Gemeente Breda

Planteksten

Op deze pagina vindt u de planteksten behorende bij het plan Binnenstad, Schorsmolenstraat 11-13.

Toelichting


 

Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

1.2 Ligging en plangrenzen

1.3 Vigerend bestemmingsplan

1.4 Planvorm

1.5 Leeswijzer

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse

2.1 Inleiding

2.2 Positionering plangebied

2.3 Ruimtelijke en functionele structuur

2.4 Cultureel erfgoed

HOOFDSTUK 3 Beleid

3.1 Inleiding

3.2 Rijksbeleid

3.3 Provinciaal beleid

3.4 Gemeentelijk beleid

HOOFDSTUK 4 Doelstellingen van het bestemmingsplan

4.1 Inleiding

4.2 De ontwikkeling en het programma

4.3 Verkeer en parkeren

HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap

5.1 Inleiding

5.2 Bodem

5.3 Water

5.4 Archeologie

5.5 Cultuurhistorie

5.6 Natuurgebieden

5.7 Flora en fauna

5.8 Bedrijven en milieuzonering

5.9 Geluid (wegverkeerslawaai)

5.10 Luchtkwaliteit

5.11 Externe veiligheid

5.12 Kabels en leidingen

5.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.14 Duurzaamheid en energie

HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

6.2 Hoofdopzet

6.3 Bestemmingen

HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Inleiding

7.2 Toepassing afdeling 6.4 Wro (grondexploitatie)

7.3 Financiele uitvoerbaarheid

HOOFDSTUK 8 Communicatie

8.1 Inleiding

8.2 Procedure

 

 

HOOFDSTUK 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding en doel

Aan de Schorsmolenstraat 11-13 te Breda staat een rijksmonumentaal kloostercomplex. Het complex, voorheen geleid door de 'Minderbroeders Kapucijnen' ('de Orde'), wordt sinds 1 februari 2014 niet langer benut voor godsdienstige en overige religieuze doeleinden. In overleg tussen de Orde, de nieuw opgerichte 'Stichting van klooster tot Emmaus' en de gemeente Breda is gekomen tot een plan om een nieuwe invulling aan het complex te geven. Gekozen is voor een plan geleid vanuit de identiteit van de Kapucijnen (pretentieloosheid en eenvoud), waarbij de Stichting van klooster tot Emmaus (verder initiatiefnemer) haar maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt door te werken met en voor minderbedeelden.

 

Het hoofddoel van de initiatiefnemer is het in het complex vestigen van een op zorg gerichte woon- en werkgemeenschap. De bewoners van de woon- en werkgemeenschap betreffen mensen die al dan niet door hun schuld geen vaste woon- of verblijfplaats meer hebben. Het gaat daarbij om de zogenaamde 'bovenkant van de onderkant', de Doelgroep, waarbij men ondersteund gaat worden door de inwonende dragende krachten van de stichting alsmede vrijwilligers van buiten om uiteindelijk weer een plek in de samenleving te verwerven. Het klooster wordt daarbij inpandig verbouwd ten behoeve van de woon- en werkgemeenschap.

 

Om de woon- en werkgemeenschap als hoofddoel te kunnen exploiteren dienen bedrijfsmatig inkomsten te worden gegenereerd. De initiatiefnemer heeft hiervoor in haar plan enkele inkomsten generende nevenfuncties bedacht en uitgewerkt. Daarbij zal de Doelgroep in het kader van therapeutische dagbesteding samenwerken met de dragende krachten en de vrijwilligers.

 

Bovenstaande omschrijft een wijziging van het planologische gebruik van het kloostercomplex, die leidt tot de noodzakelijke inpandige verbouwing. Initiatiefnemer zal daarnaast twee beperkte uitwendige bouwaanpassingen aan het monumentale kloostercomplex doorvoeren. Aan de werkhuisjes wordt aan de zijde van de Nijverheidsingel een glazen overkapping in de vorm van een kas van circa 70 m2 gerealiseerd. Hiermee wordt beoogd de entree van het complex aan deze zijde nadrukkelijker te positioneren ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast wordt aan de westgevel van het klooster ten behoeve van de Mensa tevens een glazen overkapping in de vorm van een serre voorzien van circa 200 m2.

 

Het gewenste hoofddoel, de uitoefening van de nevenfuncties alsmede de twee bouwaanpassingen zijn juridisch-planologisch niet toegestaan in het vigerend bestemmingsplan "Binnenstad 2013", zodat een herziening van het bestemmingsplan benodigd is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het benodigde nieuwe juridisch-planologisch kader.

 

1.2 Ligging en plangrenzen

Het plangebied is gelegen aan de Schorsmolenstraat 11 en 13 in het centrum van Breda. Kadastraal staan de gronden bekend als gemeente Breda, sectie F, nummer 1439.

 

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het monumentale kloostercomplex gelden de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Groen', alsmede de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' uit het bestemmingsplan “Binnenstad 2013”, aldus vastgesteld door de raad op 7 februari 2013 en geheel onherroepelijk per 30 oktober 2013. Het hierboven geschetste hoofddoel en nevenfuncties zijn conform de bestemmingsomschrijvingen van de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Groen' niet toegestaan. Vooruitlopend op het komen tot een passend juridisch-planologisch kader heeft de gemeente Breda voor de punten genoemd onder 1 tot en met 4 van de nevenfuncties op 18 september 2015 een omgevingsvergunning verleend (kenmerk 2015/1960) om voor drie jaar tijdelijk af te wijken van het vigerende bestemmingsplan. De vergunning voor het tijdelijk afwijken krijgt met onderhavig bestemmingsplan een permanente status.

 

1.4 Planvorm

Door een aanpassing van het plaatselijke planologische regime, ofwel het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan, wordt de uitvoering van de bouwplannen alsmede het wijzigen van het gebruik van het kloostercomplex juridisch mogelijk gemaakt. Het plan betreft de wijziging van de bestemming 'Maatschappelijk' behorende bij een kloostercomplex, zodanig dat een woon- en zorggemeenschap met ondergeschikte nevenfuncties er zich kan vestigen. Daarbij vindt geen significante fysieke uitbreiding van de gebouwen plaats.

 

1.5 Leeswijzer

Deze toelichting is onderdeel van het bestemmingsplan “Binnenstad, Schorsmolenstraat 11-13”. Andere onderdelen van dit bestemmingsplan zijn de verbeelding en de regels. De toelichting is opgebouwd uit de volgende hoofdstukken:

  • In hoofdstuk 2 zijn de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied opgenomen.

  • In hoofdstuk 3 is het relevante ruimtelijke provinciale en gemeentelijke beleid beschreven.

  • In hoofdstuk 4 worden de doelstellingen van het bestemmingsplan genoemd.

  • In hoofdstuk 5 komen de sectorale milieuaspecten aan bod.

  • In hoofdstuk 6 is de juridische planbeschrijving opgenomen. In dit hoofdstuk wordt de wijze van bestemmen uiteengezet en is een toelichting gegeven op de regels van het bestemmingsplan.

  • In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven.

  • In hoofdstuk 8 is het communicatieproces opgenomen.

 

 [image]

HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse

 

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn achtereenvolgens de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet. De ruimtelijke structuur is beschreven en in beeld gebracht aan de hand van archeologie en cultuurhistorie, groen, verkeer en de bebouwingstructuur. In de beschrijving van de functionele structuur wordt ingegaan op de diverse in het plangebied voorkomende functies. Tenslotte wordt in onderhavig hoofdstuk ingegaan op het cultureel erfgoed.

 

2.2 Positionering plangebied

Het rijksmonumentale kloostercomplex bevindt zich aan de westelijke grens van de binnenstad van Breda, welke omgeven wordt door singels. Het complex ligt midden op een bijna driehoekig stuk grond. Het perceel grenst aan de zuidzijde aan de Nieuwe Haagdijk, die bestaat uit aaneengesloten bebouwing van vooral woningen en winkels. Aan de west- en noordwestkant ligt de singel; de weg die langs het water loopt betreft de Nijverheidssingel. Aan de overzijde ligt de Tramsingel. Ten oosten van het perceel ligt de Schorsmolenstraat, die net als de Nieuwe Haagdijk onderdeel uitmaakt van een uitvalsweg. Aan de noord-, noordwest en westzijde grenst de tuin van het complex aan de kloostergebouwen. De tuin en de rest van het complex zijn ommuurd.

 

2.3 Ruimtelijke en functionele structuur

Het complex, bestemd met een maatschappelijke bestemming, werd tot 1 februari 2014 geleid door de Minderbroeders Kapucijnen (de Orde) in het kader van godsdienstige en overige religieuze doeleinden. In het complex waren tussen de 20 tot 30 broeders aanwezig. Ze verrichtten maatschappelijk werk in de vorm van hulp aan minderbedeelden, jongerenwerk, religieus onderwijs, hulp aan andere parochies en opleiding van priesters. Op deze wijze was er veel contact met het leven buiten het klooster. De aangrenzende tuin, bestemd als 'Groen' werd benut als wandelbosje en deed dienst als moestuin en boomgaard om in het eigen onderhoud van de broeders te kunnen voorzien.

 

2.4 Cultureel erfgoed

In de vigerende nota 'Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015' is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens voor ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze paragraaf is de aanwezige cultuurhistorische waarde (gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht.

 

Het kloostercomplex is sinds 1976 een aangewezen rijksmonument (monumentnummer 10.295) en is in de aanwijzing als volgt omschreven: 'St. Fidelis. Capucijnenkerk. Bakstenen zaalkerk in neoromaanse vormen met gepleisterd interieur, aangekleed met meubilair in neobarokke vormen, eind 19e eeuw. Kloostervleugels in sobere baksteen-architectuur onder met leien gedekte zadeldaken en schilddaken rond een binnenhof. Ommuurde kloostertuin met aan een zijde lage panden onder aaneengesloten zadeldaken'.

