| Plan: | Tuinstraat 11-15, Boekel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0755.BPHBOEKTuinstr1115-VA01 |
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Tuinstraat 11-15, Boekel" van de gemeente Boekel.
Op het bedrijventerrein 'De Vlonder' te Boekel zijn aan de Tuinstraat 11 en 13-15 - percelen I2654 en I2655 - twee panden gesitueerd die sinds enige tijd zijn ingericht met praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging, zoals yoga, haptonomie en mindfulness. De activiteiten worden door verschillende bedrijven verzorgd waardoor de gemeente dit ziet als een vorm van bedrijfsverzamelgebouw.
Hoewel het pand binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' ligt, zoals opgenomen in de vigerende beheersverordening ''Kom Boekel'', is het beschreven gebruik niet toegestaan. Doordat de verschillende activiteiten verzorgd worden door verschillende bedrijven wordt het gebouw nu gezien als een bedrijfsverzamelgebouw. In de bij de beheersverordening horende Staat van Bedrijfsactiviteiten is een bedrijfsverzamelgebouw niet opgenomen. De gemeente heeft echter aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een herziening van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de ruimtelijke onderbouwing en regels voor het mogelijk maken van de praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging, zoals yoga, haptonomie en mindfulness.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Boekel, sectie I, nummers 2654 en 2655. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 1.073 m². De gronden zijn particulier in eigendom.
Ter plaatse van het plangebied vigeert de beheersverordening "Kom Boekel'', vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 14 december 2017. Daarin is ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan ''Kom Boekel 2007'' van toepassing verklaard. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van deze vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGERENDE BEHEERSVERORDENING
Ter plaatse van het plangebied is de bestemming 'Bedrijventerrein' opgenomen. De gronden zijn in deze bestemming onder andere aangewezen voor:
Tevens bevat het plangebied de maatvoeringsaanduiding 'goothoogte, (nok)hoogte, bebouwingspercentage en milieucategorie'. Ter plaatse van deze aanduiding gelden voorwaarden ten aanzien van de bebouwing.
Conclusie
Het initiatief past niet binnen de beheersverordening. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.
Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied in de directe omgeving weer.
DIRECTE OMGEVING
Bedrijventerrein 'De Vlonder' bevindt zich in het noordwesten van Boekel. Op dit bedrijventerrein is de bedrijvigheid van de kern Boekel geconcentreerd. Dit bedrijventerrein wordt in westelijke richting ontsloten door de Schutboom, die aanhaakt op de Kerkstraat en de Erpseweg.
Het plangebied ligt in het zuidelijke deel van dit bedrijventerrein aan de noordelijke zijde van de Tuinstraat. Het plangebied kent twee gebouwen die gezamenlijk deel uitmaken van dit bedrijfsverzamelgebouw. Beide gebouwen bestaan uit twee verdiepingen en zijn nu niet geschakeld met elkaar. Deze gebouwen zijn opgedeeld in verschillende vertrekken waar de desbetreffende geestelijke en lichamelijke verzorging gegeven wordt. Daarnaast is Tuinstraat 11 ingericht als bedrijfswoning. Rondom het plangebied liggen diverse bedrijven, waaronder een autobedrijf en een bedrijf in Elektrotechniek.
Het plangebied wordt ontsloten door de Tuinstraat. De Tuinstraat heeft een ontsluitende functie voor het bedrijventerrein 'De Vlonder', omdat het de meest zuidelijke verbindingsweg is in de richting van de kern van Boekel. Daarnaast geldt dat de Tuinstraat voor de bewoners van de kern van Boekel een ontsluitingsweg is in de richting van Neerbroek. De verkeersintensiteit op de straat is relatief hoog.
In de huidige situatie is het plangebied vrijwel in zijn geheel verhard. Enkel ter plaatse van de Tuinstraat 11 kent het plangebied een gedeeltelijk ingerichte tuin die bestaat uit een grasveld met enkele solitair geplaatste bomen. Ook staan op de zuidelijke perceelsgrens enkele bomen die een erfafscheiding vormen tussen het plangebied en de Tuinstraat. Het plangebied kent geen oppervlaktewater.
In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.
De gewenste functie, die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is een bedrijfsverzamelgebouw. Een bedrijfsverzamelgebouw kan worden omschreven als: 'een verzameling van diverse functies uitgevoerd door een diversiteit aan bedrijven'. In dit geval heeft dit betrekking op praktijk- en oefenruimten ten behoeve van geestelijke en lichamelijke zorg, zoals yoga, haptonomie en mindfulness. Deze functies kunnen mogelijk in de toekomst wijzigen.
De bestaande bedrijfsgebouwen hebben een gezamenlijke bedrijfsoppervlakte van 744 m² op begane grond en verdieping. 310 m2 in de bestaande bedrijfswoning en 434 m2 in het bestaande bedrijfsgebouw. Er worden nu geen gebouwen toegevoegd en de gebouwen worden inpandig niet aangepast. Onderhavig initiatief kent nu dus geen bouwplan. Doordat de verschillende zorgactiviteiten op één locatie worden aangeboden kunnen cliënten optimaal worden geholpen op één plek.
Mogelijk is het gewenst in de toekomst (een deel van) het gebouw dat nu in gebruik is als bedrijfswoning bij de zorgactiviteiten te betrekken. Het is daarom gewenst beide gebouwen aan te duiden voor een bedrijfsverzamelgebouw.
Het aspect 'Verkeer en parkeren' zal middels onderhavig initiatief niet veranderen. In de huidige situatie wordt het plangebied reeds gebruikt als bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van praktijk- en oefenruimten ten behoeve van geestelijke en lichamelijke zorg. Deze functie levert geen problemen op voor de verkeersgeneratie en voor het aspect parkeren. Men moet nu voldoen aan de normen van de CROW en wanneer in een toekomstige situatie de clustering van bedrijvigheid verandert dient op dat moment te worden berekend of de nieuwe samenstelling van bedrijven blijft voldoen aan het aantal parkeerplaatsen volgens de gestelde normen van de CROW.
Onderhavig initiatief zorgt niet voor een aanpassing van de bestaande groenstructuren. Deze zullen behouden blijven en er wordt geen oppervlaktewater of extra groen aangebracht.
Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
Onderhavig plan draagt niet bij aan de energietransitie, omdat er geen sprake is van een bouwplan. De huidige situatie blijft behouden. Bij aanpassing van de bebouwing zal zo mogelijk gebruik gemaakt gaan worden van duurzame energie.
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Onderhavig plan ondervindt momenteel geen problemen zoals wateroverlast of hittestress en voorziet niet in het klimaatbestendig maken van de locatie, omdat er geen sprake is van een bouwplan. De huidige situatie blijft behouden.
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving. De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan is het belang ''Militaire terreinen en objecten'' aan de orde. Dit belang is beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (zie paragraaf 4.1.2). Als aan dat besluit wordt voldaan, wordt tevens aan de SVIR voldaan.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Het plangebied ligt op minder dan 15 km van het militaire vliegveld Volkel. Derhalve gelden bepaalde hoogtebeperkingen. In paragraaf 5.4 vindt hiervan een nadere uitwerking plaats. Daaruit wordt geconcludeerd dat het bouwplan ruim onder de maximaal toegestane hoogte blijft. Het project vormt daardoor geen belemmering voor het nationale belang "Militaire terreinen en objecten".
Conclusie
Het project vormt geen belemmering voor de nationale belangen die middels het Barro beschermd zijn.
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het plan omvat een functietoevoeging binnen de bestaande bestemming 'Bedrijventerrein', zonder uitbreiding van het terrein en bebouwing. Het plan wordt daardoor niet als stedelijke ontwikkeling gezien.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.
De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:
Analyse
Onderhavig plan betreft een functietoevoeging binnen de bestaande bestemming 'Bedrijventerrein', zonder uitbreiding van het terrein en bebouwing. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.
| ad 1. | De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. Onderhavig initiatief zorgt niet voor een verandering van het energieverbruik en betreft daarnaast ook geen bouwplan. Dit aspect is mede hierdoor niet van toepassing. |
| ad 2. | Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Daarnaast betreft onderhavig initiatief geen bouwplan, waardoor dit aspect niet van toepassing is. |
| ad 3. | Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Dit initiatief gaat niet uit van een uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied, daarnaast betreft onderhavig initiatief geen bouwplan. Dit aspect is hierdoor niet van toepassing. |
| ad 4. | Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door het mogelijk maken van een bedrijfsverzamelgebouw wordt een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee het vestigingsklimaat. |
Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking zal treden.
De Interim omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):
Onderhavig planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging binnen bestaande bebouwing. Het plangebied is gelegen binnen de 'Landelijke Kern'. In het kader van deze ontwikkeling dient in beginsel aan artikel 3.42 van de Interim Omgevingsverordening getoetst te worden. Hieronder is dit artikel overgenomen en wordt hieraan getoetst.
''Artikel 3.42 - duurzame stedelijke ontwikkeling
Lid 1
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
Lid 2
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
Lid 3
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over:
In september 2019 heeft gemeente Boekel de notitie 'Vestiging sport- en fitnessformules' opgesteld. Volgens deze notitie is het onder voorwaarden mogelijk om (kleinschalige) sport- en fitnessformules op bedrijventerreinen te vestigen. Zoals beschreven in paragraaf 4.3.2 voldoet voorliggend initiatief aan de gestelde voorwaarden. Daarnaast komt de vraag naar deze functie juist vanuit het bedrijventerrein De Vlonder, waardoor er ook geen sprake is van een functie welke thuis hoort in een centrumgebied, maar juist thuis hoort in een overgangsgebied zoals Tuinstraat 11-15.
Daarnaast bevat onderhavig planvoornemen regels om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein. Deze zijn opgenomen in artikel 3 van de regels.
Ter plaatse van het plangebied geldt het gebiedskenmerk 'Stalderingsgebied'. Het artikel 3.52 stelt regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.
Uit artikel 3.5 komt naar voren dat aan een drietal aspecten getoetst moet worden om een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving te waarborgen. Dit zijn de volgende aspecten:
Onderhavig planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging in bestaande bebouwing binnen bestaand stedelijk gebied. Binnen het planvoornemen wordt een zorgvuldig ruimtegebruik verkregen door in het gebouw nieuwe functievoorzieningen mogelijk te maken. Hiermee wordt mogelijke leegstand voorkomen.
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op:
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Onderhavig planvoornemen zorgt niet voor een wijziging in de eerste twee lagen. Desalniettemin treedt er wel een verandering op in de derde laag. Doordat met onderhavig planvoornemen voorzien wordt in het mogelijk maken van praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging in bestaande bebouwing draagt dit bij aan de leefbaarheid en economische positie van Boekel, omdat leegstand wordt tegengegaan. Hiermee wordt voldaan aan dit aspect.
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
Onderhavig planvoornemen zorgt voor diverse sociaaleconomische meerwaardecreaties. Allereerst wordt de directe omgeving gevrijwaard van leegstand, wat kan leiden tot verloedering. Daarnaast leidt de ingebruikname van andere functies tot uitgaven, wat de economische positie van Boekel ten goede komt. Ten slotte zorgt de ingebruikname van andere functies binnen het bestaande gebouw voor de instandhouding van het pand, wat een positieve invloed heeft op de levensduur van het pand.
Het plan past binnen het beleid van de Interim Omgevingsverordening.
Op 13 oktober 2011 heeft de gemeenteraad van Boekel de Structuurvisie Boekel vastgesteld. Deze moet fungeren als een document op hoofdlijnen, dat kaderstellend is voor en richting geeft aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de structuurvisiekaart. Hiermee wordt visueel inzichtelijk gemaakt wat de visie is ter plaatse van het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen de zone 'bedrijventerrein'.
UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE
De strategie voor de bestaande bedrijventerreinen (De Vlonder in Boekel en Kraaiendonk in Venhorst) is gericht op beheer en waar mogelijk intensivering. In het kader van het streven naar zuinig ruimtegebruik moeten kansen op efficiënt ruimtegebruik benut worden. Zuinig ruimtegebruik betekent in de eerste plaats dat de ruimte op bestaande bedrijventerreinen beter wordt benut, waarbij sterk wordt ingezet op herstructurering van (verouderde) bedrijventerreinen, of delen ervan. Daarnaast is het van groot belang dat door intensivering en meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit en de ruimtelijke kwaliteit worden verhoogd. Aandacht is daarbij nodig voor de inpassing van de bebouwing, met name aan de ontsluitingswegen. Uitgangspunt is dat geparkeerd wordt op eigen terrein.
De gemeente Boekel wil in principe de bedrijven uit de gemeente Boekel de kans geven om zich in Boekel verder te ontwikkelen. Dit geldt voor bedrijven die reeds op de bedrijventerreinen gevestigd zijn, maar ook bedrijven van elders in de gemeente die vanwege ontwikkelingen in de kern en het buitengebied gedwongen zijn te verplaatsen. Het streven is gericht op het vestigen van bedrijven uit Boekel op De Vlonder en het vestigen van bedrijven uit Venhorst op het bedrijventerrein Kraaiendonk. Uiteraard is dit afhankelijk van de beschikbare ruimte en van milieutechnische aspecten. Ook de openbare ruimte op de bedrijventerreinen dient aandacht te krijgen, aangezien deze kan zorgen voor samenhang binnen het bedrijventerrein. Belangrijke aspecten zijn veiligheid en parkeren.
Analyse
Onderhavig initiatief zorgt voor het mogelijk maken van een bedrijfsverzamelgebouw met praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging binnen een reeds bestaand gebouw. Dit sluit aan bij de 'Structuurvisie Boekel'.
Conclusie
Het plan past binnen de 'Structuurvisie Boekel'.
In september 2019 heeft gemeente Boekel de notitie 'Vestiging sport- en fitnessformules' opgesteld. Aanleiding hiervoor is de toenemende vraag naar het vestigen van (kleinschalige) sport- en fitnessformules en daaraan verwante functies op (met name) het bedrijventerrein De Vlonder. Om een wildgroei van dergelijke functies op niet wenselijke locaties op het bedrijventerrein en in de gemeente Boekel te voorkomen, is deze notitie opgesteld.
Op bedrijventerrein De Vlonder is in de vigerende bestemmingsplannen een zonering opgenomen ten aanzien van de toegelaten milieucategorieën. Hierbij is rekening gehouden met de in de omgeving van het bedrijventerrein gelegen woningen, maar andersom ook met de ontwikkelingsruimte van de bedrijven die gevestigd zijn op bedrijventerrein De Vlonder.
Om op het bedrijventerrein De Vlonder een sport- en/of fitnessformule te vestigen, betreffen de belangrijkste voorwaarden dat (1) de locatie valt onder milieucategorie 1 en/of 2 én (2) de locatie moet gelegen zijn aan de rand van het bedrijventerrein.
Analyse
Het vigerend bestemmingsplan laat ter plaatse van 'Tuinstraat 11-15' milieutechnisch maximaal een milieucategorie 2 bedrijf gevestigd kan worden. Op het perceel Tuinstraat 11-15 zijn twee panden gesitueerd die reeds zijn ingericht met praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging, zoals yoga, haptonomie en mindfulness. De reden hiervoor is de toenemende vraag naar kleinschalige sport- en fitnessformules op het bedrijventerrein. Dit betreffen milieucategorie 1 functies, waardoor gesteld kan worden dat voldaan wordt aan voorwaarde 1 van de Notitie sport- en fitnessformules.
Het plangebied ligt daarnaast aan de rand van het bedrijventerrein. Waar ten noorden van de Tuinstraat bedrijventerrein De Vlonder begint, begint direct ten zuiden van de Tuinstraat het overgangsgebied van bedrijvigheid naar wonen. In de directe omgeving ten zuiden van Tuinstraat 11-15 bevinden zich burgerwoningen, afgewisseld door kleinschalige kantoor- en bedrijfsfuncties en een bouwmarkt. Hiermee kan gesteld worden dat ook aan voorwaarden 2 van de Notitie sport- en fitnessformules wordt voldaan.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief passend is in haar omgeving, waarmee dus sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Doordat de vraag vanuit het bedrijventerrein De Vlonder komt, is ook geen sprake van een functie welke thuishoort in een centrumgebied, maar juist een overgangsgebied zoals Tuinstraat 11-15.
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Het initiatief omvat geen uitbreiding van bebouwing en betreft geen bestemmingswijziging naar een gevoeliger functie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet noodzakelijk.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Omgevingstype
Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een gemengd gebied. In de omgeving is sprake van matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals bedrijvigheid.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft het mogelijk maken van een bedrijfsverzamelgebouw met praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging, zoals yoga, haptonomie en mindfulness; binnen een reeds bestaand gebouw. Het gebruik heeft een beperkte uitstraling op de omgeving, die in de vigerende beheersverordening al is toegestaan.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Het project omvat geen hindergevoelig gebruik. Een nadere beoordeling van de invloed van omliggende bedrijven is niet nodig.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
Het plan omvat geen nieuwe kwetsbare objecten. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
Het plan omvat geen nieuwe geurgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is niet aan de orde.
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat het mogelijk maken van een bedrijfsverzamelgebouw ten behoeve van praktijk- en oefenruimten voor geestelijke en lichamelijke verzorging, zoals yoga, haptonomie en mindfulness; binnen een bestaand gebouw en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
Goed woon- en leefklimaat
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2012, 2015 en 2020 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor bij de uitbreiding van veehouderijen of een ontwikkeling van milieugevoelige functies in de omgeving van veehouderijen. Het betreft specifiek de aspecten endotoxinen en geitenhouderijen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.
Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere beoordeling aan het aspect endotoxinen kan achterwege blijven.
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
Analyse
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere beoordeling aan het aspect geitenhouderijen kan achterwege blijven.
Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.
Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
Het initiatief zorgt niet voor een nieuwe verstoring van de gronden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'.
Onderhavig initiatief zorgt niet voor meer stikstofdepositie dan in de huidige situatie, omdat er geen grotere verkeersaantrekkende werking wordt veroorzaakt door het initiatief. Er is dus door deze ontwikkeling geen effect op de Natura 2000 gebieden in de omgeving.
Soortenbescherming
Er vinden geen ontwikkelingen plaats die de mogelijk aanwezige natuurwaarden verstoren. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.
Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.
Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterplan 2016-2021, Provinciaal Milieu-en Waterplan van de provincie Noord-Brabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en rioleringen het Gemeentelijk Watertakenplan (GWTP). Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden.
Daarbij zijn de volgende strategieën leidend:
In het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas wordt aangeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe deze doelen bereikt moeten worden. Het plan is afgestemd op het nationale en provinciale waterbeleid en dat van de andere Nederlandse waterschappen. Het doel van het waterbeheerplan is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende thema’s:
Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes:
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.
Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Plannen met een verhardingstoename tot 2000 m² zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 2.000 m² en 10.000 m² hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)).
In 2017 heeft de gemeente Boekel het Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (VGRP) vastgesteld. Met dit plan geeft de gemeente Boekel invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaam beheer en onderhoud van het gemeentelijk rioolstelsel. De planperiode van dit VGRP omvat de periode 2017 tot en met 2022. Ten aanzien van hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente in haar gebied naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van hemelwater, voor zover burgers en bedrijven zich daar redelijkerwijs niet van kunnen ontdoen tegen zo laag mogelijke kosten.
De belangrijkste aandachtspunten in het gemeentelijk hemelwaterbeleid zijn:
In het plan heeft de gemeente afkoppelbeleid voor hemelwater geformuleerd. De gemeentelijke visie op het afkoppelen van hemelwater is scheiden van vuilwater en hemelwater in het overgrote deel van de gemeente op lange termijn bij vervangen van een gemengd stelsel ombouw naar een gescheiden riool (hierbij wordt infiltratie van hemelwater gestimuleerd), het direct scheiden van vuilwater en schoon water in alle nieuwbouw en het aangrijpen van alle mogelijkheden om de afweging te maken om al of niet af te koppelen.
Onderhavig initiatief brengt geen wijzigingen aan aan de verharding in het plangebied, en hierdoor blijft de bestaande bebouwing en verharding behouden. Er is dus geen toename van het verhard oppervlak. Daarmee is er geen wijziging van de waterhuishoudkundige situatie.
Onderhavig initiatief voldoet hiermee aan de gestelde normen omtrent het aspect water.
Het plangebied ligt op relatief korte afstand van het militaire vliegveld Volkel. Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Volkel en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in:
Doordat er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht zijn de aspecten 2 tot en met 6 niet aan de orde. Het aspect geluidzonering wordt hierna beoordeeld.
De geluidbelasting van het vliegverkeer is uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). In gebieden met een belasting lager dan 35 Ke is het toevoegen van geluidgevoelige objecten toegestaan. In gebieden met een hogere belasting is een nadere afweging nodig.
Het plangebied ligt in een gebied waar de geluidbelasting lager is dan 35 Ke. Er zijn geen geluidstechnische belemmeringen. Het plan voldoet aan de voorwaarden van de geluidzonering.
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling is het planologisch-juridisch regelen van een bestaand gebruik. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.
De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.
De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De indeling van de planregels is als volgt.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Hoofdstuk 4 Overgangsregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Bedrijventerrein (artikel 3)
Deze bestemming betreft het bedrijventerrein de Vlonder. Binnen de bestemming is een zonering opgenomen ten aanzien van de toegelaten milieucategorieën. Hierbij is rekening gehouden met de in de omgeving van het bedrijventerrein gelegen woningen. Hierbij geldt hoe dichter bij de woningen hoe lager de toegestane milieucategorie. Op de verbeelding zijn bouwvlakken aangegeven, waarbinnen de hoofdgebouwen moeten worden gerealiseerd. Tevens zijn het toegelaten milieucategorie, het bebouwingspercentage, de goothoogte en de nokhoogte op de plankaart aangegeven. Op perceel nr 11 is tevens de aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. In de voorschriften zijn nadere bebouwingsregels gegeven.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 4)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene gebruiksregels (artikel 5)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.
Algemene afwijkingsregels (artikel
6
)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.
Overige regels (artikel
7
)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden gelden bij of in het gebouw.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 8)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.
Slotregel (artikel 9)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties. Naar aanleiding hiervan heeft het Waterschap Aa en Maas een reactie toegezonden waarop het ontwerpbestemmingsplan is aangepast. De waterparagraaf (paragraaf 5.3.2) is uitgebreid en de bestemmingsregels (artikel 3.1) zijn aangevuld met waterhuishoudkundige voorzieningen.
Het ontwerpbestemmingsplan 'Tuinstraat 11-15' heeft van 5 februari 2020 tot en met 18 maart 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode 2 zienswijzen ingekomen. Deze zienswijzen zijn tijdig ingediend en daarom ontvankelijk verklaard.
Naar aanleiding van deze zienswijzen is paragraaf 4.2.2.1 nader aangevuld met een onderbouwing in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik in relatie tot het effect van dit initiatief op de centrumfuncties en is het beleid omtrent de Keur en het Waterbeheerplan opgenomen in de waterparagraaf (5.3.2).