Toelichting
Bavel, Pastoor Doenstraat - Kloosterstraat Inhoudsopgave 5.2 Afweging noodzaak milieueffectrapportage HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In het centrum van de kern Bavel, op de percelen Pastoor Doensstraat 4 en Kloosterstraat 11-19 (oneven nummers), is nieuwbouw van winkels, waaronder een supermarkt, en (zorg)appartementen gepland. De huidige bebouwing ter plaatse wordt gesloopt. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bavel”. Binnen dit bestemmingsplan hebben de betreffende percelen de bestemming ‘Centrum’ en ‘Wonen’, waarin met name in deze laatste bestemming de functie detailhandel niet is toegestaan. Daarnaast is het plan in strijd met diverse bouwregels uit het geldende plan. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken. Om deze ontwikkeling te realiseren is een herziening van dat plan noodzakelijk. Met voorliggend document wordt hieraan voldaan. Tegen het op 19 december 2013 vastgestelde bestemmingsplan ‘Bavel, pastoor Doensstraat- Kloosterstraat’ is door omwonenden beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Bij uitspraak van 13 mei 2014 heeft de ABRvS bij wijze van voorlopige voorziening de werking van het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschorst. De voorlopige beoordeling geven aanleiding om delen van het bestemmingsplan aan te passen. Onderhavig bestemmingsplan bevat deze aanpassingen. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Kloosterstraat 11 – 19 (oneven) en de Pastoor Doensstraat 4 in de kern Bavel in de gemeente Breda. De kern Bavel ligt ten zuidoosten van Breda. Figuur: ligging en begrenzing plangebied (rood). Het plangebied wordt aan de noordkant begrensd door de Lange Vore. Aan de oostkant grenst het plangebied aan het café ‘t Karrewiel gelegen aan de Kloosterstraat 21. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrensd door de Kloosterstraat en aan de westkant door de Pastoor Doensstraat. Op navolgende luchtfoto is de ligging en begrenzing van het plangebied globaal weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan. 1.3 Huidige planologie Voor het plangebied is het bestemmingsplannen ‘Bavel’ geldend. Het bestemmingsplan Bavel is 30 mei 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Breda. De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan Bavel, maar is wel in de toelichting op dit bestemmingsplan genoemd. Nu er een concreet plan voor de invulling ligt, wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Figuur: uitsnede vigerend bestemmingsplan Bavel De vigerende regelingen van deze bestemmingsplannen worden navolgend beschreven. Bestemmingsplan Bavel Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan Bavel de bestemmingen ‘Centrum’, ‘Verkeer’ en de bestemming ‘Wonen’. Eveneens heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ om op deze wijze eventuele archeologische waarden te beschermen. Binnen de bestemming ‘Centrum’ zijn de met voorliggend bestemmingsplan beoogde functies toegestaan, met dien verstande dat slechts de bestaande supermarkt is toegestaan. Daarnaast wordt de maximale goot- en bouwhoogte overschreden en is de beoogde nieuwbouw ook buiten het aanwezige bouwvlak geprojecteerd. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn de beoogde functies niet realiseerbaar. Ook is de voorgestelde bebouwing niet mogelijk binnen de bestemming ‘Wonen’. Conclusie De geplande nieuwbouw past niet binnen het geldend bestemmingsplan “Bavel”. De nieuwe bebouwing valt deels buiten het aangegeven bebouwingsvlak en de goot- en bouwhoogte overschrijdt de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte. Eveneens is bebouwing voorzien ten behoeve van centrumfuncties binnen de gegeven woonbestemming ter plaatse. 1.4 Planvorm Onderhavig bestemmingsplan is voornamelijk ontwikkelingsgericht en betreft de herontwikkeling van de percelen Kloosterstraat 11-19 (oneven) en Pastoor Doensstraat 4 in Bavel. Met dit bestemmingsplan wordt de haalbaarheid van deze ontwikkeling aangetoond. Voor een klein deel (noordkant plangebied) is dit bestemmingsplan conserverend van aard. 1.5 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 'Gebiedsanalyse' een ruimtelijke en functionele analyse van het plangebied. In hoofdstuk 3 'Beleid' wordt het (relevante) ruimtelijke rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 4 beschrijft de in het plangebied geplande ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 'Milieu en landschap' zijn de sectorale milieu- en landschapsaspecten opgenomen. Daarna volgt in hoofdstuk 6 de juridische planbeschrijving. In dit hoofdstuk wordt de wijze van bestemmen uiteengezet en is een toelichting gegeven op de regels van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. Tot slot is hoofdstuk 8 'Communicatie' gereserveerd voor de uitkomsten van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, evenals een beschrijving van de verdere procedure. HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk is, na de positionering van het plangebied in breder verband, de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied uiteengezet. De ruimtelijke structuur is beschreven en in beeld gebracht aan de hand van de aspecten cultureel erfgoed, bebouwingsstructuur, openbare ruimte en verkeer. In de beschrijving van de functionele structuur wordt ingegaan op de diverse in het plangebied voorkomende functies. Tot slot wordt de toekomstige ontwikkeling in het plangebied beschreven. 2.2 Positionering plangebied Het plangebied ligt in het centrum van de kern Bavel aan de Pastoor Doensstraat en de Kloosterstraat. Bavel ligt ten zuidwesten van Breda, in de elleboog van de snelwegen A27 en A58 en op de grens van stedelijk gebied en landelijk gebied. Sinds 1997 valt Bavel, als gevolg van de gemeentelijke herindeling, onder het gemeentebestuur van Breda. Daarvóór hoorde Bavel, samen met het nabijgelegen Ulvenhout en Galder, bij de gemeente Nieuw Ginneken. Sinds de herindeling in 1997 hebben in het buitengebied en de randen van de kern Bavel diverse ruimtelijke ontwikkelingen plaatsgevonden. Ondanks de herindeling en de recente ontwikkelingen heeft Bavel echter zijn dorpse karakter behouden, vanwege het feit dat het dorp nog fysiek gescheiden is van Breda. De A27 zorgt ervoor dat Bavel aan de westzijde ruimtelijk gescheiden blijft van Breda. De Lange Bunder vormt de belangrijkste verbinding tussen Bavel en Breda en doet gelijktijdig dienst als de 'rondweg' van Bavel. De in het centrum van het dorp gelegen kerk, met daaromheen de winkels, geven het dorp een ‘echt hart’. Bavel is vooral gegroeid vanaf de jaren '60 van de vorige eeuw, met als meest recente uitbreiding de nieuwe woonwijk Wolfslaar aan de westzijde van de A27. Het woonmilieu (groen, rustig, grotere woningen en dicht bij de stad) waren belangrijke aspecten voor deze suburbanisatietendens. Het dorp is te karakteriseren als een forensendorp. In het dorp wordt hoofdzakelijk gewoond. Voorzieningen die het basisniveau overstijgen, zoals voorgezet onderwijs, winkelcentra, werkgelegenheid, zijn nauwelijks aanwezig. Functioneel gezien is de oriëntatie op Breda daardoor groot. 2.3 Ruimtelijke structuur 2.3.1 Cultureel erfgoed Beleid In de nota ErfgoedVisie Breda 2008-2015 is vastgesteld dat het Bredase erfgoed de basis vormt van de Bredase identiteit en tevens de basis vormt van ruimtelijke ontwikkelingen in Breda. Om het erfgoed in brede zin op herkenbare wijze te kunnen inpassen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingsprocessen is een goede inventarisatie noodzakelijk. In deze paragraaf wordt het aanwezig cultureel erfgoed (te verdelen in archeologie, historische geografie en gebouwd erfgoed) globaal in beeld gebracht en aangegeven hoe deze waarden eventueel beschermd worden. Archeologie De bewoning in Bavel en omgeving is ontstaan op twee hoge dekzandruggen, Eikberg en Kerkeind Bavel. Het landschap daartussen bestaat uit lage dekzandruggen. Het plangebied ligt ook op een lage dekzandrug. Bavel ligt grotendeels in een gebied met een hoge of middelhoge archeologische verwachting. De hoge verwachting concentreert zich rond de oude kern van Bavel. Op basis van de beleidsadvieskaart archeologie van Breda’s Erfgoed ligt het plangebied ook in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Om die reden is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Uitsnede beleidsadvieskaart archeologie van Breda’s Erfgoed met globale aanduiding plangebied (rode stip). Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Historische geografie Al in de 14e eeuw komt het huidige Bavel tot ontwikkeling. Uit deze tijd stammen de gehuchten Eikberg Bolberg, Tervoort Lijndonk en Kerkeind (kruispunt Kerkstraat, Oude Bredaseweg en Dorstseweg). Deze gehuchten zijn ontsloten door lokale verbindingswegen en akkerwegen, waarvan een aantal nog in het huidige stratenpatroon van Bavel te herkennen zijn. Voorbeelden van deze wegen zijn de huidige Kloosterstraat, Brigidastraat en Kerkstraat. Rond 1500 komt het zuidelijk Kerkeind (kruispunt Kerkstraat, Brigidastraat en Kloosterstraat) tot ontwikkeling. Op de plaats van de huidige begraafplaats wordt in 1488 een kerk gebouwd. Het gehucht Tervoort wordt middels een kerkpad verbonden met deze kerk. Het zuidelijk Kerkeind ontwikkelt zich tot de belangrijkste nederzetting in het gebied. Vanaf dat moment is er sprake van een klein dorp. Door de lintbebouwing aan de verbindingsweg tussen Kerkeind en het zuidelijk Kerkeind (Kerkstraat) groeien deze bewoningskernen in de 19e eeuw aan elkaar vast. In de 20e eeuw is de kern van Bavel gegroeid tot de huidige omvang. Gebouwd erfgoed Het plangebied ligt in de kern van Bavel aan de Kloosterstraat en Pastoor Doensstraat. De Kloosterstraat is één van de historische linten van Bavel. Het karakter van het gebouwde erfgoed langs deze linten is divers. Veel voorkomend zijn voormalige boerderijen, vaak in één laag onder een dwarse kap. Tussen deze boerderijen aan de linten werden vanaf de tweede helft negentiende eeuw veelal vrijstaande woningen gebouwd. Conclusie Met de ontwikkeling van het plangebied wordt de centrumfunctie van Bavel verder versterkt, hetgeen in lijn is met de oorspronkelijke functie van het gebied. De nieuwe bebouwing langs de Kloosterstraat sluit qua bebouwingsmassa en architectuur aan de op de hier kenmerkende bebouwing in het bebouwingslint. Deze bebouwingslinten zijn karakteristiek voor de ontstaansgeschiedenis van het dorp Bavel. De eventueel voorkomende archeologische waarden in het gebied worden beschermd door middel van een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. 2.3.2 Openbare ruimte en groen Beleid In het voorjaar van 2009 is de Visie Openbare Ruimte 2020 vastgesteld. Het gebruik, de inrichting en het beheer van de openbare ruimte in de stad, wijk en buurt moeten het goed toeven van Bredase burgers, forensen en toeristen bevorderen. Dit gebeurt door de mogelijkheden te verhogen om samen de openbare ruimte te delen, door de identiteit van buurt, wijk, dorp en stad te versterken en de openbare ruimte duurzaam te gebruiken, in te richten en te beheren. De openbare ruimte moet passen bij de gebruiksbehoefte van mensen, planten en dieren. In deze visie worden daartoe drie belangrijke keuzes gemaakt. Er wordt gekozen voor de kernwaarden ‘gedeelde ruimte’, ‘herkenbare ruimte’ en ‘duurzame ruimte’. Gedeelde ruimte: De gedachte achter de gedeelde openbare ruimte is dat gebruikers meer op elkaar aangewezen worden, door de ruimte te delen. De openbare ruimte staat zoveel mogelijk soorten gebruik door mensen, planten en dieren toe en stimuleert deze ook. De openbare ruimte is zo min mogelijk opgedeeld in functiezones. Herkenbare ruimte: Een herkenbare openbare ruimte is een ruimte die de gebruiker vindt passen in zijn/haar beleving van de wijk of stad. Herkenbaarheid ontstaat door een duidelijke relatie van de plek met het grotere geheel, zowel met de ontstaansgeschiedenis als het totale netwerk van openbare ruimten. De strategie is om de openbare ruimte zodanig te gebruiken, in te richten en te onderhouden dat de burgers een duidelijk sociaal herkenningspunt hebben. Naast het opwekken van een thuisgevoel moet het ook een beleving van sociale veiligheid in de openbare ruimte opleveren. Duurzame ruimte: Duurzame openbare ruimte is ruimte die mogelijkheden biedt voor betekenisvol gebruik nu en in de toekomst. Een duurzame ruimte is duurzaam in beheer, gebruik en inrichting. De openbare ruimte draagt bij aan leefbaarheid in het algemeen en is daarom meer dan een milieudoelstelling. De strategie duurzame ruimte ondersteunt de herkenbaarheid en maakt dat gebruik, inrichting en onderhoud van de openbare ruimte goed aansluit bij het karakter van de natuurlijke, sociale en culturele omgeving. Plangebied Bavel heeft een groen karakter door de ruim opgezette openbare ruimte met veel straatbomen en voortuinen. De belangrijkste openbare ruimten zijn de historische linten en met hun historische karakter en de Groene Long. Het plangebied ligt in de kern van Bavel in het winkel- en voorzieningengebied. Het winkel- en voorzieningengebied rondom de kerk is de centrale ontmoetingsplek voor het dorp. De openbare ruimte binnen het plangebied bestaat uit een parkeerterrein aan de achterzijde van de bebouwing. Langs de Kloosterstraat en met name de Pastoor Doensstraat is sprake van een begeleidende boomstructuur. 