Buitengebied Zuid 2013, herziening Rijsbergseweg
HOOFDSTUK 1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doel
De provincie Noord-Brabant wil samen met gemeenten de veranderingen in het buitengebied dusdanig sturen dat bedreigingen worden omgezet in kansen. Gemeente Breda heeft de structuurvisie ‘Breda 2030’ opgesteld. In deze visie is ruimte voor ruimte mogelijk binnen bebouwingsconcentraties.
De ruimte voor ruimte regeling maakt het mogelijk woningen te bouwen buiten het reguliere woningbouwprogramma om. De bouw van nieuwe woningen op ruime kavels in delen van het buitengebied kan hierdoor mogelijk worden gemaakt, wanneer hiervoor agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik waren of zijn voor intensieve veehouderij, worden gesaneerd in combinatie met milieuwinst ter plaatse.
De gemeente heeft de gemeentelijke ruimtelijke beleidsregels toegelicht in de Structuurvisie Breda 2030. Per bebouwingsconcentratie heeft de gemeente een gebiedsvisie opgesteld. De locatie Rijsbergseweg ong. naast 304 ligt in een bebouwingsconcentratie (gebiedsvisie Effen), waar verdichting mogelijk is. Het voornemen is om een ruimte voor ruimte woning op te richten.
Het agrarisch bouwvlak op de locatie Rijsbergseweg 304 wordt aangepast. Een van de eisen voor de ontwikkeling van de voorgenoemde ruimte voor ruimte woning is dat er een afstand is van minimaal 50 meter is tussen het agrarisch bouwvlak en het bouwvlak van de ruimte voor ruimte woning. Deze aanpassing wordt tevens meegenomen in onderhavig plan.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied
De planlocatie ligt aan de Rijsbergseweg. De Rijsbergseweg is een provinciale verbindingsweg (N263) tussen Breda en Rijsbergen. De planlocatie behoort tot de provincie Noord-Brabant. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente Princenhage, sectie L en nummers 2033 en 2090.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402000.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402000.jpg)
Figuur 1: Uitsnede topografische kaart met de planlocatie
1.3 Vigerend bestemmingsplan
Op de planlocatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013’ van kracht. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 februari 2017.
1.4 Planvorm
Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013, herziening Rijsbergseweg’ vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld met een toelichting. Het voorliggend plan vormt het planologisch kader voor de ontwikkeling van één ruimte voor ruimte kavel en het aanpassen van een agrarisch bouwvlak in het buitengebied van Breda.
1.5 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarbij onder andere de ruimtelijke en functionele structuur wordt beschreven.
In hoofdstuk 3 van de toelichting wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor ontwikkeling van het plangebied relevant is.
Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de uitgangspunten en randvoorwaarden, die van belang zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. In hoofdstuk 5 worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van water, natuur, luchtkwaliteit, archeologie en bodem beschreven.
De juridische aspecten komen in hoofdstuk 6 aan bod. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet. De ruimtelijke structuur is beschreven en in beeld gebracht aan de hand van archeologie en cultuurhistorie, groen, verkeer en de bebouwingstructuur. In de beschrijving van de functionele structuur wordt ingegaan op de diverse in het plangebied voorkomende functies.
2.2 Positionering plangebied
De planlocatie is gelegen in het bebouwingslint van de Rijsbergseweg. In figuur 2 is de planlocatie op de luchtfoto weergegeven.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402001.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402001.jpg)
Figuur 2: Planlocatie Rijsbergseweg ong. naast 304
2.3 Ruimtelijke en functionele structuur
2.3.1 Ruimtelijke structuur
In de omgeving van de planlocatie is lintbebouwing aanwezig, vrijwel bestaande uit vrijstaande en geschakelde woningen. De woningen zijn in diverse tijdsperiode gebouwd. De Rijsbergseweg maakte vroeger onderdeel uit van Napoleonsroute.
De planlocatie is dichtbij gelegen bij de kern Effen. Deze kern is langs de Rijsbergseweg uitgegroeid tot een kleine kern.
2.3.2 Functionele structuur
In de omgeving zijn afwisseld burgerwoningen met bedrijven aanwezig. De bedrijven zijn kleinschalige (agrarische) bedrijven in het buitengebied. In de nabije omgeving is een kerk met pastorie aanwezig en een gemeenschapshuis ten behoeve van de kern Effen.
HOOFDSTUK 3 Beleid
3.1 Inleiding
Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige plan is het relevante ruimtelijke beleid voor de locatie Rijsbergseweg ong. naast nr. 304 opgenomen.
3.2 Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 wordt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders.
De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut.
In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordering (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJselmeergebied.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied.
3.2.3 Water
Het Nationaal Waterplan (NWP)
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Watertoets
Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke -waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap.
De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.
Europese Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2000 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.
In paragraaf 5.3 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie.
3.2.4 Ecologie
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming.
Europese Vogel- en Habitatrichtlijn
De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden.
Wet Natuurbescherming
De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het CITES-verdrag.
Het aspect Flora en Fauna komt in paragraaf 5.4 aan bod.
3.2.5 Cultuurhistorie
Nota Belvedère
De Nota Belvedère, een gezamenlijk beleidsstuk van de ministeries van LNV, OC&W en VROM (1999), is opgesteld vanuit de gedachte om de cultuurhistorische identiteit sterker richtinggevend te laten zijn voor de inrichting van de ruimte. In de nota is een visie op de samenhang tussen cultuurhistorie en ruimtelijk beleid opgenomen. Het doel is tweeledig; verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van het cultureel erfgoed.
Zowel het plangebied, als de gebieden daaromheen zijn niet aangewezen als Belvedère gebied, daarom hoeft niet verder te worden ingegaan op deze Nota Belvedère.
Verdrag van Valletta (Malta)
De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ontwikkeling is het resultaat van de implementatie van het Verdrag van Malta. Nederland heeft dit verdrag ondertekend in Valletta in 1992. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen.