 

Globaal beschreven vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaat het hart van het kloostercomplex uit een rechthoekig pandhof. Hier ligt vierzijdig een kloostergang of pandhofgang omheen. Deze is eenlaags en opent enkel met vensters en twee deuren op het hof. Dit geheel wordt aan drie zijden omsloten door vleugels van twee lagen plus dak (west-, noord- en oostzijde). De vleugel aan de oostzijde ligt evenwijdig aan de Schorsmolenstraat en bevat de hoofdentree. De vierde zijde wordt gevormd door de hogere kerk met bijgebouwen aan de achterzijde.

 

De kerk en de rechtervleugel hebben beide een dakruiter of klokkentorentje. Die van de kerk heeft een zeshoekige plattegrond en de andere een vierkante. Alleen de eerstgenoemde bevat daadwerkelijk een luiklok. Ten noorden en ten zuidwesten staan bijgebouwen. De zuidwestelijk gesitueerde gebouwen betreffen de werkhuisjes.

 [image]

HOOFDSTUK 3 Beleid

 

3.1 Inleiding

De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante ruimtelijke beleid samengevat.

 

3.2 Rijksbeleid

 

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.

 

Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.

 

Beoordeling

Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt (met uitzondering van de ligging in een radarverstoringsgebied). Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de structuurvisie het planvoornemen niet belemmerd.

 

3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012

Toetsingskader

Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen.

 

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

 

Beoordeling

Op 1 juli 2016 is een wijziging van het Rarro (periodieke actualisatie en herstel van enkele gebreken, 6e wijziging) in werking getreden. Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het nieuwe radarstation op de locatie Herwijnen. In een gebied rondom dit radarstation moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom het radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In onderhavig radarverstoringsgebied is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. Het planvoornemen heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation. Tevens is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied behorende bij het radarstation Woensdrecht. Hiervoor geldt een maximale bouwhoogte tussen de 48 en 113 meter ten opzichte van NAP, afhankelijk van de afstand tot de radarantenne. Ook dergelijke bouwhoogtes zijn in het plan niet aan de orde.

 

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van invloed zijn op onderhavig plan.

 

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de 'ladder voor duurzame verstedelijking' – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit procesvereiste is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het Rijk heeft er voor gekozen om, gedeeltelijk gebaseerd op de al langer geldende SER-ladder uit 1999, het procesvereiste vorm te geven als een determinerend-cumulatief werkende motivatieverplichting.

 

De motivatieverplichting voor ruimtelijke besluiten, welke geldt voor de maximale planologische mogelijkheden inclusief flexibiliteitsinstrumenten (waarbij planologische saldering niet per definitie is toegestaan), bestaat uit drie eisen (treden):

  1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

  2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

  3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

 

Beoordeling

In de definitiebepaling voor 'stedelijke ontwikkeling', als opgenomen in art. 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro, luidende een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen' is geen ondergrens opgenomen. Hieruit volgt dat elke stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, is onderworpen aan de toepassing van de ladder.

 

De ABRvS heeft daarentegen ten aanzien van een aantal type ruimtelijke ontwikkelingen jurisprudentie gevormd die bepaalt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, zodanig dat er geen toetsing behoeft aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Uitgangspunt vormt de hoofdregel dat er in het geheel geen sprake is van een nieuw ruimtebeslag (o.a. ECLI:NL:RVS:2016:1663). Deze hoofdregel is verder verfijnt ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van functiewijziging (o.a. uitspraak van 18 februari 2015 ECLI:NL:RVS:2015:428 en 22 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1757) en een beperkte uitbreiding van de bouwmogelijkheden.

 

Met onderhavig planvoornemen vindt er in de hoofdregel geen nieuw ruimtebeslag plaats. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande gebouwen van het kloostercomplex, waarbij er sprake blijft van een maatschappelijke bestemming die niet substantieel wijzigt. Binnen de vigerende maatschappelijke bestemming worden functies toegevoegd (zorggerelateerd en ondergeschikte vormen van horeca, bedrijf, dienstverlening, cultuur & ontspanning). De hoofdzaak blijft echter een maatschappelijk functie. De wijziging van het gebruik binnen de maatschappelijke bestemming hoeft derhalve niet te worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. De voorziene bouwkundige uitbreidingen van twee serre's zijn van zodanig beperkte omvang (circa 270 m2) en vormen een aanbouw aan de hoofdgebouwen, zodat ze eveneens niet als een stedelijke ontwikkeling hoeven te worden beschouwd.

 

Conclusie

De gewenste wijziging van het gebruik van de gebouwen van het kloostercomplex naar een woonzorginstelling met nevenfuncties betreft geen stedelijke ontwikkeling. Een procesmatige verantwoording aan de ladder is derhalve niet benodigd en belemmert de planvorming niet.

 

3.3 Provinciaal beleid

 

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014

Toetsingskader

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis, het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014, vastgesteld op 7 februari 2014 en in werking getreden op 19 maart 2014. Op onder andere de volgende onderdelen vindt bijsturing van het beleid plaats: transitie van stad en platteland, intrekken reconstructie- en gebiedsplannen, groenbeleid, samenhangend beleid voor de ondergrond en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. De, ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn met name van belang voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol.

 

De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn:

  1. de groenblauwe structuur: gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden;

  2. de agrarische structuur: een breed georiënteerde plattelandseconomie, waar landbouw een belangrijke drager is en waar de landbouwfunctie goed is afgestemd op de omgeving;

  3. de stedelijke structuur: alle grote locaties voor wonen, werken en voorzieningen zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen, waar de nadruk ligt op concentratie, zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit, verknoping aan infrastructuur en versterking van kennisinnovatieve economie;

  4. infrastructuur: samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen waarbij de nadruk ligt op betere verknoping, bevorderen bereikbaarheid, aandacht voor landschap en goede verdeling over verschillende netwerken.

 

Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.

 

Beoordeling

Voor het plangebied is het beleid vanuit het stedelijk concentratiegebied van toepassing. Naar huidige inzichten van de provincie is in het stedelijk concentratiegebied (inclusief de zoekgebieden voor verstedelijking) voldoende ruimte om in de verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken en voorzieningen) te voorzien. Hier is ruimte voor een grote verscheidenheid aan woon- en werkmilieus, of een menging daarvan, in uiteenlopende dichtheden.

 

Met name de beleidslijnen van zorgvuldig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking zijn voor het onderhavige plan van belang. Voor het stedelijke concentratiegebied betekent zorgvuldig ruimtegebruik dat bij het zoeken naar ruimte om te voorzien in de behoeften op het vlak van wonen, werken en voorzieningen de mogelijkheden van de bestaande ruimte zo goed mogelijk worden benut. Het accent moet hierbij liggen op inbreiding en herstructurering. Door het geven van een nieuwe functie aan het kloostercomplex wordt ingezet op herstructurering.

 

Conclusie

De beoogde transformatie van het klooster is passend binnen het beleid uit de provinciale structuurvisie.

 

 [image]

3.3.2 Verordening ruimte 2014, 2015

Algemeen

In de SVRO zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument 'planologische verordening', bekend als Verordening ruimte. Op 7 februari 2014 is de Verordening ruimte 2014 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze stelt regels aan onder meer de bundeling van stedelijke ontwikkeling, natuurontwikkeling, de ontwikkeling van intensieve veehouderijen, waterberging, cultuurhistorie en het agrarisch gebied. De Verordening ruimte 2014 is in werking getreden op 19 maart 2014. Op 15 juli 2015 is een herziene versie van de Verordening ruimte 2014 in werking getreden.

 

De Verordening ruimte 2014 is opgebouwd volgens het principe van een bestemmingsplan. Dit houdt in dat er zowel 'gebiedsgerichte regels' zijn gesteld als 'algemene regels'. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar 'structuren' (basisregels) en 'aanduidingen' (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen). Tenslotte zijn er ook een aantal 'procedurele bepalingen'. Aan de hand van deze systematiek wordt onderstaand het plan voor de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de relevante onderdelen uit de Verordening ruimte 2014.

 

Hoofdstuk 3: Structuren

 

Artikel 4.2: Stedelijke ontwikkeling

Toetsingskader

Artikel 4.2 bepaalt dat bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling zoals de Verordening ruimte 2014 bedoeld, uitsluitend zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan: een aangewezen gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Er liggen tal van mogelijkheden het bestaand stedelijk gebied beter te benutten door inbreiden en herstructureren en intensief en meervoudig ruimtegebruik.

 

Beoordeling en conclusie

Het voorliggende plangebied is geheel gelegen in het bestaand stedelijk gebied, nader aangeduid als stedelijk concentratiegebied. Binnen dit gebied vindt een transformatie plaats van een voormalig kloostercomplex naar een woon- en zorggemeenschap met nevenfuncties. Er is derhalve sprake van een vorm van herstructurering. De gewenste ontwikkeling is derhalve passend binnen de beleidsregels behorende bij artikel 4.2 van de Vr 2014.

 

Hoofdstuk 2: Algemene regels

 

Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

Toetsingskader

In de algemene regels voor de bevordering van ruimtelijke kwaliteit (artikel 3.1). is opgenomen dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording bevat dat:

  1. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

  2. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;

 

Ad. 1. Het principe zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  1. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

  2. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;

  3. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

  4. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd.

 

Ad. 2. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit dient het bestemmingsplan een verantwoording te bevatten waaruit blijkt dat:

  1. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;

  2. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;

  3. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.

