direct naar inhoud van Regels
Plan: Hoofdstuk 22j Klein Wolfslaar 25
Status: ontwerp
Plantype: TAM-omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0758.TAM2023225004-VG01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling voor de aanleg van een ecologiosche verbindingszone op de locatie Klein Wolfslaar 25 te Bavel en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk hoofdstuk [22j van het omgevingsplan van de gemeente Breda. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.


De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Breda. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22j' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22j' gelezen worden.


Hoofdstuk 1 inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Klein Wolfslaar 25 te Bavel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0758.TAM2023225004-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.


Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

3.1 plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Klein Wolfslaar 25 met identificatienummer NL.IMRO.0758.BP2023225004-ON01 van de gemeente Breda.

3.2 aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet-publieksaantrekkend zijn en die door een bewoner op kleine schaal in of bij een (bedrijfs)woning wordt uitgeoefend, waarbij de (bedrijfs) woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.

3.3 achtererfgebied

Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied.

3.4 archeologische waarden

Waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning of grondgebruik daarin, en die als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

3.5 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.6 bed & breakfast

Een voorziening gevestigd in een (bedrijfs)woning of een bijgebouw bij die woning en die gericht is op het bieden van de mogelijkheid tot een recreatief en veelal kortdurend nachtverblijf al dan niet met het serveren van ontbijt, waarbij de bedrijfsvoering wordt gerund door de bewoners van de desbetreffende woning.

3.7 begane grond

De bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau.

3.8 bestaande situatie (bebouwing en gebruik)
  • a. legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip verleende vergunning.
  • b. het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
3.9 bevoegd gezag

Het bestuursorgaan dat bevoegd is om ten aanzien van een verzoek een besluit te nemen of een handeling uit te voeren.

3.10 bijgebouw

Een al dan niet vrijstaand gebouw, dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

3.11 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.12 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.13 dak

Iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

3.14 dakhelling

De hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak.

3.15 daknok

Hoogste punt van een schuin dak.

3.16 dakopbouw

Een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van het gebouw, en ondergeschikt aan het gebouw.

3.17 grondgebonden woning

Woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de bouwlagen aansluit op het maaiveld.

3.18 headshop

Elke ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van benodigdheden ten behoeve van het gebruiken van psychotrope stoffen, of voor het gebruiken of bewerken van planten die psychotrope stoffen bevatten, aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met inbegrip van het uitstallen ten behoeve van verkoop en/of levering van deze benodigdheden.

3.19 hoofdgebouw

Gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

3.20 huishouden

Persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

3.21 huisvesting in verband met mantelzorg

Huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.

3.22 kamerverhuur

Het verschaffen van woonverblijf aan meer dan één huishouden, met dien verstande dat het verhuren van kamers zonder eigen voorzieningen, zoals een badkamer en keuken, aan maximaal twee personen, door een eigenaar (hospita) die in dezelfde woning woont niet als kamerverhuur wordt aangemerkt.

3.23 kap

De volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw met een dakhelling van minimaal 15° en maximaal 75°.

3.24 kwaliteitsverbetering van het landschap

De in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling uit te voeren aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorie en/of een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de extensieve recreatieve mogelijkheden in het plangebied, een en ander overeenkomstig de Landschapsinvesteringsregeling Breda en wijzigingen daarvan.

3.25 landschapswaarden

De aan een gebied toegekende waarde in visueel-ruimtelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of geomorfologisch opzicht.

3.26 mantelzorg

Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

3.27 nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, openbare sanitaire voorzieningen, collectieve energievoorzieningen (o.a. warmtepompen) en apparatuur voor telecommunicatie.

3.28 overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak.

3.29 prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

3.30 ruimtelijke kwaliteit

Kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.

3.31 seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch/ pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

3.32 smartshop

Elke ruimte voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van synthetische of organische psychotrope stoffen of planten die psychotrope stoffen bevatten, aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met inbegrip van het uitstallen ten behoeve van verkoop en/of levering van deze stoffen.

3.33 straatpeil

Voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst, de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang, voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

3.34 voorgevel

De naar de weg of aan het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

3.35 voorgevelrooilijn
  • a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  • b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a. bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
3.36 voormalige agrarische bedrijfslocatie

Een agrarisch of niet-agrarisch bouwvlak waarop in het verleden een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend, en waarvan de bedrijfsgebouwen nog geheel of gedeeltelijk bestaan.

