4.1 Waterbelangen
4.1.1 Beleid
Om de beoogde ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen realiseren is onderhavige watertoets opgesteld. Hiervoor is gekeken naar het geldende waterbeleid voor onderhavig plangebied. De belangen van het rijk, provincie, waterschap en de gemeente zijn hierin meegenomen.
Nationaal Water Programma 2022-2027
Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Het NWP 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de Rijkswateren en -vaarwegen.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laat men de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.
De belangrijkste thema’s hieruit zijn doorvertaald naar het Bkl en het provinciaal- en waterschapsbeleid, welke hierna worden behandeld.
Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027
Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 van de provincie Noord-Brabant is op 22 december 2021 in werking treden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.
Omgevingsverordening Noord-Brabant
De belangrijkste regels inzake het RWP zijn overgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna Ov). Middels de themakaarten van deze verordening wordt inzicht gegeven in hoeverre er belangrijke waterhuishoudelijke thema’s op het plangebied van toepassing zijn.
Uitsnede themakaart ‘Water en watersystemen’ Omgevingsverordening Noord-Brabant’
Uit de uitsnede van de kaart ‘Water en watersystemen’ blijkt dat ter plaatse van het plangebied de volgende regels van toepassing zijn:
- rechtstreeks werkende regels voor ‘Diep grondwaterlichaam’
- rechtstreeks werkende regels voor ‘Geen attentiezone waterhuishouding’
- instructieregels voor waterschappen voor ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’
Ad. 1:
Ter plaatse geldt een verbod voor onconventionele koolwaterstofwinning vanwege een ‘Diep grondwaterlichaam’.
Ad. 2:
Ter plaatse geldt een vrijstelling van een vergunningplicht ten behoeve van grondwateronttrekking. Een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet vereist als de onttrekking buiten de Attentiezone waterhuishouding ligt, de te onttrekken hoeveelheid grondwater ten hoogste 10 m³ per uur bedraagt en een melding is gedaan.
Ad. 3:
Binnen Norm wateroverlast stedelijk gebied geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwege en 1/10 per jaar voor overige gebieden.
Gezien voorgaande zijn er slechts de reguliere rechtstreeks werkende regels en instructieregels voor waterschappen van toepassing. Het projectgebied is voor het overige niet gelegen ter plaatse van een beschermd gebied inzake grondwater, drinkwater, boringen of andere beschermde gebieden inzake de waterhuishouding. Er zijn dan ook geen belangen vanuit de Omgevingsverordening Noord-Brabant in het geding met oog op het thema ‘Water en watersystemen’.
Waterbeheerprogramma 2022 – 2027
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Breda en heeft hiertoe het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (WBP) vastgesteld. In het WBP staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.
In het WBP neemt het waterschap de volgende kerntaken als uitgangspunt: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven:
- Klimaatadaptatie (aanpassen aan de klimaatverandering)
- Waterveiligheid
- Gezond water (schoon water)
- Voldoende water
- Vaarwegen
- Waterketen
De praktische voorwaarden inzake het waterschapsbelang van Brabantse Delta zijn verder uitgewerkt in de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta.
Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta
Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet en staan alle regels van het waterschap voor de leefomgeving in één digitale verordening: de waterschapsverordening. In deze verordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het gebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De waterschapsverordening is volledig digitaal en de regels zijn specifiek geldend voor bepaalde gebieden en activiteiten. Dit via een 'ja, mits'-principe, wat betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan de opgenomen voorwaarden. Bij de waterschapsverordening hoort een kaart waarop je kunt zien waar, welke regels gelden. Deze worden werkingsgebieden genoemd. Daar waar beschermingszones en beschermde gebieden zijn aangegeven, geldt veelal een vergunningsplicht met extra restricties.
Uitsnede kaart Waterschapsverordening (perceel projectlocatie paars omlijnd)
Overeenkomstig de digitale kaart vanuit het Omgevingsloket is het projectgebied gelegen buiten het (beperkt) beschermd gebied en attentiegebied. Wel is de locatie gelegen binnen het invloedsgebied Natura 2000, waarvoor extra restricties gelden met betrekking tot het onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden. Daarnaast is er aan de rand van het perceel van het projectgebied c-water gelegen. Er is ter plaatse geen sprake van een beschermingszone bij een a-water, beschermd gebied, beperkt beschermd gebied en attentiegebied. Extra restricties met betrekking tot activiteiten en een bijbehorende meldings- of vergunningsplicht zijn er daardoor niet.
Gezien voorgaande zijn de reguliere voorwaarden vanuit de waterschapsverordening van toepassing en geeft dit geen extra belemmeringen met oog op het beoogd initiatief.
Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Omgevingswet
Het waterschap is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten en handelingen die mogelijk een nadelig effect hebben op het watersysteem, dit met als doel het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Deze zijn in de waterschapsverordening vastgelegd. Veel voorkomende werkzaamheden die onder voorwaarden kunnen worden toegestaan, reguleert het waterschap zoveel mogelijk via algemene regels. Hiermee worden tijdrovende en onnodige vergunningprocedures voorkomen. Deze zijn vastgelegd in de Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Omgevingswet.
In relatie tot de beoogde ontwikkeling is met name beleidsregel 13 ‘Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’ van belang.
Beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. In de beleidsregel wordt uitleg gegeven over hoe het waterschap omgaat met hemelwaterlozingen bij een toename van verhard oppervlak en afgekoppeld verhard oppervlak. Dergelijke ontwikkelingen kunnen ervoor zorgen dat het ontvangende watersysteem een extra hoeveelheid water (in een korter tijdsbestek) krijgt te verwerken. Dit kan vaker tot wateroverlast leiden waardoor het waterschap eisen stelt aan dergelijke ontwikkelingen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de inpassing van ontwikkelingen in het bestaande watersysteem moet daarom worden uitgegaan van de volgende principes:
- ‘voorkomen van afwentelen’: oplossingen op de ene plaats mogen niet leiden tot problemen elders;
- ‘stroomgebiedbenadering’: kijk niet alleen naar het lokale watersysteem maar beschouw het gehele (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling plaatsvindt;
- ‘trits’ vasthouden-bergen-afvoeren: zoveel mogelijk water vasthouden, vervolgens water bergen en tenslotte pas water afvoeren.
De verantwoordelijkheid voor het voorkomen van afwentelen van hemelwaterlozingen begint bij de grondeigenaar c.q. degene die verhard oppervlak aanlegt. De initiatiefnemer dient het hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel te houden. Pas als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan hij in overleg met gemeente en waterschap een oplossing zoeken. De gemeente stelt vanuit haar hemelwaterzorgplicht eisen aan de verwerking van hemelwater. Met deze Beleidsregel doet het waterschap dat ook.
