1.1 Aanleiding en doel
De provincie Noord-Brabant wil samen met gemeenten de veranderingen in het buitengebied dusdanig sturen dat bedreigingen worden omgezet in kansen. Gemeente Breda heeft de ‘Omgevingsvisie Breda 2040’ opgesteld. Het gewenste initiatief, om twee ruimte voor ruimte woningen toe te voegen op de locatie Mastdreef ong. naast nummer 20 valt onder de overgangsregeling van deze omgevingsvisie.
De ruimte voor ruimte regeling maakt het mogelijk woningen te bouwen buiten het reguliere woningbouwprogramma om. De bouw van nieuwe woningen op ruime kavels in delen van het buitengebied kan hierdoor mogelijk worden gemaakt, wanneer hiervoor agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik waren of zijn voor intensieve veehouderij, worden gesaneerd in combinatie met milieuwinst ter plaatse.
De gemeente heeft de gemeentelijke ruimtelijke beleidsregels toegelicht in de Omgevingsvisie Breda 2040. De locatie Mastdreef ong. naast 20 ligt in een bebouwingsconcentratie (gebiedsvisie Effen). Het voornemen is om twee ruimte voor ruimte woningen op te richten.
Op 1 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20 met IMRO-nummer NL.IMRO.0758.BP2022227029-VG01 gewijzigd vastgesteld. Tegen de vaststelling hebben twee partijen beroep ingediend. Op 9 april 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling) in een tussenuitspraak geconstateerd dat het plan op een viertal punten gebreken vertoont,
ECLI:NL:RVS:2025:1568. De Afdeling stelt de raad in de gelegenheid om deze gebreken te herstellen en alsnog te motiveren dat:
- er sprake is van aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV), voor zover het gaat om de bouwtitel van de woning waarvoor een certificaat van de ORR is aangekocht (hierna: woning 1) met certificaatnummer 974, titelnummer 20170458;
- wordt voldaan aan de vereisten van artikel 3.78 van de IOV, in samenhang gelezen met de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant (hierna: de beleidsregel), voor zover het gaat om de bouwtitel van de woning waarvoor het toetsingsformulier is gebruikt, (hierna: woning 2);
- de woningen zijn voorzien op een aanvaardbare locatie in de zin van artikel 3.78, derde lid, en artikel 3.79, eerste lid, onder b, van de IOV;
- het plan in overeenstemming is met artikel 3.79, eerste lid, onder c, in samenhang gelezen met artikel 3.77 van de IOV, hetgeen inhoudt dat de raad alsnog moet motiveren dat het plan in overeenstemming is met de ontwikkelingsrichting van het gebied.
De aanvullende motivering met de bijbehorende bijlagen is aan de toelichting van het bestemmingsplan toegevoegd als hoofdstuk 9 en als bijlage 13 Aanvullende motivering bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’.
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied
De planlocatie ligt tussen de Mastdreef en de Rijsbergseweg. De Mastdreef is een lokale verbindingsweg in het buitengebied en de Rijsbergseweg is een provinciale verbindingsweg (N263) tussen Breda en Rijsbergen. De planlocatie behoort tot de provincie Noord-Brabant. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente Princenhage, sectie L en nummers 2598 en 2599.
Figuur 1: Uitsnede topografische kaart met de planlocatie
1.3 Vigerend bestemmingsplan
Op de planlocatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013’ van kracht. Dit bestemmingsplan is voor deze locatie onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 februari 2017.
1.4 Planvorm
Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013, herziening Mastdreef’ vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld met een toelichting. Het voorliggend plan vormt het planologisch kader voor de ontwikkeling van twee ruimte voor ruimte kavels in het buitengebied van Breda.
1.5 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarbij onder andere de ruimtelijke en functionele structuur wordt beschreven.
In hoofdstuk 3 van de toelichting wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor ontwikkeling van het plangebied relevant is.
Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de uitgangspunten en randvoorwaarden, die van belang zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. In hoofdstuk 5 worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van water, natuur, luchtkwaliteit, archeologie en bodem beschreven.
De juridische aspecten komen in hoofdstuk 6 aan bod. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet. De ruimtelijke structuur is beschreven en in beeld gebracht aan de hand van archeologie en cultuurhistorie, groen, verkeer en de bebouwingstructuur. In de beschrijving van de functionele structuur wordt ingegaan op de diverse in het plangebied voorkomende functies.
2.2 Positionering plangebied
De planlocatie is gelegen in de bebouwingsconcentratie tussen de Rijsbergseweg en de Mastdreef. In figuur 2 is de planlocatie op de luchtfoto weergegeven.
Figuur 2: Planlocatie Mastdreef ong. naast nr. 20
2.3 Ruimtelijke en functionele structuur
2.3.1 Ruimtelijke structuur
In de omgeving van de planlocatie is een bebouwingsconcentratie aanwezig, vrijwel bestaande uit vrijstaande en geschakelde woningen. De woningen zijn in diverse tijdsperiode gebouwd. De Rijsbergseweg maakte vroeger onderdeel uit van Napoleonsroute. De Mastdreef is een lokale verbindingsweg in het buitengebied.
De planlocatie ligt nabij de kern Effen. Deze kern is langs de Rijsbergseweg uitgegroeid tot een kleine kern.
2.3.2 Functionele structuur
In de omgeving zijn afwisselend burgerwoningen of bedrijven aanwezig. De bedrijven zijn kleinschalige (agrarische) bedrijven in het buitengebied.
3.1 Inleiding
Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige plan is het relevante ruimtelijke beleid voor de locatie Mastdreef ong. naast nr. 20 opgenomen.
3.2 Beleid Europees en rijksniveau
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 wordt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders.
De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut.
In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordering (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied.
3.2.3 Water
Het Nationaal Waterplan (NWP)
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Watertoets
Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke -waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap.
De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.
Europese Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2000 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer.
De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.
In paragraaf 5.3 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie.
3.2.4 Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017).
Europese Vogel- en Habitatrichtlijn
De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden.
Wet Natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland.
De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding. Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes.
De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, de planlocatie moet worden getoetst op de aanwezigheid van beschermde soorten: de ‘natuurtoets’.
Het aspect Ecologie komt in paragraaf 5.6 aan bod.
3.2.5 Cultuurhistorie
In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2021 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
Cultuurhistorie wordt behandeld in paragraaf 5.5.
3.3 Beleid provinciaal niveau
3.3.1 Interimstructuurvisie 'Brabant in Ontwikkeling'
Met de inwerkingtreding van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant zijn deel A en B van de Interimstructuurvisie vervangen. Deel C blijft wel in stand. Deel C beschrijft de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk en Agro-Foodcluster (AFC) West-Brabant en geeft een onderbouwing van de locatiekeuze.
Deel C heeft geen betrekking op de voorgestane planontwikkeling.
3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 Noord-Brabant
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040.
De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen:
1. Ontwikkelen
De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol.
2. Ordenen
De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur.
3. Beschermen
De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op.
4. Regionaal samenwerken
De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda.
5. Stimuleren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.
Figuur 3: Uitsnede structurenkaart locatie Mastdreef ong., Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant
Uit figuur 3 blijkt dat de planlocatie gelegen is in de Groenblauwe structuur, groenblauwe mantel.
De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfunctie behouden en ontwikkeld worden. Het beleid is in de gebieden gericht op behoud en ontwikkeling van natuurwaarden in én buiten natuurgebieden.
Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. De versterking van de binnen de groenblauwe mantel aanwezige leefgebieden voor plant- en diersoorten vraagt daarbij specifieke aandacht. Het beleid is er op gericht dat de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap toeneemt. Ontwikkelingen passen qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden.
Aangezien de planlocatie gelegen is in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel en de locatie landschappelijk ingepast wordt, is de beoogde ontwikkeling niet in strijd zijn met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant.
3.3.3 Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018
Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2022 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie:
- Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek.
- Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit.
- Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen.
In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd:
- werken aan de Brabantse energietransitie;
- werken aan een klimaatproof Brabant;
- werken aan Brabant als slimme netwerkstad;
- werken aan een concurrerende, duurzame economie.
De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan.
De kwaliteit van de omgeving voor mens en natuur staat onder druk in verschillende delen van het landelijk gebied door meerdere factoren. Er is er sprake van een toenemende leegstand en bevolkingskrimp. Dat leidt tot economische, sociaal-culturele en ecologische schade. Er is extra aandacht voor een steeds verder toenemende leegstand doordat boeren stoppen, de leegkomende gebouwen verpauperen of een bron voor criminaliteit zijn. De sociale cohesie komt in het gedrang in het landelijk gebied.
3.3.4 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
In 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de:
- Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer;
- Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming;
- Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet;
- Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening;
- Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet;
- Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om:
- een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen;
- aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden;
- aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.
Het ontwerp van de Interim omgevingsverordening is in april vastgesteld. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld.
In figuur 4 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie Mastdreef ong. naast nr. 20. Uit figuur 4 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Landelijk gebied’ met daarbij de aanduiding ‘Groenblauwe mantel’.
Figuur 4: Uitsnede kaart behorende bij Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Landelijk gebied, groenblauwe mantel
Een bestemmingsplan gelegen binnen de afdeling ‘Vitaal platteland’ zijn de ontwikkelingsmogelijkheden geschetst voor het Landelijk gebied. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de subzones ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over ‘Landelijk gebied’. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzones.
Bij het aanwijzen van de bestemmingen dient de bestemming een uitwerking te zijn van de voorgenomen ontwikkeling en het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied en dient tevens bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit als bedoelt in Interim omgevingsverordening.
Op de planlocatie is het voornemen om twee ruimte voor ruimte woningen te realiseren. In artikel 3.79 zijn specifieke regels opgenomen voor ruimte voor ruimte woningen. Hieronder is artikel 3.79 weergegeven.
Lid 1
Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:
- door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit;
- op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit, derde Lid; en
- past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77.
Lid 2
Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing.
Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:
- artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik , onder a;
- artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en
- artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste Lid, onder a.
De ontwikkeling vindt plaats door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit.
Als bijlage bij de toelichting is een toetsingsformulier gevoegd waaruit blijkt dat de slooplocatie aan de Nieuwmoerseweg voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging van een Ruimte voor Ruimte Bouwtitel. Daarnaast is een certificaat bouwtitel bijgevoegd, certificaatnummer 974, titelnummer 20170458. Dit certificaat is verleend door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte II CV op grond van de Verordening Ruimte van de Provincie Noord-Brabant. Ruimte voor Ruimte II CV ontwikkelt bouwkavels in het kader van de zogeheten Ruimte voor Ruimte regeling van het Rijk. Dit certificaat geeft aan dat is voldaan aan de voorwaarden voor verkrijging van een Ruimte voor Ruimte bouwtitel. Beide documenten vormen het bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden voor verkrijging van een Ruimte voor Ruimte bouwtitel. Op basis van deze documenten heeft de gemeente Breda geconcludeerd dat de beoogde nieuwe woningen aan te merken zijn als Ruimte voor Ruimte-woningen.