Volgens de Wet op de Archeologische Monumentenzorg heeft de gemeente, als bevoegde overheid, een zorgplicht voor de archeologie in haar grondgebied. Via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007 (een wijzigingswet) is de Monumentenwet 1988 aangepast om dit te kunnen verankeren.
Archeologie wordt behandeld in paragraaf 3.4.3.
3.3 Provinciaal beleid
Interimstructuurvisie ‘Brabant in Ontwikkeling’
Met de inwerkingtreding van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant zijn deel A en B van de Interimstructuurvisie vervangen. Deel C blijft wel in stand. Deel C beschrijft de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk en Agro-Foodcluster (AFC) West-Brabant en geeft een onderbouwing van de locatiekeuze.
Deel C heeft geen betrekking op de voorgestane planontwikkeling.
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 Noord- Brabant
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040.
De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen:
-
Ontwikkelen
De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol.
-
Ordenen
De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur.
-
Beschermen
De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op.
-
Regionaal samenwerken
De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda.
-
Stimuleren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402002.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402002.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402003.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402003.jpg)
Figuur 3: Uitsnede structurenkaart locatie Rijsbergseweg ong., Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant
Uit figuur 3 blijkt dat de planlocatie gelegen is in de Groenblauwe structuur, groenblauwe mantel.
De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en
waterfunctie behouden en ontwikkeld worden. Het beleid is in de gebieden gericht op behoud en
ontwikkeling van natuurwaarden in én buiten natuurgebieden.
Aangezien de planlocatie gelegen is in een bebouwingsconcentratie binnen het gemengd landelijk gebied is de beoogde ontwikkeling niet in strijd zijn met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant.
Verordening Ruimte Noord-Brabant 2014 (geconsolideerde versie 15-07-2017)
In de Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 15-07-2017) staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
-
ruimtelijke kwaliteit;
-
stedelijke ontwikkelingen;
-
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
-
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
-
overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.
In figuur 4 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 15-07-2017) weergegeven voor de planlocatie. Uit figuur 4 blijkt dat de planlocatie in de structuur: ‘Groenblauwe mantel’ ligt en over de locatie liggen de aanduidingen ‘Beperkingen veehouderij’ en ‘Zoekgebied windturbines’.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402004.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402004.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402005.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402005.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402006.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402006.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402007.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402007.jpg)
Figuur 4: Uitsneden kaarten behorende bij de Verordening ruimte 2014, planlocatie Rijsbergseweg ong. naast 304
Structuur: Groenblauwe mantel
Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB.
In artikel 6.8 van de regels van ‘Groenblauwe mantel’ zijn specifieke regels opgenomen voor ruimte-voor-ruimte woningen. Hieronder is artikel 6.8 weergegeven.
|
6.8 Ruimte-voor-ruimte
-
In afwijking van artikel 6.7 eerste lid (wonen) en artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien:
-
er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst;
-
de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;
-
een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;
-
er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.
-
Een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst als bedoeld in het eerste lid betekent dat per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
-
een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt;
-
de onder a. bedoelde veehouderijen zijn voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;
-
de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen de aanduiding Gebied beperkingen veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij;
-
er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie;
-
de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is;
-
de rechten als bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd;
-
de omgevingsvergunning milieu op iedere beëindigingslocatie is ingetrokken;
-
een passende herbestemming is gelegd op iedere beëindigingslocatie waarbij in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen is uitgesloten;
-
in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de veehouderij.
-
In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel indien deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.
-
Het bepaalde onder het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld;
-
Artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) is niet van toepassing op een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid.
|
Voor de locatie is een ruimte-voor-ruimte titel aangekocht, deze wordt separaat bij de provincie aangeleverd, gelijktijdig met onderhavig bestemmingsplan. Met deze titel wordt de aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst bewerkstelligd.
Het ruimte-voor-ruimte kavel wordt landschappelijk ingepast. In de bijlage is het landschapsplan bijgevoegd. Voor de goede landschappelijke inpassing wordt hier kortheidshalve naar verwezen. Tevens is de landschappelijke inpassing gebord in de regels van het bestemmingsplan, middels de bestemming ‘Natuur’ en een voorwaardelijke verplichting.
Het betreft het ontwikkelen van één ruimte-voor-ruimte kavel, hierbij is geen sprake van een aanzet tot stedelijke ontwikkeling.
Voor het realiseren van deze woningen op basis van de Structuurvisie Groen en Rood is een
overeenkomst met de provincie gesloten die de bouw van de woningen mogelijk maakt.
Aanduiding: Beperkingen veehouderij
De aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ is niet van invloed op het voorliggend initiatief.
Aanduiding: Zoekgebied windturbines
De aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ is niet van invloed op het voorliggend initiatief.
Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie per 15-07-2017).
3.3.4 Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 ‘Waar water werkt en leeft’
Het provinciaal Waterplan is op 22 december 2009 in werking getreden. Het plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2010-2015. De provincie wil dat het water bijdraagt aan een gezonde omgeving voor mens, dier en plant, waarin men veilig kan wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen.
In paragraaf 5.3 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie.
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Breda 2030
De gemeenteraad heeft in december 2007 de Structuurvisie Breda 2020, Stad in evenwicht, vastgesteld. Deze beleidsnota betreft een ruimtelijke visie voor de gehele stad Breda en vormt het algemene beleid- en toetsingskader voor de ruimtelijke ontwikkelingen op de lange termijn (2020). De beleidsbeslissingen hebben betrekking op de ambities van de stad, het te realiseren programma, de structuur en de planning en uitwerkingen.
In het Bredase buitengebied worden mogelijkheden geboden voor de kwaliteitsverbetering van het landschap, voor ruimte voor ruimte en voor nieuwe landgoederen. Dit is een nadere uitwerking van het provinciale beleid. De gewenste landschappelijke verbetering van het buitengebied wordt gerealiseerd of gefinancierd uit de mogelijkheden die geboden worden om rood toe te voegen in het buitengebied. Het gaat dan de toevoeging van ruimte voor ruimte woningen en nieuwe landgoederen.
In de structuurvisie is een bijlage toegevoegd voor het beleidskader ‘Groen en rood’. In dit beleid is het ruimte voor ruimte beleid nader uitgewerkt.
