Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doel
1.2 Ligging en plangrenzen
1.3 Huidige planologie
1.4 Planvorm
1.5 Leeswijzer
HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse
2.1 Inleiding
2.2 Positionering plangebied
2.3 Ruimtelijke structuur
2.4 Functionele structuur
HOOFDSTUK 3 Beleid
3.1 Inleiding
3.2 Rijksbeleid
3.3 Provinciaal beleid
3.4 Gemeentelijk beleid
HOOFDSTUK 4 Planbeschrijving
4.1 Nieuwbouw
4.2 Parkeren/ Openbare ruimte
HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap
5.1 Inleiding
5.2 Milieu effectrapportage
5.3 Bodem
5.4 Water
5.5 Ecologie
5.6 Bedrijven
5.7 Geluid
5.8 Luchtkwaliteit
5.9 Externe veiligheid
HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving
6.1 Inleiding
6.2 Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen
6.3 Bestemmingen
HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid
7.1 Inleiding
7.2 Toepassing afdeling 6.4 Wro (grondexploitatie)
7.3 Financiële uitvoerbaarheid
HOOFDSTUK 8 Procedure en communicatie
8.1 Inleiding
8.2 Procedure
BIJLAGE 1 Bezonningsstudie
HOOFDSTUK 1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doel
In de wijk Zandberg, aan de Leistraat 4-12, is WonenBreburg in samenwerking met Stichting Wierde voornemens 14 nieuwe zorgwoningen en een algemene (zorg)ruimte voor (jong) volwassenen met een verhoogde kans op psychosen te realiseren. Voorheen stond op deze locatie buurthuis 'het Bakkeleijke'. Dit buurthuis is reeds gesloopt en de locatie ligt sindsdien braak. In samenhang met deze ontwikkeling zal de omliggende openbare ruimte aangepakt worden.
De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Zandberg'. Binnen dit bestemmingsplan hebben de betreffende percelen de bestemming ‘Maatschappelijk’, 'Verkeer' en ‘Groen’. Wat betreft gebruik past de ontwikkeling grotendeels binnen de bestemming 'Maatschappelijk'. Het bouwplan is echter in strijd met diverse bouwregels uit het geldende plan, onder andere wat betreft de maximale toegestane bouwhoogte en het bouwen binnen het bouw- en bestemmingsvlak. Daarnaast past een deel van de nieuwe aan te leggen parkeerplaatsen niet binnen de geldende bestemming 'Groen'.
Om genoemde ontwikkeling en de nieuwe parkeerplaatsen te realiseren, is een herziening van het bestemmingsplan 'Zandberg' noodzakelijk. Met voorliggend bestemmingsplan wordt hieraan voldaan.
1.2 Ligging en plangrenzen
Het plangebied ligt aan de Leistraat 4-12 in de wijk Zandberg. Deze wijk ligt net ten zuiden van de Bredase binnenstad (figuur 1.1). Het plangebied wordt aan de noordkant begrensd door de bebouwing aan De Vlieger en aan de oostkant door de bebouwing aan de Leistraat 1a t/m 13. Aan de westkant wordt het plangebied begrensd door de achterzijde van de woningen aan de Baronielaan en aan de zuidkant door de aanwezige groenstrook.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402000.png)
Figuur 1.1 Ligging plangebied in de stad (door pijl en stip globaal aangeduid)
In figuur 1.2 is de ligging en begrenzing van het plangebied globaal weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402001.png)
Figuur 1.2 Globale grens plangebied (niet-juridisch bindend)
1.3 Huidige planologie
Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Zandberg’ geldend. Het bestemmingsplan Zandberg is op 20 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Breda. De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling is niet in overeenstemming met de juridische regeling in het bestemmingsplan Zandberg, maar is wel al in de toelichting op dit bestemmingsplan genoemd. Aangeven wordt dat te zijner tijd apart een nieuw bestemmingsplan voor de locatie opgesteld zal worden. Nu er een concreet plan voor de invulling ligt, wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Bestemmingsplan Zandberg
Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan Zandberg de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’. Eveneens heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ om op deze wijze eventuele archeologische waarden te beschermen.
Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ is de beoogde functie, zijnde 14 zorgwoningen en een algemene (zorg)ruimte, in principe toegestaan. Echter, de maximale bouwhoogte wordt overschreden en de beoogde nieuwbouw is deels buiten het aanwezige bouw- c.q. bestemmingsvlak geprojecteerd. De overschrijding van het bouw- en bestemmingsvlak vindt plaats op gronden waar de bestemmingen 'Verkeer' en 'Groen' zijn gelegen. Binnen de bestemmingen ‘Verkeer’ en 'Groen' is een gebouw niet toegestaan.
Daarnaast past een deel van de nieuwe parkeerplaatsen niet binnen de geldende bestemming 'Groen'. Parkeervoorzieningen zijn binnen deze bestemming niet mogelijk.
Conclusie
De geplande nieuwbouw, evenals de nieuwe parkeerplaatsen, past niet geheel binnen het geldend bestemmingsplan 'Zandberg'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.4 Planvorm
Onderhavig bestemmingsplan is voornamelijk ontwikkelingsgericht en betreft de herontwikkeling van de percelen Leistraat 4-12 in de wijk Zandberg tot een woon-zorgcomplex met een algemene (zorg)ruimte voor (jong)volwassenen met verhoogde kans op psychosen. Met dit bestemmingsplan wordt een juridisch-planologische basis gelegd voor de ontwikkeling van het woon-zorgcomplex.
1.5 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 'Gebiedsanalyse' een ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied. In hoofdstuk 3 'Beleid' wordt het (relevante) ruimtelijke rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de in het plangebied geplande ontwikkeling. In hoofdstuk 5 'Milieu en landschap' zijn de sectorale milieu- en landschapsaspecten opgenomen. Daarna volgt in hoofdstuk 6 de juridische planbeschrijving. In dit hoofdstuk wordt de wijze van bestemmen uiteengezet en is een toelichting gegeven op de regels van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. Tot slot is hoofdstuk 8 'Communicatie' gereserveerd voor de uitkomsten van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, evenals een beschrijving van de verdere procedure.
HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zijn, na de positionering van het plangebied in breder verband, de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied uiteengezet. De ruimtelijke structuur is beschreven en in beeld gebracht aan de hand van de aspecten erfgoed, stedebouw, openbare ruimte en verkeer. In de beschrijving van de functionele structuur is ingegaan op de in en rond het plangebied voorkomende functies.
2.2 Positionering plangebied
Het plangebied ligt in het westen van de wijk Zandberg. Zandberg ligt direct ten zuiden van de binnenstad van Breda, ingeklemd tussen de wijken Binnenstad, Sportpark, Ginneken en Boeimeer. Het plangebied ligt achter de woningen aan de Baronielaan en achter de woningen aan de Ginnekenweg. Het overgrote deel van de wijk is gebouwd in de jaren '30 van de vorige eeuw. Het westelijk deel van de wijk Zandberg, waar het plangebied ligt, is een dicht bebouwde wijk. Rond het plangebied zijn verschillende functies en voorzieningen aanwezig, met name langs de Ginnekenweg.
2.3 Ruimtelijke structuur
2.3.1 Cultureel erfgoed
Het Bredase erfgoed vormt de basis van de Bredase identiteit en vormt mede de basis van de ruimtelijke ontwikkeling van Breda. In de nota Erfgoedvisie Breda 2008-2013 is dit belang erkent en vastgelegd. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze paragraaf is het aanwezige cultureel erfgoed (te verdelen in archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht en wordt aangegeven hoe deze waarden beschermd worden.
Archeologie
Het plangebied is grotendeels gelegen op de lage dekzandrug ‘bij de Zandberg’. Een kleine strook aan de westkant van het plangebied is echter gelegen in beemden van de Boeimeer in het westen. Deze hooggelegen dekzandrug ten opzichte van de beemden in het westen maakte het plangebied mogelijk een aantrekkelijke locatie voor bewoning. Op deze dekzandrug was dan ook een middeleeuwse akkercomplex gelegen. De aanwezigheid van een middeleeuwse akkerlaag heeft mogelijk oudere archeologische sporen beschermd tegen recente verstoringen. Om die reden heeft het grootste gedeelte van het plangebied een hoge archeologische verwachting gekregen op de beleidsadvieskaart Breda’s erfgoed, deel 1 archeologie (figuur 2.1). Dit betekent dat bij alle bodemverstorende werkzaamheden die een oppervlakte hebben van 100 m2 en de bodem dieper dan 30 cm beneden maaiveld zullen verstoren, archeologisch onderzoek verplicht is. De smalle strook aan de westzijde van het plangebied heeft echter een lage archeologische verwachting. Hierbij is archeologisch onderzoek alleen verplicht bij plangebieden met een oppervlakte van 5 ha of meer.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is voor gebied A (zie figuur 2.2) een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Doel van het archeologisch onderzoek is om op een snelle en betrouwbare wijze inzicht te krijgen in de aanwezigheid van archeologische relicten in het plangebied. Uit het onderzoek is gebleken dat van de bovengrond 150 cm tot 200 cm verstoord is door de sloop van de voormalige bebouwing. Daarnaast was de ondergrond in het plangebied erg nat. Er zijn geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402002.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402003.png)
Figuur 2.1 Uitsnede beleidsadvieskaart Breda’s Erfgoed, deel 1 Archeologie (plangebied globaal omlijnd)
Er zijn dus vooral recente verstoringen aangetroffen. In een selectiebesluit [Selectiebesluit archeologie Leistraat 4-12, gemeente Breda, Erfgoedbesluit 2014-05, 28 januari 2014] is dan ook besloten dat deelgebied A wordt vrijgegeven voor wat betreft archeologie. In deelgebied is A is daarom geen archeologisch onderzoek meer nodig voorafgaand aan mogelijke bodemverstorende ingrepen, zoals voorgenomen ontwikkeling.
Om de archeologische waarden in de rest van het plangebied te beschermen conform het vastgestelde gemeentelijk beleid, de Monumentenwet 1988, waarin besloten ligt de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007, blijft de hoge en lage archeologische verwachting en bijbehorende onderzoeksplicht van kracht. Voor de gebieden met een hoge archeolische verwachting is de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ opgenomen. Zoals hierboven reeds gezegd, dient ter plaatse van gronden met een dubbelbestemming voorafgaand aan ontwikkelingen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De resultaten van het archeologisch onderzoek wordt door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402004.png)
Figuur 2.2 Deelgebied A: onderzoeksgebied archeologie
Historische geografie
Op circa 100 meter ten oosten van het plangebied loopt de Zandbergweg, de akkerweg behorende bij het middeleeuwse akkercomplex zoals beschreven in de archeologie paragraaf. Het plangebied is gelegen binnen de Gemeynt Aard van Breda zoals deze in 1280 werd uitgegeven aan de inwoners van Breda en is ook gelegen binnen de grenzen van de vrijheid van Breda zoals deze in 1597 van kracht was. Op de kadastrale minuut uit 1824 is binnen het plangebied alleen een perceelsgrens aanwezig.
Binnen het plangebied zijn volgens Leenders (2006) geen nederzettingselementen, heerlijkheden of landgoederen of bos of heide aanwezig.
Gebouwd erfgoed
Binnen het plangebied bevinden zich geen beschermde monumenten. Er bevinden zich in het plangebied ook geen andere panden die van cultuurhistorische waarde zijn en in aanmerking komen voor een gemeentelijke monumentstatus. Derhalve is het toekennen van een dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ niet van toepassing.
2.3.2 Stedebouw
Het plangebied ligt in de wijk Zandberg. Kenmerkend voor de opbouw van deze wijk is een organisch patroon van een aantal historische wegen met lange structuurlijnen waartussen in de loop der tijd verschillende woonbuurten zijn gebouwd.
