 (bron: gemeente Breda) In de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog treedt een enorme schaalvergroting op. Om met de gemiddelde welvaartsontwikkeling in Nederland mee te kunnen, moet ook de landbouw intensiveren. Het plangebied kampt op dat moment met een aantal problemen: een (dreigend) versnipperd grondgebruik (mede veroorzaakt door de voorgenomen aanleg van de Rijkswegen A27 en A58), een gebrekkige waterbeheersing en een slechte ontsluiting van de percelen: ongeveer 60% van de wegen is onverhard en wordt als slecht tot zeer slecht getypeerd. In 1966 wordt de aanvraag voor de ruilverkaveling Gilze-Bavel-Rijensbroek goedgekeurd. Teneinde een gezonde agrarische structuur te bewerkstelligen worden grondeigendommen herschikt, kavelstructuren verbeterd, kavelsloten aangelegd of verdiept (t.b.v. een betere afwatering) en wordt de toegankelijkheid van de percelen verbeterd door nieuwe wegen aan te leggen en bestaande wegen te verbeteren. De meest herkenbare ingrepen in het gebied zijn de aanleg van de Leijweg (langs de Molenleij) en een deel van de Tiendweg, het verharden en completeren van de Dorstseweg en het aanplanten van een tweetal kleine bosjes. De ruilverkaveling heeft een enorme kaalslag van het historische kleinschalige landschap teweeg gebracht. Slechts rondom het gehucht Bolberg is de historische verkaveling nog aanwezig en afleesbaar. Door het bewaren van enkele solitaire bomen te midden van de weilanden en akkers is getracht de historische maat van het landschap inzichtelijk te maken. Ook zijn de historische bolle akker op diverse plekken in het gebied nog goed afleesbaar. Figuur 6 topkaart 2000 (bron: gemeente Breda) Recent heeft natuurontwikkeling rondom een gedeelte van de Gilzewouwerbeek plaatsgevonden waarbij de oorspronkelijke gradiënten zijn hersteld en de beek weer een zomer- en winterbed heeft gekregen. De beek zoekt nu zijn eigen weg binnen de contouren van het zomerbed. Aan weerszijden van de beek zijn poelen aangelegd en bosjes aangeplant. 5.3.3 Vertaling naar het bestemmingsplan In voorgaande beschrijving is het geïnventariseerde erfgoed opgenomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten om daadwerkelijke beschermingsmaatregelen te nemen. Archeologie Archeologisch waardevolle gebieden Archeologische monumenten Niet van toepassing voor het plangebied Gebieden met behoudenswaardige archeologische waarden Niet van toepassing voor het plangebied Archeologische onderzoeksgebieden Niet van toepassing voor het plangebied Historische geografie en gebouwd erfgoed In het plangebied is geen sprake van relevant(e) historische geografie/gebouwd erfgoed Conclusie Het aspect Archeologie en historische geografie vormt geen belemmering voor het plangebied. 5.4 Water 5.4.1 Algemeen Bij de beoordeling water is onderscheid gemaakt in de criteria oppervlaktewater, grondwater en waterkwaliteit. Binnen oppervlaktewater/grondwater is onderscheid gemaakt in een aantal subcriteria: toename verharding/afname infiltratie, waterberging, waterwingebied, natte natuurparels / attentiegebieden. In het kader van het bestemmingsplan wordt met de waterbeheerder, waterschap Brabantse Delta, afgestemd (“watertoets”). 5.4.2 Onderzoek Toename verharding en piekafvoeren, afname infiltratie Er is geen sprake van toename van verharding. Dit aspect is niet aan de orde Waterberging De natuurontwikkeling heeft geen effect op het in het buitengebied gelegen reserveringsgebied waterberging. Attentiegebied EHS De natuurontwikkeling heeft geen effect op het attentiegebied EHS. Waterwingebied De natuurontwikkeling heeft geen effect op de in het buitengebied gelegen waterwingebied/grondwaterbeschermingszone. Overige De natuurontwikkeling heeft geen effect op overige wateraspecten als waterkeringen, afvalwatertransportleidingen, rioolgemalen e.d. Waterkwaliteit De natuurontwikkeling leidt ten opzichte van de huidige/ referentie tot een verbetering van de waterkwaliteit in het buitengebied. In het plangebied liggen geen KRW-waterlopen. 5.4.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde natuurontwikkeling. Tabel 5.6 Effectenbeoordeling water Criterium Maximum scenario Effecten op oppervlaktewater + Effecten op grondwater + Effecten op waterbergingsgebied 0 Effecten op waterwingebied nvt Effecten op waterkwaliteit + HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving 6.1 Hoofdopzet 6.1.1 Wijzigingsplan algemeen Het wijzigingsplan uit planregels, een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het plan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In Nederland zijn regels vastgesteld voor de naamgeving, de opbouw van de planregels en hoe deze worden verbeeld. Dit wordt de zogenoemde Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) genoemd. Dit alles om alle bestemmingsplannen in Nederland beter te kunnen vergelijken en ze ook digitaal uitwisselbaar te maken. Per 1 januari 2010 is deze digitalisering verplicht. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld volgens deze landelijke richtlijnen en standaarden. 6.1.2 Indeling planregels De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Deze volgorde is gebaseerd op in indeling zoals deze is voorgeschreven in de SVBP. 6.2 Bestemmingen Het wijzigingsplan 'Buitengebied Oost, wijzigingsplan natuurontwikkeling Woestenbergseweg' voorziet in een wijziging van de bestemming 'Agrarisch' in de bestemming 'Natuur' ter plaatse van de (voormalige) agrarische percelen met de aanduiding 'wetgevingszone - zoekgebied ecologische verbindingszone', gelegen tussen de Gilzeweg en de Woestenbergseweg. Naast de enkelbestemming Natuur geldt ook de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding Het wijzigingsplan 'Buitengebied Oost, wijzigingsplan natuurontwikkeling Woestenbergseweg' voorziet in een wijziging van de bestemming Agrarisch in de bestemming Natuur ter plaatse van de (voormalige) agrarische percelen met de aanduiding 'wetgevingszone - zoekgebied ecologische verbindingszone', gelegen tussen de Gilzeweg en de Woestenbergseweg. Voor al het overige blijft het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' onverkort van toepassing. 7.2 Financiële haalbaarheid De Gemeente Breda is verantwoordelijk voor de realisatie van de stapstenen op grondgebied van Breda. Met de capaciteiten en expertise die aanwezig zijn binnen de Gemeente Breda wordt het gehele proces – van grond aankoop tot inrichting – uitgevoerd door verschillende afdelingen binnen de gemeente. De kosten voor het opstellen van onderhavig wijzigingsplan komen voor rekening van de gemeente Breda. Hiermee wordt het plan uitvoerbaar geacht. HOOFDSTUK 8 Communicatie 8.1 Inleiding In het wijzigingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor dit voorliggende plan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht. 8.1.1 Participatie Participatieverslag De realisatie van Stapsteen 14 van de EVZ boomkikker, maakt onderdeel uit van een groter project. Het betreft de ontwikkeling van een robuuste ecologische structuur van circa 10 kilometer tussen de boomkikkerleefgebieden Molenschotse Heide (Gilze en Rijen) en de Chaamse bossen (Alphen-Chaam). Hiervoor is ook een projectplan waterwet opgesteld waarbij tevens een communicatie traject in gang is gezet. Het projectplan Waterwet kent ook een formele zienswijzeprocedure. De gemeente Breda heeft hiervoor een informatieavond georganiseerd voor de streek in Bavel zelf. De wethouder heeft samen met de betreffende ambtenaar het nodige toegelicht. Ook is de inrichting doorgenomen met het aanwezige publiek. Los daarvan staat de Ecologische verbindingszone (EVZ) reeds in het bestemmingsplan als zoekgebied. Om de stapsteen te realiseren maken we gebruik van de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan. Dus ook via het BP Buitengebied Oost (met zijn bijbehorende communicatie) zijn mensen op de hoogte gesteld van de ligging van de EVZ. Inmiddels hebben we ook al subsidies voor het gehele project aangevraagd, twee zelfs. 1 voor de realisatie van de EVZ en 1 voor het maken van leefgebied van een zeldzame soort, namelijk de boomkikker. Deze aanvragen en gunningen zijn ook openbare procedures. Tot slot zijn de diverse natuurverenigingen op verschillende momenten in het proces geïnformeerd. 8.2 Procedure 8.2.1 Zienswijzen Met de terinzagelegging van het ontwerp plan (voor de duur van zes weken) is de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende de periode van de terinzagelegging kan iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen tegen het plan inbrengen. De zienswijzen worden in het vaststellingsvoorstel samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zijn beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college het plan al dan niet gewijzigd vaststellen. Het bestemmingsplan heeft van 26 maart 2020 tot en met 6 mei 2020 ter visie gelegen. Er zijn geen zienswijzen op ingebracht. 8.2.2 Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze onherroepelijk. Omdat er geen zienswijzen zijn ingediend en het plan ongewijzigd is vastgesteld, kunnen alleen diegenen die redelijkerwijs kunnen aantonen dat zij geen zienswijze hebben kunnen indienen, beroep aantekenen.
![i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402000.png)
Figuur 2. Algemeen overzicht van de ligging van de te realiseren robuuste ecologische structuur tussen de Molenschotse heide en de Chaamse Bossen in Alphen-Chaam. De rode stippen geven de locaties weer waar in de periode van 2013-2016 de aanwezigheid van een of meer boomkikkers is vastgesteld.![i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402002.png)
![i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402003.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402003.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402004.png)
![i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0758.WP2019223004-VG01_402005.png)