2.3.3 Bebouwingsstructuur Bebouwingslinten en kleine gehuchten zijn karakteristiek voor de ontstaansgeschiedenis van het dorp Bavel. In de bebouwde kom gaat het om wegen als de Kerkstraat, de Brigidastraat en de Kloosterstraat, alsmede bebouwingsconcentraties bij de kerk en het Kerkeind. Deze karakteristieken zijn nog herkenbaar in de kom, ondanks de sterke verstedelijking na 1960. Het behoud van deze karakteristieke elementen is van belang voor de identiteit van het dorp. De centrumfunctie van het dorp is geconcentreerd rondom het Jack van Gilsplein, welke grenst aan onderhavig plangebied. Plangebied De bebouwing rondom het plangebied wordt gekarakteriseerd door gestapelde bouw in drie lagen aan beide kanten van de Pastoor Doensstraat. Op de begane grond van deze gestapelde bouw zijn commerciële ruimten gevestigd en op de verdiepingen zijn appartementen. De gestapelde bouw bestaat uit drie lagen met een kap. De appartementen hebben aan de straatzijde een balkon. De bebouwing aan de Kloosterstraat bestaat uit vrijstaande, twee-onder-één kapwoningen en aaneengesloten woningen. Behalve de woonfunctie komt hier op een aantal plaatsen ook detailhandel voor zoals de bakkerij schuin tegenover het plangebied. De panden langs de Kloosterstraat hebben veelal een eenvoudige architectuur, passend bij de karakteristiek van het historische lint. De woningen hebben een hoogte van één tot twee bouwlagen. Aan de Kloosterhof, een zijstraat van de Kloosterstraat, is recent nieuwbouw gerealiseerd. Deze nieuwbouw bestaat uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen. Deze woningen bestaan uit twee lagen met een hoge kap en sluiten aan bij de bebouwing van het historische lint. 2.3.4 Verkeer In het gemeentelijk Verkeersplan (Verkeersplan Breda, gemeente Breda, 2003) is voor het wegennet van Breda, en dus ook voor Bavel, de volgende functionele indeling gehanteerd: Stroomwegen (rijks- en provinciale wegen); Stadsontsluitingswegen Wijk- en dorpsontsluitingswegen; Erftoegangswegen (30km/u-gebieden, verblijfsgebied). Het plangebied ligt aan de Kloosterstraat en Pastoor Doensstraat. Deze straten zijn beide aangeduid als erftoegangswegen. Op de erftoegangswegen gaat het er om de woningen, voorzieningen en bedrijven te ontsluiten voor alle verkeerssoorten. Een goed verblijfsklimaat heeft de hoogste prioriteit. De wegen maken onderdeel uit van 30 km/ u-zones. De inrichting van deze wegen gaat uit van gelijkwaardigheid voor alle verkeerssoorten (voorrang van rechts). In de 30 km/u-gebieden kunnen hoofdfietsroutes en busroutes voorkomen. De inrichting van deze straten kan daardoor afwijken. Voor de wegen in Bavel geldt een maximale snelheid van 30 km/ uur. 2.4 Functionele structuur Het plangebied ligt in het centrum van de kern Bavel aan de Pastoor Doensstraat en de Kloosterstraat. Het plangebied ligt in het winkelconcentratiegebied van Bavel. In de omgeving is een divers aanbod van centrumvoorzieningen. Het winkelaanbod bestaat onder andere uit een opticien, kapsalon, huishoudwinkel, kadowinkel, tijdschriftenwinkel, modezaak, bakkerij, reiswinkel, groenten- en fruitspeciaalzaak, garagebedrijf en een supermarkt (Albert Hein). Ook zijn er een aantal horecagelegenheden zoals een pizzeria en lunchroom. Tot slot is er sprake van een aantal maatschappelijke- en zorgvoorzieningen zoals de bibliotheek en een apotheek. Het plangebied herbergt op dit moment een opticien, parkeervoorzieningen, een voormalig tankstation en een aantal woningen. Het voormalige tankstation ligt op de hoek van het plangebied. De woningen zijn (half)vrijstaande woningen met smalle langgerekte achterpercelen. De foto’s op de volgende pagina geven een impressie van het plangebied en de omgeving. Plangebied en omgeving. Bron: Kolpa Architecten, Centrumontwikkeling Bavel, 19 januari 2012. Het plangebied ligt aan de Pastoor Doensstraat en de Kloosterstraat. Beide straten hebben een centrum- en woonfunctie. Het zijn belangrijke ontsluitingsstraten voor de bereikbaarheid van het centrumgebied. De Pastoor Doensstraat heeft tevens een parkeerfunctie voor het winkelend publiek; aan twee zijden van deze straat zijn langsparkeervakken. HOOFDSTUK 3 Beleid 3.1 Inleiding De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. 3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig gebleken omdat de verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit gedateerd zijn door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De visie is vernieuwend in de zin dat ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden worden. De structuurvisie vervangt daarvoor de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De Structuurvisie Nationaal Waterplan blijft in zijn huidige vorm als uitwerking van de SVIR bestaan. In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn). De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelstellingen en 13 nationale belangen zijn: 1. Concurrerend = Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economisch structuur van Nederland. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: Nationaal belang 1: een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; Nationaal belang 2: Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; Nationaal belang 3: Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; Nationaal belang 4: Efficiënt gebruik van de ondergrond; 2. Bereikbaar = Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: Nationaal belang 5: Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; Nationaal belang 6: Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarweg; Nationaal belang 7: Het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; 3. Leefbaar & veilig = Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn: Nationaal belang 8: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; Nationaal belang 9: Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling; Nationaal belang 10: Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; Nationaal belang 11: Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; Nationaal belang 12: Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; De rijksverantwoordelijkheid voor het systeem van goede ruimtelijke ordening is zonder hoofddoelstelling, als afzonderlijk belang opgenomen: Nationaal belang 13: Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid. Bovendien worden nieuwe activiteiten altijd zoveel mogelijk geconcentreerd in het bestaand bebouwd gebied, aansluitend op bestaand bebouwd gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. Conclusie In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn nationale belangen opgenomen die zorgen voor een gegarandeerde basiskwaliteit voor alle bewoners van Nederland. Onderhavig plan is niet in strijd met de nationale belangen. In de Structuurvisie wordt zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Bij toekomstige ontwikkelingen heeft inbreiding en herstructurering de voorkeur boven uitbreiding. Nieuwe ontwikkelingen vinden eerst plaats in het bestaande stedelijk gebied of binnen bestaande bebouwing. Wanneer nieuwbouw noodzakelijk is dan zijn een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid van de ontwikkeling van belang. Onderhavig plan sluit hierop aan. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Voor deze onderwerpen voorziet het besluit ook niet in de (definitieve) begrenzing. Ten aanzien van deze begrenzing is bepaald dat de provincies die grenzen (nader) bepalen. Een deel van het Barro is gebaseerd op eerdere pkb’s en beleidsnota’s die in de SVIR zijn herbevestigd. Deze onderdelen zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Het betreft de volgende onderdelen: project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament; grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; defensie, en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op 28 augustus 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor de andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen: rijksvaarwegen; hoofdwegen en hoofdspoorwegen; elektriciteitsvoorziening; buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; ecologische hoofdstructuur; primaire waterkeringen buiten het kustfundament, en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). De regels betreffende de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde kunnen pas in werking treden, zodra de hiervoor bedoelde Spoedwet Wro in werking treedt (afhankelijk van de parlementaire behandeling). In het Barro is ook het nationaal belang, Ladder voor duurzame verstedelijking, opgenomen. Conform artikel 3.1.6 Bro is het verplicht om bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling de regionale afstemming te beargumenteren. Ook een lokale behoefte aan een stedelijke ontwikkeling kan door de regio onderdeel worden gemaakt van de regionale behoefte. Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Plangebied In het Barro zijn verschillende regels opgenomen voor de bescherming van de nationale belangen. Voor het plangebied geldt dat in het Barro regels zijn opgenomen inzake de uitoefening van defensietaken. Het plangebied ligt namelijk binnen het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein Gilze-Rijen. Een obstakelbeheergebied bij een (militair) luchtvaartterrein kenmerkt zich door – gezien vanuit het vliegveld – een aantal vlakken waarvan de hoogte oploopt met het toenemen van de afstand tot het luchtvaartterrein. In het gebied gelden beperkingen ten aanzien van de hoogte van objecten. Het obstakelbeheergebied is een samenstelling van de funnel en het 'Inner Horizontal and Conical Surface', die beide zijn gekoppeld aan de ligging van de start- en landingsbaan(banen) ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen, alsmede vlakken die verband houden met het goed functioneren van het Instrument Landing Systeem en eventueel andere aanwezige navigatiemiddelen (op de bijbehorende kaarten, zie ook de navolgende figuur, zijn ter indicatie van het obstakelbeheergebied alleen de contouren van de buitenste beperkingen opgenomen). Concreet betekent dit dat binnen het obstakelbeheergebied een hoogte voor objecten van maximaal 110 tot 135 meter mag gelden. Echter, de maximale toegestane bouwhoogte voor bouwwerken bedraagt volgens onderhavig bestemmingsplan 16 meter. Conclusie De maximale toegestane hoogte in het plangebied is beduidend lager dan toegestaan is in het kader van het obstakelbeheergebied. Het bestemmingsplan is dus niet in strijd met het nationale belang 'uitoefening van defensietaken'. Verder worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Figuur: uitsnede militair luchtvaartterrein - vliegbasis Gilze-Rijen met globale aanduiding plangebied (rode stip) Bron: Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, bijlage 3.6 3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening vraagt van overheden om in een Structuurvisie hun belangen helder te definiëren en aan te geven hoe zij deze willen realiseren. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De Structuurvisie beschrijft een aantal trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen. Deze trends en ontwikkelingen zijn: ruimtelijke kwaliteit staat onder druk; veranderend klimaat; achteruitgang biodiversiteit; veranderend landelijk gebied; toenemende behoefte aan duurzame energie; toenemende concurrentie tussen economische regio’s; afnemende bevolkingsgroei; toename mobiliteit. Daarnaast beschrijft de Structuurvisie de onderscheidende kwaliteiten van Noord-Brabant. Dit zijn; de natuurlijke basis; de belangrijkste trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen; het ontginningslandschap; het moderne landschap. Op basis van de hierboven genoemde trends en kernkwaliteiten geeft de Structuurvisie ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van Noord-Brabant. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. De vier structuren zijn: de groenblauwe structuur; het landelijk gebied; de stedelijke structuur; de infrastructuur. Het plangebied ligt in de Stedelijke structuur, in het Stedelijk concentratiegebied (zie navolgende figuur). In de Stedelijke structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. concentratie van verstedelijking; 2. zorgvuldig ruimtegebruik; 3. meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; 4. betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; 5. versterking van de economische kennisclusters. Figuur: uitsnede Structuurvisie ruimtelijke ordening met globale aanduiding plangebied (zwarte stippellijn). De provincie vindt het belangrijk dat er in Noord-Brabant een verschil blijft bestaan tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijke gebied. Om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Bij de opgave voor wonen en werken wordt het accent sterker verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructurering en het beheer van het bestaand stedelijk gebied. Binnen het stedelijk gebied is functiemenging, inbreiding, herstructurering en transformatie belangrijk. Binnen het stedelijk gebied dienen deze kansen goed te worden benut, zodat er minder ruimte nodig is voor stedelijke uitbreidingen. Rond de steden is de schaal van de verstedelijkingsopgave van een andere orde, dan in de gebieden aan de randen van Brabant. Door de verstedelijking te concentreren zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te houden en verder te ontwikkelen. Dat gebeurt rond goed ontsloten gebieden, zoals in dynamische stadscentra en op knooppunten van infrastructuur. Onderhavig plangebied ligt binnen het stedelijk concentratiegebied het ‘kralensnoer’ van steden en kernen afgewisseld door groene geledingszones op de overgang van zand- naar kleigebied van Bergen op Zoom, via Roosendaal, Etten-Leur, Breda, Oosterhout, Waalwijk, ’s-Hertogenbosch tot Oss. Behalve dit stedelijk concentratiegebied zijn er in Noord-Brabant nog de twee stedelijke agglomeraties Tilburg en Eindhoven-Helmond en het stedelijk concentratiegebied Uden-Veghel. Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale overleggen (RRO’s). Zorgvuldig ruimtegebruik en toepassing van de SER-ladder zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken. Wat betreft de functies wonen is het volgende opgenomen in de Verordening ruimte: Het stedelijk concentratiegebied vangt per saldo het migratieoverschot van de hele provincie op. Regionale afstemming vindt plaats in de regionale agenda’s voor wonen. Voor wat betreft de voorzieningen is in de Structuurvisie opgenomen dat de provincie streeft naar een robuuste, dat wil zeggen economische levensvatbare, voorzieningenstructuur. Vanwege de verwachte gering groei van de bevolking is er een beperkte ruimte voor de uitbreiding van detailhandelsvoorzieningen. Daarom is het belangrijk zorgvuldig om te gaan met de bestaande winkelcentra. Dit is een primaire verantwoordelijkheid van de gemeenten. Ontwikkelingen van bovenregionale voorzieningen zijn alleen mogelijk in of nabij de hoogstedelijke zones en na afstemming in regionaal ruimtelijk overleg en BrabantStad. Dit geldt niet voor dit soort voorzieningen met een extensief ruimtegebruik. Deze zijn mogelijk op goed ontsloten plekken in de zoekruimte voor verstedelijking. Ontwikkelingen van voorzieningen met een bovenlokaal verzorgingsgebied zijn mogelijk na afstemming in het regionaal ruimtelijk overleg. Bezoekersintensieve bovenlokale voorzieningen zijn bovendien alleen mogelijk in de hoogstedelijke zones of bij de stedelijke knooppunten. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van (zorg)appartementen en commerciële ruimten voor de lokale behoefte in het bestaand bebouwd gebied. Hierbij is sprake van herontwikkeling van het bestaand stedelijk gebied. Daarmee voldoet dit plan aan het uitgangspunt van het provinciale beleid om zoveel mogelijk te herstructureren, inbreiden en intensiveren in het bestaand bebouwd gebied. 3.3.2 Verordening ruimte De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke belangen en doelen zoals die benoemd zijn in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en bevat hiertoe instructieregels die van belang zijn voor gemeenten bij het opstellen van hun bestemmingsplannen. Het ontwikkelen van de Verordening ruimte is in twee fasen gebeurd. Fase 1 betreft de onderwerpen waarvoor het Rijk uitwerking van de provincie vraagt (onder andere de ecologische hoofdstructuur) of waarvan duidelijk is dat ze inhoudelijk niet ter discussie staan in de nieuwe Structuurvisie (onder andere de integrale zonering intensieve veehouderij). Daarna zijn de overige in de Verordening te regelen onderwerpen bepaald en uitgewerkt in fase 2. De onderwerpen die zijn uitgewerkt in fase 1 en fase 2 zijn samengevoegd in de Verordening ruimte. Op 1 juni 2012 is de 1e herziening van de Verordening ruimte in werking getreden. Provinciale Staten hebben op 11 mei 2012 de Verordening ruimte 2012 vastgesteld en op 1 juni is de Verordening ruimte 2012 in werking getreden. De Verordening ruimte 2012 betreft een actualisering van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011. De actualisering bevat in grote lijnen de volgende onderwerpen: aanpassingen op grond van een opdracht van de Staten (wijziging van de begrenzing van de groenblauwe mantel, regeling voor Treeport Zundert en diverse kaartaanpassingen); aanpassingen in verband met rijksregelgeving (het omzetten van ontheffingsmogelijkheden naar algemene regels en diverse aanpassingen aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening); aanpassingen in verband met onvolkomenheden en onduidelijkheden; aanpassingen vanwege ervaringen uit de praktijk. Het gaat hier om enkele aanpassingen welke gewenst zijn vanwege praktische ervaringen of gebleken dringende behoefte, te weten aanpassingen van de kaart op verzoek van gemeenten en de mogelijkheid om beter in te spelen op unieke (gebieds)ontwikkelingen door de proactieve aanwijzing in te zetten; voorlopige beperking van de ontwikkelingsmogelijkheid van intensieve veehouderijen tot 1,5 hectare in landbouwontwikkelingsgebieden vanwege de besluitvorming rondom het advies van de commissie Van Doorn; invoeren van een algemene ontheffingsmogelijkheid. Deze aanpassingen zijn niet van invloed op onderhavig plangebied. Met onderhavige ontwikkeling worden op een herontwikkelingslocatie in het centrum van Bavel nieuwe appartementen en commerciële ruimten gebouwd. Aangaande nieuwbouw van woningen verwacht de provincie van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van ruimtelijke plannen rekening houden met de afspraken, zoals die zijn gemaakt in het regionale planningsoverleg. In artikel 2.1.6 van de Verordening ruimte is deze ambitie geconcretiseerd in regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Het vereiste van regionale afstemming is gebaseerd op de constatering dat wezenlijke processen met betrekking tot het wonen zich meer en meer afspelen op het regionale schaalniveau. Het wonen moet dan ook steeds meer als een regionale opgave worden gezien en de noodzaak om met betrekking tot de woningbouw tot (meer en betere) regionale afstemming te komen en ook regionale afspraken te maken, wordt alleen maar groter. In lijn hiermee voorziet de Verordening ruimte erin dat, op basis van de door de provincie opgestelde bevolkings- en woningbehoefteprognose, in regionaal verband bestuurlijke afspraken worden gemaakt over de gemeentelijke woningbouwprogramma’s, in samenhang met de gemeentelijke plancapaciteit voor woningbouw. Figuur: uitsnede kaart Verordening ruimte met globale aanduiding plangebied (zwarte stippellijn) Zoals weergegeven op de kaart Verordening ruimte ligt het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied in het ‘stedelijk concentratiegebied’. In het Stedelijk concentratiegebied zijn de mogelijkheden om het bestaand stedelijk gebied beter te benutten door inbreiding en herstructurering en intensief en meervoudig ruimtegebruik van belang. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden die compacte bouwwijzen - zoals het bouwen in de hoogte en steeds vaker ook in de diepte (de ondergrondse ruimte) - bieden om het ruimtegebruik te intensiveren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. In de stedelijke gebieden kan men denken aan het combineren van functies als wonen, werk en zorg. Conclusie In onderhavig plangebied is sprake van herontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied. Bestaande bebouwing wordt geamoveerd. Deze vrijkomende ruimte zal worden benut voor het inpassen van commerciële functies met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeren en appartementen. Deze herstructurering van het bestaand stedelijk gebied past binnen de uitgangspunten van de Verordening ruimte. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Breda 2020 De gemeenteraad heeft in december 2007 de Structuurvisie Breda 2020, Stad in Evenwicht, vastgesteld. Deze beleidsnota bevat een ruimtelijke visie voor de gehele stad en vormt het algemene beleids- en toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen op de lange termijn (2020). In de structuurvisie is een integrale richting aan de verdere ontwikkeling van Breda gegeven. Met de vaststelling van Koers Gezet 2020 zijn de programmatische kaders van de structuurvisie bijgesteld. Een herziening van de Structuurvisie Breda (2030) is in voorbereiding. Onderhavig plangebied ligt in het centrum van Bavel. Bavel is in de structuurvisie aangeduid als een consolidatiegebied. In consolidatiegebieden (binnenstedelijke opgaven) wordt geen prioriteit gegeven aan grootschalige integrale ontwikkelingen en wordt terughoudend en kritisch gekeken met inachtneming van het bestaande ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke initiatieven krijgen prioriteit wanneer zij in wijkontwikkeling, transformatie en/of Geschikt Wonen voor Iedereen (GWI)-gebieden liggen en wanneer het gaat om grondgebonden inbreidingen, 30% bereikbaar en specifieke doelgroepen bedienen (ouderen/jongere starters/groepen). Op de navolgende figuur is een uitsnede van de structuurvisiekaart weergegeven. Figuur: uitsnede kaart Structuurvisie Breda 2020 met globale aanduiding plangebied (rode stippellijn). In consolidatiegebieden zijn ontwikkellocaties niet uitgesloten, maar worden zeer bewust gekozen, bijvoorbeeld intensivering van ruimtegebruik rond (winkel) voorzieningen en bij gewenste functieveranderingen. Inrichting en beheer van de openbare ruimte op intensiveringsplekken verdienen extra aandacht. Historische linten met ruimtelijke variatie en groene verbindingen (lanen, bosstroken, ecologische bermen en zones en dergelijke) worden gekoesterd. Verder wordt de ruimtelijke kwaliteit van veel consolidatiegebieden bepaald door diverse onbebouwde (groene) ruimtes, zowel openbaar als privaat. Ook deze kwaliteit wordt gekoesterd en afgewogen bij voorstellen die tot ruimtelijke verdichting leiden. Kortom, een kleine of grotere ruimtelijke ontwikkeling moet altijd tot een functionele en/of ruimtelijke verbetering van een plek en haar omgeving leiden. Wat betreft wonen staat in consolidatiegebieden, zoals de kleine kernen, het behoud van de identiteit en kwaliteit centraal. Toevoeging en aanpassing van de woningvoorraad is gericht op het vergroten van kansen voor huishoudens met lage(re) inkomens, jonge huishoudens én het meer geschikt maken om ook op hoge leeftijd in het gebied te blijven wonen. In de Structuurvisie wordt ook het belang van een sterk voorzieningenniveau in buurten en wijken genoemd. Bewoners moeten in hun directe woonomgeving hun dagelijkse boodschappen kunnen (blijven) doen. Het uitgangspunt is dat deze voorzieningen zoveel mogelijk worden geconcentreerd in buurt- en wijkwinkelcentra. Conclusie Met onderhavige ontwikkeling is sprake van herontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied. Bestaande bebouwing wordt geamoveerd. Deze vrijkomende ruimte zal worden benut voor het inpassen van commerciële functies met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeren en appartementen. De herstructurering draagt bij aan een versterking van het dorpshart van Bavel. De te realiseren woningen zijn door hun centrale ligging en goede voorzieningen, zoals een lift uitermate geschikt voor ouderen. Deze herstructurering in de kern van Bavel past binnen de Structuurvisie Breda 2020. 3.4.2 Integraal Dorps Ontwikkelingsplan Bavel In 2011 en 2012 is het Integraal Dorps Ontwikkelingsplan (IDOP) opgesteld voor Bavel. Bij het opstellen van dit IDOP zijn vertegenwoordigers uit diverse geledingen van het dorp, maatschappelijke organisaties en de gemeente betrokken. Het IDOP bevat de visie van de inwoners op het dorp Bavel. Bavel is een bijzonder dorp dat onder de rook van Breda ligt en dat de afgelopen jaren hard is gegroeid. Toch is het nog steeds een dorp met een echt dorpshart en een betrokken gemeenschap. Ruim 50 verenigingen, organisaties van bewoners, ondernemers en sociale professionals doen hun best om het dorp leefbaar en levendig te houden. Door de bezuinigingen, de economische crisis en de stagnatie van de woningmarkt moeten er in Bavel keuzes gemaakt worden bij het in stand houden of vernieuwen van maatschappelijk vastgoed (scholen, buurthuizen, zorginstellingen), collectieve voorzieningen en voor professionele inzet in het sociale domein. In de verdeling van de schaarse middelen ervaart Bavel op dit moment onvoldoende prioriteit. Om de negatieve gevolgen te ondervangen vraagt Bavel aan de gemeente, de onderwijsinstellingen, de woningcorporaties en zorginstellingen een gezamenlijke inspanning voor het behoud van het goede sociale klimaat in dit deel van de stad Breda. Bij het opstellen van het IDOP is aandacht geschonken aan een breed scala van thema’s, waaronder: De integratie tussen de bewoners van oud en nieuw Bavel (Nieuw Wolfslaar), het behoud van het sterke en gevarieerde verenigingsleven, passende maatschappelijke voorzieningen (inclusief basisscholen) om de leefbaarheid van het dorp te behouden, het zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen van senioren en mensen met functiebeperkingen, toekomstige woningbouw en groeimogelijkheden van Bavel en een (verkeers-) veilige leefomgeving. Een drietal aandachtspunten wordt hieronder benoemd. Er is de uitdrukkelijke wens van de schoolleiders in het basisonderwijs en vertegenwoordigers van de ouders om fors te investeren in de huisvesting van de basisscholen, gericht op het verbeteren van het binnenklimaat en de acute ruimteproblemen. Ook vraagt het aflopen van de vergunning voor de huidige tijdelijke huisvesting om een oplossing. De scholen (en vermoedelijk ook de ouders) hechten er sterk aan dat ruimte wordt gevonden voor een leerlingentoename in de komende jaren (korte termijn), zodat geen kinderen hoeven te worden geweigerd. Daarnaast is er bij de scholen de kwalitatieve ambitie om huisvesting te ontwikkelen waardoor de scholen samen met buitenschoolse aanbieders een talentencentrum vormen, waarbij ook passend onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften mogelijk is. Ook zal er aandacht moeten zijn voor kwaliteit van de onderwijshuisvesting op de langere termijn (vanaf 2020). Alle betrokkenen in het dorp zouden graag een impuls geven aan de kwaliteit en toegankelijkheid van het totale aanbod aan sociaal-culturele en educatieve accommodaties; met voldoende betaalbare zaalruimte voor activiteiten en voldoende budget om te kunnen zorgen voor een goede programmering. Daarbij willen de vrijwilligersorganisaties en hun leden een grote inspanning leveren, waarbij de beschikbaarheid van professionals in verhouding blijft. Tenslotte is er in het dorp grote bezorgdheid over het voorziene tekort aan woningen voor ouderen die niet meer zelfstandig in een eengezinswoning kunnen blijven wonen, en waarvoor woningaanpassing en zorg aan huis onvoldoende soelaas biedt. Vanuit het dorp wordt gevraagd om een nader onderzoek naar mogelijkheden om voldoende nieuw aanbod van beschermd en verzorgd wonen binnen de kom te realiseren, met name voor bewoners die op de sociale huurvoorraad zijn aangewezen. Het initiatief aan de Kloosterstraat/ Pastoor Doensstraat met een aantal zorgwoningen levert hiervoor een belangrijke bijdrage. Conclusie Onderhavige ontwikkeling betreft de herontwikkeling aan de Kloosterstraat/ Pastoor Doensstraat, waarbij commerciële functies met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeren en appartementen worden gerealiseerd. Deze herstructurering in de kern van Bavel past binnen het Integraal Dorps Ontwikkelingsplan Bavel, omdat met deze ontwikkeling de leefbaarheid en de voorzieningen in het dorpshart worden versterkt. Bovendien worden er nieuwe zorgwoningen gerealiseerd, hiermee wordt gestimuleerd dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen in de kern van Bavel. 