Nabij het plangebied fungeert de Ginnekenweg als belangrijkste structuurlijn. Het is een
historische verbindingsweg van Breda naar Ginneken en het gehucht Molengracht waarlangs in de loop der tijd aaneengesloten bebouwing is ontstaan met een sterk afwisselende architectuur. Zo kent de Ginnekenweg veel hoge herenhuizen in eclectische stijl. Daarnaast is rond het plangebied de Baronielaan een duidelijke en herkenbare structuurlijn. De Baronielaan loopt parallel aan de Ginnekenweg in de richting van het Mastbos en wordt van begin tot eind gekenmerkt door geschakelde statige, zeer hoge herenhuizen.
Tussen de verschillende structuurlijnen zijn verschillende woonbuurten gerealiseerd. De woonbuurten zijn over het algemeen naar binnen gekeerd, vaak georiënteerd op een plein of andersoortige centrale ruimte. Dit is ook duidelijk terug te zien in het plangebied. De woningen aan de Leistraat en De Vlieger liggen aan een plein c.q. groenvoorziening.
Veelal is de bebouwing in dit deel van Zandberg aangelegd in gesloten bouwblokken langs een strak, schematisch opgezet stratenplan. Aan de randen ervan is de oude bebouwing langs de oude verbindingsroutes vaak in tact gelaten. De
inpassing en aanhechting van de woonbuurten op de bestaande lintbebouwingsstructuren levert
daardoor soms zowel verrassende als gecompliceerde stedenbouwkundige situaties op.
In het westelijk deel van Zandberg, waar het plangebied in ligt, is het ovale Zandbergplein de centrale openbare ruimte van de buurt. Ook dit deel van Zandberg is gebouwd in traditionele baksteenarchitectuur en kent architectonisch vormgegeven hoekoplossingen.
Al met al is Zandberg een gevarieerde wijk met een sterk afwisselende architectuur, gevarieerde profielen, inrichting en detaillering van de straten.
2.3.3 Openbare ruimte en groen
In het voorjaar van 2009 is de Visie Openbare Ruimte 2020 vastgesteld. Het gebruik, de inrichting en het beheer van de openbare ruimte in de stad moeten het goed toeven van Bredase burgers, forensen en toeristen bevorderen. Dit gebeurt door de mogelijkheden te verhogen om samen de openbare ruimte te delen, door de identiteit van buurt, wijk, dorp en stad te versterken en de openbare ruimte duurzaam te gebruiken, in te richten en te beheren. De openbare ruimte moet passen bij de gebruiksbehoefte van mensen, planten en dieren. In deze visie worden daartoe drie belangrijke keuzes gemaakt. Gekozen is voor de kernwaarden ‘gedeelde ruimte’, ‘herkenbare ruimte’ en ‘duurzame ruimte’.
Grenzend aan het nieuwe woon-zorgcomplex ligt ten noorden en ten zuiden een openbare groen-/speelvoorziening. De openbare ruimte binnen het plangebied bestaat uit een (op te knappen) groenvoorziening en de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen doordat door de bouw van het complex een aantal parkeerplaatsen verdwijnen. De nieuwe groenvoorziening en de aan te leggen parkeerplaatsen blijven openbaar toegankelijk (zie ook hoofdstuk 4)
2.3.4 Verkeer
De Leistraat ontsluit, voor het gemotoriseerd verkeer, op de Zandbergweg, Ginnekenweg en Baronielaan. Deze straten en wegen rond het plangebied kennen een snelheid van maximaal 30 km/u. In deze straten is geen scheiding van verkeersvoortuigen, het gaat er om de woningen, voorzieningen en bedrijven te ontsluiten voor alle verkeerssoorten. Een goed verblijfsklimaat heeft de hoogste prioriteit. De inrichting van deze wegen gaat uit van gelijkwaardigheid voor alle verkeerssoorten (voorrang van rechts).
Voor wat betreft het parkeerbeleid geldt de Nota parkeer- en stallingsbeleid Breda (september 2004 en gewijzigd op 20 juni 2013). In deze nota is het beleid rondom bijvoorbeeld de thema's parkeerregulering, parkeernormering en transferpunten benoemd. Bij nieuwbouw, verbouw, functieverandering en -uitbreiding geldt de gemeentelijke parkeernorm. De parkeerplaatsen dienen in principe op eigen terrein te worden gerealiseerd en deels op openbaar gebied bijvoorbeeld voor bezoekers. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan zijn de parkeernormen uit het parkeerbeleid van toepassing verklaard. In hoofdstuk 4 is de parkeerbehoefte van voorgenomen ontwikkeling verder uitgewerkt.
2.4 Functionele structuur
In het plangebied zelf zijn op dit moment weinig voorzieningen aanwezig. Voorheen was een buurthuis aanwezig, maar sinds dit gebouw gesloopt is, ligt dit terrein braak. Verder bestaat het plangebied uit openbare ruimte (groen- en speelvoorzieningen en parkeerruimte). In de omgeving van het plangebied wordt vooral gewoond, maar er is ook een divers aanbod van centrumvoorzieningen aanwezig, met name aan de Ginnekenweg. Ook de binnenstad ligt op korte afstand van het plangebied. Voor de toekomstige bewoners van het woon-zorgcomplex zijn op loopafstand dus diverse voorzieningen aanwezig.
HOOFDSTUK 3 Beleid
3.1 Inleiding
De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante ruimtelijke beleid samengevat.
3.2 Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Zo beschrijft het kabinet in de SVIR in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Het Rijk geeft daarbij meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling.
In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn).
De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelstellingen en 13 nationale belangen zijn:
-
Concurrerend = Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economisch structuur van Nederland. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd:
een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren;
ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
Efficiënt gebruik van de ondergrond.
-
Bereikbaar = Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd:
Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen;
Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarweg;
Het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.
-
Leefbaar & veilig = Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn:
Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s;
Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling;
Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.
De rijksverantwoordelijkheid voor het systeem van goede ruimtelijke ordening is zonder hoofddoelstelling, als afzonderlijk belang opgenomen:
Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.
In de SVIR zijn nationale belangen opgenomen die zorgen voor een gegarandeerde basiskwaliteit voor alle bewoners van Nederland. Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Bij toekomstige ontwikkelingen heeft inbreiding en herstructurering de voorkeur boven uitbreiding. Nieuwe ontwikkelingen vinden eerst plaats in het bestaande stedelijk gebied of binnen bestaande bebouwing. Wanneer uitbreiding buiten het stedelijk gebied noodzakelijk is dan is een optimale inpassing en bereikbaarheid van de ontwikkeling van belang. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd.
Een groot deel van deze belangen is juridisch geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) (paragraaf 3.2.2), de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Rarro) of het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Plangebied
Onderhavig plan ligt in stedelijk gebied. Het betreft nieuwbouw op de plek waar voorheen bebouwing heeft gestaan. De voorgenomen ontwikkeling volgt derhalve de lijn van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan is dus in overeenstemming met de SVIR en is niet in strijd met een van de nationale belangen.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn in het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (1 oktober 2012, hierna Barro) geborgd. In het Barro is een aantal projecten die van rijksbelang zijn, genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project zijn vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt, zijn:
-
de mainportontwikkeling van Rotterdam;
-
de bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren;
-
de bescherming en behoud van de Waddenzee;
-
de bescherming en behoud van enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam;
-
de uitoefening van defensietaken;
-
veiligheid rond rijksvaarwegen;
-
toekomstige uitbreiding van hoofd(spoor)wegennet;
-
de elektriciteitsvoorziening;
-
de ecologische hoofdstructuur (EHS);
-
de veiligheid en bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
-
toekomstige rivierverruiming langs de Maas;
-
verstedelijking in het IJsselmeer;
-
duurzame verstedelijking.
Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de SVIR (paragraaf 3.2.1). Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en vermindering van de bestuurlijke drukte. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad kunnen leiden tot een versnelde uitvoering van die projecten.
Daar staat tegenover dat gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakt aan een belang van één van de projecten in het Barro, nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten checken. Gebeurt dat niet, dan kunnen Gedeputeerde Staten of de Minister een reactieve aanwijzing geven. Het effect daarvan is dat bepaalde onderdelen van het bestemmingsplan niet in werking treden.
Plangebied
Uitoefening van defensietaken
Voor het plangebied geldt dat in het Barro regels zijn opgenomen inzake de uitoefening van defensietaken. Het plangebied ligt namelijk in het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen (figuur 3.1).
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402005.png)
Figuur 3.1 Uitsnede militair luchtvaartterrein - vliegbasis Gilze-Rijen met globale aanduiding plangebied (rode stip) [uit: Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), bijlage 3.6]
Een obstakelbeheergebied kenmerkt zich door – gezien vanuit het vliegveld – een aantal vlakken waarvan de hoogte oploopt met het toenemen van de afstand tot het luchtvaartterrein. Het obstakelbeheergebied bepaalt tot welke hoogte gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden. Dit is ter voorkoming van gevaar voor het vliegverkeer rond de luchthaven ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. De obstakelvrije zone rondom het vliegveld Gilze-Rijen is opgebouwd uit drie componenten:
Dit zijn de start- en landingsvlakken met zijkanten, die zijn vastgesteld in het verlengde van de start- en landingsbaan. Hiervoor gelden hoogtebeperkingen als het gaat om het oprichten van hoge obstakels. Voor het plangebied betekent dit dat binnen het obstakelbeheergebied een hoogte voor objecten van maximaal 162,5 meter mag gelden. Echter, de maximale direct toegestane bouwhoogte voor bouwwerken bedraagt volgens onderhavig bestemmingsplan 8 meter. Voor het obstakelbeheergebied is daarom ook geen regeling opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.
Het IHCS heeft tot doel vliegtuigen die in het circuit vliegen (circuitverkeer), voorafgaand aan de landing, te beschermen tegen hoge objecten. Dit is uitgewerkt in een zogenaamde 'pannenkoek', een ovaalvormige zone rondom de gehele luchthaven met een straal van circa 4 km rond de landingsbaan, waarin de maximale bouwhoogte maximaal 56 meter (vanaf NAP) bedraagt en dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 5% over een afstand van 2 km. Dit gebied is vastgesteld ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid. Het plangebied ligt niet in het IHCS.
Vliegbasis Gilze-Rijen beschikt over een 'Instrument Landing System' (ILS). Het ILS is bedoeld voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen door vliegverkeer, ook onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in een gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Objecten, vast (gebouwen, windmolens, bomen, etc) en mobiel (bouwkranen, heistellingen, etc) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur, omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Het verstoringsgebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Onderhavig plangebied is gelegen in het oplopende gebied met een maximaal toelaatbare bouwhoogte van 162,5 meter boven NAP.
Aangezien in het plangebied geen bouwwerken hoger dan 8 meter voorkomen of mogelijk worden gemaakt, heeft het ILS geen consequenties voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Voor het obstakelbeheergebied is daarom ook geen regeling opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.
De maximale toegestane hoogte in het plangebied is dus beduidend lager dan toegestaan is in het kader van het obstakelbeheergebied. Het bestemmingsplan is dus niet in strijd met het nationale belang 'uitoefening van defensietaken'.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Barro is ook het nationaal belang, 'ladder voor duurzame verstedelijking', opgenomen. Doel van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
In dit geval betreft het een bouwplan dat maximaal 14 (zelfstandige) zorgwoningen met gemeenschappelijke ruimte mogelijk maakt.