3.4.2 Beleidskader Groen en Rood
Het hoofddoel van de structuurvisie Groen en Rood is de ontwikkeling van Groen: i.c. de verbetering van de kwaliteit van het Bredase Buitengebied. Groen staat voorop en Rood is een middel. Het beleid moet er in de eerste plaats toe leiden dat het Bredase buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor meer kwaliteit heeft voor mens, plant en dier.
Ruimte voor ruimte en Kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties
De provinciale ruimte-voor-ruimteregeling van artikel 11.2 uit de Verordening ruimte heeft tot doel de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse, de bouw van woningen op passende locaties toe te staan, dit in afwijking van de regel dat geen nieuwe (burger)woningen mogen worden toegevoegd aan het buitengebied.
Kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties. Het gemeentelijke beleid is op te vatten als een combinatie van de planologische mogelijkheden die door de provincie worden geboden in artikel 11.2 en artikel 11.4 Vr. In speciaal daartoe geselecteerde bebouwingsconcentraties is onder bepaalde voorwaarden en tot een bepaalde limiet de bouw van burgerwoningen mogelijk mits dit leidt tot kwaliteitsverbetering van het buitengebied en mits hiermee tevens wordt bijgedragen aan de doelstellingen van Ruimte-voor-ruimte.
Ruimte voor ruimte woningen
Ruimte voor ruimte woningen aan de linten kunnen niet overal in het Bredase buitengebied verschijnen. Een ‘Rode kaart buitengebied Breda’ is gemaakt om aan te geven in welke delen van Breda dit tot de mogelijkheden behoort. Bouwlocaties voor ruimte voor ruimte woningen liggen in delen van bebouwingsconcentraties die door de gemeente aangewezen zijn. Hieronder worden in volgorde van belangrijkheid de criteria genoemd die hebben geleid tot de geselecteerde gebieden op de ‘Rode kaart buitengebied Breda’.
Waar in Breda is ruimte voor ruimte woningen mogelijk:
-
uitsluitend in het buitengebied;
-
uitsluitend in bebouwingsconcentraties;
-
uitsluitend in bebouwingsconcentraties binnen stedelijke invloedssfeer met gemengde functies;
maar:
-
niet in EHS;
-
niet in glastuinbouwvestigingsgebied (Prinsenbeek);
-
niet in potentiële waterbergingsgebieden (alle beekdalen, beemden langs de Mark en de
-
Lage Vuchtpolder;
-
niet in landschappelijk kwetsbare gebieden (gave of open gebieden die te gevoelig zijn
-
voor verdichting);
-
niet in gebieden waar toekomstige stedelijke uitbreidingsmogelijkheden liggen.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402008.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402008.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402009.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402009.jpg)
Figuur 5: Gebiedsvisie Effen (rode kaart)
Om ervoor te zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingsconcentraties zelf niet wordt aangetast zijn er nadere eisen gesteld aan de inhoud van de woning en de omvang van de kavel alsmede de locatie, de schaal en typologie van de nieuwbouw.
In figuur 5 is de gebiedsvisie van Effen weergegeven. De planlocatie is gelegen in ‘verdichting mogelijk in de linten’.
3.4.3 Erfgoed in context, ErfgoedVisie Breda 2008-2015
In de nota Erfgoed in context, ErfgoedVisie Breda 2008-2015 is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens de basis vormt van ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk.
Om de archeologische waarden in het gebied te beschermen conform het vastgestelde gemeentelijk beleid, de Monumentenwet 1988, waarin besloten ligt de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007, is de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ opgenomen voor de gebieden die conform de Beleidsadvieskaart Breda’s Erfgoed, deel 1. Archeologie zijn gekenmerkt als gebieden met een archeologische verwachtingswaarde anders dan laag. Hetzelfde geldt voor de gebieden van archeologische waarden en gemeentelijke archeologische monumenten. Ter plaatse van gronden met een dubbelbestemming dient voorafgaand aan ontwikkelingen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het archeologisch onderzoek wordt door bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld.
HOOFDSTUK 4 Doelstellingen van het bestemmingsplan
4.1 Inleiding
Het doel is van voorliggend plan om een woning op te richten en daarmee de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied staat voorop. Ruimte voor ruimte woningen is op te vatten als de ‘Rode’ component van de Rood-voor-Groenconstructies waarbij het idee is om veel ‘Groen’ te maken met een weinig ‘Rood’.
In paragraaf 4.2 wordt de randvoorwaarden uit het beleidskader ‘Groen en Rood’ (zie paragraaf 3.4.2) toegelicht. In dit beleid is aagegeven waar woningen kunnen worden toegevoegd in het buitengebied van Breda.
Paragraaf 4.3 motiveert de ruimtelijke uitgangspunten die leidend zijn voor de verplichte landschappelijke inpassing.
4.2 Stedenbouwkundige opzet
4.2.1 Randvoorwaarden
In drie onderwerpen komen de randvoorwaarden uit het beleidskader ‘Groen en Rood’ aan de orde, die gelden bij het oprichten voor een nieuwe woning aan de linten:
1. Randvoorwaarden aan kavelgrootte, locatie, schaal en ontwerp
Om ervoor te zorgen dat de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingsconcentraties zelf niet wordt aangetast zijn er nadere eisen gesteld aan de omvang van de kavel alsmede de locatie, de schaal en typologie van de nieuwbouw. Deze voorwaarden met betrekking tot een locatie garanderen de noodzakelijk gewenste ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingslinten nu en in de toekomst. Bij het oprichten van een nieuwe woning aan het lint dient er strikt aan deze voorwaarden op de locatie te worden voldaan.
Locatiegebonden regels voor ruimte voor ruimte woningen (hoe wel en hoe niet):
-
Het betreft een vrijstaande en grondgebonden burgerwoning van max. 1000 m³ aan het lint op een vrije kavel.
-
De nieuwe woning aan het lint takt direct aan op bestaande wegen.
