Toelichting
Teteringen, Hoolstraat 23-25 Inhoudsopgave HOOFDSTUK 4 Doelstellingen van het bestemmingsplan HOOFDSTUK 5 Milieu en Landschap HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving 7.2 Toepassing afdeling 6.4 Wro (Grondexploitatie) HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Inmiddels is duidelijk dat het Willem Alexanderplein in Teteringen niet ontwikkeld wordt als nieuw centrumgebied voor Teteringen, maar dat hiervoor de Scheperij in aanmerking komt. De percelen Hoolstraat 23 en 25, die op de hoek met de Willebrordstraat (zuidzijde Willem Alexanderplein) liggen, zijn in het verleden aangekocht door de gemeente vanwege de toen voorgenomen herontwikkeling van het Willem Alexanderplein. Leegstand van panden en verpaupering aan het Willem Alexanderplein dient voorkomen te worden. Momenteel is duidelijk dat het niet meer noodzakelijk is dat de gemeente eigenaar blijft van deze percelen en is het mogelijk de percelen af te stoten. Verkoop ten behoeve van een extra woning ligt voor de hand. Beide percelen hebben een diepe achtertuin. Daarom kan een deel van de achtertuinen afgesplitst ten behoeve van de bouw van een extra (vrijstaande) woning die ontsloten wordt aan de Willebrordstraat. Het verzoek past echter niet in het geldende bestemmingsplan ‘Teteringen’ waarin de locatie de bestemming ‘Gemengd-1’ heeft. Binnen deze bestemming is het toevoegen van een extra woning niet toegestaan. Omdat een extra woning op deze plek de levendigheid aan het plein bevordert en een verbetering van het straatbeeld oplevert, wil de gemeente meewerken aan dit initiatief. Daarnaast bestaat nog steeds een vraag naar zelfbouwkavels van maximaal 400/500 m2. Dit is ook erkend in de Structuurvisie Breda 2030, waarin is vastgelegd dat de helft van de kavels die voor particulier opdrachtgeverschap worden vrijgegeven, kleiner dient te zijn dan 400 m². De voorgestelde woning past zodoende qua situering en afmetingen dan binnen de structuur van de straat. Het doel van dit bestemmingsplan is de voorgenomen extra woning juridisch-planologisch mogelijk te maken. 1.2 Ligging en plangrenzen Figuur 1.1a Globale ligging plangebied (plangebied met rood omcirkeld) Het plangebied Hoolstraat 23-25 ligt in Teteringen in het noordoosten van Breda (figuur 1.1). Het plangebied vormt twee percelen in een bestaand bebouwingslint en sluit aan twee zijden (zuid en oost) direct aan op de bestaande woonbebouwing van de Hoolstraat en Willebrordstraat. In het westen en noorden grenst het plangebied aan de (openbare) ruimte, zijnde de Hoolstraat en Willebrordstraat/Willem Alexanderplein. Figuur 1.1b Ligging plangebied (plangebied met rood omlijnd) 1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan Teteringen, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 mei 2013 en in werking per 29 augustus 2013. Uit figuur 1.2 blijkt dat de betreffende percelen bestemd zijn als “Gemengd-1”. In het bestemmingsplan Teteringen is binnen de bestemming "Gemengd-1" bepaald dat het aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit betekent dat daar waar nu nog geen woning aanwezig is, geen extra woning mag worden gebouwd. Naast de bestemming "Gemengd-1" geldt ook de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie”. Figuur 1.2 Uitsnede uit bestemmingsplan Teteringen 1.4 Planvorm Voorliggend bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling voor de bouw van één extra vrijstaande woning. Daar dit bestemmingsplan gericht is op de mogelijkheid voor het bouwen van een extra woning, is sprake van een zogenoemd ontwikkelingsplan. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 ‘Gebiedsanalyse’ is de ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied, waaronder een analyse van de archeologie en het cultureel erfgoed, opgenomen. In hoofdstuk 3 ‘Beleid’ wordt het relevante ruimtelijke beleid van het rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 komen de doelstellingen van het bestemmingsplan aan bod en wordt de ontwikkeling beschreven. Vervolgens komen in hoofdstuk 5 ‘Milieu en landschap’ de sectorale milieuaspecten zoals m.e.r., water, bodemkwaliteit, externe veiligheid, ecologie, enzovoorts aan bod. In hoofdstuk 6 is de juridische planbeschrijving opgenomen. In hoofdstuk 7 wordt de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. En tot slot is hoofdstuk 8 ‘Communicatie’ gereserveerd voor de uitkomsten van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening, evenals een beschrijving van de verdere procedure. HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn achtereenvolgens het cultureel erfgoed, de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet. 2.2 Positionering plangebied Het plangebied ligt in het dorp Teteringen. Teteringen ligt ten noordoosten van de binnenstad van Breda, aan de doorgaande weg naar Oosterhout. Het plangebied ligt in het oudste deel van Teteringen en maakt onderdeel uit van het oude bebouwingslint van de Hoolstraat. In dit deel van Teteringen, met name aan de Hoolstraat, zijn diepe groene kavels aanwezig met overwegend vrijstaande woningen. Rond het plangebied zijn van oudsher verschillende functies en voorzieningen aanwezig, met name langs de Hoolstraat. 2.3 Ruimtelijke structuur 2.3.1 Cultureel erfgoed In de nota Erfgoed in context ErfgoedVisie Breda 2008-2015 is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens mede de basis vormt van ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze toelichting worden de aanwezige cultuurhistorische waarden (archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht en wordt aangegeven hoe deze waarden beschermd worden. Archeologie Teteringen ligt op de oostflank van het Dal van Breda en de westflank van de Formatie van Sterksel, waardoor de wegen in het dorpsgebied west-oost georiënteerd zijn. De lage venige gronden lagen in het westen, het cultuurgebied in het midden en de heide in het oosten. De geomorfologie van Teteringen wordt gekenmerkt door een lage dekzandrug die wordt geaccentueerd door een aantal hogere dekzandruggen. Hierop zijn veelal de eerste akkergebieden gevormd. Het plangebied zelf ligt op de lage dekzandrug. Rond de kruising van de oude heerbaan Heusdenhout-Geertruidenberg en de oude Napoleonweg van de Driesprong naar Oosterhout ligt een grote rug met bolle akkers. Verder ligt bij de Boerenstee een klein zandkopje. Aan de oostkant liggen brede zandruggen tegen het Cadettenkamp aan en rond het landgoed Laanzicht. Ten westen van Teteringen ligt een smalle beekloop. Het gaat om de Teteringse Beek ten zuiden van de Groenstraat die grotendeels lijkt te zijn gegraven en die niet meer op de oorspronkelijke plek in het beekdal ligt. Vanuit archeologisch standpunt, en met name vanuit de nederzettingsproblematiek, zijn deze terreinen bijzonder interessant. Ten westen van Teteringen liggen de veengebieden, “moeren in het lage" geheten omdat de laatmiddeleeuwse kleiafzetting hier heel beperkt bleef of zelfs geheel ontbreekt. Op basis van de gegevens op de Beleidsadvieskaart “Breda’s Erfgoed, deel 1 Archeologie” blijkt dat voor het plangebied een middelhoge en hoge archeologische verwachting geldt (figuur 2.1). Dit betekent dat bij alle bodemverstorende werkzaamheden die een oppervlakte hebben van 100 m2 en de bodem dieper dan 30 cm beneden maaiveld zullen verstoren, archeologisch onderzoek verplicht is. Voor de nieuw ontstane kavel (in het verlengde van de woning aan de Willebrordstraat 2) geldt een hoge archeologische verwachting. Het was dan ook van belang de archeologische verwachting nader te toetsen en de eventueel aan te treffen archeologische sporen en vondsten in kaart te brengen. Daarom is in juni 2014 een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd, aangezien er bodemverstorende activiteiten kunnen plaatsvinden die groter kunnen zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld. Figuur 2.1 Uitsnede beleidsadvieskaart Breda’s Erfgoed, deel 1 Archeologie (plangebied globaal met rood omlijnd) Tijdens het archeologisch onderzoek is een aantal recente paalsporen aangetroffen en een langwerpig spoor wat na couperen in elk geval niet de linie uit de 80-jarige oorlog bleek te zijn. Als gevolg van de bovenstaande resultaten wordt het gehele plangebied, zoals aangegeven middels een donker blauwe lijn in figuur 2.2., vrijgegeven voor wat betreft archeologie. Dat betekent dat voor dit gebied geen dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' meer is opgenomen. De directe omgeving van het plangebied kent onverminderd een hoge archeologische verwachting en dient bij voorgenomen bodemingrepen archeologisch onderzocht te worden. Voor de resterende twee percelen aan de Hoolstraat 23 en 25 blijft dus de dubbelbestemming van kracht. Indien er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden die een grotere oppervlakte hebben dan 100 m2 en dieper gaan dan 30 cm, zal voor het verkrijgen van de benodigde omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek uitgevoerd dienen te worden. De resultaten van