Hierbij heeft de gemeente Breda veel belang gehecht aan het volgende. De ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte-woningen is gebaseerd op de afspraken die zijn gemaakt in het Pact van Brakkenstein uit 2000. Het Pact van Brakkenstein vormt de grondslag van de Ruimte voor Ruimte-regeling. Het werd op 15 maart 2000 ondertekend door het Rijk (LNV, VROM), de vijf reconstructieprovincies waaronder Noord-Brabant en de VNG. De kern van de Ruimte voor Ruimte-regeling is door de mogelijkheid van een subsidie voor de sloop van stallen, te verlenen door de provincie, een extra impuls te geven aan de beëindiging van veehouderijen. De subsidie werd verstrekt in het kader van de Regeling beëindiging veehouderij (Rbv). De Rbv maakte het ca. 20 jaar terug voor een groot aantal intensieve veehouderijen (varkensboeren) mogelijk om hun bedrijf te beëindigen en te slopen. De sloop van de lege stallen en het uit de markt halen van fosfaatrechten (varkensrechten) is een flinke (financiële) opgave maar de Provincie en gemeenten hebben zich hier destijds aan gecommitteerd. Om deze provinciale investering te kunnen terug verdienen is met een groot aantal gemeenten in Noord-Brabant, waaronder Breda, overeengekomen dat er in het buitengebied van de betreffende gemeente mogelijkheden werden gezocht voor het toevoegen van woningen op daarvoor geschikte locaties. De zogenaamde Ruimte voor Ruimte-woningen. Naast het terugverdienen van de provinciale investering vindt er ook een ruimtelijke kwaliteitsimpuls aan het landelijk gebied plaats omdat bebouwing van mindere kwaliteit (stallen) plaatsmaakt voor bebouwing met meer kwaliteit, minder bouwvolume en minder milieu uitstraling naar de omgeving toe.
Om een Ruimte voor Ruimte-woningen te mogen bouwen dient een bouwtitel van de Ruimte voor Ruimte CV, volledige naam de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte CV, gekocht te worden. De Ontwikkelmaatschappij ruimte voor ruimte, in de Iov gedefinieerd als “een entiteit gericht op de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels vanwege in het verleden behaalde milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst”, is de ontwikkelmaatschappij die is opgezet om met de ontwikkeling en verkoop van woningbouwkavels het geld terug te verdienen dat in het verleden door de Provincie Noord-Brabant is geïnvesteerd in de uitgifte van sloopsubsidies in het kader van de hiervoor benoemde Rbv. Op basis van het voorgaande vertrouwt de gemeente erop dat de ontwikkeling van de twee woningen op basis van twee Ruimte voor Ruimte bouwtitels gepaard gaat met een aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit. Daarbij weegt ook mee dat:
- 14 van de inmiddels circa 500 beëindigde intensieve veehouderijen bevinden zich op het grondgebied van de gemeente Breda.
- tussen de gemeente Breda en de Provincie aanvullende afspraken zijn gemaakt waardoor een gedeelte van de opbrengst van de Ruimte voor Ruimte titel ten goede komt aan Breda en de opbrengsten worden benut voor natuuraanleg.
Overigens hoeft de sloop van stallen niet binnen dezelfde gemeente plaats te vinden als waar de woningbouwmogelijkheden worden gecreëerd . Het gaat namelijk om planologische belangen die de plaatselijke planologische belangen overtreffen. De Ruimte voor Ruimte regeling is immers juist op provinciaal niveau opgezet.
Hoewel het toetsingsformulier waaruit blijkt dat de slooplocatie aan de Nieuwmoerseweg voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging van een Ruimte voor Ruimte Bouwtitel en het door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte II CV verleent certificaat voor de gemeente Breda voldoende bewijs is dat er sprake is van de bouw van twee Ruimte voor Ruimte-woningen is aanvullende informatie van de initiatiefnemer gevraagd en ontvangen over het toetsingsformulier. Deze aanvullende informatie bestaat uit een samenvatting/omschrijving van het dossier, een onderbouwing dat de bedrijfslocatie geschikt is om in te zetten voor de Ruimte voor Ruimte regeling, een onderbouwing van de sloop en een onderbouwing van de milieuwinst. Uit deze stukken blijkt onder meer dat er sprake is van een niet duurzame locatie, te weten een slooplocatie die is gelegen binnen het gebied Beperkingen Veehouderij en/of dat de slooplocatie niet geschikt is voor de uitoefening van een intensieve veehouderij. De aanvullende stukken zijn als bijlage bij de toelichting gevoegd.
De woningen worden gebouwd op een aanvaardbare locatie, te weten binnen een bebouwingsconcentratie. Kijkend naar de begripsbeschrijving in de Interim omgevingsverordening kan de planlocatie aangeduid worden als bebouwingsconcentratie. In de Interim omgevingsverordening wordt een bebouwingsconcentratie gedefinieerd als “kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;”. In de directe nabijheid van de planlocatie is de dichtheid van de omliggende bouwblokken gevarieerd, waardoor er een afwisseling van dichte en open stukken is ontstaan. Deze gevarieerde dichtheid zorgt voor een gebiedseigen dynamiek. De planolocatie sluit aan op diverse bebouwingsclusters (“vlakvormige verzameling van bebouwing in Landelijk gebied”) in de omgeving. Aan de Mastdreef en de Sintelweg zijn woningen en andere functies aanwezig, zoals een paardenhouderij, een manege en agrarische bedrijven met omvangrijke bedrijfsbebouwing. Aan de Oude Rijsbergsebaan en waar de Rijsbergseweg over gaat in de Bredaseweg is sprake van een relatief dichte bebouwing, vrijwel bestaande uit vrijstaande en geschakelde woningen. De planlocatie ligt nabij de kern Effen. Deze kern loopt langs de Oude Rijsbergsebaan uit richting de planlocatie. Gelet hierop vindt de ontwikkeling van de twee ruimte voor ruimte woningen plaats in een gebied dat zich laat kwalificeren als een bebouwingscluster als bedoeld in de Iov. Temeer nu een bebouwingscluster niet noodzakelijkerwijs hoeft te zijn gelegen aan dezelfde weg.
Met het positioneren van de nieuwe woningen is rekening gehouden met de gevarieerde ligging van de omringende bouwblokken, de aanwezige functies en de zichtlijnen. Er is bijvoorbeeld voor gekozen om de nieuwe woningen niet direct tegenover de bestaande woningen aan de Mastdreef 9 en 11 te situeren. Ook is voldoende afstand aangehouden vanaf de IV-locatie aan de Mastdreef 3. Wel zijn de bouwvlakken van de twee nieuwe woningen relatief dicht bij elkaar gepositioneerd zodat de noordzijde en de zuidzijde van het plangebied zo veel mogelijk vrij van bebouwing blijven. De woningen worden dus zodanig ingepast dat de belangrijke zichtrelaties worden behouden maar tegelijkertijd vormen ze een afscherming waarmee de visueel minder aantrekkelijke bebouwing aan de Mastdreef, de stallen van de iv-bedrijven, aan het zicht worden onttrokken vanaf de Rijsbergseweg.
3.3.5 Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 ‘Waar water werkt en leeft’
Het provinciaal Waterplan is op 22 december 2009 in werking getreden. Het plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2010-2015. De provincie wil dat het water bijdraagt aan een gezonde omgeving voor mens, dier en plant, waarin men veilig kan wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen.
In paragraaf 5.3 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie.
3.4 Beleid gemeentelijk niveau
3.4.1 Omgevingsvisie Breda 2040
Op 10 maart 2021 heeft de gemeenteraad de ontwerp Omgevingsvisie Breda vastgesteld. Het document is vervolgens in het kader van de zienswijzeprocedure ter inzage gelegd. Mogelijk vindt de komende tijd voor het buitengebied nog aanvulling/uitwerking van de Omgevingsvisie plaats.
Met de Omgevingsvisie Breda 2040 als kompas werkt de gemeente samen met de stad, dorpen en regio aan de grote opgaven voor de fysieke leefomgeving om zo te komen tot een sterker en veerkrachtiger Breda. De Omgevingsvisie bevat ambities, doelen en opgaven.
De gemeente wil het buitengebied vitaal houden. Dit wordt gedaan door het landschap aantrekkelijk en toegankelijk te houden en boeren de mogelijkheid te geven op duurzame wijze hun boterham te verdienen. Agrarische ondernemers worden gekoesterd, want zij voorzien ons van voedsel en beheren ons landschap. Maar zij worden ook uitgedaagd om te verduurzamen en/of waarde toe te voegen aan natuur en landschap.
In beginsel wordt terughoudend omgegaan met het toestaan van extra bouw- en gebruiksmogelijkheden of nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. Tegelijkertijd is het niet wenselijk om het buitengebied op slot te zetten. Dit schaadt immers de vitaliteit van het buitengebied en werkt leegstand in de hand. Om de vitaliteit te behouden en te bevorderen en om leegstand van agrarisch vastgoed tegen te gaan, worden in het kader van verbrede landbouw en Voormalige Agrarische Bebouwing (VAB)-beleid diverse ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat de ontwikkelingen meerwaarde hebben op het gebied van vitaliteit en verduurzaming en passen binnen de landschappelijke kwaliteit van een gebied.
In het buitengebied geldt de Landschapsinvesteringsregeling. De agrariërs, de bewoners en andere ondernemers en gebruikers in het buitengebied zijn verplicht om bij een ruimtelijke ontwikkeling die niet rechtstreeks in het bestemmings-/omgevingsplan past, te investeren in een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit principe is afkomstig uit provinciale regelgeving en is erop gericht om het groene en open karakter van het buitengebied te beschermen en te bevorderen, zonder daarbij het gebied op slot te zetten.
Met het eerdergenoemde VAB-beleid wil de gemeente agrariërs een perspectief bieden en ontstaan tevens kansen om de omgevingskwaliteiten in het buitengebied te versterken. Dit wordt gedaan door middel van een methodiek die beschrijft hoe omgegaan wordt met vrijkomende agrarische bebouwing (en erven). Het wordt gebruikt als instrument in het gesprek met initiatiefnemers over de ontwikkelkansen die passen bij het landschap maar ook bij de opgaven en ambities voor het buitengebied.
Wat erfgoed betreft wil Breda de bestaande waarden koesteren. Specifiek is het versterken van de beleving van militair erfgoed in en rondom de Lage Vuchtpolder als onderdeel van de Zuiderwaterlinie, één van de focusthema’s. Nieuwe redoutes aan de Zware dijk worden voltooid en de herkenbaarheid van de Spinolaschans en andere restanten van historische verdedigingswerken wordt vergroot. Voor beheer, behoud en bescherming bouwt de gemeente voort op wet- en regelgeving en beleid, en wordt ook aangesloten bij nieuwe maatschappelijke opgaven.
Ook op het gebied van natuur heeft de gemeente ambities gesteld. De gemeente neemt maatregelen om de vitaliteit van de natuur te vergroten. De biodiversiteit binnen de gemeente Breda wordt versterkt. Daarbinnen zijn vier doelen onderscheiden, waarvan de realisatie van het Natuurnetwerk Brabant en het Gemeentelijk Natuurnetwerk, de realisatie van de Kaderrichtlijn Waterdoelen 2027 en het versterken van de biodiversiteit in het agrarisch gebied relevant zijn voor het buitengebied. Wat dit laatste betreft wordt bijvoorbeeld subsidie verleend voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Omgevingsvisie Breda in relatie tot het plangebied: deze woningen vallen onder de overgangsregeling.
Na vaststelling van de Omgevingsvisie zal het gemeentebestuur niet meer meewerken aan het in procedure brengen en verlenen of vaststellen van een ruimtelijk besluit dat de bouw van ruimte voor ruimte woningen mogelijk maakt op een wijze die in strijd is met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor initiatiefnemers die na een positieve principe-uitspraak van het college een voldoende concreet en toetsbaar concept-bestemmingsplan hebben ingediend bij het gemeentebestuur voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie.