 

Beoordeling

Voorwaarden ad 1:

  1. onderhavig plan maakt gebruik van bestaande percelen die gelegen zijn binnen het bestaand stedelijk gebied. Derhalve is dit artikellid niet van toepassing.

  2. in onderhavig geval is geen sprake van een uitbreiding van het ruimtebeslag, maar wordt gebruik gemaakt van reeds binnen het bestaand stedelijk gebied gelegen percelen plus gebouwen. Wel worden aan de bestaande gebouwen twee glazen overkappingen gebouwd in de vorm van een serre en een kas met een gezamenlijk oppervlak van 270 m2;

  3. in paragraaf 3.2.3 is het planvoornemen getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Door de transformatie van het bestaande kloostercomplex, waarbij de maatschappelijke bestemming in stand blijft, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Een verdere toetsing aan de ladder is niet noodzakelijk.

  4. het bestemmingsplan is niet gelegen buiten bestaand stedelijk gebied. Derhalve is dit artikellid niet van toepassing.

 

Voorwaarden ad 2:

  1. in hoofdstuk 5 van onderhavige toelichting wordt beargumenteerd waarom er geen belemmeringen zijn ten aanzien van deze aspecten;

  2. in paragraaf 4.2 van onderhavige toelichting is beschreven dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling en de beoogde functies passend zijn in de omgeving;

  3. het plangebied wordt ontsloten via de thans aanwezige wegenstructuur. Deze structuur is voldoende op orde om de toekomstige verkeersbewegingen op te vangen. Nabij het plangebied is tevens een bushalte gelegen. Deze halte is gelegen op loopafstand van het plangebied. Ten aanzien van het parkeren is in paragraaf 4.3 tevens de parkeerbalans aangegeven. Er wordt voorzien in voldoende parkeercapaciteit binnen en rondom het plangebied. De effecten van het planvoornemen ten aanzien van het milieu worden besproken in hoofdstuk 5. Tevens is afgewogen dat een milieueffectrapportage niet noodzakelijk wordt geacht.

 

Conclusie

Het onderhavige planvoornemen voldoet aan de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en is passend binnen de beleidsregels van artikel 3.1 en 3.2 van de Vr 2014.

 

3.4 Gemeentelijk beleid

 

3.4.1 Structuurvisie Breda 2030, Keuzes maken in een dynamische tijd, 2013

Toetsingskader

De structuurvisie “Breda 2030, keuzes maken in een dynamische tijd”, vastgesteld door de raad op 26 september 2013, bestaat uit een visie en beleidsuitwerking. De visie gaat in op de 6 kernwaarden, het fundament en de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor Breda. In de beleidsuitwerking wordt per thema aangegeven welke koers de gemeente Breda wil varen.

 

Visie 

Binnen de visie wordt aangegeven dat Breda zes kernwaarden hanteert. Voor onderhavig plangebied zijn drie kernwaarden van belang. Ten eerste de kernwaarde 'Stad, dorpen en buitengebied horen bij elkaar'. Ten aanzien van deze kernwaarde hecht de gemeente Breda veel waarde aan de eigen identiteit van wijken en dorpen en de afwisseling daartussen. Een duurzame samenhang tussen de verschillende gebieden is een belangrijk uitgangspunt voor de toekomst. Ten tweede de kernwaarde 'Cultureel erfgoed en de creatie van nieuwe waarden'. Breda is levend cultureel erfgoed en heeft hierin veel te bewaken en veel te winnen. Naast het koesteren en gebruiken van bestaande waarden in stad, dorpen en buitengebied worden via architectuur, stedenbouw, openbare ruimte en landschap nieuwe waarden gecreëerd. Ten derde de kernwaarde 'De menselijke maat en participatie'. Breda is een stad met een mooie grootte, een stad waar je elkaar kunt tegenkomen. Een stad met een menselijke maat, zowel fysiek als sociaal. Een stad met gedeelde multifunctionele centra, en karakteristieke dorpen en wijken. Een zelfbewuste stad waarin de bewoners betrokken zijn bij hun stad en elkaar, en hun eigen verantwoordelijkheid nemen waar dit mogelijk is. Maar ook een stad die zorgzaam is voor bewoners van stad en regio, wanneer de mogelijkheden van de eigen verantwoordelijkheid tekort schieten. De stad is van iedereen en iedereen doet mee!

Het fundament voor de visie is dat Breda een compacte en duurzame stad nastreeft, waarbij ook ruimte is voor initiatieven vanuit onderop. Compact wil zeggen dat ontwikkelingen geconcentreerd worden binnen de huidige stedelijke grenzen, en er geen verdere stedelijke uitbreiding plaats zal vinden. Doel is om de huidige kwaliteit van de stad te behouden en te versterken en in het buitengebied de focus te leggen op natuur en landbouw. Duurzaam betekent niet alleen aandacht voor het milieu, maar het principe volgen van de drie P's: People (mensen, sociale aspecten), Planet (milieu en natuurwaarde) en Profit (winst en waarde). Bij een ontwikkeling moeten deze drie factoren in balans zijn. Ruimte voor initiatief is het derde fundamentele uitgangspunt. In de huidige tijd zal ontwikkeling op een andere manier tot stand komen; niet alleen grote projecten van bovenaf, maar ook kleinschaligere initiatieven uit de stad, van onderaf.

Op basis van de kernwaarden en het fundament zijn drie hoofdlijnen uitgezet: Breda Markstad (planet), Bredaas Mozaïek (people) en Knooppunt Breda (profit). Voor onderhavig planvoornemen is vooral het Bredaas Mozaïek van belang. Binnen het mozaïek wordt uitgegaan van de kwaliteit van de diversiteit aan gebiedskarakteristieken binnen de stad en het buitengebied.

 

Beleidsuitwerking 

Het streefbeeld voor 2030 is een sterk maatschappelijk middenveld waar informele en (semi-)professionele partners gelijkwaardig aan elkaar werken. De gemeente heeft een rol op afstand en komt pas in beeld wanneer het echt nodig is. De maatschappelijke voorzieningen (voor zorg en welzijn) op wijkniveau zijn voor een deel samen gegaan en zijn multifunctioneel, kwalitatief hoogwaardig en goed bereikbaar.

 

Vanuit cultuur en erfgoed richt het beleid zich op de wijze hoe Breda zich als historische stad presenteert. Beeldcultuur en erfgoed worden gezien als een proeftuin, als een methode, waarmee ontdekt moet worden hoe de gemeente zich verhoud tot de veranderende wereld. Ondernemers, opleidingen, culturele organisaties en makers vinden elkaar in het zoeken naar nieuwe mogelijkheden om erfgoed en beeldcultuur voor de stad te ontsluiten, maar ook om hiermee antwoorden te geven op de maatschappelijke vraagstukken van morgen. Het erfgoed van Breda speelt een belangrijke rol in de (her)ontwikkeling van Breda. Door slimme combinaties van nieuwbouw en restauratie of herbestemming blijft het erfgoed behouden. Dit geldt evenzeer voor het ondergrondse erfgoed.

 

Beoordeling

Onderhavig planvoornemen is voorzien binnen de huidige stedelijke grenzen van Breda. Het betreft de transformatie van een kloostercomplex (cultureel erfgoed) naar een op zorg georiënteerde woon- en werkgemeenschap met diverse nevenfuncties. Ten behoeve van de omliggende woonbuurten wordt met de voorziene komst van de Mensa tevens ingespeeld op de behoefte om tegen geringe kosten een avondmaaltijd te kunnen nuttigen. Het plan draagt op deze wijze bij aan de drie genoemde kernwaarden. Beleidsmatig vormt de transformatie van het kloostercomplex een concreet voorbeeld om door herbestemming het erfgoed te behouden. De gewenste nevenfuncties bieden ruimte voor ondernemers en culturele organisaties om erfgoed en beeldcultuur te ontsluiten.

 

Conclusie

De voorgenomen transformatie van het klooster naar een op zorg gerichte woon- en werkgemeenschap met diverse nevenfuncties past binnen de gemeentelijke kaders van de Structuurvisie Breda 2030.

 

3.4.2 Bomenbeleid, 2016

Toetsingskader

De gemeente Breda heeft een nieuwe digitale kaart met waardevolle bomen, bossen en andere groene gebieden, vastgesteld d.d. 14 juli 2016. Aan de hand van criteria - zoals cultuurhistorie, ecologie en het klimaat - zijn samen met lokale natuur- en milieuverenigingen de Bredase bomen zorgvuldig in kaart gebracht. Het nieuwe bomenbeleid zorgt voor adequate bescherming van waardevolle bomen, maar ook bossen en houtsingels. Het brengt vereenvoudiging van de huidige Bomenverordening 2010. Het groen op de nieuwe kaart is in de toekomst beschermd en valt onder de regels van een omgevingsvergunning.

 

Beoordeling

In het plangebied bevinden zich waardevolle bomen. Deze bomen staan in de tuin dat tevens een rijksmonument betreft. Bij eventueel kappen, vellen of rooien van bomen in de tuin is een omgevingsvergunning benodigd. Het planvoornemen van initiatiefnemer ziet echter niet op ingrepen in de tuin waarvoor bomen gekapt, geveld of gerooid moeten worden.

 

Conclusie

Het bomenbeleid belemmert de planvorming niet.

 

3.4.3 Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda, herijking 2013, actualisatie 2016

Toetsingskader

In 2004 is de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda vastgesteld. In deze nota is het beleid rondom bijvoorbeeld de thema's parkeerregulering, parkeernormering en transferpunten benoemd, met als ambitie het parkeergebruik voor de toekomst te optimaliseren. Dit betekent het beter benutten van huidige en te realiseren (gebouwde) parkeervoorzieningen. Als uitgangspunt hierbij geldt dat het optimaliseren van het parkeergebruik niet ten koste mag gaan van zaken als bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. In de nota wordt aangegeven dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden conform de geldende parkeernormen. Deze normen zijn gebaseerd op onder meer de mate van verstedelijking, bereikbaarheidskenmerken van de locatie en specifieke eigenschappen van de functie.

 

Er zijn enkele aspecten uit deze Nota Parkeer- en Stallingsbeleid die aangescherpt dienden te worden, namelijk de systematiek met betrekking tot het instellen van een vergunningenzone en de parkeernormen. Daarom is de nota in 2013 herijkt. De gemeente Breda heeft in juli 2016 een aanvullende wijziging in haar vigerend parkeerbeleid doorgevoerd. De wijziging houdt in dat bij planologische functiewijzigingen in bestaande bebouwing in het gebied binnen de singels er geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd hoeven te worden indien dit ten opzichte van de bestaande situatie noodzakelijk zou zijn. Indien er wel sprake is van extra bebouwing dient wel voorzien te worden in extra parkeerplaatsen, behorende bij de functie van de extra bebouwing.

 

Beoordeling

Onderhavig initiatief betreft een project waarbij sprake is van een functiewijziging in de bestaande bebouwing van het kloostercomplex dat gelegen is in het gebied binnen de singels. Ten behoeve van de Mensa wordt wel een glazen overkapping in de vorm van een serre aangebouwd van maximaal 200 m2 zodat hierbinnen ruimte aanwezig is om de maximaal 150 gasten te ontvangen. Hiervoor wordt, overeenkomstig de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid, de norm behorende bij maatschappelijke diensten aangehouden. Deze norm betreft 1,8 parkeerplaats per 100 m2 bvo. De realisatie van de glazen overkapping in de vorm van een kas aan de werkhuisjes ter hoogte van de ingang bij de Nijverheidssingel met een oppervlakte van maximaal 70 m2 dient enkel als verfraaiing van de bestaande entreefunctie. Extra parkeerplaatsen zijn hiervoor niet benodigd. Voor de uitbreiding van 200 m2 ten behoeve van de Mensa geldt een parkeerbehoefte van 200/100 x 1,8 = 4 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen zal initiatiefnemer op eigen terrein realiseren.

 

Conclusie

Voor het planvoornemen van initiatiefnemer zijn voldoende parkeerplaatsen beschikbaar. Het plan is passend binnen het beleid.

 

[image] 

HOOFDSTUK 4 Doelstellingen van het bestemmingsplan

 

4.1 Inleiding

Aan de Schorsmolenstraat 11-13 te Breda staat een rijksmonumentaal kloostercomplex. Het complex, voorheen geleid door de Minderbroeders Kapucijnen (de Orde), wordt sinds 1 februari 2014 niet langer benut voor godsdienstige en overige religieuze doeleinden. In overleg tussen de Orde, de nieuw opgerichte 'Stichting van klooster tot Emmaus' en de gemeente Breda is gekomen tot een plan om een nieuwe invulling aan het complex te geven. Gekozen is voor een plan geleid vanuit de identiteit van de Kapucijnen (pretentieloosheid en eenvoud), waarbij de Stichting van klooster tot Emmaus (verder initiatiefnemer) haar maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt door te werken met en voor minderbedeelden.

 

4.2 De ontwikkeling en het programma

Het hoofddoel van de initiatiefnemer is het in het complex vestigen van een op zorg gerichte woon- en werkgemeenschap. De bewoners van de woon- en werkgemeenschap betreffen mensen die al dan niet door hun schuld geen vaste woon- of verblijfplaats meer hebben. Het gaat daarbij om de zogenaamde 'bovenkant van de onderkant', de Doelgroep, waarbij men ondersteund gaat worden door de inwonende dragende krachten van de stichting alsmede vrijwilligers van buiten om uiteindelijk weer een plek in de samenleving te verwerven. Het klooster wordt daarbij inpandig verbouwd ten behoeve van de woon- en werkgemeenschap. De volgende wijziging van het gebruik van het klooster is daarbij voorzien:

  1. In het klooster realiseren van maximaal 12 kamers voor de Doelgroep (waarvan 3 kamers voor logees (crisisopvang)) waar men steun/begeleiding ontvangt en woont gedurende het verblijf in de woon- en werkgemeenschap. Op de zolderverdieping van de voormalige werkhuisjes in de binnentuin worden drie zogenaamde exit-studio's gerealiseerd waar de Doelgroep zich in een laatste fase zelfstandig, doch onder begeleiding van de dragende krachten kan voorbereiden op een terugkeer naar de samenleving.

  2. Het in het klooster realiseren van maximaal drie dienstwoningen voor de dragende krachten die 24/7 de Doelgroep begeleiden.

 

Om de woon- en werkgemeenschap als hoofddoel te kunnen exploiteren dienen bedrijfsmatig inkomsten te worden gegenereerd. De initiatiefnemer heeft hiervoor in haar plan enkele inkomsten generende nevenfuncties bedacht en uitgewerkt. Daarbij zal de Doelgroep in het kader van therapeutische dagbesteding samenwerken met de dragende krachten en de vrijwilligers. Het gaat om de volgende nevenfuncties:

  1. De verhuur van een aantal ruimten in het klooster voor het houden van vergaderingen, het bieden van flexwerkplekken en meditatieruimte. De initiatiefnemer richt zich op verhuur van de ruimten aan met name de non-profitmarkt en coaches/therapeuten (dienstverlening).

  2. Het bakken en bezorgen van appeltaarten vanuit een taartenbakkerij op de begane grond in de voormalige werkhuisjes (detailhandel en bedrijf).

  3. Het in het klooster bieden van een oefenruimte met dagverblijf in de voormalige kerk ten behoeve van culturele organisaties. Momenteel is de ruimte voorzien ten behoeve van een residentie van een circustheater (cultuur en ontspanning).

  4. Het op de begane grond in de werkhuisjes ruimte bieden voor een bedrijfsruimte van circa 150 m². Momenteel wordt de ruimte benut voor de opslag en distributie van zogenaamde labe-tassen (concept afkomstig uit Spanje), maar eventueel ook mogelijk als atelier voor de productie van de tassen of andere lichte, ambachtelijke bedrijfsactiviteiten in maximaal milieucategorie 2 als bedoeld vanuit de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering 2009 (bedrijf);

  5. Het realiseren van maximaal vier kamers voor nachtverblijf (concept guesthouse / bed & breakfast) in het kloostercomplex. De vier kamers, in de categorie betaalbaar, staan in beginsel ten dienste van de gebruikers van de oefenruimte (guesthouse) maar kunnen bij niet-bezet zelfstandig worden geboekt door zakenmensen of particulieren (bed & breakfast/short stay). Er zijn twee kamers met ruimte voor twee personen en twee kamers met ruimte voor vier personen (horeca);

  6. Het in het klooster realiseren van een Mensa voor maximaal 150 personen, waar men gezamenlijk op vaste tijdstippen een voorgeschreven maaltijd kan nuttigen (zonder alcohol). De initiatiefnemer richt zich hoofdzakelijk op personen die in de omgeving van het kloostercomplex wonen en elkaar op deze wijze laagdrempelig kunnen ontmoeten. De doelgroep is oud / jong, studerend / werkend / werkloos / gepensioneerd (horeca);

  7. Het realiseren van een theetuin ter plaatse van de huidige kloostertuin. Daarbij vindt vanuit de serre van de Mensa het uitserveren plaats van koffie/thee/fris en/of versnaperingen zodat deze genuttigd kunnen worden bij het gebruik maken van de tuin voor wandelingen (horeca);

  8. Tenslotte het realiseren van een low budget hotelvoorziening (short stay) met maximaal 15 kamers op de zolderverdieping van de voormalige werkhuisjes (de Herberg). Eventueel ook te gebruiken als groepsaccommodatie (horeca).

 

Bovenstaande omschrijft een wijziging van het planologische gebruik van het kloostercomplex, die leidt tot de noodzakelijke inpandige verbouwing. Initiatiefnemer zal daarnaast twee beperkte uitwendige bouwaanpassingen aan het monumentale kloostercomplex doorvoeren. Aan de werkhuisjes wordt aan de zijde van de Nijverheidsingel een glazen overkapping in de vorm van een kas van circa 70 m2 gerealiseerd. Hiermee wordt beoogd de entree van het complex aan deze zijde nadrukkelijker te positioneren ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast wordt aan de westgevel van het klooster ten behoeve van de Mensa tevens een glazen overkapping in de vorm van een serre voorzien van circa 200 m2.

 

4.3 Verkeer en parkeren

Verkeer

Het voormalige kloostercomplex is vanuit de historische opbouw niet ingericht voor een ontsluiting met personenauto's of vrachtverkeer. Op het complex zijn echter in de jaren '60 van de vorige eeuw een aantal poorten gerealiseerd in de tuinmuur. Het betreft hier de poortentrees aan de Schorsmolenstraat en de Nijverheidssingel. Deze entrees blijven in de nieuwe situatie behouden ten behoeve van bevoorrading door kleine vrachtwagens (horecafunctie en bedrijfsfunctie) en parkeren van de dragende krachten, vrijwilligers en gasten. Aan de zijde van de Nijverheidssingel bevindt zich in de omheinde muur tevens een smalle ingang voor langzaam verkeer / voetgangers via een kleine deur. Deze opening blijft tevens behouden. Met de ter plaatse aan de werkhuisjes te realiseren glazen overkapping in de vorm van een kas wordt de ingang van de woon- en werkgemeenschap aan deze zijde extra verfraait en benadrukt.