het archeologisch onderzoek wordt door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Bovendien geldt dat wanneer er bij het ontgraven van het terrein toch nog archeologische sporen aan het licht komen, deze volgens de Monumentenwet 1988 binnen drie dagen dienen te worden gemeld bij de gemeente Breda. Figuur 2.2 Plangebied archeologisch (veld)onderzoek [Selectiebesluit archeologie Teteringen; Willebrordstraat, gemeente Breda, ErfgoedBesluit 2014-20, 26 juni 2014] Historische geografie De kern Teteringen is gesticht in de elfde en twaalfde eeuw op de overgang van hoog naar laag gelegen gronden. Het dorp is ontstaan op het kruispunt van twee historische wegen, te weten Hoeveneind en Zwarte Dijk-Groenstraat. Het plangebied ligt nabij dit kruispunt. De eerste weg vormde de ontginningsbasis voor het landschap Teteringen, de tweede een oude militaire verbindingsroute tussen Teteringen (Cadettenkamp) en de Spinolaschans. Sinds 1500 stond op deze kruising een kapel. De kapel werd uiteindelijk op dezelfde plaats vervangen door een nieuwe kerk, de Antoniuskerk, die van 1820 tot 1927 in gebruik bleef. Hier groeide een kleine nederzetting bij die in de negentiende eeuw “Kerkeind” genoemd werd. Naast het Kerkeind bestond Teteringen onder andere uit het gehucht Hoolstraat. De Hoolstraat bestond uit een aantal verspreid gelegen huizen en hoeven langs de hoofdweg naar Geertruidenberg. De oorspronkelijke wegenstructuur van Teteringen is opgebouwd rondom de Hoolstraat (tevens de grote weg naar Geertruidenberg) en de Heistraat, met dwars daarop wegen die van de Vuchtpolder door het akkerland naar de heide lopen, zoals het Heistraatje (tegenwoordig Laanzichtweg) naar het voormalige landgoed Laanzicht en de Hanendreef, die leidde naar het ontginningsblok De Hanen. Dit alles werd later schuin doorsneden door de nieuwe weg naar Oosterhout, de Oosterhoutseweg. Binnen het plangebied zelf zijn geen historisch geografische waarden aanwezig. Gebouwd erfgoed Binnen het plangebied bevinden zich geen beschermde monumenten en panden van cultuurhistorische waarde (perceel thans onbebouwd). Derhalve is het toekennen van een dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ niet van toepassing. 2.3.2 Stedebouw Teteringen kan getypeerd worden als een schoolvoorbeeld van een zogenaamd randdorp, gelegen op het overgangsgebied van de zandgronden naar het rivierkleigebied. Het is een noord-zuid verlopend wegdorp ontstaan uit oorspronkelijk gemengde bedrijven die blijkens de oude akkerbodems tot de middeleeuwen terug gaan. De Hoolstraat heeft het karakter van een dorpskern en bestaat uit lintbebouwing. De 19e en vroeg 20 eeuwse panden staan met de nok meest evenwijdig aan de straat. Dichtbij het plangebied ligt de 'oorsprong van Teteringen'. Deze werd gevormd door een concentratie van bebouwing op de kruising van de historische lijnen Moleneind en Hoeveneind met Zwarte Dijk - Groenstraat. De kruising van Hoeveneind en Groenstraat vormt nu het historische ‘dorpshart’ met de kerk, begraafplaats, enkele winkels en horecavestigingen aan het Willem Alexanderplein. Het plangebied grenst aan het Willem Alexanderplein. Geheel los van de bestaande dorpsstructuur is in 1813 de Oosterhoutseweg aangelegd, als onderdeel van de verbinding Parijs – Breda – Amsterdam. Door de grote verkeersintensiteit en het profiel is de Oosterhoutseweg belangrijker voor de structuur geworden dan de historische route van de Hoolstraat. Na de aanleg van de Oosterhoutseweg is de ruimte tussen de Oosterhoutseweg en het lint Hoolstraat – Hoeveneind ingevuld met bebouwing. Dit gebied vormt in de huidige structuur de kern van vooral het westelijk deel van Teteringen, met de Hoolstraat en het Willem Alexanderplein als concentratie van voorzieningen. Historische kern De oorspronkelijke kern heeft een vrij gesloten karakter. De bebouwing aan de Hoolstraat dateert voor het grootste deel van vóór de Tweede Wereldoorlog en bestaat uit gevarieerde bebouwing, vooral vrijstaande panden op smalle, diepe kavels. Op de diepe achterterreinen is soms bedrijvigheid te vinden. Op de planlocatie zijn momenteel twee woningen aanwezig met een diepe achtertuin. Een deel van de achtertuin wordt afgesplitst zodat een derde kavel met woning gerealiseerd kan worden. Figuur 2.3 percelen Hoolstraat 23 en 25 (bron: Cyclomedia) Ruimtelijke kwaliteit De ruimtelijke karakteristiek van het dorp wordt bepaald door de samenhang tussen een aantal elementen. Allereerst is dat de structuur die door de Hoolstraat – Hoeveneind en de Groenstraat – Kerkstraat aan het bebouwd gebied gegeven wordt. Aan deze twee linten ligt de meest kenmerkende bebouwing van het dorp, zoals de Willibrorduskerk, het gemeentehuis, oude hofsteden, etc. Ook de begraafplaats speelt een duidelijke rol in de beleving van de dorpskern. Voor de linten is vooral het individuele karakter van de woningen een waardevol thema. Dit is het ‘oude dorp’. De rest van het woongebied (het ‘nieuwe dorp’) heeft als voornaamste kenmerk de ruime opzet van vooral half-vrijstaande en vrijstaande woningen op grote kavels, rond centraal gelegen kleinschalig groen. De inrichting van de openbare ruimte is over het algemeen vrij sober te noemen. Met uitzondering van een aantal bijzonder uitgevoerde delen, zoals de aangrenzende Hoolstraat en het Willem Alexanderplein, overheerst in Teteringen een eenvoudige indeling en materiaalgebruik. Over het algemeen wordt de openbare ruimte overheerst door een sterke mate van verharding. 2.3.3 Verkeer De percelen Hoolstraat 23 en 25 worden momenteel ontsloten via de Hoolstraat en Willebrordstraat. Voor gemotoriseerd verkeer kent de Hoolstraat een eenrichtingsweg naar het zuiden toe. De Willebrordstraat is voor het gemotoriseerd verkeer een eenrichtingsweg naar het oosten toe. Voor fietsers en voetgangers zijn beide straten in beide richtingen toegankelijk. De nieuwe woning zal gericht zijn op de Willebrordstraat en hierop ook ontsloten worden. Deze straten en wegen rond het plangebied kennen een snelheid van maximaal 30 km/u. In deze straten is geen scheiding van verkeersvoortuigen, het gaat er om de aanwezige woningen en voorzieningen te ontsluiten voor alle verkeerssoorten. Een goed verblijfsklimaat heeft de hoogste prioriteit. De inrichting van deze wegen gaat uit van gelijkwaardigheid voor alle verkeerssoorten (voorrang van rechts). Voor wat betreft het parkeerbeleid geldt de Nota parkeer- en stallingsbeleid Breda (september 2004 en herijking op 20 juni 2013). In deze nota is het beleid rondom bijvoorbeeld de thema's parkeerregulering, parkeernormering en transferpunten benoemd. Bij nieuwbouw, verbouw, functieverandering en -uitbreiding geldt de gemeentelijke parkeernorm. De parkeerplaatsen dienen in principe op eigen terrein te worden gerealiseerd. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan zijn de parkeernormen uit het parkeerbeleid van toepassing verklaard. In hoofdstuk 4 is de parkeerbehoefte van voorgenomen ontwikkeling verder uitgewerkt. 2.4 Functionele structuur In Teteringen is de woonfunctie de belangrijkste en meest voorkomende functie. Ter ondersteuning van de woonfunctie zijn verschillende andere functies in Teteringen aanwezig, zoals detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en sportfaciliteiten. Deze functies zijn met name gelegen aan de Hoolstraat en de Scheperij. Deze voorzieningen liggen op relatief korte loop- en fietsafstand van het plangebied. Dit geldt ook voor de Bredase binnenstad. Voor de toekomstige bewoner(s) van het perceel zijn op korte afstand dus diverse voorzieningen aanwezig. Het plangebied wordt momenteel als (achter)tuin gebruikt. De direct aanliggende percelen zijn geheel in gebruik ten behoeve van wonen. HOOFDSTUK 3 Beleid 3.1 Inleiding De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante ruimtelijke beleid samengevat. 3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Zo beschrijft het kabinet in de SVIR in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Het Rijk geeft daarbij meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling. In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn). De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelstellingen en 13 nationale belangen zijn: Concurrerend = Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economisch structuur van Nederland. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: Nationaal belang 1: een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; Nationaal belang 2: ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; Nationaal belang 3: ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; Nationaal belang 4: efficiënt gebruik van de ondergrond. Bereikbaar = Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: Nationaal belang 5: een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; Nationaal belang 6: betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarweg; Nationaal belang 7: het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen. Leefbaar & veilig = Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn: Nationaal belang 8: verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; Nationaal belang 9: ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling; Nationaal belang 10: ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; Nationaal belang 11: ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; Nationaal belang 12: ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. De rijksverantwoordelijkheid voor het systeem van goede ruimtelijke ordening is zonder hoofddoelstelling, als afzonderlijk belang opgenomen: Nationaal belang 13: zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid. Bovendien worden nieuwe activiteiten altijd zoveel mogelijk geconcentreerd in het bestaand bebouwd gebied, aansluitend op bestaand bebouwd gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. Een groot deel van deze belangen is juridisch geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) (paragraaf 3.2.2), de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Rarro) of het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Plangebied In de SVIR zijn nationale belangen opgenomen die zorgen voor een gegarandeerde basiskwaliteit voor alle bewoners van Nederland. In de SVIR wordt zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Bij toekomstige ontwikkelingen heeft inbreiding en herstructurering de voorkeur boven uitbreiding. Nieuwe ontwikkelingen vinden eerst plaats in het bestaande stedelijk gebied of binnen bestaande bebouwing. Wanneer uitbreiding buiten het stedelijk gebied noodzakelijk is dan is een optimale inpassing en bereikbaarheid van de ontwikkeling van belang. Onderhavig plan ligt in stedelijk gebied. Het betreft het toevoegen van één extra woning. Regionaal zijn afspraken gemaakt omtrent de woningbouwprogrammering. Elke gemeente mag, mede op basis van demografische gegevens, een bepaalde hoeveelheid woningen bouwen. De extra woning past binnen deze regionale afspraken. In het gemeentelijk woningbouwprogramma wordt maximaal één woning gereserveerd ten behoeve van deze ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling volgt derhalve de lijn van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast is geen ander nationaal belang in het geding, aangezien het een kleinschalige ontwikkeling is, die geen consequenties heeft op nationaal niveau. Conclusie Het plan is dus in overeenstemming met de SVIR en is niet in strijd met een van de nationale belangen. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn in het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (1 oktober 2012, hierna Barro) geborgd. In het Barro is een aantal projecten die van rijksbelang zijn, genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project zijn vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt, zijn: de mainportontwikkeling van Rotterdam; de bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren; de bescherming en behoud van de Waddenzee; de bescherming en behoud van enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam; de uitoefening van defensietaken; veiligheid rond rijksvaarwegen; toekomstige uitbreiding van hoofd(spoor)wegennet; de elektriciteitsvoorziening; de ecologische hoofdstructuur (EHS); de veiligheid en bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament; toekomstige rivierverruiming langs de Maas; verstedelijking in het IJsselmeer; duurzame verstedelijking. Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de SVIR (paragraaf 3.2.1). Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en vermindering van de bestuurlijke drukte. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad kunnen leiden tot een versnelde uitvoering van die projecten. Daar staat tegenover dat gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakt aan een belang van één van de projecten in het Barro, nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten checken. Gebeurt dat niet, dan kunnen Gedeputeerde Staten of de Minister een reactieve aanwijzing geven. Het effect daarvan is dat bepaalde onderdelen van het bestemmingsplan niet in werking treden. Plangebied Uitoefening van defensietaken In het Barro zijn regels ten aanzien van radarverstoringsgebieden van toepassing die betrekking hebben op het plangebied. Het betreft het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht. In dergelijke gebieden gelden beperkingen ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation. Deze beperkingen hebben betrekking op de maximale bouwhoogte van bouwwerken in het radarverstoringsgebied. Het plangebied is gelegen op circa 40 kilometer van de radarantenne. In de regels vanuit het Barro/Rarro is bepaald dat in het gebied vanaf 15 tot 75 kilometer van de radarantenne de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan de hoogte van de antenne ten opzichte van NAP vermeerderd met 65 meter. De hoogte van de antenne van vliegbasis Woensdrecht bedraagt 45,2 meter +NAP. De maximale bouwhoogte in het voornoemde gebied mag dus niet meer bedragen dan 110,2 meter +NAP. Het bestemmingsplan staat geen bouwhoogtes toe die hoger zijn dan deze maat. De hoogst toegelaten bouwhoogte binnen de planregels bedraagt 11 meter. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Barro is ook het nationaal belang, 'ladder voor duurzame verstedelijking', opgenomen. Doel van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen. Allereerst dient bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling de vraag beantwoord te worden of er een regionale behoefte is (trede 1). Zo ja, dan dient bekeken te worden of deze behoefte op te vangen is binnen het bestaand stedelijk gebied (trede 2). Zo ja, dan is de beantwoording klaar. Zo nee, dan dient een locatie gezocht te worden die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte (trede 3). In dit geval betreft het een bouwplan dat één woning mogelijk maakt. Breda heeft wat betreft de vraag naar verschillende functies, zoals wonen, bedrijven en detailhandel, afspraken gemaakt met de regio (regionaal ruimtelijk overleg). In het regionaal ruimtelijk overleg wordt, onder andere op basis van demografische gegevens, voor elke gemeente de behoefte aan de diverse functies vastgelegd. Breda heeft deze afspraken verankerd in eigen beleidsstukken. Voor wat betreft de stedelijke programmering voor wonen heeft de gemeente Breda de koers geformuleerd in de Structuurvisie Breda 2030 (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2013), zie ook paragraaf 3.4.1. Hierin is aangegeven dat het regionaal afgestemde woningbouwprogramma voor Breda 6325 woningen bedraagt voor de periode tot 2023 en circa 5000 woningen voor de periode 2023-2030. Dit betekent dat de gemeente keuzes dient te maken in de te realiseren bouwplannen. Uitgangspunt bij deze keuze is of er door de voorgenomen ontwikkeling een kwaliteitsverbetering van de locatie optreedt. In dit geval is daar sprake van (zie ook hoofdstuk 4). Derhalve is besloten dat deze ontwikkeling doorgang mag vinden en dat deze woning gereserveerd wordt in het Bredase woonprogramma. De voorgenomen bouwplan past dus binnen de regionale behoefte (trede 1) en ligt bovendien in stedelijk gebied (trede 2). De voorgenomen ontwikkeling volgt derhalve de lijn van de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Gezien de maximale toegestane hoogtematen in het plangebied is voorliggend bestemmingsplan niet in strijd met het nationale belang 'uitoefening van defensietaken'. Daarnaast geldt dat de voorgenomen ontwikkeling gelegen is in stedelijk gebied, het plan past binnen de regionale afspraken omtrent woningbouw en derhalve voldoet het plan aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Overige nationale belangen zijn niet van toepassing op het plangebied. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. 3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening In de 'Structuurvisie 2010-partiële herziening 2014' (1 januari 2011 in werking getreden en op 7 februari 2014 partiël herzien) is het beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in Brabant op hoofdlijnen uiteengezet. De Structuurvisie geeft de samenhang weer tussen het beleid op het gebied van milieu, verkeer en vervoer en water. Daarnaast houdt de Structuurvisie ruimtelijke ordening rekening met het provinciaal beleid op economisch, sociaal-cultureel en ecologisch vlak. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Er gaat geen directe werking uit richting gemeentelijke besluitvorming. De Verordening ruimte (paragraaf 3.3.2) heeft wel een doorwerking naar gemeentelijke besluitvorming. De Structuurvisie beschrijft een aantal trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen. Deze trends en ontwikkelingen zijn: ruimtelijke kwaliteit staat onder druk; veranderend klimaat; achteruitgang biodiversiteit; veranderend landelijk gebied; toenemende behoefte aan duurzame energie; toenemende concurrentie tussen economische regio’s; afnemende bevolkingsgroei; toename mobiliteit. Daarnaast beschrijft de Structuurvisie de onderscheidende kwaliteiten van Noord-Brabant. Dit zijn; de natuurlijke basis; de belangrijkste trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen; het ontginningslandschap; het moderne landschap. Op basis van de hierboven genoemde trends en kernkwaliteiten geeft de Structuurvisie ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van Noord-Brabant. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. De vier structuren zijn: de groenblauwe structuur; het landelijk gebied; de stedelijke structuur; de infrastructuur. Figuur 3.1 Uitsnede structurenkaart Structuurvisie 2010-partiële herziening 2014' (plangebied is globaal met zwart omcirkeld) [bron: www.brabant.nl] Plangebied Het plangebied is als onderdeel van de bestaande stad op de bijbehorende kaarten aangegeven als 'stedelijk concentratiegebied' (zie figuur 3.1). In de stedelijke structuur wil de provincie het volgende bereiken: concentratie van verstedelijking; zorgvuldig ruimtegebruik; meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; versterking van de economische kennisclusters. Binnen het stedelijk gebied is functiemenging, inbreiding, herstructurering en transformatie belangrijk, zodat er minder ruimte nodig is voor stedelijke uitbreidingen. Door de verstedelijking te concentreren, zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te houden en verder te ontwikkelen. Dat gebeurt rond goed ontsloten gebieden, zoals in dynamische stadscentra en op knooppunten van infrastructuur. Onderhavig plangebied ligt in het stedelijk concentratiegebied. Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale overleggen. Zorgvuldig ruimtegebruik en toepassing van de ladder voor duurzame ontwikkeling zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in de toevoeging van één extra woning in het bestaand stedelijk gebied. Hierbij is sprake van herontwikkeling van een locatie in reeds bebouwd gebied. Daarmee voldoet dit plan aan het uitgangspunt van het provinciale beleid om zoveel mogelijk te herstructureren, inbreiden en intensiveren in het bestaand bebouwd gebied. 3.3.2 Verordening ruimte De 'Verordening ruimte 2014' (vastgesteld op 7 februari 2014 en per 19 maart 2014 in werking) is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal en rijksbeleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. De regels in de Verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn: ruimtelijke kwaliteit; stedelijke ontwikkelingen; natuurgebieden en andere gebieden met waarden; agrarische ontwikkelingen, waaronder de intensieve veehouderij; overige ontwikkelingen in het landelijk gebied. In de Verordening ruimte zijn regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, dienen te voldoen. De regels van de Verordening ruimte zijn, in lijn met het beleid uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening, erop gericht om het merendeel van de stedelijke ontwikkelingen plaats te laten vinden in de stedelijke regio’s en in het bestaand stedelijk gebied. Plangebied Het plangebied ligt geheel in bestaand stedelijk gebied, 'stedelijk concentratiegebied' (figuur 3.2). De Verordening zegt over gebieden in stedelijk gebied dat 'bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend gelegen moeten zijn in het bestaand stedelijk gebied'. In het stedelijk concentratiegebied zijn de mogelijkheden om het bestaand stedelijk gebied beter te benutten door inbreiding en herstructurering en intensief en meervoudig ruimtegebruik van belang. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden die compacte bouwwijzen - zoals het bouwen in de hoogte en steeds vaker ook in de diepte (de ondergrondse ruimte) - bieden om het ruimtegebruik te intensiveren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. In de stedelijke gebieden kan men denken aan het combineren van functies als wonen, werk en zorg. Ook verwacht de provincie van gemeenten aangaande nieuwbouw van zelfstandige woningen dat zij bij de ontwikkeling en het opstellen van ruimtelijke plannen rekening houden met de afspraken, zoals die zijn gemaakt in het regionale planningsoverleg ('ladder van duurzame verstedelijking'). Het vereiste van regionale afstemming is gebaseerd op de constatering dat wezenlijke processen met betrekking tot het wonen zich meer en meer afspelen op het regionale schaalniveau. Het wonen moet dan ook steeds meer als een regionale opgave worden gezien en de noodzaak om met betrekking tot de woningbouw tot (meer en betere) regionale afstemming te komen en ook regionale afspraken te maken, wordt alleen maar groter. In lijn hiermee voorziet de Verordening ruimte erin dat, op basis van de door de provincie opgestelde bevolkings- en woningbehoefteprognose, in regionaal verband bestuurlijke afspraken worden gemaakt over de gemeentelijke woningbouwprogramma’s, in samenhang met de gemeentelijke plancapaciteit voor woningbouw. De gemeente Breda kent, op basis van de regionale afspraken, een maximum aantal woningen die tot 2023 gebouwd mogen worden. Het toevoegen van één woning op deze locatie past binnen deze regionale afspraken. Ten behoeve van deze ontwikkeling wordt een aantal van één woning gereserveerd in het gemeentelijke woonprogramma. De voorgenomen ontwikkeling is dus passend binnen de regionale afspraken en is zodoende voldoende onderbouwd volgens de ladder van duurzame verstedelijking. Figuur 3.3 Uitsnede Verordening ruimte 2014, kaart 'stedelijke ontwikkeling', plangebied globaal met zwart omcirkeld [bron: www.brabant.nl] Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in het toevoegen van één woning in het bestaand stedelijk gebied conform regionale afspraken. Onderhavig bestemmingsplan past dus binnen de regels van de Verordening ruimte en is dus niet in strijd met een provinciaal belang. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Breda 2030, Keuzes maken in een dynamische tijd De 'Structuurvisie Breda 2030' (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2013) geeft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weer en biedt een afwegingskader voor de stedelijke programmering. De structuurvisie dient als integrale basis voor bestemmingsplannen, ontwikkelingsvisies en beleidsdocumenten. Het fundament voor de ontwikkeling van Breda naar 2030 is het ontwikkelen van een compacte, duurzame stad, waarin ruimte is voor initiatief. Doelstelling in de Structuurvisie voor wat betreft woningbouw is een betere aansluiting van de nieuwbouw op de bestaande voorraad en de ontwikkelende woningvraag. Vraag en aanbod moeten beter op elkaar afgestemd worden. Het is dus van belang dat een herprogrammering plaatsvindt, waarbij prioriteiten gesteld worden welke woningbouwplannen wel en geen doorgang mogen vinden. Het afstemmen van het woningaanbod op de woonvraag is een opgave voor markt en overheid. De gemeente voert de regie op het programma en zal samen met andere partijen en bewoners richting geven aan de projecten waarop wordt ingezet. Zij heeft hierbij vooral een regisserende, stimulerende en faciliterende rol. Wanneer de bevolkingsontwikkeling, de woningmarkt en de ambities rond het wonen vertaald worden naar het woonbeleid, komen de volgende accenten naar voren: Realistisch programmeren; Bijstellen, doseren en faseren van lopende plannen; Schrappen van projecten die niet tot ontwikkeling komen; Faciliteren van vernieuwende, onderscheidende en unieke woonlocaties; Ondersteunen van initiatieven (zelfbouw); Aandacht voor de vitaliteit van de dorpen en wijken; Inzetten op duurzaamheid bestaande voorraad (o.a. particuliere woningverbetering); Aandacht voor vergrijzing (nul-trede-woningen, thuis wonen met zorg in de buurt); Huisvesten van jonge huishoudens; Huisvesten van kwetsbare groepen en de benodigde kernvoorraad aan sociale huurwoningen; GWI en bereikbaarheid voorzieningen; Arbeidsmigranten en studenten en regulering kamermarkt. Vertaald naar de bestaande en nieuwe woningvoorraad, geven de accenten voor het woonbeleid het volgende beeld: Bestaande voorraad: Verduurzaming; Bevorderen doorstroming; Beleid rond woningsplitsing/ kamerverhuur/ inwonen/ samenwonen; Renovatie en groot onderhoud in plaats van sloop (vooral op de langere termijn); Sloop/ vervanging (vooral op de lange termijn); Verdunnen in compact stedelijke woonmilieus en verdichten in centrum stedelijk en dorpse woonmilieu (nabij voorzieningen). Nieuwbouw: Kleinschalig en verspreid over alle woonsferen en woonmilieus; Ruimte voor zelfbouw; Inzetten op functiemenging; Versterken karakter bestaande woonmilieus (gemêleerd); Monitoring ontwikkeling vraagzijde en effecten realisatieteam; Faseren en doseren grootschalige locaties; Verzamelopgave vitaliteit dorpen. Het is niet de bedoeling dat de woningbouw in Breda geheel 'op slot' gaat de komende jaren. Er blijft altijd vraag naar nieuwe woningen en specifiek kavels ten behoeve van zelfbouw. Vraag en aanbod moeten echter beter op elkaar afgestemd worden. Bij elk verzoek voor nieuwbouw moet dus goed afgewogen worden of woningvermeerdering wenselijk is en het initiatief voldoet aan