3.37 vrijstaande woning

Een woning waarvan het hoofdgebouw losstaat van de zijdelingse bouwperceelgrenzen.

3.38 waterbergingsvoorziening

Bovengrondse en/of ondergrondse voorzieningen ten behoeve van de berging en infiltratie van hemelwater in de bodem, zoals wadi’s, verlaging in het groen, waterbergende verharding, waterberging op het dak, grindkoffers, infiltratiekratten en/of het aanbrengen of vergroten van (bestaande) greppels, (zak)sloten, watergangen en vijvers.

3.39 wonen

Het voeren van een huishouden in een woning.

3.40 woning

Een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 4 meet- en rekenbepalingen

4.1 afstand tot de (zijdelingse) bouwperceelsgrens

De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens van het bouwperceel.

4.2 bebouwd oppervlak van een bouwperceel

De oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.

4.3 bebouwingspercentage

Het deel van het bouwperceel uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden.

4.4 bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, en met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.5 dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.6 diepte van een gebouw

De lengte van een gebouw gemeten loodrecht vanaf de voorgevel, dan wel vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd.

4.7 goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat voor de meest voorkomende dakvormen in onderstaande afbeelding is aangegeven waar de goothoogte wordt bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.0758.TAM2023225004-VG01_0007.png"

4.8 Hoogte van een dakopbouw

Vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw.

4.9 Hoogte van een kap

Vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap.

4.10 Hoogte van een windturbine

Vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

4.11 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.12 Lessenaarsdak

In afwijking van het bepaalde in de leden 4.4 en 4.7 bij een gebouw met een lessenaarsdak wordt het hoogste punt van het dak aangemerkt als bouwhoogte en het laagste punt van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel als goothoogte.

4.13 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken en dergelijke buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.

4.14 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.15 Peil
  • Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
  • Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende maaiveld.
  • Indien in of op het water wordt gebouwd: het ter plaatse geldende peil ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP).
  • Indien op of langs een spoorlijn wordt gebouwd: de bovenkant van de spoorstaaf.

Artikel 5 algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functie dan wel toegestane gebruiksactiviteiten.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk 22j.

Hoofdstuk 2 regels voor functies en activiteiten

Artikel 7 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

7.1 functieomschrijving

In het voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening die is afgestemd op behoud van landschappelijke en natuurlijke waarden in samenhang met de waterhuishouding met dien verstande dat intensieve veehouderijen, overige veehouderijen en glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden;
  • c. water;
  • d. extensief recreatief medegebruik.
7.2 Beoordelingsregels
7.2.1 algemeen

De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.2.2 bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn enkel toegestaan in de vorm van voorzieningen voor het extensief recreatief medegebruik (zoals zitgelegenheden) en mogen niet hoger zijn dan 1,50 meter hoog.

7.2.3 Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is het bepaalde in 18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhheden van toepassing.

Artikel 8 Natuur

8.1 functieomschrijving

In het voor 'Natuur' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. de duurzame instandhouding van natuurgebieden;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden;
  • c. behoud of versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;
  • d. ter plaatse van de aanduidingen 'wro-zone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen', 'wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone' tevens daarvoor;
  • e. extensief recreatief medegebruik.
8.2 Beoordelingsregels
8.2.1 algemeen

De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.2.2 bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn enkel toegestaan in de vorm van voorzieningen voor het extensief recreatief medegebruik (zoals zitgelegenheden) en mogen niet hoger zijn dan 1,50 meter hoog.

8.2.3 Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is het bepaalde in 18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhheden van toepassing.

Artikel 9 Wonen

9.1 functieomschrijving

Ter plaatse van 'Wonen' zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen;
  • b. een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  • c. kamerverhuur niet is toegestaan waarbij toepassing van de hospitaregeling niet als kamerverhuur wordt aangemerkt.
    met daaraan ondergeschikt:
  • d. in- en uitritten;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. parkeren;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

 