 

Parkeren

De functiewijziging van het kloostercomplex leidt er niet toe dat er nieuwe parkeervoorzieningen benodigd zijn. Hiertoe is het gemeentelijk parkeerbeleid in juli 2016 aangepast. Voor de uitbreiding van het complex ten behoeve van de Mensa dienen 4 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Initiatiefnemer voorziet deze aan de noordzijde van het kloostercomplex waar zich reeds parkeerplaatsen bevinden. De parkeerplaatsen zijn toegankelijk via de Schorsmolenstraat, achter de tuinmuur.

 

HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap

 

5.1 Inleiding

Breda wil een stad zijn waarin mensen graag wonen, werken en recreëren. Leefbaarheid en duurzaamheid zijn hiervoor sleutelbegrippen. Een gezond en veilig woonmilieu is hierbij van groot belang. Daarnaast hebben bedrijven ruimte nodig om zich te ontwikkelen en is voldoende groen belangrijk voor natuurontwikkeling en recreatie. Om dit te kunnen bereiken dient bij ruimtelijke ontwikkelingen integraal naar het te ontwikkelen gebied te worden gekeken en zullen alle belangen zo goed mogelijk op elkaar af gestemd moeten worden.

 

Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda dient bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de milieuaspecten die door het plangebied en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld.

 

Karakterisering van het gebied

Het plangebied wordt gekenmerkt door het monumentale kloostercomplex, bestaande uit gebouwen en een grote tuin. In onderstaand hoofdstuk worden de verschillende milieuaspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.

 

5.2 Bodem

Toetsingskader

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering.

 

Beoordeling

Door het industriële verleden van Breda is er plaatselijk bodemverontreiniging aanwezig. De gemeente Breda inventariseert (mogelijk) verontreinigde locaties en combineert deze informatie met de vele bodemonderzoeken die worden uitgevoerd bij bouw, aan/verkoop en grondverzet. Al deze informatie is beschikbaar in bodeminformatiesystemen en wordt gebruikt bij beoordeling en advisering.

 

Door Search ingenieursbureau is in oktober 2012 een verkennend bodemonderzoek in het plangebied uitgevoerd. Met het onderzoek is inzichtelijk gemaakt of ter plaatse sprake is van een bodemverontreiniging. De rapportage van het onderzoek is als bijlage 1 aan deze toelichting gevoegd. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoeklocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locatie” niet juist is.

 

De onderzoeklocatie blijkt plaatselijk matig verontreinigd te zijn met koper en lood. Tevens zijn er lichte verontreinigingen met zware metalen, PCB en PAK aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium en zink gemeten.

 

De verontreinigingen zijn hoogst waarschijnlijk te relateren aan de bijmengingen van puin, baksteen en sintels ter plaatse van de klinkerverhardingen. Volgens de Wet bodembescherming is er geen sprake van een 'ernstige geval' van bodemverontreiniging. Aangezien het geen mobiele verontreiniging betreft en door de klinkerverharding geen contactmogelijkheden met de bodem bestaan, is er vooralsnog geen aanleiding tot het verrichten van een vervolg onderzoek met een aangepaste hypothese.

 

Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidige gebruik van de locatie. Ten aanzien van het toekomstige gebruik zal daar geen verandering in plaats vinden. Het gebruik van de tuin bij het kloostercomplex blijft gelijk. Wel zal ter hoogte van de te realiseren glazen overkappingen sprake zijn van een bouwkundige verankering in de bodem door middel van schroefpalen. Bij deze bouwconstructie zal er geen overtollige grond hoeven te worden afgevoerd. Een aanvullend verkennend bodemonderzoek hiertoe is niet benodigd.

 

Conclusie

Het aspect bodem belemmert de planologische procedure niet. De formele toetsing van het bodemonderzoeksrapport zal pas plaatsvinden bij de aanvraag van de omgevingsvergunning door de initiatiefnemers. De zwak puinhoudende bijmengingen kunnen als asbestverdacht beschouwd worden. Bij de beoordeling van het onderzoek in het kader van de omgevingsvergunning verdient het de aanbeveling hier aandacht voor te hebben.

 

5.3 Water

Toetsingskader

In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

 

Het beleid is er op gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat er zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Het beleid van het waterschap is gericht op het voorkomen van rechtstreekse lozingen op het oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Ten aanzien van de waterkwaliteit is de voorkeursvolgorde: 'schoonhouden, scheiden en zuiveren'. Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze 'waterneutraal' dienen te zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het water versneld afvoert ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Schone oppervlakken worden niet op een gemengd rioleringssysteem aangesloten. De voorkeur gaat uit naar een aansluiting van het hemelwater op een afzonderlijk hemelwaterstelsel. Voor daken, goten en overige regenwatervoorzieningen en wegverhardingen dienen bij voorkeur niet-uitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt. Om de waterkwaliteit te verbeteren, wordt ook in bestaande situaties waar mogelijk schoon verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel. Deze oppervlakken krijgen een eigen afvoervoorziening, waardoor het gemengd stelsel minder wordt belast. Hiermee wordt het aantal overstortgebeurtenissen met vervuild water vanuit het gemengde stelsel verminderd.

 

Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta

Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening en hanteert een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet. Het plan concentreert zich op de nieuwe uitdagingen in de toekomst, de uitgangspunten daarbij zijn:

  • balans tussen efficiënt beschermen en duurzaam benutten van de fysieke leefomgeving;

  • uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen; streng voor achterblijvers;

  • opgaven integraal en gebiedsgericht oplossen;

  • een dynamische en uitnodigende uitvoeringsagenda, samen met de partners uit te voeren.

 

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021 'Grenzeloos verbindend', wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten:

  • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren;

  • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte;

  • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen;

  • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem;

  • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen);

  • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater;

  • een duurzame energiewinning.

 

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd.

 

Keur Waterschap Brabantse Delta

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing, tenzij:

  1. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;

  2. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of;

  3. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

  4. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:

 

Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x Gevoeligheidsfactor x 0,06

 

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:

  1. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;

  2. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;

  3. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

 

Beleid gemeente Breda

Het beleid met betrekking tot de zorgplicht stedelijk afvalwater is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Breda. De zorgplichten hemel- en grondwater zijn in het door de gemeenteraad vastgestelde hemel- en grondwaterbeleidsplan uitgewerkt. Het hemel- en grondwaterbeleid is gericht op het nastreven van de oorspronkelijk natuurlijke situatie. Bij elke (her)ontwikkeling dient het water van kleine buien daar waar het valt te worden verwerkt (duurzaamheidseis). Voor een toename van verhard oppervlak gelden zwaardere eisen, ook extreem zware buien moeten ter plaatse kunnen worden opgevangen (veiligheidseis). Grondwater mag niet leiden tot structurele grondwateroverlast en vormt geen belemmering voor het grondgebruik. Voor de verwerking van overtollig grondwater hanteert de gemeente de volgende voorkeursvolgorde: verhogen waar het kan, bouwkundige aanpassingen waar mogelijk en als laatste afvoeren waar nodig. In alle gevallen geldt zuiveren waar het moet vanuit de gewenste waterkwaliteit.

 

Beoordeling

In het plangebied worden de bestaande gebouwen getransformeerd tot een op zorg gerichte woon- en werkgemeenschap met ondersteunende nevenfuncties. Het betreft hier gebruik maken van de bestaande gebouwen, erfverhardingen en aangrenzende tuinen. Het bestaand verhard oppervlak wordt daarbij nauwelijks gewijzigd. Enkel door de toevoeging van twee glazen overkappingen aan respectievelijk het klooster en de werkhuisjes zal er sprake zijn van een bouwkundige aanpassing aan de buitenzijde. Ter plaatse van de voorziene overkappingen met een gezamenlijk oppervlak van 270 m2 is er al sprake van erfverharding. De bouwplannen leiden derhalve niet tot een toename aan verharding en blijven ten tweede ruim onder de norm van 2.000 m², zodat er geen sprake is van een retentievereiste als verplicht door het waterschap. Het bestaande watersysteem voor de afvoer van regenwater zal derhalve in stand blijven. Ten aanzien van de afvoer van het afvalwater zal gebruik worden blijven gemaakt van het bestaande rioolsysteem.

 

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

 

5.4 Archeologie

Toetsingskader

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het 'bodemarchief' zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

 

Beleid gemeente Breda

Om de archeologische waarden binnen de gemeente te beschermen zoals voorgeschreven in de Wamz heeft de gemeente Breda archeologiebeleid vastgelegd in de Nota Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015. Onderdeel van deze visie vormt de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 1 Archeologie. Op deze kaart wordt het plangebied aangemerkt als gebied met een 'hoge archeologische verwachting'. Een doorvertaling heeft plaatsgevonden naar de bestemmingsplannen.

 

Beoordeling

In het bestemmingsplan "Binnenstad 2013" is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen die de hoge archeologische verwachting beschermd. Onderhavig bestemmingsplan maakt de transformatie van een kloostercomplex naar een op zorg gerichte woon- en werkgemeenschap mogelijk. Hierbij vindt inpandige verbouwing plaats van de bestaande gebouwen waarbij de grond niet wordt geroerd. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Ten behoeve van de realisatie van twee glazen overkappingen met een oppervlakte van maximaal 270 m2 wordt een funderingsconstructie door middel van schroefpalen gebruikt. De gezamenlijke oppervlakte van de schroefpalen blijft onder de onderzoekgrens van 100 m2 behorende bij de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie'. Ook ten aanzien van de realisatie van de glazen overkappingen geldt geen onderzoekplicht.

 

In het kader van de rechtsbescherming zal wel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen worden in onderhavig bestemmingsplan, overeenkomstig de regeling behorende bij het bestemmingsplan "Binnenstad 2013". Wanneer er toch sprake is van grondroerende werkzaamheden groter de 100 m2 geldt een afwijkingsmogelijkheid en dient er onderzoek te worden verricht naar de aanwezigheid van archeologische waarden.