Breda heeft wat betreft de vraag naar verschillende functies, zoals wonen, bedrijven en detailhandel, afspraken gemaakt met de regio (regionaal ruimtelijk overleg). In het regionaal ruimtelijk overleg wordt, onder andere op basis van demografische gegevens, voor elke gemeente de behoefte aan de diverse functies vastgelegd. Breda heeft deze afspraken verankerd in eigen beleidsstukken. Voor wat betreft de stedelijke programmering voor wonen heeft de gemeente Breda de koers geformuleerd in de Structuurvisie Breda 2030 (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2013), zie ook paragraaf 3.4.1.
Dit betekent dat de gemeente keuzes dient te maken in de te realiseren bouwplannen.
Voor wat betreft de woningbouwplannen van de corporaties zijn de keuzes en prestatieafspraken vastgelegd in de (herijkte) Alliantie die gesloten is tussen de gemeente en de Bredase corporaties. Onder meer is afgesproken dat als een corporatie een ander woningbouwplan wil realiseren dan is afgesproken dit mogelijk is, mits de corporatie het beoogde aantal woningen elders niet realiseert of middels verdunning (meer slopen dan terugbouwen). Met initiatiefnemer zijn hierover afspraken gemaakt en in een anterieure overeenkomst vastgelegd.
Conclusie
Gezien de maximale toegestane hoogtematen in het plangebied is voorliggend bestemmingsplan niet in strijd met het nationale belang 'uitoefening van defensietaken'.
Daarnaast geldt dat het voorgenomen bouwplan past binnen de regionale behoefte (trede 1) en in stedelijk gebied ligt (trede 2). De voorgenomen ontwikkeling volgt derhalve de lijn van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Verder worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
3.3 Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Noord-Brabant
In de 'Structuurvisie 2010-partiële herziening 2014' (1 januari 2011 in werking getreden en op 7 februari 2014 partiël herzien) is het beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in Brabant op hoofdlijnen uiteengezet.
De Structuurvisie geeft de samenhang weer tussen het beleid op het gebied van milieu, verkeer en vervoer en water. Daarnaast houdt de Structuurvisie ruimtelijke ordening rekening met het provinciaal beleid op economisch, sociaal-cultureel en ecologisch vlak. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Er gaat geen directe werking uit richting gemeentelijke besluitvorming. De Verordening ruimte (paragraaf 3.3.2) heeft wel een doorwerking naar gemeentelijke besluitvorming.
De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. De vier structuren zijn:
Plangebied
Het plangebied is als onderdeel van de bestaande stad op de bijbehorende kaarten aangegeven als 'stedelijk concentratiegebied' (zie figuur 3.2). In de stedelijke structuur wil de provincie het volgende bereiken:
-
concentratie van verstedelijking;
-
zorgvuldig ruimtegebruik;
-
meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit;
-
betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur;
-
versterking van de economische kennisclusters.
Binnen het stedelijk gebied is functiemenging, inbreiding, herstructurering en transformatie belangrijk, zodat er minder ruimte nodig is voor stedelijke uitbreidingen. Door de verstedelijking te concentreren, zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te houden en verder te ontwikkelen. Dat gebeurt rond goed ontsloten gebieden, zoals in dynamische stadscentra en op knooppunten van infrastructuur. Onderhavig plangebied ligt in het stedelijk concentratiegebied. Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale overleggen. Zorgvuldig ruimtegebruik en toepassing van de ladder voor duurzame ontwikkeling zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken.
Conclusie
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van een woonzorgcomplex in het bestaand stedelijk gebied. Hierbij is sprake van herontwikkeling van een locatie waar voorheen een buurthuis heeft gestaan. Daarmee voldoet dit plan aan het uitgangspunt van het provinciale beleid om zoveel mogelijk te herstructureren, inbreiden en intensiveren in het bestaand bebouwd gebied.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402006.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402007.png)
Figuur 3.2 Uitsnede structurenkaart Structuurvisie 2010-partiële herziening 2014' (plangebied is globaal met rood omcirkeld) [bron: www.brabant.nl]
3.3.2 Verordening ruimte
De 'Verordening ruimte 2014' (hierna: Verordening) (vastgesteld op 7 februari 2014 en per 19 maart 2014 in werking) is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de Verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal en rijksbeleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen.
De onderwerpen die in de Verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De Verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. De regels in de Verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. Belangrijke onderwerpen in de Verordening zijn:
-
ruimtelijke kwaliteit;
-
stedelijke ontwikkelingen;
-
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
-
agrarische ontwikkelingen, waaronder de intensieve veehouderij;
-
overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.
In de Verordening zijn regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, dienen te voldoen. De regels van de Verordening zijn, in lijn met het beleid uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening, erop gericht om het merendeel van de stedelijke ontwikkelingen plaats te laten vinden in de stedelijke regio’s en in het bestaand stedelijk gebied.
Plangebied
In onderhavig plangebied is sprake van herontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied.
Het voorheen op deze locatie aanwezige buurthuis is gesloopt. Deze vrijgekomen ruimte zal worden benut voor het inpassen van een nieuw woonzorgcomplex met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeren.
Het plangebied ligt geheel in bestaand stedelijk gebied, 'stedelijk concentratiegebied' (figuur 3.3). De Verordening zegt over gebieden in stedelijk gebied dat 'bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend gelegen moeten zijn in het bestaand stedelijk gebied'.
In het stedelijk concentratiegebied zijn de mogelijkheden om het bestaand stedelijk gebied beter te benutten door inbreiding en herstructurering en intensief en meervoudig ruimtegebruik van belang. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden die compacte bouwwijzen - zoals het bouwen in de hoogte en steeds vaker ook in de diepte (de ondergrondse ruimte) - bieden om het ruimtegebruik te intensiveren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. In de stedelijke gebieden kan men denken aan het combineren van functies als wonen, werk en zorg.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402008.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402009.png)
Figuur 3.3 Uitsnede Verordening ruimte 2014, kaart 'stedelijke ontwikkeling', plangebied globaal met zwart omcirkeld [bron: www.brabant.nl]
Daarnaast verwacht de provincie van gemeenten aangaande nieuwbouw van zelfstandige (zorg)woningen dat zij bij de ontwikkeling en het opstellen van ruimtelijke plannen rekening houden met de afspraken, zoals die zijn gemaakt in het regionale planningsoverleg ('ladder van duurzame verstedelijking'). Het vereiste van regionale afstemming is gebaseerd op de constatering dat wezenlijke processen met betrekking tot het wonen zich meer en meer afspelen op het regionale schaalniveau. Het wonen moet dan ook steeds meer als een regionale opgave worden gezien en de noodzaak om met betrekking tot de woningbouw tot (meer en betere) regionale afstemming te komen en ook regionale afspraken te maken, wordt alleen maar groter. In lijn hiermee voorziet de Verordening ruimte erin dat, op basis van de door de provincie opgestelde bevolkings- en woningbehoefteprognose, in regionaal verband bestuurlijke afspraken worden gemaakt over de gemeentelijke woningbouwprogramma’s, in samenhang met de gemeentelijke plancapaciteit voor woningbouw.
De gemeente Breda kent, op basis van de regionale afspraken, een maximum aantal woningen die de komende vijf en tien jaar gebouwd mogen worden. Naar aanleiding hiervan zijn met de corporaties afspraken gemaakt, zie paragraaf 3.2.2. De voorgenomen ontwikkeling is dus passend binnen de regionale afspraken en is zodoende voldoende onderbouwd volgens de ladder van duurzame verstedelijking.
Onderhavig bestemmingsplan past binnen de regels van de Verordening en is dus niet in strijd met een provinciaal belang.
Conclusie
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van een woonzorgcomplex in het bestaand stedelijk gebied conform regionale afspraken. Hierbij is sprake van herontwikkeling van een locatie waar voorheen een buurthuis heeft gestaan. Daarmee voldoet dit plan aan het uitgangspunt van het provinciale beleid om zoveel mogelijk te herstructureren, inbreiden en intensiveren in het bestaand bebouwd gebied.
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Breda 2030, Keuzes maken in een dynamische tijd
De 'Structuurvisie Breda 2030' (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2013) geeft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weer en biedt een afwegingskader voor de stedelijke programmering. De Structuurvisie beoogt een stip op de horizon te zetten waar het gaat om de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Breda tot 2030. Daarnaast is de visie richtinggevend voor de keuzen die aan de orde zijn voor de korte en middellange termijn. De structuurvisie dient als integrale basis voor bestemmingsplannen, ontwikkelingsvisies en beleidsdocumenten. Deze structuurvisie:
-
geeft nadrukkelijk inhoud aan het economisch profiel van de stad in de regio (internationaal, nationaal, provinciaal, regionaal);
-
belicht de sociale dimensie van de ontwikkeling van de stad in relatie tot een reeks van opgaven als de vergrijzing, de betaalbaarheid van de zorg, het groeiend aantal arbeidsmigranten, een groeiende studentenpopulatie, de decentralisatie van een aantal rijkstaken, etc.;
-
zet inbreiding/ hergebruik van de stad, met de nodige implicaties voor functie en gebruik van het publieke domein en maatschappelijk vastgoed centraal;
-
presenteert stad, dorpen en buitengebied als een samenhangende kwaliteit, elk met een eigen identiteit en dynamiek;
-
zet de kwaliteit van de bestaande stad centraal;
-
geeft aan dat de bestaande infrastructuur op korte termijn niet meer afdoende is om de stad bereikbaar te houden en verdere (her)ontwikkeling mogelijk te maken;
-
legt de nadruk op de vraaggerichte benadering in plaats van de aanbodgerichte benadering;
-
onderstreept het belang van een geleidelijke energietransitie en de gevolgen van de verandering van het klimaat;
-
maakt de programmering structureel onderdeel van de ordening van de stad;
-
geeft een uitvoeringsperspectief dat inzicht biedt in de financiële opgave op de langere termijn, wat vertaald wordt in een meerjaren investeringsplan voor de middellange termijn.
Het fundament voor de ontwikkeling van Breda naar 2030 is het ontwikkelen van een compacte, duurzame stad, waarin ruimte is voor initiatief. De compacte stad koestert haar historie en beseft de verbondenheid van stedelijk en landelijk gebied. Verstedelijkingsopgaven in het bestaande stedelijk gebied hebben de voorkeur boven de ontwikkeling van nieuwe buitenstedelijke terreinen. De kracht van het initiatief staat centraal, burgers, bedrijfsleven en overheid hebben hier allemaal een rol in. De verschillen in functie en karakter van delen van de stad maken Breda aantrekkelijk voor de diversiteit aan gebruikers.
Uitgangspunt in de Structuurvisie voor wat betreft woningbouw is een betere aansluiting van de nieuwbouw op de bestaande voorraad en de ontwikkelende woningvraag. Vraag en aanbod moeten beter op elkaar afgestemd worden. Het is dus van belang dat een herprogrammering plaatsvindt, waarbij prioriteiten gesteld worden welke woningbouwplannen wel en geen doorgang mogen vinden. Het afstemmen van het woningaanbod op de woonvraag is een opgave voor markt en overheid. De gemeente voert de regie op het programma en zal samen met andere partijen en bewoners richting geven aan de projecten waarop wordt ingezet. Zij heeft hierbij vooral een regisserende, stimulerende en faciliterende rol. Wanneer de bevolkingsontwikkeling, de woningmarkt en de ambities rond het wonen vertaald worden naar het woonbeleid, komen de volgende accenten naar voren:
-
Realistisch programmeren;
-
Bijstellen, doseren en faseren van lopende plannen;
-
Schrappen van projecten die niet tot ontwikkeling komen;
-
Faciliteren van vernieuwende, onderscheidende en unieke woonlocaties;
-
Ondersteunen van initiatieven (zelfbouw);
-
Aandacht voor de vitaliteit van de dorpen en wijken;
-
Inzetten op duurzaamheid bestaande voorraad (o.a. particuliere woningverbetering);
-
Aandacht voor vergrijzing (nul-trede-woningen, thuis wonen met zorg in de buurt);
-
Huisvesten van jonge huishoudens;
-
Huisvesten van kwetsbare groepen en de benodigde kernvoorraad aan sociale huurwoningen;
-
GWI en bereikbaarheid voorzieningen;
-
Arbeidsmigranten en studenten en regulering kamermarkt.