3.4.2 Structuurvisie Breda 2030
Het hoofddoel van de structuurvisie Groen en Rood, deze is als bijlage opgenomen en in ‘Structuurvisie Breda 2030’, is de ontwikkeling van Groen: i.c. de verbetering van de kwaliteit van het Bredase Buitengebied. De planlocatie valt onder de overgangsregeling van de Omgevingsvisie Breda 2040, voor de uitgangspunten voor de ruimte voor ruimte woningen is getoetst aan dit beleidskader.
Groen staat voorop en Rood is een middel. Het beleid moet er in de eerste plaats toe leiden dat het Bredase buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor meer kwaliteit heeft voor mens, plant en dier.
Ruimte voor ruimte en Kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties
De provinciale ruimte-voor-ruimteregeling van artikel 11.2 uit de Verordening ruimte heeft tot doel de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse, de bouw van woningen op passende locaties toe te staan, dit in afwijking van de regel dat geen nieuwe (burger)woningen mogen worden toegevoegd aan het buitengebied.
Kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties. Het gemeentelijke beleid is op te vatten als een combinatie van de planologische mogelijkheden die door de provincie worden geboden. In speciaal daartoe geselecteerde bebouwingsconcentraties is onder bepaalde voorwaarden en tot een bepaalde limiet de bouw van burgerwoningen mogelijk mits dit leidt tot kwaliteitsverbetering van het buitengebied en mits hiermee tevens wordt bijgedragen aan de doelstellingen van Ruimte-voor-ruimte.
Ruimte voor ruimte woningen
Ruimte voor ruimte woningen aan de linten kunnen niet overal in het Bredase buitengebied verschijnen. Een ‘Rode kaart buitengebied Breda’ is gemaakt om aan te geven in welke delen van Breda dit tot de mogelijkheden behoort. Bouwlocaties voor ruimte voor ruimte woningen liggen in delen van bebouwingsconcentraties die door de gemeente aangewezen zijn. Hieronder worden in volgorde van belangrijkheid de criteria genoemd die hebben geleid tot de geselecteerde gebieden op de ‘Rode kaart buitengebied Breda’.
Waar in Breda is ruimte voor ruimte woningen mogelijk:
- uitsluitend in het buitengebied;
- uitsluitend in bebouwingsconcentraties;
- uitsluitend in bebouwingsconcentraties binnen stedelijke invloedssfeer met gemengde functies
maar:
- niet in EHS;
- niet in glastuinbouwvestigingsgebied (Prinsenbeek);
- niet in potentiële waterbergingsgebieden (alle beekdalen, beemden langs de Mark en de
- Lage Vuchtpolder;
- niet in landschappelijk kwetsbare gebieden (gave of open gebieden die te gevoelig zijn
- voor verdichting);
- niet in gebieden waar toekomstige stedelijke uitbreidingsmogelijkheden liggen.
Figuur 5: Gebiedsvisie Effen (rode kaart)
Om ervoor te zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingsconcentraties zelf niet wordt aangetast zijn er nadere eisen gesteld aan de inhoud van de woning en de omvang van de kavel alsmede de locatie, de schaal en typologie van de nieuwbouw.
In figuur 5 is de gebiedsvisie van Effen weergegeven. De planlocatie is gelegen in ‘verdichting mogelijk in de linten’. De realisatie van de twee ruimte voor ruimte woningen is niet in strijd met het beleidskader Groen en Rood, dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 4.
4 Doelstellingen van het bestemmingsplan
4.1 Inleiding
Het doel van voorliggend plan is om twee woningen op te richten en daarmee de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied staat voorop. Ruimte voor ruimte woningen zijn op te vatten als de ‘Rode’ component van de Rood-voor-Groenconstructies waarbij het idee is om veel ‘Groen’ te maken met een weinig ‘Rood’.
In paragraaf 4.2 worden de randvoorwaarden uit het beleidskader ‘Groen en Rood’ (zie paragraaf 3.4.2) toegelicht. In dit beleid is aangegeven waar woningen kunnen worden toegevoegd in het buitengebied van Breda. De planlocatie valt onder de omgangsregeling van de Omgevingsvisie Breda 2040.
Paragraaf 4.3 motiveert de ruimtelijke uitgangspunten die leidend zijn voor de verplichte landschappelijke inpassing.
4.2 Stedenbouwkundige en landschappelijke opzet
4.2.1 Randvoorwaarden
In drie onderwerpen komen de randvoorwaarden uit het beleidskader ‘Groen en Rood’ aan de orde, die gelden bij het oprichten voor een nieuwe woning aan de linten:
1. Randvoorwaarden aan kavelgrootte, locatie, schaal en ontwerp
Om ervoor te zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingsconcentraties zelf niet wordt aangetast zijn er nadere eisen gesteld aan de omvang van de kavel alsmede de locatie, de schaal en typologie van de nieuwbouw. Deze voorwaarden met betrekking tot een locatie garanderen de noodzakelijk gewenste ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingslinten nu en in de toekomst. Bij het oprichten van een nieuwe woning aan het lint dient er strikt aan deze voorwaarden op de locatie te worden voldaan.
Locatiegebonden regels voor ruimte voor ruimte woningen (hoe wel en hoe niet):
- Het betreft een vrijstaande en grondgebonden burgerwoning van max. 1000 m³ aan het lint op een vrije kavel.
- De nieuwe woning aan het lint takt direct aan op bestaande wegen.
- De nieuwe woning aan het lint mag het bestaande bebouwingslint niet doen dichtslibben, doorzichten in de bebouwingslinten dienen te worden behouden (alle linten zijn al redelijk vol, een aanvraag voor de komst van een nieuwe woning aan het lint wordt per bebouwingslint bekeken en afgewogen).
- Een vrije kavel voor ruimte voor ruimte heeft een frontbreedte van minimaal 70 meter direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen waarvoor ook de minimale frontbreedteregel geldt van 70 meter aan het bebouwingslint, zie voorbeelden.
- Sporadisch is via insteekweggetjes achter de linten mogelijk waarbij een kaveldiepte van minimaal 70 meter wordt ingesteld voor de bestaande kavel aan de weg en de nieuwe toe te voegen kavel achter het bebouwingslint (afhankelijk van het gebied kunnen bredere linten ontstaan, dit wordt per bebouwingslint bekeken, zie voorbeelden).
- Ruimte voor ruimte kent geen complexmatige of seriematige bouw maar kenmerkt zich door individuele bouw.
- Een integraal ontwerp is vereist voor zowel de nieuwe woning aan het lint, als de kavel èn de tuin.
- Landschappelijke inpassing (erfbeplanting) is vereist.
- Bij een nieuwe woning aan het lint blijft 10 meter rand uit de perceelsgrens onbebouwd (hier geen huis en geen opstallen toegestaan). De rooilijn aan de voorzijde dient afgestemd te worden op de rooilijn van het betreffende bebouwingslint.
De planlocatie voldoet aan de locatiegebonden regels, zoals hierboven is opgesomd. Bovendien zijn ook de nadere onderzoeken ten aanzien van: milieu, water, verkeer, landschap, ecologie, cultureel erfgoed etc. uitgevoerd. Op basis hiervan is de positie van de nieuwe woningen bepaald en zijn de kavels landschappelijk ingepast.
2. Randvoorwaarden aan de ‘woning aan de linten’ met specifieke bouw- en inrichtingsvoorschriften
Figuur 6: Toetsingskader ruimte voor ruimte; specifieke bouw- en inrichtingsvoorschriften, beleidskader ‘Groen en Rood’.
Het bovenstaande toetsingskader is van toepassing op de nieuwe woningen. Bovenstaande specifieke toetsingseisen aan de nieuwe ‘woningen aan de linten’ zijn in de Regels van onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Elke toekomstige bouwaanvraag wordt hieraan getoetst. De substantiële bijdrage aan de kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd door een afdracht aan de Ruimte voor Ruime regeling.
3. Randvoorwaarden ten aanzien van de beeldkwaliteit van ruimte voor ruimte woningen
De beeldkwaliteit van ruimte voor ruimte wordt later in het proces, bij de indiening van het bouwplan, getoetst. Een integraal ontwerp is vereist voor zowel de nieuwe woning aan het lint als voor de kavel en de tuin. Het integrale ontwerp dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeente Breda waarbij inhoud aan onderstaande aspecten is gegeven:
Passendheid in het landschap
Het belangrijkste criterium is dat de nieuwe woning aan het lint past in het landschap. Dit dient tot uitdrukking te komen in de situering en de vormgeving van de woning aan het lint. Kavel, tuin en bebouwing dienen het landschap, de directe omgeving en elkaar te versterken. Ook dient de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de woning aan het lint maar ook vormgeving en beplanting van de tuin aan te sluiten op het omringende landschap.
Typologie van de woning aan het lint
De nieuwe woning en de uit te breiden bestaande burgerwoning aan het lint dienen uit te gaan van één bouwlaag met een kap. Burgerwoningen in het buitengebied bestaan veelal uit één bouwlaag met een kap. Hierdoor onderscheidt de burgerwoning zich van het landgoed, welke veelal uit meer dan één bouwlaag bestaat.
Architectuur woning aan het lint
Het is de vrije keus van de initiatiefnemer welke architectuur hij / zij prefereert: eigentijds, modern of traditioneel. Bij het uitbouwen van de bestaande burgerwoning aan het lint kan de keuze gemaakt worden om te bouwen in de stijl van de bestaande woning of juist door eigentijdse architectuur hiervan af te wijken.
Typologie en architectuur tuin
Het opstellen van een tuinontwerp is verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat tuin/kavel en nieuwe woning aan het lint door een landschappelijke beplanting dient te zijn ingepast in het omringende landschap. Te denken valt aan: bosschages, houtwallen, kavelrandbeplantingen, lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties etc. Een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort. Hiermee wordt ‘vertuining’ van het platteland voorkomen en is passendheid in het landschap gewaarborgd. Binnen deze landschappelijke structuren is ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen mogelijk.
De woningen en de kavels op de planlocatie dienen te voldoen aan de beeldkwaliteitseisen voor ruimte voor ruimte woningen. In de bijlage is de landschappelijke inpassing toegevoegd. In de landschappelijke inpassing wordt inhoud gegeven aan de aspecten ‘Passendheid in landschap’ en ‘Typologie en architectuur tuin’.
4.3 Landschappelijke inpassing
4.3.1 Landschappelijke inpassing, algemeen
De kavels krijgen de bestemming ‘Wonen’ met bouwvlak. De bouwvlakken bepalen de exacte locatie van de nieuw te bouwen woningen. Bij de positionering van de bouwvlakken wordt rekening gehouden met het naast gelegen agrarisch bedrijf.
De verplichte landschappelijke inpassing aan de randen van de kavel wordt met de bestemming ‘Natuur’ vastgelegd. Uitgangspunt is dat maximaal aan twee zijden van de nieuwe bouwkavel landschappelijke inpassing verplicht is. Via een privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer en een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan zal het werkelijk realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassing worden vastgelegd.
Bij de landschappelijke inpassing gelden de volgende uitgangspunten:
- beschermen, aansluiten en waar mogelijk versterken van de actuele visueel-ruimtelijke waarden;
- plaatsen van nieuwe woningen (bij voorkeur) niet tegenover bestaande bebouwing;
- realiseren van bebouwingsvrije kavelranden van 10 meter;
- oprichten van landschapselementen, (bij voorkeur) maximaal aan 2 zijden;
- verrichten van maatwerk per kavel per deelgebied.
4.3.2 Lanschappelijke inpassing, specifiek
Voor de planlocatie Mastdreef ong. naast nr. 20 is een landschapsplan opgesteld. In de bijlage is het landschapsplan toegevoegd. Voor de landschappelijke inpassing wordt hier kortheidshalve naar verwezen.