 

Conclusie

Het aspect archeologie belemmert het planvoornemen niet.

 

5.5 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro gewijzigd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

 

Beleid gemeente Breda

Het Bredase erfgoed vormt de basis van de Bredase identiteit en vormt mede de basis van de ruimtelijke ontwikkeling van Breda Op gemeentelijk niveau is de nota Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015 van belang. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. Zoals in paragraaf 2.4 van deze toelichting omschreven is het kloostercomplex sinds 1976 een aangewezen rijksmonument (monumentnummer 10.295). Uitgangspunt van de planvorming dient derhalve te zijn het in stand houden van de monumentale waarde van de gebouwen en de kloostertuin.

 

Beoordeling

Ten behoeve van het planvoornemen van initiatiefnemer is in dat kader uitvoerig overleg gevoerd met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) als belangenbehartiger van de waarborging van de monumentale status van het kloostercomplex. De RCE concludeert dat het planvoornemen, met bijbehorende inpandige verbouwingen alsmede de twee beperkte uitwendige bouwwerken (glazen overkappingen in de vorm van een serre en een kas) zoals die met dit bestemmingsplan mogelijke worden gemaakt niet leiden tot een aantasting van die monumentale status.

 

Conclusie

Het RCE stemt in met de plannen van initiatiefnemer. Het aspect cultuurhistorie belemmert de voorgenomen planvorming niet.

 

5.6 Natuurgebieden

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.

De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.

 

Beoordeling

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat beschermd is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het meest nabijgelegen beschermde gebied betreft Natura 2000-gebied 'Ulvenhoutse Bos' op een afstand van meer dan 4 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Als gevolg van de beperkt extra verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen zijn effecten met een externe werking op Natura 2000-gebieden uit te sluiten. De inpandige verbouwing alsmede de realisatie van de twee beperkte uitwendige bouwwerken (glazen overkappingen) leiden niet tot effecten op Natura 2000-gebieden, zoals verstoring door geluid, licht, trillingen, verzuring of vermesting.

 

Conclusie

Het aspect natuurgebieden belemmert het planvoornemen niet.

 

5.7 Flora en fauna

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

 

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

 

Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

 

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

 

Beoordeling

Door Aveco de Bondt bv is in april 2016 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De briefrapportage is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek komt naar voren dat in het plangebied geen strikt beschermde soorten als bedoeld in de Flora- en faunawet zijn waargenomen. Ook worden de gebouwen niet geschikt geacht als broedplaats voor beschermde vogelsoorten. Wel blijft er een mogelijkheid voor het verblijf van vleermuizen in het plangebied (onder andere op de zolder van het klooster). Ook de kloostertuin blijft geschikt als fourageergebied voor vleermuizen en diverse vogelsoorten.

 

Omdat niet uitgesloten kan worden dat het planvoornemen leidt tot een aantasting van het verblijfsgebied van vleermuizen is nader onderzoek wenselijk. Het nader onderzoek vindt conform het protocol onderzoek vleermuizen 2013 plaats gedurende de planprocedure van het bestemmingsplan. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan worden de onderzoeksresultaten naar vleermuizen verwerkt in deze paragraaf.

 

Het plangebied maakt tenslotte geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De singel direct ten westen van het plangebied, de Aa of Weerijs, vormt wel onderdeel van het NNB in de vorm van een ecologische verbindingszone (EVZ). Op basis van de ligging van het ommuurde plangebied, buiten de EVZ, worden negatieve effecten van de ontwikkeling op de EVZ uitgesloten. Er is geen sprake van een afname van het oppervlak, of versnippering van het NNB. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op (wezenlijke kenmerken en waarden van) het NNB zijn uit te sluiten. Een nee, tenzij-toets is niet noodzakelijk.

 

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt, behoudend de uitkomsten van het nader onderzoek naar vleermuizen, geen belemmering voor de planologische procedure. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt getoetst aan de resultaten van het onderzoek en het nader onderzoek. Indien blijkt dat maatregelen genomen moeten worden, zal dit inzichtelijk gemaakt en door de gemeente goedgekeurd moeten worden voordat de omgevingsvergunning verleend wordt.

 

 

5.8 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden of objecten. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG uit 2009. Bedrijven zijn hierin opgenomen in tabellen, waarbij ieder type bedrijf is ingedeeld in een milieucategorie, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een gevoelig object dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin sprake is van een gewenste menging van functies of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. In de VNG-publicatie zijn meerdere tabellen, zogenoemde Staten (Lijsten) van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. Ten eerste een 'algemene' Staat met richtafstanden tussen bedrijven en gevoelige functies en ten tweede een (voorbeeld)Staat met richtafstanden specifiek voor bedrijventerreinen. In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust (beleidsmatig) functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), kan een derde lijst, de (voorbeeld) Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' worden toegepast. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven, kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan dorpskernen en winkelcentra, horecaconcentratiegebieden en zones met functiemenging in lintbebouwingen.

 

Beoordeling

Onderhavig plangebied ligt in de binnenstad van Breda. De binnenstad wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door een diversiteit aan functies (wonen, maatschappelijk, detailhandel, dienstverlening, etc.), zodanig dat conform de VNG-publicatie gesproken kan worden van functiemenging. Richtafstanden uit de VNG-publicatie kunnen derhalve met één afstandstap worden verlaagd. In de toekomstige situatie van het kloostercomplex wordt de meest maatgevende functie de bedrijvigheid in categorie 2 in de voormalige werkhuisjes (onder andere taartenbakkerij en voorziene bedrijfsruimte van circa 150 m2). Hiervoor geldt een afstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid/geur. In het kader van functiemenging kan de afstand met een stap worden teruggebracht tot 10 meter. De meest nabij gelegen gevoelige objecten ten opzichte van de toegestane bedrijvigheid in categorie 2 betreffen de woningen in de gebouwen aan de Schorsmolenstraat 9, Schorsmolenstraat 7-7c, Nijverheidssingel 393 en de woningen aan de Nieuwe Haagdijk (nrs. 8 - 8a tot en met 34) op minimaal 10 meter van de werkhuisjes.

 

Voldaan kan worden aan voldoende afstand tussen de bedrijvigheid vanuit het plangebied en gevoelige functies in de omgeving zodanig dat er geen overlast gevende situatie ontstaat. Daarnaast kan worden vermeld dat de zuidelijke gevel van de werkhuisjes direct grenst aan de diepe percelen van de aanwezige gebouwen, waarbij sprake is van een bouwkundige afscheiding door middel van een gesloten muur met kap van maximaal 7 meter hoog. De bouwkundige constructie kan derhalve tevens als geluidwerende voorziening worden beschouwd. Hinder vanuit het voormalige kloostercomplex met haar oriëntatie op de binnentuin naar omliggende gevoelige objecten wordt daarmee uitgesloten.

 

Redenerend vanuit de omgekeerde werking zijn rondom het plangebied enkele milieubelastende activiteiten die van invloed kunnen zijn op de woon- en verblijfsfunctie. Het betreft hier de inrichting aan de Nieuwe Haagdijk 30 (tandtechniek) en aan de Haagdijk 38 (drukkerij). Beide bedrijven liggen op meer dan 10 meter van het plangebied en vormen daardoor geen belemmering voor de woon- en verblijfsfunctie binnen het complex.

 

Tenslotte, in de werkhuisjes zijn drie exitstudio's voorzien. Deze studio's zijn voorzien op de eerste verdieping en worden bouwkundig afgescheiden van de bedrijvigheid op de begane grond. Beide functies worden niet door elkaar belemmerd.

 

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering belemmert het planvoornemen niet.

 

5.9 Geluid (wegverkeerslawaai)

Toetsingskader

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);

  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;

  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

De onderzoekzone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

 

 

Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

 

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

 

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

 

Beoordeling

Door Aveco de Bondt bv is in oktober 2016 akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd. De rapportage van dat onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Het onderzoek richt zich op de te verwachten geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de gevels van de toekomstige dienstwoningen voor de dragende krachten alsmede verblijfsruimten voor de Doelgroep. De verwachte geluidbelasting afkomstig van wegverkeerslawaai van de Schorsmolenstraat, Tramsingel en Leuvenaarstraat overschrijden de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de ruimten voor de dragende krachten, maar blijft onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Een ontheffing voor het toestaan van hogere waarden conform het gemeentelijk ontheffingenbeleid dient verkregen te worden. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure wordt de ontheffingsprocedure doorlopen. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan dient ontheffing te zijn verleend.

 

Conclusie

Voor het mogelijk maken van de dienstwoningen van de dragende krachten dient een procedure voor ontheffing voor hogere waarden te worden doorlopen. Voor het overige wordt het planvoornemen niet belemmerd door het aspect geluid.

 

5.10 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de 'Wet luchtkwaliteit' (Wlk) in werking getreden. Met de Wlk wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) bedoeld. In de Wlk zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) worden beleidsmatig relevant geacht. Het luchtkwaliteitsonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen.

 

Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan worden gemaakt dat:

  • door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 ìg/m³) (Wm artikel 5.16.1.c), ofwel dat;

  • de luchtkwaliteit door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), ofwel dat;

  • bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de vaststelling (van het besluit), de luchtkwaliteit in een gebied rondom de inrichting per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, ofwel dat;

  • er geen grenswaarden worden overschreden.

 

In het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen NO2 en PM10 als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze het jaargemiddeld maximaal 1,2 ìg/m³ bedragen. Wanneer hiervan sprake is, wordt voldaan aan artikel 5.16 eerste lid, onder c van de Wm en kan een uitgebreid luchtonderzoek achterwege blijven.