de vraag. Uitgangspunt bij deze beoordeling is dat woningvermeerdering wordt toegelaten wanneer sprake is van een verbetering van de ruimtelijke en functionele kwaliteit van de locatie. Per initiatief wordt dit afgewogen. Ook voor deze locatie is gekeken of het toevoegen van een woning een kwaliteitsverbetering oplevert. Plangebied De locatie ligt in Teteringen. Dit woonmilieu is in de Structuurvisie aangewezen als 'dorps'. Door het doortrekken van het bebouwingslint aan de Willebrordstraat met één woning ontstaat een meer afgeronde en levendige hoeksituatie. Het toevoegen van een extra woning op deze locatie bevordert bovendien de levendigheid aan het plein. Het plan biedt daarmee een kwaliteitsverbetering van de locatie en de omgeving en versterkt hiermee het karakter van het bestaande woonmilieu aan het plein. De gevraagde woning leidt bovendien niet tot een hogere parkeerdruk in de omgeving, omdat op eigen terrein voldoende gelegenheid is om, conform het gemeentelijk parkeerbeleid, minimaal 2 parkeerplaatsen aan te leggen. Daarnaast geldt dat de oppervlakte van de nieuwe ontstane kavel maximaal 400 m² is. Deze oppervlaktemaat sluit aan bij een aangenomen motie op de SV2030; de helft van de kavels die voor particulier opdrachtgeverschap worden vrijgegeven, dient kleiner te zijn dan 400 m². In dit geval ontstaan drie kavels van circa 400 m² (nieuwe kavel), circa 425 m² (resterende oppervlakte Hoolstraat 23) en circa 305 m² (resterende oppervlakte Hoolstraat 25). Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de gemeentelijke kaders van de stedelijke programmering zoals vastgelegd in de Structuurvisie Breda 2030. HOOFDSTUK 4 Doelstellingen van het bestemmingsplan 4.1 Doelstelling De doelstelling van dit bestemmingsplan is het mogelijk maken van de bouw van één extra woning op een deel van de percelen Hoolstraat 23-25. Door het doortrekken van het bebouwingslint aan de Willebrordstraat met één extra woning ontstaat een meer afgeronde en levendige hoeksituatie (Hoolstraat/Willebrordstraat). Het plan biedt een kwaliteitsverbetering van de locatie aan de pleinzijde en vormt daarom een gewenste ontwikkeling. 4.2 Beschrijving plan In het plangebied mag één vrijstaande woning extra worden gebouwd op een kavel van maximaal 400 m2. Voor deze woning is nog geen bouwplan gemaakt. Wel geldt een aantal specifieke randvoorwaarden waar de extra woning aan moet voldoen. Zo dient de nieuwe woning qua maat, schaal en situering passend te zijn in de directe omgeving. Daarom dient de voorgevel van de nieuwe woning gebouwd te worden in het verlengde van de voorgevels c.q. bouwvlak van de rijwoningen aan de Willebrordstraat. De breedte van het nieuwe hoofdgebouw mag variabel zijn, maar mag maximaal 8 meter breed zijn. Om het karakter van een vrijstaande woning te versterken, dient ook aan weerszijden van het hoofdgebouw een strook van minimaal 3 meter tot de zijdelingse perceelgrens te worden aangehouden, waarin wel aan één zijde een aan- of bijgebouw gebouwd mag worden. Deze maten zijn vertaald in de planregels en verbeelding. Wat betreft de situering van de westelijke perceelgrens geldt dat deze haaks mag staan op de bebouwingsgrens aan Willebrordstraat of evenwijdig mag lopen aan de kavelgrens aan de Hoolstraat. Samengevat dient de extra vrijstaande woning aan de volgende bouwregels te voldoen: Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak zoals op de verbeelding is aangeduid; Het perceel mag voor maximaal 40% bebouwd worden met een maximum van 400 m2; De bouwdiepte van de vrijstaande woning mag maximaal 15 meter bedragen; De maximale goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw mag respectievelijk 6 en 11 meter bedragen; De breedte van het nieuwe hoofdgebouw mag maximaal 8 meter zijn; De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt minimaal 3 meter, waarin aan één zijde een aan- of bijgebouw gebouwd mag worden. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen aan de volgende regels te voldoen: Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op minimaal 1 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan te worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde in artikel 4.2.3, onder a, van de planregels; Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen aan één zijde in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd dan wel op een afstand van minimaal 1 meter van deze grens. Aan de andere zijde, dient een strook van minimaal 3 meter vrijgelaten te worden; Vrijstaande bijgebouwen mogen een gezamenlijk oppervlak hebben van maximaal 60 m2; De maximale goot- en bouwhoogte mag respectievelijk 3 en 5 meter bedragen. Parkeren en ontsluiting Het parkeren dient op eigen terrein te geschieden. Voor een vrijstaande woning in dit gebied geldt een parkeernorm van 1,9 parkeerplaats per woning. Er dienen dus op eigen terrein (afgerond) 2 parkeerplaatsen aangelegd te worden. Aangezien het perceel een oppervlakte heeft van circa 400 m2, is voldoende ruimte op het perceel aanwezig om deze parkeerplaatsen te realiseren. De nieuwe woning is gericht op de Willebrordstraat. Om die reden dient de nieuwe woning ook ontsloten te worden op de Willebrordstraat. HOOFDSTUK 5 Milieu en Landschap 5.1 Inleiding Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda dient bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de milieuhygiënische aspecten die door het plangebied en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuhygiënische aspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht. 5.2 Milieueffectrapport Gezien de beperkte grootte van het planvoornemen wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht. De activiteit komt voor in de bijlage van het Besluit m.e.r., maar omdat het beneden de drempelwaarde blijft, is een m.e.r. (beoordeling) niet verplicht. Een motivering betreffende de milieubeoordeling van planvoornemen is noodzakelijk. In de navolgende paragrafen worden de milieuaspecten beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. 5.3 Bodem Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater ter plaatse geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Regelgeving De tijd dat bodemverontreiniging geheel moet worden weggenomen is voorbij. Tegenwoordig hoeven alleen de zogeheten ‘ernstige’ verontreinigingen aangepakt te worden. De aanpak wordt afgestemd op de functie. De belangrijkste criteria voor de keuze van maatregelen zijn de risico’s voor gezondheid of milieu die de verontreiniging kan vormen. In de praktijk blijken er gelukkig niet vaak risico’s te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico’s komen wel voor in Breda, echter de ontwikkeling wordt afgestemd op eventueel aanwezige verontreiniging om risico’s te nivelleren. Om kansen te benutten en problemen te voorkomen, is het van belang dat bij bouw en ontwikkeling tijdig kennis is van de bodemkwaliteit. Deels bewaakt de gemeente dit door in voorkomende gevallen een bodemtoets te verlangen. De gemeente toetst de uitkomsten hiervan aan de Wet bodembescherming, landelijke circulaires en het Bredase bodembeleid. Zo wordt bepaald waaraan de kwaliteit van de bodem moet voldoen en of er maatregelen als beheer of sanering nodig zijn. De uiteindelijke bodemkwaliteit moet steeds voldoen aan de functie. De bodem is een bepalende factor om tot een duurzame inrichting van een gebied te komen. De bodem moet daarvoor voldoen aan diverse wettelijke regelingen, maar meestal ook aan technische voorwaarden die gesteld worden vanuit de ontwikkeling. Onderzoek De natuurlijke kwaliteit van de bodem kan per gebied variëren. De gemeente Breda heeft een Bodemkwaliteit- en functiekaart vastgesteld, overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld op basis van lokale achtergrondgehalten. Op de functiekaart is het gemeentelijk grondgebied ingedeeld in de functies ‘wonen’, ‘industrie’ en ‘niet ingedeeld’(de schone stukken). De kwaliteit van de grond die op een locatie gebruikt wordt moet voldoende zijn voor de functie van het gebied. Het gaat hierbij om de natuurlijke achtergrondkwaliteit, verontreinigde locaties zijn van deze kaart uitgesloten. Voor locaties die (door menselijk handelen) zijn verontreinigd, geldt het gebruikelijke onderzoeks- en saneringstraject. In verband met de huidige bebouwing of het huidige gebruik van enkele gebieden, zal na de sloop van gebouwen of bij beëindiging van het huidige gebruik mogelijk aanvullend onderzoek nodig zijn. De gemeente Breda beschikt over informatie omtrent de bodem kwaliteit. Deze informatie is te raadplegen via de website van de gemeente Breda. Teteringen is in het verleden een voornamelijk agrarisch dorp geweest. Grootschalige bedrijfsactiviteiten hebben hier niet plaatsgevonden. Naar verwachting zullen in het plangebied dan ook geen verontreinigingen aanwezig zijn die de bouw van een extra woning kunnen frustreren. Wel kunnen plaatselijk verontreinigingen aanwezig zijn ten gevolge van activiteiten in het verleden. Bovenstaand beeld wordt bevestigd door de onderzoeken die in het verleden binnen de bebouwde kom van Teteringen zijn verricht. Bij de meeste onderzoeken zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Bij een nieuwe ontwikkeling, zoals de bouw van een extra woning, zal in het kader van de omgevingsvergunning aangetoond moeten worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de betreffende (woon)functie. Conclusie Bij de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning aan het Bouwbesluit en de Wet bodembescherming dient aangetoond te zijn dat de grond geschikt is voor de beoogde (woon)functie. 