9.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
9.2.1 algemeen
  • a. Enkel ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mag per bouwvlak maximaal één woning aanwezig zijn c.q. worden gebouwd;
  • b. de woning mag worden gebouwd, verbouwd, uitgebreid en vervangen met dien verstande dat de inhoud van de woning, de bebouwing onder peil niet meegerekend, nooit meer zal mogen bedragen dan 750 m³ met uitzondering van:
    1. boerderijen met geïntegreerde bedrijfsruimte waarvan de inhoud gelijk mag zijn aan het bestaande bouwvolume onder de voorwaarde dat de boerderij in zijn oorspronkelijke karakter wordt gehandhaafd of;
    2. bestaande woningen met een grotere inhoud, daarbij mag de legaal afwijkende maatvoering te allen tijde worden gehandhaafd en vernieuwd.
  • c. de goothoogte mag niet meer dan 6 meter en de bouwhoogte niet meer dan 9 meter bedragen;
  • d. bijgebouwen zowel vrijstaand als aangebouwd mogen worden opgericht zowel binnen als buiten het bouwvlak met dien verstande dat het gezamenlijke grondoppervlak maximaal 100 m² bedraagt en de goothoogte maximaal 3 meter en bouwhoogte maximaal 5 meter mag bedragen, met uitzondering van bestaande bijgebouwen met een grotere oppervlakte, daarbij mag de legaal afwijkende maatvoering te allen tijde worden gehandhaafd en vernieuwd;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gerealiseerd met een maximaal bouwhoogte van 6 meter met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter mag bedragen
  • f.
     
9.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen
9.3.1 Specifieke beoordelingsregels voor de splitsing van een woning of de verbouw van een bijgebouw tot extra woning

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2 voor de splitsing van een woning of verbouw van een bijgebouw tot een extra woning, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • g. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de 'Beleidsregels Groen en Water 2023' en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • h. dit slechts mogelijk is voor bebouwing die is aangewezen als rijksmonument of gemeentelijke monument;
  • i. binnen het bestemmingsvlak mogen uiteindelijk maximaal twee woningen aanwezig zijn;
  • j. de splitsing mag niet leiden tot vergroting van de bestaande inhoud van de bebouwing;
  • k. het cultuurhistorische c.q. monumentale karakter van de bebouwing moet behouden blijven dan wel hersteld worden;
  • l. er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woonmilieu met dien verstande dat de splitsing niet binnen de hindercirkels van een aangrenzend bedrijf mag plaatsvinden;
  • m. bestaande agrarische bedrijven in de naaste omgeving mogen hierdoor in hun bedrijfsvoering niet extra worden belemmerd;
  • n. bebouwing die reeds op basis van een soortgelijke regeling is gesplitst mag niet nogmaals op basis van deze afwijkingsbevoegdheid worden gesplitst en/of verbouwd ten behoeve van een extra woning.
9.3.2 Specifieke beoordelingsregels voor het toestaan en inrichten van een verblijfsrecreatieve voorziening in een woning of een bijgebouw bij een woning in de vorm van een bed en breakfast voor maximaal 10 personen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2 voor het toestaan en inrichten van een verblijfgsrecreatieve voorziening in een woning of een bijgebouw bij een woning in de vorm van een bed en breakfast voor maximaal 10 personen, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • a. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de 'Beleidsregels Groen en Water 2023' en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • b. maximaal 200 m² bebouwing mag voor deze functie worden gebruikt;
  • c. de woning of het bijgebouw ten behoeve van deze functie mag niet worden uitgebreid, tenzij het maximaal toegestane bouwvolume nog niet is benut;
  • d. de (agrarische) bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet worden beperkt;
  • e. de te ontwikkelen activiteiten mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt;
  • f. er geldt een sloopverplichting ten aanzien van de niet cultuurhistorisch waardevolle c.q. monumentale bijgebouwen, welke verplichting inhoudt dat er maximaal 500 m² aan bijgebouwen aanwezig mogen blijven.
9.3.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte in het kader van mantelzorg

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2 voor het bouwen van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte in het kader van mantelzorg, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • a. maximaal 75 m² mag hiervoor worden opgericht;
  • b. het te bouwen bijgebouw vormt een ruimtelijke eenheid met de woning;
  • c. er mag geen strijd ontstaan met milieuregelgeving op het gebied van geluid en geur en er mag geen belemmering optreden voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven;
  • d. zodra de noodzaak van mantelzorg is komen te vervallen moet het gebruik van het bijgebouw als afhankelijke woonruimte worden beëindigd;
9.3.4 Specifieke beoordelingsregels voor het de bouw van tijdelijke bouwwerken voor de bouw van carnavalswagens