Voor wat betreft 'wonen en zorg' streeft de gemeente er naar om in de toekomst kwetsbare mensen in de eigen omgeving en in het eigen sociale netwerk te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen zelf bepalen hoe hun vorm van zorg er uit ziet. Hierbij geldt dat ondersteuning zoveel mogelijk georganiseerd wordt in de directe omgeving van mensen en met gebruikmaking van voorzieningen die daar zijn. Afhankelijk van de geboden zorg, blijft de nadruk op bereikbare centrale voorzieningen, omdat dit mensen in staat stelt onderdeel uit te maken van de samenleving en het 'normale' leven.
Plangebied
Het voorgenomen bouwplan wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Het bouwplan is in lijn met de doelen en accenten uit de Structuurvisie. Zo wordt door de bouw van de 14 zorgwoningen een kleinschalig (zelfstandig) woonmilieu toegevoegd voor een bijzondere doelgroep in de bestaande woonomgeving met voldoende voorzieningen in de nabijheid.
3.4.2 Verzilvering@Breda/ Geschikt Wonen voor Iedereen
Met de nota Verzilvering@Breda geeft de gemeente een vervolg aan het GWI-beleid (Geschikt Wonen voor Iedereen). Uitgangspunt voor de GWI-aanpak is dat de burger zo lang mogelijk zelfredzaam is en economisch en maatschappelijk mee blijft doen. De uitvoering van GWI is een integrale aanpak van wonen, woonomgeving, welzijn en zorg. De kern is dat woonvoorzieningen voor ouderen en mensen met beperkingen zoveel mogelijk gesitueerd worden in de nabijheid van zorg-, welzijns- en winkelvoorzieningen en vice versa.
Verzilvering@Breda is het actieplan voor de periode 2011-2015. De centrale doelstelling is: “mensen, met name ouderen en mensen met beperkingen, in staat stellen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen, te leven en mee te doen door verbetering van objectieve en subjectieve kwaliteiten van wonen, woonomgeving, welzijn en zorg”. Het geeft het kader om de komende jaren toegankelijke en kwalitatief goede woon- en zorgvoorzieningen te realiseren voor ouderen en mensen met een beperking. Verzilvering@Breda scherpt het GWI-beleid aan door het geplande nieuwbouwprogramma om te buigen naar levensloopgeschikt en verzorgd wonen. Er wordt stedelijk een grote opgaaf geconstateerd als het gaat om deze woonvormen. In onderstaande tabel is de stedelijk opgave voor Breda weergegeven.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402010.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402010.png)
Tabel 1: Stedelijke opgave woonvormen Breda
Met Verzilvering@Breda wordt een belangrijke stap gezet om binnen de kaders van de stedelijke programmering ‘Koers gezet’ deze tekorten fasegewijs in te lopen. Daarnaast worden eigenaarbewoners gestimuleerd om hun eigen woning tijdig aan te passen zodat deze levensloopgeschikt wordt. In Verzilvering@Breda wordt de ‘stenen kant’ verbonden met de ‘zachte factoren’. Nieuwbouw, renovatie en herinrichting gaan gelijk op met veilige loop- en fietsroutes, nabijheid van diensten, goed openbaar vervoer en uitnodigende en uitdagende activiteiten voor ouderen en mensen met een beperking. Daarmee wordt voorkomen dat mensen vereenzamen en krijgen kwetsbare burgers de kans om deel te nemen en te blijven nemen aan de samenleving.
Plangebied
Het GWI-beleid voor het gebied Zandberg/Sportpark geeft aan dat er relatief weinig woningen voor bijzondere doelgroepen aanwezig zijn en dat er een licht tekort is aan specifieke woonvormen (beschermd wonen). Het voorgenomen plan vult een deel van dit tekort in.
De betreffende locatie aan de Leistraat is daarnaast ook geschikt vanwege de nabijheid van relevante voorzieningen in de omgeving (waaronder een supermarkt aan de Ginnekenweg).
Conclusie
Het zo veel mogelijk zelfstandig wonen in de samenleving van mensen met een beperking, waar ze zich prettig voelen en met voldoende voorzieningen in de buurt, past binnen de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid. Onderhavige ontwikkeling draagt dus bij aan de ontwikkeling van zorgwoningen (beschermd wonen) en past daarmee binnen het beleid van Verzilvering@Breda.
HOOFDSTUK 4 Planbeschrijving
4.1 Nieuwbouw
Het nieuwbouwplan voor de Leistraat 4-12 bestaat uit een woonzorgcomplex met maximaal 14 zelfstandige zorgwoningen en een gemeenschappelijke (zorg)ruimte. De bewoners hebben een verhoogde kans op psychosen. Ten gevolge van deze psychiatrische aandoening heeft deze kwetsbare groep moeite met sociale activiteiten, het realiseren van een zinvolle dagbesteding en zijn zij niet in staat om zelfstandig te wonen zonder dagelijkse begeleiding en ondersteuning. Het gevaar bestaat dat deze groep mensen in een isolement raken en dat de kwaliteit van leven ernstig wordt aangetast. Daarom is er behoefte aan een woonvoorziening die de ondersteuning en begeleiding precies afstemt op de zorgvraag van deze doelgroep en het mogelijk maakt dat deze doelgroep ook zoveel mogelijk deel kan uitmaken van de samenleving.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402011.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402012.png)
Figuur 4.1 Stedebouwkundig plan (december 2014, Baudoin van Alphen architecten)
De zorg en begeleiding is noodzakelijk bij het gebruik van medicatie, het bewaken van het dag- en nachtritme, ondernemen van activiteiten, hulp bij boodschappen, regie voeren bij financiële en administratieve zaken, huishoudelijke ondersteuning en het bevorderen van onderlinge en maatschappelijke contacten. Zonder deze 24-uurszorg is het voor deze doelgroep moeilijk om in de maatschappij zelfstandig te kunnen functioneren.
Om deze doelgroep te laten wonen in een rustige en veilige omgeving waarin structuur en begeleiding een belangrijke rol speelt, is voorgenomen bouwplan ontwikkeld.
Elke zorgwoning bestaat uit twee woonlagen en heeft op de begane grond een eigen woonkamer en keuken. Op de verdieping is de badkamer, slaapkamer en een grote overloop c.q. tweede slaapkamer aanwezig. De totale bouwhoogte van de woning bedraagt maximaal 6,5 meter.
In de algemene (zorg)ruimte zijn een gemeenschappelijke keuken met eet-/woonkamer, een kantoor met een slaapgelegenheid voor de begeleiding, een douche, aparte toiletten, een technische ruimte en een collectieve berging (voor onder andere fietsen) aanwezig. De gemeenschappelijke ruimte bestaat uit maximaal één bouwlaag (maximaal 3,5 meter). Door deze relatief beperkte hoogte en de situering ten opzichte van omliggende woningen is geen of nauwelijks sprake van schaduwwerking. De bezonningsstudies (zie bijlage 1) tonen aan dat er nagenoeg geen zonverlies is voor de tuinen van de woningen aan De Vlieger. De nog bestaande muur van het Bakkeleijke van circa 3,80 meter hoog zal in overleg met omwonenden aan De Vlieger worden verlaagd, waardoor de tuinen van deze woningen, meer zonlicht zullen krijgen na afronding van de bouw. Uitsluitend in de tuin van De Vlieger 40 zal in het voorjaar in de namiddag (21 mei en 21 juni, 16:30 uur), op enig moment ongeveer 0,5 m² meer schaduw ontstaan door de bouw van de woningen. Dit wordt echter, hetgeen gelet op het stedelijke karakter van de omgeving, vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, aanvaardbaar geacht.
De gemeenschappelijke gebruiksruimten van het woonzorgcomplex, evenals de achterzijde van de zorgwoningen, grenzen allemaal aan de centrale binnentuin. Zo ontstaat een complex waar de bewoners in een intieme, kleinschalige setting kunnen wonen. De invulling van het woonzorgcomplex komt tegemoet aan de woonbehoefte van een kwetsbare groep bewoners. Een zorgorganisatie gaat de zorgwoningen exploiteren.
4.2 Parkeren/ Openbare ruimte
Parkeren
In de wijk is sprake van een verhoogde verkeersdruk, die met name wordt veroorzaakt door het toegenomen autobezit. De wijk is destijds niet ingericht op het huidige (hoge) autobezit. Veel huishoudens bezitten meer dan een auto.
Bij alle nieuwe bouwplannen dient voldaan te worden aan het gemeentelijke parkeerbeleid, zoals vastgelegd in de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda (vastgesteld door de gemeenteraad op 10 september 2004 en laatst gewijzigd op 20 juni 2013). Hierin zijn voor elke functie parkeernormen opgenomen. De parkeerbehoefte van de laatst aanwezige functie en de nieuwe functie worden verrekend met elkaar. Afhankelijk van die uitkomst dienen ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling wel of geen extra parkeerplaatsen op eigen terrein te worden aangelegd.
Parkeerbehoefte bestaande situatie
Het buurthuis ’t Bakkeleijke had een bebouwingsoppervlakte van 1.060 m². Op basis van de Nota Parkeer- en Stallingsbeleid en de daaraan gekoppelde normen van 1,2 parkeerplaats per 100 m², had het buurthuis een parkeerbehoefte van 13 parkeerplaatsen.
Bij het bepalen van de parkeerbehoefte wordt geen rekening gehouden met de feitelijke parkeerbehoefte c.q. -situatie.
Parkeerbehoefte nieuwe situatie
Vervolgens is op basis van de normering bepaald wat in de nieuwe situatie de parkeerbehoefte is, waarbij in de normering rekening wordt gehouden met de doelgroep, hun bezoek en de begeleiders. Op basis van de normering is de toekomstige parkeerbehoefte, 14 zorgwoningen x 0,5 parkeerplaats per woning = 7 parkeerplaatsen.
Dit betekent dat de nieuwe functie (woonzorgcomplex) een lagere parkeerbehoefte kent dan het voormalige buurthuis. Het bouwplan genereert, ten opzichte van de situatie van het voormalige buurthuis, geen extra parkeerbehoefte, waardoor er geen extra parkeerplaatsen (op eigen terrein) behoeven te worden gerealiseerd.
Figuur 4.2 Definitief Ontwerp openbare ruimte Leistraat (april 2015)
Wel is het zo dat door de bouw van het nieuwe complex zeven parkeerplaatsen verdwijnen en/of anders gesitueerd moeten worden. Deze zeven parkeerplaatsen worden in de aangrenzende openbare ruimte opnieuw aangelegd om de hoge parkeerdruk in de wijk niet nog verder te verhogen.
In figuur 4.2 is aangegeven dat deze parkeerplaatsen aangelegd worden tegenover de woningen aan de Leistraat 3 t/m 13. De zeven parkeerplaatsen aan de Leistraat worden zodanig gesitueerd dat twee bomen aan de Leistraat kunnen blijven staan en het groen ervaren wordt vanaf de straat. In onderhavig bestemmingsplan is de aanleg van deze parkeerplaatsen mogelijk gemaakt.