5.1 Inleiding
Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda dient bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de milieuhygiënische aspecten die door de planlocatie en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuhygiënische aspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.
5.2 Bodem
Door Moerdijk Bodemsanering BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek met kenmerk 2549.01.191.r1, is als afzonderlijke bijlage toegevoegd. Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:
De locatie heeft een oppervlakte van 8.950 m² en betreft een weiland. De locatie is altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging.
Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd:
- Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen.
- In de bovengrondmengmonsters M01, M02 en M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen.
- In de ondergrondmengmonsters M04 en M05 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen.
- In de grondwatermonsters GW01 en GW02 zijn licht verhoogde concentraties aan koper en barium aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentraties aan zware metalen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden betreffen.
De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht.
De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw op de locatie.
5.3 Water
Beleid Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer (waaronder grondwater) heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
Beleid gemeente Breda
De gemeente Breda heeft haar beleid omtrent water vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2014-2018 (vGRP). Hierin is onder meer een samenvatting opgenomen van het hemel- en grondwaterbeleid van de gemeente Breda (‘Een bodem voor water’).
Nieuwe ontwikkelingen binnen de gemeente Breda dienen hydrologisch neutraal uitgevoerd te worden. Expliciet betekent dit dat hemelwater niet op de riolering mag worden aangesloten, maar separaat binnen de plangrenzen moet worden verwerkt. Bij een toename van het verhard oppervlak moet de ontwikkelende partij op eigen terrein extreem zware buien kunnen verwerken en schone en vuile waterstromen gescheiden aanleveren tot aan de perceelsgrens. Ter bepaling van het ruimtebeslag en retentiecapaciteit hanteert de gemeente een werknorm van 780 m3 waterberging per hectare toename verhard oppervlak (bui 78 mm in 24 uur). Bij herstructurering (sloop en herbouw) legt de gemeente een verplichting op een deel van het hemelwater te bergen en te infiltreren. Het doel is om 80 procent van de jaarlijkse neerslag lokaal te verwerken door een infiltratievoorziening met een berging van circa 7 millimeter. Voorzieningen die ook hemelwater infiltreren mogen kleiner zijn, als het netto effect maar hetzelfde is. Om de retentiecapaciteit voor een volgende bui weer beschikbaar te hebben moet het hemelwater binnen 3 dagen (op natuurlijke wijze) zijn weggezakt in de bodem. De gewenste ledigingstijd bedraagt echter 24 uur.
Grondwaterbeschermingsgebied
De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en er zijn langs het perceel een aantal waterlopen en/of waterpartijen aanwezig. Middels de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie worden de waterlopen behouden en niet belemmerd. De planlocatie ligt niet in het invloedsgebied Natura 2000.
Figuur 7: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Het afvalwater dient gescheiden afgevoerd en verwerkt te worden. In principe dient dit via de riolering afgevoerd te worden naar de waterzuivering.
Het afvalwater zal worden aangesloten op de (druk)riolering op de Mastdreef.
Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:
- het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;
- de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;
- de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak.
- de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden.
Met onderhavig plan wordt de bouw van twee ruimte voor ruimte woningen in het buitengebied mogelijk gemaakt. De woningen mogen een inhoud van 1.000 m³ bedragen en een bijgebouw met een oppervlakte van 100 m². Ten gevolge hiervan zal het verhard oppervlakte toenemen. Voor één woning zal circa 400 m² inclusief aan toename van het verhard oppervlakte plaatsvinden. In totaal vindt er circa 800 m² aan verhard oppervlak plaats.
De gevoeligheidsfactor op de planlocatie is 1.
De benodigde compensatie is: 800 * 1 * 0,06 = 48 m3.
De woningen worden op grote percelen gebouwd. Dit betekent dat de wateropgave relatief eenvoudig op eigen terrein kan worden opgelost. De compensatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de vorm van een vijver of verbrede sloot. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de precieze verharding en de vorm van de compensatie bepaald. De compensatie vindt plaats binnen de planlocatie, er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
5.4 Archeologie
Toetsingskader
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Breda ligt de planlocatie niet binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. Op de planlocatie ligt geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling.
5.5 Cultuurhistorie
Toetsingskader
In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid gemeente Breda
Het Bredase erfgoed vormt de basis van de Bredase identiteit en vormt mede de basis van de ruimtelijke ontwikkeling van Breda. Op gemeentelijk niveau is de nota Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015 van belang. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk.
Beoordeling
Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening moet worden gehouden, is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd.
Figuur 8: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart
Cultuurhistorische landschappen
De planlocatie valt binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen en veenrelicten bij Zundert en Etten-Leur’ en ‘West-brabantse Venen’. Het gebied bevat tal van sporen van vroegere turfwinning, onder meer in de vorm van tal van turfvaarten. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. De planlocatie betreft geen landgoed en er zijn ook geen beken of turfvaarten in de directe omgeving aanwezig. Op de planlocatie vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op de cultuurhistorische landschappen.
Historische geografie
De Mastdreef is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de aanwezige structuren er vinden geen wijzigingen plaats die van invloed kunnen zijn op de historische geografie van de Liesstraat.
Conclusie
Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen en in de omgeving van het plangebied.
5.6.1 Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang.
5.6.2 Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden.
De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk. De planlocatie ligt op circa 5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Ulvenhoutse bos).
Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden.
Voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Mastdreef ong. naast nr. 20 is een stikstofberekening gemaakt. Deze stikstofberekening is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavig plan. Uit de stikstofdepositieberekeningen volgt dat er geen natuurgebieden (Nederlandse en buitenlandse natuurgebieden) zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden.
5.6.3 Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijn voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten mogelijk in het plangebied worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water.
Door Buro Maerlant is een ecologisch quickscan uitgevoerd. Het rapport is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan.
Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat in het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden strikt beschermde natuurwaarden ontbreken. De ingrepen hebben op voorhand geen effect op eventueel aanwezige beschermde soorten in de ruimere omgeving. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor de plannen niet noodzakelijk/ relevant.
Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn.
Op basis van het huidige gebruik, de aard van het plangebied en ecologisch onderzoek worden geen strikt beschermde natuurwaarden verwacht.
5.7 Bedrijven
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst g eeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.
Milieuzones
Omgevingstype
In de VNG-uitgave wordt aangegeven, dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de milieucategorie met één afstandsstap worden verlaagd.
In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd. In de omgeving van de planlocatie is sprake van functiemenging, er is sprake van een gemengd gebied. Hierdoor kan de milieucategorie met één afstandsstap worden verlaagd. Alle bedrijven in een straal van 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie.
Tabel 1: Richtafstand bedrijven, omgevingstype ‘rustig buitengebied’
| | | | | | | Afstand tot grens bouwvlak |
Veehouderij (was intensieve veehouderij, maar wordt paardenhouderij) | Mastdreef 3 | 3.1 | 50 | 30 | 30 | 0 m | 50 m |
Paardenhouderij | Rijsbergseweg 537 | 3.1 | 50 | 30 | 30 | 0 m | 113 m |
Intensieve veehouderij (varkenshouderij) | Mastdreef 19 | 4.1 | 200 | 30 | 50 | 0 m | 225 m |
Intensieve veehouderij (geitenhouderij) | Mastdreef 21 | 4.1 | 200 | 30 | 50 | 0 m | 200 m |
Manege | Rijsbergseweg 590 | 3.1 | 50 | 30 | 30 | 0 m | 180 m |
Uit tabel 1 blijkt dat voldaan wordt aan de richtafstanden. Voor het bedrijf aan de Mastdreef 3 dient een richtafstand van 50 meter in acht te worden genomen. De afstand van bouwvlak van het bedrijf aan de Mastdreef 3 tot aan het bouwvlak van de nieuwe woningen bedraagt circa 50 meter. In het Activiteitenbesluit geldt voor een veehouderij een vaste afstand van 50 meter vanaf het emissiepunt tot aan het geurgevoelig object. De buitenzijde van de dichtstbijzijnde stal ligt op 50 meter afstand van het bouwvlak van de nieuwe woning. Hierdoor wordt de ontwikkeling van het bedrijf op de locatie Mastdreef 3 niet beperkt.
In paragraaf 5.6 wordt deze locatie getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij. Door het voorliggend initiatief worden geen bedrijven in de omgeving in hun bestaande rechten beperkt en ter plaatse van de planlocatie kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zoals dit in de bestaande situatie ook is.
De bouwvlakken van de nieuwe woningen op de planlocatie liggen buiten de 50 meter cirkel, gemeten vanaf buitenzijde van de dichtstbijzijnde stal. In paragraaf 5.6 wordt verder ingegaan op het aspect ‘geur’.
5.8 Geur
Toetsingskader
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning.
Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen:
- Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen?
- Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?
Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling aan de Mastdreef maakt de realisatie van twee woningen mogelijk. De bescherming van een geurgevoelig object hangt af van de situatie. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt uitgegaan van vijf situaties:
In onderstaande tabel zijn de wettelijke geurnormen en afstanden opgenomen welke gelden als bescherming van de verschillende situaties.
Tabel 2: Wettelijke normen geurgevoelige objecten
| | Binnen / buiten bebouwde kom | |
A | Alle dieren (ook pelsdieren) | Binnen bebouwde kom | 100 m |
Buiten bebouwde kom | 50 m |
B | Dieren met geuremissiefactor | Binnen bebouwde kom | 100 m |
Buiten bebouwde kom | 50 m |
Dieren zonder geuremissiefactor | Binnen bebouwde kom | 100 m |
Buiten bebouwde kom | 50 m |
C | Dieren met geuremissiefactor | Binnen bebouwde kom | 100 m |
Buiten bebouwde kom | 50 m |
Dieren zonder geuremissiefactor | Binnen bebouwde kom | 100 m |
Buiten bebouwde kom | 50 m |
D | Dieren met geuremissiefactor | Concentratiegebied, binnen bebouwde kom | 3,0 OUE/m3 |
Concentratiegebied, buiten bebouwde kom | 14,0 OUE/m3 |
Niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 OUE/m3 |
Niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 OUE/m3 |
Dieren zonder geuremissiefactor | Binnen bebouwde kom | 100 m |
Buiten bebouwde kom | 50 m |
E | Dieren met geuremissiefactor | Concentratiegebied, binnen bebouwde kom | 3,0 OUE/m3 |
Concentratiegebied, buiten bebouwde kom | 14,0 OUE/m3 |
Niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 OUE/m3 |
Niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 OUE/m3 |
Dieren zonder geuremissiefactor | Binnen bebouwde kom | 100 m |
Buiten bebouwde kom | 50 m |
Geurverordening
De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Breda kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen een geurverordening. De geurnorm van de geurverordening ter plaatse van de planlocatie is 14 odour units (ouE/m³).
Woon- en leefklimaat planlocatie
Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting leidend is voor de geurhindersituatie, als deze groter is dan de helft van de achtergrondbelasting. Voor de afstandsdieren, dieren zonder geuremissiefactor, dient voldaan te worden aan de minimumafstanden.
Voor het bepalen van de milieukwaliteit worden in bijlage 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij een aantal methodes beschreven. In de geurverordening van de gemeente Breda zijn geen richtlijnen opgenomen voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat op basis van geurhinderpercentages. Derhalve wordt voor het onderhavig onderzoek uitgegaan van de milieukwaliteitscriteria van het RIVM. Het percentage geurgehinderden wordt bepaald met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij. In deze tabellen wordt de relatie gelegd tussen de geurbelasting (achter- en voorgrondbelasting) en het percentage geurgehinderden. Op basis van het percentage geurgehinderden kan vervolgens tevens de milieukwaliteit worden bepaald. De relatie tussen de geurbelastingen, het percentage geur-gehinderde is in tabel 3 weergegeven. Het RIVM hanteert voor de bepaling van de milieukwaliteit voor geurhinder de milieukwaliteitscriteria uit de GGD-richtlijn geurhinder tabel 4.