Toetsingscriteria “Hydrologische uitgangspunten bij de regels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”:
- Bepalen omvang compensatie
De compensatieplicht is 600 m³ per hectare toename verhard oppervlak, tenzij uit het waterhuishoudkundig onderzoek blijkt dat minder compensatie nodig is. De benodigde capaciteit ligt tussen de kruinhoogte van de noodoverloopconstructie en de bodem van de voorziening. Indien de bodem van de voorziening lager ligt dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), dan geldt de GHG als ondergrens. Een vloeistofdichte berging mag wel (deels) onder de GHG liggen.
- Voorzieningen
- De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat infiltratie in de voorziening plaatsvindt, moet de voorziening binnen 5 dagen waarbinnen maximaal 2 mm hemelwater per etmaal is gevallen, leeggelopen zijn.
- Er moet een noodoverloopconstructie op de voorziening aanwezig zijn. Deze moet worden aangelegd conform de algemene regels in de waterschapsverordening voor lozingsconstructies.
- Versnelde afvoer
De uitgangspunten van hydrologisch neutraal ontwikkelen moeten altijd gevolgd worden. Afwijken van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen is mogelijk wanneer:
- met de versnelde afvoer een verdrogingsknelpunt wordt opgelost of verminderd;
- met de versnelde afvoer een waterkwaliteitsprobleem wordt opgelost of een ecologische doelstelling wordt gerealiseerd (bijvoorbeeld door doorstroming te creëren);
- de versnelde afvoer van verhard oppervlak deel uitmaakt van een gebiedsgerichte ontwikkeling waarbij binnen een groter gebied hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld;
- de versnelde afvoer het gevolg is van afkoppelen van verhard oppervlak;
- er sprake is van buitendijkse ontwikkelingen;
- er sprake is van een langlopende ruimtelijke ontwikkeling waarbij er een onevenredige eis ontstaat door vast te houden aan de uitgangspunten.
Voorwaarden hierbij zijn:
- de versnelde afvoer leidt niet tot overschrijding van normen voor wateroverlast (ook in benedenstroomse gebieden) zoals vastgelegd in de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant van provincie Noord-Brabant;
- de versnelde afvoer leidt niet tot aanvullende kosten voor inrichting, beheer of onderhoud voor derden of het waterschap.
Het Stedelijk Waterplan 2019-2023; Breda water bewust
Het Stedelijk Waterplan (SWP) is een goed planinstrument om mee te kunnen bewegen met de trends en ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Zo is er bijvoorbeeld sprake van meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en verandering in wetgeving. Naast het inspelen op nieuwe ontwikkelingen heeft de gemeente de taak om haar watertaken te blijven vervullen.
In het SWP brengt gemeente Breda met betrekking tot stedelijk water de opgave voor de komende planperiode in beeld en laat zij zien op welke wijze zij hier strategisch invulling aan geven. Daarnaast brengt de gemeente Breda in beeld hoe ze vanuit de zorgplicht riolering kan bijdragen aan gemeenschappelijke doelen. Vandaar dat de gemeente Breda het SWP noemt in plaats van het GRP (Gemeentelijk Rioleringsplan). Onder stedelijk water wordt de riolering, het grondwater, waterbergende voorzieningen en Bredase stadswateren verstaan.
De hemelwaterbeleidsregels voor wat betreft het verhard oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Breda zijn uitgewerkt in de “Beleidsregels Groen en Water 2023”.
Beleidsregels Groen en Water 2023
Voor relatief kleine ontwikkelingen is er beperkte flexibiliteit om hemelwater te bergen. Een waterbergingseis van 10-20 mm (10-20 liter per m2 verhard oppervlak) wordt praktisch goed haalbaar geacht. Uitgangspunt is een bergingsvoorziening met een infiltrerende werking, zodat het hemelwater de grondwatervoorraad aanvult. In het overgrote deel van het grondgebied van Breda is infiltratie van hemelwater goed haalbaar.
Voor de wat grotere ontwikkelingen is er voldoende flexibiliteit om hemelwater te bergen. Een waterbergingseis van 60 mm (60 liter per m2 verhard oppervlak) wordt praktisch goed haalbaar geacht. Uitgangspunt is een bergingsvoorziening met een infiltrerende werking, zodat het hemelwater de grondwatervoorraad aanvult. In het overgrote deel van het grondgebied van Breda is infiltratie van hemelwater goed haalbaar.
In de kwetsbare gebieden wateroverlast zit er echter geen rek meer in het bestaande rioleringssysteem. Om deze reden wordt een dusdanig hoge waterbergingsnorm gehanteerd (78 en 94 mm), dat slechts in uitzonderlijke situaties nog afvoer van hemelwater plaatsvindt. Het bestaande systeem, wat al onder druk staat, wordt hiermee niet nog verder belast.
Bij grote ontwikkelingen met een toename van verhard oppervlak is er een groot potentieel om water en groen te combineren en hiermee naast het beperken van de kans op wateroverlast ook een bijdrage te leveren aan het tegengaan van hittestress en droogtebestrijding. Dit vereist dat de waterberging zichtbaar, en dus bovengronds wordt aangebracht. Neerslag dient zodanig te worden verwerkt dat het risico op schade aan huizen en vitale infrastructuur beperkt is. Het hemelwaterbeleid van waterschap Brabantse Delta is gericht op het beperken van versnelde afvoer naar het oppervlaktewater, om zo de norm voor regionale wateroverlast te halen.
4.1.2 Waterhuishouding plangebied
In deze paragraaf worden de relevante waterhuishoudkundige systemen ter plaatse van het projectgebied belicht welke van belang zijn voor de compensatieopgave en uitwerking daarvan. Aangezien er geen geohydrologisch onderzoek is verricht is er gebruik gemaakt van de beschikbare algemene digitale gegevens, waaronder die van bodemdata.nl, klimaateffectatlas.nl en dinoloket.nl.
Bodemopbouw en geohydrologie
Uit de beschikbare digitale data volgt dat de algemene bodemopbouw van de gronden ter plaatse lijkt te bestaan uit beekeerdgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand. De gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt geschat op 1,5 meter minus het maaiveld. Daarnaast blijkt uit de kaarten dat er in het gebied ter plaatse sprake kan zijn van kwel.
Oppervlaktewater en riolering
Aan de randen van het projectgebied is een c-watergang (buiten beschermd gebied) gelegen. Met betrekking tot de riolering kan gesteld worden dat aan de Heusdenhoutseweg een gemengde riolering voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater aanwezig is.
Het hemelwater wat valt op de erfverharding en rieten daken van het Koesthuis en Vlaamse schuur vloeit af richting de aangrenzende onbebouwde gronden en de aangrenzende c-watergang. Het hemelwater dat valt op het dak van het hoofd- en achterhuis wordt tevens afgevoerd op de aangrenzende c-watergang. Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd op de gemeentelijke gemengde riolering.