Daarnaast zullen de twee aanwezige parkeerplaatsen achter de garageboxen behorend bij de percelen aan de Baronielaan 43-47 verplaatst worden. De garageboxen zijn thans niet goed bereikbaar door het smallere wegprofiel en de aanwezigheid van de parkeerplaatsen. Gezocht is naar een plek voor de parkeerplaatsen die niet ten koste gaat van het groen- en speelterrein, maar die in de bestaande situatie reeds verhard is. Deze plek is gevonden tussen de nieuwbouw en de achterkanten van de Baronielaan 51-53.
Groen- en speelterrein
Gekoppeld aan het bouwplan wordt het naastgelegen groen- en speelterrein aangepakt. De entree van het speelterrein ligt aan de Leistraat. Het terrein zal een meer open karakter krijgen, waarbij de waardevolle bomen blijven staan. Rond het groen- en speelterrein wordt een lage haag opgenomen, waarachter aan de zijde van de Baronielaan ook de hondenuitlaatplaats een plek krijgt. Op die manier wordt een duidelijke scheiding gecreëerd tussen spelen en wandelen met de hond. In overleg met de Speeldenktank wordt de definitieve inrichting van het groen- en speelterrein vormgegeven. Hierbij is zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van omwonenden.
Het bestemmingsplan is echter niet het instrument dat toeziet op de daadwerkelijke inrichting en vormgeving van het groen- en speelterrein. Binnen de betreffende bestemming, zijnde 'Groen', kan de gewenste inrichting worden gerealiseerd.
HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap
5.1 Inleiding
Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda dient bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de relevante milieuhygiënische aspecten die voor het plangebied van belang zijn. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld, dan wel behouden. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuhygiënische aspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.
5.2 Milieu effectrapportage
Vanaf 1987 is het in Nederland wettelijk verplicht om voor bepaalde activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, de zogenoemde procedure voor de milieueffectrapportage, kortweg de m.e.r.- procedure, te doorlopen. In het Besluit m.e.r. bijlage C en D staat een opsomming van activiteiten die mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Indien de activiteit (kolom 1) de genoemde drempelwaarde (kolom 2) overschrijdt, geldt voor de in kolom 3 en/of 4 genoemde plannen en/of besluiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Op basis van de genoemde C- en D-lijst zijn de maatregelen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet m.e.r-plichtig. Ten aanzien van de m.e.r.-beoordelingsplicht ligt deze afweging als gevolg van een uitspraak van het Europees Hof van Justitie gecompliceerder. Om risico's ten aanzien van de voortgang van het project te voorkomen is uitgebreider gekeken of m.e.r.-plicht voor dit project aan de orde is. Daarbij is, mede gezien de uitspraak van het Europees Hof, een aanpak gekozen zoals die wordt toegepast indien wel sprake is van m.e.r.-beoordelingsplicht.
Deze aanpak houdt in dat de mogelijke effecten van ontwikkeling (parkeerplaatsen, verkeersstromen en milieuzonering) op het milieu zijn afgewogen. Uit de afweging blijkt dat de effecten van de maatregelen voor de geluidsbelasting, milieuzonering en de natuur niet of minimaal aanwezig zijn. Voor de normen voor luchtkwaliteit, geldt dat deze als gevolg van de maatregelen niet overschreden worden. Verder zijn er geen andere milieuaspecten waarop eventuele nadelige effecten verwacht kunnen worden. In de navolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de toetsing van het plan aan de milieuaspecten.
Kijkend naar de C- en D-lijst en naar de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten die bij de oplossingsrichtingen worden verwacht, wordt gesteld dat het doorlopen van de m.e.r.-procedure en het opstellen van een MER voor de besluitvorming niet nodig is. Ook een eventuele plan-m.e.r.-plicht vanwege de ligging ten opzichte van Natura2000-gebieden is vanwege de maatregelen, bestaande uit een kleinschalige ontwikkeling, ver (2600 meter) van het Natura2000-gebied (Ulvenhoutse bos) en de gewogen effecten, niet aan de orde. Om die reden is voor dit project geen m.e.r.-procedure doorlopen.
Conclusie
Het uitvoeren van een milieueffect rapportage is voor dit plan niet aan de orde.
5.3 Bodem
5.3.1 Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater ter plaatse geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk.
5.3.2 Regelgeving
De tijd dat bodemverontreiniging geheel moet worden weggenomen is voorbij. Tegenwoordig hoeven alleen de zogeheten ‘ernstige’ verontreinigingen aangepakt te worden. De aanpak wordt afgestemd op de functie. De belangrijkste criteria voor de keuze van maatregelen zijn de risico’s voor gezondheid of milieu die de verontreiniging kan vormen. In de praktijk blijken er gelukkig niet vaak risico’s te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico’s komen wel voor in Breda, echter de ontwikkeling wordt afgestemd op eventueel aanwezige verontreiniging om risico’s te nivelleren.
Om kansen te benutten en problemen te voorkomen, is het van belang dat bij bouw en ontwikkeling tijdig kennis is van de bodemkwaliteit. Deels bewaakt de gemeente dit door in voorkomende gevallen een bodemtoets te verlangen. De gemeente toetst de uitkomsten hiervan aan de Wet bodembescherming, landelijke circulaires en het Bredase bodembeleid. Zo wordt bepaald waaraan de kwaliteit van de bodem moet voldoen en of er maatregelen als beheer of sanering nodig zijn. De uiteindelijke bodemkwaliteit moet steeds voldoen aan de functie. De bodem is een bepalende factor om tot een duurzame inrichting van een gebied te komen. De bodem moet daarvoor voldoen aan diverse wettelijke regelingen, maar meestal ook aan technische voorwaarden die gesteld worden vanuit de ontwikkeling.
5.3.3 Onderzoek
In het verleden was het adres van de ontwikkellocatie Zandbergweg 32. Voor dit adres zijn in 1954 vergunningen verleend voor machinale houtbewerking. In 1958 is een vergunning verleend voor een constructiewerkplaats. In 1969 is een vergunning verleend voor een administratief dienstencentrum. In oktober 2009 is het buurthuis gesloopt en sindsdien ligt het terrein braak.
Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Breda is te zien dat het gebied gelegen is in de zone met de kwaliteit voor wonen.
Vanaf de eigendomsoverdracht (in 1997) zijn er diverse bodemonderzoeken uitgevoerd:
-
In augustus 1997 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek zijn in twee boringen de parameter zink verhoogd zink aangetroffen.
Nadat de oorspronkelijke bebouwing was gesloopt, zijn er 3 bodemonderzoeken uitgevoerd:
-
Verkennend bodemonderzoek [NEN 5740, documentnummer: VB/82676, projectummer: 8.02726.2009.01, d.d. 30 juli 2009, uitgevoerd door Rasenberg Milieutechniek]
Het onderzochte terrein bestaat uit de kadastrale percelen 8714, 10212 en 9391. Op de ontwikkellocatie zijn zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. Ook in de geanalyseerde boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond
In augustus 1997 is in een boring, op terreindeel 8714, een sterk verhoogd zinkgehalte aangetoond. Om deze aangetroffen zinkverontreiniging zijn in 2009 boringen geplaatst. In deze nieuw geplaatste boringen is geen zink meer aangetroffen. Het gaat hier dus om een kleine spotverontreiniging.
In het grondwater is geen verontreiniging aangetoond.
-
Aanvullend Bodemonderzoek [NEN 5740/NEN 5707, documentnummer NB/82676-1, projectnummer: 8.02726.2009.02, d.d. 19 november 2009, uitgevoerd door Rasenberg Milieutechniek]
Het onderzochte terreindeel bestaat uit de kadastrale percelen 8714 en 10212. De aanleiding hiertoe was dat op het noordelijke terreindeel tijdens sloopwerkzaamheden een ondergrondse tank was aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat circa 15 m3 grond verontreinigd is met minerale olie en xyleen in grond aanwezig is. In het grondwater is een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond en een matig verhoogd gehalte aan xyleen.
Tijdens een veldinspectie is toen asbest op maaiveld aangetoond. Op het terreindeel 8714 en 10212 is toen tevens een asbest onderzoek uitgevoerd. Op de onderzoekslocatie is het gehalte aan asbest niet boven de restconcentratie norm aangetroffen.
-
Nader Grondwateronderzoek “Leistraat ong.” Breda [projectnummer: NBO-50100251, kenmerk: GB101207, d.d. 26 juli 2010, uitgevoerd door Wematech Bodem Adviseurs B.V.]
Het onderzochte terreindeel betreft het noordelijke deel van perceel 8714.
In dit onderzoek is de aangetroffen verontreiniging uit het onderzoek van 19 november 2009 nader onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat het geen ernstig geval van bodemverontreiniging betreft.
In het meest noordelijke terreindeel is uit de onderzoeken gebleken dat sprake is van een geringe olieverontreiniging in de bodem. Voor deze verontreiniging geldt geen saneringsplicht, omdat het volumecriteria, zoals opgenomen in de Wet bodembescherming, niet wordt overschreden.
Indien tijdens bouwactiviteiten toch mocht blijken dat ter plekke van de oliespot gegraven moet worden, wordt geadviseerd voorafgaand aan de ontwikkelingen de oliespot te saneren.
Hiervoor moet een plan van aanpak worden opgesteld en ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.
Voor het verkrijgen van een eventuele bouwvergunning moet een update onderzoek komen. De update zou wellicht kunnen bestaan door alleen de bovengrond te onderzoeken.
Indien bij ontwikkelingen grond overtollig wordt, is het raadzaam middels een partijkeuring de grond, welke overtollig wordt, te onderzoeken.
5.3.4 Conclusie
Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding voor het nemen van saneringsmaatregelen. De licht verhoogde concentraties in grond en grondwater geven geen beperkingen ten aanzien van het huidige gebruik en de voorgenomen herinrichting van de locatie.
De ontwikkellocatie is derhalve geschikt voor de beoogde functie 'wonen'.
5.4 Water
5.4.1 Algemeen
Het overheidsbeleid is er op gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Provincies en gemeenten dragen zorg voor een integrale afweging van de ruimtebehoefte en leggen deze vast in beleidsplannen, structuur- en/of bestemmingsplannen.
5.4.2 Regelgeving
De Europese en nationale richtlijnen op het gebied van water zijn door de provincie Noord-Brabant doorvertaald in een regionaal waterplan “Provinciaal Waterhuishoudingsplan 2010-2015”. Hierin staan op hoofdlijnen de doelen die de provincie wil bereiken op het gebied van water en op welke wijze zij deze wil realiseren. Op punten waar de provincie meer in detail wil regelen hoe met water om te gaan, is dit vastgelegd in de provinciale verordeningen: de Verordening water, Verordening ruimte en de Provinciale Milieuverordening.
Het Provinciaal waterhuishoudingsplan is door het waterschap Brabantse Delta geconcretiseerd in een Waterbeheerplan, de Beleidsregel toepassing Waterwet en de waterschapsverordening (Keur). Binnen het waterbeheerplan wordt aandacht gevraagd voor de reductie van wateroverlast in de stad. Waterschap Brabantse Delta stelt op basis van de Beleidsregel toepassing Waterwet en de Keur onder andere hydraulische randvoorwaarden aan het lozen, onttrekken, aan- en afvoeren van water van en naar het oppervlaktewater.
De Structuurvisie Breda, het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan en het Hemelwater- en grondwaterbeleid vormen het beleidskader voor water op gemeentelijk niveau. Het beleid met betrekking tot de zorgplicht stedelijk afvalwater is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Breda. De zorgplichten hemel- en grondwater zijn in het door de gemeenteraad vastgestelde Hemel- en grondwaterbeleidsplan uitgewerkt.