Tabel 3: Relatie tussen voorgrond- en achtergrondbelasting en geurhinder in concentratiegebied
Geurbelasting In ouE/m3 als 98-percentiel | | |
1 | 4% | 2% |
1,5 | 5% | 3% |
2 | 6% | 4% |
3 | 8% | 5% |
4 | 11% | 6% |
5 | 12% | 7% |
6 | 14% | 8% |
7 | 16% | 10% |
8 | 17% | 10% |
9 | 19% | 11% |
10 | 20% | 12% |
12 | 23% | 14% |
14 | 25% | 16% |
16 | 27% | 17% |
18 | 29% | 19% |
20 | 31% | 20% |
22 | 32% | 21% |
Tabel 4: Milieukwaliteitscriteria GGD-richtlijn geurhinder
| |
Zeer goed | <5 |
Goed | 5-10 |
Redelijk goed | 10-15 |
Matig | 15-20 |
Tamelijk slecht | 20-25 |
Slecht | 25-30 |
Zeer slecht | 30-35 |
Extreem slecht | 35-40 |
Uitgangspunten geurberekening
De provincie Noord-Brabant beheert middels het Web-BVB alle relevante gegevens van veehouderijen. Op basis van de geregistreerde gegevens zijn conform de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij alle veehouderijen geselecteerd binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie Masdreef ong.. In bijlage 5 is een overzicht met alle relevante veehouderijen met de bijbehorende geuremissies weergegeven.
Berekening achtergrondbelasting
In onderstaande tabellen is de cumulatieve achtergrondbelasting, berekend met V-stacks gebied en omgezet in een hinderpercentage waarnaar de milieukwaliteit /leefkwaliteit op deze gebieden kan worden aangegeven. De geurbelasting wordt berekend op de hoekpunten van het toekomstige bestemmingsvlak ‘Wonen’ van de woningen op de planlocatie Mastdreef ong. te Breda. In figuur 9 is aangegeven op welke punten binnen de planlocatie de geurbelasting is berekend. De achtergrondbelasting op de rekenpunten is in tabel 5 weergegeven. In bijlage 1 is de volledige geurberekening van de achtergrondbelasting bijgevoegd.
Figuur 9: Rekenpunten planlocatie Mastdreef ong.
Tabel 5: Achtergrondbelasting op de rekenpunten
Geurge
voelig object – Mastdreef ong. | |
Hoek 1 | 7,716 |
Hoek 2 | 5,715 |
Hoek 3 | 6,710 |
Hoek 4 | 7,196 |
Uit de berekening blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie tussen de circa 5,715 en de 7,716 ouE/m³ bedraagt. Het percentage geurgehinderden voor de nieuwe woningen aan de Mastdreef ong. is op basis van deze achtergrondbelasting tussen de 8% en 10% (tabel 3). Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn (tabel 4) kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen in de bestaande en toekomstige situatie ‘goed’ is. In bijlage 5 zijn de rekenresultaten voor de achtergrondbelasting opgenomen.
Bedrijven met dieren met geuremissiefactor
Voor de planlocatie Mastdreef wordt door middel van het bereken van de voorgrondbelasting berekend welk bedrijf met dieren met een geuremissiefactor het meest dominant is. Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de geurbelasting afkomstig van één veehouderij die de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt.
In de omgeving van de planlocatie zijn er twee dominante bedrijven betreft het aspect geur. Het gaat om een geitenhouderij en varkenshouderij. De geitenhouderij is gevestigd op de locatie Mastdreef 21 en de varkenshouderij is gevestigd op de locatie Mastdreef 19. Om zeker te zijn van een goed woon- en leefklimaat is de voorgrondbelasting van beide bedrijven berekend. Hierdoor is er een duidelijk beeld van de belasting op de nieuwe ontwikkeling. In bijlage 6 is de berekening van de voorgrondbelasting opgenomen.
Mastdreef 21
Op de locatie Mastdreef 21 is een gemengd bedrijf met geiten, runderen en varkens gevestigd. De vigerende milieuvergunning, welke verstrekt is door de gemeente Breda, is opgenomen in bijlage 6. Deze milieuvergunning is gebruikt voor de invoergegevens van de berekeningen. Bij de berekening is voor wat betreft de rekenpunten uitgegaan van de hoekpunten van het toekomstig bestemmingsvlak ‘Wonen’ van Mastdreef ong..
Uit de berekeningen blijkt dat de voorgrondbelasting ten gevolge van de afzonderlijke veehouderij aan de Mastdreef 21 onder de geurnorm van 14,0 ouE/m³ blijft. De hoogste geurbelasting bedraagt 4,6 ouE/m³. Het leefklimaat ten gevolge van de voorgrondbelasting voldoet dan ook aan de geldende norm van 14,0 ouE/m³ die ter plaatse van de planlocatie geldt. Het percentage geurgehinderden voor de nieuwe planologische situatie aan de Mastdreef ong. is op basis van deze voorgrondbelasting tussen de 6 % en 12 % (tabel 4). Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn (tabel 5) kan gesteld worden dat de milieukwaliteit in de bestaande en toekomstige situatie ‘goed’ tot ‘redelijk goed’ is. Het voorliggend initiatief op de planlocatie bestaat uit een bestemmingswijziging waarbij de twee nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt. Rondom het agrarisch bedrijf aan de Mastdreef 21 zijn in de bestaande situatie al geurgevoelige objecten op een kortere afstand dan de planlocatie aanwezig. Dit betreft de woningen op Mastdreef 9, Mastdreef 11 en Mastdreef 17. Deze aanwezige geurgevoelige objecten zijn zodoende maatgevend en beperkend voor de mogelijkheden van dit agrarisch bedrijf. De bestemmingswijziging geeft dan ook vanuit dit perspectief geen beperkingen voor het agrarisch bedrijf aan de Mastdreef 21. De volledige berekening van de voorgrondbelasting is in bijlage 6 opgenomen.
Tabel 6: Resultaten V-stacks vergunning
| | | | |
Hoek 1 | 108902 | 395422 | 14 | 4,6 |
Hoek 2 | 108975 | 395418 | 14 | 3,1 |
Hoek 3 | 108891 | 395258 | 14 | 2,6 |
Hoek 4 | 108868 | 395252 | 14 | 2,6 |
Mastdreef 19
Op de locatie Mastdreef 19 is een varkenshouderij gevestigd. Op dit moment is een milieuvergunningaanvraag van de locatie lopende. Voor de berekening van de voorgrondbelasting is uitgegaan van deze milieuvergunning. Door uit te gaan van deze aanvraag wordt de worst case scenario in beeld gebracht en is uit te sluiten dat de ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving beperkt wordt of een beperking oplevert voor het bedrijf aan Mastdreef 19 te Breda. De milieutekening van de beoogde situatie is opgenomen in bijlage 8. Bij de berekening is voor wat betreft de rekenpunten uitgegaan van de hoekpunten van het toekomstig bestemmingsvlak ‘Wonen’ van Mastdreef ong..
Uit de berekeningen blijkt dat de voorgrondbelasting ten gevolge van de afzonderlijke veehouderij aan de Mastdreef 19 onder de geurnorm van 14,0 ouE/m³ blijft. De hoogste geurbelasting bedraagt 6,7 ouE/m³. Het leefklimaat ten gevolge van de voorgrondbelasting voldoet dan ook aan de geldende norm van 14,0 ouE/m³ die ter plaatse van de planlocatie geldt. Het percentage geurgehinderden voor de nieuwe planologische situatie aan de Mastdreef ong. is op basis van deze voorgrondbelasting tussen de 12 % en 16 % (tabel 4). Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn (tabel 5) kan gesteld worden dat de milieukwaliteit in de bestaande en toekomstige situatie ‘redelijk goed’ tot ‘matig’ is. Het voorliggend initiatief op de planlocatie bestaat uit een bestemmingswijziging waarbij de twee nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt. Rondom het agrarisch bedrijf aan de Mastdreef 19 zijn in de bestaande situatie al geurgevoelige objecten op een kortere afstand dan de planlocatie aanwezig. Dit betreft de woningen op Mastdreef 9, Mastdreef 11 en Mastdreef 17. In onderstaande verbeeldingen zijn deze afstanden inzichtelijk gemaakt:

Deze aanwezige geurgevoelige objecten zijn zodoende maatgevend en beperkend voor de mogelijkheden van dit agrarisch bedrijf. De bestemmingswijziging geeft dan ook vanuit dit perspectief geen beperkingen voor het agrarisch bedrijf aan de Mastdreef 19. De volledige berekening van de voorgrondbelasting is in bijlage 7 opgenomen.
Tabel 7: Resultaten V-stacks vergunning
| | | | |
Hoek 1 | 108902 | 395422 | 14 | 6,7 |
Hoek 2 | 108975 | 395418 | 14 | 4,9 |
Hoek 3 | 108891 | 395258 | 14 | 4,8 |
Hoek 4 | 108868 | 395252 | 14 | 5,3 |
De nieuwe planologische situatie zal geen invloed hebben op mogelijk nieuwe bedrijfsontwikkelingen op de locatie Mastdreef 19 en Mastdreef 21.
Bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor
In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Voor de planlocatie Mastdreef ong. geldt een vaste afstand van 50 meter. Het gaat om de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de buitenzijde (gevel) van een geurgevoelig object. Binnen vaste afstandscontouren kan in beginsel geen acceptabel leefklimaat worden gegarandeerd.
De dichtstbijzijnde veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor is de paardenhouderij aan Mastdreef 3 te Breda. De afstand van het bouwvlak van de nieuw te realiseren woningen tot het bouwvlak van de locatie Mastdreef 3 bedraagt circa 50 meter. Er zijn geen vaste afstanden over de planlocatie gelegen.
Conclusie
Er is achtergrond- en voorgrondbelasting op de planlocatie aanwezig. In de voorliggende situatie is de voorgrondbelasting maatgevend omdat deze groter is dan de helft van de achtergrondbelasting. Het woon- en leefklimaat op de locatie is te bestempelen als ‘matig’ tot ‘goed’. Door de nieuwe wet- en regelgeving van de provincie Noord-Brabant, het aanpassen van verouderde stalsystemen, zal het klimaat niet verslechteren maar verbeteren. De milieukwaliteit ter plaatse van de planlocatie kan gezien worden als acceptabel.
5.9 Gezondheidsaspecten
Toetsingskader
Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, Rivm, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.
Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn:
- Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor;
- Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor;
- Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben.
Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden.
Uit beide onderzoeken blijkt dat de gezondheidseffecten komen door een combinatie aan stofdeeltje gebonden endotoxine (fijnstof) en ammoniak-fijnstof uit veehouderijen. De endotoxinen zorgen er voor dat omwonende last krijgen van hun luchtwegen en zijn dan ook een goede weergave van de blootstelling van omwonenden. De maximale waarde van de hoeveelheid endotoxinen is 30 EU/ m3 wordt geadviseerd door de onderzoekers. In varkensstallen en pluimveestallen zijn deze stofdeeltjes gemeten. Momenteel is een derde VGO onderzoek naar de invloed van deze endotoxinen in uitvoering. Door deze handleiding te volgen kan bepaald worden of de grenswaarde van 30 EU/ m3 overschreden wordt. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Ter aanvulling van deze handreiking is naar aanleiding van de VGO onderzoeken een handelingsnotitie opgesteld omtrent endotoxinen (Endotoxinen toetsingskader 1.0).