3.4.3 Nota van uitgangspunten Breda- Oost De Nota van uitgangspunten Breda-Oost van maart 2012, heeft betrekking op de toekomstige ontwikkelingen in Breda-Oost. De ruimtelijk relevante uitgangspunten uit de uitvoeringsagenda van het IDOP zijn ook opgenomen in deze nota van uitgangspunten. Eén van de uitgangspunten is dat er ruimte bieden voor starters, senioren en collectief particulier opdrachtgeverschap. Uit het IDOP is gebleken dat er vanuit het dorp Bavel met name behoefte is aan woningen voor starters en senioren. Hierbij wordt gedacht aan levensloop geschikte woningen voor ouderen in het algemeen en aan woonvormen voor kwetsbare ouderen, die zorg nodig hebben, in het bijzonder. De vraag naar beschermd wonen voor ouderen zal normaliter in het centrum van Bavel worden opgelost. Levensloopgeschikte woningen of woonvormen voor vitale senioren kunnen ook verder uit het centrum, in het toekomstige woongebied Eikberg, gerealiseerd worden. Een tweede uitgangspunt is het faciliteren van beschermd en verzorgd wonen in de kom Bavel. Als gevolg van de vergrijzing neemt het tekort aan woonvormen voor beschermd en verzorgd wonen toe. Beschermd en verzorgd wonen voor ouderen dient zoveel mogelijk binnen de GWI-cirkel, in het centrum van Bavel, gerealiseerd te worden. Naast het beschermd wonen wordt vooralsnog uitgegaan van een behoefte aan circa 10 zorgwoningen voor ouderen in het centrum van Bavel. Initiatieven van marktpartijen voor deze voorzieningen zullen worden beoordeeld op haalbaarheid en inpasbaarheid. Passende initiatieven zullen worden gefaciliteerd binnen de wettelijke en beleidskaders. Een derde uitgangspunt is de uitbreiding van de winkelvoorzieningen centrum Bavel. De huidige winkelvoorzieningen in het centrum van het dorp zijn beperkt van omvang. Een beperkte uitbreiding van de winkelvoorzieningen kan bijdragen aan de versterking van de centrumfunctie van het dorp. Een voorgestelde uitbreiding aan het Jack van Gilsplein is afweegbaar, mits de plannen daarvoor een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit en vergezeld gaan van een passende oplossing voor het parkeren en de ontsluiting. Conclusie De ontwikkeling van de zorgwoningen en de supermarkt in het centrum van Bavel passen binnen de Nota van uitgangspunten Breda- Oost. 3.4.4 Verzilvering@Breda/ Geschikt Wonen voor Iedereen Met de nota Verzilvering@Breda geeft de gemeente een vervolg aan het GWI-beleid (Geschikt Wonen voor Iedereen). Uitgangspunt voor de GWIaanpak is dat de burger zo lang mogelijk zelfredzaam is en economisch en maatschappelijk mee blijft doen. De uitvoering van GWI is een integrale aanpak van wonen, woonomgeving, welzijn en zorg. De kern is dat woonvoorzieningen voor ouderen en mensen met beperkingen zoveel mogelijk gesitueerd worden in de nabijheid van zorg-, welzijns- en winkelvoorzieningen en vice versa. Verzilvering@Breda is het actieplan voor de periode 2011-2015. De centrale doelstelling is: “mensen, met name ouderen en mensen met beperkingen, in staat stellen zo lang mogelijk zelfstandig te wonen, te leven en mee te doen door verbetering van objectieve en subjectieve kwaliteiten van wonen, woonomgeving, welzijn en zorg”. Het geeft het kader om de komende jaren toegankelijke en kwalitatief goede woon- en zorgvoorzieningen te realiseren voor ouderen en mensen met een beperking. Verzilvering@Breda scherpt het GWI-beleid aan door het geplande nieuwbouwprogramma om te buigen naar levensloopgeschikt en verzorgd wonen. Er wordt stedelijk een grote opgaaf geconstateerd als het gaat om deze woonvormen. In onderstaande tabel is de stedelijk opgave voor Breda weergegeven. Stedelijke opgave woonvormen Breda Met Verzilvering@Breda wordt een belangrijke stap gezet om binnen de kaders van de stedelijke programmering ‘Koers gezet’ deze tekorten fasegewijs in te lopen. Daarnaast worden eigenaarbewoners gestimuleerd om hun eigen woning tijdig aan te passen zodat deze levensloopgeschikt wordt. In Verzilvering@Breda wordt de ‘stenen kant’ verbonden met de ‘zachte factoren’. Nieuwbouw, renovatie en herinrichting gaan gelijk op met veilige loop- en fietsroutes, nabijheid van diensten, goed openbaar vervoer en uitnodigende en uitdagende activiteiten voor ouderen en mensen met een beperking. Daarmee wordt voorkomen dat mensen vereenzamen en krijgen kwetsbare burgers de kans om deel te nemen en te blijven nemen aan de samenleving. In Verzilvering@Breda is opgenomen dat er in Bavel een tekort bestaat aan geschikte woningen voor senioren en starters. Van de bevolking in Bavel is er in totaal 30% ouder dan 55 jaar en 15% is ouder dan 65 jaar. De vergrijzing neemt tot 2025 sterk toe. Voor de kern Bavel is er tot 2015 behoefte een aan 32 plaatsen beschermd wonen, 65 plaatsen verzorgd wonen, 325 levensloopgeschikte woningen en 321 nultreden woningen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de ontwikkeling van zorgwoningen (beschermd wonen) en past daarmee binnen het beleid van Verzilvering@Breda. 3.4.5 Detailhandelsnota In juni 2010 is de detailhandelsnota 2010- 2020 vastgesteld. Bavel heeft slechts één supermarkt en heeft daarmee relatief weinig dagelijks artikelenaanbod. Het aanbod is hiermee beperkt en met name gericht op de verzorging van de eigen inwoners. Van oudsher hebben dorpen vaak een eigen karakter, ook wat betreft de winkelstructuur. Zo is het aanbod vaak meer verspreid aanwezig. Daar waar mogelijk wordt de beleidslijn van het streven naar clustering ook toegepast op de dorpen. Het inwoneraantal van Bavel zal zich stabiliseren op ca. 7.400 inwoners. Deze omvang is voldoende om ook op termijn een redelijk pakket aan dorpsverzorgende winkelvoorzieningen te behouden. Voor Bavel wordt ingezet op modernisering / schaalvergroting van het bestaande aanbod. Dit onder andere door: Positieve houding om bestaande ondernemers te behouden en waar mogelijk te faciliteren; Ruimte te bieden aan initiatieven gericht op versterking van de leefbaarheid; In samenspraak met ondernemers, eigenaren, ontwikkelaar en de woningbouwcorporatie het aanbod te moderniseren. Voor Bavel is een uitbreiding van het detailhandelsaanbod positief, omdat het de verzorgingsstructuur voor de eigen inwoners versterkt en omdat het bijdraagt aan de modernisering van het aanbod. Er is, gezien de inwonersaantallen en de aantrekkingskracht van het hart van Bavel, ruimte om extra winkeloppervlak toe te voegen. Conclusie Met onderhavige ontwikkeling wordt het verzorgingsniveau in het dorp versterkt en gemoderniseerd. Deze ontwikkeling vloeit om die reden rechtstreeks voort uit het detailhandelsbeleid. HOOFDSTUK 4 Planbeschrijving 4.1 Nieuwbouw Een functionele versterking van het dorpshart door een uitbreiding van detailhandel is gewenst. Het nieuwbouwplan voor de hoek van de Pastoor Doensstraat en de Kloosterstraat in Bavel bestaat uit een complex met detailhandel op de begane grond en (zorg)woningen op de twee daar boven gelegen verdiepingen. Op de begane grond is ruimte voor detailhandel:1.902 m2 verdeeld over meerdere units. Hiervan zal maximaal 1.642 m2 in gebruik worden genomen door een supermarkt. Daarnaast is er ruimte voor 128 m2 laad- en losruimte voor de nieuwe supermarkt. Op de eerste verdieping is ruimte voor óf maximaal 33 zorgappartementen óf maximaal 22 zorgappartementen en 8 appartementen. De entrees van de detailhandelsvestigingen zijn gelegen aan de Pastoor Doensstraat. Het magazijn en de laad- en losruimte van de supermarkt is aan de oostkant van het plangebied gevestigd. Tussen de oud- en nieuwbouw aan de Pastoor Doensstraat wordt een voetgangersdoorgang gerealiseerd het nieuwe parkeerterrein op het achterterrein. De zorgwoningen en/of (senioren)huurappartementen komen tegemoet aan de woonbehoefte van een groeiende groep ouderen in Bavel. Een zorgorganisatie gaat de seniorenappartementen en zorgwoningen exploiteren. Bewoners van de seniorenappartementen kunnen aanvullende zorg betrekken van deze zorgorganisatie. De entree van de zorgwoningen en seniorenappartementen is aan de Kloosterstraat gesitueerd. Figuur: impressie aanzicht nieuwbouw vanuit Kloosterstraat en Pastoor Doensstraat. Bron: Kolpa Architecten, 29 oktober 2012. Figuur: impressie overzicht nieuwbouw plangebied. Bron: Kolpa Architecten, 29 oktober 2012. Bij de uitwerking van het ontwerp wordt rekening gehouden met de karakteristieken en stedenbouwkundige structuur van de omgeving, maar wordt tegelijkertijd benadrukt dat de locatie deel uitmaakt van het dorpshart van Bavel. Zo krijgt het gebouw een gevarieerde gevel met verschillende dakrichtingen, passend bij de dorpse uitstraling van het centrum. Richting de naastgelegen percelen aan de Kloosterstraat wordt de bebouwing trapsgewijs verlaagd en voorzien van een kap, aansluitend aan de omgeving. De hoek Pastoor Doensstraat/ Kloosterstraat is een centrale, herkenbare locatie in Bavel. Dit aspect wordt benadrukt door op de hoek een accent aan te brengen door bebouwing in drie lagen met een kap. De maximale bouwhoogte bedraagt hier 14 meter. 4.2 Parkeren/ Openbare ruimte Voor de ontwikkeling is een parkeerbalans opgesteld (zie bijlage 1a). In de huidige situatie zijn er, op basis van de functies en de parkeerbezetting en rekening houdend met de aanwezigheidspercentages, circa 9 parkeerplaatsen nodig. In de nieuwe situatie is er een parkeervraag van 90 parkeerplaatsen, rekening houdend met dubbelgebruik. Bij de nieuwbouw kunnen maximaal 78 plaatsen aangelegd worden: 60 parkeerplaatsen op het eigen achterterrein en 18 parkeerplekken in de openbare ruimte van de Pastoor Doensstraat (langsparkeren) en de Kloosterstraat (zowel langsparkeren als gestoken parkeren). Het (geringe) tekort aan parkeerplaatsen volgens de huidige gemeentelijke normen wordt acceptabel geacht, gezien het feit dat bezoekers straks diverse functies tegelijkertijd bezoeken en dus geen extra druk op het gebied leggen. Het parkeerterrein krijgt twee ontsluitingen, een inrit aan de Kloosterstraat en een uitrit aan de Lange Vore. Het magazijn van de supermarkt is aan de oostkant van het plangebied gevestigd en is voor het laad- en losverkeer van uitsluitend de supermarkt bereikbaar via de ontsluiting aan de Kloosterstraat. Het overige laden en lossen vindt plaats aan de Pastoor Doensstraat. Op basis van de totale hoeveelheid motorvoertuigbewegingen per dag is onderscheid gemaakt in het aantal bewegingen per dag. Tussen 7 en 19 uur ligt dit op circa 115 per uur, tussen 19 en 23 uur op circa 38 per uur. Dat betekent dat het in de avonduren circa 3x zo rustig is qua motorvoertuigbewegingen, en derhalve ook op het gebied van de parkeerdruk. Er van uitgaande dat de 60 parkeerplaatsen op het achterterrein volledig bezet worden gedurende de dagperiode (7 tot 19 uur), mag verondersteld worden dat er gedurende de avonduren niet meer dan circa 20 parkeerplaatsen worden gebruikt. Ten behoeve van het beperken van het geluidsniveau in de avonduren is het nodig om 9 parkeerplaatsen die tegen de gevel van de supermarkt zijn gelegen (direct onder de appartementen) en 5 parkeerplaatsen aan de westzijde van het parkeerterrein tijdens de avonduren niet te gebruiken. Dit zal door middel van verkeersborden, welke aangeven dat tijdens bepaalde tijden deze plaatsen niet mogen worden gebruikt, aangegeven worden. Aangezien verwacht mag worden dat tijdens de avonduren nog circa 40 parkeerplaatsen onbenut zijn, levert dit geen probleem op voor de totale parkeerdruk in het gebied. Om de geluiduitstraling van het parkeerterrein voor (toekomstige) bewoners zoveel mogelijk te beperken en daarmee het woon- en leefklimaat op dit punt te optimaliseren zijn in het kader van het akoestisch onderzoek een aantal maatregelen voorgesteld voor het gebruik en de inrichting van het parkeerterrein. Het betreft de volgende maatregelen: De verharding van de buitenruimte, waaronder het parkeerterrein, wordt uitgevoerd door middel van asfalt of een andere verharding zonder voegen. In het akoestisch onderzoek wordt al gerekend met asfalt i.p.v. een open bestrating, het is als uitgangspunt genomen; Voor de 14 parkeerplaatsen aan de zuidzijde van het parkeerterrein geldt dat uitsluitend tussen 07.00 en 19.00 uur geparkeerd mag worden; Het parkeerterrein is tussen 23.00 en 07.00 uur uitsluitend toegankelijk door middel van een slagboom in combinatie met een toegangspas. Indicatie ontwerp Buitenruimte. Bron: Bosch Slabbers 26-10-2012. Voor een nadere omschrijving, locatie en juridisch-planologische verankering van deze en overige maatregelen wordt verwezen naar paragraaf 5.7.2. Binnen de openbare ruimte wordt ook aandacht besteed aan groen. Een mogelijk ontwerp voor de openbare ruimte binnen onderhavig plangebied is op bovenstaande figuur weergegeven. Voor een groenere uitstraling van de openbare ruimte zijn er diverse mogelijkheden voor beplantingen. Hierbij kan gedacht worden aan plantvakken op het parkeerterrein. en langs de Kloosterstraat en Pastoor van Doensstraat. Voor een meer groen straatbeeld kan er ook gedacht worden aan haagblokken met bijvoorbeeld een haagbeuk langs deze straten. De ruimtelijke kwaliteit van het parkeerterrein wordt bewerkstelligd door hoogwaardige materialen toe te passen (bestrating, beplanting, verlichting, boomroosters). Daar waar het parkeerterrein grenst aan de tuinen van omliggende woningen kunnen erfafscheidingen met planten worden gerealiseerd, zoals een Hedera hibernica tegen een gaashekwerk of een Beukenhaag. Deze Hedera hibernica tegen gaashekwerk kan mogelijk ook geplaatst worden als groene scheiding aan de kopse kant van een rij parkeervakken. In de Pastoor Doensstraat en de Kloosterstraat wordt de openbare ruimte ingericht in lijn met de kwaliteit van het dorpscentrum. De laanstructuren worden versterkt door de aanplant van nieuwe laanbomen en er zullen parkeervakken worden aangelegd in beide straten. Een en ander zal in het vervolgtraject nader worden uitgewerkt. HOOFDSTUK 5 Milieu 5.1 Inleiding Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbaar en duurzaam Breda, dient bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden te worden met de milieu hygiënische aspecten die door het plangebied en/of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu hygiënische aspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht. 5.2 Afweging noodzaak milieueffectrapportage Vanaf 1987 is het in Nederland wettelijk verplicht om voor bepaalde activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, de zogenoemde procedure voor de milieueffectrapportage, kortweg de m.e.r.