Het hemel- en grondwaterbeleid is gericht op het nastreven van de oorspronkelijk natuurlijke situatie. Hiervoor gelden eisen ter voorkoming van (hemel- of grond)wateroverlast (veiligheidseisen) en eisen ter voorkoming van achteruitgang van het natuurlijk (hemel- of grond)watersysteem (duurzaamheidseisen). In alle gevallen geldt zuiveren waar het moet vanuit de gewenste waterkwaliteit.
5.4.3 Onderzoek
In en rond het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Op de locatie waar de nieuwbouw plaatsvindt, was voorheen een buurthuis gelegen. Het verharde oppervlakte van de nieuwbouw is vrijwel gelijk met het verhard oppervlakte van het voormalige buurthuis. Het verhard oppervlak neemt dus ten opzichte van de oude situatie niet of nauwelijks toe. Het project kan derhalve gezien worden als 'sloop en nieuwbouw'. Dit betekent dat er geen extra waterberging hoeft te worden aangelegd.
Voor wat betreft het afstromend hemelwater geldt dat in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Het afstromend hemelwater zal aangesloten worden op het aanwezige gescheiden stelsel. Het waterschap heeft als wensbeeld meegegeven om het hemelwater zo veel mogelijk binnen de plangrenzen te verwerken. Eén en ander in lijn met de landelijke trits 'infiltreren, bergen en afvoeren'.
Het plangebied is niet gelegen in gebieden met speciale bestemmingen/functies zoals beschermde gebieden waterhuishouding of grondwaterbeschermingsgebieden.
Bouwmaterialen dienen bij voorkeur milieuvriendelijk te zijn. Uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC dienen achterwege gelaten te worden. Deze stoffen kunnen zich namelijk ophopen in het water(bodem)systeem en hebben daardoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
5.4.4 Conclusie
De waterhuishoudkundige situatie in het plangebied is van dien aard dat deze in zijn algemeenheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
Het waterschap heeft, met inachtneming van de opmerking over het verwerken van het hemelwater, per brief van 14 april 2014 een positief wateradvies gegeven.
5.5 Ecologie
5.5.1 Algemeen
Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Veel mensen vertoeven in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang.
5.5.2 Regelgeving
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de haalbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet 1998 en ecologische hoofdstructuur. De soortenbescherming (planten en dieren) komt voort uit de Flora- en faunawet.
Deze wetten vormen tevens de implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn op nationaal niveau. Er mogen geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, waarvan op voorhand duidelijk is dat deze op bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden of op streng beschermde planten of dieren.
5.5.3 Onderzoek
Gebiedsbescherming
In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde gebied beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 betreft het Natura 2000-gebied “Ulvenhoutse Bos”. Dit beschermde gebied ligt op circa 2500 meter afstand. Gezien de ontwikkeling slechts beperkt blijft tot de wijk Zandberg, de toename van het aantal verkeersbewegingen door de ingreep marginaal is en er veel grote verstorende tussenliggende elementen aanwezig zijn (bebouwing, wegen) zijn directe en indirecte negatieve effecten van de plannen op het beschermde gebied niet te verwachten.
Voor dit plan is geen sprake van een vergunningsaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet.
Soortenbescherming
De bescherming van dier- en plantensoorten is sinds 1 april 2002 in de Flora- en faunawet geregeld. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. Eén van de uitvloeisels van deze regelgeving is dat de effecten van nieuwe plannen op de planten- en diersoorten die in een gebied aanwezig zijn beoordeeld dienen te worden.
Voorheen stond op de locatie een buurthuis. Inmiddels is dit buurthuis gesloopt en ligt de locatie braak. Daarom wordt verwacht dat er geen beschermde flora en fauna aanwezig zijn.
Het gebied zal hooguit gebruikt worden door algemeen voorkomende soorten. Deze vallen onder het lichte beschermingsregime van de Flora- en faunawet. Hiervoor geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een algehele vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Dit betekent dat voor deze soorten de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder ontheffing.
Ook voor vleermuizen blijft voldoende foerageergebied over aan de zuidzijde van het plangebied (huidige en toekomstige groenvoorziening).
5.5.4 Conclusie
De invloed van onderhavig bestemmingsplan op de groenstructuur en de ecologische waarde is verwaarloosbaar. De aanwezige waarden worden middels dit bestemmingsplan voldoende beschermd.
5.6 Bedrijven
5.6.1 Algemeen
Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven.
Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.
5.6.2 Regelgeving
De mate en de ernst van de invloed van een bedrijf is mede afhankelijk van het type en de omvang van het bedrijf. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden op basis van onderzoeks- en ervaringsgegevens richtafstanden aanbevolen tussen bedrijvigheid en milieuhindergevoelige functies.
Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld:
Categorie 1: grootste afstanden 0 en 10 meter;
Categorie 2: grootste afstand 30 meter;
Categorie 3: grootste afstanden 50 (3.1) en 100 (3.2) meter;
Categorie 4: grootste afstanden 200 (4.1) en 300 (4.2) meter;
Categorie 5: grootste afstanden 500 (5.1), 700 (5.2) en 1000 (5.3) meter;
Categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.
De afstanden gelden in principe tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.
In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen hinder van bedrijven/inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten. De bedrijven in de omgeving hebben conform de regelgeving al rekening te houden met geluidgevoelige woningen.
5.6.3 Onderzoek
In het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig. Buiten het plangebied zijn wel bedrijven aanwezig, echter deze bedrijven hebben geen invloedsgebied dat tot in het plangebied reikt.
5.6.4 Conclusie
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen bedrijven of instellingen gevestigd die mogelijke hinder kunnen veroorzaken. De invloed van deze bedrijven op gevoelige bestemmingen in het plangebied en vice versa is dus nihil. Gesteld kan worden dat het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.7 Geluid
5.7.1 Algemeen
Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid.
5.7.2 Regelgeving
Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidsituatie in beeld gebracht te worden. De geluidniveaus op de gevel van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk:
-
wegverkeerslawaai;
-
railverkeerlawaai;
-
industrielawaai;
-
vliegtuiglawaai.
Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai en spoorlawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Verder is door de gemeente Breda het Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder vastgesteld. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet.
Voor elke bron zijn specifieke geluidzones vastgesteld. Indien ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten buiten deze zones plaatsvinden, kan er vanuit gegaan worden dat de geluidsituatie voldoende is. Indien nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone zijn gepland, dient met akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat een goede geluidsituatie gerealiseerd wordt.
5.7.3 Onderzoek
De zorgwoningen zijn geluidgevoelige bestemmingen. Daarom moet de geluidsituatie in beeld worden gebracht.
De wegen nabij het plangebied, inclusief Baronielaan en Zandbergweg/Ginnekenweg, kennen een maximum snelheid van 30 km/uur. Formeel kennen deze wegen geen wettelijke zone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wél onderbouwd te worden dat een goede geluidsituatie ontstaat. In dit geval is het aannemelijk dat de geluidwaarden op de gevel van de nieuwe zorgwoningen beduidend lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, vanwege een grote afschermende werking van de bebouwing aan de Baronielaan en Zandbergweg/Ginnekenweg. Vanuit akoestisch oogpunt is sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In onderstaande figuur is een uitsnede toegevoegd uit de geluidkaart van de gemeente Breda. Hierin wordt bovenstaande conclusie visueel toegelicht.
De geluidbronnen spoorweg-, industrie- en vliegtuiglawaai liggen niet in de nabijheid van het plangebied. Over het plangebied liggen dus geen geluidzones van deze geluidbronnen. Er is dus geen sprake van een geluidbelasting op het plangebied vanwege deze geluidbronnen. Een akoestisch onderzoek hoeft daarom niet te worden uitgevoerd.
![i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402014.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2014008003-0401_402014.png)
Figuur 5.1 Uitsnede geluidkaart, referentie 2011 (plangebied globaal met rood omcirkeld)
De 14 nieuwe zorgwoningen zullen zorgen voor een bepaalde verkeersaantrekking. Deze verkeersaantrekking is zo gering, dat zonder nadere toelichting duidelijk is dat dit niet zal leiden tot verhoging van het geluiddrukniveau naar de omgeving.
5.7.4 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.8 Luchtkwaliteit
5.8.1 Algemeen
Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om dit te voorkomen dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.
5.8.2 Regelgeving
Op 15 november 2007 zijn in de Wet milieubeheer onder titel 5.2 Luchtkwaliteiteisen opgenomen.
Luchtkwaliteiteisen is een implementatie van de Europese regelgeving uit 1996, en bevat luchtkwaliteitsnormen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden en stikstofdioxide, zwevende deeltjes (fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de grenswaarden. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand gehouden moet worden.
Behalve voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide voldoet de luchtkwaliteit overal in Breda aan de gestelde grenswaarden. Mede door de relatief hoge achtergrondconcentraties overschrijden de concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide plaatselijk de grenswaarden. De overschrijdingen hangen in de meeste gevallen samen met het drukke verkeer.
Vanaf 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking. Conform artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is voor een ontwikkeling dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteitonderzoek nodig en kan de ontwikkeling zonder toetsing aan de luchtkwaliteitseisen doorgang vinden. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB).
Projecten die de concentratie koolstofdioxide of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Dit criterium is een 'of-benadering'.
Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:
-
woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
-
kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in Staatsblad nr. 14 gepubliceerd, waarna het besluit op 16 januari 2009 in werking getreden is. Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Met dit besluit is de bouw van zogenaamde ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van (snel)wegen beperkt.
5.8.3 Onderzoek
Met behulp van de NIBM-rekentool (versie mei 2013) is het effect op de luchtkwaliteit ten gevolge van het plan berekend. Een plan is 'in betekenende mate' wanneer de toename van de luchtverontreiniging (stikstofdioxide en fijn stof) meer is dan 1,2 ųg/m³. Wanneer een plan “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is toetsing van het plan aan de grenswaarden op grond van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk. Bij het opstellen van de NIBM-rekentool is uitgegaan van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging.
|
|
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit
|
|
|
|
Extra verkeer als gevolg van het plan
|
|
|
|
|
|
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
|
84
|
|
|
|
|
Aandeel vrachtverkeer
|
5,0%
|
|
|
|
Maximale bijdrage extra verkeer
|
NO2 in μg/m3
|
0,13
|
|
|
|
|
PM10 in μg/m3
|
0,03
|
|
|
|
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
|
1,2
|
|
|
|
Conclusie
|
|
|
|
De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate;
|
|
|
|
geen nader onderzoek nodig
|
|
Figuur 5.2 Berekening NIBM-tool, [bron: website Agentschap NL, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken]
Uit de berekening met de NIBM-tool (figuur 5.2) blijkt dat de planbijdrage van de gehele ontwikkeling kleiner is de NIBM-grens van 1,2 ųg/m³, daardoor zal het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarden is op basis van de Wet milieubeheer dus niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzichtelijk gemaakt dat geen sprake is van een dreigende grenswaarde overschrijding en is een luchtkwaliteitonderzoek derhalve niet nodig.
5.8.4 Conclusie
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor voorgenomen initiatief.
5.9 Externe veiligheid
5.9.1 Algemeen
In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
5.9.2 Regelgeving
Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste regelingen zijn:
-
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Staatsblad 2004 nr. 250;
-
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Staatsblad 2010 nr. 686;
-
Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke stoffen, Staatscourant 4/8/2004 nr. 147 / ontwerp Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip tenminste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, tenminste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied:
-
Binnen de plaatsgebonden risicocontour bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen.
-
Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan bovengenoemde normen. Ontwikkelingen zijn niet toegestaan indien deze leiden tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
5.9.3 Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
In of nabij het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden.