-
De nieuwe woning aan het lint mag het bestaande bebouwingslint niet doen dichtslibben, doorzichten in de bebouwingslinten dienen te worden behouden (alle linten zijn al redelijk vol, een aanvraag voor de komst van een nieuwe woning aan het lint wordt per bebouwingslint bekeken en afgewogen).
-
Een vrije kavel voor ruimte voor ruimte heeft een frontbreedte van minimaal 70 meter direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen waarvoor ook de minimale frontbreedteregel geldt van 70 meter aan het bebouwingslint, zie voorbeelden.
-
Sporadisch is via insteekweggetjes achter de linten mogelijk waarbij een kaveldiepte van minimaal 70 meter wordt ingesteld voor de bestaande kavel aan de weg en de nieuwe toe te voegen kavel achter het bebouwingslint (afhankelijk van het gebied kunnen bredere linten ontstaan, dit wordt per bebouwingslint bekeken, zie voorbeelden).
-
Ruimte voor ruimte kent geen complexmatige of seriematige bouw maar kenmerkt zich door individuele bouw.
-
Een integraal ontwerp is vereist voor zowel de nieuwe woning aan het lint, als de kavel èn de tuin.
-
Landschappelijke inpassing (erfbeplanting) is vereist.
-
Bij een nieuwe woning aan het lint blijft 10 meter rand uit de perceelsgrens onbebouwd (hier geen huis en geen opstallen toegestaan). De rooilijn aan de voorzijde dient afgestemd te worden op de rooilijn van het betreffende bebouwingslint.
De planlocatie voldoet aan de locatiegebonden regels, zoals hierboven is opgesomd. Bovendien zijn ook de nadere onderzoeken ten aanzien van: milieu, water, verkeer, landschap, ecologie, cultureel erfgoed etc etc zijn uitgevoerd. Op basis hiervan is de positie van de nieuwe woning bepaald en is de kavel landschappelijk ingepast.
2. Randvoorwaarden aan de ‘woning aan de linten’ met specifieke bouw- en inrichtingsvoorschriften
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402010.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402010.jpg)
Figuur 6: Toetsingskader ruimte voor ruimte; specifieke bouw- en inrichtingsvoorschriften, beleidskader ‘Groen en Rood’.
Het bovenstaande toetsingskader is van toepassing op de nieuwe woning. Bovenstaande specifieke toetsingseisen aan de nieuwe ‘woningen aan de linten’ zijn in de Regels van onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Elke toekomstige bouwaanvraag wordt hieraan getoetst. De substantiële bijdrage aan de kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd door een afdracht aan de Ruimte voor Ruime regeling.
3. Randvoorwaarden ten aanzien van de beeldkwaliteit van ruimte voor ruimte woningen
De beeldkwaliteit van ruimte voor ruimte wordt later in het proces, bij de indiening van de bouwplan, getoetst. Een integraal ontwerp is vereist voor zowel de nieuwe woning aan het lint als voor de kavel èn de tuin. Het integrale ontwerp dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeente Breda waarbij inhoud aan onderstaande aspecten is gegeven:
Passendheid in het landschap
Het belangrijkste criterium is dat de nieuwe woning aan het lint past in het landschap. Dit dient tot uitdrukking te komen in de situering en de vormgeving van de woning aan het lint. Kavel, tuin en bebouwing dienen het landschap, de directe omgeving en elkaar te versterken. Ook dient de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de woning aan het lint maar ook vormgeving en beplanting van de tuin aan te sluiten op het omringende landschap.
Typologie van de woning aan het lint
De nieuwe woning en de uit te breiden bestaande burgerwoning aan het lint dienen uit te gaan van één bouwlaag met een kap. Burgerwoningen in het buitengebied bestaan veelal uit één bouwlaag met een kap. Hierdoor onderscheidt de burgerwoning zich van het landgoed, welke veelal uit meer dan één bouwlaag bestaat.
Architectuur woning aan het lint
Het is de vrije keus van de initiatiefnemer welke architectuur hij / zij prefereert: eigentijds, modern of traditioneel. Bij het uitbouwen van de bestaande burgerwoning aan het lint kan de keuze gemaakt worden om te bouwen in de stijl van de bestaande woning of juist door eigentijdse architectuur hiervan af te wijken.
Typologie en architectuur tuin
Het opstellen van een tuinontwerp is verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat tuin/kavel en nieuwe woning aan het lint door een landschappelijke beplanting dient te zijn ingepast in het omringende landschap. Te denken valt aan: bosschages, houtwallen, kavelrandbeplantingen, lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties etc. Een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort. Hiermee wordt ‘vertuining’ van het platteland voorkomen en is passendheid in het landschap gewaarborgd. Binnen deze landschappelijke structuren is ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen mogelijk.
De woning en kavel op de planlocatie dienen te voldoen aan de beeldkwaliteitseisen voor ruimte voor ruimte woningen. In de bijlage is de landschappelijke inpassing toegevoegd. In de landschappelijke inpassing wordt inhoud gegeven aan de aspecten ‘Passendheid in landschap’ en ‘Typologie en architectuur tuin’.
4.2.2 Aanpassing bouwvlak Agrarisch bedrijf
Op de locatie Rijsbergseweg 304 is een agrarisch bedrijf aanwezig. Dit bouwvlak wordt verkleind, zodat het bouwvlak een rechthoekige vorm krijgt, waardoor de ruimte voor ruimte woning beter ingepast kan worden in het bebouwingslint. Hierdoor belemmert de nieuwe woning het agrarische bedrijf niet en het bedrijf belemmert de woning niet in een goed woon- en leefklimaat.
4.3 Landschappelijke inpassing
4.3.1 Landschappelijk inpassing, algemeen
Op de planlocatie wordt de agrarische bestemming omgezet naar de bestemming ‘Wonen’ en de bestemming ‘Natuur’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ komt een bouwvlak te liggen. Dit bouwvlak bepaalt de exacte locatie van de nieuw te bouwen woning. Bij de locatie Rijsbergseweg ong. naast 304 is met de positionering van het bouwvlak rekening gehouden met het naast gelegen agrarisch bedrijf.
De verplichte landschappelijke inpassing aan de randen van de kavel wordt met de bestemming ‘Natuur’ vastgelegd. Uitgangspunt is dat maximaal aan twee zijden van de nieuwe bouwkavel landschappelijke inpassing verplicht is. Via een privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer en een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan zal het werkelijk realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassing worden vastgelegd.
Bij de landschappelijke inpassing gelden de volgende uitgangspunten:
-
beschermen, aansluiten en waar mogelijk versterken van de actuele visueel-ruimtelijke waarden;
-
plaatsen van nieuwe woningen (bij voorkeur) niet tegenover bestaande bebouwing;
-
realiseren van bebouwingsvrije kavelranden van 10 meter;
-
oprichten van landschapselementen, (bij voorkeur) maximaal aan 2 zijden;
-
verrichten van maatwerk per kavel per deelgebied.
4.3.2 Landschappelijke inpassing, specifiek
Voor de planlocatie Rijsbergseweg ong. naast nr. 304 is een landschapsplan opgesteld. In de bijlage is het landschapsplan toegevoegd. Voor de landschappelijke inpassing wordt hier kortheidshalve naar verwezen.
HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap
5.1 Inleiding
Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda dient bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de milieuhygiënische aspecten die door de planlocatie en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuhygiënische aspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.
5.2 Bodem
Door Moerdijk Bodemsanering BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek met kenmerk 2303.01.171.r1, is als afzonderlijke bijlage toegevoegd. Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:
De locatie heeft een oppervlakte van circa 2,0 ha en betreft een tuinbouwbedrijf met akkerland. De onderzoekslocatie beperkt zich tot de nieuw te bouwen woning met aanhorigheden aan de zuidzijde van het perceel en heeft een oppervlakte van circa 5.500 m2. De onderzoekslocatie is onbebouwd en betreft een akkerland. Op de locatie zijn in het verleden aardbeien en lentebosuien geteeld. De locatie is beschouwd als zijnde onverdacht.
Op grond van de beschikbare gegevens (historische gegevens, zintuiglijke waarnemingen gedaan
tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd:
-
Uit de locatie-inspectie zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen.
-
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen.
-
In de bovengrond ter plaatse van mengmonster 1 zijn licht verhoogde gehalten aan lood en PAK aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet benaderd.
-
In de bovengrond ter plaatse van mengmonster 2 zijn licht verhoogde gehalten aan kwik en lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet benaderd.
-
In de ondergrond ter plaatse van de mengmonsters 3 en 4 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen.
-
In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en naftaleen aangetroffen. Aangenomen wordt dat de verhoging aan barium een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde betreft. De verhoging aan naftaleen is zeer gering en kan als niet significant beschouwd worden.
De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte bodemonderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de bestemmingswijziging naar ‘wonen’ en het realiseren van een vrijstaande woning met aanhorigheden.
5.3 Water
Beleid
Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer (waaronder grondwater) heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
Grondwaterbeschermingsgebied
De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en er zijn langs het perceel een aantal waterlopen en/of waterpartijen aanwezig. Middels de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie worden de waterlopen behouden en niet belemmert. De planlocatie ligt niet in het invloedsgebied Natura 2000.
Riolering en infiltratie
Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze ‘waterneutraal’ zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het hemelwater versneld afvoert ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Het hemelwater van de schone oppervlakken wordt bij voorkeur gescheiden van het vuilwater afgevoerd. Om te voorkomen dat water versneld wordt afgevoerd dienen bij een toename van het verhard oppervlak retentievoorzieningen met een capaciteit van 780 m³ aangelegd te worden per ha verhard oppervlak.
Het afvalwater dient gescheiden afgevoerd en verwerkt te worden. In principe dient dit via de riolering afgevoerd te worden naar de waterzuivering.
Sinds kort is de nieuwe Waterwet van kracht geworden. In deze wet wordt duidelijker omschreven wie waar verantwoordelijk voor is. Een van de zaken die hier uit voortvloeien is dat een particulier in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de verwerking van het hemelwater op zijn eigen terrein. In dit kader verwacht de gemeente in de toekomst meer inspanning van de particulier om zelf maatregelen te nemen om wateroverlast te voorkomen. Dit uitgangspunt is opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde 'Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan'. Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van retentievoorzieningen op eigen terrein bijvoorbeeld met groene daken en waterdoorlatende verharding.
Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402011.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402011.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402012.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402012.jpg)
Figuur 7: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Nieuwe ontwikkeling
Met onderhavig plan wordt de bouw van één ruimte voor ruimte woning in het buitengebied mogelijk gemaakt. Het betreft een woning met een inhoud van 1.000 m² en een bijgebouw met een oppervlakte van 100 m². Ten gevolge hiervan zal het verhard oppervlakte toenemen. Voor de woning zal circa 400 m² inclusief aan toename van het verhard oppervlakte plaatsvinden.
Het afvalwater zal worden aangesloten op de (druk)riolering op de Rijsbergseweg.
De woning wordt op een groot perceel gebouwd. Dit betekent dat de wateropgave relatief eenvoudig op eigen terrein kan worden opgelost. Het hemelwater zal worden geïnfiltreerd.
5.4 Ecologie
Door Buro Maerlant is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als separte bijlage toegevoegd aan onderhavig plan.
Soorten
In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden ontbreken beschermde natuurwaarden. De ingrepen hebben op voorhand geen effect op eventueel aanwezige beschermde soorten in de ruimere omgeving.
Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor de plannen niet noodzakelijk/relevant.
Beschermde gebieden
Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, EHS / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van de plannen op beschermde gebieden in de ruimere omgeving uitgesloten zijn.
5.5 Bedrijven
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.
Milieuzones
Omgevingstype
In de VNG-uitgave wordt aangegeven, dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de milieucategorie met één afstandsstap worden verlaagd.
Het plangebied ligt een lintbebouwing met een functiemenging van agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen, waardoor de milieucategorie met één afstandsstap mag worden verlaagd.
In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven in een straal van 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie.
Tabel 1: Richtafstand bedrijven
|
Bedrijfsomschrijving
|
Adres
|
Categorie
|
Richtafstand
Omgevingstype gemengd
|
Afstand tot grens bouwvlak
|
|
Gemeenschapshuis Kievitslaar
|
Rijsbergseweg 354
|
1
|
0m
|
9m
|
|
Kerk / kantoor
|
Effenseweg 1-3
|
1
|
0m
|
95m
|
|
Agrarisch bedrijf (aardbeienteelt)
|
Rijsbergseweg 304
|
2
|
10m
|
50m
|
|
Autobedrijf
|
Rijsbergseweg 265
|
2
|
10 m
|
155m
|
|
Agrarisch bedrijf
|
Rijsbergseweg 360
|
2
|
10 m
|
150m
|
Uit tabel 1 blijkt dat voldaan wordt aan de richtafstanden. De nieuwe woning ligt buiten het invloedsgebied van de aanwezige bedrijven.
5.6 Geluid
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan.
Wegverkeer
Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan akoestische situatie bij geluidgevoelige objecten. In het kader van de Wet geluidhinder valt een woning onder een geluidsgevoelig object. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat.
Het berekenen van de geluidsbelasting heeft tot doel te bepalen of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder.
Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavig plan. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar het onderzoek in de afzonderlijke bijlage.
Op basis van de Wet geluidhinder moet de geluidbelasting op nieuwe bestemmingen, welke binnen de geluidzone van een weg of spoorweg zijn gelegen, worden bepaald. In onderhavige situatie ligt de planlocatie binnen de geluidzones van de Rijsbergseweg, de rijksweg A16 en de spoorlijn Breda‐Antwerpen.
De Effenseweg ligt circa 150 meter afstand van de planlocatie. Op deze weg geldt een snelheidslimiet van 30 km/u. Dergelijke wegen hebben volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone en vallen daarmee buiten de toetsingsplicht voor deze wet. Op basis van jurisprudentie dient het akoestisch woon‐ en leefklimaat vanwege een 30 km/u weg wel beoordeeld te worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
De afstand van de planlocatie tot de Effenseweg is echter dermate groot dat aangenomen kan worden dat in onderhavige situatie de geluidbelasting vanwege deze weg niet van invloed zal zijn op de planlocatie. De Effenseweg is in dit akoestisch onderzoek dan ook buiten beschouwing gelaten.
Toets aan de Wet geluidhinder
Rijsbergseweg
Vanwege de Rijsbergseweg is de hoogste geluidbelasting berekend op de voorgevelzijde van het bouwvlak voor de nieuwbouwwoning en bedraagt 58‐ 60 dB. De geluidbelasting op de zijgevels van het bouwvlak bedraagt 50 tot 56 dB. Op de achtergevel wordt een geluidbelasting van ten hoogste 25 dB berekend. Geconcludeerd wordt dat niet overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, waarmee onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting te reduceren noodzakelijk is.
De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor woningen in stedelijk gebied wordt niet overschreden.
Op de achtergevel blijft de berekende geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde, waarmee deze gevel als geluidluw vanwege de Rijsbergseweg kan worden aangemerkt.
Rijksweg A16/A58
Vanwege de rijksweg is hoogste geluidbelasting op de noordelijke zijgevel van het bouwvlak voor de woning berekend en bedraagt 46 tot 52 dB. De berekende geluidbelasting op de voorgevel bedraagt 46 tot 51 dB.
Op de zuidelijke zijgevel en op de achtergevel bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 46 dB. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat niet overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, waarmee onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting te reduceren noodzakelijk is.
De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied (vanwege de autosnelweg) wordt niet overschreden.
Op de achtergevel en de zuidelijke zijgevel blijft de berekende geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde, waarmee deze gevels als geluidluw vanwege de rijksweg A16/A58 kunnen worden aangemerkt.
Spoorlijn Breda ‐ Antwerpen
Vanwege de spoorlijn bedraagt de geluidbelasting op het bouwvlak van de woning ten hoogste 51 dB. Daarmee wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting vanwege spoorweglawaai te reduceren is daarmee niet noodzakelijk.
Hogere waarden
Omdat met de berekende geluidbelastingen niet overal voldoen wordt aan de voorkeursgrenswaarden en onderzoek heeft uitgewezen dat het toepassen van maatregelen niet doeltreffend zijn of op overwegende bezwaren stuiten, waarmee aan de wettelijke ontheffingscriteria wordt voldaan en de nieuwbouwwoning een open plaats invult, waarmee tevens aan één subcriteria wordt voldaan, zal voor de woning aan de Rijsbergseweg (tussen nummer 304 en 334) in Breda een hogere grenswaarde aangevraagd moeten worden voor wegverkeerslawaai bij de gemeente Breda. Om een hogere waarde te kunnen vaststellen mag volgens de Wet geluidhinder de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai niet hoger zijn dan 63 dB voor woningen in stedelijk gebied en 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied.
Aangezien de hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Rijksweg A16/A58 (toetsing buitenstedelijk gebied) 52 dB bedraagt en vanwege de Rijsbergseweg (toetsing stedelijk gebied) 60 dB bedraagt, wordt aan deze voorwaarden voldaan.
Uit de rekenresultaten kan tevens worden geconcludeerd dat er een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte bij de woning aanwezig is ter plaatse van de achtergevel. Daarmee wordt zowel aan de eisen uit de Wet geluidhinder als aan het gemeentelijk beleid voldaan en kan dus een hogere waarde worden aangevraagd.
Samengevat:
dient een hogere waarde van 60 dB te worden aangevraagd vanwege de Rijsbergseweg;
dient een hogere waarde van 52 dB te worden aangevraagd vanwege de Rijksweg A16/A58.
Toets aan Bouwbesluit
Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en er geen bron‐ en overdrachtmaatregelen mogelijk zijn, zullen maatregelen bij de ontvanger toegepast moeten worden om een goed woon‐ en leefklimaat in de woning te kunnen waarborgen. Dit houdt in dat de geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de woning dient te worden beoordeeld. In het Bouwbesluit zijn hiertoe geluideisen opgenomen.
De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering van woningen is op grond van het Bouwbesluit 20 dB.
Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB in een verblijfsgebied. De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art. 110g van de Wet geluidhinder.
Dit betekent dat in onderhavige situatie, waarbij vooralsnog een hogere waarde dient te worden vastgesteld van 60 dB (geluidbelasting 63 dB exclusief aftrek) vanwege de Rijsbergseweg en 52 dB (geluidbelasting 54 dB exclusief aftrek) vanwege de Rijksweg, de karakteristieke geluidwering van de woning tenminste dient te voldoen aan GA,k = 30 dB (63 dB (ex aftrek) – 33 dB) voor een verblijfsgebied. Voor een verblijfsruimte geldt een eis van GA,k = 28 dB.
Omdat de hoogste gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle geluidsbronnen en ‐soorten 64 dB bedraagt, wordt geadviseerd om de geluidwering met 1 dB te verbeteren om een goed woon‐ en leefklimaat in de woning te waarborgen en dus uit te gaan van een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van 31 dB in verblijfsgebieden en in verblijfsruimten van minstens 29 dB.
Deze geluidwering wordt bij nieuwbouw niet zondermeer behaald. Of te zijner tijd een berekening naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie noodzakelijk is, is ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie.
5.7 Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.
Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd.
Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende:
Woningbouw:
De woning, welke ten opzichte van de huidige situatie wordt toegevoegd, zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Rijsbergseweg te Breda. Voor het onderhavige plan is de grens van 3 % geldig. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse, en dusdanig de 3 % grens nooit overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
5.8 Geur
In principe dienen alle geurgevoelige objecten te worden beschermd tegen geuroverlast. Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan zijn voor wat betreft geurhinder van bedrijven de volgende vragen relevant:
In het onderstaande wordt geur besproken in twee onderdelen: geur bij veehouderijen en geur bij overige bedrijven.
5.8.1 Geur bij veehouderijen
Algemeen
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij in werking getreden. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden getoetst. Deze wet heeft consequenties voor ruimtelijke plannen waarbij het aspect geurbelasting door veehouderijen een rol speelt.
Regelgeving
De wet maakt onderscheid in twee soorten veehouderijen.
-
Veehouderijen van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is
-
vastgesteld. De geurbelasting wordt uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een
-
volume-eenheid lucht (ou/m³: odour units per kubieke meter lucht). Eerst wordt de geuremissie
-
berekend door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de betreffende geuremissiefactor.
-
Vervolgens wordt de geuremissie vanuit de gezamenlijke dierenverblijven - samen met andere
-
variabelen zoals de afstand tot het dichtstbijzijnde gelegen geurgevoelig object - ingevoerd in een
-
geautomatiseerd model waarmee de verspreiding van de geur in de omgeving wordt berekend.
-
De uitkomst hiervan is de geurbelasting op basis van de vergunde dierplaatsen op een
-
geurgevoelig object.
-
Veehouderijen van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor
-
is vastgesteld. Voor deze bedrijven gelden vaste afstanden.
Gemeenten kunnen op grond van de Wgv binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten. Zowel de normen als de vaste afstanden kunnen worden bijgesteld. De gemeente Breda heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De verordening ‘Geurhinder en veehouderij Gemeente Breda 2008’ is op 30 oktober 2008 door de raad vastgesteld.
Hierin zijn de volgende normen opgenomen:
|
Gebied
|
Norm in ou/m³ 98 percentiel
|
|
Bestaande bebouwde kommen, exclusief
bedrijventerrein Hazeldonk
|
3
|
|
Nieuwe woon- en werklocaties, zoals aangeduid
in de Structuurvisie Breda 2020; bedrijventerrein
Hazeldonk
|
8
|
|
Buitengebied
|
14
|
Voor de vaste afstanden zijn geen afwijkingen opgenomen in de verordening.
Nieuwe ontwikkelingen in het plangebied.
Voor intensieve veehouderijen geldt dat binnen hun contour geen sprake kan zijn van nieuwe bestemmingen. Voor veehouderijen waarvoor niet per ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld geldt dat binnen de genoemde afstand kan geen sprake zijn van nieuwe bestemmingen.
Zoals reeds is aangegeven heeft de gemeente Breda een verordening in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij opgesteld.
Ter plaatse van de nieuwe bestemmingen mag geen hogere geurbelasting aanwezig zijn, dan in de verordening is opgenomen. Het plangebied is volgens de verordening gelegen in het gebiedstype ‘Buitengebied. In de verordening is voor het buitengebied een norm van 14 ou vastgelegd.
In figuur 8 is een uitsnede uit Plan-MER herziening Structuurvisie RO transitie veehouderij, provincie Noord-Brabant d.d. 9 september 2013 weergegeven. In de uitsnede is de achtergrondbelasting geur in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied als zeer goed te kwalificeren is.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402013.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402013.jpg)
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402014.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402014.jpg)
Figuur 8: uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur
5.8.2 Overige geuremitterende bedrijven
In de omgeving van de te bouwen woning zijn geen geurrelevante bedrijven gelegen waarvan de geurcontouren over de nieuw te bouwen woning ligt.
5.8.3 Conclusie
De nieuw te bouwen woning is niet gelegen in de geurcirkels van de aanwezige agrarische bedrijven.
5.9 Externe veiligheid
Algemeen
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (autowegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of het betreffende transportmiddel. Dit wordt geregeld via de Arbeidsomstandighedenwetgeving.
De doelstelling ten aanzien van externe veiligheid in de milieuvisie van de gemeente Breda is:” In 2015 zijn de risico’s inzichtelijk, bekend en aanvaardbaar. Waar noodzakelijk liggen rampenplannen en vluchtroutes klaar. De hulpverleningsdiensten zijn opgeleid en de Bredanaars weten wat ze moeten doen bij gevaarlijke situaties”.
Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door het aantal transporten van gevaarlijke stoffen en de ongevalfrequentie en wordt uitgedrukt als een kans per jaar. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd.
Groepsrisico
Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Bij het aangeven van representatieve hoeveelheden personen wordt gewerkt vanuit zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde.
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of de betreffende transportroute.
De doelstelling ten aanzien van externe veiligheid in de milieuvisie is: ‘In 2015 zijn de risico’s inzichtelijk, bekend en aanvaardbaar. Waar noodzakelijk liggen rampenplannen en vluchtroutes klaar. De hulpverleningsdiensten zijn opgeleid en de Bredanaars weten wat ze moeten doen bij gevaarlijke situaties.’
Regelgeving
Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste regelingen zijn:
-
Besluit externe veiligheid inrichtingen, Staatsblad 2004 nr. 250.
-
Besluit externe veiligheid buisleidingen, Staatsblad 2010 nr. 686.
-
Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke stoffen, Staatscourant 4/8/2004 nr. 147 (Besluit Transportroutes Externe Veiligheid, Basisnet weg en spoor).
De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
De planlocatie ligt ten opzichte van de Rijksweg A16 op 345 meter.
![i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402015.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2017230014-VG01_402015.jpg)
HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving
6.1 Inleiding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen.
De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemming omschrijvingen en de bouwregels te vinden.
Bestemmingsvlak en bouwvlak
Elke bestemming bestaat doorgaans uit een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied op de verbeelding waarvoor de mogelijkheden om te bebouwen in de bestemmingsregels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering en/of functie.
Aanduidingen
De letteraanduidingen van de bestemmingen zijn ingetekend in het bestemmingsvlak. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn aangegeven door aanduidingen. Als deze specificaties op het hele bestemmingsvlak van toepassing zijn, staan deze aanduidingen achter de bestemmingsaanduiding in het bestemmingsvlak.
6.2 Hoofdopzet
De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). Deze afspraken en aanbevelingen zijn op 1 januari 2010 wettelijk vastgesteld.
Indeling planregels
De juridische regeling bestaat uit drie hoofdstukken, te weten:
Deze volgorde is gebaseerd op de indeling zoals deze is voorgeschreven in de SVBP.
In hoofdstuk 1 ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
In het volgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op de bestemmingen en hun gebruik
(zie paragraaf 6.3). Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de
algemene regels, zoals anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en/of overige regels.
Het laatste hoofdstuk (‘Overgangs- en slotregels) bestaat uit het overgangsrecht en de slotregel.
6.3 Bestemmingen
Agrarisch met waarden – Landschapswaarden
De voor Agrarisch met waarden- landschapswaarden aangewezen gronden zijn bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening met dien verstande dat intensieve veehouderijen, overige veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en kamperen bij de boer respectievelijk uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', 'glastuinbouw', en 'specifieke vorm van agrarisch - minicamping' zijn toegestaan, huisverkoop streekeigen producten, behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en abiotische waarden, verspreid liggende legale bebouwing, zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan, voor zover die niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', water en extensief recreatief medegebruik.
Natuur
De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor de duurzame instandhouding van natuurgebieden, behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden, behoud of versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden, verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan en extensief recreatief medegebruik.
Wonen
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende tuinen en erven en ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' tevens daarvoor.
Waarde – Archeologie
De voor Waarde-archeologie aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden ter plaatse.
HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid
De ontwikkeling op de locatie Rijsbergseweg ong. naast nr. 304 te Breda is een particulier initiatief. De in deze toelichting beschreven ontwikkeling zullen dan ook volledig vanuit particulier initiatief gerealiseerd en gefinancierd worden. Het gehele terrein is particulier eigendom. Investeringen vanuit de gemeente zijn derhalve niet noodzakelijk.
HOOFDSTUK 8 Communicatie
8.1 Inleiding
In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.
8.2 Procedure
8.2.1 Vooroverleg
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instanties:
provincie Noord-Brabant
Waterschap Brabantse delta
Wijkraad Breda Zuid West
Natuurplein
Van deze instanties is alleen een reactie ingkomen van Gedepteerde Staten van Noord-Brabant.
Inhoud reactie.
1. De ruimte voor ruimte titel is nog niet verworven. het certificaat 'bouwtitel' dient tijdig aanwezig te zijn.
2. De landschappelijke inpassing is niet op de juiste manier geborgd. Dit dient binnen de bestemming Wonen met een voorwaardelijke verplichting te worden vastgelegd gekoppeld aan het gebruik overeenkomstig de bestemming.
3. Gevraagd wordt waarom vanuit de zorgplicht ruimtelijke kwaliteit er niet voor is gekozen het bestemmingsvlak Wonen te koppelen aan natuurlijke grenzen van bestaand groen/inpassing. Gevraagd wordt dit aan te passen dan wel een nadere motivering te geven waarom voor gelegde begrenzing is gekozen.
4. Voor een beperkte aanpassing van het bouwvlak van het bedrijf aan de Rijsbergsweg 304 is er voor gekozen het resterende bouwvlak ook mee te nemen in het onderhavige herzieningsplan. Dit is niet noodzakelijk maar betekent wel dat bij deze werkwijze de regels hiervoor dienen te worden aangepast aan de recente regels uit de Verordening ruimte. Er kan ook voor gekozen worden om in het plan alleen de verkleing van het betreffende bouwvlak mee te nemen.
Beoordeling reactie.
1. Dit certificaat is inmiddels afgegegeven door de Ruimte voor Ruimte CV en getekend op 20 januari 2018.
2. Het plan is hierop aangepast. De voorwaardelijke verplichting is nu gekoppeld aan de woonbestemming.
3. Er is bij de projeftering van het bestemmingsvlak Wonen gekozen de eigendomsgrenzen als begrenzing van het besetmmingsvlak te nemen. De grootte van het bestemmingsvlak voldoet hiermee ook aan de maximale grenzen welke wij hieraan stellen als het om ruimte voor ruimte kavels gaat. Zien niet in waarom in dit geval voor een afwijkend norm gekozen zou moeten worden. zeker nu de situering van de woning is vastgelegd via een in het bestejmmingsvlak opgenomen bouwvlak.
4. Het plan is hierop aangepast.