5.4 Water Algemeen Het overheidsbeleid is er op gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Provincies en gemeenten dragen zorg voor een integrale afweging van de ruimtebehoefte en leggen deze vast in beleidsplannen, structuur- en/of bestemmingsplannen. Regelgeving De Europese en nationale richtlijnen op het gebied van water zijn door de provincie Noord-Brabant doorvertaald in een regionaal waterplan “Provinciaal Waterhuishoudingsplan 2010-2015”. Hierin staan op hoofdlijnen de doelen die de provincie wil bereiken op het gebied van water en op welke wijze zij deze wil realiseren. Op punten waar de provincie meer in detail wil regelen hoe met water om te gaan, is dit vastgelegd in de provinciale verordeningen: de Verordening water, Verordening ruimte en de Provinciale Milieuverordening. Het Provinciaal waterhuishoudingsplan is door het waterschap Brabantse Delta geconcretiseerd in een Waterbeheerplan, de Beleidsregel toepassing Waterwet en de waterschapsverordening (Keur). Binnen het waterbeheerplan wordt aandacht gevraagd voor de reductie van wateroverlast in de stad. Waterschap Brabantse Delta stelt op basis van de Beleidsregel toepassing Waterwet en de Keur onder andere hydraulische randvoorwaarden aan het lozen, onttrekken, aan- en afvoeren van water van en naar het oppervlaktewater. De Structuurvisie Breda, het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan en het Hemelwater- en grondwaterbeleid vormen het beleidskader voor water op gemeentelijk niveau. Het beleid met betrekking tot de zorgplicht stedelijk afvalwater is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Breda. De zorgplichten hemel- en grondwater zijn in het door de gemeenteraad vastgestelde Hemel- en grondwaterbeleidsplan uitgewerkt. Het hemel- en grondwaterbeleid is gericht op het nastreven van de oorspronkelijk natuurlijke situatie. Hiervoor gelden eisen ter voorkoming van (hemel- of grond)wateroverlast (veiligheidseisen) en eisen ter voorkoming van achteruitgang van het natuurlijk (hemel- of grond)watersysteem (duurzaamheidseisen). In alle gevallen geldt zuiveren waar het moet vanuit de gewenste waterkwaliteit. Onderzoek Door de ontwikkeling in het plangebied zal het verhard oppervlak toenemen. Dit hoeft echter niet door middel van de aanleg van waterrretentie gecompenseerd te worden. Er wordt wel gevraagd het regenwater afkomstig van verhardingen zo min mogelijk aan te sluiten op de riolering en te infiltreren in de bodem. De aard van de (toekomstige) bebouwing is van dien aard dat de kwaliteit van het afstromende regenwater goed is. In en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen in gebieden met speciale bestemmingen/functies zoals beschermde gebieden waterhuishouding of grondwaterbeschermingsgebieden. Het rioleringssysteem bestaat uit een gescheiden systeem. Het afvalwater wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuivering Nieuwveer en het hemelwater naar open water. Bouwmaterialen dienen bij voorkeur milieuvriendelijk te zijn. Uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC dienen achterwege gelaten te worden. Deze stoffen kunnen zich namelijk ophopen in het water(bodem)systeem en hebben daardoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie De waterhuishoudkundige situatie in het plangebied is van dien aard dat deze in zijn algemeenheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 5.5 Ecologie Algemeen Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang. Regelgeving Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de haalbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet 1998 en ecologische hoofdstructuur. De soortenbescherming (planten en dieren) komt voort uit de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen tevens de implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn op nationaal niveau. Er mogen geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, waarvan op voorhand duidelijk is dat deze op bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden of op streng beschermde planten of dieren. Onderzoek Gebiedsbescherming In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde gebied beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 betreft het Natura 2000-gebied “Ulvenhoutse Bos”. Dit beschermde gebied ligt op ruim 5500 meter afstand. Gezien de zéér geringe toename van het aantal verkeersbewegingen, de grote afstand en het feit dat er veel grote verstorende tussenliggende elementen aanwezig zijn tot het Natura 2000-gebied (bebouwing, wegen), zijn directe en indirecte negatieve effecten van de plannen op het beschermde gebied geheel niet te verwachten. Voor dit plan is geen sprake van een vergunningsaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is sinds 1 april 2002 in de Flora- en faunawet geregeld. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. Eén van de uitvloeisels van deze regelgeving is dat de effecten van nieuwe plannen op de planten- en diersoorten die in een gebied aanwezig zijn beoordeeld dienen te worden. Indien de groene erfafscheiding verwijderd moet worden, dient dit te gebeuren buiten het broedseizoen of binnen het broedseizoen, maar dan vooraf geïnspecteerd op broedende vogels. Als er dan broedende vogels worden waargenomen, moet het werk uitgesteld worden. Verder wordt verwacht dat alleen algemeen beschermde soorten aanwezig zijn, die niet actief gedood mogen worden. Het gebied zal hooguit gebruikt worden door algemeen voorkomende soorten. Deze vallen onder het lichte beschermingsregime van de Flora- en faunawet. Hiervoor geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een algehele vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Dit betekent dat voor deze soorten de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder ontheffing. Het gebied kan gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Er is echter voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving. Conclusie De invloed van onderhavig bestemmingsplan op de groenstructuur en de ecologische waarde is beperkt. De aanwezige waarden worden middels dit bestemmingsplan voldoende beschermd. Er is dan ook geen ontheffing nodig in het kader van Flora en Faunawet. 5.6 Bedrijven Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Regelgeving De mate en de ernst van de invloed van een bedrijf is mede afhankelijk van het type en de omvang van het bedrijf. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden op basis van onderzoeks- en ervaringsgegevens richtafstanden aanbevolen tussen bedrijvigheid en milieuhindergevoelige functies. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: Categorie 1: grootste afstanden 0 en 10 meter; Categorie 2: grootste afstand 30 meter; Categorie 3: grootste afstanden 50 (3.1) en 100 (3.2) meter; Categorie 4: grootste afstanden 200 (4.1) en 300 (4.2) meter; Categorie 5: grootste afstanden 500 (5.1), 700 (5.2) en 1000 (5.3) meter; Categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. De afstanden gelden in principe tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen hinder van bedrijven/inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten. De bedrijven in de omgeving hebben conform de regelgeving al rekening te houden met geluidgevoelige woningen. Onderzoek In en in de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die een invloedsgebied hebben die tot in het plangebied reikt. Conclusie Het bestemmingsplan staat één woning toe tussen bestaande woningen. Er zijn geen bedrijven in de directe omgeving aanwezig. Bedrijven moeten reeds rekening houden met de bestaande woningen. Gesteld kan worden dat het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 5.7 Geluid Algemeen Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Regelgeving Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidsituatie in beeld gebracht te worden. De geluidniveaus op de gevel van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk: wegverkeerslawaai; railverkeerlawaai; industrielawaai; vliegtuiglawaai. Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai en spoorlawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Verder is door de gemeente Breda het Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder vastgesteld. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Voor elke bron zijn specifieke geluidzones vastgesteld. Indien ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten buiten deze zones plaatsvinden, kan er vanuit gegaan worden dat de geluidsituatie voldoende is. Indien nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone zijn gepland, dient met akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat een goede geluidsituatie gerealiseerd wordt. Onderzoek In dit bestemmingsplan is sprake van het toevoegen van één nieuwe geluidgevoelige woning. De planlocatie ligt echter niet in een van de geluidzones. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De aangrenzende wegen, zijnde de Hoolstraat en Willebrordstraat, kennen een maximum snelheid van 30 km/u. Formeel kennen wegen met deze snelheid geen wettelijke zone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wél onderbouwd te worden dat een goede geluidsituatie ontstaat. In dit geval is het aannemelijk dat de geluidwaarden op de gevel van de nieuwe woning beduidend lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit vanwege een afschermende werking van de bestaande bebouwing aan de Hoolstraat en vanwege de beperkte verkeersintensiteiten door de eenrichtingsweg. Vanuit akoestisch oogpunt is sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Wel moet in het kader van de omgevingsvergunning worden aangetoond dat voldaan wordt aan een binnenwaarde conform het Bouwbesluit. De nieuwe woning zelf zorgt voor een dermate geringe verkeersaantrekking, dat zonder nadere toelichting duidelijk is dat dit niet zal leiden tot verhoging van het geluiddrukniveau naar de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg staat. 5.8 Luchtkwaliteit Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om dit te voorkomen dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Regelgeving In januari 2009 is het Besluit 'Gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' in werking getreden. Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Op 15 november 2007 zijn in de Wet milieubeheer onder titel 5.2 Luchtkwaliteiteisen opgenomen. Luchtkwaliteiteisen is een implementatie van de Europese regelgeving uit 1996, en bevat luchtkwaliteitsnormen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden en stikstofdioxide, zwevende deeltjes (fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de grenswaarden. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand gehouden moet worden. Behalve voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide voldoet de luchtkwaliteit overal in Breda aan de gestelde grenswaarden. Mede door de relatief hoge achtergrondconcentraties overschrijden de concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide plaatselijk de grenswaarden. De overschrijdingen hangen in de meeste gevallen samen met het drukke verkeer. Vanaf 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking. Conform artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is voor een ontwikkeling dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteitonderzoek nodig en kan de ontwikkeling zonder toetsing aan de luchtkwaliteitseisen doorgang vinden. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Projecten die de concentratie koolstofdioxide of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Dit criterium is een 'of-benadering'. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in Staatsblad nr. 14 gepubliceerd, waarna het besluit op 16 januari 2009 in werking getreden is. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Met dit besluit is de bouw van zogenaamde ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van (snel)wegen beperkt. Plangebied In het plangebied komt één nieuwe woning. Deze ene woning genereert een zéér beperkte toename van het verkeer welke 'niet in betekenende mate' (grens ligt bij circa 1500 nieuwe woningen) is in het kader van luchtkwaliteit. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor voorgenomen initiatief. 5.9 Geur Algemeen De geur kan de beleving van de leefomgeving zowel positief als negatief beïnvloeden. De waardering van geur verschilt echter ook per persoon: wat de een vindt stinken, vindt de ander lekker ruiken. Hoewel de stoffen die de geur veroorzaken geen invloed hebben op de gezondheid, kan de hinder van geur toch een negatieve invloed hebben op de volksgezondheid. Regelgeving Behalve voor veehouderijen is er is voor geur/ stank geen op een wet gebaseerd normenstelsel van kracht. Beleid kan zich baseren op de Herziene nota stankbeleid uit 1994, plus de aanpassingen daarop verwoord in een brief van de Minister van VROM uit 1995. Uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. In het kort komt één en ander erop neer dat in het kader van de milieuvergunning het bevoegd gezag het acceptabel hinderniveau rond een bedrijf bepaalt. Planologische ontwikkelingen worden momenteel ook getoetst op het aspect geurhinder: zowel de toetsende overheid (provincie) door het vertalen van geuremissie in afstandseisen, als de industrie door het eisen van afstand aan oprukkende woonbebouwing. Onderzoek Invloed van geur afkomstig van bedrijven In de omgeving van het plangebied zijn geen geurrelevante bedrijven aanwezig. Invloed van geur afkomstig van veehouderijen In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig wwarvan de geurhindercontouren over het plangebied liggen. Geur is derhalve niet van invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanuit het oogpunt van geurhinder is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. 5.10 Externe veiligheid Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Regelgeving Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste regelingen zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Staatsblad 2004 nr. 250; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Staatsblad 2010 nr. 686; Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke stoffen, Staatscourant 4/8/2004 nr. 147 / ontwerp Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied: Binnen de plaatsgebonden risicocontour bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan bovengenoemde normen. Ontwikkelingen zijn niet toegestaan indien deze leiden tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Onderzoek Risicovolle inrichtingen In of nabij het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden. Buisleidingen In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg en spoor Weg Het plangebied is gelegen op een afstand op meer dan 3000 meter van de rijksweg A27 en A16. Over beide trajecten worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Het plangebied valt echter buiten het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden. Spoor Het plangebied ligt op een afstand van circa 1500 meter van het spoortraject Breda-Tilburg. Over dit spoortraject worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Vanwege het vervoer van deze stoffen is er een invloedsgebied van 3000 meter. Aangezien het plangebied is gelegen op een afstand van méér dan 200 meter van het spoortraject en de in het plangebied aanwezige personen derhalve geen significante (rekeningkundige) bijdrage leveren aan het groepsrisico wordt er, overeenkomstig artikel 7 van het (concept-) Besluit externe veiligheid transportroutes, volstaan met een beperkte beschouwing: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg: Het plangebied is voldoende bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten. De opkomsttijd bedraagt minder dan acht minuten en voldoet daarmee aan de in het Dekkings- en spreidingsplan 2011-2014 vastgestelde opkomsttijden. Er is voldoende dekking van de waarschuwings- en alarmeringsinstallatie en/of NL-alert. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende primaire bluswatervoorzieningen aanwezig. Bij de realisatie zal er, zo nodig, een secundaire bluswatervoorziening, worden gerealiseerd. Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die spoorweg een ramp voordoet: De ontwikkeling betreft de mogelijkheid voor het toevoegen van één extra woning. De personen in deze woning zijn voldoende zelfredzaam in het geval zich op de betreffende spoorlijn een ramp voordoet. Bovendien zijn er voldoende ontsluitingswegen waardoor er voldoende mogelijkheden zijn om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. En ook worden er voldoende vluchtmogelijkheden gerealiseerd. Conclusie In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gevaar veroorzakende activiteiten of transportroutes aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'externe veiligheid' de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de aanwezige karakteristieken en waarden van het plangebied en de omgeving en de voorgenomen ontwikkeling. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient deze juridisch vertaald te worden. Het aangewezen planologische instrument hiervoor is het bestemmingsplan. In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het bestemmingsplan wordt beschreven en daarna de inleidende regels en de bestemmingsregels aan bod komen. 6.2 Hoofdopzet 6.2.1 Bestemmingsplan algemeen Een bestemmingsplan bestaat uit planregels en de verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het plangebied en de omliggende gebieden. 