direct naar inhoud van Artikel 5 Gemengd - 1
Plan: Bedrijven-, Zorg- en Leerpark "Sterckwijck Boxmeer"
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0756.BPSterckwijck-OW01

Artikel 5 Gemengd - 1

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor Gemengd - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. aan de gezondheidszorg gerelateerde bedrijven, instituten, maatschappelijke voorzieningen en kantoren, met dien verstande dat binnen deze bestemming uitsluitend onzelfstandige kantoren zijn toegestaan;
  • b. aan het onderwijs gerelateerde instituten en maatschappelijke voorzieningen;
  • c. ondergeschikte horeca;
  • d. ondergeschikte detailhandel;
  • e. zelfstandige zorggerelateerde kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
  • f. hotel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - hotel';
  • g. tuinen, erven en terreinen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. paden en wegen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • l. geluidwerende voorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

5.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
  • a. binnen deze bestemming zijn uitsluitend bedrijven toegestaan voor zover deze voorkomen in categorie 1 en 2 van de als bijlage opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • b. detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte detailhandel in aan de zorg en gezondheid gerelateerde artikelen;
  • c. zelfstandige horeca is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd – hotel' in de vorm van een (zorg)hotel met bijbehorende vergader- en congresfaciliteiten;
  • d. op eigen terrein dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding “parkeergarage” in minimaal 80 % van de parkeergelegenheid dient te worden voorzien door middel van een gebouwde parkeervoorziening;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van gemengd – parkeren” in minimaal 50 % van de parkeergelegenheid dient te worden voorzien door middel van een gebouwde parkeervoorziening.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen, gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. voor minimaal 50 % van de oppervlakte van hoofdgebouwen op een bouwperceel geldt dat de bouwhoogte niet minder dan 6 m mag bedragen, met dien verstande dat indien ter plaatse van de aanduiding “maximale bouwhoogte (m)” een bouwhoogte is aangegeven van minder dan 6 m, geen minimale bouwhoogte van toepassing is;
  • c. ter plaatse van de aanduiding “maximale bouwhoogte (m)” mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven;
  • d. in aanvulling op het bepaalde in sub b geld voor hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding “minimale – maximale bouwhoogte (m)” de aangegeven minimale en maximale bouwhoogte, waarbij de minimale bouwhoogte geldt voor minimaal 50 % van de oppervlakte van hoofdgebouwen op een bouwperceel; voor het overige oppervlakte van de hoofdgebouwen geldt dat de bouwhoogte niet minder dan 6 meter mag bedragen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan aangegeven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding “parkeergarage” gebouwde parkeervoorzieningen tot een bouwhoogte van 6 m niet worden meegerekend bij de bepaling van het maximum bebouwingspercentage;
  • f. ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – bouwhoogte” geldt in aanvulling op het bepaalde in sub d het volgende:
    • 1. voor 50 % van de bebouwing binnen het aanduidingsvlak geldt een maximale bouwhoogte van 25 m;
    • 2. voor 25 % van de bebouwing binnen het aanduidingsvlak geldt een maximale bouwhoogte van 20 m;
    • 3. voor 25 % van de bebouwing binnen het aanduidingsvlak geldt een maximale bouwhoogte van 16 m;
  • g. de afstand van een gebouw tot de perceelsgrenzen dient tenminste 5 meter te bedragen.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen, uitgezonderd erf- en tuinafscheidingen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt, dat:
    • 1. de bouwhoogte van erf-/terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van erf-/terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 meter mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 8 meter bedragen.
5.2.3 Ondergeschikte bouwdelen
  • a. overschrijding van het bouwvlak is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen indien het bouwdeel ondergeschikt is en een diepte heeft van maximaal 1,5 m;
  • b. overschrijding van de bouwhoogte is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel ondergeschikt is en de overschrijding niet meer dan 2 m bedraagt.
5.3 Nadere eisen
5.3.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. de kapvorm van gebouwen;
  • c. de aanleg en omvang van parkeergelegenheid op eigen terrein.
5.3.2 Toepassing nadere eisen

De toepassing van nadere eisen door burgemeester en wethouders zal gericht zijn op bevordering van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie (wooncomfort, kwaliteit woongenot van de directe omgeving);
  • c. de gebruiksmogelijkheden (op eigen terrein en op aangrenzende gronden);
  • d. de (duurzame) milieusituatie;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de parkeerruimte op eigen terrein;
  • g. de sociale veiligheid;
  • h. de brandveiligheid.
5.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden voor de uitoefening van een escortbedrijf en/of seksinrichting;
  • b. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor permanente of tijdelijke bewoning;
  • c. buitenopslag.
5.5 Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 5.1.2, sub a, voor het toestaan van bedrijven die niet zijn opgenomen in de als bijlage toegevoegd Staat van bedrijfsactiviteiten, dan wel opgenomen zijn in een hogere milieucategorie, en deze bedrijven naar aard en milieubelasting en ruimtelijke impact (verkeersaantrekkende werking, ruimtebeslag, aantal arbeidsplaatsen e.d.) vergelijkbaar zijn met de in de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestane bedrijven, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. een onevenredige toename van de aantasting van het woon- en leefklimaat is niet toegestaan;
  • b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats;
  • c. omtrent de vergelijkbaarheid naar aard, milieubelasting en ruimtelijke impact wordt advies gevraagd aan een ter zake onafhankelijke deskundige.