Op de planlocatie wordt de realisatie van twee woningen in het kader van Ruimte voor Ruimte mogelijk gemaakt. De planlocatie is omgeven door diverse agrarische bedrijven en veehouderijen. De omgeving is weergegeven in de navolgende afbeelding.
Figuur 10: Functies in de omgeving van de planlocatie
In de omgeving van de planlocatie zijn diverse veehouderijbedrijven in de omgeving. Deze veehouderijbedrijven hebben invloed op het gezondheidsklimaat ter plaatse van de planlocatie. In de navolgende tabel is weergegeven wat de afstanden tot de nieuwe woonbestemming en het bouwvlak van het veehouderijbedrijf is.
Tabel 8: Richtafstand bedrijven
| | Afstand tot grens bouwvlak |
Paardenhouderij (planologisch intensief, echter milieutechnisch paardenhouderij) | Mastdreef 3 | 20 m |
Varkenshouderij | Mastdreef 19 | 225 m |
Geitenhouderij | Mastdreef 21 | 200 m |
Binnen een afstand van 20 meter tot het bestemmingsvlak is een paardenhouderij gevestigd. Binnen de bestemming wonen mag enkel binnen het bouwvlak de woning gerealiseerd worden. De afstand tussen het bouwvlak van Mastdreef 3 en het bouwvlak van de nieuwe woningen is 50 meter. Door deze afstand worden de nieuwe woningen niet beperkt door de geur van de paardenhouderij op de locatie Mastdreef 3. Een paardenhouderij heeft geen fijnstofemissie en is hierdoor ook niet van invloed op het gezondheidsklimaat van het beoogde plan.
In de omgeving van het plangebied is een varkenshouderij gevestigd. Deze varkenshouderij heeft invloed op het gezondheidsklimaat op de nieuwe ontwikkeling. Om te bezien of de advieswaarde van 30 EU/ m3 behaald wordt is de volgende formule voor varkenshouderijen opgesteld:
Y = afstand (m); p1 = 60.0608184; p2= 231.712643; x = PM10 emissie (kg/jaar)
De hoeveelheid PM10 emissie per jaar op de locatie is 442 kg. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van web BVB van de locatie opgenomen.
Figuur 11: Uitsnede web BVB locatie Mastdreef 19 te Breda
Dit resulteert voor de locatie Mastdreef in de volgende afstand:
Y = 60.0608184* In(442) - 231.712643 = 134,1
De minimale afstand tot de varkenshouderij dient 134,1 meter te zijn. De kortste afstand tussen de varkenshouderij en de planlocatie is 230 meter. Hiermee wordt voldaan aan de adviesgrenswaarde voor endotoxinen van 30 EU/m3 gesteld door de Gezondheidsraad.
Naar aanleiding van een VGO-onderzoek heeft de provincie Noord-Brabant op 2018 een tijdelijk geitenmoratorium ingesteld om te voorkomen dat rond geitenveehouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Hieruit reist in het kader van een goede ruimtelijke ordening de vraag of er bij het ontwikkelen van nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, dan ook rekening gehouden moet worden met de omgekeerde werking. Hoe kan immers een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd worden en is het vanwege de risico’s voor de volksgezondheid wel wenselijk om nieuwe gevoelige functies op te richten nabij geitenveehouderijen? In de omgeving van de planlocatie, aan de Mastdreef ong. te Breda, ligt een geitenveehouderij. Ten behoeve van het initiatief wordt de omgekeerde werking van het geitenmoratorium derhalve getoetst aan de hand van een memo van de ODZOB.
De eerste reactie is doorgaans dat het (gemeente)beleid consequent moet zijn. Een stop op de uitbreiding van geitenveehouderijen moet andersom ook doorwerken voor woningbouwprojecten. Dit zou betekenen dat het (uit voorzorg) niet wenselijk is om nieuwe gevoelige functies op te richten binnen 2 km van geitenhouderijen. Het is echter aan het gemeentebestuur om bij de besluitvorming over ruimtelijke plannen een afweging te maken. Hierbij kan in ogenschouw worden genomen dat:
- In Nederland 3,5% van de ziektelast gerelateerd is aan milieufactoren. Van deze milieufactoren veroorzaakt blootstelling aan luchtverontreiniging veruit de meeste ziektelast. De in de VGO-onderzoeken geconstateerde ziektelast valt in principe onder de bestaande ziektelast door milieufactoren. Er is dus geen verhoging van de ziektelast. Wel zullen er door het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenveehouderij meer mensen blootgesteld worden aan stoffen uit de geitenveehouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken.
- Vanwege het moratorium kan het woon- en leefklimaat als gevolg van stoffen uit de geitenveehouderij die de longontsteking mogelijk veroorzaken niet verslechteren en in de toekomst wellicht verbeteren. Het moratorium houdt namelijk in dat de bestaande geitenveehouderijen mogen blijven en daarmee de huidige gezondheidslast voorlopig aanvaard wordt. Tegelijk wordt onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak om over enkele jaren de risico’s te kunnen verminderen of voorkomen.
- Welke stoffen (bron/emissie) de oorzaak zijn van de verhoogde kans op longontsteking rondom geitenveehouderijen kan door de onderzoekers nog niet worden aangegeven. Er worden ook geen uitspraken gedaan over de aanvaarbaarheid van het verhoogde risico op longontsteking. Het gevolg hiervan is dat er nog geen verband kan worden gelegd tussen een maximale blootstelling en de al dan niet aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Er is dus geen wettelijk toetsingskader met normen die beschermen tegen het risico op longontsteking vanwege de geitenveehouderij en daarom is formeel geen normoverschrijding in het geding. Dit concludeert ook de Raad van State in de uitspraak ABRvS 200906655/1/R3 (2 maart 2011): ondanks dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er gezondheidsschade kan optreden, hoeft een gemeente daar niet aan te toetsen als dat niet in de regelgeving is verwerkt.
- Hieruit kan nog een parallel worden getrokken met het landelijk beleid. Deze kent de regel ‘niet-in-betekenende-mate (nibm)’, welke een kleine toename van de concentratie fijnstof in de buitenlucht toelaatbaar acht. Er is wel sprake van een kleine verslechtering van het woon-en leefklimaat, maar deze wordt acceptabel geacht in de wetenschap dat de beperkte verhoging van concentraties fijnstof in de buitenlucht door nationaal generieke maatregelen op termijn worden gecompenseerd.
Gebruikmakend van voorgaande overwegingen kan een gemeente de afweging maken om toch medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van het mogelijk maken van twee woningen in het kader van Ruimte voor Ruimte ter plaatse van de Mastdreef ong.. Hieronder worden nog een aantal overwegingen opgesomd welke aantonen dat het aspect volksgezondheid naar alle redelijkheid niet zal leiden tot een belemmering op de locatie.
- Gemeente Breda heeft een relatief laag percentage aan geitenveehouderijen en overige intensieve veehouderijen. Het aspect volksgezondheid vormt doorgaans dan ook geen belemmering voor functiewijzigingen.
- Het VGO onderzoek gaat uit van een endotoxine risicogebied indien 15 veehouderijen (of meer) zijn gelegen binnen een kilometer van een gevoelig object. Opgemerkt dient te worden dat binnen 1 kilometer van de planlocatie 10 veehouderijen zijn gelegen, dus ruimschoots onder de grens van 15 veehouderijen. In onderstaande figuur zijn de veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 km van de planlocatie weergegeven.
Figuur 12: Veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 km van de planlocatie
- In de notitie van het VGO onderzoek wordt ook een locatiegerichte specifieke benadering voorgesteld, omdat blijkt dat ook bij kleinere clusters (binnen 250 meter) cumulatie speelt vanwege de grote omvang van de veehouderijen, de hiermee gepaard gaande emissie van fijnstof-endotoxine en de geringe afstanden naar te beschermen objecten. De eerste vraag is of er in de omgeving van de planlocatie meerdere veehouderijen zijn gelegen met een hoge fijnstof-endotoxine emissie. Voor het afbakenen van de ‘omgeving’ wordt aangesloten bij de clusters van 250 meter die voortvloeien uit de locatiegerichte specifieke benadering. Op grond van de regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl) is sprake van een hoge fijnstofemissie, indien de fijnstofemissie van een bedrijf meer dan 500 kg PM10 per jaar bedraagt. Binnen 250 meter van de projectlocatie zijn geen bedrijven gelegen met een hogere fijnstofemissie dan 500 kg PM10 per jaar. Binnen 500 meter van de projectlocatie zijn daarnaast geen bedrijven gelegen met een hogere fijnstofemissie dan 500 kg PM10 per jaar.
- In paragraaf 5.6 is nader onderbouwd dat de achtergrondbelasting geur redelijk goed is, dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De gezondheidskundige waarde op het gebied van geur voldoet hier ruimschoots.
- In paragraaf 5.9 wordt nader onderbouwd dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een zodanig lage concentratie PM10, dat hier geen negatieve gezondheidseffecten zijn te verwachten.
- Bij geitenveehouderijen is geen sprake van een endotoxine-richtafstand waaraan getoetst kan worden. Tevens is er bij geitenveehouderijen sprake van een lage stofemissie, in relatie tot puimveehouderijen.
- In de omgeving is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden over het aspect volksgezondheid gerelateerd aan de betreffende geitenveehouderij of andere veehouderijen in de omgeving.
- Daarnaast speelt de windrichting een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof zich doorgaans verplaatsen uit de richting van de planlocatie.
De achtergrondbelasting geur laat zien dat er ter hoogte van de planlocatie sprake is van een “goed tot zeer goed” woon- en leefklimaat. Alles in ogenschouw nemende wordt het omzetten van de agrarische bestemming naar ‘Maatschappelijk’ op de planlocatie in het kader van een goede ruimtelijke ordening passend geacht. Het aspect volksgezondheid zal dan ook niet leiden tot een belemmering
Alles in ogenschouw nemende wordt het toevoegen van twee nieuwe woningen in het kader van ruimte voor ruimte passend geacht, desondanks de korte ligging van de veehouderijbedrijven. De initiatiefnemers zijn er van op de hoogte dat zij in de omgeving van veehouderijbedrijven gaan wonen. Het is aan het gemeentebestuur om een afweging te maken.
5.10 Geluid
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan.
Wegverkeer
Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan akoestische situatie bij geluidgevoelige objecten. In het kader van de Wet geluidhinder valt een woning onder een geluidsgevoelig object. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat.
Het berekenen van de geluidsbelasting heeft tot doel te bepalen of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder.
Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavig plan. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar het onderzoek in de afzonderlijke bijlage.
Op basis van de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting op nieuwe bestemmingen, welke binnen de geluidzone van een (spoor)weg of industrieterrein zijn gelegen, worden bepaald. Een nieuwbouwwoning wordt gezien als een nieuwe geluidgevoelige bestemming. In onderhavige situatie ligt de planlocatie binnen de geluidzones van de N263, de Mastdreef, de Sintelweg, de parallelwegen langs de N263 en de Oude Rijsbergsebaan. Vanwege de lage verkeersintensiteit op de oostelijke parallelweg en de Oude Rijsbergsebaan (vergelijkbaar met Mastdreef en Sintelweg) in relatie tot de ruimere afstand tot de planlocatie zijn beide wegen niet meegenomen in onderhavig onderzoek.
Het akoestisch onderzoek heeft dus tot doel de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de N263, de Mastdreef, de Sintelweg en de parallelweg ten westen van de N263 te bepalen en deze te toetsen aan de normen uit de Wet geluidhinder. Tevens is een cumulatieberekening uitgevoerd en is de kwaliteit van het akoestisch woon- en leefklimaat beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie en advies
De geluidbelasting vanwege de Mastdreef, de Sintelweg, de Oude Rijsbergsebaan en de parallelweg langs de N263 voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Voortvloeiend hieruit wordt de geluidbelasting vanwege deze wegen als niet relevant beschouwd voor de planlocatie. Aanvullend onderzoek naar geluidreducerende maatregelen op deze wegen kan dan ook achterwege blijven, evenals een aanvraag hogere waarde.
De berekende geluidbelastingen vanwege de N263 voldoen niet overal aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelonderzoek heeft uitgewezen dat het toepassen van andere maatregelen, dan het reeds meegerekende geluidscherm van 2 meter hoog en 125 meter lang, om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde niet doelmatig (genoeg) zijn of stuiten op overwegende bezwaren.
Om een hogere waarde te kunnen vaststellen mag volgens de Wet geluidhinder de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai niet hoger zijn dan 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt bij de zuidelijke woning niet voldaan voor wat betreft de oostelijke gevel op 1e verdiepingshoogte. Dit geveldeel dient daarom als dove gevel te worden uitgevoerd, als er een geluidgevoelige ruimte direct aan grenst.
Samengevat:
- voldoet de geluidbelasting vanwege de Mastdreef, de Sintelweg, de Oude Rijsbergsebaan en de parallelweg langs N263 aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB;
- voldoet de geluidbelasting vanwege de N263 niet aan de voorkeursgrenswaarde en dient er voor beide woningen een hogere waarde van 53 dB te worden aangevraagd bij de gemeente Breda vanwege deze weg;
- dient het geluidscherm van 2 meter hoog te worden gerealiseerd met een minimale lengte van 125 meter, zoals weergegeven in het akoestisch rapport en weergegeven in figuur 1 van het akoestisch rapport;
- dient de oostgevel van woning 2 (zuidelijke) op verdiepingshoogte te worden uitgevoerd als een dove gevel indien een geluidgevoelige ruimte hieraan grenst;
- leidt cumulatie van geluid vanwege alle geluidbronnen wegverkeerslawaai niet of nauwelijks tot een toename in geluid ten opzichte van alleen de meest maatgevende geluidbron en daarmee dus niet tot een wezenlijke verslechtering van het akoestisch klimaat bij de woningen;
- Kan het akoestisch woon- en leefklimaat bij woning 1 overwegend als ‘goed’ tot ‘redelijk’ worden beschouwd en varieert het akoestisch woon- en leefklimaat bij woning 2 van ‘goed’ ter plaatse van de westgevel tot ‘redelijk en matig’ bij de zuidelijke en oostelijke gevel;
5.11 Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.
Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd.
Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende:
Woningbouw:
- 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg;
- 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
De woningen, welke ten opzichte van de huidige situatie wordt toegevoegd, zullen niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Mastdreef te Breda. Voor het onderhavige plan is de grens van 3 % geldig. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woningen zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse, en dusdanig de 3 % grens nooit overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
5.12 Externe veiligheid
Algemeen
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (autowegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of het betreffende transportmiddel. Dit wordt geregeld via de Arbeidsomstandighedenwetgeving.
De doelstelling ten aanzien van externe veiligheid in de milieuvisie van de gemeente Breda is:” In 2015 zijn de risico’s inzichtelijk, bekend en aanvaardbaar. Waar noodzakelijk liggen rampenplannen en vluchtroutes klaar. De hulpverleningsdiensten zijn opgeleid en de Bredanaars weten wat ze moeten doen bij gevaarlijke situaties”.
Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door het aantal transporten van gevaarlijke stoffen en de ongevalfrequentie en wordt uitgedrukt als een kans per jaar. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd.
Groepsrisico
Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Bij het aangeven van representatieve hoeveelheden personen wordt gewerkt vanuit zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde.
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of de betreffende transportroute.
De doelstelling ten aanzien van externe veiligheid in de milieuvisie is: ‘In 2015 zijn de risico’s inzichtelijk, bekend en aanvaardbaar. Waar noodzakelijk liggen rampenplannen en vluchtroutes klaar. De hulpverleningsdiensten zijn opgeleid en de Bredanaars weten wat ze moeten doen bij gevaarlijke situaties.’
Regelgeving
Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste regelingen zijn:
- Besluit externe veiligheid inrichtingen, Staatsblad 2004 nr. 250.
- Besluit externe veiligheid buisleidingen, Staatsblad 2010 nr. 686.
- Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke stoffen, Staatscourant 4/8/2004 nr. 147 (Besluit Transportroutes Externe Veiligheid, Basisnet weg en spoor).
De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Figuur 13: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant
De planlocatie ligt ten opzichte van de Rijksweg A16 op circa 1000 meter. Voor de Rijksweg A16 is in het kader van het Basisnet weg onderzoek verricht door de gemeente Breda naar de externe veiligheidsrisico’s.
Er is sprake van 3 risicoafstanden:
- Veiligheidszone: de veiligheidszone (gemeten vanaf het midden van de weg [aan weerszijden]) varieert van 5 tot 30 m. De planlocatie is niet gelegen in de veiligheidszone van de weg, de afstand van het bestemmingsvlak tot het midden van de weg bedraagt circa 1000 meter.
- Plasbrandaandachtsgebied: langs wegdelen waarover veel wagons met brandbare vloeistoffen worden vervoerd, komen zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden (PAG’s). Deze gebieden zijn extra kwetsbaar voor ongelukken waarbij deze wagons omvallen. De inhoud kan dan weglekken en in brand raken. Een PAG komt overeen met een zone van 30 meter aan weerszijden van de weg, gemeten vanaf de vangrail. Voor die zone gelden aanvullende bouwvoorschriften. De planlocatie is niet gelegen in het plasbrandaandachtsgebied.
- Invloedsgebied, groepsrisico: de planlocatie is niet gelegen binnen de aanduiding ‘veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen’. Binnen deze aanduiding dienen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen van inrichtingen vooraf in het kader van externe veiligheid te worden getoetst en te voldoen aan de plaatsgebonden en/of groepsgebonden risico’s. De planlocatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A16.
Conclusie
Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.13 Toetsing besluit milieueffectrapportage
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is.
Onder lijst D van het Besluit m.e.r. valt een stedelijk ontwikkelingsproject als het een project meer dan 2.000 woningen omvat. Binnen de planlocatie omvat de ontwikkeling het oprichten van maximaal twee nieuwe woningen. De omvang van de voorgenomen ontwikkeling is kleiner dan de drempelwaarde. Gesteld kan worden dat de milieueffecten gevolgen van de realisatie van twee woningen van dien aard zijn dat er geen m.e.r.-plicht of m.e.r –beoordeling aan de orde is.
In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben beneden de drempelwaarden, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Beoordeling Drempelwaarde lijst D
Op de planlocatie is sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een klein stedelijke ontwikkelingsproject. Het realiseren van twee grondgebonden woningen valt onder de activiteiten D.11.2. in bijlage II van het Besluit m.e.r. waarvoor de term ‘stedelijke ontwikkeling’ geldt. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten van D.11.2. in bijlage II van het Besluit vermeld:
- Een oppervlakte van 100 ha of meer;
- Een aangesloten gebied;
- 2000 of meer woningen;
- Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000m² of meer.
De ontwikkeling ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.
Omdat de ontwikkeling in onderdeel D van het Besluit m.e.r. voorkomt, moet tevens bekeken worden of sprake is van belangrijke negatieve effecten voor het milieu die de uitvoering van een projectmer noodzakelijk maken. Alle mogelijke milieugevolgen van de activiteiten die voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt zijn onderzocht en staan beschreven in de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze beoordeling is opgenomen in bijlage 10.
Conclusie
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van de ontwikkeling in het plangebied, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieueffecten. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.
Het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. Het college van burgemeester en wethouders dienen een beluit te nemen of een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd.
6 Juridische planbeschrijving
6.1 Inleiding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen.
De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemming omschrijvingen en de bouwregels te vinden.
Bestemmingsvlak en bouwvlak
Elke bestemming bestaat doorgaans uit een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied op de verbeelding waarvoor de mogelijkheden om te bebouwen in de bestemmingsregels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering en/of functie.
Aanduidingen
De letteraanduidingen van de bestemmingen zijn ingetekend in het bestemmingsvlak. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn aangegeven door aanduidingen. Als deze specificaties op het hele bestemmingsvlak van toepassing zijn, staan deze aanduidingen achter de bestemmingsaanduiding in het bestemmingsvlak.
6.2 Hoofdopzet
De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). Deze afspraken en aanbevelingen zijn op 1 januari 2010 wettelijk vastgesteld.
Indeling planregels
De juridische regeling bestaat uit drie hoofdstukken, te weten:
- Inleidende regels;
- Bestemmingsregels;
- Algemene regels;
- Overgangs- en slotregels.
Deze volgorde is gebaseerd op de indeling zoals deze is voorgeschreven in de SVBP.
In hoofdstuk 1 ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
In het volgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op de bestemmingen en hun gebruik (zie paragraaf 6.3). Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en/of overige regels.
Het laatste hoofdstuk (‘Overgangs- en slotregels) bestaat uit het overgangsrecht en de slotregel.
6.3 Bestemmingen
Natuur
De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor de duurzame instandhouding van natuurgebieden, behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden, behoud of versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden, verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan en extensief recreatief medegebruik.
Wonen
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende tuinen en erven en ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' tevens daarvoor.
7.1 Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling op de locatie Mastdreef ong. naast nr. 20 te Breda is een particulier initiatief. De in deze toelichting beschreven ontwikkeling zullen dan ook volledig vanuit particulier initiatief gerealiseerd en gefinancierd worden. Het gehele terrein is particulier eigendom. Investeringen vanuit de gemeente zijn derhalve niet noodzakelijk.
Ten behoeve van dit plan is tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. De anterieure overeenkomst heeft onder andere de strekking dat de gemeente geen enkel risico loopt ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit plan. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk. Met de overeenkomst is de uitvoerbaarheid van voorliggend ontwikkelgericht bestemmingsplan gewaarborgd.
8.1 Inleiding
In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.
8.2.1 Participatie
Breda kent vier participatieniveaus. Per initiatief wordt door de initiatiefnemer gekeken welk niveau het beste bij het initiatief past. Een grotere invloed van uw initiatief op belanghebbenden en/of de omgeving vraagt om een hoger participatieniveau. De ontwikkeling op de planlocatie betreft een participatieniveau 1, dit betekent dat de belanghebbenden geïnformeerd dienen te worden.
Participatie zorgt voor een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. Participatie is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de participatie is niet om ‘overeenstemming’ over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van participatie is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijk ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan.
Bij het initiatief op de planlocatie is gekozen voor het toepassen van mondelinge participatie de belanghebbenden, in dit geval de direct omwonenden. Omwonenden zijn door initiatiefnemer persoonlijk benaderd.
De omwonenden hebben overwegend positief gereageerd op de voornomen initiatief. Er werden enkele vragen gesteld, de initiatiefnemer heeft deze vragen beantwoord. De gevoerde gesprekken met de direct omwonenden geven vooralsnog geen aanleiding om het beoogde plan aan te passen. In verband met de privacy van initiatiefnemer en geïnformeerde omwonenden is het complete verslag van niet als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd. In overleg met gemeente Breda kan inzicht verkregen worden in het complete verslag van de omgevingsdialoog.
8.2.2 Vooroverleg
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instanties:
- Provincie Noord-Brabant
- Waterschap Brabantse Delta
- Brandweer Midden en West Brabant
- Wijkraad Breda Zuidwest
Vooroverlegreactie Provincie Noord-Brabant
Op 13 december 2021 heeft de Provincie Noord-Brabant in het kader van het vooroverleg een reactie gegeven op het voorontwerp bestemmingsplan betreffende Mastdreef ong. te Breda. Provincie Noord-Brabant geeft aan de locatie geen planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie te vinden. Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie is de provincie op 25 februari 2021 op locatiebezoek aan de Mastdreef geweest. Hier zijn zij gezamenlijk met de gemeente tot conclusie gekomen dat de planlocatie wel onderdeel uitmaakt van een bebouwingsconcentratie. De bebouwing is verspreid in het gebied gesitueerd aan de Mastdreef, de Rijsbergseweg en de Oude Rijsbergsebaan. Daarnaast gaf de provincie aan dat de RvR-titels nog niet verworven zijn. Deze zijn wel verworven en worden toegevoegd aan onderhavig bestemmingsplan. De vooroverlegreactie is in bijlage 11 toegevoegd aan de bijlagen.
Brandweer Midden en West Brabant
Brandweer adviseert niet negatief over het plan. Het advies is als bijlage bij de toelichting opgenomen.
8.2.3 Beginspraak
Onderhavig concept-ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg toegezonden aan het Natuurplein.
9.1 Inleiding
Op 9 april 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in een tussenuitspraak geconstateerd dat het plan op een viertal punten gebreken vertoont. De Afdeling stelt de raad in de gelegenheid om deze gebreken te herstellen en alsnog te motiveren dat:
- er sprake is van aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV), voor zover het gaat om de bouwtitel van de woning waarvoor een certificaat van de ORR is aangekocht (hierna: woning 1) met certificaatnummer 974, titelnummer 20170458;
- wordt voldaan aan de vereisten van artikel 3.78 van de IOV, in samenhang gelezen met de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant (hierna: de beleidsregel), voor zover het gaat om de bouwtitel van de woning waarvoor het toetsingsformulier is gebruikt, (hierna: woning 2);
- de woningen zijn voorzien op een aanvaardbare locatie in de zin van artikel 3.78, derde lid, en artikel 3.79, eerste lid, onder b, van de IOV;
- het plan in overeenstemming is met artikel 3.79, eerste lid, onder c, in samenhang gelezen met artikel 3.77 van de IOV, hetgeen inhoudt dat de raad alsnog moet motiveren dat het plan in overeenstemming is met de ontwikkelingsrichting van het gebied.
Aanvullende motivering bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’ wordt per onderdeel uitvoeriger onderbouwd dat, kort gezegd, het bestemmingsplan niet in strijd is vastgesteld met de provinciale Interim omgevingsverordening. Onderdeel van de aanvullende motivering zijn de volgende stukken:
1. Tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2025
(ECLI:NL:RVS:2025:1568).
2. Brief provincie met een nadere onderbouwing van de Ruimte voor ruimte regeling van 5 november 2025 met
kenmerk C2364599/6213920, inclusief de volgende bijlagen:
1. Pact van Brakkenstein;
2. Beleidsregel Ruimte voor ruimte-verbreed;
3. Overzicht MOB-complexen;
4. Overzicht glastuinbouwbedrijven;
5. Overzicht SSOB;
6. Overzicht RBV1;
7. Overzicht RBV2;
8. Overzicht uitgegeven titels vanaf 2017;
9. Statenmededeling 25 maart 2025;
10. Toetsingsformulier saneringslocatie Zundert;
11. Register koppeling bouw- met saneringslocatie
3. Notitie bouwingsconcentratie “BP Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20”, d.d. 9 september 2025.
4. Principeakkoord van 28 juli 2008.
9.2 Aanvullende motivering
Op basis van de verstrekte informatie van de provincie is duidelijk waar de oorspronkelijke Ruimte-voor-ruimte regeling op gebaseerd is en dat de uitgifte van certificaten gerelateerd kan worden aan de behaalde kwaliteitswinst. Ook is uitvoerig uiteen gezet welke investeringen zijn gedaan in het kader van de regeling Ruimte voor ruimte verbreed en op welke wijze deze investeringen worden terugverdiend. Bij de regeling Ruimte voor ruimte verbreed wordt andere systematiek gehanteerd om een koppeling te leggen tussen het verplicht treffen van maatregelen gericht op de fysieke verbetering van omgevingskwaliteit en de minimale omvang van die tegenprestatie ter hoogte van een ruimte-voor-ruimtekavel. Dit is uitgewerkt in de beleidsregel Maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant. Tenslotte licht de provincie toe hoe op basis van een toetsingsformulier bepaald wordt of een individuele deelnemer aan de (oorspronkelijke) regeling Ruimte-voor-ruimte kan voldoen aan de gestelde voorwaarden van 1.000 m² sloop van varkens- of kippenstallen, het definitief doorhalen van 3.500 kg fosfaat bij de RVO en het (planologisch) beëindigen van de veehouderij. Uit de toelichting van de provincie blijkt daarbij dat de dubbele registratiesystematiek voorkomt dat er sprake is van een dubbele inzet van meters of fosfaatrechten.
Aanvullende motivering gebrek 1.
Er is sprake van aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit in de zin van artikel 3.79, eerste lid, onder a, van de IOV, voor zover het gaat om de bouwtitel van de woning waarvoor een certificaat van de ORR is aangekocht, hierna woning 1.
Voor de bouw van woning 1 is een certificaat gekocht van de ORR, certificaatnummer 974, titelnummer 20170458.
Het certificaat voor Woning 1 draagt bij aan het terugverdienen van de investeringen die zijn gedaan in het kader van de regeling Ruimte voor ruimte verbreed. Binnen de RvR-verbreed regeling is het niet mogelijk om een koppeling te leggen met een vaste sloopomvang; de saneringsopgave betreft namelijk niet meer alleen de sanering van intensieve veehouderijen maar gaat ook om bijvoorbeeld de sloop van een MOB-complex, de inrichting van een gebied voor natuur of de gehele aankoop en sloop van een milieuhinderlijk bedrijf. Daarom is bij de regeling Maatwerk voor omgevingskwaliteit alleen een koppeling gelegd tussen het verplicht treffen van maatregelen gericht op de fysieke verbetering van omgevingskwaliteit en de minimale omvang van die tegenprestatie ter hoogte van een ruimte-voor-ruimtekavel. Dit is uitgewerkt in een beleidsregel met daarin de uitgangspunten die de provincie hanteert om te bepalen of een ontwikkeling in voldoende mate bijdraagt aan het versterken van omgevingskwaliteit als men een woning wil toevoegen in het buitengebied.
In de toelichting uit de brief van de provincie die als bijlage 2 deel uitmaakt van deze aanvullende motivering is inzichtelijk gemaakt welke kwaliteitsverbetering concreet vanuit de provincie is gerealiseerd. Op grond van de regeling Ruimte-voor-ruimte-verbreed is aanvullend op de oorspronkelijke regeling Ruimte-voor-ruimte nog € 30,1 miljoen geïnvesteerd in concrete fysieke kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Dit nog los van de stimuleringsmaatregelen. De gemeente Breda heeft ook gelden uit deze stimuleringsmaatregel ontvangen welke zijn ingezet voor de uitbreiding van het weidevogelgebied in de Lage Vuchtpolder en de natuurrealisatie in de landgoederenzone Haagse Beemden. Voor beide projecten geldt dat zij bijdragen aan de fysieke verbetering van de omgevingskwaliteit.
Aanvullende motivering gebrek 2.
Er wordt voldaan aan de vereisten van artikel 3.78 van de IOV, in samenhang gelezen met de beleidsregel, voor zover het gaat om de bouwtitel van woning 2 waarvoor het toetsingsformulier is gebruikt.
De bouwtitel voor woning 2 is verkregen op basis van een toetsingsformulier.
Bij de toelichting van het bestemmingsplan zit het dossier zoals Agripunt dat heeft aangeleverd en het toetsingsformulier zoals dat namens de provincie is afgegeven, zie bijlage 12 Ruimte voor Ruimte titels. Bij de aanvullende motivering bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’ is een op 23 juli 2020 geactualiseerd overzicht opgenomen, waaruit blijkt dat de slooplocatie Nieuwmoerseweg 29 in Achtmaal garant staat voor 3,170 bouwtitels. Er wordt namelijk 3.170 m² aan bedrijfsbebouwing ingeleverd. Daarnaast worden er 11.095,56 kg fosfaatrechten doorgehaald.
In de Aanvullende motivering bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’ is ook het registratiesysteem hierom nader toegelicht. Als bijlage 11 Register koppeling bouw- met saneringslocatie bij de uiteenzetting van de provincie is een deel van het Excel bestand van de provincie toegevoegd om inzichtelijk te maken hoe deze registratie wordt vormgegeven.
Ter plaatse van de Nieuwmoerseweg 29 in Achtmaal is het bestemmingsplan aangepast. In het dossier, bijlage 12 van de toelichting bij het bestemmingsplan, is het collegebesluit bijgevoegd waarmee de bestemming van de gronden is gewijzigd naar Wonen. Het wijzigingsplan ‘Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied Zundert, wijziging Nieuwmoerseweg 29’ is op 24 april 2021 onherroepelijk geworden. In de Aanvullende motivering bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’ wordt nader ingegaan op de inhoud van dit wijzigingsplan en de daarin opgenomen publiekrechtelijke borging van
de voorwaarden uit de sloopregeling.
Uit de luchtfoto’s van de afgelopen jaren zoals die zijn opgenomen in de Aanvullende motivering bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’ blijkt dat ter plaatse van de locatie ook daadwerkelijk de bebouwing is gesloopt.
Aanvullende motivering gebrek 3.
De woningen zijn voorzien op een aanvaardbare locatie in de zin van artikel 3.78, derde lid, en artikel 3.79, eerste lid, onder b, van de IOV.
Door Schoenmakers advies is een uitgebreide notitie opgesteld om in aanvulling op hetgeen in de toelichting bij het bestemmingsplan en in het verweerschrift uiteen is gezet te onderbouwen dat de planlocatie ligt op een aanvaardbare locatie. De planlocatie voldoet namelijk aan de kenmerken van een bebouwingsconcentratie. Daarmee is de gekozen plek niet alleen juridisch en planologisch aanvaardbaar, maar ook landschappelijk en beleidsmatig passend. De toevoeging van twee woningen vormt een logische en kwalitatieve versterking van het cluster waarin de planlocatie zich bevindt en van de ruimtelijke structuur van het gebied rond Effen.
De Notitie bouwingsconcentratie “BP Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20”, d.d. 9 september 2025 is opgenomen bij de Aanvullende motivering bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’.
Aanvullende motivering gebrek 4.
Het plan is in overeenstemming met artikel 3.79, eerste lid, onder c, in samenhang gelezen met artikel 3.77 van de IOV.
Het plan is in overeenstemming met de ontwikkelingsrichting van het gebied want het plan past in de overgangsregeling van de Omgevingsvisie Breda 2040.
De overgangsregeling van de Omgevingsvisie is op het plan van toepassing. Op 28 juli 2009 hebben initiatiefnemers een positief principe-uitspraak ontvangen over het mogen toevoegen van twee ruimte-voor-ruimte woningen. Ten tijde van het inhoudelijk beroep was de principe-uitspraak uit 2009 nog niet achterhaald. Dit is na de tussenuitspraak van 9 april 2025 alsnog gebeurd. Dit schrijven is als bijlage bij de Aanvullende motivering bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid 2013, Mastdreef naast nr. 20’ opgenomen.