4.1.3 Waterberging
Voor de beoogde ontwikkeling, te weten het toevoegen van drie wooneenheden met behoud van de bestaande gebouwen en aansluitend terrein (met hooguit kleine ingrepen zoals een kleine verbouwing of herbestrating van het terrein), wordt geen wateropgave opgelegd. Wel wordt er een nieuwe berging gerealiseerd (max. 100 m²) en wordt de mogelijkheid geboden om de woning in het achterhuis met een stramien uit te breiden (max. 60 m²).
Overeenkomstig het beleid van de gemeente Breda wordt bij een relatief kleinschalige ontwikkeling een bergingseis van 10-20 mm per m² verhard oppervlak opgelegd. Met oog op de uitbreiding van in totaal 160 m² dient er daarom 1,6 à 3,2 m³ waterberging gerealiseerd te worden. Vanuit het waterschap geldt er geen verplichting voor het aanleggen van een bergingsvoorziening, daar de ontwikkeling niet gepaard gaat met een toename van 500 m² verharding of meer met versnelde afvoer van hemelwater op een oppervlaktewater. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
In de groene zones van het terrein is voldoende ruimte om de maximaal benodigde 3 m³ aan waterberging te realiseren. Dit door middel van bijvoorbeeld een verlaging of wadi in de gezamenlijke tuin waar het kan infiltreren en met een overstort op de aangrenzende c-watergang. Er wordt hierdoor geen extra hemelwater afgevoerd op de gemeentelijke riolering.
4.1.4 Conclusie
Gezien voorgaande komen er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect water in het geding.
4.2 Verkeer en parkeren
Een ruimtelijke ontwikkeling dient gepaard te gaan met een goede afwikkeling van het verkeer en voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein.
4.2.1 Verkeer
Voor het bepalen van de (toename van de) verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’.
Verkeersgeneratie toekomstige situatie
| | | | | Totaal bewegingen per etmaal |
| | | | | |
Het project gaat gepaard met een zeer beperkte toename van 26 verkeersbewegingen (34,4 – 8,6) per etmaal. Deze toename is dermate laag dat de verkeersgeneratie kan worden opgenomen in de bestaande wegcapaciteit van de Heusdenhoutseweg en van de aangrenzende wegen Draaiboom, Weilustlaan en Heerbaan. Bovendien zal de toename van de verkeersgeneratie ook direct opgaan in het heersend verkeersbeeld van de Draaiboom of Weilustlaan, daar de bijdrage van de verkeersgeneratie op voornoemde wegen minder dan 5% van het reeds aanwezig verkeer bedraagt.
4.2.2 Parkeren
De parkeernormen van gemeente Breda gelden als uitgangspunt voor het bepalen van de parkeerbehoefte. Gemeente Breda heeft hiervoor de ‘Nota Parkeernormen Breda 2021’, vastgesteld op 10 juni 2021.
Parkeerbehoefte toekomstige situatie
| | | | |
Grondgebonden woning > 90 m² bvo | | | | |
Gezien voorgaande is er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake van een parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen.
Overzicht en afmetingen bestaande parkeerplaats voorzijde erf
Gesteld kan worden dat er op het eigen terrein voldoende ruimte aanwezig is om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien, namelijk ter plaatse van de bestaande parkeerplaats/erfverharding aan de voorzijde van de woningen. De parkeerplaats heeft afmetingen van circa 25 x 6 meter (netto), waarop 10 auto’s geparkeerd kunnen worden.
Voor fietsparkeren geldt een norm van 4,2 per grondgebonden woning. Voor iedere woning is voldoende bergruimte aanwezig (zoals in de bestaande bouwvolumes en in de nieuwe berging van max. 100 m²) om dit aantal fietsen te kunnen stallen.
4.2.3 Conclusie
Gezien voorgaande zijn met oog op de beoogde ontwikkeling geen belangen in het geding voor wat betreft het aspect verkeer en parkeren.
4.3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
4.3.1 Wettelijk kader
De bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed is openomen in § 5.1.5 van het Bkl. In deze paragraaf worden onder andere de kust(lijn) en de PKB-Waddenzee en Waddengebied beschermd tegen activiteiten die de landschappelijke kernkwaliteiten en kenmerken van het cultureel erfgoed ongewenst kunnen beïnvloeden (§ 5.1.5.2 en § 5.1.5.3, de ontwikkeling is niet binnen het invloedsgebied gelegen). Tevens worden instructieregels gegeven met oog op de toepassing van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (§ 5.1.5.4, ladder duurzame verstedelijking, zie rijksbeleid hoofdstuk 3). Ook zijn in deze paragraaf instructieregels opgenomen om rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (§ 5.1.5.5).
Cultureel erfgoed
Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Bkl. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om:
- monumenten zoals (bouw)werken
- tuinen en parken
- bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten
- stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen
Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed van de gemeente en provincie moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen.
4.3.2 Toetsing
Cultuurhistorie en (rijks)monumenten
De locatie ter plaatse is aangewezen als rijksmonument (Huis Weilust), zoals ook blijkt uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Breda.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Breda
Huis Weilust kent in totaal vier rijksmonumentale onderdelen, waaronder:
1. Huis
Het huis Weilust, grotendeels in 1787 tot stand gekomen, is van algemeen belang vanwege:
- bouwtype, als voorbeeld van een tot buitenplaats geëvolueerde boerderij;
- architectuurhistorie, vanwege de sobere, maar verzorgde architectuur;
- kunst- en bouwhistorie, vanwege de gave inwendige structuur, balklagen, kappen en bijzondere onderdelen zoals de beschilderde wandbespanningen met - op de landelijke functie en ligging geënte - landelijke taferelen;
- gaafheid van in- en exterieur en allerlei losse onderdelen;
- zeldzaamheid van zulke buitenhuizen inclusief beschilderde 'herenkamer';
- de functionele, historische en visuele samenhang met de andere onderdelen van de buitenplaats.
2. Parkaanleg
De parkaanleg van Weilust is van algemeen belang vanwege:
- het type bescheiden, uit een boerderij met herenkamer ontstane buitenplaats, zonder spectaculaire aanleg maar juist daarom zeer typerend voor de ontwikkeling van de Nederlandse buitenplaats vanwege het samengaan van vermaak en landbouw; als zodanig ook zeer zeldzaam;
- de tuinhistorische waarde van de verschillende onderdelen (oprijlaan met bomen en toegangshek, wandeling met bosschage en heuvel, fruitbomen en de gracht); de diverse, op de verschillende functies afgestemde beplanting; vooral de gracht vertegenwoordigt als waarschijnlijk oudste onderdeel een extra belang vanwege de ouderdom en de zeldzaamheid;
- de schoonheid van het geheel, waarvan niet alleen de groene elementen onderdeel uitmaken maar tevens de drie monumentale gebouwen: huis, Vlaamse schuur en tweede schuur; het geheel van parkaanleg en gebouwen vormt een functionele, historische en visuele eenheid.
3. Vlaamse schuur
De omstreeks 1800 gebouwde Vlaamse schuur van Weilust is van algemeen belang vanwege:
- het bouwtype Vlaamse schuur;
- de gave uit- en inwendige verschijningsvorm inclusief de kenmerkende constructie;
- de functionele, historische en visuele samenhang met de andere onderdelen van de buitenplaats.
4. Schuur
De waarschijnlijk achttiende-eeuwse, maar later op onderdelen gewijzigde schuur van Weilust is van algemeen belang vanwege:
- de in hoofdzaak gave in- en uitwendige verschijningsvorm;
- de waarde van constructieonderdelen vanwege ouderdom en bouwhistorie;
- de functionele, historische en visuele samenhang met de andere onderdelen van de buitenplaats.
Er zullen met de beoogde ontwikkeling vooralsnog geen significante fysieke veranderingen op het terrein of aan de gebouwen gaan plaatsvinden. Wel wordt er een bijpassende, gezamenlijke schuur gerealiseerd en wordt de mogelijkheid geboden om het achterhuis met een stramien uit te breiden. Bij deze, en eventuele (ver)bouw- en/of aanlegactiviteiten, zal een aanvraag omgevingsvergunning gedaan moeten worden welke tevens getoetst wordt door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en deze dient goed te keuren. Hierin het samenhangend geheel van de buitenplaats een belangrijk aspect. De rijksmonumentale status blijft onvoorwaardelijk van toepassing, waardoor de gewaardeerde onderdelen in voldoende mate beschermd blijven en niet verloren zullen gaan.
Archeologie
Voor wat betreft archeologie kan gesteld worden dat het projectgebied op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde kent.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Breda
Bij bodemingrepen vanaf 100 m² en dieper dan 30 cm wordt archeologisch onderzoek verplicht gesteld. Met de beoogde ontwikkeling zullen slechts oppervlakkige ingrepen plaatsvinden ten gevolge van eventuele verbouwactiviteiten en herbestrating. De toekomstig te bouwen schuur zal niet groter zijn dan max. 100 m² aan omvang, de mogelijke uitbreiding van het stramien aan de achterwoning max. 60 m², waarbij de oppervlakte van bodemroerende werkzaamheden ten gevolge van een stroken- of poerfundering zeer beperkt zullen zijn (niet meer dan 100 m² over een diepte van 30 cm beneden maaiveld). Derhalve zullen de betreffende restricties niet worden overschreden en wordt archeologisch onderzoek vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Het archeologisch beleid blijft onverminderd van toepassing ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem bij eventuele toekomstige ontwikkelingen.
4.3.3 Conclusie
Gezien voorgaande komen er met de beoogde ontwikkeling geen landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed in het geding.
4.4 Bodemkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze voor de realisatie van de nieuwe woningen rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
4.4.1 Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl.
4.4.2 Toetsing
Tritium Advies heeft in opdracht van initiatiefnemer een (historisch) vooronderzoek uitgevoerd (kenmerk 2500730MBE-01, d.d. 15 mei 2025). Uit het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie als “onverdacht” kan worden beschouwd op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
4.4.3 Conclusie
De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. De volledige rapportage is separaat als bijlage aan de aanvraag toegevoegd.
4.5 Omgevingsveiligheid
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij sprake is van het toevoegen van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties, dient rekening gehouden te worden met de plaatsgebonden risico’s en de aandachtsgebieden van aanwezige risicobronnen om de gevolgen van een brand, ramp of crisis zoveel mogelijk te beperken.
4.5.1 Wettelijk kader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
- activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
- het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
- buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
- windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. In artikel 5.7 van het Bkl is bepaald dat kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet binnen de PR 10-6 contour van een activiteit mogen worden gerealiseerd. Dit is een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties betreft dit een standaardwaarde, waarvan (mits goed gemotiveerd) kan worden afgeweken.
Aandachtsgebieden
Een aandachtsgebied is een gebied waar mensen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een brand, explosie of gifwolk die van buitenaf komt. De brand, explosie of gifwolk is hierbij veroorzaakt door een ongewone gebeurtenis met vervoer van gevaarlijke stoffen. Er is een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied.
Overeenkomstig artikel 5.15 van het Bkl dient binnen de aandachtsgebieden rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn slechts toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen ter bescherming van personen in deze gebouwen / locaties, of als het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen / locaties beperkt is.
Maatregelen die ingezet kunnen worden om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden zijn:
- afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied
- aanvullende risicocommunicatie
- beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron
- vlucht- en schuilmogelijkheden
- omgevingsmaatregelen
- aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied.
In het omgevingsplan kunnen gemeenten (brand- of explosie)aandachtsgebieden aanwijzen als zogeheten voorschriftengebied. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aangezien het omgevingsplan van de gemeente bestaat uit tijdelijke onderdelen en er nog geen voorschriftengebied is vastgesteld, is artikel 12.27c Bkl van toepassing. Daarbij kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat de locatie een brand- of explosievoorschriftengebied is als met de vergunning beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen toelaat. Bij het toelaten van zeer kwetsbare gebouwen binnen een brand- of explosieaandachtsgebied is dit een verplichting.
4.5.2 Toetsing
Voor de toetsing zijn de gegevens vanuit de Atlas Leefomgeving gebruikt, welke hierna wordt weergegeven.
Uitsnede kaart Externe Veiligheid Atlas Leefomgeving
Uit de kaart blijkt dat het projectgebied niet is gelegen ter plaatse van een plaatsgebonden risicocontour. Wel blijkt dat het projectgebied voor een klein gedeelte is gelegen binnen het explosieaandachtsgebied van het LPG-tankstation BP Heerbaan.
Gesteld kan worden dat het gedeelte wat binnen het aandachtsgebied is gelegen momenteel al in gebruik is als woning, en dat de bestaande woning hier aanwezig blijft. De nieuwe woningen worden voor het overgrote deel gerealiseerd buiten het explosieaandachtsgebied. Slechts één nieuwe woning, welke aan de bestaande woning wordt gerealiseerd, zal voor een klein gedeelte binnen het aandachtsgebied worden gesitueerd. Er is ook geen sprake van de realisatie van zeer kwetsbare objecten met de huisvesting van verminderd zelfredzame personen, wat binnen het aandachtsgebied niet is toegestaan. Het groepsrisico zal hierdoor niet significant toenemen.
Waar mogelijk kunnen passende maatregelen getroffen worden ter bescherming van de personen binnen deze woning bij het ontstaan van een explosie. Bij een explosie is bescherming nodig tegen de vrijkomende drukgolf (impuls) en de scherfwerking. Eventueel aanwezige bescherming kan falen doordat de plek waar mensen zich bevinden, bezwijkt of doordat er vliegvuil (scherven) binnendringt.
Daarnaast zijn er voldoende vluchtroutes van de bron af (in noordelijke richting) gesitueerd welke gebruikt kunnen worden bij een ongeval bij het tankstation. Waar mogelijk kan elders op het terrein worden geschuild en zal bij een zwaar ongeval worden gealarmeerd via NL-alert en luchtalarm. Waar noodzakelijk kan bij de verbouwactiviteiten rekening worden gehouden met extra maatregelen als hiervoor geschikte beglazing of constructiedelen om de gevolgen bij een explosie zoveel mogelijk te beperken.
Het bevoegd gezag zal met oog op de verantwoording van de groepsrisico’s advies inwinnen bij de veiligheidsregio, waar noodzakelijk en/of gewenst zullen verdere maatregelen worden toegepast.
4.5.3 Conclusie
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid komen er met oog op de beoogde ontwikkeling geen belangen in het geding, ervan uitgaande dat afdoende beschermende maatregelen zijn toegepast.
4.6 Milieuzonering
4.6.1 Inleiding
Bij de realisatie van gevoelige functies dient rekening te worden gehouden met omliggende functies c.q. bedrijven met milieuactiviteiten. Deze bedrijven mogen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Andersom dient ter plaatse van de gevoelige functies een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd.
Onder de Omgevingswet zijn milieu en ruimte volledig geïntegreerd en is het noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. Onderhavige paragraaf milieuzonering voorziet in de beoordeling op hoofdlijnen in hoeverre er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dit met oog op scheiding van de te realiseren gevoelige functies ten opzichte van de omliggende bedrijfsfuncties.
Aangezien milieu en ruimte in de geldende omgevingsplannen nog niet op elkaar zijn afgestemd, kan de VNG-uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’, nog niet adequaat worden toegepast als handreiking. Bovendien is deze handreiking, in tegenstelling tot de huidige systematiek, voornamelijk toepasbaar voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen (zonder geluidproductieplafonds), andere werkterreinen of – locaties en gemengde gebieden met wonen. Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in de realisatie van nieuwe woningen. Gezien voorgaande wordt gebruik gemaakt van de huidige VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009” (verder: VNG-uitgave). Deze geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend.
4.6.2 Toetsing
In de VNG-uitgave zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in verschillende typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Gesteld worden dat er vanwege de ligging in een woonomgeving met sporadisch afwijkende (bedrijfs)functies sprake is van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Uitsnede verbeelding omgevingsplan met functies (projectlocatie ter plaatse van paarse druppel)
In de omgeving van de projectlocatie zijn slechts een aantal locaties gelegen waar milieurelevante activiteiten kunnen plaatsvinden, waaronder:
- Heerbaan 190/190A (bedrijf met verkoop LPG, milieucategorie 1 en 2 en 4.1 met grootste richtafstand van 200 meter voor aspect gevaar, overige aspecten grootste richtafstand 30 meter)
- Kemelstede 2/4 (kantoor, milieucategorie 1 met grootste richtafstand 10 meter)
- Heerbaan ong. (kantoor, milieucategorie 1 met grootste richtafstand 10 meter)
- Draaiboom 12 (maatschappelijk, milieucategorie 1 en 2 met grootste richtafstand 30 meter)
- Draaiboom 19 / Wilderen 2 (maatschappelijk, milieucategorie 1 en 2 met grootste richtafstand 30 meter)
De dichtstbijzijnde locaties zijn gelegen op een afstand van circa 130 meter tot de dichtstbijzijnde woningen, waardoor de richtafstanden ruimschoots worden gehaald. Enkel de richtafstand van 200 meter voor het aspect gevaar als gevolg van de 4.1 bedrijfsactiviteit van het LPG-tankstation aan de Heerbaan 190/190A wordt niet gehaald. Hierbij kan gesteld worden dat er in alle windrichtingen tussen de nieuw te projecteren woningen en de omliggende bedrijfslocaties reeds bestaande woningen dichterbij zijn gelegen welke maatgevend zijn in de milieuruimte van de betreffende bedrijvigheid. In de voorgaande paragraaf is verder ingegaan op het aspect omgevingsveiligheid.
4.6.3 Conclusie
Gezien voorgaande kan gesteld worden dat er sprake is van een verantwoorde scheiding van functies, dat de omliggende functies niet belemmerd worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden en dat er ter plaatse van de woningen sprake zal zijn van een verantwoord woon- en leefklimaat.
4.7 Geluidhinder
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de realisatie van de woningen rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.).
4.7.1 Wettelijk kader
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:
- het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
- het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
- het bevorderen van bronmaatregelen;
- het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
- het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidproductieplafonds
Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond het geluidsgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7.2 Toetsing
Met het plan wordt de ontwikkeling van geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt (woningen). Het projectgebied is niet gelegen binnen de geluidsaandachtsgebieden van spoorwegen, luchthavens, industrieterreinen of andere specifieke activiteiten. Voor wat betreft het geluidaandachtsgebied van wegen kan gesteld worden dat het projectgebied wél is gelegen binnen het geluidsaandachtsgebied.
Met oog op cumulatie van geluid en de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat kan gesteld worden dat er, behoudens de gemeente- en rijkswegen, geen andere geluidrelevante activiteiten in de omgeving zijn gelegen welke significante invloed kunnen hebben op het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen (zoals openbare parkeerplaatsen, bedrijfsinstallaties, etc.). Voor de volledigheid wordt tevens verwezen naar voorgaande paragraaf milieuzonering, waaruit blijkt dat er met een afstand van minimaal 130 meter tot aan de omliggende (bedrijfs)activiteiten ruimschoots voldaan wordt aan de grootste richtafstand voor geluid van 30 meter. Bij het toepassen van eventuele (klimaat)installaties voor de nieuwe woningen zullen deze geluidsarm worden aangeschaft en zodanig worden gepositioneerd, dat de geluidbelasting tot een minimum wordt beperkt en geen significante invloed heeft op het akoestisch woon- en leefklimaat van de woningen.
Daarom is een akoestisch onderzoek voor (enkel) het wegverkeerslawaai uitgevoerd door Tritium Advies (kenmerk 2500678JJA-01, 23 juli 2025), welke aan de bijlage is toegevoegd. Hieruit is gebleken dat
- voor de rijkswegen het geluid op de gevels van de woningen de standaardwaarde van 50 dB met maximaal 1 dB overschrijdt ter plaatse van de oostgevel van woning 4. De grenswaarde van 60 dB wordt nergens overschreden.