6.2.2 Indeling planregels De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. In het eerste hoofdstuk ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe oppervlakte, hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. In het daaropvolgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op de bestemming en het gebruik (zie paragraaf 6.3). Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals algemene ontheffingsregels, algemene wijzigingsregels en procedureregels die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn. Hoofdstuk 4 ('Overgangs- en slotregels') gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bouwwerken en de citeertitel van het plan, zoals die overgenomen moeten worden uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 6.3 Bestemmingen In de planregels zijn de bestemmingen opgenomen. In deze paragraaf volgt een toelichting op de in dit bestemmingsplan voorkomende bestemmingen. Gemengd (artikel 3) Aan de Hoolstraat en rond het Willem Alexanderplein zijn vanuit het verleden verschillende functies aanwezig. Deze diversiteit aan functies is karakteristiek voor dit gebied en om die reden waardevol om te behouden. Daarom zijn deze functies (detailhandel, bedrijvigheid, dienstverlening, cultuur en ontspanning, horeca 1, kantoren tot 500 m2, maatschappelijke voorzieningen, sport) ook in onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakt, waarbij tevens flexibiliteit in functies mogelijk is. De aanwezige bestaande woningen zijn ook toegestaan. Echter, extra woningbouw, naast de huidige twee aanwezige woningen, is, conform het beleid inzake de stedelijke programmering, niet mogelijk gemaakt binnen deze bestemming. Kamerverhuur is eveneens niet wenselijk in een gebied als Teteringen. Wonen (artikel 4) Het betreffende perceel krijgt de bestemming "Wonen". Binnen deze bestemming mogen de gronden, naast wonen, tevens worden gebruikt voor het daarbij behorend groen, water en parkeren. Het plan bevat planregels voor de afmetingen van de woning en voor het mogelijk in de toekomst verbouwen, uitbreiden en vervangen van de dan aanwezige woning. Uitbreiding van de woning op het perceel is dus, rekeninghoudend met de betreffende bouwregels, mogelijk. Naast de woonfunctie is het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan in het hoofdgebouw. In de begripsbepaling van ‘aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit' is aangegeven wat hieronder verstaan wordt en onder welke voorwaarden deze activiteiten mogelijk zijn. Dergelijke activiteiten in een bijgebouw zijn via een afwijking van de gebruiksregels wel mogelijk als voldaan wordt aan de gestelde randvoorwaarden in de planregels (art. 3.4). Waarde-Archeologie (artikel 5) Bij ruimtelijke inrichting en ontwikkelingen in een gedeelte van het plangebied moet worden gezocht naar beschermings- en inpassingmogelijkheden van eventuele archeologische waarden. De dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ is gehanteerd voor de gebieden die conform de archeologische beleidsadvieskaart zijn gekenmerkt als gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Deze bestemming is erop gericht de archeologische belangen op adequate wijze te beschermen. Bodemingrepen zijn op deze gronden in principe niet toegestaan; als een ingreep dieper gaat dan 0,30 meter onder het maaiveld en een planoppervlak behelst van 100 m² of meer is een omgevingsvergunning verplicht. Het college van burgemeester en wethouders stelt de bepalingen in de omgevingsvergunning vast. Het principe ‘de verstoorder betaalt’ is van toepassing. Op de gronden met deze dubbelbestemming dient in beginsel een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij dergelijke ingrepen. De resultaten van het onderzoek worden door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Indien uit onderzoeken blijkt dat geen sprake (meer) is van archeologische waarden of voldoende maatregelen zijn genomen om de archeologische waarden te beschermen, is geen omgevingsvergunning noodzakelijk. Op basis van de gegevens op de Beleidsadvieskaart “Breda’s Erfgoed, deel 1 Archeologie” blijkt dat voor het plangebied een middelhoge en hoge archeologische verwachting geldt. Voor de nieuw ontstane kavel (in het verlengde van de woning aan de Willebrordstraat 2) is een archeologisch onderzoek verricht, aangezien er bodemverstorende activiteiten kunnen plaatsvinden die groter kunnen zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld. Naar aanleiding van dit onderzoek hoeft de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' voor dit perceel niet te worden opgenomen. Voor de resterende twee percelen aan de Hoolstraat 23 en 25 blijft de dubbelbestemming van kracht. Indien er grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden die een grotere oppervlakte hebben dan 100 m2 en dieper gaan dan 30 cm, zal voor het verkrijgen van de benodigde omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek uitgevoerd dienen te worden. De resultaten van het archeologisch onderzoek wordt door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. In paragraaf 7.2 is beschreven of de grondexploitatiewet van toepassing is op (delen van) het bestemmingsplan en op welke wijze hier uitvoering aan is gegeven. In paragraaf 7.3 is aangegeven op welke wijze het bestemmingsplan uitgevoerd zal worden. 7.2 Toepassing afdeling 6.4 Wro (Grondexploitatie) In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijk regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m² bvo bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Indien de kosten minder dan € 10.000,- bedragen, kan ervoor gekozen worden deze middels andere wijze dan een exploitatieplan te verhalen. 7.3 Financiële haalbaarheid De gronden zijn in eigendom van de gemeente. De kosten voor de planontwikkeling worden verrekend in de verkoopprijs van de grond. Het verhalen van de kosten is dus anderszins verzekerd en er hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden. Conclusie Gelet op bovenstaande bestaat er geen verplichting om tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan op te stellen. De kosten worden verrekend met de verkoopprijs. Daarmee is de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan verzekerd. HOOFDSTUK 8 Communicatie 8.1 Inleiding In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor het voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht. Als eerste is een concept-ontwerpbestemmingsplan opgesteld. In dat stadium vindt ook het wettelijke vooroverleg plaats met instanties als waterschap, diensten van het Rijk en provincie (paragraaf 8.2.1). Indien dit traject is afgerond, start de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan (paragraaf 8.2.2). 8.2 Procedure 8.2.1 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instanties: Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch; Waterschap Brabantse Delta, Breda; Brandweer Midden en West-Brabant, Pro-actie en Preventie, Tilburg; Dorpsraad Teteringen. De instanties hebben van 1 mei tot en met 2 juni 2014 de gelegenheid gehad om een reactie te geven. De instanties onder 1, 2 en 3 hebben gereageerd op het plan. De instanties (provincie, waterschap en brandweer) hebben aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen te hebben over het plan. Van de dorpsraad is geen reactie ontvangen. 8.2.2 Zienswijzen Na het wettelijke vooroverleg is het bestemmingsplan als ontwerp terinzage gelegd voor de duur van 6 weken. Van 21 augustus tot en met 1 oktober 2014 lag het ontwerpbestemmingsplan terinzage. Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende de periode van de terinzagelegging kan iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen tegen het plan inbrengen. Voor dit bestemmingsplan zijn twee zienswijzen ingediend, één mondeling en één schriftelijk. De zienswijzen zijn samengevat en van commentaar voorzien. Daarna heeft het college de raad voorgesteld het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. 8.2.3 Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402000.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402001.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402002.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402003.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402004.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402005.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402006.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402007.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402008.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402009.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402010.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402010.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402011.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402012.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402013.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014047004-0401_402013.png)