- procedure, te doorlopen. In het Besluit m.e.r. bijlage C en D staat een opsomming van activiteiten die mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Indien de activiteit (kolom 1) de genoemde drempelwaarde (kolom 2) overschrijdt, geldt voor de in kolom 3 en/of 4 genoemde plannen en/of besluiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht. Op basis van de genoemde C- en D-lijst zijn de maatregelen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet m.e.r-plichtig. Ten aanzien van de m.e.r.-beoordelingsplicht ligt deze afweging als gevolg van een uitspraak van het Europees Hof van Justitie gecompliceerder. Om risico's ten aanzien van de voortgang van het project te voorkomen is uitgebreider gekeken of m.e.r.-plicht voor dit project aan de orde is. Daarbij is, mede gezien de uitspraak van het Europees Hof, een aanpak gekozen zoals die wordt toegepast indien wel sprake is van m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze aanpak houdt in dat de mogelijke effecten van ontwikkeling (parkeerplaatsen, verkeersstromen en milieuzonering) op het milieu zijn afgewogen. Uit de afweging blijkt dat de effecten van de maatregelen voor de geluidsbelasting, milieuzonering en de natuur niet of minimaal aanwezig zijn. Voor de normen voor luchtkwaliteit, geldt dat deze als gevolg van de maatregelen niet overschreden worden. Verder zijn er geen andere milieuaspecten waarop eventuele nadelige effecten verwacht kunnen worden. In de navolgende paragrafen wordt nader ingegaan op de toetsing van het plan aan de milieuaspecten. Kijkend naar de C- en D-lijst en naar de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten die bij de oplossingsrichtingen worden verwacht, wordt gesteld dat het doorlopen van de m.e.r.-procedure en het opstellen van een MER voor de besluitvorming niet nodig is. Ook een eventuele plan-m.e.r.-plicht vanwege de ligging van Natura2000 gebieden is vanwege de maatregelen, bestaande uit een kleinschalige ontwikkeling in het centrum, ver (1600 meter) buiten het Natura2000 gebied en de gewogen effecten, niet aan de orde (zie paragraaf 5.5). Om die reden is voor dit project geen m.e.r.-procedure doorlopen. 5.3 Bodem Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater ter plaatse geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Voor onderhavig plangebied zijn in 2006 diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De geldigheid van deze onderzoeken is verlopen. AT MilieuAdvies heeft daarom een nieuw actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd voor deze planlocatie. In bijlage 1b van deze toelichting is dit onderzoek opgenomen. In navolgende paragraaf worden de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek weergegeven. Het doel van het bodemonderzoek is het actualiseren / vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De multifunctionaliteit van de bodem kan bij overschrijding van normen van verontreinigde stoffen worden aangetast. Slootdempingen In de zandige bovengrond (0,0-0,5 m –mv), ter plaatse van de slootdempingen, is een licht verhoogde concentratie voor lood aangetoond. Ondergrondse brandstoftanks In de zandige ondergrond (2,5-3,0 m –mv), ter hoogte van de grondwaterstand, ter plaatse van de ondergrondse brandstoftanks, is geen verhoogde concentratie voor minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties voor minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. Pompeiland In de zandige bovengrond (0,1-0,4 m –mv), ter plaatse van het pompeiland, zijn geen verhoogde concentraties voor minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties voor minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. Ten zuidoosten van de winkel van het voormalige benzinestation In de puinhoudende zandige bovengrond (0,45-0,6 m –mv), ten zuidoosten van de winkel van het voormalige benzinestation, is geen verhoogde concentratie voor koper aangetoond. De in voorgaande bodemonderzoeken aangetoonde matige koperverontreiniging wordt in onderhavig bodemonderzoek niet meer aangetoond. Conclusie Met het onderhavig onderzoek is de bodemkwaliteit op de locatie geactualiseerd. Op basis van de onderzoeksresultaten en de resultaten van de voorgaande bodemonderzoeken bestaat er geen aanleiding voor de uitvoering van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. De licht verhoogde concentraties in grond en grondwater geven geen beperkingen ten aanzien van het huidige gebruik en de mogelijke herinrichting van de locatie. 5.4 Water Vierde nota Waterhuishouding De vierde nota Waterhuishouding beschrijft het landelijke integrale waterbeheer. Hoofddoelstelling is het ontwikkelen en in stand houden van een gezond waterhuishoudkundig systeem dat een meervoudig duurzaam gebruik garandeert. De belangrijkste beleidsdoelen zijn weergegeven door middel van streefbeelden per type waterhuishoudkundig systeem en vinden hun verdere uitwerking in de provinciale waterhuishoudingplannen. Belangrijke doelen zijn in dit verband: bij elk ingrijpen in het watersysteem rekening houden met meerdere belangen en met het functioneren van het systeem; invullen van de Ecologische (Hoofd)structuur, onder meer door de aanleg van milieuvriendelijke oevers, de aanleg van passages en het opheffen van barrières voor dieren; gebiedsgericht aanpakken van eutrofiëring en verdroging; zonering van gebruiksvormen. Waterbeleid 21e eeuw In Nederland verscheen in het najaar van 2000 het rapport “Waterbeleid voor de 21e eeuw”, een advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw (Commissie WB21). Deze door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen ingestelde commissie doet aanbevelingen over hoe in de komende eeuw met water moet worden omgegaan. De Commissie WB21 stelt dat de 21e eeuw om een andere aanpak van het waterbeleid vraagt dan de 20e eeuw. Er moet minder accent op het technische beheer komen te liggen. Het water moet niet langer als vijand, maar veel meer als bondgenoot worden gezien. Het waterbeheer dient te worden gebaseerd op: stroomgebiedsbenadering; ruimte geven aan water; vasthouden en tijdelijk bergen van water, alvorens af te voeren; kansen benutten voor meervoudig ruimtegebruik; geen afwenteling van problemen in het watersysteem zelf, noch van bestuurlijke verantwoordelijkheden of kosten; te ontwikkelen normenstelsel per stroomgebied. Bij grootschalige en/of ingrijpende locatiebesluiten dienen de kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen voor het watersysteem te worden onderzocht aan de hand van een zogenaamde watertoets. Zo nodig moeten compensatiemaatregelen worden getroffen. Naar verwachting zal de door de Commissie WB 21 voorgestane aanpak belangrijke voordelen opleveren, zoals een toegenomen veiligheid van mens en dier en een betere bescherming van materiële goederen. Een snelle implementatie van de maatregelen voorkomt bovendien dat op termijn duurdere oplossingen voor de steeds groter wordende problemen moeten worden gezocht. Ruimte voor water heeft tevens een positieve invloed op de natuurontwikkeling, de landbouw en de ruimtelijke kwaliteit in zowel stedelijk als buitengebied. Nationaal Waterplan 2009 - 2015 In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Beleid Waterschap Brabantse Delta Voor het beleid van het waterschap zijn twee beleidsstukken van belang, te weten het Waterbeheerplan 2010-2015 en de Keur waterschap Brabantse Delta. In het Waterbeheerplan wordt aangegeven dat het watertoetsbeleid binnen de planperiode aangepast wordt op basis van nieuwe landelijke handreikingen. Binnen het Waterbeheerplan wordt aandacht gevraagd voor de reductie van wateroverlast in de stad, zoals ook is afgesproken bij de actualisering van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel). Afkoppelen van regenwater van gemengde rioolstelsels kan hierbij een effectieve maatregel zijn, maar dit wordt niet meer als doel op zich beschouwd. Ook geeft het waterbeheerplan aan dat de waterbergingsgebieden, die het waterschap realiseert, ook opgenomen moeten gaan worden in bestemmingsplannen. Tenslotte geeft het Waterbeheerplan aan dat het waterschap ernaar streeft om de toegankelijkheid van het water via wandel- en fietspaden te willen vergroten. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 2.000 m2. Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze ‘waterneutraal’ dienen te zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het hemelwater versneld afvoert ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Het hemelwater van de schone oppervlakken wordt bij voorkeur gescheiden van het vuilwater afgevoerd. Voor daken, goten en overige regenwatervoorzieningen en wegverhardingen dienen bij voorkeur niet-uitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt. Om de waterkwaliteit te verbeteren, wordt waar mogelijk schoon verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel. Deze oppervlakken krijgen een eigen afvoervoorziening, waardoor het (verbeterd) gescheiden stelsel minder wordt belast. Bij ontwikkelingen worden schone oppervlakken zoveel als mogelijk niet op het rioleringssysteem aangesloten. In de Waterwet (22 december 2009) wordt duidelijker omschreven wie waar verantwoordelijk voor is. Eén van de zaken die hier uit voortvloeien is dat een particulier in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de verwerking van het hemelwater en grondwater op zijn eigen terrein. In dit kader verwacht de gemeente in de toekomst meer inspanning van de particulier om zelf maatregelen te nemen om wateroverlast te voorkomen. Dit uitgangspunt is opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde 'Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan'. Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van retentievoorzieningen op eigen terrein bijvoorbeeld met groene daken en waterdoorlatende verharding. Situatie plangebied In het plangebied is op dit moment geen open water aanwezig. Wel wordt door de uitvoering van dit plan het verhard oppervlak vergroot. De gemeente Breda heeft de voorkeur om hemelwater zoveel mogelijk zichtbaar in de bodem te brengen en vast te houden. Dit betekent dat ten eerste wordt gestreefd naar infiltreren waar het kan. Om inzicht te krijgen in de doorlatendheid van de bodem en de actuele grondwaterstanden zijn infiltratietesten in het plangebied uitgevoerd. De bevindingen van de infiltratietesten zijn verwerkt in de watertoets waarin tevens een voorstel is gedaan voor de omvang en aard van de infiltratievoorzieningen. De belangrijkste bevindingen uit de watertoets zijn in het onderstaande opgenomen. Het volledige rapport van de watertoets is opgenomen in bijlage 2. Huidige situatie In de huidige situatie heeft het plangebied de volgende kenmerken: Hoogteligging: het maaiveldniveau ligt binnen het plangebied op circa 7,00 m + NAP; Riolering: in de Lange Vore is een gemengd stelsel aanwezig. In de Pastoor Doensstraat en Kloosterstraat is daarnaast ook een infiltratieriool aanwezig. Ten slotte ligt in de Kloosterstraat een hemelwaterriolering. Bodemopbouw: op de bodemkaart van Nederland zijn stedelijke gebieden niet gekarteerd. De bodem ten noordoosten van de kern Bavel bestaat volgende de bodemkaart uit lage enkeerdgronden (leemarm en zwak lemig fijn zand). De bodem ten zuidwesten bestaat uit hoge veldpodzolgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand. Oppervlaktewater: in de omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Infiltratieonderzoek: op 22 februari 2013 is veldwerk uitgevoerd waarbij zeven boringen zijn geplaatst waarin infiltratietests zijn uitgevoerd. Hieruit is bepaald dat de gemiddelde doorlatendheid 2,5 m/dag is (variërend van 1 tot 6 m/dag). Gezien de bodemopbouw kan derhalve gesteld worden dat infiltratie binnen het plangebied mogelijk is. Grondwaterstanden: verondersteld kan worden dat de grondwaterstand in noord(west)elijke richting afneemt. Op basis hiervan lijkt de GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) ter hoogte van het plangebied lager dan tijdens het veldwerk uitgevoerde boringen. Daarnaast beschikt Dinoloket over meetgegevens van peilbuizen. Nabij de kern Bavel zijn meetgegevens bekeken van drie boringen waarin langdurig is gemeten. Voor deze drie boringen is de grondwatertrap gelijk (VII). Waterschapsbelangen: het plangebied bevindt zich niet binnen of langs een natte natuurparel, ecologische verbindingszone, gronden voor beekherstel, primaire waterkering, waterbergingsgebied, grondwateronttrekkingsgebied of beschermingsgebied voor drinkwaterwinning. Toekomstige situatie In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak toe met 2.509 m2. Op grond van het beleid van waterschap en gemeente dienen zware buien op eigen terrein verwerkt te worden. Als norm wordt hierbij 78 mm gehanteerd; dit komt neer op 196 m3. Een groot deel van het plangebied was reeds verhard. Hier is sprake van vervangende nieuwbouw. Beleid hierbij is dat kleine buien op een zo natuurlijk mogelijke wijze verwerkt moeten worden op eigen terrein. Als werknorm wordt hierbij 7 mm gehanteerd. Bij een bestaand verhard oppervlak van 4.664 m2 komt dit neer op 33 m3. De totale bergingsopgave is dan 229 m3 (196 m3 + 33 m3). Uit het infiltratieonderzoek is een gemiddelde doorlatendheid van de bodem van 2,5 m/dag bepaald. Gezien de bodemopbouw is infiltratie binnen het plangebied dus goed mogelijk. Naast bodemopbouw zijn ook de grondwaterstanden van grote invloed op de mogelijkheden tot infiltreren. Voor dit plan is een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter vereist. Op basis van de meetreeksen van DinoLoket lijken de grondwaterstanden voldoende laag om te infiltreren binnen het plangebied. Daarnaast heeft de gemeente Breda aangegeven dat in de kern Bavel in de Pastoor Doenstraat, Kloosterstraat en Brigidastraat infiltratieriolering aanwezig is. Er zijn geen meldingen dat deze niet goed functioneren. Ervan uitgaande dat de ontwateringsdiepte voldoende is kan binnen het plangebied worden geïnfiltreerd. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden: Waterdoorlatende verharding. Door de aanleg van deze verhardingen kan regenwater ter plaatse infiltreren. Geadviseerd wordt om enkele kolken aan te leggen die direct afvoeren naar het infiltratiepakket; Infiltratiekratten. Deze worden ook onder de grond aangelegd. Via hemelwaterleidingen wordt hemelwater naar de kratten afgevoerd. In de kratten kan hemelwater langzaam infiltreren. De kratten dienen minimaal 0,30 meter beneden het wegdek te worden aangelegd. Uitgaande van een bergingsopgave van 229 m3 en circa 40% holle ruimte in de infiltratievoorziening komt dit neer op een totale inhoud van 573 m3. Wanneer wordt uitgegaan van een dikte van 0,40 meter is een oppervlakte van circa 1.430 m2 nodig. Binnen het plangebied is deze oppervlakte beschikbaar. Belangrijk is de aanleg van een overloop waarlangs bij hevige regenval hemelwater kan overstorten. Deze kan worden aangebracht richting het bestaande stelsel. Deze constructie dient zodanig gerealiseerd te worden dat er geen terugstroming vanuit het gemengde stelsel naar de infiltratievoorziening kan plaatsvinden. Wat betreft de waterkwaliteit kan worden gesteld dat vuilwater en (schoon) regenwater, afkomstig van het plangebied, gescheiden dienen te worden ingezameld. Om vervuiling te beperken mag bij de bouw geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen zoals koper, zink en lood, teerhoudende dakbedekking (PAK’s). Op deze manier wordt voorkomen dat deze stoffen niet in grond- of oppervlaktewater terecht komen. Vuilwater zal apart worden ingezameld en kan worden afgevoerd via het gemengde stelsel. Resultaten overleg waterbeheerder In het kader van het wettelijk vooroverleg is het bestemmingsplan voorgelegd aan de waterbeheerder. De resultaten van het vooroverleg zijn verwerkt in het bestemmingsplan en meegewogen bij de verdere planvorming. 5.5 Ecologie Algemeen Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de haalbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen tevens de implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn op nationaal niveau. Er mogen geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, waarvan op voorhand duidelijk is dat deze op bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden of op streng beschermde planten of dieren. In dit kader is door SAB in april 2013 een quick scan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 3). Uit deze quick scan kan het volgende worden geconcludeerd. Gebiedsbescherming In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde gebied beschermd in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 betreft het Natura 2000-gebied “Ulvenhoutse Bos”. Dit beschermde gebied ligt op ongeveer 1.600 meter afstand. Gezien de ontwikkeling slechts beperkt blijft tot de dorpskern van Bavel, de toename van het aantal verkeersbewegingen door de ingreep marginaal is en er veel grote verstorende tussenliggende elementen aanwezig zijn (bebouwing, wegen en de Rijkswegen A27 en A58 met knooppunt Sint Annabosch) zijn directe en indirecte negatieve effecten van de plannen op het beschermde gebied niet te verwachten. Voor dit plan is geen sprake van een vergunningsaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet. Soortenbescherming De meeste van de in het plangebied voorkomende soorten zijn beschermd en vallen onder het lichte beschermingsregime van de Flora- en faunawet. Hiervoor geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een algehele vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Dit betekent dat voor deze soorten de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder ontheffing. Met de plannen zijn negatieve effecten op ontheffingsplichtige vleermuizen, de Huismus en Gierzwaluw niet op voorhand uit te sluiten. Voor deze soorten geldt, bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen, een ontheffingsplicht in het kader van de Flora- en faunawet. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden naar: Gebouw- en boombewonende vleermuizen: onderzoeksperiode globaal 15 mei - eind juli (kraamkolonies) en 15 augustus - eind september (paarverblijven). Huismus: onderzoeksperiode globaal begin april - half juli. Gierzwaluw: onderzoeksperiode globaal eind april - half juli. Het gebruik van het plangebied door deze soorten kan door middel van nader onderzoek in beeld worden gebracht zodat het werkelijke effect van de ingreep op (het leefgebied van) daadwerkelijk aanwezige soorten kan worden bepaald. Pas dan kan worden bepaald of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet noodzakelijk is. Bij een dergelijke ontheffing worden vaak mitigerende en/of compenserende maatregelen gevraagd. Als wordt voldaan aan dergelijke voorwaarden, kan op basis van eerdere ervaringen redelijkerwijs worden verwacht dat een dergelijke ontheffing door het Ministerie van Economische Zaken wordt verleend. De quick scan flora en fauna is opgenomen in bijlage 3. Nader onderzoek flora en fauna Door Natuurkompas is een nader onderzoek flora en fauna uitgevoerd (bijlage 4). Dit nader onderzoek heeft zich toegespitst op de huismus, gierzwaluw en vleermuis. Op grond van een eerste tussenrapportage is vastgesteld dat er tijdens de vier veldbezoeken in het plangebied geen territoriumindicerende waarnemingen van de huismus en gierzwaluw zijn gedaan. Op basis van dit onderzoek kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus en gierzwaluw aanwezig zijn. Tijdens het kraamverblijvenonderzoek zijn er geen invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen. Ook zijn er geen andere aanwijzingen waargenomen welke duiden op de aanwezigheid van dagrust- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied. Enkele delen van het plangebied fungeren als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Met de voorgenomen herinrichting van het plangebied gaan deze foerageergebieden mogelijk (deels) verloren. In de directe omgeving van het plangebied zijn echter voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig, bijvoorbeeld de tuinen van de woningen aan de Lange Vore. Het verlies van de binnen het plangebied gelegen foerageergebieden heeft daarmee geen negatief effect op de lokale gunstige staat van instandhouding van de lokale populaties van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Op basis van het nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen kraamverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Net buiten het plangebied is een paarverblijf van de gewonen dwergvleermuis waargenomen. Er dienen ten behoeve hiervan in het zomerseizoen maatregelen getroffen te worden, zoals 's nachts geen zware, verstorende bouwlampen op de bouwplaats te laten branden, werkzaamheden overdag uitvoeren en in de schemering geen lampen met verstrooiing buiten het werkgebied gebruiken. Indien deze maatregelen worden getroffen, kunnen negatieve effecten op vleermuizen worden uitgesloten. In de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw zullen hiervoor nadere eisen worden opgenomen. De rapportage van het nader onderzoek flora en fauna is opgenomen in bijlage 4. 5.6 Bedrijven Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Toetsing In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden op basis van onderzoeks- en ervaringsgegevens richtafstanden aanbevolen tussen bedrijvigheid en milieuhindergevoelige functies. Uit de analyse blijkt dat in de directe omgeving enkele bedrijfsfuncties aanwezig zijn. Het betreft hier met name bestaande detailhandelsvestigingen waarvoor volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) een grootste aan te houden afstand van 10 m tot aan milieuhindergevoelige functies moet worden aangehouden. In onderhavige situatie kan hierbij een afstandsstap lager worden aangehouden, omdat sprake is van een centrumlocatie, een gemengd gebied. Om die reden mag de afstand worden verkleind tot 0 m. Aan de Kloosterstraat 14-A bevindt zich een garagebedrijf. Een 'handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' valt volgens de VNG-handreiking onder milieucategorie 2. Voor deze categorie wordt in een rustige omgeving een afstand van 30 m ten opzichte van woningen aangegeven en in gemengd gebied een afstand van 10 m. Aan laatstgenoemde afstand wordt in onderhavige situatie voldaan. Ten slotte is in het kader van onderhavig bestemmingsplan een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om te beoordelen of de realisatie van de supermarkt zich verenigd met de aanwezige en geplande milieuhindergevoelige functies. Het betreft hier met name het aspect ‘geluid’. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in de navolgende paragraaf. Conclusie Gesteld kan worden dat het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 5.7 Geluid Algemeen De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor)wegverkeer of industrie het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voor-keursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Voor spoorwegverkeer mag de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet worden overschreden. In het geval van indu-strielawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van geluidsgevoelige functies. Woningen zijn geluidsgevoelige bestemmingen waarvoor akoestisch onderzoek moet worden verricht. De geluidsbelasting van woningen wordt getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder (Wgh). Dit geldt zowel voor onderzoek naar wegverkeerslawaai alsmede onderzoek industrielawaai. 5.7.1 Akoestisch onderzoek wegverkeer SAB heeft onderzoek uitgevoerd naar een geluidsbelasting als gevolg van omliggende wegen in het plangebied (bijlage 5). Uit onderzoek blijkt dat de wegen rondom het plangebied een 30 km/uur-regime hebben, en dat deze wegen daarom niet onderzoeksplichtig zijn voor de Wgh. Voor de bepaling van de binnenwaarde voor het Bouwbesluit en voor de toetsing aan de normen voor een goede ruimtelijke ordening die zijn genoemd in de Wgh is toch akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat bij de woningen een geluidbelasting berekend wordt die hoger is dan 48 dB. De hoogste geluidsbelasting ten gevolge van de omliggende 30 km/wegen bedraagt 60 dB, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Omdat de omliggende wegen een 30 km-regime hebben, zijn deze wegen niet onderzoeksplichtig voor de Wgh en daardoor zijn er ook geen normen opgenomen voor 30 km-wegen in de Wgh. Ter vergelijk is de hoogste toelaatbare geluidsbelasting uit de Wgh voor een vergelijkbare 50 km-weg gebruikt voor de toetsing in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De hoogste toelaatbare geluidsbelasting voor nieuw te bouwen woningen langs een bestaande weg in stedelijk gebied bedraagt 63 dB (artikel 83 lid 2 van de Wgh). De optredende geluidsbelastingen zijn hiermee lager dan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Gezien de oriëntatie aan een geluidluw binnenterrein zijn er genoeg mogelijkheden om een goed leefklimaat te kunnen garanderen. Vanuit een akoestisch oogpunt kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 5.7.2 Akoestisch onderzoek industrielawaai (supermarkt) SAB heeft onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting als gevolg van industrielawaai (geluid afkomstig van de supermarkt) (bijlage 6). In hoofdstuk 3 van het akoestisch onderzoek zijn de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek industrielawaai opgenomen waaronder de representatieve bedrijfssituatie en de verharding van de buitenruimte, waaronder het parkeerterrein (asfalt of andere verharding zonder voegen). Het gebruik van verharding zonder voegen voor de buitenruimte is tevens verankerd in een privaatrechtelijke overeenkomst. Door de gemeente en ontwikkelaar zijn reeds afspraken gemaakt over de realisatie van een erfafscheiding met een hoogte van 2 meter. Deze afspraken zijn privaatrechtelijk vastgelegd. Omdat de afscheiding niet noodzakelijk is voor het realiseren van een acceptabel akoestisch klimaat, is deze wel mogelijk, maar niet als verplichting in het bestemmingsplan opgenomen. Ten behoeve van het realiseren van een zo optimaal woon- en leefklimaat is in het kader van het akoestisch onderzoek in eerste instantie een brede range aan mogelijke maatregelen en de effecten daarvan op de omgeving doorgerekend. De uiteindelijke maatregelen zijn tot stand gekomen na afweging van ruimtelijke-, stedenbouwkundige- en milieubelangen. De uiteindelijk gekozen maatregelen zijn waar mogelijk in het bestemmingsplan planologisch verankerd. Het betreft de volgende maatregelen: 1. Toepassen van stille wieltjes bij de winkelwagens; De verankering van het toepassen van stille wieltjes bij de winkelwagens is geregeld door het gebruik van een voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan. Hierin is opgenomen dat een gebruik van de gronden als supermarkt niet eerder is toegestaan dan nadat toepassing is gegeven aan het gebruik van winkelwagens met stille wieltjes een akoestisch bronvermogen van maximaal 72 dB(A). 