Buisleidingen
In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg en spoor
Weg
Het plangebied is gelegen op een afstand op meer dan 3000 meter van de rijksweg A27 en A16. Over beide trajecten worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Het plangebied valt echter buiten het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen. Er zijn derhalve geen relevante veiligheidscontouren waarmee rekening moet worden gehouden.
Spoor
Het plangebied ligt op een afstand van bijna 2000 meter van het spoortraject Breda-Tilburg. Over dit spoortraject worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Vanwege het vervoer van deze stoffen is er een invloedsgebied van 3000 meter.
Aangezien het plangebied is gelegen op een afstand van méér dan 200 meter van het spoortraject en de in het plangebied aanwezige personen derhalve geen significante (rekeningkundige) bijdrage leveren aan het groepsrisico wordt er, overeenkomstig artikel 7 van het (concept-) Besluit externe veiligheid transportroutes, volstaan met een beperkte beschouwing:
-
De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg:
-
Het plangebied is voldoende bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten. De opkomsttijd bedraagt minder dan acht minuten en voldoet daarmee aan de in het Dekkings- en spreidingsplan 2011-2014 vastgestelde opkomsttijden.
-
Er is voldoende dekking van de waarschuwings- en alarmeringsinstallatie en NL-alert.
-
In het plangebied zijn voldoende primaire bluswatervoorzieningen.
-
Bij de realisatie zal er, zo nodig, een secundaire bluswatervoorziening, worden gerealiseerd.
-
Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die spoorweg een ramp voordoet:
Bij de ontwikkeling van de plannen dient rekening te worden gehouden met de NVBR Handleiding ‘Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid’.
5.9.4 Conclusie
Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gevaar veroorzakende activiteiten of transportroutes aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving
6.1 Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de aanwezige karakteristieken en waarden van het plangebied en de omgeving en de voorgenomen ontwikkeling. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient deze juridisch vertaald te worden. Het aangewezen planologische instrument hiervoor is het bestemmingsplan. In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het bestemmingsplan wordt beschreven en daarna de inleidende regels en de bestemmingsregels aan bod komen.
6.2 Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen
6.2.1 Hoofdopzet
Het bestemmingsplan bestaat uit planregels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
In Nederland zijn regels vastgesteld voor de naamgeving, de opbouw van de planregels en hoe deze worden verbeeld. Dit wordt de zogenoemde Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) genoemd. Dit alles om alle bestemmingsplannen in Nederland beter te kunnen vergelijken en ze ook digitaal uitwisselbaar te maken. Per 1 januari 2010 is deze digitalisering verplicht. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld volgens deze landelijke richtlijnen en standaarden.
6.2.2 Indeling planregels
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten:
-
Inleidende regels;
-
Bestemmingsregels;
-
Algemene regels;
-
Overgangs- en slotregels.
Deze volgorde is gebaseerd op de indeling zoals deze is voorgeschreven in de SVBP. In hoofdstuk 1 ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
In het volgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op de bestemmingen en hun gebruik (zie paragraaf 6.3). Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en procedureregels die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn. Hoofdstuk 4 ('Overgangs- en slotregels') gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bouwwerken en de citeertitel van het plan, zoals die overgenomen moeten worden uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
6.2.3 Voorliggend bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan is grotendeels ontwikkelingsgericht. Met dit bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van 14 (zelfstandige) zorgwoningen inclusief een gezamenlijke (zorg)ruimte mogelijk gemaakt. Ook wordt de inrichting van een deel van de aangrenzende openbare ruimte gewijzigd.
6.3 Bestemmingen
In de planregels zijn de bestemmingen in alfabetische volgorde opgenomen. In deze paragraaf volgt een toelichting op elke bestemming.
Groen (artikel 3)
Binnen deze bestemming is het openbare groen opgenomen dat een structurele betekenis heeft voor het gebied. Het verschil met het groen uit bijvoorbeeld de bestemming ‘Verkeer’ is dat in de bestemming 'Groen' de structurele en waardevolle groenvoorzieningen zijn opgenomen. Naast het feitelijke groen zijn binnen deze bestemming bijvoorbeeld ook speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en ondergeschikte verhardingen, zoals voet- en fietspaden, toegestaan.
Parkeervoorzieningen zijn in principe niet toegestaan. Mocht in de toekomst blijken dat er een behoefte ontstaat om in het plangebied extra parkeerplaatsen aan te leggen en deze alleen gesitueerd kunnen worden op de gronden met de bestemming 'Groen', dan kan gebruik worden gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid om deze parkeerplaatsen aan te leggen.
Bebouwing is uitsluitend toegestaan in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De maximale hoogten voor de verschillende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de planregels vastgelegd.
Maatschappelijk (artikel 4)
Binnen deze bestemming zijn de 14 zelfstandige zorgwoningen met een algemene (zorg)ruimte mogelijk gemaakt. Onder de algemene (zorg)ruimte wordt in dit geval een keuken, woon- en eetkamer verstaan, evenals een slaap- en kantoorruimte voor de begeleiders. Ook is één collectieve berging voor onder andere fietsen (ipv 14 aparte bergingen) onderdeel van deze gemeenschappelijke ruimte.
Elke zorgwoning is bedoeld voor één persoon waar 24 uur per dag begeleiding en zorg voor beschikbaar is. De bestemmingsregels zijn qua functie en bebouwing toegespitst op het bouwplan.
Tuin (artikel 5)
De zorgwoningen liggen rondom een semi-openbare binnentuin. De tuin heeft de bestemming 'Tuin'. Binnen deze bestemming is bebouwing niet toegestaan. Door het toekennen van deze bestemming ontstaat er meer rechtszekerheid voor omwonenden omtrent het (behoud van het) groene karakter van de binnentuin.
Verkeer (artikel 6)
Alle wegen, het (verharde) verblijfsgebied en de parkeerplaatsen binnen het plangebied hebben de bestemming ‘Verkeer’. Verder vallen binnen deze bestemming de openbare ruimte en de groenvoorziening die niet wordt gerekend tot het structurele groen van het gebied. Binnen deze bestemming is uitwisselbaarheid van verschillende functies in het openbare gebied toegestaan.
Gebouwen zijn niet toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de bouwregels maximale bouwhoogten opgenomen. Zo mag de bouwhoogte van speelvoorzieningen maximaal 5 meter bedragen en mag de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 8 meter bedragen.
Waarde-Archeologie (artikel 7)
Voor een deel van het plangebied waar de nieuwbouw gerealiseerd wordt, is een archeologisch onderzoek verricht (zie paragraaf 2.3.1). De resultaten van het onderzoek zijn door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vastgesteld. In het onderzoek is geconstateerd dat dit deel van het plangebied vrijgegeven wordt en dat geen dubbelbestemming inzake archeologie meer hoeft te worden opgenomen.
Voor het overig deel van het plangebied waar nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden, blijft de dubbelbestemming van kracht, teneinde de archeologische belangen op adequate wijze te beschermen. Bodemingrepen zijn op deze gronden in principe niet toegestaan; als een ingreep dieper gaat dan 0,30 meter onder het maaiveld en een planoppervlak behelst van 100 m² of meer is een omgevingsvergunning verplicht. Het college van burgemeester en wethouders stelt de bepalingen in de omgevingsvergunning vast. Het principe ‘de verstoorder betaalt’ is van toepassing. Op de gronden met deze dubbelbestemming dient in beginsel een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij dergelijke ingrepen.
Waarde-Beschermd stadsgezicht (artikel 8)
Voor een deel van de wijk Zandberg is door het rijk een beschermd stadsgezicht aangewezen. Het betreft hier de Wilhelminastraat, de Ginnekenweg en een deel van de Baronielaan.
Deze dubbelbestemming is er op gericht de bestaande cultuurhistorische waarden te beschermen. Deze bescherming is gebaseerd op de methodiek van de "dubbelbestemmming met bouwverbod". Indien op basis van de hoofdbestemming gebouwd mag worden, dan wordt op basis van deze dubbelbestemming een bouwverbod opgelegd. Dit verbod wordt doorbroken indien de uitbreiding vanaf het openbaar gebied niet zichtbaar is, danwel dat een expliciet advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit aantoont dat de uitbreiding geen negatieve gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden van het pand. De aanduiding heeft ook ten gevolge dat het samenvoegen van panden onder dit verbodsregiem valt.
Een klein gedeelte van onderhavig plangebied, dat wil zeggen een deel van de percelen van de bebouwing aan de Baronielaan, is onderdeel van het beschermd stadsgezicht en derhalve ook in dit bestemmingsplan middels een dubbelbestemming beschermd.
HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid
7.1 Inleiding
Op 1 juli 2008 is de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De zogenoemde ‘grondexploitatiewet’ is een onderdeel van deze Wro (afdeling 6.4) en met name ingesteld om aan de gemeente bij particuliere ontwikkelingen een goede regeling voor kostenverhaal en het stellen van locatie-eisen te bieden. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan ook worden aangetoond.
In paragraaf 7.2 is beschreven of de grondexploitatiewet van toepassing is op (delen van) het bestemmingsplan en op welke wijze hier uitvoering aan is gegeven. In paragraaf 7.3 is aangegeven op welke wijze het bestemmingsplan uitgevoerd zal worden.
7.2 Toepassing afdeling 6.4 Wro (grondexploitatie)
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de wet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling.
In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of bij een omgevingsvergunning.
Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk:
-
de bouw van één of meer woningen;
-
de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;
-
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlak of met één of meer woningen;
-
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
-
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² brutovloeroppervlak bedraagt;
-
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlak.
Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategoriën) gesteld moeten worden en het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is (bijvoorbeeld via een overeenkomst), én geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (openbare ruimte) of woningbouwcategorieën hoeven te worden vastgesteld. Indien de kosten minder dan € 10.000,- bedragen, kan ervoor gekozen worden deze middels andere wijze dan een exploitatieplan te verhalen. In de Wro is tevens geregeld dat voor gronden waarop al gebouwd mocht worden (onbenutte bouwruimte) geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.
7.3 Financiële uitvoerbaarheid
Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan is echter niet verplicht, wanneer het verhaal van deze kosten ‘anderszins verzekerd’ is.
Onderhavig project wordt ontwikkeld door WonenBreburg. Tussen WonenBreburg en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten, waarbij onder meer afspraken zijn gemaakt over de vergoeding van de gemeentelijke kosten. De kosten voor de gemeente zijn daarmee anderszins verzekerd. Een exploitatieplan is daarom niet noodzakelijk.
Voor het herinrichten van de groen- en speelvoorziening ten zuiden van de nieuwbouw is vanuit de gemeente Breda een bedrag beschikbaar gesteld van €40.000,-. Dit bedrag is afkomstig uit de reguliere begroting.
Conclusie
Er bestaat op basis van het bovenstaande voor het onderhavige bestemmingsplan geen aanleiding tot kostenverhaal middels een exploitatieplan. Gelet op het vorenstaande is er dan ook geen verplichting om tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan op te stellen.
HOOFDSTUK 8 Procedure en communicatie
8.1 Inleiding
In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. Het voor voorliggend bestemmingsplan (wettelijke) communicatietraject is in dit hoofdstuk beschreven. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is als eerste een concept-ontwerpbestemmingsplan opgesteld. In dat stadium vindt ook het wettelijke vooroverleg plaats met instanties als waterschap, diensten van het Rijk en provincie (paragraaf 8.2.1). Nadat dit traject was afgerond, is gestart met de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan (paragraaf 8.2.2).
Voorafgaand aan het bestemmingsplanproces en parallel aan het wettelijke overleg hebben ook verschillende 'communicatiemomenten' met omwonenden plaatsgevonden.