- voor de gemeentewegen het geluid op de gevels van de woningen de standaardwaarde van 53 dB met maximaal 9 dB overschrijdt. De grenswaarde van 70 dB wordt nergens overschreden.
- het gezamenlijk geluid bedraagt meer dan 53 dB, namelijk 62 dB.
Conform het geluidbeleid van de gemeente Breda moet er minimaal één geluidluwe gevel aanwezig zijn wanneer de standaardwaarde met meer dan 5 dB wordt overschreden. Deze geluidluwe gevel mag door geen van de afzonderlijke bronnen geluid belast zijn boven de standaardwaarde en er dient een verblijfsruimte te zijn gesitueerd welke is voorzien van een te openen raam. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor alle woningen geldt dat deze de beschikking hebben over ten minste één (noord)gevel waarvoor de geluidbelasting de standaardwaarde niet overschrijdt. Voor woning 2 geldt dat de noordgevel niet geluidluw is ter plaatse van de 1e verdieping maar wel ter plaatse van de begane grond en de 2e verdieping. Bij de indeling van de plattegronden dient er rekening mee te worden gehouden om verblijfsruimten met ten minste één te openen geveldeel aan de geluidluwe gevel(s) te situeren. In dat geval wordt voldaan aan de aanvullende eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid en is de gezondheid voldoende beschermd.
4.7.3 Conclusie
Gezien voorgaande komen er met oog op het aspect geluidhinder geen belangen in het geding als gevolg van onderhavige ontwikkeling. De hogere waarde ten gevolge van het gezamenlijke geluid alsmede de voorwaarde van een geluidluwe gevel zijn opgenomen in de regeling van het omgevingsplan.
4.8 Trillingen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect trillingen.
4.8.1 Wettelijk kader
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen, welke zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen (waaronder ook woningen). De instructieregels voor trillingen door activiteiten gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan, het op een locatie toelaten van een trillinggevoelig gebouw en het aanpassen daarvan of een combinatie van beide. Het gaat hierbij om activiteiten die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, in een frequentie van 1 tot 80 Hz.
Uitgezonderd van de instructieregels uit het Bkl zijn trillinggevoelige gebouwen op een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is ingesteld (artikel 5.79, lid 2, onder a, Bkl), de activiteit wonen, verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. In het kader van een ruimtelijke inpassing kunnen in deze situaties trillingen wel een onderdeel van de afweging uitmaken op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet (ETFAL).
4.8.2 Toetsing
Er is met het beoogde initiatief geen sprake van trillingrelevante activiteiten, daar het gaat om de toevoeging van 3 woonfuncties ter plaatse van bestaande gebouwen. De uiteindelijke verbouwactiviteiten zullen slechts beperkte trillingen opleveren, waarbij rekening gehouden wordt bij de bouwkundige staat van de monumentale bebouwing. Omliggende trillinggevoelige gebouwen zullen hier dan ook geen hinder van ondervinden. Voor trillingen vanuit een woonfunctie worden verder geen instructieregels gesteld. Met betrekking tot de milieubelastende activiteiten en het verkeer op weg- en spoorwegen in de omgeving van het projectgebied kan gesteld worden dat deze allen op aanzienlijke afstand tot de trillinggevoelige gebouwen op de projectlocatie zijn gelegen (bedrijfsactiviteiten op meer dan 130 meter, gemeenteweg op meer dan 50 meter en de rijksweg op meer dan 400 meter) en dat de tussenliggende zachte bodem eventuele trillingen op deze afstand in voldoende mate opvangen.
4.8.3 Conclusie
Gezien voorgaande komen er met oog op het aspect trillingen geen belangen in het geding als gevolg van onderhavige ontwikkeling.
4.9 Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
4.9.1 Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
- het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
- het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Ook binnen het thema luchtkwaliteit zijn er aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling.
In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
- bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
- bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
- bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
4.9.2 Toetsing
Op basis van artikel 5.54 van het Bkl valt onderhavig project voor de realisatie van 3 woningen onder een “standaardproject” welke niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Met oog op de beoordeling van het woon- en leefklimaat kan gesteld worden dat de luchtkwaliteitsnormen van de relevante stoffen, te weten NO2 (norm: 40 µg/m3), PM10 (norm: 40 µg/m3) en PM2,5 (norm 25 µg/m3), ter plaatse niet worden overschreden. De jaargemiddelde achtergrondconcentraties voor deze stoffen bedragen op basis van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) namelijk respectievelijk 14 µg/m3, 15 µg/m3 en 8 µg/m3. Deze concentraties voldoen tevens aan de strengere Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit waar in 2030 aan voldaan dient te worden (bedragen respectievelijk 20 µg/m3, 20 µg/m3 en 10 µg/m3). Deze aangescherpte grenswaarden sluiten beter aan bij de WHO-richtlijnen waar de gemeente naar streeft via het Schone Lucht Akkoord (SLA) en het “gevoelige groepen beleid”.
4.9.3 Conclusie
Met oog op het aspect luchtkwaliteit komen er als gevolg van onderhavige ontwikkeling geen belangen in het geding.
4.10 Geurhinder
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
4.10.1 Wettelijk kader
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan.
4.10.2 Toetsing
Voor wat betreft geurhinder kan gesteld worden dat er in de directe omgeving geen geurbelastende activiteiten plaatsvinden als gevolg van bedrijfsmatige of veehouderijactiviteiten. Uit de toetsing van de richtafstanden van milieuzonering blijkt dat de richtafstanden, welke onder andere betrekking hebben op het aspect geur, niet worden overschreden. Daarnaast zullen er altijd bestaande geurgevoelige objecten dichterbij de betreffende bedrijfslocaties zijn gelegen, waardoor deze ook maatgevend zullen zijn qua ontwikkelingsmogelijkheden.
4.10.3 Conclusie
Met oog op het aspect geur komen er als gevolg van onderhavige ontwikkeling geen belangen in het geding.
4.11 Ecologie
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect ecologie.
4.11.1 Wettelijk kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
- Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
- Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
- De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
- er soorten aanwezig zijn; en
- welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
4.11.2 Toetsing
Door Tritium Advies is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (kenmerk 2500692-01 d.d. 16 april 2025) en aan de bijlage toegevoegd. Een Quickscan flora en fauna is een verkennend onderzoek waarin de ecologische waarden van een plangebied worden nagegaan. Het doel ervan is te bepalen of de voorgenomen wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan ruimtelijke inrichting en aan ruimtelijke ingrepen te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde leefgebieden, op beschermde planten en of op beschermde diersoorten. Dit onderzoek voorziet in deze toetsing.