2. Toepassen van stille koelcondensors op het dak van de supermarkt; Het toepassen van stille koelcondensors is niet noodzakelijk om te voldoen aan grenswaarden ten aanzien van geluid. Desondanks worden stille koelcondensors toegepast om nog verder onder deze grenswaarden te komen en een zo optimaal mogelijk woon- en leefklimaat te realiseren. Door het toepassen van extra stille koelcondensors wordt een maximale geluidreductie van 12 dB(A) in de nachtperiode bereikt. De verankering van het toepassen van stille koelcondensors op het dak van de supermarkt is geregeld door middel van een voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan. Hierin is opgenomen dat een gebruik van gronden als supermarkt niet eerder is toegestaan dan nadat toepassing is gegeven aan het gebruik van stille koelcondensor op het dak van de supermarkt met een akoestisch bronvermogen van maximaal 68 dB(A). 3. Veertien parkeerplaatsen nabij de supermarkt worden alleen gebruikt in de dagperiode (07.00 uur tot en met 19.00 uur). In de avond- en nachtperiode worden hier geen auto’s geparkeerd; De verankering van het laten vervallen van veertien parkeerplaatsen nabij de supermarkt in de avond- en nachtperiode is gewaarborgd door het gebruik van een voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan. Op de verbeelding is ter plaatse van deze gronden een specifieke aanduiding opgenomen en in de regels is opgenomen dat een gebruik van gronden als supermarkt niet eerder is toegestaan dan nadat een parkeerverbod tussen 19.00 uur en 07.00 uur is vastgelegd voor de gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van centrum – parkeerverbod avond- en nachtperiode’. Tevens zal een verkeersbord worden geplaatst waaruit blijkt dat er voor veertien parkeerplaatsen nabij de supermarkt een parkeerverbod geldt gedurende de avond- en nachtperiode. Als gevolg van deze maatregel wordt ter plaatse van de nieuwe appartementen aan de noordzijde (zijde parkeerplaats) de grootste geluidsreductie behaald. De maximale geluidsniveaus dalen hier met maximaal 7 dB(A) in de avondperiode. Doordat er in de avond- en nachtperiode minder intensief gebruik wordt gemaakt van de parkeervoorziening, leidt deze maatregel niet tot een verhoogde parkeerdruk in de omgeving van het plangebied. Het parkeerverbod kan worden gehandhaafd op diverse wijzen; in eerste plaats is de betrekkende supermarktketen verplicht ‘good housekeeping’ te bedrijven. Parkeren op de juiste plaats en zorgen voor een schoon en geordende parkeerplaats zijn hierin duidelijke elementen. Aangezien het openbare ruimte is, kan het in geval van klachten leiden tot een uitgebreider handhavingsregime, waarin de gemeente Breda structureel controles uitvoert op foutief parkeren. 4. De parkeerplaats van de supermarkt is buiten de openingstijden van de supermarkt, dus in de nachtperiode (23.00 uur tot en met 07.00 uur), afgesloten door middel van een slagboom. Alleen bewoners hebben gedurende de nachtperiode toegang tot de parkeerplaats. Rekenresultaten naar aanleiding van bovenstaande maatregelen Met inachtneming van bovenstaande maatregelen is geborgd dat de ontwikkeling aan zowel de eisen uit de Wet milieubeheer alsmede een goed woon- en leefklimaat. Voor de volledigheid staan hieronder de berekende toetsniveaus weergegeven. Langtijdgemiddelde geluidsbelastingen Uit dit onderzoek blijkt dat bij twee bestaande woningen en drie nieuwbouwappartementen de grenswaarden van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit worden overschreden, maar de richtwaarden van 55 dB(A) uit de Handreiking industrielawaai vergunningverlening worden niet overschreden ten gevolge van de supermarkt. Middels maatwerk is de situatie inpasbaar. Maximale geluidsbelasting In de dagperiode worden maximale geluiddrukniveaus berekend van 73 dB(A) ter plaatse van nieuwbouwappartementen. Ter plaatse van bestaande woningen worden niveaus van ten hoogste 65 dB(A) berekend. Voor de bestaande woningen is op basis hiervan de situatie zonder maatwerk inpasbaar. Voor nieuwbouwappartementen kan in de dagperiode tot ten hoogste 75 dB(A) worden vergund, op basis van de voorwaarden uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Aangezien organisatorische, stedenbouwkundige en andere maatregelen uitgebreid verkend zijn en niet leiden tot lagere niveaus, is een maatwerkvoorschrift voor deze woningen haalbaar. Het feit dat deze appartementen tegelijkertijd worden gerealiseerd met de supermarkt is hierin een aanvullend argument; (potentiële) bewoners weten immers dat hun woning deel uitmaakt van een stedelijke ontwikkeling met supermarkt/parkeerplaatsvoorziening en bijbehorende verkeersaantrekking. In de avondperiode worden de veertien parkeerplaatsen nabij de ‘nieuwbouwappartementen noord’ uitgesloten van gebruik. Met deze maatregel kan ter plaatse van de bestaande woningen alsmede de nieuwbouwwoningen voldaan worden aan de norm van 65 dB(A). Indien alsnog blijkt dat er in de praktijk hogere niveaus worden gevonden dan deze waarde, kunnen aanvullend parkeerplaatsen worden uitgesloten van gebruik. De parkeervoorziening is afdoende ruim bemeten in deze periode om hierin flexibel te kunnen zijn. Met inachtneming van deze maatregel is de ontwikkeling planologisch geborgd. In de nachtperiode is geen sprake van bedrijvigheid die toetsingsplichtig is in het kader van de Wet milieubeheer. Wél moet sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden. In het kader hiervan zijn twee maatregelen van toepassing: Enkel toegang via slagboom met toegangspas Eerder genoemde 14 parkeerplaatsen ook in deze periode niet te gebruiken. Met inachtneming van deze maatregelen kunnen maximaal geluiddrukniveaus worden gevonden van 65 dB(A) ter plaatse van de nieuwbouwappartementen en bestaande woningen. Het parkeergedrag in deze periode wordt veroorzaakt door enkele bewoners van de directe omgeving en is hiermee niet anders dan een parkeervoorziening die direct voor de deur van een reguliere woning aanwezig is. In de praktijk leidt dit soort parkeergedrag niet tot een vergrote belasting van het woon- en leefklimaat. Met het in kaart brengen van de situatie, en het daadwerkelijk doorvoeren van maatregelen is de situatie planologisch ingepast. Op basis hiervan is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Geluidsbelastingen ten gevolge van indirecte hinder Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bij 18 bestaande woningen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Schrikkelcirculaire wordt overschreden. De hoogste geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder bedraagt 56 dB(A). Het verlagen van de geluidsbelastingen ten gevolge van de indirecte hinder is niet mogelijk; de weg kent een 30 km/h regime en is voorzien van bestrating die vanuit stedenbouwkundig oogpunt als waardevol wordt gezien. Deze geluidsbelasting is weliswaar hoger dan 50 dB(A) (zogenaamde voorkeursgrenswaarde uit de Schrikkelcirculaire), maar wel lager dan de maximale geluidsbelasting van 65 dB(A) (zogenaamde Hoogste toelaatbare geluidsbelasting uit de Schrikkelcirculaire). Wanneer het niet mogelijk is om de geluidsbelastingen terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) zijn op basis van de Schrikkelcirculaire geluidsbelastingen tot 65 dB(A) acceptabel zonder dat het woon- en leefklimaat wordt aangetast. Met een waarde van 56 dB(A) wordt hier ruim aan voldaan. 5.7.3 Conclusie Wegverkeer De ontwikkeling wordt niet gerealiseerd binnen de zone van wegen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, hiermee is toetsing niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting berekend. Vanuit een akoestisch oogpunt kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening Industrielawaai Met inachtneming van de eerder beschreven maatregelen is de ontwikkeling inpasbaar. Planologisch is geborgd dat de maatregelen worden geëffectueerd om te voldoen aan het Activiteitenbesluit. Bovendien zijn extra maatregelen voorzien om een goed leefklimaat te garanderen voor bestaande woningen. Vanuit akoestisch oogpunt is er geen belemmering voor de realisatie van de commerciële voorzieningen in het plangebied. 5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1 Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. In de Bredase milieuvisie is de volgende doelstelling voor 2015 opgenomen: ‘De luchtkwaliteit is inzichtelijk, bekend en aanvaardbaar’. Op 15 november 2007 is in de Wet milieubeheer onder titel 5.2 'luchtkwaliteiteisen' opgenomen. Luchtkwaliteiteisen zijn een implementatie van de Europese regelgeving uit 1996 en bevat luchtkwaliteitsnormen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden en stikstofdioxide, zwevende deeltjes (fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de grenswaarden. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste moet worden in stand gehouden. Behalve voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide voldoet de luchtkwaliteit overal in Breda aan de gestelde grenswaarden. Mede door de relatief hoge achtergrondconcentraties overschrijden de concentraties zwevende deeltjes en stikstofdioxide plaatselijk de grenswaarden. De overschrijdingen hangen in de meeste gevallen samen met het drukke verkeer. Vanaf 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking. Conform artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is voor een ontwikkeling dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteitonderzoek nodig en kan de ontwikkeling zonder toetsing aan de luchtkwaliteitseisen doorgang vinden. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Projecten die de concentratie koolstofdioxide of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Dit criterium is een 'of-benadering'. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in Staatsblad nr. 14 gepubliceerd, waarna het besluit op 16 januari 2009 in werking getreden is. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Met dit besluit is de bouw van zogenaamde ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van (snel)wegen beperkt. 5.8.2 Onderzoek SAB heeft onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit (bijlage 7). Met behulp van de NIBM-rekentool (versie oktober 2012) is de verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het plan berekend. Een plan is in betekenende mate wanneer de toename van de luchtverontreiniging (NO2 of PM10) meer is dan 1,2 ųg/m³. Wanneer een plan “niet in betekenende mate”(NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is toetsing van het plan aan de grenswaarden op grond van de Wm niet noodzakelijk. Bij het opstellen van de NIBM-rekentool is uitgegaan van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage van de gehele ontwikkeling kleiner is de NIBM-grens van 1,2 ųg/m³, daardoor zal het plan ‘niet in betekenen de mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarden is op basis van de Wm niet noodzakelijk, aan gezien het plan NIBM is. In de laatste monitoringstool uit gevoerd door de Provincie is bovendien gebleken dat voor 2014 en 2015 geen dreigende overschrijdingen zijn voorzien. In combinatie met de wetenschap dat het NSL zorgt voor een betere luchtkwaliteit in de toekomst, betekent het dat er geen problemen te verwachten zijn op het gebied van de luchtkwaliteit. 5.8.3 conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief. 5.9 Externe veiligheid Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in het navolgende figuur. Figuur: plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen. De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Besluit externe veiligheid Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Uit het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ten behoeve van de verantwoording groepsrisico is advies gevraagd en ontvangen van de regionale brandweer en/of veiligheidsregio. Toetsing Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten (bestaand en nieuw), in beeld worden gebracht. Volgens het huidige beleid gebeurt dat door de effecten van bepaalde mogelijke ongevallen te berekenen en uit te drukken in de kans op (aantallen) doden. Voor het bepalen van externe veiligheidsrisico’s, dient te worden gekeken naar het plaatsgebonden risico (PR) en naar het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico heeft betrekking op de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die zich een jaar lang op die plaats bevindt. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (zoals te realiseren woonlocaties) mogen niet binnen de zogenaamde 10-6-contour worden gerealiseerd. Bedrijven op een bedrijventerrein zijn overigens geen kwetsbare objecten. Het groepsrisico wordt berekend tot aan de 10-8-risicocontour. Het groepsrisico is afhankelijk van het aantal personen dat zich op een bepaalde plaats bevindt (dit geldt ook voor werknemers van bedrijven): naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, dient de kans op zo’n ongeval kleiner te zijn. Het groepsrisico wordt opgesplitst in twee zones. De eerste zone loopt van de 10-6 –contour naar de 10-7-contour met een aanwezigheidslimiet van circa 100 personen/ hectare. De tweede zone loopt van 10-7-contour naar de 10-8-contour met een aanwezigheidslimiet van circa 280 personen/ hectare. De berekende groepsrisicowaarden geven een oriënterende waarde. Het bevoegd gezag kan hier gemotiveerd van afwijken. Op de navolgende afbeelding is een fragment van de provinciale risicokaart opgenomen. De ligging van het plangebied is globaal aangeduid met een zwart kader. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er in de omgeving van het plangebied geen stationaire bronnen zijn gelegen. Daarnaast is de circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en het Basisnet geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er geen mobiele bronnen in de nabijheid van het plangebied liggen. Uitsnede Risicokaart.nl met globale aanduiding plangebied (zwart) Ten noorden en oosten van het plangebied is een hogedrukaardgasleiding gelegen. Het invloedsgebied van deze leiding reikt niet tot de grenzen van het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gevaar veroorzakende activiteiten of transportroutes aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling binnen het plangebied. HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de aanwezige karakteristieken en waarden van het plangebied. Om deze waarden daadwerkelijk te kunnen behouden, dienen deze - voor zover ruimtelijk relevant en mogelijk - juridisch vertaald te worden. Het aangewezen planologische instrument hiervoor is het bestemmingsplan. In navolgende paragrafen komt de juridische planbeschrijving aan bod, waarbij allereerst de hoofdopzet van het bestemmingsplan wordt beschreven en daarna de inleidende regels en de bestemmingsregels aan bod komen. 6.2 Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 6.2.1 Hoofdopzet Het bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In Nederland zijn regels vastgesteld voor de naamgeving, de opbouw van de planregels en hoe deze worden verbeeld. Dit wordt de zogenoemde Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) genoemd. Dit alles om alle bestemmingsplannen in Nederland beter te kunnen vergelijken en ze ook digitaal uitwisselbaar te maken. Per 1 januari 2010 is deze digitalisering verplicht. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld volgens deze landelijke richtlijnen en standaarden (IMRO 2012). 6.2.2 Indeling planregels De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. Deze volgorde is gebaseerd op de indeling zoals deze is voorgeschreven in de SVBP. In hoofdstuk 1 ('Inleidende regels') worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven, die voor de leesbaarheid en de uitleg van het plan van belang zijn. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Daarnaast staat in dit hoofdstuk de wijze van meten, die aangeeft hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. In het volgende hoofdstuk ('Bestemmingsregels') wordt ingegaan op de bestemmingen en hun gebruik (zie paragraaf 5.3). Daarna volgt het hoofdstuk ('Algemene regels') waar wordt ingegaan op de algemene regels, zoals algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en procedureregels die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn. Hoofdstuk 4 ('Overgangs- en slotregels') gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bouwwerken en de citeertitel van het plan, zoals die overgenomen moeten worden uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 6.2.3 Voorliggend bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan is deels beheergericht en deels een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van commerciële ruimten en (zorg)woningen mogelijk gemaakt in het centrum van Bavel. Deze ontwikkeling sluit aan op de ruimtelijke en functionele kwaliteit van de omgeving. 6.3 Bestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: 'Centrum' en 'Verkeer'. Verder is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. In deze paragraaf worden deze bestemmingen beschreven. Centrum Zowel aan het bestaande en te handhaven plangedeelte (gelegen aan de zijde Lange Vore – Pastoor Doensstraat) als aan het te herontwikkelen gebied (hoek Kloosterstraat – Pastoor Doensstraat), is de bestemming 'Centrum' toegekend. Hierbij is aangesloten op het vigerend bestemmingsplan Bavel. Binnen de bestemming 'Centrum' zijn verschillende functies toegestaan, zoals detailhandel (waaronder één supermarkt), dienstverlening, horeca 1, kleine kantoren, maatschappelijke voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid. Er is ook ondergeschikte horeca toegestaan. In de begripsbepalingen is opgenomen wat hieronder verstaan wordt. Op de verdieping(en) mag worden gewoond, echter het gebruik voor kamerverhuur is niet toegestaan. Ook is opgenomen dat woningvermeerdering niet is toegestaan. De bestaande woningen mogen gebruikt worden voor wonen, maar er mogen geen nieuwe woningen bijkomen. Dit geldt niet voor het plangedeelte met de aanduiding ‘wonen’, hier zijn hetzij maximaal 8 gestapelde woningen en maximaal 22 zorgwoningen toegestaan, hetzij maximaal 33 zorgwoningen. In de begripsbepalingen is een zorgwoning als volgt beschreven "een woning voor mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking die begeleiding en zorg nodig hebben". Gebouwen moeten worden gerealiseerd binnen het bouwvlak. De maximale goot- en bouwhoogte is opgenomen op de verbeelding. Tevens zijn specifieke gebruiksregels opgenomen. Het gebruik van de gronden als supermarkt is niet eerder toegestaan dan nadat wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen. Artikel 3.3. bevat een verplichting tot het toepassen van stille wieltjes voor de winkelwagens, stille koelcondensors en een verbod op het gebruik van specifiek aangeduide parkeerplaatsen in de avond- en nachtperiode. Verkeer De wegen en het (verharde) verblijfsgebied binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. Binnen deze bestemming vallen eveneens de openbare ruimten en de groenvoorzieningen die niet worden gerekend tot het structurele groen. Binnen deze bestemming is uitwisselbaarheid van verschillende functies in het openbare gebied toegestaan. Gebouwen zijn niet toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de bouwregels maximale bouwhoogten opgenomen. Zo mag de bouwhoogte van speelvoorzieningen maximaal 5 meter bedragen en mag de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 8 meter bedragen. Waarde - Archeologie Bij ruimtelijke inrichting en ontwikkelingen in een gedeelte van het plangebied moet worden gezocht naar beschermings- en inpassingmogelijkheden van eventuele archeologische waarden. De dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ is gehanteerd voor de gebieden die conform de archeologische beleidsadvieskaart zijn gekenmerkt als gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Deze bestemming is erop gericht de archeologische belangen op adequate wijze te beschermen. Bodemingrepen zijn op deze gronden in principe niet toegestaan; als een ingreep dieper gaat dan 0,30 meter onder het maaiveld en een planoppervlak behelsd van 100 m² of meer is een omgevingsvergunning verplicht. Het bevoegd gezag stelt de bepalingen in de omgevingsvergunning vast. Het principe ‘de verstoorder betaalt’ is van toepassing. Op de gronden met deze dubbelbestemming dient in beginsel een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij dergelijke ingrepen. De resultaten van het onderzoek worden door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Indien uit onderzoeken blijkt dat geen sprake (meer) is van archeologische waarden of voldoende maatregelen zijn genomen om de archeologische waarden te beschermen, dan is geen omgevingsvergunning noodzakelijk. HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding Op 1 juli 2008 is de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De zogenoemde ‘grondexploitatiewet’ is een onderdeel van deze Wro (afdeling 6.4) en met name ingesteld om aan de gemeente bij particuliere ontwikkelingen een goede regeling voor kostenverhaal en het stellen van locatie-eisen te bieden. In 7.2 is beschreven of de grondexploitatiewet van toepassing is op (delen van) het bestemmingsplan en op welke wijze hier uitvoering aan is gegeven. In 7.3 is aangegeven op welke wijze het bestemmingsplan uitgevoerd zal worden. 7.2 Toepassing grondexploitatiewet In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij de hierna genoemde ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of bij een omgevingsvergunning. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlak of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² brutovloeroppervlak bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlak. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategoriën) gesteld moeten worden en het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is (bijvoorbeeld via een overeenkomst), er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (openbare ruimte) of woningbouwcategorieën hoeven te worden vastgesteld. Indien de kosten minder dan €10.000,- bedragen, kan ervoor gekozen worden deze middels andere wijze dan een exploitatieplan te verhalen, bijvoorbeeld via leges. In de Wro is tevens geregeld dat voor gronden waarop al gebouwd mocht worden (onbenutte bouwruimte) geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. 7.3 Financiële haalbaarheid Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan is echter niet verplicht, wanneer het verhaal van deze kosten ‘anderszins verzekerd’ is. Onderhavig project wordt ontwikkeld door particuliere initiatiefnemers. Tussen de particuliere initiatiefnemers en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten in de vorm van exploitatieovereenkomst, waarbij onder meer afspraken zijn gemaakt over de vergoeding van de gemeentelijke kosten. De kosten voor de gemeente zijn daarmee anderszins verzekerd. Een exploitatieplan is daarom niet noodzakelijk. HOOFDSTUK 8 Communicatie 8.1 Inleiding In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor het voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht. 8.2 Procedure 8.2.1 Vooroverleg Er heeft vooroverleg plaatsgevonden. Het concept ontwerpbestemmingsplan is opgestuurd naar: Gedeputeerde Staten van Noord – Brabant; Waterschap Brabantse Delta; de Brandweer Midden en West Brabant Kamer van Koophandel; ministerie van Defensie; gemeente Gilze Rijen; dorpsraad Bavel. Zowel Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de Brandweer Midden en West Brabant en het Waterschap Brabantse Delta hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben. De dorpsraad heeft te kennen gegeven de doelstellingen van het bestemmingsplan te onderschrijven. Zij wil echter ook betrokken worden bij de uitwerking van de herontwikkeling. Het college zal aan deze wens tegemoet komen. 8.2.2 Zienswijzen Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) is de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende de periode van de terinzagelegging kan iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen tegen het plan inbrengen. Deze zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. 8.2.3 Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) Tegen het op 19 december 2013 vastgestelde bestemmingsplan ‘Bavel, Pastoor Doensstraat- Kloosterstraat’ (NL.IMRO.0758.BP2013057003-0401) is door omwonenden beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Bij uitspraak van 13 mei 2014 heeft de ABRvS bij wijze van voorlopige voorziening de werking van het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschorst. De voorlopige beoordeling heeft aanleiding gegeven om delen van het op 19 december 2013 vastgestelde plan die in de voorlopige voorziening aan de orde zijn gekomen na te zien en met onderhavig plan aan te passen. Onderhavig bestemmingsplan kan na vaststelling in de beoordeling van het op 19 december 2013 vastgestelde plan in de lopende beroepsprocedure bij de ABRvS worden meegenomen.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402000.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402001.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402002.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402003.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402004.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402005.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402006.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402007.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402008.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402009.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402010.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402010.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402011.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402012.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402013.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402013.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402014.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402014.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402015.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402015.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402016.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013057003-0402_402016.png)