 

Beoordeling

Het planvoornemen betreft een functiewijziging binnen een te handhaven maatschappelijke bestemming. Het aantal verkeersbewegingen tussen de oude en nieuwe situatie zal daarbij niet rigoureus wijzigen. Waar voorheen sprake was van een religieuze functie, voorziet de nieuwe functie in een op zorg gerichte woon- en werkgemeenschap met nevenfuncties. Uitgangspunt betreft daarbij dat er geleefd wordt vanuit de identiteit van de voormalige bewoners, de Kapucijnen, waarbij pretentieloosheid en eenvoud centraal staan. Daarbij was geen of nauwelijks sprake van het gebruik van personenvoertuigen. In de nieuwe situatie zal dit tevens gelden voor de dragende krachten en de Doelgroep.

 

Binnen het planvoornemen wordt tevens de Mensa als ondergeschikte functie mogelijk gemaakt. Voor de Mensa wordt gericht op bezoekers uit omliggende wijken die lopend en/of met de fiets komen. Van personenvoertuigen wordt een minimale bijdrage verwacht. Een vergelijking makend met situaties die niet in betekenede mate bijdrage conform het Besluit NIBM (bijvoorbeeld de realisatie van 1.500 woningen en 1 ontsluitingsweg) mag worden aangenomen dat onderhavig project eveneens niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

 

Conclusie

Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect luchtkwaliteit.

 

5.11 Externe veiligheid

 

5.11.1 richtingen en externe veiligheid

Toetsingskader

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

 [image]

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart komt naar voren dat er in en nabij het plangebied geen risicorelevante inrichtingen aanwezig zijn. Geen rekening hoeft te worden gehouden met de bepalingen vanuit het Bevi.

 

Conclusie

Het aspect inrichtingen belemmert het planvoornemen niet.

 

 [image]

 

5.11.2 Transport en externe veiligheid

Toetsingskader

Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico (GR). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Vanuit de Regeling geldt dat daar waar in de tabellen de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de transportroute niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart komt naar voren dat er in en nabij het plangebied geen risicorelevante transportroutes aanwezig zijn. Wel wordt hieronder nader gemotiveerd waarom wegen en spoorwegen geen belemmering opleveren vanuit het Bevt.

 

Spoor

De meest nabij gelegen transportroute over het spoor is de op 500 meter noordelijk gelegen spoorlijn Breda - Tilburg. In de Regeling Basisnet zijn de afstanden van de plaatsgebonden risicocontour op 0 gesteld. De beoogde plannen worden door de afstand derhalve niet belemmerd door het plaatsgebonden risico.

 

Ten aanzien van de verantwoording aan het groepsrisico geldt dat door de afstand van 500 meter van de spoorlijn tot het plangebied er tevens geen belemmeringen zijn. De aan te houden afstand behorende bij route 12 traject H en M bedraagt maximaal 221 meter. Een verantwoording is pas benodigd voor plannen binnen deze afstand.

 

Wegen

De meest nabij gelegen transportroute over de weg is de op circa 2.800 meter ten westen gelegen rijksweg A16. Over deze rijksweg vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. Op 2.800 meter ligt wegvak B39 (A16, afrit 17 Prinsenbeek – knooppunt Princeville). Er is vanuit dit wegvak sprake van drie afstanden, waarmee rekening moet worden gehouden. Hieronder is aangegeven wat de drie afstanden betekenen voor het betreffende wegvak en het bestemmingsplan:

 

1. Afstand plaatsgebonden risico

Binnen een bepaalde zone langs de weg (de zogenaamde veiligheidszone) mogen geen kwetsbare objecten gebouwd worden. De grootte van de veiligheidszone is langs elke weg anders, afhankelijk van de hoeveelheid en samenstelling van het vervoer. Voor wegvak B39 geldt een veiligheidszone van 33 meter ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Vanwege de afstand tussen het plangebied en de rijksweg is derhalve geen sprake van een beperking. Hiermee wordt voldaan aan de normstelling.

 

2. Afstand plasbrandaandachtsgebied

In het Basisnet Weg is het begrip 'plasbrandaandachtsgebied' (PAG) geïntroduceerd. Gemeenten moeten langs bepaalde wegen rekening gaan houden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Bij een ongeval met een tankwagen met zeer brandbare vloeistoffen kan die uitstromen en in brand raken (plasbrand). Dat kan in een zone van 30 meter langs de weg tot slachtoffers leiden. De zone van 30 meter langs wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, waar veel zeer brandbare vloeistoffen vervoerd worden, is aangeduid als plasbrandaandachtsgebied. De gemeente moet bij ruimtelijke ontwikkelingen in die gebieden verantwoorden waarom op deze locatie wordt gebouwd. Voor deze zone gelden bovendien aanvullende bouwvoorschriften. Langs wegvak B39 is een dergelijk aandachtsgebied aanwezig. Het aandachtsgebied reikt echter niet tot aan het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de normstelling.

 

3. Afstand groepsrisico

Ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van een rijksweg waar vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zijn van invloed op de hoogte van het GR. Zoals ook in de eindrapportage Basisnet Weg is opgenomen, moeten gemeenten voor de bebouwing binnen 200 meter rekening houden met het groepsrisico. Bij bouwplannen binnen deze afstand moet het groepsrisico worden verantwoord. Onderhavig plan ligt op 2.800 meter van de rijksweg. Een verantwoording is derhalve niet benodigd.

 

Conclusie

Het aspect transport belemmert het planvoornemen niet.

 

5.11.3 Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader

Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.

 

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De risicokaart toont aan dat er in en in de nabijheid van het plangebied geen belemmeringen zijn. Geen rekening hoeft derhalve te worden gehouden met de bepalingen vanuit het Bevb.

 

Conclusie

Het aspect buisleidingen belemmert het planvoornemen niet.

 

5.12 Kabels en leidingen

Toetsingskader

De hierna volgende kabels en leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer2.

  1. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;

  2. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;

  3. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;

  4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;

  5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken3.

 

2 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).

3 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

 

Beoordeling

Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig binnen het plangebied of in de directe nabijheid ervan. Onder de reeds bestaande wegen is thans wel riolering aanwezig. Daarnaast zijn onder de bestaande infrastructuur kabels en leidingen aanwezig ten behoeve van onder andere gas, water, elektriciteit en telefonie. Aan de ligging van deze kabels en leidingen en het riool wordt niets veranderd middels onderhavig bestemmingsplan. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.

 

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

 

5.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:

  1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);

  2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;

  3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

 

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

 

Beoordeling

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.. In onderhavige situatie is er sprake van een vigerend planologisch regime voor een voormalig kloostercomplex met een maatschappelijke en groenbestemming. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst.

 

De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. Onderhavig plangebied beslaat slechts een oppervlakte van circa 1 hectare. Geconcludeerd kan worden dat het project ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Wat betreft het eerste criteria geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Door middel van de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

 

Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden en de Beschermde Natuurmonumenten.

 

Ten aanzien van het derde criteria geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010.

 

Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.

 

Conclusie

Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Natuurbeschermingswet 1998 of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

 

5.14 Duurzaamheid en energie

Toetsingskader

Breda kiest voor een duurzame ontwikkeling tot het niveau van een CO2 neutrale stad in 2044. Hiervoor worden maatregelen genomen die zorgen voor een duurzame energiehuishouding. De voorkeurvolgorde voor maatregelen is volgens de “trias energetica”:

  • beperken energieverbruik;

  • toepassen duurzame energiebronnen;

  • efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen.

 

Tevens moet duurzaamheid worden geborgd door gebouwen geschikt te maken voor toekomstige energievoorzieningen. Het borgen van duurzaamheid kan door:

  • Compacte bouwvorm en goede isolatie, oriëntatie op de zon, etc.

  • Ruimte in een gebouw reserveren voor installaties en nieuwe technieken zoals warmtepomp en zonnecellen.

  • Ruimte in een gebied reserveren voor collectieve installaties om duurzame energie op te wekken.

  • flexibele energie-infrastructuur aanleggen die eenvoudig is aan te passen aan nieuwe energiebronnen etc. (al in ontwerpfase).

 

Duurzaam bouwen

Het bestaande wettelijke kader (Bouwbesluit en bestemmingsplan) dient volledig te worden benut.

Bij een duurzaam gebouw gaat het erom dat het aantal nadelige milieueffecten in alle bouwfasen zoveel mogelijk beperkt wordt door: verantwoord materiaalgebruik, energiezuinigheid, gezond binnenmilieu, maar ook afvalpreventie. Dit is het best te realiseren volgens de "drie-stappen-strategie":

  1. Voorkom onnodig gebruik van energie, water, materialen en het produceren van afval.

  2. Gebruik duurzame/hernieuwbare bronnen zoals zon, wind, regen en hergebruik afval.

  3. Gebruik de niet duurzame bronnen verstandig en verwerk afval verstandig.

 

Beoordeling en conclusie

Bij de bouwkundige uitwerking van het planvoornemen alsmede tijdens de exploitatie wordt rekening gehouden met het aspect duurzaamheid. Toepassing wordt gegeven aan het gebruik van duurzame (bouw)materialen. Tevens zal zorgvuldig omgegaan worden met afvalstromen (scheiden van afval en recycling).

 

HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving

 

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de aanwezige karakteristieken en waarden van het plangebied en de omgeving en de voorgenomen ontwikkeling. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient deze juridisch vertaald te worden. Het aangewezen planologische instrument hiervoor is het bestemmingsplan. In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het bestemmingsplan wordt beschreven en daarna de inleidende regels en de bestemmingsregels aan bod komen.

 

6.2 Hoofdopzet

 

6.2.1 Bestemmingsplan algemeen

Een bestemmingsplan bestaat uit regels en de verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het plangebied en de omliggende gebieden.