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2 voor het realiseren van tijdelijke bouwwerken voor de bouw van carnavalswagens, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • a. deze moet worden geplaatst ter plaatse van de aanduiding 'bestemmingsvlak' of binnen een straal van 30 meter aansluitend hieraan;
  • b. deze geen grotere hoogte hebben dan 10 meter;
  • c. deze geen grotere oppervlakte hebben dan 400 m2;
  • d. deze maximaal gedurende 6 maanden per jaar mogen worden geplaatst en na afloop van die termijn dienen te worden verwijderd. 
9.3.5 Specifieke beoordelingsregels voor het verplaatsen van de woning buiten bouwvlak

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.2 voor het verplaatsen van een woning buiten het bouwvlak, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • a. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de 'Beleidsregels Groen en Water 2023' en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • b. dit geschiedt binnen het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak voor die woning;
  • c. dit wordt ingegeven vanuit milieuhygiënische overwegingen.

9.4 specifieke gebruiksregels
9.4.1 voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het gebruiken van de gronden en bebouwing is uitsluitend toegestaan indien de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen binnen 2 jaar worden uitgevoerd conform het in Bijlage 22j.1 opgenomen landschappelijke inpassingsplan.

9.5 Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteit
9.5.1 Specifieke beoordelingsregels voor het gebruik van een bijgebouw voor een aan huis verbonden beroep

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in xx.1 voor het gebruik van een bijgebouw voor een aan huis verbonden beroep, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • d. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de 'Beleidsregels Groen en Water 2023' en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • e. de voor deze functie te gebruiken oppervlakte niet meer bedraagt dan 75 m2 tenzij een groter aantal m² aan bijgebouwen aanwezig is dan de maximaal toegestane 100 m2 in welk geval 10 % van het meerdere tevens voor het aan huis gebonden beroep mag worden aangewend;
  • f. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen, zoals de aanleg van extra parkeerruimte, noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt.
9.5.2 Specifieke beoordelingsregels voor het toestaan van statische opslag in bestaande bijgebouwen tot 1.000 m2

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in xx.1 voor het toestaan van statische opslag in bestaande bijgebouwen tot maximaal 1.000 m2, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • a. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de 'Beleidsregels Groen en Water 2023' en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • b. het meerdere aan bedrijfsgebouwen waaronder ook kassen, worden gesloopt tenzij er sprake is van cultuurhistorisch waardevolle c.q. monumentale bebouwing
9.5.3 Specifieke beoordelingsregels voor het toestaan en inrichten van een verblijfsrecreatieve voorziening in een woning of een bijgebouw bij een woning in de vorm van een bed en breakfast voor maximaal 10 personen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in xx.1 voor het toestaan en inrichten van een verblijfsrecreatieve voorziening in een woning of een bijgebouw bij een woning in de vorm van een bed en breakfast voor maximaal 10 personen, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • a. voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de 'Beleidsregels Groen en Water 2023' en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • b. maximaal 200 m² van de woning en/of een bijgebouw bij een woning voor deze functie mag worden gebruikt;
  • c. de woning geschikt blijft voor zelfstandige bewoning;
  • d. de woning en/of het bijgebouw bij een woning ten behoeve van deze functie niet mag worden uitgebreid, tenzij het maximaal toegestane bouwvolume nog niet is benut;
  • e. de (agrarische) bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet worden beperkt;
  • f. de te ontwikkelen activiteiten geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben in die zin dat geen aanvullende verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn dan wel de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het gedrang komt;
  • g. er een sloopverplichting geldt ten aanzien van de niet cultuurhistorisch waardevolle c.q. monumentale bijgebouwen, welke verplichting inhoudt dat er maximaal 500 m² aan bijgebouwen aanwezig mogen blijven.

Artikel 10 Waarde - Attentiegebied ecologische hoofdstructuur

10.1 functieomschrijving

Het voor 'Waarde - Attentiegebied ecologische hoofdstructuur' aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden.

10.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
10.2.1 Algemeen

In afwijking van het bepaalde bij de andere functies mag binnen het werking gebied 'waarde - attentiegebied ecologische hoofdstructuur’ slechts worden gebouwd indien direct of indirect door het treffen van maatregelen geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de hydrologische waarden hetgeen aangetoond dient te worden middels een watertoetsadvies van het Waterschap Brabantse Delta.

10.2.2 Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is het bepaalde in 18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhheden van toepassing.

Artikel 11 Waarde - Archeologie

11.1 functieomschrijving

Ter plaatse van 'Waarde - archeologie' zijn de gronden naast de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

11.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
11.2.1 bouwwerken
  • 1. In het voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gebied mag niet worden gebouwd.
  • 2. In afwijking van lid a zijn bouwwerken toegestaan ten behoeve van:
  • 1. gebouwen die worden gebouwd ter vervanging van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en ook de situering gelijk blijft;
  • 2. Bouwwerken die worden gebouwd of uitgebreid tot een oppervlakte van maximaal 100 m² en waarbij bijbehorende grondwerkzaamheden niet dieper gaan dan 0,30 meter ten opzichte van het bestaand maaiveld.
  • 3. Het bepaalde in lid a en b is niet van toepassing voor gebieden die zijn vrijgegeven middels een door het bevoegd gezag afgegeven selectiebesluit.
11.3 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 11.2, als voldaan wordt aan de volgende specifieke beoordelingsregels; 

  • 1. op basis van een ingesteld archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse waar gebouwd gaat worden geen archeologische waarden als zodanig aanwezig zijn, of;
  • 2. passende maatregelen zijn genomen om de aanwezige archeologische waarden veilig te stellen, zoals het aanbrengen van een beschermingslaag, het opgraven van de archeologische artefacten, het documenteren van de archeologische waarde of andere met het bevoegd gezag overeengekomen maatregelen.

11.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • a. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren als deze een oppervlakte betreffen van meer dan 100 m²:
    • 1. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
    • 2. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd;
    • 3. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen als dieper dan 0,30 meter wordt ontgraven;
    • 4. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • 5. het aanbrengen van constructies die verband houden met bovengrondse leidingen;
    • 6. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
    • 7. andere werken die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling;
    • 8. alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.
  • b. aan een vergunning als bedoeld in lid a, kunnen voorwaarden worden verbonden indien uit voorafgaand archeologisch onderzoek de aanwezigheid van archeologische waarden is vastgesteld en het om zwaarwichtige redenen niet mogelijk is de archeologische waarden geheel te behouden.
  • c. in afwijking van het bepaalde in lid a is geen omgevingsvergunning vereist, indien uit voorafgaand archeologisch onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden aanwezig zijn en geen archeologische waarden worden aangetast.

Artikel 12 Leiding

12.1 functieomschrijving

Het voor ‘Leiding’ aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies, tevens bestemd voor de aanleg, het onderhoud en de bescherming van de op de verbeelding aangegeven leidingen;

  • a. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van leiding – water’ voor een hoofdwaterleiding.
12.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
12.2.1 algemeen
  • a. In afwijking van het bepaalde bij de andere functies mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de in dit artikel beschermde leidingen gericht op het beheer van deze leidingen met dien verstande dat gebouwen geen grotere hoogte mogen hebben dan 4 meter en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals terreinafscheidingen geen grotere hoogte dan 2 meter mogen hebben.
  • b. in afwijking van lid a zijn bouwactiviteiten toegestaan ten behoeve van:
    • 1. gebouwen gericht op het beheer van deze leiding met dien verstande dat gebouwen geen grote hoogte mogen hebben dan 4 meter;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals terreinafscheidingen met dien verstande dat deze geen grotere hoogte dan 2 meter mogen hebben.
12.3 specifieke beoordelingsregel voor het bouwen

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met 12.2.1 als de betreffende leidingbeheerder hiermee instemt.

12.4 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
  • a. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren als deze een oppervlakte betreffen van meer dan 100 m²:
    • 1. voor zover het bovengrondse leidingen betreft:
      • het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen;
      • het aanbrengen van ondergrondse constructies, installaties of apparatuur;
      • het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van bron of explosie kunnen opleveren;
      • het ophogen, egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld- en weghoogte.
    • 2. voor zover het ondergrondse leidingen betreft:
      • het ondergronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
      • het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;
      • het uitvoeren van heiwerken of anderszins indringen van voorwerpen;
      • het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
      • andere werken die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling;
      • het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplanting, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd;
      • het aanleggen van andere ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
  • b. het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welk:
    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdsstip van het van kracht worden van dit plan.
  • c. de onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting van de belangen van de leiding- en/of energievoorzieningbeheerder ontstaat of kan ontstaan en vooraf schriftelijk positief advies is ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

Hoofdstuk 3 algemene regels

Artikel 13 anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 algemene bouwregels

14.1 Bestaande maatvoering

Indien de bestaande maatvoering afwijkt van hetgeen in deze planregels is bepaald mag deze afwijkende maatvoering ten allen tijde worden gehandhaafd en/of vernieuwd, met dien verstande dat de afwijking niet mag worden vergroot.

14.2 Bouwen beneden peil

Voor het bouwen van beneden het peil gelegen gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. het bouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. in afwijking van hetgeen onder 1. is bepaald mag het bouwen van beneden het peil gelegen gebouwen tevens plaatsvinden buiten de aanduiding 'bouwvlak', mits het uitsluitend plaatsvindt onder de buiten de aanduiding 'bouwvlak' aanwezige bebouwing;
  • c. het bouwen van bedoelde ruimten is toegestaan tot een diepte van maximaal 4 meter onder peil.

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • 1. het gebruik van de gronden en opstallen voor de exploitatie van een smart- en headshop, alsmede een groothandel in smart- en/of headproducten, een belwinkel of een combinatie hiervan, als ook het gebruik van de opstallen voor een seksinrichting;
  • 2. het gebruik van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woningen als zelfstandige woning en/of huisvesting in verband met mantelzorg;
  • 3. het gebruik van bijgebouwen voor een aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit;
  • 4. het gebruik van bijgebouwen als bed and breakfast;
  • 5. kamerverhuur, waarbij toepassing van de hospitaregeling niet als kamerverhuur wordt aangemerkt.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 wetgevingzone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen
  • a. Ter plaatse van de aanduiding ‘wro - zone zoekgebied voor behoud van watersystemen’ zijn de gronden tevens bedoeld voor de verwezenlijking, het behoud en herstel van watersystemen.
  • b. Het oprichten van bebouwing, voor zover dit is toegelaten volgens de krachtens dit plan aan de gronden gegeven functies en planregels, is uitsluitend toegestaan indien het gebied hierdoor niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van watersystemen.
  • c. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakte aan te brengen van meer dan 100 m² en/of gronden op te hogen.
16.2 wetgevingzone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone
  • a. Ter plaatse van de aanduiding ‘wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone' zijn de gronden tevens bedoeld voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.
  • b. Het oprichten van bebouwing, voor zover dit is toegelaten volgens de krachtens dit plan aan de gronden gegeven functies en planregels, is uitsluitend toegestaan indien het gebied hierdoor niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.
  • c. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakte aan te brengen van meer dan 100 m².

Artikel 17 algemene afwijkingsregels

17.1 bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning kan, een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit hoofdstuk 2 voor:

  • a. overschrijding van de bij recht gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages en indien dit om technische redenen noodzakelijk is;
  • b. overschrijding van de bouwgrenzen, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. overschrijding van de maximum (bouw)hoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 20 m² bedraagt;
    • 2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximum (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt.
17.2 beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 17.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 18 overige regels

18.1 parkeren

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen, veranderen of uitbreiden van gebouwen, het gebruik van bouwwerken of het gebruik van gronden, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Er wordt in voldoende mate voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen en fietsen op eigen terrein. Het benodigde aantal parkeerplaatsen voor motorvoertuigen en fietsen wordt vastgesteld aan de hand van de Nota Parkeernormen Breda 2021 en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • b. De onder a. genoemde parkeergelegenheid moet in stand worden gehouden.
  • c. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a:
  • 1. als voldaan wordt aan de voorwaarden die daarvoor gelden in de Nota Parkeernormen Breda 2021 en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan; of
  • 2. als het voldoen aan de Nota Parkeernormen Breda 2021 en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan op overwegende bezwaren stuit en door het afwijken geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de parkeersituatie in de openbare ruimte en de woon- en leefsituatie.
  • d.
18.2 Waterberging
  • a. Er dient een watervoorziening met voldoende capaciteit te worden gerealiseerd:
  • b. De benodigde capaciteit van de watervoorziening wordt vastgesteld aan de hand van de “Beleidsregels Groen en Water 2023” van de gemeente Breda en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan.
  • c. Na aanleg dient de watervoorziening in stand te worden gehouden;
  • d. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a:
    • 1. als voldaan wordt aan de voorwaarden die daarvoor gelden in de “Beleidsregels Groen en Water 2023” van de gemeente Breda en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan, of;
    • 2. als het voldoen aan de ‘Beleidsregels Groen en Water 2023’ en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan op overwegende bezwaren stuit.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamhheden
  • a. verboden werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning binnen de bestemde of nader aangeduide gebieden, onder verwijzing naar de tabel van omgevingsvergunningen en gebruiksverboden, de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

Bodem

  • a. Het verlagen en/of egaliseren van de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen.
  • b. Het ophogen van de bodem1.
  • c. Het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem zoals het indrijven van voorwerpen in de bodem, allen dieper dan 0,30 meter.
  • d. Het aanleggen en/of verharden van wegen en paden zoals bedrijfswegen, onderhoudspaden, paden voor dagrecreatief medegebruik, dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor zover gelegen buiten de aanduiding 'bouwvlak'.
  • e. Het aanbrengen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Beplanting/grondgebruik

  • f. Het vellen of rooien van houtgewas als bos, houtsingels, boomgroepen en/of struwelen alsmede het verwijderen van landschapselementen als poelen, moerasjes en ruigten.
  • g. Het beplanten van gronden met houtgewas (bos heesters) alsmede het aanleggen en/of aanplanten van landschapselementen.
  • h. Het beplanten van gronden met opgaand (hout)gewas ten behoeve van sierteelt, boomteelt en/of landbouw.
  • i. Het permanent omzetten van grasland in bouwland

Water2

  • j. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van vaarten, waterlopen, sloten en greppels.
  • k. Het beïnvloeden van de grondwaterstand door de aanleg van een werk voor bemaling, onderbemaling of drainage.
  • l. Het aanbrengen van kades of het wijzigen daarvan1.
  • m.
    1. Alvorens te beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning horen burgemeester en wethouders het ter plaatse bevoegde gezag.
    2. Deze werkzaamheden zijn uitsluitend vergunningplichtig voorzover daarbij landschappelijke waarden (aardkundig, cultuurhistorisch, visueel-ruimtelijk) en of natuurlijke waarden in het geding zijn. De waterhuishoudkundige aspecten zijn veiliggesteld via de Keur van het Waterbeheerplan.
  • n.
    Tabel van omgevingsvergunningen en gebruiksverboden

afbeelding "i_NL.IMRO.0758.TAM2023225004-VG01_0008.png"

+: toegestaan
A: omgevingsvergunning vereist
S: strijdig gebruik

b. voorwaarden voor de omgevingsvergunning

  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden onder a. Verboden werkzaamheden is slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden op deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het verkeersbelang, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd dan wel de in geval van de aanwezigheid van boven- of ondergrondse leidingen de betreffende leidingbeheerder een positief advies heeft afgegeven.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden onder a. Verboden werkzaamheden binnen 'Waarde - attentiegebied Natuurnetwerk Brabant' is slechts toelaatbaar indien de werken en werkzaamheden geen effect hebben op de hydrologie in dat gebied.
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden onder a. Verboden werkzaamheden binnen 'Waarde - attentiegebied Lage Vuchtpolder' slechts toelaatbaar is indien de werken en werkzaamheden geen effect hebben op de hydrologie in dat gebied èn in het gebied binnen de dubbelbestemming 'Waarde - attentiegebied Natuurnetwerk Brabant'.

c. toegestane werkzaamheden

Het bepaalde onder 18.3 onder a. Verboden werkzaamheden is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • c. het normale onderhoud en/of beheer van de gronden en/of de instandhouding van het gebied betreffen, waaronder begrepen de normale beheerswerkzaamheden door natuurbeherende instanties en de normale agrarische bedrijfsvoering, met uitzondering van het diepwoelen/diepploegen over een oppervlakte van meer dan 100 m2 binnen de dubbelbestemming Waarde-Archeologie;
  • d. onderdeel zijn van een door Gedeputeerde Staten in het kader van de landinrichting goedgekeurd plan van wegen en waterlopen of goedgekeurd landschapsplan;
  • e. plaatsvinden binnen de aanduiding 'bouwvlak';
  • f. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.

d. Gebruiksregels

Voor zover in de "Tabel omgevingsvergunningen" werken en/of werkzaamheden zijn aangeduid met de letter S is het verboden de betreffende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren binnen de aangegeven bestemmingen. Het aldaar uitvoeren of laten uitvoeren van de betreffende werken en/of werkzaamheden wordt in elk geval aangemerkt als strijdig gebruik.

Hoofdstuk 4 overgangs- en slotregels

Artikel 19 overgangsrecht

19.1 overgangsrecht bouwwerken
19.1.1 aanwezige bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
19.1.2 afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

19.1.3 uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

19.2 overgangsrecht gebruik
19.2.1 bestaand gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

19.2.2 strijdig gebruik

Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

19.2.3 verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

19.2.4 uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.