Uit de quickscan flora en fauna blijkt het volgende.
Stikstof
Er dient een stikstofberekening te worden gemaakt om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten.
Voor wat betreft het aspect stikstof in relatie tot de Natura 2000-gebieden is door Tritium Advies reeds een stikstofberekening uitgevoerd en aan de bijlage toegevoegd (kenmerk 2500692-02 d.d. 15 april 2025) waaruit is gebleken dat er ten gevolge van het project geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden.
Vleermuizen
Daarnaast is nader onderzoek naar gebouw- en boombewonende vleermuizen noodzakelijk indien de spouwmuren, het pannendak en de boomholtes met mogelijk geschikte verblijfsplaatsen welke zijn weergegeven op de navolgende afbeelding worden aangetast.
Kaart met geschikte verblijfsplaatsen voor vleermuizen.
De beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met de aantasting van de aangeduide spouwmuren, pannendak en boomholtes met mogelijk geschikte verblijfsplaatsen. Het hoofdgebouw met de bestaande woning en het achterhuis (zoals paars aangeduid) zijn in goede bouwkundige staat, reeds in gebruik als woonruimte en kunnen in de bestaande toestand behouden blijven. Ook de aangeduide schoorsteen van het Koetshuis, welke reeds in gebruik is als gastenverblijf en ook in goede bouwkundig staat verkeerd, kan onaangetast blijven. De bomen met geschikte boomholtes zullen tevens worden behouden. Indien de aangeduide potentiële verblijfsplaatsen in de toekomst alsnog zullen worden aangetast zullen hiertoe verdere acties worden genomen om een overtreding in het kader van de natuurwetgeving uit te sluiten (nader onderzoek en indien noodzakelijk een omgevingsvergunning en mitigerende maatregelen).
Alpenwater- en vinpootsalamander
Daarnaast is nader onderzoek naar de alpenwatersalamander en vinpootsalamander noodzakelijk indien het geschikte habitat welke is weergegeven op de navolgende afbeelding wordt aangetast.
Kaart met geschikte verblijfplaatsen en leefgebied voor de alpenwatersalamander en vinpootsalamander.
De beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met de aantasting van potentiële verblijfsplaatsen en leefgebied van de alpenwater- of vinpootsalamander. Bij de ontwikkeling zal de rijksmonumentale tuin behouden blijven en zullen de bestaande terrassen worden gebruikt ten behoeve van de tuin. Deze zijn buiten de aangeduide delen gelegen. Indien deze in de toekomst alsnog zullen worden aangetast zullen hiertoe verdere acties worden genomen om een overtreding in het kader van de natuurwetgeving uit te sluiten (nader onderzoek en indien noodzakelijk een omgevingsvergunning en mitigerende maatregelen).
Huismus
Daarnaast is nader onderzoek naar de huismus noodzakelijk indien het pannendak en de muren van het hoofdgebouw (heren- en achterhuis) zoals weergegeven op de navolgende afbeelding worden aangetast.
Kaart van locaties geschikt als mogelijk nestlocaties voor de huismus.
De beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met de aantasting van de aangeduide muren en pannendak met mogelijk geschikte verblijfsplaatsen. Zoals reeds aangegeven zijn het hoofdgebouw met de bestaande woning en het achterhuis in goede bouwkundige staat en reeds in gebruik als woonruimte. Deze zullen in de bestaande toestand behouden blijven. Indien de aangeduide potentiële verblijfsplaatsen in de toekomst alsnog zullen worden aangetast zullen hiertoe verdere acties worden genomen om een overtreding in het kader van de natuurwetgeving uit te sluiten (nader onderzoek en indien noodzakelijk een omgevingsvergunning en mitigerende maatregelen).
Zorgplicht en adviezen
De omschreven zorgplichten en adviezen ten aanzien van de vleermuizen, vogels en amfibieën worden in acht genomen zodat een overtreding van de geldende natuurwetgeving wordt voorkomen. Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.
4.11.3 Conclusie
Met betrekking tot de beschermde natuurwaarden komen er met de beoogde ontwikkeling geen belangen in het geding. Indien er in de toekomst alsnog potentiële verblijfsplaatsen zullen worden aangetast zullen hiertoe verdere acties worden genomen om een overtreding in het kader van de natuurwetgeving uit te sluiten, zoals de uitvoering van nader onderzoek en indien noodzakelijk een aanvraag omgevingsvergunning en de toepassing van mitigerende maatregelen.
4.12 Gezondheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het project rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid.
4.12.1 Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem.
4.12.2 Toetsing
De instructieregels van de relevante aspecten en de cumulatieve effecten zijn in de voorgaande paragrafen van hoofdstuk 4 reeds behandeld, evenals de omgevingsvisie, woonvisie en gezondheidsvisie van de gemeente Breda (zie paragraaf 3.4). Hieruit is gebleken dat er met het beoogde project geen belangen in het kader van een veilige en gezonde, fysieke leefomgeving in het geding komen. Er zijn bovendien geen bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.
4.12.3 Conclusie
Gezien voorgaande komen er met oog op de beoogde ontwikkeling geen belangen in het geding met betrekking tot het gezondheidsaspect.
4.13 M.e.r.-beoordeling
4.13.1 Wettelijk kader
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
De ontwikkeling van drie woningen valt overeenkomstig bijlage V onder de categorie ‘J – Infrastructuur en ruimte’, meer specifiek ‘J11 - Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (kolom 1). Er is geen sprake van een directe mer-plicht voor dergelijke projecten (kolom 2). Vanwege de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt er een mer-beoordelingsplicht.
Project-mer-beoordeling
Het bevoegd gezag dient het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op te nemen in het besluit. In de motivering van de beslissing wordt overeenkomstig artikel 11.11 lid 3 van het Omgevingsbesluit in ieder geval verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en eventueel voorgestelde kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, derde lid van het Omgevingsbesluit.
De relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn betreffen:
- de kenmerken van de projecten;
- de plaats van de projecten;
- de kenmerken van de potentiële effecten.
De kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Omgevingsbesluit betreffen:
- de kenmerken van het project, waaronder de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten en de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn;
- de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en
- voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is, de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
4.13.2 Toetsing
Plaats en kenmerken van het project
De projectlocatie is gelegen op een bestaand woon- en bouwperceel in het stedelijk gebied van Breda. De omgeving van de projectlocatie wordt gekenmerkt door voornamelijk een woonfunctie. De nieuw te realiseren woningen zijn beoogd in de bestaande rijksmonumentale gebouwen, waarbij geen extra claim op de ruimte hoeft te worden gelegd. De rijksmonumentale panden kunnen hierdoor duurzaam in stand worden gehouden en de locatie wordt weer courant gemaakt voor de woningmarkt. De locatie is verder niet gelegen binnen beschermde of milieugevoelige gebieden welke woningbouw onmogelijk maken.
Met oog op de plaats en kenmerken van het project is de ruimtelijke impact derhalve verwaarloosbaar.
Kenmerken van de milieueffecten
De kenmerken van de milieueffecten zijn reeds behandeld in voorgaande paragrafen. Hierna wordt een beknopt overzicht gegeven van de verschillende milieuaspecten en de bijbehorende effectenbeoordeling.
Waterbelangen
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de waterbelangen en de gevolgen voor het beheer van de watersystemen. Uit de paragraaf waterbelangen (4.1) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect water in het geding komen. Er zijn geen beschermingszones in het geding en er wordt toepassing gegeven aan hydrologisch neutraal ontwikkelen.
Verkeer en parkeren
Een ruimtelijke ontwikkeling dient gepaard te gaan met een goede afwikkeling van het verkeer en dient rekening te houden met het creëren van voldoende parkeergelegenheid. Uit de paragraaf verkeer en parkeren (4.2) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect verkeer en parkeren in het geding komen. Een goede verkeersafwikkeling is verzekerd alsmede voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein en in de aangrenzende openbare ruimte.
Archeologie en cultuurhistorie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de bescherming van eventueel aanwezige landschappelijke, stedenbouwkundige en/of cultureel erfgoed als cultuurhistorie en archeologie. Uit de paragraaf landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (4.3) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect archeologie en cultuurhistorie in het geding komen. Het projectgebied kent weliswaar bijzondere cultuurhistorische waarden (rijksmonumentaal Huis Weilust), echter worden deze met het toevoegen van de wooneenheden niet aangetast. De rijksmonumentale status blijft gehandhaafd. Met betrekking tot archeologie kan gesteld worden dat er geen relevante bodemingrepen plaatsvinden welke eventueel aanwezige archeologische waarden aan zullen tasten. De verplichting blijft vanuit het reeds geldende omgevingsplan gehandhaafd.
Bodemkwaliteit
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in afdoende mate verzekerd te zijn met oog op de beoogde functie en eventuele bodemingrepen. Uit de paragraaf bodemkwaliteit (4.4) en het uitgevoerde bodemonderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als “onverdacht” kan worden beschouwd op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
Omgevingsveiligheid
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de plaatsgebonden risico’s en de aandachtsgebieden van eventueel aanwezige risicobronnen en dienen de gevolgen van een brand, ramp of crisis zoveel mogelijk te worden beperkt. Uit de paragraaf omgevingsveiligheid (4.5) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect omgevingsveiligheid / externe veiligheid in het geding komen. De locatie is, behoudens een zeer beperkt gedeelte explosieaandachtsgebied, niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren of andere aandachtsgebieden van risicovolle bronnen. Met betrekking tot het explosieaandachtsgebied kan gesteld worden dat het groepsrisico niet onevenredig toeneemt en dat mogelijk maatregelen zijn te nemen om de veiligheid nog verder te vergroten.
Milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient aangetoond te worden dat er sprake is van een verantwoorde scheiding van functies en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de paragraaf bedrijven en milieuzonering (4.6) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect milieuzonering in het geding komen. De beoogde woningen worden op een verantwoorde afstand tot omliggende bedrijfsfuncties gerealiseerd, waarbij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen is verzekerd.
Geluid
Bij een ruimtelijke ontwikkeling mogen geen geluidsrelevante activiteiten gerealiseerd worden welke een onevenredig effect hebben op het geluidsniveau bij geluidgevoelige functies. Nieuwe geluidgevoelige functies dienen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van omliggende geluidsrelevante activiteiten. Uit de paragraaf geluid (4.7) en het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect geluid in het geding komen. Er zijn geen geluidsrelevante activiteiten als gevolg van het initiatief of in de omgeving. Bij het geluid afkomstig van wegen wordt de standaardwaarde weliswaar overschreden, echter niet de grenswaarden en het belang van een geluidluwe gevel kan bij de beoogde ontwikkeling worden toegepast. Een aanvaardbaar geluidniveau ter plaatse van de woningen is hiermee verzekerd.
Trillingen
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met trillingsrelevante activiteiten en mag er geen onevenredig hinder bij trillinggevoelige functies plaatsvinden. Uit de paragraaf trillingen (4.8) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect trillingen in het geding komen. Er zijn geen trillingsrelevante activiteiten op het projectgebied of in de omgeving aanwezig welke leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.
Luchtkwaliteit
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook dient er ter plaatse van gevoelige objecten sprake te zijn van een verantwoorde luchtkwaliteit. Uit de paragraaf luchtkwaliteit (4.9) is gebleken dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en dat de luchtkwaliteitsnormen ter plaatse van het projectgebied niet worden overschreden (en zelfs nagenoeg aansluiten bij de WHO-advieswaarden.
Geur
Bij een ruimtelijke ontwikkeling mogen geen geurrelevante activiteiten gerealiseerd worden welke een onaanvaardbaar geurniveau bij geurgevoelige functies tot gevolg heeft. Bij de realisatie van nieuwe geurgevoelige functies dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van geuremissies in de omgeving te zijn verzekerd. Uit de paragraaf geurhinder (4.10) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen belangen omtrent het aspect geur in het geding komen. Er zijn geen geurrelevante activiteiten als gevolg van het initiatief of in de omgeving.
Natuur en stikstof
Een ruimtelijke ontwikkeling mag geen significant negatieve effecten tot gevolg hebben met oog op de beschermde natuur ter plaatse. Uit de paragraaf natuur (4.11), de quickscan flora en fauna en de stikstofberekeningen blijkt dat er met het beoogd initiatief geen natuurbelangen in het geding komen. De geplande activiteiten hebben geen negatief effect hebben op beschermde leefgebieden, op beschermde planten en of op beschermde diersoorten en er is ten gevolge van het project geen sprake van een relevante stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden.
Gezondheid
Een ruimtelijke ontwikkeling dient voldoende rekening te houden met de bescherming van de gezondheid en het milieu. Uit de paragraaf gezondheid (4.12) en het gemeentelijke gezondheids- en woonbeleid (3.4) blijkt dat er met het beoogd initiatief geen nadelige effecten op het milieu en de (volks)gezondheid op zullen treden. Het woon- en leefmilieu ter plaatse sluit aan bij de gewenste woonkwaliteit.
4.13.3 Conclusie
Gelet op de locatie, kenmerken en effecten van het project is er geen sprake van aanzienlijke milieueffecten en is uit voorgaande toetsing gebleken dat de gevolgen van het project op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.