 

6.2.2 Indeling regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten:

  • Inleidende regels;

  • Bestemmingsregels;

  • Algemene regels;

  • Overgangs- en slotregels.

 

In het eerste hoofdstuk ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe oppervlakte, hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

 

In het daaropvolgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op de bestemming en het gebruik (zie paragraaf 6.3). Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals algemene ontheffingsregels, algemene wijzigingsregels en procedureregels die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn. Hoofdstuk 4 ('Overgangs- en slotregels') gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bouwwerken en de citeertitel van het plan, zoals die overgenomen moeten worden uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

 

6.3 Bestemmingen

In de regels zijn de bestemmingen opgenomen. In deze paragraaf volgt een toelichting op de in dit bestemmingsplan voorkomende bestemming.

 

Groen (artikel 3)

Binnen deze bestemming is het privégroen opgenomen dat een structurele betekenis heeft voor het plangebied. Naast het feitelijke groen zijn binnen deze bestemming ook speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en ondergeschikte verhardingen in de vorm van voetpaden toegestaan. Gebouwen zijn uitsluitend in de vorm van bijgebouwen behorende bij het voormalige kloostercomplex toegestaan. De maximale oppervlakte en hoogten voor de verschillende bouwwerken zijn in de planregels vastgelegd.

 

Maatschappelijk (artikel 4)

Binnen deze bestemming wordt de op zorg gerichte woon- en werkgemeenschap (gedefinieerd in de regels als woonzorgvoorziening) met ondersteunende nevenfuncties mogelijk gemaakt. De specifieke nevenfuncties zijn aangeduid en als zodanig in de regels verwerkt. Binnen de bestemming is een bepaalde vorm van wonen mogelijk, maar dan uitsluitend in de vorm van zorggerelateerd wonen alsmede in de vorm van dienstwoningen. Daarnaast zijn binnen deze bestemming ook andere niet-maatschappelijke functies toegestaan, zoals detailhandel., lichte bedrijvigheid en bepaalde horecatypen, daar waar dit met een aanduiding is aangegeven.

 

Waarde – Archeologie (artikel 5)

Bij ruimtelijke inrichting en ontwikkelingen in een gedeelte van het plangebied moet worden gezocht naar beschermings- en inpassingmogelijkheden van eventuele archeologische waarden. De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' is gehanteerd voor de gebieden die conform de archeologische beleidsadvieskaart zijn gekenmerkt als gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Deze bestemming is erop gericht de archeologische belangen op adequate wijze te beschermen. Bodemingrepen zijn op deze gronden in principe niet toegestaan; als een ingreep dieper gaat dan 0,30 meter onder het maaiveld en een verstoringsoppervlak behelsd van 100 m² of meer is een omgevingsvergunning verplicht. Het college van burgemeester en wethouders stelt de bepalingen in de omgevingsvergunning vast. Het principe 'de verstoorder betaalt' is van toepassing. Op de gronden met deze dubbelbestemming dient in beginsel een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij dergelijke ingrepen. De resultaten van het onderzoek worden door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Indien uit onderzoeken blijkt dat geen sprake (meer) is van archeologische waarden of voldoende maatregelen zijn genomen om de archeologische waarden te beschermen, dan is geen omgevingsvergunning noodzakelijk.

 

Waarde – Beschermd stadsgezicht (artikel 6)

Het plangebied is door het rijk als beschermd stadsgezicht aangewezen, aangezien het onderdeel betreft van de Middeleeuwse kern van de stad. Deze bestemming is er op gericht de bestaande cultuurhistorische waarden te beschermen. De bescherming is gebaseerd op de methodiek van de "dubbelbestemming met bouwverbod". In de regels is een bouwverbod opgenomen voor bebouwing die op grond van de hoofdbestemming is toegestaan. Dit verbod kan worden doorbroken indien de uitbreiding vanaf het openbaar gebied niet zichtbaar is, dan wel indien een expliciet advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit aantoont dat de uitbreiding geen negatieve gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden van het pand. Ook het samenvoegen van panden valt onder dit verbodsregime.

 

Waarde-Ecologie (artikel 7)

In dit artikel is bedoeld voor de instandhouding, versterking en ontwikkeling van de mogelijk ecologische waarden in de aanwezige bebouwing. Sloop van (delen van) het gebouw is niet mogelijk mits aangetoond is dat er geen onevenredige aantasting ontstaat van de ecologische waarden, waarbij een rapport wordt overlegd waarin wordt aangetoond dat de

ecologische waarden niet worden verstoord dan wel dat er passende (mitigerende) maatregelen worden getroffen.

 

Algemene gebruiksregels

In artikel 9 zijn enkele bepalingen opgenomen die van toepassing zijn op alle bestemmingen. In dit artikel is aangegeven welk gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemming. Zo is bijvoorbeeld het gebruik van gronden en opstallen voor de exploitatie van een smart-, grow- en headshop, alsmede een groothandel in smart-, grow- en/of headproducten, een belwinkel of een combinatie hiervan niet toegestaan.

 

Daarnaast geldt dat seksinrichtingen niet zijn toegestaan. Nadat het bordeelverbod is opgeheven heeft de gemeente Breda sinds het jaar 2000 op basis van de APV een beleid gevoerd voor prostitutie- en seksinrichtingen. Hierin is een maximumstelsel van prostitutiebedrijven en overige seksinrichtingen vastgelegd. Het bestemmingsplan laat prostitutiebedrijven dan ook niet toe. Indien het maximumstelsel ruimte biedt aan nieuwe vestigingen, zal een afwijkingsprocedure op grond van de Wabo moeten worden gevoerd. Hierbij zullen alle ruimtelijk relevante aspecten tegen elkaar worden afgewogen. Een aanvraag zal daarnaast het BIBOB-traject doorlopen en moeten voldoen aan de eisen zoals genoemd in de APV-regeling. Uitgangspunt daarbij is dat mogelijke overlast voor de woonfunctie zo veel mogelijk wordt voorkomen.

 

Overige regels

In artikel 12 zijn de regels omtrent het parkeren opgenomen. Voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruiken van de gronden overeenkomstig de regels als opgenomen in hoofdstuk 2 dient voldaan te worden aan de geldende parkeernormen. Deze normen zijn opgenomen in bijlage 2 van de regels.

 

HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid

 

7.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. In paragraaf 7.2 is beschreven of de grondexploitatiewet van toepassing is op (delen van) het bestemmingsplan en op welke wijze hier uitvoering aan is gegeven. In paragraaf 7.3 is aangegeven op welke wijze het bestemmingsplan uitgevoerd zal worden.

 

7.2 Toepassing afdeling 6.4 Wro (grondexploitatie)

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijk regie bij locatieontwikkeling.

 

In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 6.2.1 is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk:

  • de bouw van een of meer woningen;

  • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;

  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met een of meer woningen;

  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m² bvo bedraagt;

  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo.

 

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

 

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Indien de kosten minder dan € 10.000,- bedragen, kan ervoor gekozen worden deze middels andere wijze dan een exploitatieplan te verhalen. Voor gronden waarop al gebouwd mocht worden (onbenutte bouwruimte) hoeft ook geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

 

Voor onderhavig planvoornemen is geen exploitatieplan vereist. Er is namelijk geen sprake van een bouwplan als opgenomen in artikel 6.2.1. Bro. Het verhaal van de kosten wordt anderszins verzekerd, zoals toegelicht in onderstaande paragraaf.

 

7.3 Financiele uitvoerbaarheid

Er is een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Breda en de initiatiefnemer gesloten. Voor de planontwikkeling en -uitvoering heeft de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd. Voor de gemeente is het plan derhalve financieel haalbaar.

 

HOOFDSTUK 8 Communicatie

 

8.1 Inleiding

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor het voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.

 

Als eerste is een concept-ontwerpbestemmingsplan opgesteld. In dat stadium vindt ook het wettelijke vooroverleg plaats met instanties als waterschap, diensten van het Rijk en provincie (paragraaf 8.2.1). Indien dit traject is afgerond, start de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan (paragraaf 8.2.2).

 

8.2 Procedure

 

8.2.1 Vooroverleg

Het voorontwerp bestemmingsplan is voorgelegd aan de volgende instanties:

  1. Provincie

  2. Waterschap Brabantse Delta

  3. Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

  4. Brandweer, pro-actie en preventie (H. Killaars)

  5. Brandweer, risicobeheersing (Ivo Snijders)

  6. Enexis, bedrijfsvoering netbeheer

  7. Enexis, regio Brabant West

  8. KPN

  9. Gasunie

  10. Ziggo

  11. Tennet

  12. Wijkraad Fellenoord/Schorsmolen

  

De Provincie, Brandweer, Gasunie, Waterschap Brabantse Delta en de Rijksdienst hebben gereageerd. De eerste drie instanties kunnen instemmen met het planvoornemen.

 

Het Waterschap heeft de volgende opmerking op de regels:

We adviseren U om binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Maatschappelijk' tevens ruimte te geven aan waterhuiskundige voorzieningen, door bijvoorbeeld de volgende wijzigingen door te voeren:

aanpassen van artikel 3.1 lid b in: “water en waterhuishoudkundige voorzieningen”

aanpassen van artikel 4.1 lid c 6 in: “water en waterhuishoudkundige voorzieningen”.

Deze gewenste aanpassing van het Waterschap is aangebracht. In bijlage 4 van deze toelichting zijn de schriftelijke reacties toegevoegd.

 

8.2.2 Zienswijzen

Het bestemmingsplan wordt als ontwerp voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende de periode van de terinzagelegging kan iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen tegen het plan inbrengen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen.

 

8.2.3 Beroep

Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk.