Inhoudsopgave
HOOFDSTUK 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
1.2 Vigerend bestemmingplan
1.3 Leeswijzer
HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse
2.1 Breda - Brabantpark
2.2 Plangebied
HOOFDSTUK 3 Beleid
3.1 Rijksbeleid
3.2 Provinciaal en regionaal beleid
3.3 Gemeentelijk beleid
3.4 Toetsing beleidskaders
HOOFDSTUK 4 Doelstelling van het bestemmingsplan
4.1 Beoogde situatie
4.2 Verkeer
HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap
5.1 Bodem
5.2 Archeologie en cultuurhistorie
5.3 Geluidhinder
5.4 Externe veiligheid
5.5 Water
5.6 Ecologie / flora en fauna
5.7 Milieuhinder
5.8 Luchtkwaliteit
5.9 Overige belemmeringen
HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving
6.1 Planvorm
6.2 Toelichting op de bestemmingen
HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid
HOOFDSTUK 8 Communicatie
8.1 Inleiding
8.2 Procedure
HOOFDSTUK 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De te ontwikkelen locatie 'Lage Kant' is gelegen in de wijk Brabantpark te Breda. Op deze locatie staan een viertal appartementengebouwen van elk drie bouwlagen. Bouwtechnisch voldoen de gebouwen niet meer aan de eisen van deze tijd. Beoogd wordt de woonzorgvoorziening 'De Leystroom,' die momenteel aan de Brabantlaan is gevestigd, te verplaatsten naar de Lage Kant. In de vrijkomende bebouwing aan de Brabantlaan zullen dan de zusters van de congregatie 'Alles voor Allen' gevestigd worden en het hierdoor vrijkomend klooster aan de Mgr. Hopmanstraat zal betrokken worden door de NHTV. Er vindt derhalve een uitwisseling van functies binnen de wijk Brabantpark plaats.
In een brief van de gemeente Breda d.d. 26 juni 2013 is aangegeven dat het aantal intramurale plaatsen in Brabantpark/Heusdenhout in principe ruime voldoende is. Aangezien het hier een verplaatsing betreft binnen de wijk Brabantpark betekent dit geen toename. Bovendien wordt de huidige intramurale capaciteit verminderd door het extramuraliseren van een 16-tal plaatsen waardoor het relatieve overschot in Brabantpark/Heusdenhout van intramurale plaatsen zal gaan dalen. De toevoeging van 16 woningen waarbij in een eventuele behoefte aan zorg in de directe nabijheid kan worden voorzien, is een gunstige ontwikkeling omdat er in dit verzorgingsgebied grote behoefte aan is.
Het voorliggende plan ziet alleen op de sloop en nieuwbouw op de locatie Lage Kant. De huidige vier complexen met 108 appartementen worden gesloopt. Het nieuwe woon-zorgcomplex bestaat uit 66 intramurale wooneenheden en 16 appartementen (met mogelijkheden voor zorg in de directe nabijheid). In het woon-zorgcomplex worden ook ondersteunende voorzieningen ten behoeve van recreatie, behandeling, kantoren, personeels- en facilitaire ruimten (ca. 1.000m2 bvo) voorzien. Dit programma wordt ondergebracht in de vier bouwdelen van twee bouwlagen met kap.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402000.png)
Figuur 1: Ligging plangebied topografische kaart (Dienst voor het kadaster en de openbare registers, Apeldoorn, 2011)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402001.png)
Figuur 2: Straatnamenkaart (Google, 2012)
1.2 Vigerend bestemmingplan
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan (figuur 3) 'Brabantpark', vastgesteld door de gemeenteraad van Breda op 26 september 2011 en onherroepelijk geworden per 6 februari 2013. Het bestemmingsplan heeft een consoliderend karakter
Binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Brabantpark' zijn niet alle hiervoor vermelde functies mogelijk. Het bestemmingsplan maakt momenteel alleen de functies wonen en groenvoorzieningen mogelijk. Deze functies zijn in zeer gedetailleerde bestemmingsvlakken opgenomen omdat de bestaande situatie is bestemd.
Voorts is een dubbelbestemming 'Waarde-archeologie' opgenomen, waarmee is bepaald dat onderzoek naar archeologie nodig is als werkzaamheden meer dan 100 m2 beslaan en dieper dan 30 cm. Tot slot is over een gedeelte van het plangebied de vrijwaringszone-straalpad – 2 gelegen. Binnen dit gebied mag geen bebouwing hoger dan 48 meter worden opgericht
In het vigerend bestemmingsplan is het ruimtelijk toekomstbeeld voor Brabantpark weergegeven. In de navolgende alinea wordt hierop ingegaan (Toelichting H 1 par. 1.5)
Het ruimtelijk toekomstbeeld voor Brabantpark is grotendeels gericht op behoud, en indien zich mogelijkheden voordoen, tevens ter versterking van het ruim opgezette groene karakter. Een deel van de ontwikkelingen die inmiddels gerealiseerd zijn, worden in dit bestemmingsplan juridisch verankerd. De komende periode worden (woningbouw)ontwikkelingen verwacht, die wellicht gewenst zijn mits het aanbod afgestemd wordt op de vraag in Brabantpark. Deze ontwikkelingen verkeren echter in een dergelijk pril stadium dat deze nu niet vertaald kunnen worden in onderhavig bestemmingsplan. Indien de plannen concreet genoeg zijn, zal hiervoor een apart bestemmingsplantraject gestart worden.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402002.png)
Figuur 3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan
De onderhavige planlocatie is in de toelichting van het vigerend bestemmingsplan reeds aangemerkt als toekomstige ontwikkelingslocatie, namelijk:
Locatie 8: Nieuwe Inslag / Lage Kant
'De galerijflats uit de jaren '50 aan de Nieuwe Inslag en Lage Kant zijn eigendom van WonenBreburg. Er was sprake dat de flats gesloopt zouden worden. Echter, op dit moment is geen programma beschikbaar om op deze locatie extra woningbouw te ontwikkelen. Bovendien is in de Herijkte Alliantie 2011 t/m 2014, opgesteld tussen corporaties en gemeente, aangegeven dat geen herontwikkeling plaatsvindt van deze locatie binnen de planperiode van 10 jaar. Er zijn dus ook geen ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen voor deze locatie in onderhavig bestemmingsplan'.
De beoogde ontwikkeling, het herinrichten van het gebied Lage Kant, verder in hoofdstuk 2 beschreven, past qua gebruiks- en bouwmogelijkheden niet binnen het vigerende bestemmingsplan.
Aangezien er geen passende afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden zijn opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, dient er om de ontwikkeling mogelijk te maken een bestemmingsplan opgesteld te worden.
Het voorliggende bestemmingsplan 'Brabantpark, Lage Kant' biedt dus het juridisch planologische kader om de voorgestelde ontwikkeling ter plaatse mogelijk te maken.
1.3 Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en verbeelding. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende gedeelte van het plan. Daarop wordt een toelichting gegeven. In de onderhavige toelichting worden de uitgangspunten voor de planherziening weergegeven. Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk beleid dat op de beoogde ontwikkeling van toepassing is. De milieuaspecten worden behandeld in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vorm van het bestemmingsplan beschreven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde en tot slot wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke toetsing en overleg behandeld.
HOOFDSTUK 2 Gebiedsanalyse
2.1 Breda - Brabantpark
De wijk Brabantpark ligt in het oosten Breda, ingeklemd tussen de Teteringsedijk/spoorlijn aan de noordzijde, de Wilhelminasingel aan de westzijde, de Claudius Prinsenlaan aan de zuidzijde en de wijk Heusdenhout aan de oostzijde. De wijk lag tot het eind van de 19e eeuw geïsoleerd ten opzichte van de stad en bestond voornamelijk uit agrarisch terrein met akkers en weilanden. (Zie figuur 4) Grote delen van deze wijk behoren dan ook pas sinds 1927 tot het grondgebied van Breda. De bouw van het Sint Ignatiusziekenhuis aan de Wilhelminasingel was de eerste grote bouwactiviteit in 1919-1922.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402003.png)
Figuur 4: Historische kaart 1870 (bron: watwaswaar.nl)
Na de eerste annexatie in 1927 maakte ir. W.F. Schaap een uitbreidingsplan met daarin plannen voor een deel van het huidige Brabantpark. De ontwerpen uit deze periode zijn gebaseerd op de ideeën van de stadsbouwkunst, die de nadruk legde op theatrale en schilderachtige effecten van stedelijke compositie waarin de openbare ruimte centraal stond. Na de Tweede Wereldoorlog werden de uitbreidingsplannen naar het oosten opnieuw opgepakt. De buurten in het oostelijk deel zijn gebaseerd op zowel de parochie- als de functionalistische gedachte, met een overvloed aan licht, lucht en ruimte.
De wijk Brabantpark kan verdeeld worden in een zestal verschillende woonbuurten. De verschillende buurten hebben allemaal hun eigen karakter met waardevolle openbare ruimtes. De meeste buurten zijn ruim en groen opgezet. Het woningbouwprogramma bestaat voornamelijk uit eengezinswoningen en enkele middelhoge flats als accenten langs de randen De ontwikkelingslocatie is gelegen in de Ringenbuurt in de zuidoost hoek van de wijk Brabantpark.
De Ringenbuurt is in de jaren '60 gerealiseerd. De woonbuurt kent een heldere rationele structuur, met relatief veel groenvoorzieningen. De woonstraten bestaan uit ringen en hofjes. De woningen hebben minder architectonische detailleringen en de uitstraling is dan ook sober en eenvoudig. De overmaat van de openbare ruimte in het oostelijk deel draagt bij aan de ruimte opzet van de wijk. Er is ruimte voor allerlei functies, o.a. sportfaciliteiten. Het groene karakter wordt versterkt door de vele bomen die aanwezig zijn in het gebied.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402004.png)
Figuur 5: Ligging Ringenbuurt (bron: Gebiedsvisie Brabantpark)
2.2 Plangebied
Het plangebied is gelegen in het meest oostelijke deel van de Ringenbuurt. Ruimtelijk vormt het gebied tussen de Heusenhoutsestraat aan de noordzijde, sportpark Lage Kant aan de oostzijde, de Molenleij en sportpark Molenleij aan de zuidzijde en woonstraten Lage Kant – Nieuwe Inslag een eenheid. In het kader van dit bestemmingsplan vormt de Langveld de zuidelijke begrenzing.
Het gebied kent een open stedenbouwkundige structuur, bestaande uit een viertal gebouwen in wederopbouwarchitectuur, in een groene setting. Zowel de openbare ruimte als de galerijflats uit de jaren '50 kennen een sober maar eenduidig karakter. Door de stedenbouwkundige opzet en de eenduidigheid en soberheid van gebouwen en openbare ruimte, vormt het gebied een eenheid, ook al wordt het doorsneden door de Langveld. De kavel aan de noordzijde van het plangebied kent een groene setting die aansluit bij het groene karakter van het plangebied.
Samen met sportparken Lage Kant en Molenleij fungeert het plangebied als een groene buffer tussen de wijken Brabantpark aan de westzijde en het nieuwere Heusdenhout aan de oostzijde.
Het groene karakter van het plangebied bestaat uit een groen tapijt met bomen. De gebouwen zijn hier in oost-westrichting in geplaatst, met een grote onderlinge afstand. Hierdoor zijn vanaf de Lage Kant – Nieuwe Inslag groene doorzichten in oostwestrichting beleefbaar, waarin een duidelijk leesbare structuur van deels waardevolle bomen is te vinden. De knik in de gebouwen zorgt voor een bepaalde mate van intimiteit tussen de gebouwen. Een lichte glooiing in het terrein, waarachter het parkeren is 'verstopt', versterkt het groene karakter. Ook aan de westelijke zijde van het plangebied is het groene karakter duidelijk aanwezig door de vele bomen in de groene berm. Deze strook bepaalt mede het karakter van beide woonstraten. Door het ontbreken van een structuur van wandelpaden wordt het huidige groen nauwelijks gebruikt. De tussenruimtes verschillen onderling niet qua afmeting en sfeer, de groene ruimte wordt dan ook niet als bijzonder kwalitatief ervaren.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402005.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402006.png)
Figuur 6: Luchtfoto bestaande situatie (Google, 2011)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402007.png)
Figuur 7: Stedenbouwkundige structuur Lage Kant
De vier galerijflats worden gekenmerkt door de soberheid van de zogenaamde wederopbouwarchitectuur en zijn nagenoeg identiek aan elkaar. De gebouwen bestaan elk uit twee bouwdelen: een bouwdeel in oost-westrichting en een korter bouwdeel wat een knik maakt in noordelijke richting. Het bouwdeel in oost-westrichting bestaat uit 3 woonlagen, het korte bouwdeel uit 4 woonlagen. De gebouwen staan op een halfverdiepte plint van garages en bergingen, waarmee een zekere afstand tussen gebouw en maaiveld wordt gecreëerd. Dit is typisch voor de periode waarin deze flats gebouwd zijn. Veranderde eisen en woonwensen maakt behoud en verbouw van de bestaande gebouwen nagenoeg onmogelijk.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402008.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402009.png)
Figuur 8: Foto's bestaande situatie/omgeving
HOOFDSTUK 3 Beleid
In het recente vigerende en conserverende bestemmingsplan is reeds uitvoerig aan bestaande beleidskaders van rijk, provincie en de gemeente aandacht geschonken. Nu het onderhavige bestemmingsplan feitelijk handelt over een verandering van de gebruiksmogelijkheden, zal hierna bondig aandacht worden besteed aan relevant en/of gewijzigd beleid.
Voor zover de informatie raakvlakken heeft met de sectorale aspecten, worden de nota's in hoofdstuk 4 behandeld.
3.1 Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om die nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vastgesteld op 13 maart 2012 ter vervanging van onder meer de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving, de agenda Landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De forse bezuinigingsopgave maakt dat er scherp geprioriteerd moet worden. De financiële middelen zijn de komende jaren beperkt en private investeerders zijn terughoudender. Hierdoor vertragen projecten, worden deze heroverwogen of zelfs gestopt. Daarnaast werkt de huidige wijze van financiering van gebiedsontwikkeling niet meer. Nieuwe verdienmodellen en andere kostendragers zijn nodig om gebiedsontwikkeling weer van de grond te krijgen. Tegelijkertijd vragen grote opgaven op het gebied van concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid om rijksbetrokkenheid.
Omtrent het ontwerp van de structuurvisie vond inspraak plaats van 3 augustus tot en met 13 september 2011. Gelijktijdig is toen een wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ter inzage gelegd, als juridische vertaling van de visie. Per 1 oktober 2012 is dit geldende regelgeving.
Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
-
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
-
het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
-
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Het beleid ten aanzien van landschap is niet langer een rijksverantwoordelijkheid en wordt overgelaten aan de provincies. Op deze wijze komt ruimtelijke ordening dichter bij de burger en bedrijven te staan. Dit heeft tot gevolg gehad dat er minder nationale belangen zijn vastgesteld. Met de SVIR heeft het Rijk dertien nationale belangen benoemd waarbij zij de kaders vaststelt:
-
Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
-
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
-
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
-
Efficiënt gebruik van de ondergrond;
-
Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
-
Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;
-
Het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen;
-
Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
-
Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
-
Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
-
Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
-
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
-
Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.
Voor deze 13 belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Ingegaan wordt op punt 3, waarborgen kwaliteit leefomgeving:
Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is per 1 oktober 2012 een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze ladder is een procesvereiste. Dit houdt in dat bij ruimtelijke besluiten moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De ladder werkt met de volgende opeenvolgende stappen:
-
beoordeling door betrokke
overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale en intergemeentelijke behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen waarin nog niet elders is voorzien. Naast de kwantitatieve beoordeling (aantal hectares of aantallen woningen) gaat het ook om kwalitatieve vraag (bijvoorbeeld een bedrijventerrein waar zware milieuhinder mogelijk is of een specifiek woonmilieu) op regionale, intergemeentelijke schaal. Het passende regionale schaalniveau wordt voornamelijk bepaald door het woon-werkverkeer;
-
indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen betrokken overheden of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten;
-
indien herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn in het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (1 oktober 2012, hierna Barro) geborgd. In het Barro is een aantal projecten die van rijksbelang zijn, genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project zijn vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt, zijn:
-
de mainportontwikkeling van Rotterdam;
-
de bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren;
-
de bescherming en behoud van de Waddenzee;
-
de bescherming en behoud van enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam;
-
de uitoefening van defensietaken;
-
veiligheid rond rijksvaarwegen;
-
toekomstige uitbreiding van hoofd(spoor)wegennet;
-
de elektriciteitsvoorziening;
-
de ecologische hoofdstructuur (EHS);
-
de veiligheid en bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
-
toekomstige rivierverruiming langs de Maas;
-
verstedelijking in het IJsselmeer;
-
duurzame verstedelijking.
Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de SVIR (paragraaf 3.2.1). Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en vermindering van de bestuurlijke drukte. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad kunnen leiden tot een versnelde uitvoering van die projecten.
Van de onderwerpen die in het Barro geregeld worden, is voor dit bestemmingsplan alleen punt 13 (duurzame verstedelijking) van belang. De ladder die daarbij gehanteerd wordt is bij de Structuuvisie Infrastructuur en Ruimte reeds omschreven.
Uitoefening van defensietaken
Voor het plangebied geldt dat in het Barro regels zijn opgenomen inzake de uitoefening van
defensietaken. Het plangebied ligt namelijk in het obstakelbeheergebied van het militaire
luchtvaartterrein Gilze-Rijen (figuur 3.1).
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402010.jpg [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402010.jpg)
Figuur 9: Obstakelbeheergebied militair luchtvaartterrein - vliegbasis Gilze-Rijen [uit: Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, bijlage 3.6]
Een obstakelbeheergebied kenmerkt zich door – gezien vanuit het vliegveld – een aantal vlakken
waarvan de hoogte oploopt met het toenemen van de afstand tot het luchtvaartterrein. Het
obstakelbeheergebied bepaalt tot welke hoogte gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden.
Dit is ter voorkoming van gevaar voor het vliegverkeer rond de luchthaven ter waarborging van veilige
vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. De obstakelvrije zone rondom het vliegveld
Gilze-Rijen is opgebouwd uit drie componenten:
-
Invliegfunnel: Dit zijn de start- en landingsvlakken met zijkanten, die zijn vastgesteld in het verlengde van de starten landingsbaan. Hiervoor gelden hoogtebeperkingen als het gaat om het oprichten van hoge obstakels. Voor het plangebied geldt een maximale bebouwingshoogte ten aanzien van de invliegfunnel van zo'n 160 meter boven NAP.
-
Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS): Het IHCS heeft tot doel vliegtuigen die in het circuit vliegen (circuitverkeer), voorafgaand aan de landing, te beschermen tegen hoge objecten. Dit is uitgewerkt in een zogenaamde 'pannenkoek', een ovaalvormige zone rondom de gehele luchthaven met een straal van circa 4 km rond de landingsbaan, waarin de maximale bouwhoogte maximaal 56 meter (vanaf NAP) bedraagt en dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 5% over een afstand van 2 km. Dit gebied is vastgesteld ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid. Over het plangebied ligt geen IHCS.
-
Instrument Landing System (ILS): Vliegbasis Gilze-Rijen beschikt over een 'Instrument Landing System' (ILS). Het ILS is bedoeld voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen door vliegverkeer, ook onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in een gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Objecten, vast (gebouwen, windmolens, bomen, etc) en mobiel (bouwkranen, heistellingen, etc) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur, omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Het verstoringsgebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Over het plangebied ligt geen ILS.
Aangezien in het plangebied geen bouwwerken hoger dan 10 meter voorkomen of mogelijk worden
gemaakt, heeft de aanwezigheid van de invliegfunnel geen consequenties voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Barro is ook het nationaal belang, 'ladder voor duurzame verstedelijking', opgenomen. Doel van
de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een
optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking
wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele
besluiten nagestreefd. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.
Allereerst dient bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling de vraag beantwoord te worden of er een
regionale behoefte is (trede 1). Zo ja, dan dient bekeken te worden of deze behoefte op te vangen is
binnen het bestaand stedelijk gebied (trede 2). Zo ja, dan is de beantwoording klaar. Zo nee, dan dient
een locatie gezocht te worden die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende
regionale behoefte (trede 3).
In dit geval betreft het een herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Derhalve is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die conform de 'ladder' gemotiveerd moet worden.
Conclusie
Gezien de maximale toegestane hoogtematen in het plangebied is voorliggend bestemmingsplan niet
in strijd met het nationale belang 'uitoefening van defensietaken'. Daarnaast geldt dat in het plangebied geen nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Een toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is derhalve niet aan de orde. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur. Verder worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen.
Onderhavig bestemmingsplan is niet in strijd met het rijksbeleid.
3.2 Provinciaal en regionaal beleid
Met de komst van de Wro in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aangeven en de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig stellen.
Structuurvisie ruimtelijke ordening
Dde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening is een strategisch plan van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen genoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in deze visie. De visie is oorspronkelijk vastgesteld in 2010 en wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie betreft die van 19 maart 2014.
De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied, om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Bij de opgave voor wonen en werken wordt het accent sterker verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructurering en het beheer van het bestaand stedelijk gebied.
Rond de steden is de schaal van de verstedelijkingsopgave van een andere orde, dan in de gebieden aan de randen van Brabant. Door de verstedelijking te concentreren zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te houden en verder te ontwikkelen. Dat gebeurt rond goed ontsloten gebieden, zoals in dynamische stadscentra en op knooppunten van infrastructuur.
Binnen de stedelijke structuur worden twee ontwikkelingsperspectieven onderscheiden:
-
In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale ruimtelijke overleggen. Zorgvuldig ruimtegebruik is één van de voorwaarden bij het maken van regionale afspraken. Het stedelijk concentratiegebied vangt per saldo het migratieoverschot van de hele provincie op.
-
Het overig stedelijk gebied (landelijke regio's) met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorziet in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte. Grootschalige verstedelijking is ongewenst en voor woningbouw geldt het principe 'bouwen voor migratiesaldo-nul'.
Bij de opvang van de verstedelijkingsbehoefte wordt het accent sterker verlegd van nieuwe uitleg naar het bestaand stedelijk gebied, door in te zetten op herstructurering en onderhoud. Beheer en (her)ontwikkeling van de bestaande voorraad vragen specifieke aandacht. Er wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik door de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de gebiedskenmerken en kwaliteiten van de omgeving.
Voor heel Noord-Brabant zijn gebiedspaspoorten opgesteld. In de gebiedspaspoorten is aangegeven welke landschapskenmerken bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype. Daarnaast zijn de provinciale ambities weergegeven voor de ontwikkeling van de landschapskwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen kunnen een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe en gebiedseigen kwaliteiten.
De rol van de provincie in de regionale samenwerking is drieledig. Op de eerste plaats ziet de provincie er op toe dat er regionale afspraken ten aanzien van de verstedelijkingsopgave worden opgesteld en nageleefd. Het regionale overleg en de regionale afstemming hebben daarom een juridische basis in de Verordening ruimte, waarover hierna meer. Het gaat dan om de planning, zowel wat betreft aantallen als kwaliteiten van de opgave voor wonen, werken en voorzieningen.
Daarnaast heeft de provincie vanuit haar gemeente-overstijgende blik een rol als facilitator en regisseur van de regionale ruimtelijke overleggen.
Tenslotte neemt de provincie vanuit haar eigen visie en belang een deel van de opgave voor haar rekening. De ontwikkelende rol van de provincie richt zich op een select aantal provinciale gebiedsontwikkelingen en thematische ontwikkelingen.
Conclusie
De planlocatie maakt onderdeel uit van een gebied, geduid als Brabantstad/Economisch kenniscluster (figuur 9), aldus de Visiekaart. Op de Structurenkaart is het gebied geduid als stedelijk concentratiegebied.
Verordening ruimte
De Wro geeft de provincie meer invloed op het gebied van ruimtelijke ordening. Eén van de instrumenten is het geven van instructieregels aan gemeenten: de planologische verordening. Een gemeente moet met deze regels rekening houden bij het opstellen van bijvoorbeeld bestemmingsplannen.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402011.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402012.png)
Figuur 10: Uitsnede kaart Verordening Ruimte
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 en 14 maart 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. In de Verordening ruimte zijn regels opgenomen met betrekking tot stedelijke ontwikkeling (onder andere op het gebied van wonen en werken), ecologische hoofdstructuur (EHS), waterberging, intensieve veehouderij, glastuinbouw en RuimtevoorRuimte. Ook bevat de Verordening regels voor een groot aantal andere aspecten, waaronder windturbines, bovenregionale detailhandel en leisure, grondwaterwinning en hoogwaterbescherming. Alsmede een regeling met betrekking tot compensatie bij wijzigingen van de EHS-begrenzing en er is een zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en investeringsregels voor landschapsontwikkeling geïntroduceerd.
De regels zijn een doorvertaling van het provinciaal beleid zoals dat is opgenomen in de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Stedelijke ontwikkelingen zien op nieuw ruimtebeslag of uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. De begrenzingen van de stedelijke en landelijke regio's zijn vastgelegd in de kaarten.
De provincie heeft aangegeven waar het bestaand stedelijk gebied en de zoekgebieden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen een plek mogen krijgen. De regels zorgen ervoor, dat eerst in het bestaand stedelijk gebied naar bouwmogelijkheden wordt gezocht, voordat de zoekgebieden mogen worden benut.
Er liggen tal van mogelijkheden om het bestaand stedelijk gebied beter te benutten door inbreiden en herstructureren en intensief en meervoudig ruimtegebruik. Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij – binnen de grenzen van andere wetgeving – om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Wel bevat de Verordening ruimte specifieke regels voor nieuwbouw van woningen. De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. Voor de planlocatie geldt dat deze in het bestaand stedelijk gebied gelegen is, zoals blijkt uit figuur 9.
Conclusie
De ontwikkeling ziet op herstructurering van het gebied 'Lage Kant' binnen het bestaande stedelijke gebied / stedelijk concentratiegebied. Er is derhalve sprake van wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur.
De voorliggende ontwikkeling is gelegen in bestaand stedelijk gebied en betreft herstructurering. Het aantal woningen zal in dit gebied afnemen.
3.3 Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Breda 2030
Op 26 september 2013 is de Structuurvisie Breda 2030 vastgesteld. De Structuurvisie Breda 2030 heeft betrekking op het gehele grondgebied van Breda en op alle ruimtelijk relevante thema's. Bij vaststelling van de Structuurvisie Breda 2030 zijn diverse oude visies en beleidsnota's ingetrokken. De Structuurvisie Breda 2030 is een kaderstellende visie die gebruikt wordt als basis voor de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven, voor nieuw op te stellen bestemmingsplannen en voor andere ruimtelijke besluiten.
Er gelden drie hoofdlijnen voor de (ruimtelijke) ontwikkeling van Breda. Knooppunt Breda: gaat er van uit dat we de economische kracht en regionale positie verder benutten en uitbouwen. Breda Markstad: gaat er van uit dat we kansen en kwaliteit van het water gebruiken bij ontwikkeling. Breda Mozaïek: heeft de diversiteit aan karakteristieken als basis voor gebiedsopgaven. De drie hoofdlijnen vertegenwoordigen de drie P's, Knooppunt gaat vooral over 'Profit', Markstad over 'Planet' en Mozaïek vooral over 'People'. Evenwichtige aandacht voor alle drie deze drie hoofdlijnen vormt een toekomst-bestendige, solide basis voor de ontwikkeling van Breda.
Wonen
De komende tijd is er sprake van een bevolkingstoename, vooral alleenstaanden en eenoudergezinnen. Op de woningmarkt vindt een verschuiving plaats van koop naar huur. De bestaande woningvoorraad is van belang, verduurzaming is hier het sleutelwoord. De vergrijzing zal gaan zorgen voor minder doorstroming. Het is zaak om realistisch te programmeren en vooral te faseren. Aandacht voor jonge huishoudens, studenten en geschikt wonen voor iedereen blijft een uitgangspunt. Breda ondersteunt initiatieven en kiest voor een differentiatie in woonmilieus. De focus ligt op herprogrammering en het ombuigen van bestaande plannen, ook de verbouw van kantoren tot woningen is een nader te verkennen optie. Concreet betekent dit alles dat er vraaggericht ontwikkeld gaat worden.
Vertaald naar de bestaande woningvoorraad, geven de accenten voor het woonbeleid het volgende beeld:
-
Verduurzaming;
-
Bevorderen doorstroming;
-
Beleid rond woningsplitsing/ kamerverhuur/ inwonen/ samenwonen;
-
Renovatie en groot onderhoud in plaats van sloop (vooral op de langere termijn);
-
Sloop/ vervanging (vooral op de lange termijn);
-
Verdunnen in compact stedelijke woonmilieus en verdichten in centrum stedelijk en dorpse woonmilieu (nabij voorzieningen).
Zorg- en welzijn
De wijk of het dorp is het niveau waarop de ondersteuning van mensen met een beperking wordt gerealiseerd, tenzij de ondersteuning om een andere schaal en professionaliteit vraagt. Mensen met een zorgvraag maken deel uit van de dorps- en wijkgemeenschap. Voor die ondersteuning wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van het aanwezige maatschappelijke vastgoed, bijvoorbeeld door dagbesteding te organiseren in wijkaccommodaties. Het onderscheid tussen voorzieningen voor mensen met beperkingen en voor verenigingsleven vervaagt. Er wordt gebruik gemaakt van dezelfde voorzieningen die goed bereikbaar en flexibel zijn. Bestemmings- en beleidsplannen moeten ruimte bieden voor woonvormen waarin mensen met beperkingen of hun mantelzorgers zelf hun zorg kunnen organiseren. Dit geldt bijvoorbeeld het plaatsen van mantelzorgwoningen en vormen van gezamenlijk wonen.
Conclusie
De structuurvisie gaat uit van vraaggericht ontwikkelen. De bestaande woningvoorraad mag volgens de structuurvisie worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Tot slot staat in de structuurvisie dat ruimte moet worden geboden voor bijzondere woonvormen, zoals mantelzorgwoningen en vormen van gezamenlijk wonen.
De beoogde ontwikkeling is gericht op een specifieke vraag, namelijk: de verplaatsing van een woon-zorgcomplex. De bestaande woningen worden gesloopt en daarvoor in de plaats worden vormen van gezamenlijk wonen gerealiseerd in het woon-zorgcomplex met daarnaast (zorg)woningen. Derhalve past de ontwikkeling binnen de Structuurvisie Breda 2030.
Verzilvering@Breda
Verzilvering@Breda is het actieplan 'Wonen, zorg en welzijn' voor de periode 2011-2015. Het college geeft hiermee invulling aan de raadsmotie van december 2010, waarin gevraagd wordt om toegankelijke en kwalitatief goede woon- en zorgvoorzieningen te realiseren voor ouderen en mensen met beperkingen.
Zorginstellingen kunnen een wijkfunctie vervullen. Uitgangspunt is niet de wijkbewoners in de zorgcentra te brengen, maar de zorg naar de wijk.
Wonen
Op dit moment zijn er 5.500 nultreden woningen en 3.000 levensloopgeschikte woningen. In de komende vijf jaar bouwt men ruimt 1.000 levensloopgeschikt- of nultreden woningen bij.
Op het terrein van wonen heeft woningbouwcorporatie WonenBreburg 43 nultreden woning in de Driesprong in ontwikkeling. Op het welzijnsgebied en ondersteunende diensten wordt Wijkwijs gerealiseerd in Brabantpark en in Heusdenhout. Tijdens kantooruren kunnen wijkbewoners die hulp nodig hebben bij het gebruik van deze digitale vraagbaak terecht in de bibliotheek Brabantpark en in het Houwke. Tevens worden haal- en brengdiensten gerealiseerd vanuit 'Houwke' en de Leystroom.
Conclusie: In Brabantpark/Heusdenhout is er na 2015 een overschot aan beschermd- en nultreden wonen. Verzorgd wonen is qua capaciteit en behoefte redelijk in balans. Er is een groot tekort aan levensloop geschikt wonen.
Brabantpark/Heusdenhout 2010-2015
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402013.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402013.png)
Conclusie
De Leystroom aan de Brabantlaan heeft momenteel een capaciteit van 80 intramurale plaatsen. Na verplaatsing naar de Lage Kant heeft zij een capacitieit van 66 intramurale plaatsen. Daarnaast worden aan de Lage Kant 16 woningen (met mogelijkheden voor zorg in de directe nabijheid) gerealiseerd. Er vindt derhalve alleen een verschuiving plaats van het aantal zorgwoningen en geen toevoeging.
3e Voortgangsrapportage Stedelijke (her)programmering
Met de3e Voortgangsrapportage, wordt een update gegeven over de stand van zaken rondom stedelijke programmering. De centrale opgave blijft een realistisch stedelijk programma dat door de markt opgepakt en uitgevoerd wordt. Noodzakelijk is dat de gemeente vanuit haar rol en verantwoordelijkheid hierin regie blijft voeren. Gelet op de huidige transitiefase en reeds bestaande nog niet gerealiseerde voorraad aan projecten die dateren uit een andere periode, is het van belang dat projecten bijgesteld worden. Het gaat daarbij om herontwikkeling, heroverweging, faseren en doseren van projecten en faciliteren met planologisch instrumentarium. Dit voor de komende periode van tien jaar en met als doel dat projecten goed aansluiten bij de behoefte en ook daadwerkelijk gerealiseerd worden.
De conclusies van het planningskader in relatie tot de stedelijke programmering zijn onder andere:
-
Het stedelijk programmeringskader bedraagt voor de komende tien jaar: 6065 woningen.
-
Gelet op de omvang van de planvoorraad in de harde plancapaciteit (4.996 woningen) en de minimaal gewenste planvoorraad van 3.100 kan geconcludeerd worden dat dit ruim voldoende is om de 1ste vijfjaars periode planologisch juridisch geborgd te hebben.
-
Gelet op de huidige marktomstandigheden kan ervan uitgegaan worden dat indien de kwaliteit van projecten niet aansluit bij de marktvraag er niet gestart wordt met de bouw.
-
Van belang blijft om de programmatische ruimte gedoseerd en weloverwogen toe te bedelen aan projecten.
-
Op dit moment zijn er circa 700 woningen in projecten opgenomen waarvoor de planvorming is gestart. Deze zullen ter zijner tijd aan de commissie Ruimte ter bespreking worden aangeboden. Van belang is dat deze geprioriteerd en gedoseerd worden over de tijdsperiode. Dit met als hoofddoel een realistisch en uitvoerbaar programma dat goed aansluit bij de marktvraag.
-
Gelet op de leerervaringen vanuit het bijsturen blijft het van belang niet alles vroegtijdig te verankeren in een bestemmingsplan. Dit om de gewenste flexibiliteit te behouden.
-
Gelet op het voorkomen van ongezonde concurrentie met de bestaande (plan) voorraad is van groot belang plannen op het juiste moment in procedure te brengen.
Productie komende vijf jaar (2013- 2017)
Gelet op de wenselijke nieuwbouwproductie wordt ruim aan de gemiddelde en in de regio afgesproken norm voldaan. Méér bouwen dan deze gemiddelde norm kan zorgen voor een ongezonde concurrentie met de bestaande voorraad en zal zich door vertalen naar de regio.
Conclusie
De bestaande 4 complexen met 108 appartementen worden gesloopt. Het nieuwe woon-zorgcomplex bestaat uit 66 intramurale wooneenheden, onderverdeeld in 8 groepen. Daarnaast worden 16 woningen (met mogelijkheden voor zorg in de directe nabijheid) gerealiseerd. Er worden derhalve 26 woningen minder teruggebouwd. De woningvoorraad op de locatie Lage Kant neemt zelfs af. De ontwikkeling past in het stedelijk programmeringskader omdat de plancapaciteit voor de komende tien jaar door het voorliggende plan niet wordt overschreden.
3.4 Toetsing beleidskaders
Het bestemmingsplan 'Lage Kant Breda' ziet op de herstructurering van de huidige woonbebouwing ter hoogte van de Lage Kant, Brabantpark te Breda. Door wijziging van de bestemming worden met name de bouwmogelijkheden gewijzigd.
Duurzame ontwikkeling
De sloop en nieuwbouw ter plaatse van het plangebied 'Lage Kant' kan aangemerkt worden als herstructurering van de voormelde gronden. In het Besluit ruimtelijke ordening is de duurzaamheidsladder opgenomen. Nieuwe ontwikkelingen dienen aan de 3 fasen van de duurzaamheidsladder te worden getoetst.
-
De ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag.
Uit onderzoek door Woningcorporatie WonenBreburg is gebleken dat het aanbod aan kleinschalig wonen met ondersteuning en/of zorg voor ouderen momenteel in de wijk Brabantpark onvoldoende is. Daarnaast kent de wijk Brabantpark aan de Lage Kant enkele appartementengebouwen die niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd. Door herstructurering/vervangende nieuwbouw op deze locatie kan aan de vraag om kleinschalig 'zorgwonen' worden voldaan en wordt tevens een kwalitatieve impuls aan het gebied gegeven. Behoud van de gebouwen is niet meer mogelijk. Het is duurzamer in te springen op de vraag vanuit de markt en een nieuw toekomstbestendig gebouw te realiseren.
Bovendien worden op de locatie 108 woningen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 66 intramurale wooneenheden en 16 woningen (met mogelijkheden voor zorg in de directe nabijheid) teruggebouwd. Er wordt derhalve ook voldaan het kwantitatief woonprogramma.
-
Realisatie vindt plaats binnen het bestaand bebouwd gebied in de regio, tenzij dat niet mogelijk is.
De herstructureringslocatie ligt binnen de begrenzing van het bestaand bebouwd gebied.
-
De locatie is of wordt multimodaal ontsloten.
Brabantpark wordt door een aantal buslijnen ontsloten. Lijnen 1 en 7 richting Brabantpark en Heusdenhout vormen de belangrijkste verbinding tussen het centraal station en de binnenstad enerzijds en de wijken anderzijds. Via de St. Ignatiusstraat rijdt de bus de wijk in en maakt een lus door Brabantpark en Heusdenhout via de Lage Kant, Heerbaan, Tilburgseweg en Brabantplein.
Fietsverkeer
Het grootste deel van het plangebied bestaat uit erftoegangswegen waarbij het langzaam verkeer gemengd wordt afgewikkeld met het autoverkeer. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het hoofdfietsnetwerk en een aanvullend net van recreatieve en aanvullende routes. Het hoofdfietsnetwerk bestaat uit de route via de Claudius Prinsenlaan en de Beverweg richting Kapittelweg en een route via de St. Ignatiusstraat – Teteringsedijk – Tilburgseweg. Het aanvullende secundaire netwerk bestaat uit de route vanaf de Teteringsedijk via Hoogeind naar Hooghout en de routes over de Lage Kant/Nieuwe Inslag en de Heusdenhoutseweg. Deze routes sluiten aan via Langveld en de Weilustlaan op de Heerbaan. Deze laatste is ook een hoofdroute.
Parkeren
De parkeernormen zijn vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening waarin verwezen wordt naar het in 2004 door de gemeenteraad vastgestelde parkeerbeleid (Nota Parkeer- en stallingsbeleid Breda (herzien in voorjaar 2013)). In de planregels van onderhavig bestemmingsplan zijn de parkeernormen uit dit parkeerbeleid van toepassing verklaard. Bij nieuwbouw, verbouw, functieverandering en –uitbreiding geldt de gemeentelijke parkeernorm. De parkeerplaatsen dienen in principe op eigen terrein te worden gerealiseerd, en deels op openbaar gebied bijvoorbeeld voor bezoekers.
Conclusie
Zoals hiervoor beschreven voldoet het plan het rijks- en provinciale beleid ten aanzien van de duurzaamheidsladder. De voorliggende ontwikkeling betreft een specifieke marktvraag, is gelegen in een stedelijk concentratiegebied en voldoet aan de woningbouwprogrammering. Op basis van het hiervoor beschrevene kan geconcludeerd worden dat de beoogde herstructurering past binnen de gestelde beleidskaders.
HOOFDSTUK 4 Doelstelling van het bestemmingsplan
4.1 Beoogde situatie
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402014.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402014.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402015.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402015.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402016.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402016.png)
Figuur 11: Impressie aanzichten nieuwe bebouwing
Woningcorporatie WonenBreburg wenst de huidige woningbouwlocatie 'Lage Kant' te herontwikkelen en in te spelen op de actuele vraag vanuit de woningmarkt. Het aanbod aan kleinschalig wonen met ondersteuning en/of zorg voor ouderen is momenteel onvoldoende in de wijk Brabantpark aanwezig. Het bestaande, verouderde woon-zorgcomplex De Leystroom zal worden verplaatst naar de onderhavige locatie.
De huidige 4 appartementengebouwen op de locatie, zie figuur 11, voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd en passen niet in de gebiedsanalyse zoals deze is opgesteld door het bureau SOAB (februari 2008). Door de sloop van de 4 appartementengebouwen ontstaat er ruimte voor het bovengenoemde zorgprogramma. Daarnaast biedt de vrijkomende locatie ruimte voor regulier wonen met extramurale zorgmogelijkheden en tal van ondersteunende functies.
Insteek is om de kwaliteiten van de huidige stedenbouwkundige structuur als uitgangspunt te gebruiken voor de nieuwe invulling van het plangebied, zie figuur 11.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402017.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402017.png)
Figuur 12: Schets behorend bij Principebrief van de gemeente Breda d.d. 17 september 2013
De gebouwen staan recht in het groen, de openbare ruimte is een doorlopend groen 'tapijt' waarin bomen staan. Zowel in oost-westrichting als in noord-zuidrichting is er een grote mate van openheid te ervaren. De doorzichten richting het sportpark blijven behouden. De ruimte rondom de gebouwen is openbaar. Er zijn geen tuinen of andere private buitenruimten aanwezig tussen gebouwen en openbare ruimte. De zone tussen gebouw 2 en 3 vormt hierop een uitzondering. Deze buitenruimte, tussen de gebouwde verbindingen, kan een centrale ontmoetingsplek zijn en toegang bieden tot de verschillende woongroepen, maar kan afwisselend ook een groene ruimte zijn waarin de buitenruimte van de verschillende woongroepen wordt ingepast. De verbindingen tussen de gebouwen 2 en 3 zijn zo transparant mogelijk en zorgen ervoor dat het doorzicht in oost-westrichting behouden blijft. Groen kan wel ingezet worden om de overgang tussen de gebouwen en de openbare ruimte vorm te geven, bijvoorbeeld in de vorm van smalle hagen. Deze groenstructuren zorgen niet alleen voor een overgang, maar voorkomen tevens dat de gebouwen de ruimte rondom gaan occuperen in de loop van de tijd.
Het groen om en tussen de gebouwen is onderdeel van een grotere doorlopende groenzone tussen Brabantpark en Heusdenhout. Het groene karakter sluit dan ook aan bij de stedenbouwkundige structuur van de woonwijk. De ruimtes tussen de bebouwing dienen meer belevingswaarde te krijgen en zich op subtiele wijze van elkaar te onderscheiden, zonder de eenheid van het totale gebied aan te tasten. Om het groene karakter van de omliggende ontsluitingsstructuur te behouden, zijn de stroken rondom de woonblokken met de bestemming groen opgenomen.
Programma
Het programma in het plangebied zal voornamelijk bestaan uit (zelfstandige of onzelfstandige) zorgwoningen en de daarbij behorende ondersteunende zorgvoorzieningen, aangevuld met reguliere (zelfstandige) woningen. Hierdoor wordt het zorgprogramma opgenomen in de wijk en onderdeel van de maatschappelijke beleving. Dit wordt versterkt door functies die een maatschappelijke rol spelen voor heel de wijk aan de westzijde van het plangebied te organiseren.
Meer specifiek bestaat het programma voor de nieuwbouw aan de Lage Kant uit 66 intramurale verpleegplaatsen in 8 woongroepen en 16 extramurale (zorg)appartementen (reguliere woningen) en ondersteunende voorzieningen (ca. 1.000 m² bvo). De ondersteunende voorzieningen zullen bestaan uit een multifunctionele recreatiezaal, restauratieve voorzieningen, behandelruimten, kantoren, personeelsruimten, vergaderruimten, facilitaire ruimten, een fietsenstalling, een afvalinzamelruimte en een wintertuin. Dit programma wordt ondergebracht in de vier bouwdelen van twee bouwlagen met kap. In de kap bevinden zich geen functies.
Blok 1 knikt met het Langveld mee en heeft ter plaatse van de knik een centrale entree. De begane grond is transparant ter plaatse van de entree, de wintertuin en de recreatieve ruimten zodat deze functies een relatie hebben met de Lage Kant en het Langveld. De ruimten voor behandeling, personeel en facilitair zijn meer gesloten. Op de verdieping zijn twee woongroepen somatiek ondergebracht. Twee dakterrassen aan weerszijden van de centrale wintertuin vormen uitsneden die de bouwmassa verluchtigen.
In de blokken 2 en 3 zijn de zes woongroepen psychogeriatrie ondergebracht: elk op de begane grond twee groepen en op de verdieping één. De twee blokken kaderen samen met de verbindingsgangen een besloten gebruikstuin voor de bewoners af. Elke woongroep op de begane grond heeft een eigen entree aan de buitenzijde van het carré. De groepswoningen op de verdieping hebben een directe ontsluiting naar het openbare gebied via een lifthal. Op de verdieping van blok 2 zijn rondom de lifthal ook de kantoorfuncties van De Leystroom ondergebracht.
Blok 4 bevat in totaal 16 appartementen (met mogelijkheden voor zorg in de directe nabijheid) en knikt evenals blok 1 in noordelijke richting zodat het binnengebied zich hier opent richting sportvelden. De 8 appartementen op de begane grond hebben een directe toegang vanaf maaiveld en de 8 appartementen op de verdieping worden ontsloten via een centrale lifthal en een open galerij.
Architectuur
De vier blokken zijn in architectonische zin familie van elkaar en vormen derhalve een rustige eenheid. De hoofdopzet is: gemetselde blokken met een zadeldak. Behalve door de knikken worden de blokken verder verbijzonderd door enkele uitsneden. Blok 1 komt wat los van de grond door de uitsneden op de begane grond en de transparantie van de entree, wintertuin en recreatieruimten. In blok 2 en 3 ontstaat een lessenaarsdak aan de Lage Kant door de uitsneden op de verdieping ten behoeve van de daktuinen en -terrassen. In blok 4 vormen de entreenissen en de balkons van de individuele woningen uitsneden uit het bouwblok. De verbijzonderingen worden versterkt door de gevels van de uitsneden een houten bekleding te geven. In figuur 10 is een impressie van de gevelaanzichten weergegeven.
Openbare ruimte
Gelet op de kwaliteit van de huidige stedenbouwkundige structuur, is aandacht gegeven aan de inrichting van de open ruimten. Deze kwaliteit bestaat uit een eenduidige, sobere en groene openbare ruimte, in de vorm van gazon waarop bomen staan 'gestrooid'.
Tevens is weinig tot geen hiërarchie in de openbare ruimte, wat tot deze sterkte eenheid leidt. De ruimtes om en tussen de gebouwen, tot aan de gevels en tot aan de loopverbindingen zijn en blijven volledig openbaar. De ruimte tussen de loopverbinding vormt hierop een uitzondering. De gebouwen zijn gelijkmatig over het plangebied verdeeld, waardoor de groene doorkijken, zoals die momenteel aanwezig zijn, worden gerespecteerd. Gesloten verhardingen worden zo minimaal mogelijk toegepast, slechts daar waar het noodzakelijk is. Dit is met name het geval waar de parkeervoorzieningen worden beoogd.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402018.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402018.png)
Figuur 13: Impressie beoogde inrichting plangebied (qua bebouwing en landschapsinrichting)
De bestaande bomen zullen waar mogelijk worden gehandhaafd. Het openbaar gebied is voorzien van beperkte verharding voor voetgangers, waardoor er de mogelijkheid bestaat om een ommetje te maken in het openbaar toegankelijk gebied. Het aantal paden blijft echter wel beperkt. Aan de noordzijde van blok 3 wordt een zogenaamde kiss and ride-strook beoogd, welke zal worden gerealiseerd in grasstenen, zodat het groene karakter van het gebied zoveel als mogelijk wordt behouden.
4.2 Verkeer
Volgens het gemeentelijk parkeerbeleid dient bij nieuwe ontwikkelingen op het eigen terrein voorzien te worden in de parkeerbehoefte. Er wordt afgeweken van dit principe om de parkeerplaatsen direct toegankelijk te maken vanaf de Lage Kant. De eigendomsgrens is gelegen op enige afstand van de Lage Kant. Door het huidige ontwerp wordt de verkeersstructuur als samenhangend geheel aan elkaar gekoppeld en wordt het groen in zo groot mogelijke eenheden behouden.
In de bestaande Nota Parkeer- en Stallingsbeleid Breda uit 2004 en de herijking van het parkeerbeleid, de aanvulling zoals vastgesteld in juni 2013, zijn de parkeernormen te vinden. Voor de onderhavige ontwikkeling is, gelet op het Parkeer- en Stallingsbeleid van de gemeente Breda, ruimte gereserveerd voor parkeren. Voor het woon-zorgcomplex is rekening gehouden met 35 parkeerplaatsen, waarvan 6 voor mindervaliden. Ten behoeve van de appartementen die als reguliere woningen worden gerealiseerd, is rekening gehouden met 28 parkeerplaatsen. (66 x 0,6, parkeernorm zorgwoningen + 16 x 1,5, parkeernorm appartementen = totaal 64 parkeerplaatsen)
Er worden geen parkeerplaatsen aangebracht in de ruimte tussen gebouw 3 en 4. In het verlengde van gebouw 2, 3 en 4 zullen direct aan de straat Lage Kant haakse parkeerplaatsen worden aangelegd. Om daarbij mogelijke barrièrewerking tussen de straat en de groenstructuur te voorkomen en om openheid en zichtlijnen in stand te houden, zijn de parkeerplaatsen verdeeld over meerdere parkeerkoffers.
HOOFDSTUK 5 Milieu en landschap
Het onderhavige plan biedt gewijzigde gebruiks- en bouwmogelijkheden ten opzichte van het bestemmingsplan 'Brabantpark'. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de aspecten bodem, archeologie, water, ecologie, milieuhinder, geluidhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid.
5.1 Bodem
Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit en kan slechts achterwege blijven als er (nagenoeg) niet voortdurend mensen verblijven.
Door haar industriële verleden kent Breda plaatselijke bodemverontreinigingen. De gemeente Breda inventariseert zelf (mogelijk) verontreinigde locaties en combineert deze informatie met de vele bodemonderzoeken die worden uitgevoerd bij bouw, aan-/verkoop en grondverzet. Al deze informatie is beschikbaar in bodeminformatiesystemen en wordt gebruikt bij beoordeling en advisering.
De tijd dat bodemverontreiniging geheel moet worden weggenomen is voorbij. Begin 2009 heeft de gemeente Breda haar eigen bodembeleid vastgesteld met de nota 'De Bredase grondslag'. De aanpak van verontreiniging wordt voortaan afgestemd op de functie. De belangrijkste criteria voor de keuze van saneringsmaatregelen zijn de risico's voor gezondheid of milieu die de verontreiniging kan vormen. Om kansen te benutten en problemen te voorkomen is het van belang dat er bij nieuwe ontwikkelingen tijdig kennis is van de bodemkwaliteit.
Een verkennend bodemonderzoek dient uitgevoerd te worden conform de NEN5740 en dient gebaseerd te zijn op een historisch onderzoek conform de NEN5725. De gemeente Breda toetst de uitkomsten van een bodemonderzoek aan de Wet bodembescherming en het Bredase bodembeleid.
Zo wordt bepaald of de kwaliteit van de bodem voldoet en of er maatregelen als beheer of sanering nodig zijn. De uiteindelijke bodemkwaliteit moet steeds voldoen aan de functie.
De gemeente Breda heeft een bodemkwaliteits- en functiekaart vastgesteld, die bepaalt welke kwaliteit grond in welk gebied mag worden toegepast. Hierbij is het uitgangspunt dat de natuurlijke achtergrondkwaliteit van de bodem niet mag verslechteren. De natuurlijke kwaliteit van de bodem kan per gebied variëren. De inzet van hergebruiksgrond wordt zoveel mogelijk bevorderd.
Conclusie
Door Sagro Milieu Advies B.V. is op 17 september 2013 een verkennend bodemonderzoek verricht. De conclusie uit het onderzoek is als volgt:
In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan kwik, lood en PAK aangetoond. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan kobalt aangetoond. In het grondwater worden een licht verhoogde concentratie aan nikkel en een van nature licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond.
Voor het onderzoek is uitgegaan van de hypothese onverdacht. Deze hypothese dient op grond van de onderzoeksresultaten formeel te worden verworpen. De op de onderzoekslocatie geconstateerde licht verhoogde gehalten in de grond en licht verhoogde concentraties in het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Bij grondverzet gelden de regels uit het besluit Bodemkwaliteit en dient de grond volgens dat besluit gemeld te worden. De eventuele mogelijkheden dienen in overleg met het bevoegd gezag te worden bepaald. Opgemerkt dient te worden dat grond die bij herontwikkeling vrijkomt valt onder de werkingssfeer van het Besluit bodemkwaliteit.
Het aspect bodemonderzoek vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het bodemonderzoek is in bijlage 1 opgenomen.
5.2 Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie
In Europees verband is het 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Het verdrag werd opgesteld om het cultureel erfgoed voor toekomstige generaties te behouden. Dit resulteerde in 2007 in Nederland in een herziening van de Monumentenwet. Eén van de uitgangspunten van deze wet is het in situ proberen te bewaren. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg opgegraven te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, opgraving en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402019.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402019.png)
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402020.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402020.png)
Figuur 14: Archeologische verwachtingswaarde
In navolging op het verdrag is het provinciale beleid gericht op het bevorderen dat archeologisch onderzoek een vast onderdeel wordt van de planvoorbereiding van ingrepen in en om de bodem. Plannen worden getoetst aan het belang van het behoud van het archeologisch erfgoed en de consequenties voor het archeologisch bodemarchief worden nagegaan.
De gemeente Breda onderschrijft de uitwerking van het 'Verdrag van Malta': Behoud van het archeologisch erfgoed waar mogelijk en documentatie van vindplaatsen waar nodig.
Om de archeologische waarden in het gebied te beschermen conform het vastgestelde gemeentelijk beleid en de Monumentenwet 1988, waarin besloten ligt de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007, is de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' opgenomen voor de gebieden die conform de beleidsadvieskaart 'Breda's Erfgoed deel 1 archeologie' zijn gekenmerkt als gebieden met een archeologische verwachting anders dan laag.
Het gebied (figuur 13) is aangemerkt met een hoge en middelhoge archeologische verwachting.
Conform de Beleidsadvieskaart Breda's Erfgoed, deel 1, Archeologie, is een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' toegekend (op de verbeelding en in artikel 7 van de planregels). Zodoende wordt gewaarborgd dat archeologische waarden worden beschermd alvorens tot bouwen en tot bepaalde werkzaamheden wordt overgegaan.
Cultuurhistorie
Sinds 1 januari 2012 is artikel 3.1.6 Bro gewijzigd en verdient cultuurhistorie nadrukkelijk aandacht in een bestemmingsplan. In het onderstaande wordt ingegaan op de cultuurhistorische aspecten van het plangebied.
Historische geografie en gebouwd erfgoed
Tussen 1869 en 1881 werd de vesting Breda ontmanteld. Het plangebied lag geïsoleerd ten opzichte van de stad. Aan de oostzijde van de binnenstad lag de singelgracht en was een groot terrein gereserveerd als militair oefenterrein. Hierdoor werd een rechtstreekse verbinding met de binnenstad verhinderd. De dichtstbijzijnde bruggen over de singelgracht waren de Wilhelminabrug en de Bossche Brug. Daarnaast behoren grote delen van het gebied pas sinds 1927 tot het grondgebied van Breda. De eerste grote bouwactiviteit was in 1919-1922 de bouw van het Sint Ignatiusziekenhuis aan de Wilhelminasingel. Na de eerste annexatie in 1927 maakte ir. W.F. Schaap een uitbreidingsplan met daarin ook de plannen voor een deel van het huidige Brabantpark. De ontwerpen uit deze periode zijn gebaseerd op de ideeën van de stadsbouwkunst, die de nadruk legde op theatrale en schilderachtige effecten van stedelijke compositie waarin de openbare ruimte centraal stond. Onderdeel van het uitbreidingsplan van Schaap was een villapark (het oorspronkelijke Brabantpark en naamgever van de later groter geworden wijk) in landschapsstijl. Na de Tweede Wereldoorlog werden de uitbreidingsplannen (door ir. P. Verhagen) naar het oosten opnieuw opgepakt. De buurten in oostelijk deel zijn gebaseerd op zowel de parochiegedachte als de functionalistische gedachte, met een overvloed aan licht, lucht en ruimte. Het belangrijkste structurerende element was en is de Claudius Prinsenlaan, een groene 'parkway' die de binnenstad met het buitengebied verbindt. Een 'parkway' is een brede groenstructuur met daarbinnen voor elke verkeersdeelnemer een eigen strook; bomen staan in groepen of rijen en bebouwing staat los in het groen. Met de aanleg van de Claudius Prinsenlaan is het oorspronkelijke villapark Brabantpark in tweeën geknipt.
Brabantpark is een wederopbouwwijk. De wederopbouwwijken zijn destijds ontwikkeld vanuit de wijkgedachte, met de beste bedoelingen en vanuit een specifiek maatschappijbeeld. Men wilde bouwen voor de gewone man en het doorsnee huishouden, met voldoende woonruimte en openbare ruimte. Rust, groen en plekken voor ontmoeting voor iedereen stonden centraal in een traditionele maatschappij, georganiseerd rondom het gezin en de kerk. Ook al betreft de wijk een wederopbouwwijk. De wijk als geheel kent verschillende architectuurstijlen en ideeën. Naast de duidelijk herkenbare traditionele jaren '30 architectuur, van de vorige eeuw, treffen we een architectuur aan die ingegeven is door de CIAM gedachte, maar ook een eigentijdse architectuur, van complexen uit de jaren '90 van de vorige eeuw. Deze recent gerealiseerde complexen wijken qua architectuur en uitstraling af van de omliggende bebouwing.
In de omgeving van de Lage Kant valt op dat minder aandacht is besteed aan de architectonische detaillering. De gevels zijn hier rechter en soberder van vorm en er is meer gebruik gemaakt van geprefabriceerde bouwdelen. In dit gebied lag meer de nadruk op functioneel en snel bouwen, om aan de destijds snel stijgende woningvraag te voldoen. Dit uit zich in de homogene vormgeving.
De structurerende elementen die de ontwikkeling van het gebied weerspiegelen, zijn van cultuurhistorisch belang. De wijk Brabantpark kent daarbij een aantal monumenten en bijzondere gebouwen, zoals de klokkentoren in het Hooghoutpark, het klooster Mater Dei en het gemeentelijk sportcentrum.
In het plangebied komen geen monumenten of bijzondere gebouwen voor. Met de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de karakteristiek en de kwaliteit van het gebied, zie hoofdstuk 4.
Conclusie
Samenvattend vormen archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.3 Geluidhinder
Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven.
Er liggen geen geluidszones van industrielawaai en vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd worden. De ontwikkeling ligt niet nabij gezoneerde wegen. Wel zijn er een aantal andere drukke wegen aanwezig welke van invloed kunnen zijn op de beoogde ontwikkeling. Zoals blijkt uit de geluidskaart zijn er niveaus te verwachten boven de 55 dB. Een akoestisch onderzoek ten aanzien van deze wegen is derhalve noodzakelijk.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402021.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402021.png)
Figuur 15: Geluidinvloed gezoneerde wegen (Lden zonder correcties)
Wegverkeerslawaai
Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestische onderbouwing opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan 'Lage Kant in Breda, d.d. 14 januari 2014.
Op basis van de geluidbelastingskaarten wordt geconstateerd dat de gecumuleerde geluidbelasting in 2020 55 tot 60 dB Lden bedraagt. Indien stil wegdek wordt aangebracht bedraagt de geluidbelasting 50 tot 55 dB op de gevels gericht naar de Lage Kant en Langveld. De gevels gericht naar het sportveld zullen een geluidbelasting hebben die lager is dan 50 dB en kunnen dan als 'geluidluw' worden beschouwd.
Gesteld kan worden dat door de geprojecteerde bebouwing van de maatschappelijke voorzieningen de oostgevel 'geluidluw' zal zijn. De geprojecteerde bestemmingen 'maatschappelijk' en 'wonen' bevinden zich grotendeels binnen de contouren van de huidige bebouwing. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat in de nieuwe situatie niet wijzigt ten opzichte van de bestaande situatie. Omdat nieuwbouw wordt gepleegd is het Bouwbesluit van toepassing. In het Bouwbesluit zijn eisen opgenomen voor de geluidwering van de gevel op basis van de vastgestelde hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder. Voor onderhavig plan hoeft geen hogere grenswaarde te worden verleend omdat de Wet geluidhinder niet van toepassing is. Dit zou betekenen dat het Bouwbesluit alleen betrekking heeft op de minimumeis van 20 dB voor de geluidwering van de gevel. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen zal voor de woningen een binnenniveau van 33 dB worden gehanteerd, los van de minimumeis van 20 dB uit het Bouwbesluit. Bij de indeling van woningen/ geluidgevoelige ruimten wordt er naar gestreefd een geluidluwe gevel c.q. buitenruimte te creëren. Aangezien de Wet geluidhinder niet van toepassing is, is dit geen verplichting op basis van wetgeving of beleid.
Railverkeerslawaai
De voorkeursgrenswaarde van de geluidbelasting ten gevolge van spoorweglawaai op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten bedraagt 55 dB voor woningen, scholen, ziekenhuizen en verpleegtehuizen conform de Wet geluidhinder. Om te onderzoeken of aan deze voorwaarde kan worden voldaan, dient op de eerste plaats gekeken te worden of de geluidgevoelige objecten binnen de geluidzones van de spoorwegen vallen. De breedte van deze zones is vastgelegd in het Besluit geluidhinder spoorwegen en kan afhankelijk van de intensiteit, het type treinen en de bovenbouw, variëren binnen de gemeente Breda van 400 tot 1200 meter.
Brabantpark is gedeeltelijk gelegen binnen de zone van het spoor. In onderstaande figuur staan de trajecten bij Breda weergegeven. Brabantpark ligt nabij het traject 656, 650 met een zonebreedte van 800 meter.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402022.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402022.png)
Figuur 16: Spoortraject met bijbehorende geluidszones
Indien de (nieuwe) gevoelige objecten buiten de bovengenoemde zones liggen, kan er vanuit gegaan worden dat aan de voorkeursgrenswaarde voldaan wordt. Indien ze binnen deze zones liggen, dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De beoogde ontwikkeling ligt buiten de geluidzone voor railverkeerslawaai (900 meter). Een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai kan derhalve achterwege blijven.
Geluid van de sportvelden
Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestische onderbouwing opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan 'Lage Kant in Breda, d.d. 14 januari 2013.
Aan de oostzijde van het plangebied bevinden zich sportvelden van voetbalclub PCP. De afstand van nieuw geprojecteerde woningbouw aan de noordzijde van het plangebied tot het naastgelegen sportveld wijzigt niet ten opzichte van de bestaande situatie. Dit betekent dat de geprojecteerde woonbestemming voor het noordelijk gelegen sportveld geen belemmering vormt ten opzichte van de bestaande situatie. De kortste afstand van de nieuwe bestemming 'maatschappelijk' tot de kantine wijzigt niet ten opzichte van de huidige, bestaande situatie. Dit betekent dat de geprojecteerde maatschappelijke bestemming voor de kantine geen belemmering vormt ten opzichte van de bestaande situatie.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
5.4 Externe veiligheid
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Doel van dit besluit is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het besluit legt eisen op aan bedrijven waarvan het PR hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, waaronder inrichtingen die vallen onder het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) 1999 en inrichtingen die vallen onder de richtlijnen van de Publicatie Gevaarlijke Stoffen deel 15 van de onafhankelijke Adviesraad Gevaarlijke Stoffen.
Het PR is de kans dat een persoon die permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Dit risico wordt uitgedrukt in de overlijdenskans per jaar.
Er zijn verschillende normen voor risico's als gevolg van risicovolle activiteiten bij bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en in bestaande en in nieuwe situaties. Voor kwetsbare objecten zoals woningen, ziekenhuizen en scholen gelden de strengste eisen.
Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau.
Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn dan wel komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. Risicovolle activiteiten zijn:
-
het opslaan, gebruiken en/of produceren van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
-
het vervoer van gevaarlijke stoffen over auto-, spoor- en waterwegen of door buisleidingen (transportroutes).
Ingeval er sprake is van kwetsbare objecten waarbij het PR groter is dan 10-5 dan dient binnen drie jaar de risicovolle inrichting gesaneerd te worden.
Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het GR worden onderzocht. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt berekend.
Het GR geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval worden getroffen. Voor het GR gelden oriënterende waarden. Over elke overschrijding van de oriënterende waarde en over de toename van het GR moet verantwoording worden afgelegd. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden.
In het BRZO staan criteria die aangeven welke bedrijven zoveel gevaarlijke stoffen hebben, dat er een risico van een zwaar ongeval bestaat. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie.
De lichtere categorie wordt ook wel Preventiebeleid Zware Ongevallen genoemd, omdat deze bedrijven een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem. Bedrijven van de zware categorie moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport opstellen.
Gemeentelijk beleid externe veiligheid
In december 2005 is de gemeentelijke beleidsvisie omtrent externe veiligheid tot stand komen. De gemeente wil enerzijds de kwaliteit van de woonomgeving verbeteren en anderzijds de (economische) vitaliteit versterken. Omdat bij veel activiteiten gevaarlijke stoffen worden gebruikt, is de combinatie van wonen en werken alleen mogelijk als een bepaald risiconiveau wordt geaccepteerd. Welk risiconiveau aanvaardbaar is verschilt per situatie en vraagt om een zorgvuldige afweging. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit drie sporen: brongericht, omgevingsgericht en rampenbestrijding.
De gemeente houdt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening rekening met het beleid zoals weergegeven in deze visie. Daarnaast dient deze visie als ontwikkelingskader voor instrumenten in het externe veiligheidsbeleid (vergunningverlening en handhaving, routering, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding en risicocommunicatie).
De uitgangspunten uit deze visie worden toegepast bij alle gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbinnen externe veiligheid een rol speelt.
Inrichtingen
Op basis van de provinciale risicokaart (figuur 16) zijn geen risicobedrijven en/of BRZO-bedrijven gelegen in de (directe) omgeving van het plangebied die gevolgen zouden hebben voor de voorgenomen ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling zelf is geen risicovol bedrijf.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402023.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402023.png)
Figuur 17: Uitsnede risicokaart
Transportroutes en Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
In de 'Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' van 1 januari 2010 zijn risiconormen voor vervoerssituaties beschreven. Qua methodiek sluit de circulaire aan op het Bevi (het hanteren van plaatsgebonden risico en groepsrisico). Er loopt langs het plangebied geen verkeersroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Noch zijn er op basis van de provinciale risicokaart risicovolle buisleidingen in het plangebied aanwezig.
Transportroutes vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor of over binnenwateren
Er bevindt zich een spoorweg op circa 900 meter vanaf de locatie. Hoofdvaarwegen liggen niet in de nabijheid van de planlocatie.
Conclusie
Op basis van de voorgaande alinea's kan geconcludeerd worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
5.5 Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.
Rijksbeleid
Waterbeleid 21e eeuw
In het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het Rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten zijn onder meer overeengekomen dat het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en dan pas afgevoerd mag worden.
Tevens dient voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd te worden, hierin moeten de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven te worden.
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water is een gezamenlijk product van de waterschappen, gemeenten en de provincie als trekker. Hierin spelen ruimte voor water en water als ordenend principe een belangrijke rol. De visie richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming van binnen door veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en een aantal mogelijke technische maatregelen welke kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan 2010 tot 2015. Het Provinciaal Waterplan vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant.
Waterschapsbeleid
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente Breda. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap Brabantse Delta. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist, is dit ook een taak van het waterschap.
Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2010-2015, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Het waterschap heeft in een toetsingskader RO 'De ruimte blauw geordend' aangegeven wat de ruimtelijke consequenties zijn van het waterbeleid.
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's c.q. speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009'.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Breda streeft via het hemelwater- en grondwaterbeleid naar het terugbrengen van de natuurlijke situatie waarbij het hemelwater zoveel mogelijk ter plaatse wordt geborgen en het grondwater niet tot structurele grondwateroverlast leidt en geen belemmering vormt voor het gebruik van de grond. Bij een toename van het verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het gemeentelijk beleid hanteert dezelfde norm als het waterschap; per m² toename verhard oppervlak moet 78 liter hemelwater op eigen terrein worden geborgen. De ontwikkelende partij moet bij (her)inrichting van het terrein dan ook rekening houden met zowel de eisen uit het Bouwbesluit, als rekening houden met grondwater. Dit betekent dat ten eerste wordt gestreefd naar verhogen waar het kan, bouwkundige aanpassingen waar mogelijk en als laatste afvoeren waar nodig. In alle gevallen geldt zuiveren waar het moet. Met het oog op de waterkwaliteit dient ook rekening te worden gehouden met de te gebruiken materialen in verband met eventuele uitloging van milieugevaarlijke stoffen. De emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater dient te worden teruggedrongen.
Binnen het plangebied is er een gemengd rioolstelsel aanwezig, waarbij het vuile water en het hemelwater in één buis worden afgevoerd.
Overleg waterbeheerder
Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader hebben waterschap en gemeente vooroverleg gevoerd, waaruit de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan zijn afgesproken:
|
Thema
|
Waterdoelstelling
|
Toetsing
|
|
Veiligheid/
Waterkering
|
Waarborgen veiligheidsniveau en daarvoor benodigde ruimte
|
Het plangebied ligt niet in of nabij primaire waterkeringen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen over water. Het aspect veiligheid is daarom niet aan de orde.
|
|
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
|
Voldoende ruimte voor vasthouden/ bergen/afvoeren van water. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem
|
Het verhard oppervlak neemt toe met ongeveer 1.327 m². Het hiervan afkomstige water zal afgekoppeld worden op het aanwezige riool.
|
|
Watervoorziening/
-aanvoer
|
Het voorzien van de bestaande functie van water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.
|
De watervoorziening is niet in het geding.
|
|
Volksgezondheid
|
Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten en plagen; Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte
|
Er is geen open water in het plangebied aanwezig.
|
|
Riolering/RWZI
|
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken i.v.m. reductie hydraulische belasting RWZI; rekening houden met (ook eventuele filter)ruimte daarvoor
|
Het vuilwater zal op het bestaande vuilwater riool worden aangesloten. De met het waterschap daartoe gemaakte afspraken worden in acht genomen.
|
|
Bodemdaling
|
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen vooral in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken
|
Er zullen geen veranderingen in het peilregiem plaatsvinden die voor bodemdaling zorgen.
|
|
Grondwater
Overlast
|
Tegengaan/Verhelpen van grondwateroverlast
|
In en nabij het plan is geen sprake van grondwateroverlast.
|
|
Oppervlakte
waterkwaliteit
|
Behoud/Realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur
|
Geen gebruik zal worden gemaakt van uitloogbare materialen. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit.
|
|
Grondwater
Kwaliteit
|
Behoud en realisatie van goede waterkwaliteit voor mens en natuur
|
Er is geen lozing op het grondwater (geen infiltratie). Het plangebied ligt niet in een specifiek Natura-2000 gebied, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), Wetlands of Beschermde- of Staatsna-
tuurmonumenten.
|
|
Verdroging
|
Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden
|
Er is geen sprake van het onttrekken van grondwater of het specifiek infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen in het plangebied, dus verdroging is hier niet aan de orde.
|
|
Natte Natuur
|
Ontwikkeling & bescherming van een rijke, gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur
|
Er bevindt zich geen natte natuur in of nabij het plangebied. Er zijn daarom geen bijzondere maatregelen te treffen.
|
|
Onderhoud(mogelijk/
heid) waterlopen
|
Oppervlaktewater dient adequaat onderhouden te worden.
|
Er is geen oppervlaktewater in het plangebied aanwezig.
|
|
Waterschapswegen
|
M.b.t. de aanwezigheid
waterschapswegen binnen / nabij het plangebied
|
Er liggen geen waterschapswegen binnen het plangebied.
|
5.6 Ecologie / flora en fauna
Op basis van Natura 2000, de Flora- en faunawet (Ffw) en de Natuurbeschermingswet is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten.
Natura 2000 (Vogel- en Habitatrichtlijn)
Door de Europese Unie zijn richtlijnen uitgevaardigd ter bescherming van bedreigde plant- en diersoorten en leefgebieden in Europa, de zogenaamde Natuur 2000-gebieden. Concrete richtlijnen zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn. De uitwerking van de Europese richtlijnen is voor de Nederlandse situatie ingebed in de Natuurbeschermingswet. De aanwijzing van gebieden tot beschermd natuurgebied in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn vindt plaats aan de hand van soortenlijsten van zeldzame of bedreigde plant- en diersoorten. In de nabijheid van het plangebied liggen geen speciale beschermingszones inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn.
![i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402024.png [image]](i_NL.IMRO.0758.BP2013006004-0401_402024.png)
Figuur 18: Weergave EHS
Flora en fauna
De bescherming van plant- en diersoorten is in de Ffw geregeld. De Ffw kent zowel verbodsbepalingen als een zorgplicht. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het zogenaamde nee, tenzij principe. Dat betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten in principe verboden zijn. Voor verschillende categorieën soorten en verschillende activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Naast de verbodsbepalingen geldt de zorgplicht ten aanzien van alle in het wild levende plant- en diersoorten.
Besluit houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met wijziging van artikel 75 van de Ffw en enkele andere wijzigingen.
De Minister van Landbouw, Natuur en Visserij heeft door een Algemene Maatregel van Bestuur de regelgeving rond de Ffw aangepast, zodat de werking van de wet eenvoudiger wordt.
Het belangrijkste gevolg is dat de procedures bij ruimtelijke ingrepen en bij bestendig gebruik en beheer aanzienlijk eenvoudiger worden, aangezien voor de meest algemene soorten er een vrijstelling van de verbodsbepalingen komt. Bij het toepassen van de Ffw wordt voortaan een onderscheid gemaakt in een drietal categorieën van beschermde soorten. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht.
Reeds in het vigerende bestemmingsplan is geconstateerd dat binnen dit plangebied niet aannemelijk is dat eventueel aanwezige dier- en plantsoorten worden bedreigd. In het vigerende bestemmingsplan komt ter plaatse niet een aanduiding voor 'beschermingswaardig gebied'.
Ecologische Hoofdstructuur (EHS)
De EHS beoogt de diversiteit aan wilde planten en dieren, de verscheidenheid aan natuurgebieden en landschappen, en het natuurschoon veilig te stellen. Het plangebied ligt niet in, maar op geruime afstand van de EHS (figuur 17).
Onderzoek
Flora- en faunawet
Door Adviesbureau E.C.O. Logisch & Habitat-Advies is op 5 september 2013 een Quick scan Flora- en faunawet uitgevoerd. Deze Quick scan Flora- en faunawet is opgenomen in bijlage 2. Uit deze Quick scan blijkt dat de streng beschermde soorten vleermuis, ransuil, gierzwaluw mogelijk voorkomen in het plangebied. Ter voorkoming van overtreding van de Flora- en faunawet dienen de volgende aspecten nader onderzocht te worden:
-
De aanwezige vleermuisfuncties dienen in kaart te worden gebracht voorafgaand aan de werkzaamheden;
-
De aan- of afwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en ransuil dient in kaart te worden gebracht;
-
In het geval er werkzaamheden aan de watergang of poel zullen plaatsvinden, dan dient er nog onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde amfibieën.
Om die reden is vervolgens een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Buro Maerlant, waarvan het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3. Uit de conclusies van dit onderzoek blijkt dat de gierzwaluw en ransuil niet aangetroffen zijn en zodoende geen belemmering vormen voor het plan.
Wel van belang voor de ontwikkeling zijn aangetroffen vleermuizen en algemene broedvogels.
Hierover wordt geconcludeerd dat deze de uitvoering van het plan niet in de weg staan indien diverse maatregelen worden getroffen, te weten:
-
de werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een ecologisch werkprotocol en onder begeleiding van een ter zake deskundige (ecoloog).
-
sloop en nieuwbouw inclusief de toekomstige inrichting, op te nemen in het ecologisch werkprotocol, worden afgestemd op aanwezige natuurwaarden door:
-
het tijdig plaatsen van vervangende voorzieningen voor vleermuizen ter overbrugging van de periode tussen sloop en realisatie;
-
voorkomen dat nesten van broedende vogels worden verstoord gedurende de uitvoer van de werkzaamheden;
-
geschikt maken van de nieuwbouw voor vleermuizen;
-
behoud van voldoende foerageergebied in het plangebied door het voorzien van voldoende donkere plekken nabij de bebouwing en de te behouden bomen.
-
maatregelen voor de vleermuizen in lijn met de beschikbare soortenstandaards.
Gelet op deze conclusies is het plan uitvoerbaar. De benodigde maatregelen worden momenteel uitgewerkt in een werkprotocol dat leidend is bij de sloop-, nieuwbouw- en inrichtingswerkzaamheden.
Natuurbeschermingswet 1998
Door de afname van het aantal verkeersbewegingen (Er worden 108 woningen gesloopt en daarvoor in de plaats komen er 66 intramurale woningen en 16 woningen (met mogelijkheden voor zorg in de directe nabijheid). De bewoners van het woon-zorgcomplex zullen niet beschikken over een auto. Het aantal autobewegingen neemt derhalve af.) worden er geen effecten op de EHS verwacht. Dit geldt ook voor het nabijgelegen Natura2000 gebied Ulvenhoutse bos. Door de bufferende werking van de stad ligt de beschermde natuur buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
Het aspect ecologie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7 Milieuhinder
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft de eigen bedrijfswoning buiten beschouwing.
In de milieuvisie is de volgende doelstelling opgenomen:
'Milieu, economie en ruimtelijke ordening worden in samenhang beschouwd. Hierbij wordt gestreefd naar het maximaal haalbare milieurendement. Economische groei gaat hand in hand met een vermindering van de milieubelasting. De gemeente, bedrijven en instellingen zijn in dialoog over het te voeren milieubeleid en wisselen kennis uit.'
In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken.
Milieucategorie in relatie tot afstand 'rustige woonwijk'
1 10 m
2 30 m
3.1 50 m
De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNG-publicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.
De beoogde ontwikkeling betreft een gevoelige functie. Rekening moet gehouden worden met eventuele nabijgelegen bedrijven. De te ontwikkelen locatie ligt in een gemengd gebied. Rondom de locatie is de bedrijfsfunctie, de woonfunctie, de maatschappelijke functie en sprotfunctie aanwezig.
Ten noorden van het plangebied is een bedrijf gelegen met een maximale milieuhindercategorie 2. De hierbij behorende richtafstand is 30 meter. Het afstand tussen het bedrijf en de nieuwbouw bedraagt net geen 30 meter en voldoet zodoende niet aan de richtafstand. In de bestaande situatie ligt de woonbebouwing echter op korte afstand dan in de beoogde situatie. Dit houdt in dat het bedrijf in zijn bedrijfsvoering reeds rekening heeft te houden met deze kortere afstand. De nieuwbouw, die weliswaar niet aan de richtafstand voldoet maar wel op grotere afstand van het bedrijf ligt dan nu het geval is, zal om die reden een goed woon- en leefklimaat kennen. Andersom geldt dat de nieuwbouw het bedrijf niet hindert in zijn bedrijfsvoering.
De sportvelden aan de oostzijde van het plangebied kennen een maximale milieuhindercategorie 3.1. De bijbehorende afstand is 50 meter, waarbij 'geluid' het maatgevende aspect is. Omdat de nieuwbouw binnen de zone van 50 meter wordt gebouwd is akoestisch onderzoek noodzakelijk. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in paragraaf 5.3 Geluidhinder en leiden tot de conclusie dat beide functies (sportvelden en nieuwbouw) elkaar niet belemmeren.
Daarnaast is ook het aspect 'licht' van belang bij de sportvelden, hoewel dit niet wettelijk geborgd is en ook de richtafstanden hier geen rekening mee houden. In algemene zin kan gesteld worden dat de kortste afstand tussen de nieuwbouw en de sportvelden groter is dan de kortste afstand tussen de bestaande bebouwing en de sportvelden. Daar komt bij dat de oriëntatie van de bebouwing in de bestaande situatie leidde tot vrijwel direct zicht op de sportvelden en daarmee ook op de verlichting daarvan. Met de oriëntatie van de nieuwbouw is dit minder het geval, waardoor licht minder direct op de woningen zal vallen. Op het gebied van lichthinder zal het woon- en leefklimaat zodoende verbeteren.
Ten zuidwesten van het plangebied is een school gelegen met een milieuhindercategorie 2. De richtafstand van de school bedraagt 30 meter, waar in de nieuwe situatie aan voldaan wordt.
Conclusie
Het aspect milieuhinder vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.8 Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Eén van de elementen daarvan is dat projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van (zorg)woningen. Hierbij kan de 'regeling niet in betekenende mate bijdragen' worden toegepast. Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Bijlage 3A en 3B van de Regeling NIBM geven aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is:
3% criterium (vanaf inwerkingtreding Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit):
Gelet op het aantal woningen (16) en het aantal zorgwoningen (66) blijft de verkeersgeneratie in dit geval ruim onder die van een ontwikkeling met 1500 dan wel 3000 woningen. De verwachting is zodoende dat de effecten op de luchtkwaliteit ook onder het 3% criterium blijven.
Om die verder aan te tonen is de NIBM-tool van het Rijk toegepast. Hierin wordt op basis van de verkeersgeneratie aangegeven of het plan mogelijk tot negatieve effecten leidt.
Bij het bepalen van de verkeersgeneratie op basis van CROW-kentallen is voor alle woningen/eenheden uitgegaan van de categorie 'aanleunwoningen en serviceflats'. Een specifieke categorie voor zorgwoningen kent het CROW immers niet. Op basis van de bijbehorende kentallen, leidt het plan tot een verwachte verkeersgeneratie van 82 * 2,5 = 205 motorvoertuigen per etmaal. De NIBM-tool van het Rijk geeft hiervan aan dat het effect van het plan op de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' is.
Dit betekent dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.9 Overige belemmeringen
Luchtvaartverkeerzone - invliegfunnel
Over het plangebied is de invliegfunnel vanwege de vliegbasis Gilze-Rijen gelegen. Ter plaatse van de invliegfunnel mag de onderliggende bebouwing niet hoger zijn dan aangegeven minimale hoogte, te weten 160 meter boven Normaal Amsterdams Peil (NAP). De beoogde bebouwing kent een kleinere hoogte. Dit betekent dat de aanwezige bebouwing geen belemmering vormt voor de invliegfunnel. Op de verbeelding en in de regels is de invliegfunnel met een gebiedsaanduiding aangegeven.
Overige kabels en leidingen
In paragraaf 5.7 is ingegaan op (grote) planologische relevante buisleidingen. Bij de bouwwerkzaamheden zal rekening worden gehouden met eventueel overige aanwezige kabels en leidingen.
HOOFDSTUK 6 Juridische planbeschrijving
6.1 Planvorm
Het bestemmingsplan 'Lage Kant Breda' kan gekarakteriseerd worden als een ontwikkelingsplan. Eén en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een gedetailleerd kaartbeeld en een uniforme opzet van de bepalingen, waarbij veelal is aangesloten bij de bestemmingen uit het vigerende bestemmingsplan. De SVBP2012/IMRO2012 is bindend en is in het onderhavige bestemmingsplan verwerkt. Uitgangspunt is dat de verbeelding zo veel mogelijk informatie biedt omtrent de toelaatbare gebruiksvorm en de bouwmogelijkheden op een perceel. Voordeel hiervan is een snel inzicht in de gebruiks- en bouwmogelijkheden waardoor het mogelijk is gebruikers van het bestemmingsplan goed te informeren. De bestaande functies worden gerespecteerd en daarnaast biedt het plan de mogelijkheid om op functieveranderingen en veranderende behoeften in te spelen.
Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een set regels met bijbehorende geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0758.BP2013006004-0301. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen, hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en in hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en de slotregels weergegeven.
6.2 Toelichting op de bestemmingen
Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Bestemmingsregels
Groen (artikel 3)
Binnen deze bestemming is het openbare groen opgenomen dat een structurele betekenis heeft voor het gebied. Naast het feitelijke groen zijn binnen deze bestemming bijvoorbeeld ook speelvoorzieningen en ondergeschikte verhardingen in de vorm van voet- en fiets paden toegestaan. Gebouwen mogen echter niet worden gebouwd. Binnen deze bestemming is parkeren niet toegestaan.
Maatschappelijk (artikel 4)
Binnen deze bestemming zijn diverse maatschappelijke voorzieningen mogelijk, zoals onderwijs-, zorg- en (kinder)opvang voorzieningen. Ook ondergeschikte horeca is toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning' zijn ook zorgwoningen toegestaan. Het maximum aantal wooneenheden bedraagt 66. De gebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van het op de kaart aangegeven bouwvlak en de opgenomen bouwhoogte.
Verkeer (artikel 5)
Binnen deze bestemming zijn de in het plangebied gelegen wegen bestemd tot 'Verkeer', met daarbij behorende voorzieningen en bouwwerken. Verder vallen binnen deze bestemmingen de openbare ruimten en de groenvoorzieningen die niet worden gerekend tot het structurele groen van het gebied. Binnen deze bestemming is uit wisselbaarheid van verschillende functies in het openbare gebied toegestaan.
Wonen (artikel 6)
De appartementen aan de noordzijde van het plangebied zijn bestemd tot 'Wonen'. De regels zijn er op gericht het beoogde stedenbouwkundige ontwerp te realiseren. Maximaal 16 aaneengesloten en/of gestapelde woningen mogen worden opgericht.
Waarde – Archeologie (artikel 7)
Bij de ruimtelijke inrichting en ontwikkelingen moet worden gezocht naar beschermings- en inpassingsmogelijkheden van eventuele archeologische waarden. De dubbelbestemming is gehanteerd voor gebieden die conform de archeologische beleidsadvieskaart zijn gekenmerkt als gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Deze bestemming is erop gericht de archeologische belangen op adequate wijze te beschermen. Bodemingrepen zijn op deze gronden in principe niet toegestaan; indien een ingreep dieper gaat dan 30 cm onder het maaiveld en een planoppervlak behelst van 100 m2 of meer, is een omgevingsvergunning verplicht. Het college van burgemeester en wethouders stelt de bepalingen in deze vergunning vast. Het principe 'de verstoorder betaalt' is van toepassing. Op de gronden met deze dubbelbestemming dient in beginsel een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij dergelijke ingrepen. De resultaten van het onderzoek worden door het bevoegd gezag, in deze de gemeente Breda, middels een selectiebesluit vervolgens vastgesteld. Indien uit onderzoeken blijkt dat geen sprake (meer) is van archeologische waarden of voldoende maatregelen zijn genomen om de archeologische waarden te beschermen, dan is geen omgevingsvergunning noodzakelijk.
Algemene regels
In hoofdstuk 3 'Algemene regels' wordt ingegaan op de algemene regels, zoals algemene ontheffingsregels en procedureregels die op vrijwel alle bestemmingen van toepassing zijn.
Een nadere toelichting verdienen de algemene aanduidingsregels:
In dit artikel van de planregels is voor het aanwezige invliegfunnel in verband met de vliegbasis Gilze-Rijen een aanduiding 'vluchtvaartverkeerszone - invliegfunnel' opgenomen. De aanwezigheid van deze funnel betekent dat bebouwing ter plaatse van het plangebied niet hoger dan 160 meter boven Normaal Amsterdams Peil (NAP) mag zijn. De maximale toegestane hoogte van de bestaande bebouwing in dit bestemmingsplan is ruim onder deze maat. Dit betekent dat de aanwezige bebouwing geen belemmering vormt voor de aanwezige invliegfunnel.
Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk 4 'Overgangs- en slotregels' gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bouwwerken en de citeertitel van het plan, zoals die overgenomen moeten worden uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
HOOFDSTUK 7 Uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of omgevingsvergunning met afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan:
-
de bouw van een of meer woningen;
-
de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
-
de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
-
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
-
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
-
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte.
In de Wro (artikel 6.12, lid 2) is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen dan wel als kostenverhaal anderszins is verzekerd. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie.
Bij dit project is er een anterieure overeenkomst gesloten. Een exploitatieplan is hierdoor niet nodig.
Conform artikel 3.1.6, sub f Bro is ook aandacht geschonken aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Initiatiefnemer bekostigt het project uit eigen middelen.
Het bestemmingsplan is economisch en financieel uitvoerbaar.
HOOFDSTUK 8 Communicatie
8.1 Inleiding
In deze paragraaf worden de uitkomsten van het bestuurlijk vooroverleg (conform artikel 3.1. Bro) met de besturen van de betrokken gemeente, het waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en eventueel het Rijk weergegeven. Het genoemde overleg zal plaatsvinden aan de hand van het voorontwerp bestemmingsplan. In het kader van de bestemmingsplanprocedure zal het plan ter inzage worden gelegd. Eventuele reacties en zienswijzen kunnen tijdens deze termijn worden ingediend. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.
8.2 Procedure
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van omliggende gemeenten, het waterschap, met Rijks- en provinciale diensten et cetera.
8.2.1 Vooroverleg
In het kader van het wettelijk vooroverleg, is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd:
Met uitzondering van Ziggo en KPN hebben deze instanties hun reacties op het plan gegeven. Deze reacties zijn in het volgende overzicht samengevat. Per reactie is vervolgens omschreven hoe hier in het plan mee om wordt gegaan.
|
Instantie
|
Samenvatting
|
Beoordeling
|
|
Enexis
|
Enexis geeft in haar overlegreactie aan dat in het plangebied geen belangen zijn van hun kabels- en leidingen. Enexis stuurt deze reactie ook door aan de Regio Brabant West.
|
Deze reactie geeft geen aanleiding om het plan aan te passen.
|
|
Brabant
Water
|
Brabant Water geeft in haar overlegreactie aan kennis te hebben genomen van het plan. Het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
|
Deze reactie geeft geen aanleiding om het plan aan te passen.
|
|
Waterschap
|
Het waterschap geeft aan dat het plan uit gaat van een toename van het verhard oppervlak met 1.327 m2. In de directe omgeving van de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig waarop kan worden aangesloten.
In de toelichting wordt aangegeven dat er een bestaand gemengd rioolstelsel aanwezig is, waar met de plannen op aangesloten wordt om het hemelwater af te koppelen. Het waterschap geeft hiervan aan dat het aansluiten van hemelwater op een gemengde riolering geen afkoppelen betreft. Uitgaande van de landelijke trits infiltreren, bergen en afvoeren, wordt verzocht de mogelijkheden voor lokaal infiltreren en/of bergen van hemelwater te onderzoeken. Gezien de grote oppervlakken met de bestemming Groen, ziet het waterschap mogelijkheden om het hemelwater binnen de plangrenzen te verwerken.
|
Bij de uitwerking zal onderzocht worden hoe een deel van het hemelwater geïnfiltreerd kan worden.
|
|
|
Verder verzoekt het waterschap aan te geven welk type rioolstelsel binnen het plangebied wordt aangelegd.
|
Binnen het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd.
|
|
|
In de bestemmingslegging en de bijbehorende regels ziet het waterschap voldoende mogelijkheden om het afstromend hemelwater zoveel mogelijk duurzaam te verwerken binnen de planlocatie. Hierop heeft zij geen aanvullingen. Tot slot wijst het waterschap erop dat voor werkzaamheden op en/of in de nabijheid van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen en voor het onttrekken en/of retourneren van grondwater op basis van de Keur een melding of vergunning benodigd kan zijn. Met in acht name van voorgaande opmerkingen, geeft het waterschap een voorlopig positief wateradvies.
|
Met deze opmerking wordt rekening gehouden bij de uitwerking van de plannen.
|
|
Gasunie
|
De Gasunie geeft aan het plan te hebben getoetst aan het externe veiligheidsbeleid. Zij komt op basis hiervan tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens van de dichtst bij gelegen aardgastransportleiding valt. Daarmee heeft deze leiding geen invloed op de verdere planontwikkeling.
|
Deze reactie geeft geen aanleiding om het plan aan te passen.
|
|
Wijkraad
Brabantpark
|
De wijkraad refereert aan een eerdere reactie, waarin zij heeft aangegeven dat zij bij sloop van de blokken aan de Lage Kant graag grondgebonden, grotere woningen terug wenste te zien. Dit type woning ontbreekt immers in dit deel van het Brabantpark.
Maar de wijkraad geeft ook aan dat visies en bestemmingsplannen vaak worden ingehaald door nieuwe inzichten en economische kaders en dat het in dit geval gaat om de verhuizing van bestaande woonruimte. In het overleg van 17 oktober 2013 heeft één van de wijkraadsleden aangegeven dat het jammer is dat plan niet 'opener' is voor de buurt/wijk. Het plan is weliswaar aardig transparant, maar tegelijkertijd ook een afgesloten geheel. Door het parkachtige geheel en de wandelpaden lijkt het of het plan aansluit op de buurt, maar toch is er sprake van een omsloten geheel, wat onder andere blijkt uit de binnentuin die met glas wordt afgeschermd. De wijkraad zou het prettig vinden als er rekening gehouden kan worden met een grotere mate van openheid. De wijkraad benadrukt dat zij, ondanks haar wensen in de visie en het vastgestelde bestemmingsplan, niet tegen het plan Lage Kant is.
|
Het betreft inderdaad een verhuizing van de Leijstroom, die momenteel aan de Brabantlaan gevestigd is. Het ontwerp is zo transparant mogelijk gehouden, maar de doelgroep van de Leijstroom (o.a. dementerende mensen) heeft behoefte aan structuur en beslotenheid. Een afgesloten tuin is in hun belang de beste optie. De tuin is dusdanig gesitueerd dat erom heen nog veel openbaar toegankelijk grond aanwezig is.
|
|
Provincie Noord-Brabant
|
De provincie geeft aan dat het plan, in relatie tot de provinciale belangen die op basis van het provinciaal ruimtelijk beleid relevant zijn, geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
|
Deze reactie geeft geen aanleiding om het plan aan te passen.
|
|
Brandweer Midden- en West-Brabant
|
De brandweer geeft in haar overlegreactie aan dat een groot deel van de gemeente Breda is gelegen in het invloedsgebied van het toxische scenario van één of meerdere Brzo bedrijven en/of een spoorlijn, autoweg, vaarweg of buisleiding. Gelet hierop, geldt de verplichting het groepsrisico te verantwoorden van ieder ruimtelijk besluit dat binnen dit invloedsgebied wordt genomen.
Daarbij dient het bestuur van de Veiligheidsregio bij dergelijke besluiten in de gelegenheid gesteld te worden om te adviseren inzake de rampenbestrijding en zelfredzaamheid.
Bij de reactie is een standaard advies meegestuurd, waarin de brandweer een standaard advies geeft voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van het toxische scenario van een Bevi-inrichting en/of de infrastructuur.
Dit advies kan worden gebruikt bij de verantwoording van het groepsrisico.
|
Deze reactie geeft geen aanleiding om het plan aan te passen. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier voor zover relevant rekening mee gehouden.
|
|
Tennet
|
Tennet geeft aan dat in het gebied geen van belang zijnde ondergrondse of bovengrondse hoogspanningsverbindingen aanwezig zijn.
Tennet heef derhalve geen op- of aanmerkingen ten aanzien van het plan.
|
Deze reactie geeft geen aanleiding om het plan aan te passen.
|
8.2.2 Zienswijzen
Met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) is de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende de periode van de tervisielegging kan iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen tegen het plan inbrengen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen.
8.2.3 Beroep
Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.