Zo is er in maart 2012 een bewonersavond geweest en er is daaropvolgend een gesprek met de Wijkraad geweest. Tussentijds is de buurt op de hoogte gesteld van de stand van zaken middels een Breda Bericht.
In november 2013 is ook middels een Breda Bericht de buurt geïnformeerd over de haalbaarheid van het plan, het opstarten van de bestemmingsplanprocedure en het komen tot nadere afspraken met WonenBreburg.
Naar aanleiding van dit Breda Bericht heeft een groep buurtbewoners gereageerd en hebben er gesprekken plaatsgevonden met gemeente en initiatiefnemers; een keer op ambtelijk niveau en twee keer op bestuurlijk niveau. De laatste keer was in oktober 2014. Ook is er schriftelijk met buurtbewoners gecommuniceerd. Het doel van deze gesprekken was om af te wegen of er aanleiding was de opzet van het plan aan te passen.
8.2 Procedure
8.2.1 Vooroverleg
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende instanties:
-
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch;
-
Waterschap Brabantse Delta, Breda;
-
Ministerie van Defensie, dienst Vastgoed Defensie, Tilburg;
-
Brandweer Midden en West-Brabant, Pro-actie en Preventie, Tilburg;
-
Enexis, ‘s-Hertogenbosch;
-
Wijkraad Zandberg-West.
De instanties hebben van 28 februari tot en met 11 april 2014 de gelegenheid gehad om een reactie te geven. Op 14 april 2014 heeft een overleg plaatsgevonden met de wijkraad, waarin het bouwplan en het conceptontwerpbestemmingsplan is toegelicht.
De instanties genoemd onder 1, 2 en 6 hebben een reactie gegeven op het plan. Daarnaast heeft ook de 'Speeldenktank speelterrein Leistraat' uit eigen initiatief een reactie gegeven. Deze reactie zal ook worden meegenomen als vooroverlegreactie.
De provincie heeft schriftelijk aangegeven geen op- en aanmerkingen te hebben over het plan.
Het waterschap, de wijkraad en de speeldenktank speelterrein Leistraat hebben wel inhoudelijk gereageerd. Deze reacties zijn hieronder samengevat en van antwoord voorzien.
Waterschap Brabantse Delta
Samenvatting:
Omdat binnen het plangebied een relatief groot oppervlak met de bestemming 'Groen' aanwezig is, wat deels opnieuw ingericht zal worden, heeft het waterschap verzocht de mogelijkheden te bekijken om het hemelwater, zeker de kleine buien, zo veel mogelijk binnen de plangrenzen te verwerken.
Beantwoording:
Dit wensbeeld is opgenomen in paragraaf 5.4 van de toelichting en meegegeven aan de architect.
Conclusie:
Paragraaf 5.4 van de toelichting is aangepast naar aanleiding van deze reactie.
Wijkraad Zandberg-West
Samenvatting:
De wijkraad vindt het belangrijk dat de naastgelegen groenplek voor de buurt behouden blijft. De wijkraad geeft aan dat volgens de parkeernorm 4 parkeerplaatsen benodigd zouden zijn in plaats van de nu aangegeven 7. Daarbij stellen zij vast dat er 3 onofficiële parkeerplaatsen worden gecompenseerd. Ze geven aan dat de parkeerdruk in de buurt hoog is, maar verzoeken toch 4 parkeerplaatsen aan de Leistraat te realiseren en niet de 7 parkeerplaatsen die nu zijn ingetekend.
Beantwoording:
Ten behoeve van het voormalige buurthuis bestond, conform de parkeernorm, een parkeerbehoefte van vijftien parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie is er een parkeerbehoefte van zeven parkeerplaatsen. Het plan genereert dus geen extra parkeerbehoefte. Er dienen conform het parkeerbeleid dus geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Wel is het zo dat door de bouw van het nieuwe complex zeven parkeerplaatsen verdwijnen. Deze zeven parkeerplaatsen dienen te worden gecompenseerd en in de aangrenzende openbare ruimte aangelegd te worden, om de hoge parkeerdruk in de wijk niet nog verder te verhogen.
Deze parkeerplaatsen worden aangelegd tegenover de woningen aan de Leistraat 3 t/m 13. De zeven parkeerplaatsen aan de Leistraat worden zodanig gesitueerd dat twee bomen aan de Leistraat kunnen blijven staan en het groen ervaren wordt vanaf de straat. In onderhavig bestemmingsplan is de aanleg van deze parkeerplaatsen mogelijk gemaakt.
Daarnaast is, naar aanleiding van reacties uit de buurt over de hoge parkeerdruk, gezocht naar een mogelijkheid extra parkeerplaatsen te realiseren, naast de 7 te compenseren parkeerplaatsen. Randvoorwaarde is dat deze parkeerplaatsen niet ten koste mogen gaan van meer groen- en speelterrein. Aan het groen- en speelterrein wordt in de buurt namelijk ook veel waarde gehecht. Getracht is een plek te vinden in het openbaar gebied die in de bestaande situatie reeds verhard is. Deze plek is gevonden tussen de nieuwbouw en de achterkanten van de Baronielaan. Hier kan een tweetal extra parkeerplaatsen gerealiseerd worden, waardoor tegemoet wordt gekomen aan de wens extra parkeerplaatsen te realiseren die niet ten koste gaan van groen- en speelterrein.
Conclusie:
Het bestemmingsplan is niet aangepast naar aanleiding van deze reactie.
Speeldenktank speelterrein Leistraat
Samenvatting:
De Speeldenktank vindt de ontwikkeling van het wooncomplex een goed plan, evenals het feit dat het speelterrein de bestemming 'Groen' heeft gehouden. Zij hebben wel bezwaar tegen de voorgestelde plannen om de volgende redenen:
-
Ten opzichte van de huidige oppervlakte van het speelterrein wordt een onredelijk groot deel van het groen 'afgesnoept', onder andere door het haaks parkeren.
-
Een hondenuitlaatplaats past niet in een speelterrein. Er is enorm veel overlast van hondenpoep. Het voorstel is de hondenuitlaatplaats te laten vervallen en een pilot te starten zoals die ook in Belcrum is gestart.
-
Er is, behalve aan de randen van de wijk, weinig groen. In het plan is gekozen voor het handhaven van het speelterrein. Echter, het terrein zal gedomineerd worden door het zicht op het bouwplan en de geparkeerde auto's. Gevraagd wordt een open en toegankelijke speel- en ontmoetingsplek voor de buurt te realiseren.
-
De speeldenktank vreest voor schade of overlast door de kinderen aan de auto's. Verzocht wordt de parkeerplaatsen daarom niet aan de zijde van de Leistraat, maar aan de achterzijde te realiseren waar de hondenuitlaatplaats is gesitueerd.
Beantwoording:
Ad a.
Ten behoeve van het voormalige buurthuis bestond, conform de parkeernorm, een parkeerbehoefte van vijftien parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie is er een parkeerbehoefte van zeven parkeerplaatsen. Het plan genereert dus geen extra parkeerbehoefte. Er dienen conform het parkeerbeleid dus geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Wel is het zo dat door de bouw van het nieuwe complex zeven parkeerplaatsen verdwijnen en/of anders gesitueerd moeten worden. Deze zeven parkeerplaatsen worden in de aangrenzende openbare ruimte opnieuw aangelegd. De hoge parkeerdruk in de wijk wordt zo niet verder verhoogd.
Deze zeven parkeerplaatsen worden aangelegd tegenover de woningen aan de Leistraat 3 t/m 13. De zeven parkeerplaatsen aan de Leistraat worden zodanig gesitueerd dat twee bomen aan de Leistraat kunnen blijven staan en het groen ervaren wordt vanaf de straat. In onderhavig bestemmingsplan is de aanleg van deze parkeerplaatsen mogelijk gemaakt.
Gekozen is om de 7 parkeerplaatsen 'haaks' op de Leistraat te situeren. Voor deze situering is gekozen zodat de bestaande bomen gehandhaafd kunnen blijven. Indien er 'langs' parkeerplaatsen zouden worden aangelegd, dan was aan de Leistraat niet voldoende ruimte aanwezig om de 7 te compenseren parkeerplaatsen aan te leggen, zouden de bestaande bomen verwijderd moeten worden en zou er geen ruime entree gecreeërd kunnen worden vanaf de Leistraat naar de groen- en speelplek. Daarnaast is 'haaks' parkeren veiliger bij het in- en uitstappen.
Ad b.
In de wijk Belcrum is een pilot gestart, waarbij bekeken wordt of enkele hondenuitlaatplaatsen kunnen vervallen. Als de uitkomst van die pilot positief is, kan dezelfde aanpak wellicht ook in Zandberg op deze locatie gebruikt worden. Als de uitkomst negatief is, wordt onderzocht of de hondenuitlaatplaats omgezet kan worden in een niet-omhekte uitlaatstrook waar honden aangelijnd uitgelaten kunnen worden. In dat geval zal met regelmaat de strook opgeschoond worden met de combinatie maai- en poepzuiger.
In het definitieve ontwerp voor het groen- en speelterrein zullen hierover keuzes gemaakt worden.
Bovendien is het bestemmingsplan niet het instrument dat toeziet op de daadwerkelijke inrichting en vormgeving van de groen- en speelplek. Binnen de betreffende bestemming, zijnde 'Groen', kan de gewenste inrichting worden gerealiseerd.
Ad c.
In overleg met omwonenden wordt de inrichting van de groen- en speelplek vormgegeven. Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van omwonenden. Het bestemmingsplan is echter niet het instrument dat toeziet op de daadwerkelijke inrichting en vormgeving van de speel- en ontmoetingsplek. Binnen de betreffende bestemming, zijnde 'Groen', kan de gewenste inrichting worden gerealiseerd. Op de informatiebijeenkomst over het bestemmingsplan, die gehouden zal worden gedurende de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal ook informatie worden gegeven over het voorlopig ontwerp inzake de buitenruimte.
Voor wat betreft de keuze over de situering van de parkeerplaatsen aan de Leistraat, wordt verwezen naar de beantwoording onder a.
Ad d.
Vanwege de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen is het niet wenselijk dat de nieuwe parkeerplaatsen 'achter' het speelterrein gerealiseerd worden. Omwonenden zouden dan via de smalle toegang direct achter de woningen aan de Baronielaan deze parkeerplaatsen moeilijk kunnen bereiken. Aan de Leistraat zijn de parkeerplaatsen beter bereikbaar en worden naar verwachting beter benut dan aan de achterzijde van het speelterrein.
Bovendien spelen de kinderen, door de parkeerplaatsen aan de voorzijde (Leistraat) te situeren, op een grotere (veiligere) afstand van de Leistraat.
Conclusie:
Het bestemmingsplan is niet aangepast naar aanleiding van deze reactie.
8.2.2 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan Zandberg, Leistraat heeft vervolgens gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Dit is op de gebruikelijke wijze gepubliceerd op de website van de gemeente Breda, in de Bredase Bode, op overheid.nl en de Staatscourant. Omwonenden zijn via een Breda Bericht uitgenodigd voor een inloopbijeenkomst. De inloopbijeenkomst heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Eenieder kon hier vragen stellen over het plan. Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende de periode van de terinzagelegging, 15 januari tot en met 25 februari 2015, kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen tegen het plan inbrengen. De zienswijzen zijn samengevat en van commentaar voorzien in het raadsvoorstel. Deze zienswijzen zijn beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Hierna is het bestemmingsplan voor vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden.
8.2.3 Beroep
Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het bestemmingsplan gepubliceerd op de gemeentelijke website, in de Bredase Bode, op overheid.nl en de Staatscourant en gedurende 6 weken ter inzage gelegd in het kader van de beroepstermijn. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk.