Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Liempdseweg
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0753.bpLiempdseweg-VG01
1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
Plan:
het bestemmingsplan Liempdseweg met identificatienummer NL.IMRO.0753.bpLiempdseweg van de gemeente Best;
 
Bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
 
Aan- en uitbouw:
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is;
 
Aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
Aan huis verbonden beroep:
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, vastgesteld-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
 
Achtergevelrooilijn:
de achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd;
 
Afhankelijke woonruimte:
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;
 
Bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
Bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan  huis verbonden beroepen daar niet onder begrepen;
 
Bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
Bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
Bijgebouw:
gebouw, dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, onderscheid wordt gemaakt in aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen;
 
Bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
 
Bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen/plafonds is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw/kelder en zolder/vliering;
 
Bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
Bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
Bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
Bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
Carport:
een dakconstructie vrijstaand zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als gebouw;
 
Dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
 
Detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
Dove gevel:
een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak, die bestaat uit:
  1. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A);
  2. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.
 
Erf:
de grond deel uitmakende van een bouwperceel, behorende bij één woning, waarop geen hoofdgebouw is of mag worden gebouwd krachtens de vigerende woonbestemming;
 
Erf- of terreinafscheidingen:
de scheiding tussen twee onroerende zaken dien iet aan dezelfde eigenaar behoren, niet door dezelfde gebruikers worden benut, dan wel louter kadastraal gescheiden zijn;
 
Gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
Hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
 
Kap:
de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 10° en ten hoogste 75°;
 
Kelder:
een geheel ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk;
 
Kleinschalige bedrijvigheid:
het verlenen van dienst of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijgebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden. Hieronder wordt mede begrepen consumentenverzorging;
 
Landschapselementen:
punt-, lijn- en vlakelementen die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving;
 
Mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
 
Ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil;
 
Overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
Overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;
 
Pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
 
Perceelsgrens:
de grens van een perceel;
 
Peil:
voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;
voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw;
 
Prositutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
 
Seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub of prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
Vloeroppervlakte:
de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen;
 
Voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw;
 
Voorgevelrooilijn:
de voorste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd. Indien er geen sprake is van een voorste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak op de verbeelding is aangegeven, dan geldt de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de voorgevel van het hoofdgebouw, zonder aangebouwde bijgebouwen, alsmede het verlengde daarvan;
 
Vrijstaande woning:
een woning, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen gebouw is aangebouwd;
 
Water- en waterhuishoudkundige voorzieningen:
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen; alsmede onderhoudstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud en andere voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit, waarbij gedacht kan worden aan duikers, infiltratievoorzieningen, stuwen, gemalen, inlaten etcetera;
 
Wet / wettelijke regelingen:
indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d. dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het vastgesteldplan, tenzij anders bepaald;
 
Woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
 
Zolder:
zolder onder een kap voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 80 cm boven de vloer is gelegen.
 
Artikel 2 Wijze van meten
 
2.1 Algemeen
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
De afstand tot de bestemmingsgrens:
de kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de bestemmingsgrens;
 
De afstand tot de bouwperceelsgrens:
tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
 
De afstand tussen gebouwen:
de kortste afstand van de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen;
 
De bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
De dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
De goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
De inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
De oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  
2.2 Ondergeschikte bouwdelen
 
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.
 
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Wonen
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. Wonen;
  2. Aan huis verbonden beroepen;
  3. Bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en erven.
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. Hoofdgebouwen mogen enkel worden gebouwd in de typologie vrijstaande woningen;
  2. Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, behoudens het bepaalde onder 3.2.1 onder d;
  3. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden 2’ mogen niet meer dan twee hoofdgebouwen worden gebouwd;
  4. De voorgevelrooilijn mag uitsluitend worden overschreden met een erker, portiek, balkon of luifel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 6 m2;
    2. De afstand tot de aan de weg gelegen perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 meter;
    3. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw, behoudens voor balkons waarvan de bouwhoogte, gemeten vanaf de onderkant van de balkonvloer, niet meer dan 1,5 meter mag bedragen;
    4. De afmetingen van een luifel boven de toegang van een woning mogen ten hoogste 1,5 meter x 1 meter bedragen;
  5. De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 3,5 meter;
  6. De afstand van het hoofdgebouw tot de voorste perceelsgrens bedraagt ten minste 5 meter, behoudens het bepaalde onder 3.2.1 onder d;
  7. De goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 3 meter;
  8. De bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 9 meter;
  9. Het hoofdgebouw bestaat uit één bouwlaag met een kap;
  10. Hoofdgebouwen dienen met de voorgevel naar de weg gekeerd te zijn;
  11. De gevel van de verdieping aan de zijde van de Ringweg mag uitsluitend als dove gevel worden uitgevoerd;
  12. De dakhelling van hoofdgebouwen mag niet minder bedragen dan 40° en niet meer dan 60°.
3.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woningen gelden de volgende regels:
  1. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van het bouwvlak of de aanduiding ‘bijgebouwen’;
  2. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 6 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd te worden;
  3. De gronden buiten het bouwvlak, die zijn gelegen achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw, mogen voor maximaal 50% worden bebouwd;
  4. De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, mag niet meer dan 100 m2 per hoofdgebouw bedragen;
  5. De goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt maximaal 3 meter;
  6. De bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt maximaal 5,5 meter.
3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd worden;
  2. Carports en overkappingen mogen worden gebouwd, mits aan de volgende eisen wordt voldaan:
    1. Carports en overkappingen mogen uitsluitend achter de voorgevelrooilijn van de woning worden gebouwd;
    2. De goothoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
    3. De oppervlakte mag niet meer dan 20 m2 bedragen.
  3. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  4. Ten behoeve van de bouw van een openluchtzwembad mag het in 3.2.2 onder c genoemde bebouwingspercentage worden verhoogd tot maximaal 75%, met dien verstande dat de oppervlakte van het openluchtzwembad niet meer dan 100 m2 mag bedragen;
  5. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 3 meter mag bedragen.
3.2.4 Ondergrondse bouwwerken
  1. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan daar waar bovengronds mag worden gebouwd;
  2. Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil, vermeerderd met 15 m2;
  3. De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt minimaal 1,75 meter en maximaal 4 meter onder peil;
  4. Bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het blijkens deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen;
  5. Ondergronds bouwen is toegestaan, indien de water- en vochtdichtheid van de ondergrondse bouwdelen voldoende is voor de gebruiksfunctie van het bouwdeel.
3.3 Afwijken van de bouwregels
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in 3.2.3 voor:
  1. Het bouwen van bewegwijzering, licht- en andere masten en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde met een grotere hoogte;
Één en ander met inachtneming van de volgende regels:
  1. Tegen deze bouwhoogte bestaan geen bezwaren vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid of in verband met de ontsluiting van percelen;
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en gebouwen;
  3. De belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  4. Er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving.
3.4 Specifieke gebruiksregels
 
3.4.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik:
  1. voor detailhandel;
  2. voor (kleinschalige) bedrijvigheid;
  3. van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  4. voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen van emballage en/of afval;
  5. voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen;
  6. voor seksinrichtingen en prostitutie.
3.4.2 Parkeren
Met het oog op de woonbestemming dient in voldoende parkeergelegenheid te zijn voorzien. Wanneer hier niet (meer) aan wordt voldaan, wordt dit als strijdig gebruik aangemerkt. Het aantal en de afmetingen van de benodigde parkeergelegenheid bedraagt 1,7 parkeerplaatsen per hoofdgebouw en is gebaseerd op de parkeernormen en het parkeerbeleid en de overgangsregeling uit de gemeentelijke Nota Parkeernormen, die is opgenomen in bijlage 1;
 
3.4.3 Aan huis verbonden beroep
Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep gelden de volgende regels:
  1. De vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte, tot een maximum van 80 m2;
  2. Er zijn uitsluitend beroepsactiviteiten toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in bijlage 2 (niet limitatieve lijst);
  3. Detailhandel is niet toegestaan;
  4. Het gebruik mag geen nadelige gevolgen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer;
  5. Het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige toename van de parkeerbehoefte;
  6. Reclame-uitingen zijn niet toegestaan, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  7. Het aan huis verbonden beroep dient te worden uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels 
 
3.5.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels voor afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
  1. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  2. De belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  3. Er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving;
  4. De verkeersveiligheid komt niet in het gedrang;
  5. Het woon- en leefklimaat wordt niet onevenredig aangetast;
  6. De brand-, verkeers- en openbare veiligheid komen niet in het gedrang.
3.5.2 Kleinschalige bedrijvigheid
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder b, voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
  1. De woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  2. Parkeren vindt op eigen terrein plaats, met dien verstande dat wanneer dit niet mogelijk is, aangetoond wordt dat geen sprake is van een onevenredige toename van de parkeerdruk op de omgeving;
  3. Detailhandel is niet toegestaan;
  4. Er vinden geen vergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaats;
  5. Er vindt onevenredige aantasting van het woonklimaat plaats;
  6. Uitsluitend bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in bijlage 2 (niet limitatieve lijst);
  7. Buitenopslag is niet toegestaan;
  8. De omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 80 m2.
  9. Reclame-uitingen zijn niet toegestaan, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  10. De kleinschalige bedrijvigheid wordt uigeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
3.5.3 Afhankelijke woonruimte
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder c, voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
  1. Een dergelijke bewoning is noodzakelijk vanuit een oogpunt van mantelzorg;
  2. De afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen, met een maximale oppervlakte van 80 m2;
  3. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  4. Uit de resultaten van akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege weglawaai op de gevel niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid
 
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag niet meer dan 10% worden vergroot, een en ander met inachtneming van de volgende voorwaarden:
  1. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  2. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige landschapselementen;
  3. De belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  4. Er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving;
  5. De verkeersveiligheid komt niet in het gedrang;
  6. Het woon- en leefklimaat wordt niet onevenredig aangetast;
  7. De brand-, verkeers- en openbare veiligheid komen niet in het gedrang.
3 Algemene regels
 
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 5 Algemene aanduidingsregels
 
5.1 Vrijwaringszone-weg
 
5.1.1 Verbod
Het is niet toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone-weg’ (75 meter lijn).
 
5.1.2 Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1.1 teneinde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone-weg’ (75 meter lijn), mits de belangen vanuit de weg niet in het gedrang komen. Hiertoe wordt de wegbeheerder gehoord.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 6 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Liempdseweg.