direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied Best 2019
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0753.bpBuitengebied-VO01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan

Het bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2019' met identificatienummer NL.IMRO.0753.bpBuitengebied-VO01 van de gemeente Best.

1.2 Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 AAB

Adviescommissie Agrarische bouwaanvragen.

1.4 Aan- en uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwd bijgebouw.

1.5 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 Aanduidingsgrens

Grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 Aan huis verbonden beroep

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.

1.8 Aardkundige waarden en kenmerken

Waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van belang zijn.

1.9 Afhankelijke woonruimte (mantelzorg)

Een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest.

1.10 Agrarisch bedrijf

Inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf.

1.11 Agrarisch technisch hulpbedrijf

Bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel met uitzondering van mestbewerking.

1.12 Agrarisch verwant bedrijf

Bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.

1.13 Andere geluidgevoelige gebouwen:

Gebouwen zoals bedoeld in het Besluit geluidhinder.

1.14 Archeologische/cultuurhistorische waarde

De aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden.

1.15 Archeologische verwachting

De aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.

1.16 Attentiegebied ecologische hoofdstructuur

Gebied gelegen rondom en binnen de ecologische hoofdstructuur waar fysieke ingrepen een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding.

1.17 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.18 Bebouwingscluster

vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied;

1.19 Bebouwingsconcentratie

kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;

1.20 Bebouwingslint

min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten bestaand stedelijk gebied;

1.21 Bebouwingspercentage

Een op de verbeelding dan wel in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel, bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.22 Bedrijfsgebouw

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.23 Bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

1.24 Beperkingen veehouderij

Gebied waar de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen zijn beperkt.

1.25 Bestaande situatie
  • a. t.a.v. bebouwing:
    bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter-inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • b. t.a.v. gebruik:
    het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.
1.26 Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.27 Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.28 Bijbehorende voorzieningen

Voorzieningen, die bij het hoofdgebruik van de bestemming horen.

1.29 Bijgebouw

Gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.30 Boerderij of boerderijgebouw

Eén gebouw, dat bestaat uit één overwegend ongelede (hoofd)bouwmassa, waarbinnen zich de (voormalige) agrarische bedrijfswoning en de (voormalige) agrarische bedrijfsruimten bevinden. Voorbeelden zijn een langgevelboerderij en een kortgevelboerderij.

1.31 Boerderijsplitsing

Het opdelen, binnen de bestaande (hoofd)bouwmassa, van een boerderij(gebouw) in niet meer dan 2 woningen of een in de regels aangegeven ander maximum aantal woningen.

1.32 Boringsvrije zone

Gebied rondom een waterwingebied waar zich tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken een aaneengesloten slecht doorlaatbare laag bevindt.

1.33 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.34 Bouwmassa

Een complex van aaneengebouwde bouwwerken.

1.35 Bouwperceel

Aaneengesloten stuk grond, waarop functioneel zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten, waarbij de gebouwen alleen zijn toegelaten binnen de bouwvlakken op het perceel terwijl buiten de bouwvlakken ook bouwwerken, geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.

1.36 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.37 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.38 Carport

een overkapping voor de overdekte stalling van motorvoertuigen.

1.39 Cultuurhistorische waarden en kenmerken

Waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.

1.40 Dagrecreatie

Het verblijf voor recreatieve doeleinden, zonder dat daar een overnachting elders (buiten de eigen woning) mee gepaard gaat.

1.41 Dak

Iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.42 Detailhandel

Bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.43 Deskundige

Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen aangaande een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals een archeologisch deskundige, erfgoeddeskundige, landschapsdeskundige, milieudeskundige en natuurdeskundige.

1.44 Dierenverblijf

Gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.

1.45 Dikke fractie

Het rulle of vaste deel van dierlijke mest dat ontstaat bij scheiding van mest of digestaat in een dik en een dun deel, bijvoorbeeld door mechanische scheiding, gescheiden opvang van mest en urine, bezinking of een strofilter.

1.46 Dove gevel

een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, waaronder begrepen het dak, die bestaat uit:

  • a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A);
  • b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.
1.47 Ecologische hoofdstructuur

Samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden.

1.48 Ecologische verbindingszone

Vaak langgerekt gebied, waarbinnen natuur- en landschapselementen zijn of worden gerealiseerd, gericht op het verbinden van natuurgebieden.

1.49 Ecologische waarden en kenmerken

Aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.

1.50 Erfbeplanting

Visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen, op de rand of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie.

1.51 Escortbedrijf

De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices of bemiddelingsbureaus.

1.52 Evenement

Elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

  • bioscoopvoorstellingen,
  • markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en
  • snuffelmarkten als bedoeld in de APV,
  • kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen,
  • het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen, betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties,
  • activiteiten genoemd in het artikel straatartiest en speelgelegenheid als bedoeld in de APV.

Onder evenement wordt mede verstaan een herdenkingsplechtigheid, een braderie, een optocht, niet zijnde een betoging op de weg als bedoeld in de APV, een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.

1.53 Functie

Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

1.54 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.55 Geluidzone industrie

Geluidcontour rond een industrieterrein waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat terrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).

1.56 Geurgevoelig object

Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt en andere objecten waar mensen langdurig verblijven, zoals voorzieningen voor verblijfsrecreatie.

1.57 Voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige bestemming

zijnde de bestemmingsvlakken met de bestemmingen Bedrijf - 1, Bedrijf - 2, Cultuur en ontspanning, Horeca, Maatschappelijk, Recreatie, Sport, Wonen, Wonen - Buitenplaats, alsmede kleinschalige kampeerterreinen en tot bedrijfswoningen van derden binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf.

1.58 Glastuinbouwbedrijf

Agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.

1.59 Grondgebonden veehouderij

Veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie, zoals beschreven in de provinciale Verordening ruimte of een vergelijkbare verordening met de daarbij behorende provinciale uitwerkingen en/of nadere regels.

1.60 Hokdierhouderij

Veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij.

1.61 Horecabedrijf

een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van een nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening. Tot de hieronder genoemde categorieën Horeca 1 tot en met Horeca 5 worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten:

  • 1. horeca 1 (winkelgebonden daghoreca):

vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waarbij de activiteiten primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of licht-alcoholische en niet-alcoholische dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse en waarvan de exploitatie doorgaans geen of slechts in lichte mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals broodjeszaken, ijssalons, eethuisjes en lunchrooms;

  • 2. horeca 2 (maaltijd- en logiesverstrekkers):

vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, zoals restaurants, bistro's, grand cafés, hotels en pensions;

  • 3. horeca 3 (spijsverstrekkers):

vormen van horeca-activiteiten die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren voor nuttiging al dan niet ter plaatse alsmede daaraan ondergeschikt het verstrekken van licht-alcoholische en niet-alcoholische dranken en waarvan de exploitatie doorgaans in enige mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals cafetaria's, automatieken en afhaalhoreca;

  • 4. horeca 4 (drankverstrekkers):

vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken voor gebruik ter plaatse van alcoholische en niet alcoholische dranken en waarvan de exploitatie doorgaans een lichte aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals cafés en bars;

horeca 5 (zware horeca):

vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig gelegenheid bieden van dansen op elektrisch versterkte muziek alsmede op het ter plaatse nuttigen van alcoholische en niet-alcoholische dranken en etenswaren, en waarvan de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals discotheken en nachtclubs.

1.62 Hoofdfunctie

Een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt.

1.63 Hoofdgebouw

Een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

1.64 Huishouden

Een alleenstaande, of twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren.

1.65 Hydrologische betekenis

Gronden met een betekenis binnen het watersysteem van het plangebied als infiltratiegebied, intermediair gebied en/of kwelgebied.

1.66 Hydrologisch waardevol

Gronden met waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot een of meer van de volgende waarden en/of omstandigheden:

  • aanwezige aardkundige waarden;
  • aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden;
  • aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden;

Daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild).

1.67 Kampeermiddel

Tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.

1.68 Kampeerterrein

Terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en bedrijfsmatig geëxploiteerd, dat is bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen.

1.69 Kas

Agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter.

1.70 Kelder

Een geheel ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk.

Kernrandzone

1.71 Kernrandzone

Overgangsgebied naar het buitengebied, gelegen langs bestaand stedelijk gebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en met een ondergeschikte of afnemende agrarische functie.

1.72 Kleinschalige bedrijvigheid

Het verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden. Hieronder wordt mede begrepen consumentenverzorging.

1.73 Kleinschalige bouwwerken

Bouwwerken met een geringe oppervlakte en een geringe bouwhoogte.

1.74 Kleinschalige overnachting

Een kleinschalige overnachtings- en verblijfsaccommodatie, gericht op het bieden an de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf en eventueel het serveren van ontbijt, waarvoor een vergoeding wordt betaald.

1.75 Kunstwerken

Waterstaatkundige bouwwerken die van belang zijn voor de functie die de wateren hebben, dan wel uit andere hoofde behoren tot of gelegen zijn in een watergang.

1.76 Kwetsbare soorten/kwetsbare natuurwaarden

Zeldzame planten of dieren die hoge eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving. Het gaat hier onder meer om weidevogels, ganzen en zwanen, amfibieën en reptielen, dagvlinders en bijzondere planten.

1.77 Landschappelijke tuin

een perceel grond, behorende bij het perceel van de aangrenzende (bedrijfs)woning, in gericht als tuin welke qua karakter en uiterlijk zoveel mogelijk aansluit bij het landschappelijk karakter van de omgeving;

1.78 Landschappelijke waarden en kenmerken

Gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.

1.79 Lawaaisporten

Een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingslawaai wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, (model)vliegsport; de jachtsport wordt hieronder niet verstaan.

1.80 Maatschappelijke en culturele voorzieningen

Educatieve, (para)medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen.

1.81 Manege

Een agrarisch verwant bedrijf dat op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor de verzorging van paarden. Stalling van paarden is hieronder niet begrepen.

1.82 Mantelzorg

Het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.

1.83 Melkrundveehouderij

Onder melkveehouderij worden de volgende diercategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij verstaan, met tussen haakjes de bijbehorende RAV-code:

  • melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar (A1);
  • vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (A3);
  • dieren die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak voor natuurbeheer.
1.84 Mestbewerking

De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygienisatie of indamping van mest.

1.85 Milieucategorie

Milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering.

1.86 Multifunctionele ruimte

een multifunctionele ruimte waar onder meer zijn toegestaan;

  • 1. Exposities
  • 2. Tentoonstellingen
  • 3. Ruilbeurzen
  • 4. Voorstellingen (theater, harmonieconcerten, mannenkoor etc.)
  • 5. Symposiums
  • 6. Lezingen
  • 7. Bruiloften
  • 8. Bedrijfsfeesten/-bijeenkomsten
  • 9. Bijeenkomsten verenigingen
1.87 Natuurwaarden

Waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid.

1.88 Nevenactiviteiten

Activiteiten waarvoor een gedeelte van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt.

1.89 Nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, apparatuur voor telecommunicatie, voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

1.90 Omschakeling

Geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm.

1.91 Overig agrarisch bedrijf

Agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt.

1.92 Overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak, met een open constructie met minimaal 2 open wanden en maximaal één eigen gesloten wand.

1.93 Paardenhouderij

Een bedrijf waarbij de productie geheel of gedeeltelijk gericht is op semi-agrarische activiteiten zoals het fokken en africhten van paarden dan wel op bedrijfsmatige activiteiten, zoals het aanbieden van rijles, het bieden van verblijf aan paarden, bijvoorbeeld paardenpension en paardenstallen en/of de handel in paarden.

1.94 Peil
  • Voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst; de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang.
  • In andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.95 Perceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

1.96 Permanente bewoning

Gebruik van een verblijf als hoofdverblijf;

1.97 Productiegebonden detailhandel

Detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.98 Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.99 Raamprostitutie

Een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen.

1.100 Recreatief medegebruik

Een recreatief gebruik van gronden dan ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan. Voorbeelden hiervan zijn wandelen, fietsen, paardrijden en sportvissen.

1.101 Recreatieve voorziening

Voorzieningen bedoeld voor recreatief gebruik zoals musea, sportterreinen, speeltuinen, hondenoefenterreinen, dierenparken, openluchttheaters en groepsaccommodaties.

1.102 Regionale waterberging

Gebied dat noodzakelijk is om wateroverlast uit regionale watersystemen tegen te gaan.

1.103 Reservering waterberging

Gebied dat mogelijk in de toekomst noodzakelijk is om wateroverlast uit regionale watersystemen tegen te gaan.

1.104 Ruimtelijke eenheid

Complex van bij elkaar behorende bouwwerken.

1.105 Scouting

groepsgewijze spel-en vereningingsactiviteiten voor kinderen en jongeren tot 21 jaar, inclusief incidentele overnachtingsmogelijkheid (groepsaccomodatie en/of kamperen);

1.106 Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.107 Stacaravan

Onderkomens, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dienen of kunnen dienen tot recreatief woondag- of nachtverblijf van een of meer personen, en die door de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wiel wel over een korte afstand naar een vaste standplaats kunnen worden verreden, doch niet bestemd zijn om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze onderkomens wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt zijn om te worden verreden, worden zij aangemerkt als stacaravan.

1.108 Stalderingsgebied

gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen;

Het stalderingsgebied voor Best is als volgt begrensd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0753.bpBuitengebied-VO01_0001.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0753.bpBuitengebied-VO01_0002.jpg"

1.109 Statische opslag

(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke.

1.110 Straatprostitutie

Het door handelingen, houding, woord, gebaar of andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken.

1.111 Struweelvogels

Vogelsoorten die als overeenkomst hebben dat ze leven in kleinschalige, belsoten of halfopen landschappen. Voorbeeld zijn geelgors, winterkoning, roodborst, zwartkop en heggenmus.

1.112 Teeltondersteunende voorziening

Ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een (vollegronds)teeltbedrijf, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt:

  • a. teeltondersteunende kas:
    een teeltondersteunde voorziening in de vorm van een (permanente) kas.
  • b. hoge teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter:
    teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die vrij makkelijk verwijderbaar zijn, maar waarbij dat niet na elk teeltseizoen plaats vindt. Hieronder worden in ieder geval verstaan:
      • teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen;
      • ondersteunende (glas)kassen;
      • plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen.

  • c. hoge teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter:
    teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) van het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan:
      • menstoegankelijke wandelkappen;
      • schaduwhallen voor het afharden van producten en ter bescherming van plantmateriaal tegen scherpe zon;
      • hagelnetten en vraatnetten.
  • d. lage ondersteunende voorzieningen met een meer permanent karakter/containervelden
    ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, voor zogenaamde containerteelt. Hierbij kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
      • containervelden als onomkeerbare voorziening, waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond veelal van niet-openbare/gesloten verhardingen, zoals beton;
      • containervelden als omkeerbare voorzieningen, waarbij gebruik gemaakt wordt van anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen.
  • e. lage teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter
    teeltondersteunende voorzieningen, met een hoogte van maximaal 1,5 meter, aanwezig gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan:
      • lage tunnels van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen, insectengaas, afdekfolies, vlakveldfolies.
1.113 Toename van stikstofemissie en stikstofdepositie
  • a. Er is sprake van een toename van stikstofemissie wanneer de emissie N/kg/jaar meer bedraagt dan de emissie N//kg/jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken
  • b. Er is sprake van een toename van stikstofemissie wanneer de emissie N/kg/jaar meer bedraagt dan de emissie N/jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting.
  • c. Indien een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie.
  • d. Indien een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg per jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie.
  • e. Als uitzondering op lid a, lid b, lid c en lid d van deze bepaling geldt het volgende: Er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van één van de volgende situaties:
    • 1. het gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld onder a en c of het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting als bedoeld onder b en d veroorzaakt een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied die afzonderlijk en, ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting in de periode waarvoor het programma aanpak stikstof geldt,
      • A. niet de van toepassing zijnde waarde(n) als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 en 2 Besluit natuurbescherming overschrijdt; en
      • B. voorzover er sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied gelegen tussen de 0,05 en 1 mol N/ha/jaar, beschikt wordt over:

        I) een geregistreerde melding als bedoeld in artikel 2.7 Regeling natuurbescherming dan wel, voorzover de melding is geregistreerd vóór 1 januari 2017 artikel 8 Regeling programmatische aanpak stikstof;
        II) de melding als opgenomen in Bijlage 22 PAS-vergunningen en meldingen 

    • 1. de emissie N/kg per jaar afkomstig van het agrarisch bedrijf bedraagt niet meer dan de emissie N/kg per jaar afkomstig van het gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in lid a of c of het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting als bedoeld in lid b of d conform een ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan verleende en onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming, en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, dan wel een verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 dan wel onder toepassing van artikel 2.2aa Bor juncto artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo is verleend en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. De bedoelde Natuurbeschermingswetvergunningen zijn als zodanig opgenomen in Bijlage 22 PAS-vergunningen en meldingen
    • 2. de emissie N per jaar afkomstig van het agrarisch bedrijf bedraagt niet meer dan de emissie N per jaar afkomstig van het gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in lid a of c of het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de inrichting als bedoeld in lid b of d conform een ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming, die na vaststelling van dit bestemmingsplan onherroepelijk wordt en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, dan wel een verleende omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 dan wel onder toepassing van artikel 2.2aa Bor juncto artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo is verleend, en die na vaststelling van dit bestemmingsplan onherroepelijk wordt en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. De bedoelde Natuurbeschermingswetvergunningen zijn als zodanig opgenomen in bijlage PM.
    • 3. het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen.
  • f. Onder 'programma aanpak stikstof' als bedoeld in lid e onder 1 van deze bepaling wordt verstaan het programma als bedoeld in artikel 2.9 Wet natuurbescherming juncto titel 2.1 van het Besluit natuurbescherming.
  • g. Onder 'N' (stikstof) wordt zowel NH3 (ammoniak) als NOx (stikstofoxide) verstaan.

1.114 Tuincentrum

een bedrijf dat voldoet aan de volgende kenmerken, met inachtneming van de geldende bouwregels:

afbeelding "i_NL.IMRO.0753.bpBuitengebied-VO01_0003.jpg"

met dien verstande dat de volgende assortimentsoorten niet zijn toegestaan:

  • levend - dieren
  • niet - levend basis - decoratie binnenhuis (sfeer & interieur)
  • niet - levend uitgebreid - tuinmeubelen.
1.115 Veehouderij

Agrarisch bedrijf of tak, gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.

1.116 Verblijfsrecreatie

Het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen.

1.117 Verkoopvloeroppervlak (vvo)

De totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.

1.118 Vergisting

Het omzetten van koolhydraten door micro-organismen door middel van een anaeroob dissimilatieproces (waarbij biogas wordt geproduceerd).

1.119 Vloeroppervlakte

de oppervlakte van de vloer van de begane grond.

1.120 (vollegronds)teeltbedrijf

Agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

1.121 Voorgevel

De gevel van de voorzijde van een gebouw.

1.122 Voorgevellijn

De lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.

1.123 Volwaardig agrarisch bedrijf

Bedrijf met de omvang van ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen.

1.124 Voor gewasbeschermingsmiddelengevoelige functies

Dit zijn de bestemmingsvlakken met de bestemmingen Bedrijf - 1, Bedrijf - 2, Cultuur en ontspanning, Horeca, Maatschappelijk, Recreatie, Sport, Wonen, Wonen - Buitenplaats, alsmede (kleinschalige kampeerterreinen) en tot bedrijfswoningen van derden binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf.

1.125 Voorzieningen van algemeen nut

Voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

1.126 Vormverandering van een bouvlak

Wijziging van de begrenzing van een bouw- en bestemmingsvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte.

1.127 Water en waterhuishoudkundige voorzieningen

Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voor voorzieningen, die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke.

1.128 Waterwingebied

Gebied waar waterwinning plaatsvindt ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening door onttrekking van grondwater.

1.129 Werk

Een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.

1.130 Wet/wettelijke regeling

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald.

1.131 Woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal 4 personen, die geen gezamenlijk huishouden vormen maar wel gezamenlijk gebruikmaken van de voorzieningen als ware het één huishouden. In het laatste geval dient sprake te zijn van een gebruiksoppervlakte van minimaal 12 m2 per persoon. Binnen een woning is sprake van één zelfstandige wooneenheid, dat wil zeggen één eenheid waarin een zelfstandig huishouden kan worden gevoerd doordat die eenheid beschikt over de daartoe strekkende voorzieningen (sanitair, kookgelegenheid en dergelijke) en een eigen huisnummer.

1.132 Woonboerderij

Een boerderij of boerderijgebouw dat bestaat uit een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met de in hetzelfde gebouw opgenomen (voormalige) bedrijfsruimten, waarbij woon- en stalgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn. Voorbeelden hiervan zijn een langgevelboerderij of kortgevelboerderij.

1.133 Zolder

Zolder onder een kap voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 80 cm boven de vloer is gelegen.

1.134 Zorgvuldige veehouderij

zorgvuldige veehouderij zoals beschreven in de provinciale Verordening ruimte of een vergelijkbare verordening met de daarbij behorende provinciale uitwerkingen en/of nadere regels.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.4 De (bouw)hoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.6 De afstand tot de bestemmingsgrens

De kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de bestemmingsgrens.

2.7 De afstand tot de bouwperceelsgrens

Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

2.8 De afstand tot de weg

De afstand tussen de bebouwing en de as van de weg.

2.9 De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse grens van het bouwperceel.

2.10 De breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren.

2.11 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

2.12 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,50 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waarbij hobbymatig gebruik van de gronden binnen een contour van 50 m rondom en aansluitend aan een bestemmingsvlak 'Wonen' is toegestaan;
  • b. nevenactiviteiten, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 3.5.2;
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  • d. een ruigtestrook te plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - ruigtestrook';
  • e. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen, alsmede nieuwe indien voldaan wordt aan de bepalingen als opgenomen in 3.6;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. extensief recreatief medegebruik;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, tuinen tussen Agrarisch - Agrarisch bedrijf en de weg, en sloten.

één en ander overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1.1:

a Voorzieningen

Voorzieningen, anders dan binnen deze bestemming expliciet genoemd, zijn niet toegestaan, zoals mestsilo's, sleufsilo's, waterbassins e.d., met dien verstande dat:

  • 1. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorziening buiten bouwvlak' voorzieningen (buiten het agrarisch bouwvlak), waaronder paardenbakken, kuilvoerplaten, verhardingen e.d., toegestaan; uitsluitend in het bestaande type voorziening en met de bestaande hoogte en situering als maximum;
  • 2. nieuwe paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan conform het bepaalde in 3.3.4.
  • 3. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen'.

b Hobbymatig gebruik rondom Wonen

Het hobbymatig gebruik van de agrarische gronden, mag uitsluitend bestaan uit hobbymatig agrarisch gebruik, zoals bijvoorbeeld voor het laten grazen van paarden en andere dieren of een boomgaard met dien verstande dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan.

c Landschappelijke tuin

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke tuin' is binnen agrarisch gebied tevens een landschappelijke tuin toegestaan.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

3.2.2 Gebouwen

Er zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van het (deel van het) bestaande gebouw en/of (het deel van de) bestaande overkapping, welke blijkens de Luchtfoto's 14 april 2001A t/m H (Bijlagen 1 t/m 8) aanwezig was op 14 april 2001. Herbouw kan worden toegestaan na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 3.3.2.

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat uitsluitend open erfafscheidingen zijn toegestaan, alsmede eenvoudige voorzieningen voor recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering.
  • b. Verlichting is niet toegestaan.
  • c. De bouwhoogte van de voorzieningen voor recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 3,5 m; de bouwhoogte van de open erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijking ander type bouwwerk

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.3 teineinde een ander type bouwwerk toe te staan, tot een hoogte van maximaal 4 m, onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van landschappelijke en/of hydrologische waarden.

3.3.2 Herbouw bestaand gebouw

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken als bedoeld in 3.2.2 onder a teneinde herbouw van het gebouw en/of overkapping mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. de bestaande maatvoering geldt als maximum;
  • b. herbouw vindt plaats met een uitstraling passend binnen de omgeving;
  • c. herbouw in de vorm van containers en herbouw van containers is niet toegestaan;
  • d. de herbouw gaat gepaard met kwaliteitsverbeterende maatregelen in de vorm van uitvoering en/of landschappelijke inpassing en/of een andere vorm van kwaliteitswinst;
  • e. indien er sprake is van een gebouw met cultuurhistorische waarde, is sloop niet toegestaan,
3.3.3 Schuilhut

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 teneinde een kleinschalige voorziening in de vorm van een schuilhut toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. de locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratie;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  • c. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 90 m2;
  • d. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking.
3.3.4 Paardenbakken voor hobbymatig gebruik

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1.2 onder a teneinde ten behoeve van hobbymatig gebruik, paardenbakken toe te staan:

  • a. aangetoond dient te worden dat de paardenbak redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf of binnen de bestemming Wonen;
  • b. de paardenbak dient aan te sluiten aan de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf dan wel aan de bestemming Wonen;
  • c. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd beplantingsplan;
  • d. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  • e. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m2;
  • f. er is maximaal één paardenbak per agrarisch bedrijf of woning toegestaan;
  • g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • h. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent wordt advies ingewonnen bij het waterschap;
  • i. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogd te beschermen;
  • j. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  • b. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten;
  • c. gewasbeschermingsmiddelen voor fruit- en boomteelt op een afstand van minder dan 50 m van bestemmingsvlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. Reeds bestaande fruit- en boomteelt zijn wel toegestaan;
  • d. een nieuw (kleinschalig) kampeerterrein (indien overige planregels die mogelijk maken) binnen 50 m van een aanwezige bomenteelt en/of fruitteelt. Reeds bestaande (kleinschalige) kampeerterreinen zijn toegestaan, met dien verstande dat de afstand niet mag worden verkleind
  • e. buitenopslag, anders dan toegestaan op grond van het bepaalde onder 3.1.2 onder a;
  • f. het (half)verharden van onverharde wegen en paden;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - ruigtestrook" is agrarisch gebruik van de gronden niet toegestaan met uitzondering van begrazing ten behoeve van onderhoud en beheer.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Kleinere spuitvrije zone

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.4.1 teneinde een een kleinere afstand aan te houden tussen boom- en/of fruitteelt en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de afstand is door middel van locatiespecifiek onderzoek onderbouwd, eventueel door middel van het aanbrengen/ treffen en instandhouden van driftreducerende maatregelen.
3.5.2 Omgevingsvergunning nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 3.1.1 teneinde nevenactiviteiten buiten het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan onder de navolgende voorwaarden:
Nevenactiviteiten     Voorwaarden    
Extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theetuin, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen, workshops en exposities.    
Kleinschalig kamperen en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen     - kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf of aangrenzend, tot maximaal 50 m afstand, en op een afstand van minimaal 50 m van de bestemming Wonen of een bedrijfswoning en/of tuin van derden of kleiner indien is aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
- uitsluitend kampeermiddelen met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans);
- kleinschalig kamperen mag bestaan uit maximaal 25 kampeermiddelen in combinatie met de gronden binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf, Agrarisch met waarden - Landschapswaarden en/of Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden;
- hiervan mogen maximaal 15 kampeermiddelen binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf worden gesitueerd;
- de kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
- gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf
- de oppervlakte voor het plaatsen van kampeermiddelen bij een minicamping mag niet meer dan 10.000 m2 bedragen;
- er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).   
Zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak      
Ondersteunende horeca, zoals een boerenterras, verkoop van ijs, een theetuin    - de omvang van de ondersteunende horeca bedraagt niet meer dan 30% van het totale overdekte en omsloten bruto vloeroppervlak van de hoofdactiviteit tot een maximum van 100 m2;
- er is tevens een terras toegestaan met een maximale oppervlakte van 100 m2 , uitsluitend ter plaatse van Agrarisch - Agrarisch bedrijf
- de ondersteunende horeca is uitsluitend toegestaan ter ondersteuning van het agrarisch bedrijf en nevenactiviteiten;
- zelfstandige feesten en partijen zijn niet toegestaan;
- ontsluiting vindt plaats via de hoofdontsluiting van het perceel;    

  • b. het gebruik van gronden buiten het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf is uitsluitend toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor de betreffende functie en dit niet op passende wijze binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf kan worden ingevuld;
  • c. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • d. de nevenactiviteiten vinden plaats naast en ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf;
  • e. er zijn geen gebouwen en overkappingen ten behoeve van de nevenactiviteit toegestaan;
  • f. maneges zijn niet toegestaan;
  • g. indien horeca op grond van bovenstaande tabel niet is uitgesloten, dan is ten behoeve van de nevenactiviteit ondergeschikte en ondersteunende routegebonden horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.;
  • h. indien detailhandel op grond van de bovenstaande tabel niet is uitgesloten, dan is detailhandel toegestaan, uitsluitend in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • i. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  • j. de overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • k. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • l. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • m. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • n. er wordt op eigen terrein, binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf, voorzien in de parkeerbehoefte;
  • o. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogd te beschermen;
  • p. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen', met een oppervlakte van meer dan 100 m².
3.6.2 Uitzonderingen

Het in 3.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
3.6.3 Toelaatbaarheid

De in 3.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden.

3.7 Wijzigingsbevoegheid
3.7.1 Vormverandering en vergroten bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op onderdelen wijzigen ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Agrarisch', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – ecologische verbindingszone' mag het realiseren en toekomstig functioneren van de geprojecteerde ecologische verbindingszone niet worden geschaad;
  • b. de vergroting en/of vormverandering mag als volgt plaatsvinden:
    • 1. voor veehouderijen gelden de volgende bepalingen:
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.1 Voorwaarden voor een veehouderij;
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.2 Bebouwing in stalderingsgebied (gehele plangebied);
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.3 Bebouwing veehouderij in beperkingen veehouderij;
      • het vindt niet plaats ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kleinschalig agrarisch bedrijf';
      • de wijziging is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de ter plaatse toegestane diersoort (vergunning c.q. melding), met dien verstande dat hierbinnen geen omschakeling is toegestaan naar een andere overwegende diersoort dan is aangeduid;
      • de omvang van het bouwvlak bedraagt maximaal 1,5 ha, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt; in afwijking hiervan geldt dat bij een grondgebonden veehouderij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak ten behoeve van de opslag van ruwvoer tot een omvang van maximaal 0,5 hectare niet meetelt, zie ook 3.7.2;
      • er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 3.4.1.
    • 2. voor (vollegronds)teeltbedrijven gelden de volgende bepalingen:
      • de omvang mag niet meer bedragen dan 2 ha; indien het bestaande bouwvlak reeds meer bedraagt dan 2 ha, mag dit bouwvlak worden vergroot met maximaal 20%;
      • er is een groter bouwvlak toegestaan dan 2 ha indien dit noodzakelijk is voor de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen. In plaats van een groter bouwvlak kan eveneens een differentiatievlak worden opgenomen, waarmee wordt geregeld dat ter plaatse geen gebouwen zijn toegestaan;
      • de bouw of uitbreiding van kassen is niet toegestaan;
    • 3. voor overige agrarische bedrijven, toegestaan op grond van 4.5.5, gelden de volgende bepalingen:
      • de omvang van het bouwvlak bedraagt maximaal 1,5 ha, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt;
  • c. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving en gelet op de volgende aspecten, inpasbaar in de omgeving:
    • 1. er is rekening gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;
    • 2. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;
    • 3. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd;
  • d. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
    • 1. Landschappelijke inpassing: er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de oppervlakte van de inpassing minimaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf dient te bedragen.
    • 2. Kwaliteitswinst: er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
    • 3. Verkaveling: Met het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon (occupatiegeschiedenis) zowel bij de erfinrichting als de situering van de gebouwen.
    • 4. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag.
    • 5. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt met uitzondering van cultuurhistorische bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
    • 6. Bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit).
  • e. bij vormverandering mag de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf niet worden vergroot;
  • f. bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal hydrologisch neutraal gebouwd dienen te worden;
  • g. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf en dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteundende voorzieningen op het agrarisch bouwvlak; hiertoe kan een differentiatievlak worden opgenomen, waarbinnen de bouw van gebouwen niet is toegestaan; Hierover kan advies worden gevraagd aan een agrarisch deskundige;
  • h. voldaan wordt aan de bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in 4.2;
  • i. binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • j. het nieuwe bouwvlak wordt op de verbeelding behorende bij het wijzigingsplan opgenomen; voor zover daarbij sprake is van een vormverandering, worden delen van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf geschrapt.
3.7.2 Differentiatievlak ruwvoedervoorziening

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen, teneinde de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening' (differentiatievlak) op te nemen, teneinde ter plaatse van deze aanduiding de opslag van ruwvoer, geen gebouwen zijnde, buiten de aanduiding 'bouwvlak' mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de omvang van de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening ' bedraagt ten hoogste 0,5 hectare;
  • b. de omvang van de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening' en het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan 2 hectare;
  • c. het bedrijf is vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer;
  • d. de ruimte is binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf niet aanwezig.
3.7.3 Behoud en/of ontwikkeling van de natuur en/of aanleg ecologische verbindingszone

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Natuur’, 'Bos' en/of 'Water' ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van de natuur en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone', waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • a. De wijziging mag pas plaatsvinden nadat de aankoop/overdracht is verzekerd of al heeft plaatsgevonden.

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, danwel
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kleinschalig agrarisch bedrijf' een kleinschalig agrarisch bedrijf;
  • b. agrarisch grondgebruik;
  • c. permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  • d. mestbewerking, uitsluitend van ter plaatse, op het eigen bedrijf, geproduceerde mest;
  • e. bedrijfswoningen;
  • f. tevens is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - vrijkomende agrarische bebouwing' burgerbewoning toegestaan en uitsluitend door de (voormalige) drijver van de inrichting en/of diens partner, al dan niet tezamen met inwonende kind(eren) met wie één huishouden wordt gevoerd;
  • g. aan huis verbonden beroepen;
  • h. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 4.5.1;
  • i. nevenactiviteiten;
  • j. extensief recreatief medegebruik.

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen

en overeenkomstig de in 4.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

4.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 4.1.1:

a Agrarisch bouwvlak

Voor een agrarisch bouwvlak, te weten de aanduiding 'bouwvlak', gelden de volgende algemene bepalingen:

  • 1. Uitsluitend binnen deze bestemming zijn agrarische bedrijfsgebouwen toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de figuur 'relatie' sprake is van een koppeling van twee bestemmingsvlakken 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (agrarische bouwvlakken). De bestemmingsvlakken met een dergelijke aanduiding worden, in het kader van de regels van dit bestemmingsplan, aangemerkt als één enkel bestemmingsvlak (agrarisch bouwvlak).
  • 2. Per bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan.
b Toegestane agrarische bedrijven/bedrijfstakken

(vollegronds)teeltbedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

'specifieke vorm van agrarisch - melk-/rundvee', tevens een melkrundveehouderij(tak),

'specifieke vorm van agrarisch - nertsen', tevens een nertsenhouderij,

'specifieke vorm van agrarisch - pluimvee', tevens een pluimveehouderij(tak),

'specifieke vorm van agrarisch - varkens', tevens een varkenshouderij(tak),

'specifieke vorm van agrarisch - vleeskalveren', tevens een vleeskalverenbedrijf(tak),

'specfieke vorm van agrarisch - stieren' tevens een stierenhouderij(tak),

is toegestaan.

c Teeltondersteunende voorzieningen

Binnen deze bestemming zijn permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen toegestaan, met dien verstande dat voor het oprichten van teeltondersteunende kassen de volgende voorwaarden gelden:

    • 1. per bouwvlak is maximaal 5000 m2 teeltondersteunende kassen zijn toegestaan;
    • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 zijn teeltondersteunende kassen niet toegestaan op bouwvlakken aangeduid met 'overige zone - groenblauwe mantel';of overige zone - natuurnetwerk brabant' dan wel op bouwvlakken die geheel of grotendeels worden omgeven door de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'.
d Bedrijfswoning

Voor bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • 1. per aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan,
  • 2. in afwijking van het bepaalde onder a geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangeduide aantal bedrijfswoningen als maximum;
  • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' zijn geen bedrijfswoningen toegestaan.
e Nevenactiviteiten
  • 1. nevenactiviteiten welke ondergeschikt zijn aan het agrarische bedrijf, met dien verstande dat:
    • a. uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan onder de navolgende voorwaarden:
Nevenactiviteiten   Voorwaarden  
Ondergeschikte detailhandel   - ter plaatse geproduceerde/ geteelde producten;
- de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;  
Inpandige statische opslag   - de vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 1.000 m2;
- inpandige statische opslag is uitsluitend toegestaan in de bestaande oppervlakte aan gebouwen (nieuwbouw is mogelijk);
- inpandige statische opslag is niet toegestaan in kassen.  
Pensionstalling    
Educatie   - de educatie heeft betrekking op de agrarische bedrijfsvoering, natuur, landschap , cultuurhistorie of het buitenleven;
- er mag geen sprake zijn van een geurgevoelig object. Hieraan wordt voldaan indien de educatie niet uitsluitend in één ruimte plaatsvindt, maar ook elders zoals in zichtruimtes op dierenverblijven of buiten;  
Kleinschalig kamperen   - kleinschalig kamperen, bestaande uit maximaal 15 kampeermiddelen binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf, met dien verstande dat de afstand tot het bestemmingvlak Wonen of een bedrijfswoning en/of tuin van een derde minimaal 50 m bedraagt;
- uitsluitend kampeermiddelen met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans);
- parkeren vindt plaats binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf
- er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, bestaande uit inheemse beplanting.  

    • a. de gezamenlijke vloeroppervlakte van nevenactiviteiten mag niet meer bedragen dan 50% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 500 m2, met dien verstande dat de omvang van inpandige statische opslag en minicampings hierbij niet wordt meegerekend;
    • b. in afwijking van het bepaalde in sub a en b zijn de agrarische nevenactiviteiten met de daarbij behorende voorzieningen ter plaatse van de aanduidingen toegestaan, zoals in de onderstaande tabel is aangegeven, waarbij voor de betreffende activiteit maximaal de in de tabel opgenomen vloeroppervlakte van bedrijfsgebouwen is toegestaan. Voor zover geen oppervlakte in de tabel is opgenomen geldt de bestaande vloeroppervlakte van bedrijfsgebouwen als maximum:


Afkorting    Aanduiding    Toelichting nevenactiviteit     Adres     Vloeroppervlakte bedrijfsgebouwen (m2)  
(sb-ki)   specifieke vorm van agrarisch - KI-station   kantoor en laboratorium   Aarleseweg 34     95  
(sco-edev)   specifieke vorm van cultuur en ontspanning - educatie/evenementen   educatie en evenenemten in cultuurhistorisch waardevolle stal   Oirschotseweg 117    

Bij omgevingsvergunning als opgenomen in 4.5.2 bestaat de mogelijkheid om andere nevenactiviteiten toe te staan.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende bepalingen:

  • a. er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd;
  • b. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m, indien de bestaande afstand reeds minder bedraagt geldt deze afstand als minimale afstand;
  • c. de afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m;
  • d. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan;
  • e. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
4.2.2 Bebouwing ten behoeve van veehouderij

Voor veehouderijen gelden de volgende specifieke bepalingen, zowel voor gebouwen als voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a. maximaal is de bestaande bebouwde oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij toegestaan;
  • b. onder bestaande oppervlakte dierenverblijf wordt verstaan de oppervlakte dierenverblijf die:
    • 1. op 17 maart 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
    • 2. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning;
    • 3. reeds vergund zijn en waar aantoonbaar sprake is van een zorgvuldige veehouderij, volgens de op dat moment geldende regels;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt dat voorzieningen - geen gebouwen zijnde - voor de opslag van ruwvoer zijn toegestaan.
4.2.3 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • c. binnen het bestemmingsvlak mogen uitsluitend kassen worden gebouwd als teeltondersteunende voorzieningen tot een maximum van 5.000 m², met dien verstande dat:
    • 1. deze ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' niet zijn toegestaan, met uitzondering van de bestaande teeltondersteunende kassen aan Mosselaarweg 11.
4.2.4 Bedrijfswoningen

Voor een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

  • a. De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3.
  • b. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen de goothoogte niet meer mag bedragen dan 6 m.
  • c. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
  • d. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • e. Vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden ter plaatse van de bestaande situering.
4.2.5 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m²;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
  • e. de dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°;
  • f. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 15 m.
4.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn;
  • b. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    • 1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd
    • 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    • 3. de totale oppervlakte per bedijfswoning, mag niet meer bedragen dan 50 m2,
  • c. de hoogte van torensilo's mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • d. de hoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • e. de hoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,50 m;
  • f. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • g. voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 4.2.1 onder b voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de weg mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 4.2.1 onder c voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
  • c. lid 4.2.5 onder e voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand van meer dan 15 m van de bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel.
4.3.2 Verplaatsing van de bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 ten behoeve van het verplaatsen van de bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige structuur en verkeersveiligheid.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • c. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleidop het gebied van geluid, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten en externe veiligheid.
  • d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan.
  • e. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  • b. aan huis verbonden bedrijven;
  • c. bewoning van gebouwen, anders dan het toegestane gebruik als bedrijfswoning van de bedrijfswoning;
  • d. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten;
  • e. gewasbeschermingsmiddelen voor fruit- en boomteelt op een afstand van minder dan 50 m van bestemmingsvlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. Reeds bestaande fruit- en boomteelt zijn wel toegestaan;
  • f. een nieuw (kleinschalig) kampeerterrein binnen 50 m van een aanwezige bomenteelt en/of fruitteelt. Reeds bestaande (kleinschalige) kampeerterreinen zijn toegestaan, met dien verstande dat de afstand niet mag worden verkleind;
  • g. het houden van dieren binnen gebouwen – al dan niet hokken – anders dan op de begane grond bouwlaag, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • h. kleinschalige overnachtingen.
4.4.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden tevens de volgende bepalingen:

  • a. een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan bij een bedrijfswoning;
  • b. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  • c. uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis;
  • d. detailhandel is niet toegestaan.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken als bedoeld in 4.1.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid bij een bedrijfswoning, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst);
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
4.5.2 Omgevingsvergunning andere nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 4.1.2 onder e teneinde andere nevenactiviteiten toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan onder de navolgende voorwaarden:
Nevenactiviteiten     Voorwaarden    
Extensieve vormen van dagrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theetuin (waarbij het horecadeel valt onder ondergeschikte horeca), verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen, workshops en exposities en bed and breakfastvoorzieningen in een grotere omvang      
Kleinschalig kamperen en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen     - kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf of aangrenzend, tot maximaal 50 m afstand, en op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming Wonen of een bedrijfswoning van derden;
- uitsluitend kampeermiddelen met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans), alsmede trekkershutten met een bebouwde oppervlakte van maximaal 30 m2 en een max. goot- en bouwhoogte van resp. 3 en 5 m. zijn toegestaan;
- kleinschalig kamperen mag bestaan uit maximaal 25 kampeermiddelen in combinatie met de gronden binnen de bestemming Agrarisch, Agrarisch met waarden - Landschapswaarden en/of Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden;
- hiervan mogen maximaal 15 kampeermiddelen binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf worden gesitueerd;
- de kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
- gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf;
- de oppervlakte voor het plaatsen van kampeermiddelen bij een minicamping mag niet meer dan 10.000 m2 bedragen;
- de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuur netwerk brabant';
- er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).   
Zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak      
Ondersteunende horeca, zoals een boerenterras, verkoop van ijs, een theetuin    - de omvang van de ondersteunende horeca bedraagt niet meer dan 30% van het totale overdekte en omsloten bruto vloeroppervlak van de hoofdactiviteit;
- er is tevens een terras toegestaan met een maximale oppervlakte van 100 m2;
- de ondersteunende horeca is uitsluitend toegestaan ter ondersteuning van het agrarisch bedrijf en nevenactiviteiten;
- zelfstandige feesten en partijen zijn niet toegestaan;
- ontsluiting vindt plaats via de hoofdonstsluiting van het perceel;    
Agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf     - detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
- de nevenactiviteit behoort ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' tot milieucategorie 3, en daarbuiten tot milieucategorie 1 of 2 ,van de in  Bijlage 17opgenomen  Lijst van bedrijfsactiviteiten alsmede naar aard en omvang vergelijkbare activiteiten;    
Niet-agrarisch bedrijf     - detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
- de nevenactiviteit behoort tot milieucategorie 1 of 2 van de in  Bijlage 17 opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten alsmede naar aard en omvang vergelijkbare activiteiten;    

  • b. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • c. de nevenactiviteiten vinden plaats naast en ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering;
  • d. indien de nevenactiviteit (deels) een inpandige activiteit betreft dan dient deze nevenactiviteit plaats te vinden in de bestaande bebouwing;
  • e. maneges zijn niet toegestaan;
  • f. ten behoeve van de nevenactiviteit ondergeschikte en ondersteunende routegebonden horeca is toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.;
  • g. indien detailhandel op grond van de bovenstaande tabel niet is uitgesloten, dan is detailhandel toegestaan, uitsluitend in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • h. de gezamenlijke vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf mag niet meer bedragen dan 50% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen en niet meer dan 500 m2 vloeroppervlakte, met uitzondering van:
    • 1. de oppervlakte die nodig is voor statische opslag;
    • 2. de oppervlakte die nodig is voor het plaatsen van kampeermiddelen bij een minicamping
  • i. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  • j. de overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • k. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • l. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • m. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • n. er wordt op eigen terrein voorzien in de parkeerbehoefte;
  • o. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogd te beschermen;
  • p. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.5.3 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.4.1 voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
4.5.4 Meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen door af te wijken van het bepaalde in 4.4.1 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijgebouwen bij een bedrijfswoning, teneinde een tweede huishouden te voeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in familieverband;.
  • b. het is alleen toegestaan indien een van de partijen de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • c. het dient te passen binnen de bouwregels van dit bestemmingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  • d. er mag maximaal 80 m2 door het tweede huishouden worden gebruikt;
  • e. er blijft sprake van één woning vanuit planologisch oogpunt;
  • f. zodra één van de generaties het pand/perceel verlaat, moet het perceel weer uitsluitend door één generatie worden gebruikt;
  • g. er mag niet kadastraal worden gesplitst;
  • h. aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen. Aan het gebruik kan nimmer recht worden ontleend op woningsplitsing;
  • i. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van mantelzorg;
  • a. aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie;
  • b. indien de huisvesting in een ander gebouw plaatsvindt dan in de bedrijfswoning, dan gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
    • 1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen; waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 2. er is sprake van een goed woon- en leefklimaat;
  • c. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • d. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.5.5 Vestiging overig agrarisch bedrijf

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1.2 onder bvoor het vestigen van een overig agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij-, paardenhouderij of glastuinbouwbedrijf, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  • a. de afwijking kan uitsluitend worden toegestaan indien het bouwvlak geheel of grotendeels wordt omgeven door de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en/of 'Agrarisch'.
  • b. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 4.4.1.
  • c. er dient vooraf advies te worden ingewonnen bij de AAB inzake de volwaardigheid van het agrarische bedrijf en de noodzaak van een bedrijfswoning.
  • d. er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
  • e. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • f. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan.
  • g. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.5.6 Bouwen bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1 onder b en lid 4.2.4 onder a voor het bouwen van een eerste bedrijfswoning, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  • a. De noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering is aanwezig en er is ter plaatse nog geen bedrijfswoning aanwezig.
  • b. De noodzaak van deze nieuwbouw is niet het gevolg van een eerder aanwezig, doch afgestoten bedrijfswoning.
  • c. Er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf.
  • d. De nieuwe bedrijfswoning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwijking van omliggende (agrarische) bedrijven.
  • e. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen bij de AAB inzake de volwaardigheid van het agrarische bedrijf en de noodzaak van de bedrijfswoning.
4.5.7 Kleinere spuitvrije zone

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.4.1 teneinde een een kleinere afstand aan te houden tussen boom- en/of fruitteelt en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de afstand is door middel van locatiespecifiek onderzoek onderbouwd, eventueel door middel van het aanbrengen/ treffen en instandhouden van driftreducerende maatregelen.
4.5.8 Kleinschalige overnachting

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 4.4.1 teneinde een voorziening voor kleinschalige overnachting toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
    • 1. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
    • 2. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
    • 3. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  • b. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  • c. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  • d. ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  • e. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan. Dit betekent dat de maximale verblijfsduur voor eenzelfde persoon of groep van personen 4 aaneengesloten maanden per keer bedraagt, en maximaal 122 nachten per jaar;
  • f. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn;
  • g. er wordt voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen 2015', gerealiseerd, met dien verstande dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken indien strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Indien de 'Nota Parkeernormen 2015' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
4.6 Wijzigingsbevoegdheid
4.6.1 Uitbreiden van dierenverblijf

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen teneinde het uitbreiden van de bebouwde oppervlakte aan dierenverblijf voor een veehouderij mogelijk te maken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - melkrundvee', 'specifieke vorm van agrarisch - pluimveehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - varkens', 'specifieke vorm van agrarisch - vleeskalveren',en/of 'specifieke vorm van agrarisch - overige agrarische bedrijven', in de daarbij toegestane diersoort als opgenomen in 4.1, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een veehouderij, zoals opgenomen in 38.3.1;
  • b. er wordt voldaan aan de regels voor staldering, zoals opgenomen in 38.3.2;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' wordt er voldaan aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.3;
  • d. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1;
  • e. er dient (dan) sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  • f. de uitbreiding is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling;
  • g. advies kan worden gevraagd aan een agrarisch deskundige over de volwaardigheid en de noodzakelijkheid;
  • h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • i. er is sprake van een goed woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit;
  • j. aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid o.a. op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie;
  • k. voldaan wordt aan de bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in 4.2;
  • l. binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • m. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
  • n. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
  • o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kleinschalig agrarisch bedrijf' mag de bestaande bebouwde oppervlakte aan dierenverblijf voor een veehouderij met maximaal 15% worden vergroot.
4.6.2 Wijziging naar een andere diersoort

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen teneinde binnen een bouwvlak een andere dan de ter plaatse aangeduide diersoort toe te staan, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. omschakeling naar een pluimveehouderij(tak), netsenhouderij(tak) en/of geitenhouderij(tak) is niet toegestaan;
  • b. de wijziging is uitsluitend toegestaan indien het bestemmingsvlak geheel of grotendeels wordt omgeven door de bestemming Agrarisch of Agrarisch met waarden - Landschapswaarden;
  • c. er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een veehouderij, zoals opgenomen in 38.3.1;
  • d. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 4.4.1;
  • e. de aanduiding 'bouwvlak' bedraagt niet meer dan 1,5 ha;
  • f. er dient vooraf advies te worden ingewonnen bij de AAB inzake de volwaardigheid van het agrarische bedrijf en de noodzaak van een bedrijfswoning;
  • g. er is sprake van een goed woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit;
  • h. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • i. indien er sprake is van een toename van de bebouwde oppervlakte van dierenverblijven, dan gelden de bepalingen uit 4.6.1 Uitbreiden van dierenverblijf eveneens;
  • j. in het kader van gezondheid zijn er geen belemmeringen;
  • k. er wordt een afstand aangehouden van minimaal 50 m tussen dit bestemmingsvlak en een bestemmingsvlak 'Wonen' of een bedrijfswoning;
  • l. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is omschakeling naar een veehouderij niet toegestaan.
4.6.3 Vormverandering bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming(en) Agrarisch, 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' ten behoeve van de vormverandering van het bestemmingsvlak van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', waarbij het te wijzigen gedeelte van het voormalige agrarische bestemmingsvlak een of meerdere van de hiervoor genoemde bestemming krijgt en waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorwaarden als opgenomen in 3.7.1, 5.7.1, 6.7.1 zijn van overeenkomstige toepassing;
  • b. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1.
4.6.4 Wijzigen naar bestemming 'Wonen'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen', waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. agrarisch hergebruik is niet goed mogelijk;
  • b. bewoning mag uitsluitend plaatsvinden in de voormalige bedrijfswoning;
  • c. splitsing in meerdere woonfuncties is niet toegestaan;
  • d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • e. aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie;
  • f. de overige gronden van deze bestemming worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen;
  • g. de oppervlakte aan bijgebouwen dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot maximaal 100 m2 met dien verstande dat
    • 1. voor wat betreft de oppervlakte bijgebouwen kan worden toegestaan 100 m2, vermeerderd met 20% van het te slopen meerdere van 100 m2 aan bijgebouwen en voormalige bedrijfsgebouwen dat voor de sloop aanwezig was, met een maximum van in totaal 300 m2 aan bijgebouwen of,
    • 2. voor wat betreft de inhoud van de woning kan worden toegestaan 750 m3  vermeerderd met 50m3 extra per 200m2 sloop,  met een maximum van 1000 m3. :tot 100 m²
  • h. de sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen is niet toegestaan;
  • i. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • j. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.6.5 Wijzigen naar bestemming 'Wonen' ten behoeve van woningsplitsing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van de splitsing van de voormalige agrarische bedrijfswoning in meerdere woningen, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. splitsing is alleen toegestaan, indien het agrarische bedrijf wordt beëindigd;
  • b. splitsing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • c. er dient met behulp van een bouwhistorisch onderzoek aangetoond te worden dat de splitsing bijdraagt aan de instandhouding of het versterken van de aanwezige cultuurhistorische waarden;
  • d. de woningen dienen (na de splitsing) een inhoud te hebben van minimaal 350 m3 per woning;
  • e. het bestaande architectonische karakter en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden, mogen niet wezenlijk aangetast worden;
  • f. de woningsplitsing dient bij te dragen aan het in stand houden en versterken van de aanwezige cultuurhistorische waarden; dienaangaande vraagt bevoegd gezag advies aan terzake deskundigen, zoals de Monumentencommissie;
  • g. aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie;
  • h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • i. voor zover er sprake is van de aanwezigheid van meer bedrijfsgebouwen/bijgebouwen dan de 100 m² die als bijgebouw per woning zijn toegestaan, dienen die gebouwen te worden gesloopt, uitgezonderd gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • j. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • k. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.6.6 Wijziging ten behoeve van recreatie

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming Recreatie ten behoeve van recreatieve voorzieningen in de vorm van dag-/verblijfsrecreatie indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de omvang van het bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf met een maximum van 1,5 ha;
  • b. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel; buiten deze aanduiding draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling van een gemengd landelijk gebied;
  • d. alleen bedrijven die niet voorkomen in milieucategorie 4 of hoger in de Lijst van Bedrijven zijn toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' alleen bedrijven die voorkomen in categorie 1 en 2 zijn toegestaan;
  • e. de bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen is geborgd;
  • f. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • g. er is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van het wijzigingsplan toegestane omvang;
  • h. de nieuwe functie is passend op de locatie en passend in de omgeving;
  • i. de functie levert een bijdrage aan de economische, ruimtelijke en/of sociaalmaatschappelijke vitaliteit van het buitengebied;
  • j. Buitenopslag is niet toegestaan;
  • k. grootschalige (licht)reclame is niet toegestaan;
  • l. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • m. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • n. er is maximaal 200 m² verkoopvloeroppervlakte aan ondergeschikte detailhandel toegestaan;
  • o. de vestiging van recreatieve voorzieningen mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
  • p. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • q. indien er sprake is van een milieugevoelige functie in een gebouw (bijvoorbeeld een geurgevoelig object) dan dient er sprake te zijn van een goed woon-, leef- en verblijfsklimaat;
  • r. ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.;
  • s. detailhandel kan worden toegestaan, uitsluitend in ondergeschikte, aan het recreatiebedrijf gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • t. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • u. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.6.7 Wijziging ten behoeve van opslag

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in Bedrijf - 1 ten behoeve van de statische (binnen)opslag van goederen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de opslag dient zich te beperken tot inpandige, statische opslag in bestaande gebouwen; herbouw is eveneens toegestaan, mits dit niet meer bedraagt dan de bestaande bebouwde oppervlakte. Buitenopslag is niet toegestaan;
  • b. de omvang van het bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan 5.000 m2, met dien verstande dat het bestemmingsvlak hiertoe niet mag worden vergroot;
  • c. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel; buiten deze aanduiding draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling van een gemengd landelijk gebied;
  • e. alleen opslagbedrijven die voorkomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 17 Lijst van bedrijfsactiviteiten of naar aard en invloed vergelijkbaar zijn, zijn toegestaan.
  • f. er is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van toegestane omvang;
  • g. de nieuwe functie is passend op de locatie en passend in de omgeving;
  • h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • i. de functie levert een bijdrage aan de economische, ruimtelijke en/of sociaalmaatschappelijke vitaliteit van het buitengebied;
  • j. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • k. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
  • l. buitenopslag is niet toegestaan;
  • m. grootschalige (licht)reclame is niet toegestaan;
  • n. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • o. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • p. de opslag mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
  • q. detailhandel is niet toegestaan;
  • r. de overtollige agrarische bebouwing dient gesloopt te worden, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
4.6.8 Wijziging ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf - 1' ten behoeve van het vestigen van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. hergebruik van de gronden is ten behoeve van agrarische doeleinden redelijkerwijs niet langer mogelijk;
  • b. de omvang van het bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan 1,5 ha, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' het bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan 5.000 m2. Voor beide situaties geldt dat het bestemmingsvlak hiertoe niet mag worden vergroot;
  • c. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel; buiten deze aanduiding draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling van een gemengd landelijk gebied;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn uitsluitend agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven die voorkomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 17 Lijst van bedrijfsactiviteiten, alsmede bedrijven die naar aard en/of invloed vergelijkbaar zijn, toegestaan. Buiten deze aanduiding geldt de maximum milieucategorie niet;
  • f. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;
  • g. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2;
  • h. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • i. er is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de toegestane omvang;
  • j. de nieuwe functie is passend op de locatie en passend in de omgeving;
  • k. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • l. de functie levert een bijdrage aan de economische, ruimtelijke en/of sociaalmaatschappelijke vitaliteit van het buitengebied;
  • m. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • n. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
  • o. buitenopslag is niet toegestaan;
  • p. grootschalige (licht)reclame is niet toegestaan;
  • q. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetas;.
  • r. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • s. op een locatie waarmee met toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling reeds gebouwen zijn gesloopt, mag geen nieuwe bebouwing worden gebouwd.
4.6.9 Wijziging ten behoeve van paardenhouderij

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij' ten behoeve van het vestigen van een gebruiksgerichte of productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een manege, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de vestiging is niet toegestaan op locaties gelegen in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' en/of de bestemming 'Natuur';
  • b. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1;
  • c. het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot;
  • d. de oppervlakte aan bestemmingsvlak per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 1 ha waarbij cultuurhistorische waardevolle gebouwen gehandhaafd dienen te blijven, zoals opgenomen ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • e. in afwijking van het bepaalde onder d geldt dat indien het bestemmingsvlak ligt binnen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', 'Agrarisch', de oppervlakte aan bestemmingsvlak mag worden vermeerderd met 25% van de oppervlakte tot een maximum van 1,5 ha;
  • f. op een locatie waarmee met toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling reeds gebouwen zijn gesloopt, mag geen nieuwe bebouwing worden gebouwd;
  • g. de paardenhouderij mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
  • h. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • i. buitenopslag, detailhandel en horeca zijn niet toegestaan;
  • j. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • k. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
4.6.10 Wijziging ten behoeve van niet-agrarische functies

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf - 1' ten behoeve van het vestigen van niet aan het buitengebied gebonden functies indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de omvang van het bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan 5.000 m2, met dien verstande dat het bestemmingsvlak hiertoe niet mag worden vergroot;
  • b. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel; buiten deze aanduiding draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling van een gemengd landelijk gebied;
  • d. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;
  • e. er is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van het wijzigingsplan toegestane omvang;
  • f. de nieuwe functie is passend op de locatie en passend in de omgeving;
  • g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • h. de functie levert een bijdrage aan de economische, ruimtelijke en/of sociaalmaatschappelijke vitaliteit van het buitengebied;
  • i. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • j. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
  • k. buitenopslag is niet toegestaan;
  • l. grootschalige (licht)reclame is niet toegestaan;
  • m. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • n. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • o. de overtollige agrarische bebouwing dient gesloopt te worden, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • p. de niet-agrarische functie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
  • q. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie bij de te vestigen hoofdfunctie tot een maximale oppervlakte van 200 m².;
  • r. alleen bedrijven die voorkomen in categorie 1 en 2 van Bijlage 17 Lijst van bedrijfsactiviteiten, zijn toegestaan.
4.6.11 Wijziging ten behoeve van zorgvoorzieningen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming Maatschappelijk ten behoeve van zorgvoorzieningen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot, met dien verstande dat het bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan 1,5 ha;
  • b. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 4.4.1;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel; buiten deze aanduiding draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling van een gemengd landelijk gebied;
  • d. de beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;
  • e. er is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang;
  • f. de nieuwe functie is passend op de locatie en passend in de omgeving;
  • g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • h. de functie levert een bijdrage aan de economische, ruimtelijke en/of sociaalmaatschappelijke vitaliteit van het buitengebied;
  • i. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • j. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR);
  • k. buitenopslag is niet toegestaan;
  • l. grootschalige (licht)reclame is niet toegestaan;
  • m. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • n. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • o. de vestiging van zorgvoorzieningen mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
4.6.12 Wijziging plattelandswoning

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen teneinde de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' op te nemen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de wijziging is uitsluitend toegestaan ter legalisering van een strijdig gebruik van een tweede agarische bedrijfswoning, waarvan de strijdigheid in de vorm van het gebruik als burgerbewoning, is ontstaan vóór 1 januari 2013;
  • b. de voormalige bedrijfswoning wordt aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning';
  • c. herbestemming tot de bestemming 'Wonen' is uitsluitend niet mogelijk vanwege de milieusituatie van het bijbehorende eigen bedrijf;
  • d. er wordt onderbouwd dat de situatie voldoet aan de wettelijke kaders, geur en geluid uitgezonderd;
  • e. er is sprake van een legale situatie, zowel voor de bedrijfswoning(en) als het agrarisch bedrijf;
  • f. er is sprake van een bestaand en in gebruik zijnd levensvatbaar agrarisch bedrijf, hetzij zelfstandig, hetzij als onderdeel van een ander agrarisch bedrijf;
  • g. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de plattelandswoning;
  • h. de milieueffecten van de omliggende bedrijven mogen op het moment van de aanvraag gelet op het woon- en leefklimaat, geen belemmering vormen voor een eventuele omzetting naar burgerwoning op een later moment;
  • i. de toekenning van de aanwijzing tot plattelandswoning mag niet leiden tot het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning,
  • j. nieuwe bedrijfsgebouwen en/of nieuwe emissiepunten zijn uitsluitend toegestaan op een afstand van minimaal 25 m van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning';
  • k. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waarbij hobbymatig gebruik van de gronden binnen een contour van 50 m rondom en aansluitend aan een bestemmingsvlak 'Wonen' is toegestaan;
  • b. nevenactiviteiten, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 5.5.2;
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  • d. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen, alsmede nieuwe indien voldaan wordt aan de bepalingen als opgenomen in 5.6;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. extensief recreatief medegebruik;

één en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, tuinen tussen Agrarisch - Agrarisch bedrijf en de weg, en sloten.

één en ander overeenkomstig de in 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

5.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 5.1.1:

a Voorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, zoals mestsilo's, sleufsilo's, paardenbakken, waterbassins e.d. zijn niet toegestaan, met dien verstande dat:

  • 1. een ruwvoederopslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening';
  • 2. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorziening buiten bouwvlak' voorzieningen zijn toegestaan, waaronder paardenbakken, kuilvoerplaten, verhardingen e.d., uitsluitend in het bestaande type voorziening en met de bestaande hoogte en situering als maximum;
  • 3. nieuwe paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan conform het bepaalde in 5.3.4
  • 4. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen'.
b Hobbymatig gebruik rondom Wonen

Het genoemde hobbymatig gebruik van de agrarische gronden, mag uitsluitend bestaan uit hobbymatig agrarisch gebruik, zoals bijvoorbeeld voor het laten grazen van paarden en andere dieren of een boomgaard met dien verstande dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan.

c Bomenteelt

Bomenteelt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt', dan wel na verlening van omgevingsvergunning als bedoeld in 5.6.

d Landschappelijke tuin

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke tuin' is binnen agrarisch gebied tevens een landschappelijke tuin toegestaan.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

5.2.2 Gebouwen

Er zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van het volgende:

  • a. Het (deel van het) bestaande gebouw en/of (het deel van de) bestaande overkapping, welke blijkens de Luchtfoto's 14 april 2001A t/m H (Bijlagen 1 t/m 8) aanwezig was op 14 april 2001. Herbouw is toegestaan na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 5.3.2.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - stal 2' is een gebouw toegestaan, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 88 m²;
    • 2. De goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,0 m;
    • 3. De bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m.
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat uitsluitend open erfafscheidingen zijn toegestaan, alsmede eenvoudige voorzieningen voor recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering. Verlichting is niet toegestaan.
  • b. De bouwhoogte van de voorzieningen voor recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 3,5 m; de bouwhoogte van de open erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m.
5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Afwijking ander type bouwwerk

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.3 teineinde een ander type bouwwerk toe te staan, tot een hoogte van maximaal 4 m, onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van landschappelijke en/of hydrologische waarden.

5.3.2 Herbouw bestaand gebouw

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken als bedoeld in 5.2.2 teneinde herbouw van het gebouw mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. de bestaande maatvoering geldt als maximum,
  • b. herbouw vindt plaats met een uitstraling passend binnen de omgeving;
  • c. herbouw in de vorm van containers en herbouw van containers is niet toegestaan;
  • d. de herbouw gaat gepaard met kwaliteitsverbeterende maatregelen in de vorm van uitvoering en/of landschappelijke inpassing en/of een andere vorm van kwaliteitswinst.
5.3.3 Schuilhut

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2 teneinde een kleinschalige voorziening in de vorm van een schuilhut toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. de locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratie;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  • c. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 90 m2;
  • d. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel.
5.3.4 Paardenbakken voor hobbymatig gebruik

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1.2 onder a teneinde ten behoeve van hobbymatig gebruik paardenbakken toe te staan:

  • a. aangetoond dient te worden dat de paardenbak redelijkerwijs niet kan worden gesitueerd binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf of binnen de bestemming Wonen;
  • b. de paardenbak dient aan te sluiten aan de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf dan wel aan de bestemming Wonen;
  • c. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd beplantingsplan;
  • d. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  • e. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m2;
  • f. er is maximaal één paardenbak per agrarisch bedrijf of woning toegestaan;
  • g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • h. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent wordt advies ingewonnen bij het waterschap;
  • i. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogd te beschermen;
  • j. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
5.4 Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  • b. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten;
  • c. gewasbeschermingsmiddelen voor fruit- en boomteelt op een afstand van minder dan 50 m van bestemmingsvlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. Reeds bestaande fruit- en boomteelt zijn wel toegestaan;
  • d. een nieuw (kleinschalig) kampeerterrein (indien overige planregels die mogelijk maken) binnen 50 m van een aanwezige bomenteelt en/of fruitteelt. Reeds bestaande (kleinschalige) kampeerterreinen zijn toegestaan, met dien verstande dat de afstand niet mag worden verkleind;
  • e. buitenopslag, anders dan toegestaan op grond van het bepaalde onder 5.1.2 onder a;
  • f. het (half)verharden van onverharde wegen en paden.
5.5 Afwijken van de gebruiksregels
5.5.1 Kleinere spuitvrije zone

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.4.1 teneinde een een kleinere afstand aan te houden tussen boom- en/of fruitteelt en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de afstand is door middel van locatiespecifiek onderzoek onderbouwd, eventueel door middel van het aanbrengen/ treffen en instandhouden van driftreducerende maatregelen.
5.5.2 Omgevingsvergunning nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 5.1.1 teneinde nevenactiviteiten buiten het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan onder de navolgende voorwaarden:
Nevenactiviteiten     Voorwaarden    
Extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theetuin, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen, workshops en exposities    
Kleinschalig kamperen en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen     - kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf of aangrenzend, tot maximaal 50 m afstand, en op een afstand van minimaal 50 m van de bestemming Wonen of een bedrijfswoning en/of tuin van derden of kleiner indien is aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
- uitsluitend kampeermiddelen met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans);
- kleinschalig kamperen mag bestaan uit maximaal 25 kampeermiddelen in combinatie met de gronden binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf, Agrarisch met waarden - Landschapswaarden en/of Agrarisch;
- hiervan mogen maximaal 15 kampeermiddelen binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf worden gesitueerd;
- de kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
- gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf;
- de oppervlakte voor het plaatsen van kampeermiddelen bij een minicamping mag niet meer dan 10.000 m2 bedragen;
- er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).   
Zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak      
Ondersteunende horeca, zoals een boerenterras, verkoop van ijs, een theetuin    - de omvang van de ondersteunende horeca bedraagt niet meer dan 30% van het totale overdekte en omsloten bruto vloeroppervlak van de hoofdactiviteit tot een maximum van 100 m2;
- er is tevens een terras toegestaan met een maximale oppervlakte van 100 m2 , uitsluitend ter plaatse van Agrarisch - Agrarisch bedrijf;
- de ondersteunende horeca is uitsluitend toegestaan ter ondersteuning van het agrarisch bedrijf en nevenactiviteiten;
- zelfstandige feesten en partijen zijn niet toegestaan;
- ontsluiting vindt plaats via de hoofdontsluiting van het perceel;    

  • b. het gebruik van gronden buiten het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf is uitsluitend toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor de betreffende functie en dit niet op passende wijze binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf kan worden ingevuld;
  • c. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • d. de nevenactiviteiten vinden plaats naast en ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf;
  • e. er zijn geen gebouwen en overkappingen ten behoeve van de nevenactiviteit toegestaan;
  • f. maneges zijn niet toegestaan;
  • g. indien horeca op grond van bovenstaande tabel niet is uitgesloten, dan is ten behoeve van de nevenactiviteit ondergeschikte en ondersteunende routegebonden horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.;
  • h. indien detailhandel op grond van de bovenstaande tabel niet is uitgesloten, dan is detailhandel toegestaan, uitsluitend in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • i. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  • j. de overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • k. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • l. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • m. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • n. er wordt op eigen terrein, binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf, voorzien in de parkeerbehoefte;
  • o. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogd te beschermen;
  • p. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).

5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. aanleg van hoge tijdelijke teeltondersteunenende voorzieningen, met een omvang van meer dan 3 ha.
  • e. boomteelt buiten de aanduiding 'boomteelt';
5.6.2 Uitzonderingen

Het in 5.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
5.6.3 Toelaatbaarheid

De in 5.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden.

5.7 Wijzigingsbevoegheid
5.7.1 Vormverandering en vergroten bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op onderdelen wijzigen ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – ecologische verbindingszone' mag het realiseren en toekomstig functioneren van de geprojecteerde ecologische verbindingszone niet worden geschaad;
  • b. de vergroting en/of vormverandering mag als volgt plaatsvinden:
    • 1. voor veehouderijen gelden de volgende bepalingen:
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.1 Voorwaarden voor een veehouderij;
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.2 Bebouwing in stalderingsgebied (gehele plangebied);
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.3 Bebouwing veehouderij in beperkingen veehouderij;
      • het vindt niet plaats ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kleinschalig agrarisch bedrijf';
      • de wijziging is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de ter plaatse toegestane diersoort (vergunning c.q. melding), met dien verstande dat hierbinnen geen omschakeling is toegestaan naar een andere overwegende diersoort dan is aangeduid;
      • de omvang van het bouwvlak bedraagt maximaal 1,5 ha, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt; in afwijking hiervan geldt dat bij een grondgebonden veehouderij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak ten behoeve van de opslag van ruwvoer tot een omvang van maximaal 0,5 hectare niet meetelt, zie ook 5.7.2;
      • er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 5.4.1.
    • 2. voor (vollegronds)teeltbedrijven gelden de volgende bepalingen:
      • de omvang mag niet meer bedragen dan 1,5 ha; indien het bestaande bouwvlak reeds meer bedraagt dan 1,5 ha, mag dit bouwvlak worden vergroot met maximaal 15%;
      • er is een groter bouwvlak toegestaan dan 1,5 ha indien dit noodzakelijk is voor de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen. In plaats van een groter bouwvlak kan eveneens een differentiatievlak worden opgenomen, waarmee wordt geregeld dat ter plaatse geen gebouwen zijn toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan met een omvang van maximaal 3 ha;
      • de bouw of uitbreiding van kassen is niet toegestaan;
    • 3. voor overige agrarische bedrijven, toegestaan op grond van 4.5.5, gelden de volgende bepalingen:
      • de omvang van het bouwvlak bedraagt maximaal 1,5 ha, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt;
  • c. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving en gelet op de volgende aspecten, inpasbaar in de omgeving:
    • 1. er is rekening gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;
    • 2. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;
    • 3. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd;
  • d. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
    • 1. Landschappelijke inpassing: er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de oppervlakte van de inpassing minimaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf' dient te bedragen.
    • 2. Kwaliteitswinst: er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR);
    • 3. Verkaveling: Met het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon (occupatiegeschiedenis) zowel bij de erfinrichting als de situering van de gebouwen.
    • 4. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag.
    • 5. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt met uitzondering van cultuurhistorische bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
    • 6. Bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit).
  • e. bij vormverandering mag de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf' niet worden vergroot;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' wordt een positieve bijdrage geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel;
  • g. bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal hydrologisch neutraal gebouwd dienen te worden;
  • h. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf en dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteundende voorzieningen op het agrarisch bouwvlak; hiertoe kan een differentiatievlak worden opgenomen, waarbinnen de bouw van gebouwen niet is toegestaan; Hierover kan advies worden gevraagd aan een agrarisch deskundige;
  • i. voldaan wordt aan de bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in 4.2;
  • j. binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • k. het nieuwe bouwvlak wordt op de verbeelding behorende bij het wijzigingsplan opgenomen; voor zover daarbij sprake is van een vormverandering, worden delen van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf' geschrapt.
5.7.2 Differentiatievlak ruwvoedervoorziening

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen, teneinde de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening' (differentiatievlak) op te nemen, teneinde ter plaatse van deze aanduiding de opslag van ruwvoer, geen gebouwen zijnde, buiten de aanduiding 'bouwvlak' mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de omvang van de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening ' bedraagt ten hoogste 0,5 hectare;
  • b. de omvang van de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening' en het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan 2 hectare;
  • c. het bedrijf is vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer;
  • d. de ruimte is binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf niet aanwezig.
5.7.3 Behoud en/of ontwikkeling van de natuur en/of aanleg ecologische verbindingszone

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Natuur’, 'Bos' en/of 'Water' ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van de natuur en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone', waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • a. De wijziging mag pas plaatsvinden nadat de aankoop/overdracht is verzekerd of al heeft plaatsgevonden.

Artikel 6 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waarbij hobbymatig gebruik van de gronden binnen een contour van 50 m rondom en aansluitend aan een bestemmingsvlak 'Wonen' is toegestaan;
  • b. nevenactiviteiten, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 6.5.2;
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  • d. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen, alsmede nieuwe indien voldaan wordt aan de bepalingen als opgenomen in 6.6;
  • e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ecoduct' een ecoduct;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. extensief recreatief medegebruik;

één en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, tuinen tussen Agrarisch - Agrarisch bedrijf en de weg, en sloten.

één en ander overeenkomstig de in 6.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

6.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 6.1.1:

a Voorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, zoals mestsilo's, sleufsilo's, paardenbakken, waterbassins e.d. zijn niet toegestaan, met dien verstande dat:

  • 1. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorziening buiten bouwvlak' en uitsluitend in het bestaande type voorziening en met de bestaande hoogte en situering als maximum;
  • 2. een ruwvoederopslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ruwvoedervoorziening';
  • 3. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan (tenzij vallende onder het bepaalde onder 1).

b Hobbymatig gebruik rondom Wonen

Het genoemde hobbymatig gebruik van de agrarische gronden, mag uitsluitend bestaan uit hobbymatig agrarisch gebruik, zoals bijvoorbeeld voor het laten grazen van paarden en andere dieren of een boomgaard met dien verstande dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan.

c Bomenteelt

Bomenteelt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt', dan wel na verlening van omgevingsvergunning als bedoeld in 6.6.

d Landschappelijke tuin

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke tuin' is binnen agrarisch gebied tevens een landschappelijke tuin toegestaan.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

6.2.2 Gebouwen

Er zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van het (deel van het) bestaande gebouw en/of (het deel van de) bestaande overkapping, welke blijkens de Luchtfoto's 14 april 2001A t/m H (Bijlagen 1 t/m 8) aanwezig was op 14 april 2001. Herbouw is toegestaan na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 6.3.2.

6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van het ecodcut bedraagt niet meer dan 13,5 m, alsmede zijn de bijbehorende hekwerken en overige voorzieningen toegestaan;
  • b. voor het overige zijn er uitsluitend open erfafscheidingen, alsmede eenvoudige voorzieningen voor recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering toegestaan. Verlichting is niet toegestaan.
  • c. De bouwhoogte van de voorzieningen voor recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 3,5 m; de bouwhoogte van de open erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m.

6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Afwijking ander type bouwwerk

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.3teineinde een ander type bouwwerk toe te staan, tot een hoogte van maximaal 4 m, onder de volgende voorwaarde:

  • a. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van landschappelijke en/of hydrologische waarden;
  • b. dit is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuur netwerk brabant'.
6.3.2 Herbouw bestaand gebouw

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken als bedoeld in 6.2.2 teneinde herbouw van het gebouw mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. de bestaande maatvoering geldt als maximum, tenzij een afwijking in het kader van kwaliteitswinst gewenst is;
  • b. herbouw vindt plaats met een uitstraling passend binnen de omgeving;
  • c. herbouw in de vorm van containers en herbouw van containers is niet toegestaan;
  • d. de herbouw gaat gepaard met kwaliteitsverbeterende maatregelen in de vorm van uitvoering en/of landschappelijke inpassing en/of een andere vorm van kwaliteitswinst;
  • e. dit is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuur netwerk brabant'.
6.3.3 Schuilhut

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 teneinde een kleinschalige voorziening in de vorm van een schuilhut toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. de locatie is gelegen in de kernrandzone, dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  • c. de bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 90 m2;
  • d. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel;
  • f. dit is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuur netwerk brabant'.
6.4 Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  • b. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten;
  • c. gewasbeschermingsmiddelen voor fruit- en boomteelt op een afstand van minder dan 50 m van bestemmingsvlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. Reeds bestaande gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mag worden gehandhaafd;
  • d. een nieuw (kleinschalig) kampeerterrein (indien overige planregels die mogelijk maken) binnen 50 m van een aanwezige bomenteelt en/of fruitteelt. Reeds bestaande (kleinschalige) kampeerterreinen zijn toegestaan, met dien verstande dat de afstand niet mag worden verkleind;
  • e. buitenopslag, anders dan toegestaan op grond van het bepaalde onder 6.1.2 onder a;
  • f. het (half)verharden van onverharde wegen en paden.
6.5 Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1 Kleinere spuitvrije zone

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.4.1 teneinde een een kleinere afstand aan te houden tussen boom- en/of fruitteelt en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de afstand is door middel van locatiespecifiek onderzoek onderbouwd, eventueel door middel van het aanbrengen/ treffen en instandhouden van driftreducerende maatregelen.
6.5.2 Omgevingsvergunning nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 6.1.1 teneinde nevenactiviteiten buiten het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan onder de navolgende voorwaarden:
Nevenactiviteiten     Voorwaarden    
Extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theetuin, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen, workshops en exposities    
Kleinschalig kamperen en de daarvoor noodzakelijke voorzieningen     - kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf of aangrenzend, tot maximaal 50 m afstand, en op een afstand van minimaal 50 m van de bestemming Wonen of een bedrijfswoning en/of tuin van derden of kleiner indien is aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
- uitsluitend kampeermiddelen met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans);
- kleinschalig kamperen mag bestaan uit maximaal 25 kampeermiddelen in combinatie met de gronden binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf, Agrarisch met waarden - Landschapswaardenen/of Agrarisch- hiervan mogen maximaal 15 kampeermiddelen binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf worden gesitueerd;
- de kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
- gebouwde voorzieningen ten behoeve van kleinschalig kamperen zoals sanitaire voorzieningen, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf;
- de oppervlakte voor het plaatsen van kampeermiddelen bij een minicamping mag niet meer dan 10.000 m2 bedragen;
- er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).   
Zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak      
Ondersteunende horeca, zoals een boerenterras, verkoop van ijs, een theetuin    - de omvang van de ondersteunende horeca bedraagt niet meer dan 30% van het totale overdekte en omsloten bruto vloeroppervlak van de hoofdactiviteit tot een maximum van 100 m2;
- er is tevens een terras toegestaan met een maximale oppervlakte van 100 m2 , uitsluitend ter plaatse van Agrarisch - Agrarisch bedrijf
- de ondersteunende horeca is uitsluitend toegestaan ter ondersteuning van het agrarisch bedrijf en nevenactiviteiten;
- zelfstandige feesten en partijen zijn niet toegestaan;
- ontsluiting vindt plaats via de hoofdontsluiting van het perceel;    

  • b. het gebruik van gronden buiten het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf is uitsluitend toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor de betreffende functie en dit niet op passende wijze binnen het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf kan worden ingevuld;
  • c. een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden;
  • d. de nevenactiviteiten vinden plaats naast en ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf;
  • e. er zijn geen gebouwen en overkappingen ten behoeve van de nevenactiviteit toegestaan;
  • f. maneges zijn niet toegestaan;
  • g. indien horeca op grond van bovenstaande tabel niet is uitgesloten, dan is ten behoeve van de nevenactiviteit ondergeschikte en ondersteunende routegebonden horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.;
  • h. indien detailhandel op grond van de bovenstaande tabel niet is uitgesloten, dan is detailhandel toegestaan, uitsluitend in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • i. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  • j. de overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • k. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • l. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • m. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  • n. er wordt op eigen terrein, binnen Agrarisch - Agrarisch bedrijf, voorzien in de parkeerbehoefte;
  • o. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogd te beschermen;
  • p. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. het graven en dempen van poelen, sloten en greppels;
  • e. het aanleggen van drainage;
  • f. het beplanten van gronden met hoogopgaande beplanting/houtgewas;
  • g. boomteelt buiten de aanduiding 'boomteelt'.
6.6.2 Uitzonderingen

Het in 6.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
6.6.3 Toelaatbaarheid

De in 6.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwaarden van de gronden.

6.7 Wijzigingsbevoegheid
6.7.1 Vormverandering en vergroten bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op onderdelen wijzigen ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – ecologische verbindingszone' mag het realiseren en toekomstig functioneren van de geprojecteerde ecologische verbindingszone niet worden geschaad;
  • b. dit is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuur netwerk brabant'.
  • c. de vergroting en/of vormverandering mag als volgt plaatsvinden:
    • 1. voor veehouderijen gelden de volgende bepalingen:
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.1 Voorwaarden voor een veehouderij;
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.2 Bebouwing in stalderingsgebied (gehele plangebied);
      • er dient voldaan te worden aan de regels, zoals opgenomen in 38.3.3 Bebouwing veehouderij in beperkingen veehouderij;
      • het vindt niet plaats ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kleinschalig agrarisch bedrijf';
      • de wijziging is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de ter plaatse toegestane diersoort (vergunning c.q. melding), met dien verstande dat hierbinnen geen omschakeling is toegestaan naar een andere overwegende diersoort dan is aangeduid;
      • de omvang van het bouwvlak bedraagt maximaal 1,5 ha, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt; in afwijking hiervan geldt dat bij een grondgebonden veehouderij de oppervlakte van een eventueel reeds aangeduid differentiatievlak ten behoeve van de opslag van ruwvoer tot een omvang van maximaal 0,5 hectare niet meetelt;
      • er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 6.4.1.
    • 2. voor (vollegronds)teeltbedrijven gelden de volgende bepalingen:
      • de omvang mag niet meer bedragen dan 1,5 ha; indien het bestaande bouwvlak reeds meer bedraagt dan 1,5 ha, mag dit bouwvlak worden vergroot met maximaal 15%;
      • er is een groter bouwvlak toegestaan dan 1,5 ha indien dit noodzakelijk is voor de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen. In plaats van een groter bouwvlak kan eveneens een differentiatievlak worden opgenomen, waarmee wordt geregeld dat ter plaatse geen gebouwen zijn toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan met een omvang van maximaal 3 ha;
      • de bouw of uitbreiding van kassen is niet toegestaan;
    • 3. voor overige agrarische bedrijven, toegestaan op grond van 4.5.5, gelden de volgende bepalingen:
      • de omvang van het bouwvlak bedraagt maximaal 1,5 ha, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt;
  • d. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving en gelet op de volgende aspecten, inpasbaar in de omgeving:
    • 1. er is rekening gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;
    • 2. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;
    • 3. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd;
  • e. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
    • 1. Landschappelijke inpassing: er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de oppervlakte van de inpassing minimaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf dient te bedragen.
    • 2. Kwaliteitswinst: er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR);
    • 3. Verkaveling: Met het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon (occupatiegeschiedenis) zowel bij de erfinrichting als de situering van de gebouwen.
    • 4. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag.
    • 5. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt met uitzondering van cultuurhistorische bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
    • 6. Bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit).
  • f. bij vormverandering mag de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf niet worden vergroot;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' wordt een positieve bijdrage geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel;
  • h. bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal hydrologisch neutraal gebouwd dienen te worden;
  • i. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf en dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteundende voorzieningen op het agrarisch bouwvlak; hiertoe kan een differentiatievlak worden opgenomen, waarbinnen de bouw van gebouwen niet is toegestaan; Hierover kan advies worden gevraagd aan een agrarisch deskundige;
  • j. voldaan wordt aan de bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in 4.2;
  • k. binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • l. het nieuwe bouwvlak wordt op de verbeelding behorende bij het wijzigingsplan opgenomen; voor zover daarbij sprake is van een vormverandering, worden delen van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf geschrapt.
6.7.2 Behoud en/of ontwikkeling van de natuur en/of aanleg ecologische verbindingszone

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Natuur’, 'Bos' en/of 'Water' ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van de natuur en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone', waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarde:

  • a. De wijziging mag pas plaatsvinden nadat de aankoop/overdracht is verzekerd of al heeft plaatsgevonden.

Artikel 7 Bedrijf - 1

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven, zoals opgenomen in 7.1.2 onder a;
  • b. bedrijfswoningen, uitsluitend het in de tabel, zoals opgenomen in 7.1.2 onder a, aangegeven maximale aantal;
  • c. aan huis verbonden beroepen;
  • d. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 7.5.1;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' uitsluitend voor aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen

en overeenkomstig de in 7.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

7.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 7.1.1:

a Tabel bedrijven

Ter plaatse van de onderstaande aanduidingen, zijn de met de aanduiding beschreven bedrijfsactiviteiten toegestaan:

Adres   Aanduiding   Maximaal aantal bedrijfswoningen   Maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing in m²   Oppervlakte detailhandel binnen bedrijfsbebouwing in m²   Goothoogte bedrijfsgebouwen (m)   Bouwhoogte bedrijfsgebouwen (m)  
Aarleseweg 4A/C   specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf   2   2.140   -   4,1   7  
Aarleseweg 24/24a   specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel   1   290   -   4,5   7,5
 
Aarleseweg 42/42a   specifieke vorm van bedrijf - opslag/handel in openhaardhout   1   1175   0   2,6   5  
Aarleseweg 50   tuincentrum   1   6875       6   10  
Boslaan-Zuid 11a   atelier   1, inpandig   420   -   3,5   4,75  
Boslaan-Zuid 13   specifieke vorm van bedrijf - handelsbedrijf, bouwmaterialen   1   1.750     4   5,5  
Burgstraat 3A/5   specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf   2   1.700   -   3,3   5,4  
Burgstraat 7   specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel   1
 
35% van het bestemmingsvlak   -   6   10  
Hagelaarweg 7 t/m 12   bedrijf tot en met categorie 2
(bedrijfsverzamelplek)  
2   1.420     3   5,5  
Heuveleindseweg 2   specifieke vorm van bedrijf - dierenkliniek/ - pension   1   1.900     -   6,3  
Hoge Vleutweg 9   specifieke vorm van bedrijf - zorgrecreatie, (zorg, recreatie educatie, verblijfsrecreatie, met paarden'
 
2 (in één pand)   1.400     6   10  
Kapelweg 18   specifieke vorm van bedrijf - glashandelbedrijf   1   859   -   2,6   5,3  
Klaverhoekseweg 12   specifieke vorm van bedrijf - detailhandel, handelsbedrijf, opslag en stalling   1   865   40   3   5,5  
Kruisbeemdenweg 16   specifieke vorm van bedrijf - hondenpension en hondenfokkerij die naar aard en omvang vergelijkbaar is met maximale milieucategorie 2 uit de Brochure bedrijven en milieuzonering, uitgave Vereniging Nederlandse Gemeenten 2009   1   400m2, uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'bouwvlak'   -   4   7  
Liempdseweg 15   specifieke vorm van bedrijf - opslag niet zijnde buitenopslag   1   440     3,75   8  
Molenheideweg 9   specifieke vorm van bedrijf - asbestsaneringsbedrijf, niet zijnde verwerking asbest ter plaatse   1   967   -   4,5   8,5  
Mosselaarweg 18   specifieke vorm van bedrijf - caravanstalling/ statische opslag   1   3228     5,5   8,3  
Oirschotseweg 114   specifieke vorm van bedrijf - auto-/ garagebedrijf   1   200   -   3,5   6  
Oude Schuurweg 2   transportbedrijf   2   425     3   6,5  
Parallelweg 12   opslag (opslagverhuurbedrijf)   1   1754   -   2,4   5,65  
Sint-Oedenrodeseweg 1   bedrijf tot en met categorie 2   0   bebouwingspercentage van 60 % van het bouwperceel     5   7  
Sint-Oedenrodeseweg 5A   bedrijf tot en met categorie 2   0   bebouwingspercentage van 60 % van het bouwperceel     5   7  
Sint-Oedenrodeseweg 23   specifieke vorm van bedrijf - handelsbedrijf gebruikte bouwmaterialen   1   435   -   2,5   5,5  
Sint-Oedenrodeseweg 35 - 35a   specifieke vorm van bedrijf - groothandel klompen, veiligheidsschoenen en bedrijfskleding   1   1335   50   3,3   5,5  
Sint-Oedenrodeseweg 53   specifieke vorm van bedrijf - handelsbedrijf in meel, granen en kunstmest   1   375   -   3,5   6  
Sonseweg 15   specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf   1   2.030   -   4,3   8  
Sonseweg 25   specifieke vorm van bedrijf - handelsbedrijf hout   1   350   -   3   5,3  
Sonseweg 33, 33A, 35   caravanstalling   2   23.847     5,6   10  
St. Annaweg 5/5A   specifieke vorm van bedrijf - hondenkennel/ kleindierhouderij   1   300, w.v 115 hondenkennel     3   6  
Steenovenseweg 1B   bedrijf tot en met categorie 2/ specfieke vorm van bedrijf - auto- en herstelbedrijf   0   1426   -   5,8   8,4  
Steenovenseweg 6   specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel/handelsbedrijf   1   2720     5,4   7,3  
Schansweg 1a   specifieke vorm van bedrijf - catering     55     2,5   4  

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
  • a. Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.
  • b. De afstand van gebouwen en overkappingen tot de weg waaraan wordt gebouwd, mag niet minder bedragen dan 15 m; indien de bestaande afstand reeds minder bedraagt geldt deze afstand als minimale afstand tot de weg.
  • c. De afstand van gebouwen en overkappingen tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • d. Indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
  • e. Gebouwen mogen niet worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - onbebouwd'.
7.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing mag niet meer bedragen dan aangegeven in de Tabel bedrijven, zoals opgenomen in 7.1.2 onder a;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de Tabel bedrijven, zoals opgenomen in 7.1.2 onder a;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de Tabel bedrijven, zoals opgenomen in 7.1.2 onder a, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan met deze aanduiding is aangegeven.
7.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Indien binnen het bestemmingsvlak een aanduiding bedrijfswoning is opgenomen, dan is de bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' toegestaan.
  • b. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning reeds meer bedraagt, waarbij de bestaande inhoud als maximum geldt.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen het bepaalde onder 7.2.2 sub b van toepassing is.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen het bepaalde onder 7.2.2 sub c van toepassing is.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. Vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden met de bestaande situering.
7.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m².
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  • e. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 15 m.
  • f. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
7.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn;
  • b. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    • 1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd
    • 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    • 3. de totale oppervlakte per bedijfswoning, mag niet meer bedragen dan 50 m2,
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • d. voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
7.3 Afwijken van de bouwregels
7.3.1 Algemene afwijkingsmogelijkheden

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 7.2.1 onder a voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de weg mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 7.2.1 onder b voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
  • c. lid 7.2.4 onder e voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand van meer dan 15 m van de bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel.
7.3.2 Verplaatsing van de bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.3 ten behoeve van het verplaatsen van de bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige structuur en verkeersveiligheid.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • c. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleidop het gebied van geluid, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten en externe veiligheid.
  • d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan.
  • e. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  • b. aan huis verbonden bedrijven;
  • c. bewoning van gebouwen, anders dan het toegestane gebruik als bedrijfswoning van de bedrijfswoning;
  • d. kleinschalige overnachting.
7.4.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan bij een bedrijfswoning;
  • b. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  • c. Uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis;
  • d. detailhandel is niet toegestaan.
7.5 Afwijken van de gebruiksregels
7.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 7.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid bij een bedrijfswoning, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst);
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
7.5.2 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.4.1 sub b voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
7.5.3 Meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen door af te wijken van het bepaalde in 7.5.1 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning, teneinde een tweede huishouden te voeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in familieverband;
  • b. het is alleen toegestaan indien een van de partijen de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • c. het dient te passen binnen de bouwregels van dit bestemmingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  • d. er mag maximaal 80 m2 door het tweede huishouden worden gebruikt;
  • e. er blijft sprake van één woning vanuit planologisch oogpunt;
  • f. zodra één van de generaties het pand/perceel verlaat, moet het perceel weer uitsluitend door één generatie worden gebruikt;
  • g. er mag niet kadastraal worden gesplitst;
  • h. aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen;
  • i. aan het gebruik kan nimmer recht worden ontleend op woningsplitsing;
  • j. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van mantelzorg.
7.5.4 Vestiging ander soort bedrijf

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1.2 onder a voor het vestigen van een ander soort bedrijf dan op basis van de Tabel bedrijven is toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • a. Het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot.
  • b. Het bestemmingsvlak mag niet groter zijn dan 5.000 m2.
  • c. De oppervlakte bedrijfsbebouwing zoals opgenomen in de Tabel bedrijven, zoals opgenomen in 7.1.2 onder a mag niet worden vergroot.
  • d. Het nieuw te vestigen bedrijf mag naar aard en invloed niet meer milieuhinder voor de omgeving opleveren dan de oorspronkelijk toegestane bedrijfssoort met dien verstande dat de beoogde ontwikkeling niet mag leiden tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger, waarbij het een bedrijf betreft uit Bijlage 17 Lijst van bedrijfsactiviteiten, of naar aard en invloed vergelijkbaar.
  • e. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • f. Het nieuw te vestigen bedrijf mag geen grotere publieks- en/of verkeersaantrekkende werking hebben dan de oorspronkelijk toegestane bedrijfssoort.
  • g. Er mag geen uitbreiding van bestaande detailhandel of nieuwvestiging van detailhandel plaatsvinden; niet zelfstandige detailhandel is toegestaan met een verkoopvloeroppervlakte van niet meer dan 200 m2.
  • h. Er is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de onder a genoemde maximale omvang.
  • i. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel; buiten deze aanduiding draagt de ontwikkeling bij aan de doelstelling van een gemengd landelijk gebied.
  • j. Overtollige bebouwing wordt gesloopt.
  • k. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven.
  • l. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;
  • m. De beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.
  • n. De stikstofbepaling zoals deze is opgenomen in 7.4.1 is onverkort van toepassing op deze bepaling.
  • o. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
7.5.5 Kleinschalige overnachting

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 7.4.1 onder d. teneinde een voorziening voor kleinschalige overnachting toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
    • 1. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
    • 2. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
    • 3. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  • b. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  • c. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  • d. ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  • e. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan. Dit betekent dat de maximale verblijfsduur voor eenzelfde persoon of groep van personen 4 aaneengesloten maanden per keer bedraagt, en maximaal 122 nachten per jaar;
  • f. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn;
  • g. er wordt voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen 2015', gerealiseerd, met dien verstande dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken indien strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Indien de 'Nota Parkeernormen 2015' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
7.6 Wijzigingsbevoegdheid
7.6.1 Omschakeling naar (agrarisch) vollegrondsteeltbedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op wijzigen in de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf ten behoeve van het mogelijk maken van een vollegronds teeltbedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de wijziging is uitsluitend toegestaan indien het bestemmingsvlak geheel of grotendeels wordt omgeven door de bestemming Agrarisch of Agrarisch met waarden - Landschapswaarden;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – ecologische verbindingszone' mag het realiseren en toekomstig functioneren van de geprojecteerde ecologische verbindingszone niet worden geschaad;
  • c. de omvang van het bestemmingsvlak bedraagt niet meer dan de omvang van het bestemmingsvlak Bedrijf - 1, met dien verstande dat tevens het volgende geldt:
    • 1. de omvang mag niet meer bedragen dan 2 ha; indien het bestaande bouwvlak reeds meer bedraagt dan 2 ha, mag dit bouwvlak worden vergroot met maximaal 20%;
    • 2. de bouw of uitbreiding van kassen is niet toegestaan;
  • d. het mag niet leiden tot het gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  • e. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving en gelet op de volgende aspecten, inpasbaar in de omgeving:
    • 1. er is rekening gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;
    • 2. de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid;
    • 3. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd;
  • f. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
    • 1. Landschappelijke inpassing: er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de oppervlakte van de inpassing minimaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf dient te bedragen.
    • 2. Kwaliteitswinst: er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR);
    • 3. Verkaveling: Met het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon (occupatiegeschiedenis) zowel bij de erfinrichting als de situering van de gebouwen.
    • 4. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag.
    • 5. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt met uitzondering van cultuurhistorische bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
    • 6. Bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit).
  • g. bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal hydrologisch neutraal gebouwd dienen te worden;
  • h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • i. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf en dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteundende voorzieningen op het agrarisch bouwvlak; hiertoe kan een differentiatievlak worden opgenomen, waarbinnen de bouw van gebouwen niet is toegestaan; Hierover kan advies worden gevraagd aan een agrarisch deskundige;
  • j. voldaan wordt aan de bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in 4.2;
  • k. binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • l. het nieuwe bouwvlak wordt op de verbeelding behorende bij het wijzigingsplan opgenomen; voor zover daarbij sprake is van een verkleining, krijgen de delen die niet behoren tot Agrarisch - Agrarisch bedrijf de omliggende agrarische gebiedsbestemming.
7.6.2 Wijziging naar bestemming 'Wonen'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen', waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. Bewoning mag uitsluitend plaatsvinden in de voormalige bedrijfswoning.
  • b. Splitsing in meerdere woonfuncties is niet toegestaan.
  • c. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • d. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie.
  • e. De overige gronden van deze bestemming worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen.
  • f. De oppervlakte aan bijgebouwen dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot maximaal 100 m2 met dien verstande dat
    • 1. voor wat betreft de oppervlakte bijgebouwen kan worden toegestaan 100 m2, vermeerderd met 20% van het te slopen meerdere van 100 m2 aan bijgebouwen en voormalige bedrijfsgebouwen dat voor de sloop aanwezig was, met een maximum van in totaal 300 m2 aan bijgebouwen of,
    • 2. voor wat betreft de inhoud van de woning kan worden toegestaan 750 m3  vermeerderd met 50m3 extra per 200m2 sloop,  met een maximum van 1000 m3. :tot 100 m²
  • g. De sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen is niet toegestaan;
  • h. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan.
  • i. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).

Artikel 8 Bedrijf - 2

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijf - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor':
    • 1. ondergeschikte kantoren ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf, op het moment van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'natuurwaarden':
    • 1. natuurwetenschappelijke waarde en/of ecologische waarde;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

8.2 Bouwregels
8.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • c. de maximale bruto vloeroppervlakte van de kantoren bedraagt 4.000 m²;
  • d. gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht op een afstand van meer dan 5 m uit een naar de weg gekeerde perceelsgrens;
  • e. de minimale afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt 3 m. Indien de bestaande afstand minder dan 3 m bedraagt, geldt deze bestaande afstand als de minimale afstand tot de betreffende perceelsgrens;
  • f. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.
8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2,5 m;
  • b. de maximale bouwhoogte van antennes en (reclame)masten bedraagt 15 m;
  • c. de maximale bouwhoogte van schoorstenen bedraagt 45 m;
  • d. de maximale bouwhoogte van lichtmasten bedraagt 6 m;
  • e. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 4 m.
8.3 Specifieke gebruiksregels
8.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  • b. detailhandel;
  • c. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (incl. LPG);
  • d. een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de aanduiding 'natuurwaarden' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. dempen van de waterpartij;
  • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;
  • c. afgraven en verdiepen van de waterpartij binnen 10 m vanaf de noordelijke, oostelijk en westelijke grens van de aanduiding 'natuurwaarden';
  • d. het vellen en rooien van houtgewas;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
  • f. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen;
  • g. het permanent opslaan van goederen.
8.4.2 Toepassing

Het verbod als bedoeld in 8.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
8.4.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 8.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de natuurwetenschappelijke en/of ecologische waarden van de gronden ontstaan of kan ontstaan.

8.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door het bouwvlak te vergroten, onder de volgende voorwaarden:

  • a. de wijziging mag uitsluitend de gronden zonder de aanduiding 'natuurwaarden' betreffen;
  • b. de gronden van de uitbreiding van het bouwvlak mogen uitsluitend worden gebruikt voor ondergeschikte en/of ondersteunende voorzieningen ten behoeve van de primaire productie van het ter plaatse gevestigde bedrijf, op het moment van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan;
  • c. aangetoond dient te worden dat voorzien wordt in voldoende parkeervoorzieningen voor het terrein;
  • d. de activiteiten als bedoeld in sub b mogen geen onevenredige aantasting van de natuurwetenschappelijke waarde en/of ecologische waarde van de gronden met de aanduiding 'natuurwaarden' of de bestemming 'Natuur' tot gevolg hebben.

Artikel 9 Bedrijf - Nutsvoorziening

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen voor het openbaar nut zoals de energie-, warmte- en telecommunicatievoorziening en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende bepalingen:

  • a. Indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
  • b. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
9.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m.
  • b. De hoogte van signalerings- en telecommunicatiemasten mag niet meer bedragen dan 40 m.
  • c. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
9.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2.1 voor het bouwen van gebouwen tot 10 m² buiten het bouwvlak indien dit noodzakelijk is voor de energievoorziening en energiedistributie, waarbij voldaan moet worden aan het bepaalde in lid 9.2.2 en in de in de omgeving aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 10 Bedrijf - Paardenhouderij

10.1 Bestemmingsomschrijving
10.1.1 Algemeen

De voor 'Bedrijf - Paardenhouderij aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een paardenhouderij;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf' voor een kinderdagverblijf;
  • c. een bedrijfswoning;

en daarnaast voor het volgende:

  • d. aan huis verbonden beroepen;
  • e. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 10.5.1;
  • f. bedrijfsgebonden detailhandel, waarbij de totale gezamenlijke oppervlakte per bedrijf niet meer mag bedragen dan 50 m²;
  • g. mestbewerking, uitsluitend van ter plaatse, op het eigen bedrijf, geproduceerde mest;
  • h. statische opslag (binnen bestaande bebouwing);
  • i. extensief recreatief medegebruik.

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

en overeenkomstig de in 10.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

10.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 10.1.1:

a Tabel Paardenhouderijbedrijven

Adres   Aanduiding nevenactiviteit   Max. oppervlakte nevenactiviteit binnen bedrijfsbebouwing in m²   Maximaal aantal bedrijfswoningen   Maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing in m²   Goothoogte bedrijfsgebouwen (m)   Bouwhoogte bedrijfsgebouwen (m)  
Heuveleindseweg 6A   -     1   578   3,5   5,5  
Mosselaarweg 25       1   2.759   4,25   8,5  
Sint-Oedenrodeseweg 62   kinderdagverblijf   92   1   270   3   6,5  

10.2 Bouwregels
10.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende bepalingen:

  • a. Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.
  • b. Het bestemmingsvlak mag volledig worden bebouwd met dien verstande dat de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 15 m, indien de bestaande afstand reeds minder bedraagt geldt deze afstand als minimale afstand.
  • c. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • d. Per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één paardenhouderij toegestaan.
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf' zijn bouwwerken ten behoeve van een kinderdagverblijf toegestaan.
  • f. Indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
10.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.
  • b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
10.2.3 Bedrijfswoningen
  • a. Per paardenhouderij is niet meer dan 1 bedrijfswoning toegestaan.
  • b. De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen de goothoogte niet meer mag bedragen dan 6 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. Vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden met de bestaande situering.
10.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m².
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 15 m.
10.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn.
  • b. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    • 1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd
    • 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    • 3. de totale oppervlakte per bedijfswoning, mag niet meer bedragen dan 50 m2,
  • a. De bouwhoogte van de voorzieningen voor recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • b. De hoogte van torensilo's mag niet meer bedragen dan 15 m.
  • c. De hoogte van mestsilo's mag niet meer bedragen dan 6 m.
  • d. De hoogte van sleufsilo's mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
  • e. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • f. Voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
  • g. Ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf' zijn voorts voorzieningen voor het kinderdagverblijf toegestaan, waaronder speelvoorzieningen, met een maximale bouwhoogte van 3 m.
10.3 Afwijken van de bouwregels
10.3.1 Algemene afwijkingsmogelijkheden

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 10.2.1 onder b voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de weg mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 10.2.1 onder c voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
  • c. lid 10.2.4 onder e voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand van meer dan 15 m van de bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel.
10.3.2 Verplaatsing van de bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.2.3 ten behoeve van het verplaatsen van de bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige structuur en verkeersveiligheid.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • c. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleidop het gebied van geluid, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten en externe veiligheid.
  • d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan.
  • e. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
10.4 Specifieke gebruiksregels
10.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  • b. kleinschalige bedrijvigheid;
  • c. afhankelijke woonruimte in een bijgebouw;
  • d. een meergeneratie wonen;
  • e. kleinschalige overnachtingen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'kinderdagverblijf' voor de opvang van meer dan 12 kinderen tegelijk;
  • g. detailhandel, anders dan bepaald in 10.1.1 behoudens ter plaatse van de Mosselaarweg 25, waar ondersteunende detailhandel is toegestaan met een maximale oppervlakte van 100 m2.
10.4.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan bij een bedrijfswoning;
  • b. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  • c. Uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis;
  • d. detailhandel is niet toegestaan.
10.5 Afwijken van de gebruiksregels
10.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 10.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid bij een bedrijfswoning, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst);
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
10.5.2 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.4.1 sub b voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
10.5.3 Meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen door af te wijken van het bepaalde in 10.4.1 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning, teneinde een tweede huishouden te voeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in familieverband;
  • b. het is alleen toegestaan indien een van de partijen de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • c. het dient te passen binnen de bouwregels van dit bestemmingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  • d. er mag maximaal 80 m2 door het tweede huishouden worden gebruikt;
  • e. er blijft sprake van één woning vanuit planologisch oogpunt;
  • f. zodra één van de generaties het pand/perceel verlaat, moet het perceel weer uitsluitend door één generatie worden gebruikt;
  • g. er mag niet kadastraal worden gesplitst;
  • h. aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen;
  • i. aan het gebruik kan nimmer recht worden ontleend op woningsplitsing;
  • j. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van mantelzorg.
10.5.4 Vestiging overig agrarisch bedrijf anders dan een veehouderij en/of glastuinbouwbedrijf

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.1 onder a voor het vestigen van een overig agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij of glastuinbouwbedrijf, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  • a. Dit is alleen toegestaan ingeval de locatie ligt in een gebied met de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en/of 'Agrarisch.
  • b. Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 10.4.1.
  • c. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen bij de AAB inzake de volwaardigheid van het agrarische bedrijf en de noodzaak van een bedrijfswoning.
  • d. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • e. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan.
10.5.5 Kleinschalige overnachting

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 10.4.1 teneinde een voorziening voor kleinschalige overnachting toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
    • 1. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
    • 2. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
    • 3. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  • b. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  • c. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  • d. ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  • e. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan. Dit betekent dat de maximale verblijfsduur voor eenzelfde persoon of groep van personen 4 aaneengesloten maanden per keer bedraagt, en maximaal 122 nachten per jaar;
  • f. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn;
  • g. er wordt voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen 2015', gerealiseerd, met dien verstande dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken indien strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Indien de 'Nota Parkeernormen 2015' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
10.6 Wijzigingsbevoegdheid
10.6.1 Vormverandering bestemmingsvlak 'Bedrijf - Paardenhouderij'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming(en) 'Agrarisch', Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' ten behoeve van de vormverandering van het bestemmingsvlak van de bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij', waarbij het te wijzigen gedeelte van het voormalige bestemmingsvlak een of meerdere van de hiervoor genoemde bestemming krijgt en waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De totale oppervlakte van het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot.
  • b. Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 10.4.1.
  • c. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan.
10.6.2 Wijzigen naar bestemming 'Wonen'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De betreffende locatie is niet geschikt voor agrarisch hergebruik.
  • b. Bewoning mag uitsluitend plaatsvinden in de voormalige bedrijfswoning.
  • c. Splitsing in meerdere woonfuncties is niet toegestaan.
  • d. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • e. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie.
  • f. De overige gronden van deze bestemming worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen.
  • g. De oppervlakte aan bijgebouwen dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot maximaal 100 m2 met dien verstande dat
    • 1. voor wat betreft de oppervlakte bijgebouwen kan worden toegestaan 100 m2, vermeerderd met 20% van het te slopen meerdere van 100 m2 aan bijgebouwen en voormalige bedrijfsgebouwen dat voor de sloop aanwezig was, met een maximum van in totaal 300 m2 aan bijgebouwen of,
    • 2. voor wat betreft de inhoud van de woning kan worden toegestaan 750 m3  vermeerderd met 50m3 extra per 200m2 sloop,  met een maximum van 1000 m3. :tot 100 m²
  • h. De sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen is niet toegestaan.
10.6.3 Wijzigen naar bestemming 'Wonen' ten behoeve van boerderijsplitsing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van de splitsing van de voormalige agrarische bedrijfswoning in meerdere woningen, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. Splitsing is alleen toegestaan, indien het agrarische bedrijf wordt beëindigd.
  • b. Splitsing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
  • c. Het bestaande architectonische karakter en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden, mogen niet wezenlijk aangetast worden.
  • d. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie.
  • e. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • f. Voor zover er sprake is van de aanwezigheid van meer bedrijfsgebouwen/bijgebouwen dan de 100 m² die als bijgebouw per woning zijn toegestaan, dienen die gebouwen te worden gesloopt.
10.6.4 Wijziging ten behoeve van recreatie

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Recreatie' ten behoeve van recreatieve voorzieningen in de vorm van dag-/verblijfsrecreatie indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De totale omvang van het perceel voor het recreatiebedrijf mag ten hoogste 5.000 m² bedragen.
  • b. Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 10.4.1.
  • c. Er is maximaal 1 zelfstandig recreatiebedrijf toegestaan.
  • d. Er is maximaal 200 m² verkoopvloeroppervlakte aan ondergeschikte detailhandel toegestaan.
  • e. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • f. De vestiging van recreatieve voorzieningen mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
  • g. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
10.6.5 Wijziging ten behoeve van opslag

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in Bedrijf - 1 ten behoeve van de statische (binnen)opslag van goederen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De totale omvang van het perceel voor statische (binnen)opslag van goederen mag ten hoogste 5.000 m² bedragen.
  • b. Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 10.4.1.
  • c. De opslag dient zich te beperken tot inpandige, statische opslag in bestaande gebouwen;
  • d. Opslag is niet toegestaan op locaties grenzend aan de bestemming 'Natuur'.
  • e. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • f. De opslag dient zich te beperken tot inpandige, statische opslag in bestaande gebouwen; herbouw is eveneens toegestaan, mits dit niet meer bedraagt dan de bestaande bebouwde oppervlakte. Buitenopslag is niet toegestaan.
  • g. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • h. Een combinatie van functies is mogelijk, zolang zich dit presenteert als één bedrijf. De gezamenlijke functies mogen gezamenlijk niet meer bedragen dan het maximum dat voor één enkele functie is gesteld, waarbij eveneens het individuele maximum voor de betreffende functie niet mag worden overschreden.
  • i. De opslag mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
  • j. Detailhandel is niet toegestaan.
  • k. De overtollige agrarische bebouwing dient gesloopt te worden, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
10.6.6 Wijziging ten behoeve van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf - 1' ten behoeve van het vestigen van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. Hergebruik van de gronden is ten behoeve van agrarische doeleinden redelijkerwijs niet langer mogelijk.
  • b. Het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot, met dien verstande dat het bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan 1,5 ha.
  • c. Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 10.4.1.
  • d. Op een locatie waarmee met toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling reeds gebouwen zijn gesloopt, mag geen nieuwe bebouwing worden gebouwd.
  • e. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • f. Buitenopslag is niet toegestaan.
10.6.7 Wijziging ten behoeve van niet-agrarische functies

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf - 1 ten behoeve van het vestigen van niet aan het buitengebied gebonden functies indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. Er is maximaal 1 niet-agrarische functie toegestaan.
  • b. Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 10.4.1.
  • c. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • d. De overtollige agrarische bebouwing dient gesloopt te worden, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
  • e. De niet-agrarische functie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
  • f. Detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie bij de te vestigen hoofdfunctie tot een maximale oppervlakte van 200 m².
  • g. Alleen bedrijven die voorkomen in categorie 1 en 2 in de Lijst van Bedrijven, zoals opgenomen in bijlage Bijlage 17 Lijst van bedrijfsactiviteiten van de regels, zijn toegestaan.
  • h. Buitenopslag is niet toegestaan.
10.6.8 Wijziging ten behoeve van zorgvoorzieningen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Maatschappelijk' ten behoeve van zorgvoorzieningen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • b. Er wordt voldaan aan de stikstofbepaling als opgenomen in 10.4.1.
  • c. De vestiging van zorgvoorzieningen mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.
  • d. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.

Artikel 11 Bos

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van het bos en bosgroeiplaats;
  • b. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en kenmerken en natuurwaarden;
  • c. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen', alsmede nieuwe na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 11.5;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. extensief recreatief medegebruik.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, behoudens:

  • a. kleinschalige bouwwerken voor het bosbeheer met een oppervlakte van minder dan 10 m², waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;
  • b. eenvoudige voorzieningen, in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering met een maximale bouwhoogte van 3,5 m. Verlichting is niet toegestaan.
11.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2 voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bouwen ten behoeve van extensieve recreatie, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. het bouwen dient ten dienste van de bestemming te staan;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. er vindt geen onevenredige aantasting van de natuurwaarden en/of ecologische waarden van de gronden plaats;
  • d. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 90 m2.
11.4 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

  • a. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten.
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Bos' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het graven en dempen van poelen, sloten en greppels.
11.5.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 11.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en beheer betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
11.5.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 11.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en de ontwikkeling van het bos, de bosgroeiplaats, de landschappelijke waarden en kenmerken, en de natuurwaarden van de gronden.

Artikel 12 Cultuur en ontspanning

12.1 Bestemmingsomschrijving
12.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. musea;
  • b. een werkplaats voor onderhoud van museumstukken;
  • c. wonen in maximaal één bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • d. het behoud en versterken van bestaande natuurwaarden;
  • e. de aanleg, inrichting en het beheer en onderhoud van natuur- en groenvoorzieningen overeenkomstig het bedrijfsnatuurplan Museumpark, welke als bijlage Bijlage 20 Bedrijfsnatuurplan Museumpark bij deze regels is opgenomen;
  • f. ondergeschikte detailhandel ten behoeve van het museum;
  • g. evenementen;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 4', tevens voor conferenties en horecavoorzieningen van categorie 1 t/m 4 met uitzondering van overnachtingen;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'kantoor', tevens voor kantoorvoorzieningen;
  • j. ter plaatse van de nadere aanduiding 'opslag', uitsluitend voor opslag van recreatieve en musea gerichte goederen en zaken;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - multifunctionele ruimte', tevens voor een multifunctionele ruimte;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - ondergeschikte horeca', tevens voor horecavoorzieningen die ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan het met de bestemming beoogde gebruik, met dien verstande dat de totale gezamenlijke oppervlakte aan ondergeschikte horeca maximaal 750 m² mag bedragen;
  • m. aan huis verbonden beroepen;
  • n. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 12.5.1;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

en overeenkomstig de in 12.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

12.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 12.1.1:

a Evenementen

Onder evenementen wordt het volgende verstaan: het geheel van al dan niet incidentele dan wel al dan niet kortdurende, maar wel tijdelijke activiteiten, dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis, zoals een feest, kermis, optocht, braderie, wedstrijd of andere bijeenkomst tot ontspanning of vermaak, of een vertoning, voorstelling of herdenking, waarbij het schenken van alcoholische dranken is toegestaan.

Onder evenementen wordt tevens verstaan:

  • bevrijdings- / herdenkingsbijeenkomsten (market garden, remember september, bevrijding Best etc.)
  • museumnacht
  • rommelmark
  • treffen (auto's, motoren etc.)
  • kinderdagen / themadagen (Halloween, militaire dag met knutselen, bouwen, etc.)
12.2 Bouwregels
12.2.1 Algemeen

Voor het bouwen binnen de bestemming 'Cultuur en ontspanning' gelden de volgende algemene bepalingen:

  • a. indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • c. de afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m;
  • d. nieuwbouw van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw.
12.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 12.240 m²;
  • b. de goothoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 4 m, tenzij op de verbeelding een bouwhoogte is aangegeven, dan geldt dat de maximale goothoogte gelijk is aan de maximale bouwhoogte;
  • c. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 5,5 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' anders is aangegeven op de verbeelding.
12.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mag maximaal één vrijstaande bedrijfswoning worden gebouwd;
  • b. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m³, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning reeds meer bedraagt, waarbij de bestaande inhoud als maximum geldt;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • e. de dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden met de bestaande situering.
12.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. bijbehorende bouwwerken dienen te worden gebouwd op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 100 m²;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,50 m;
  • e. de dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 15 m.
12.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • b. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    • 1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd;
    • 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    • 3. de totale oppervlakte per bedijfswoning, mag niet meer bedragen dan 50 m2,
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • e. Voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
12.3 Afwijken van de bouwregels
12.3.1 Algemene afwijkingsmogelijkheden

Middels een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in:

  • a. 12.2.1 onder c voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
  • b. 12.2.4 onder f voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand van meer dan 15 m van het hoofdgebouw indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel.
12.3.2 Verplaatsing van de bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.2.3 ten behoeve van het verplaatsen van de bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige structuur en verkeersveiligheid.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • c. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleidop het gebied van geluid, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten en externe veiligheid.
  • d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan.
  • e. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
12.4 Specifieke gebruiksregels
12.4.1 Strijdig gebruik

Binnen deze bestemming worden in ieder geval strijdig geacht:

  • a. het gebruik van gronden voor het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens voor opslag zoals bedoeld in 12.1 en voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van een seksinrichting;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen, afhankelijke woonruimte in een bijgebouw en een meergeneratiewoning, behoudens voor wonen in een bedrijfswoning zoals bedoeld in 12.1;
  • e. kleinschalige overnachtingen
  • f. het gebruik van gronden en bouwwerken niet in overeenstemming met het bedrijfsnatuurplan Museumpark, welke als bijlage Bijlage 20 Bedrijfsnatuurplan Museumpark bij deze regels is opgenomen.
12.4.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan bij een bedrijfswoning;
  • b. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  • c. Uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis;
  • d. detailhandel is niet toegestaan.
12.5 Afwijken van de gebruiksregels
12.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 12.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid bij een bedrijfswoning, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst);
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
12.5.2 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.4.1 voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
12.5.3 Meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen door af te wijken van het bepaalde in 12.4.1 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning, teneinde een tweede huishouden te voeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in familieverband;
  • b. het is alleen toegestaan indien een van de partijen de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • c. het dient te passen binnen de bouwregels van dit bestemmingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  • d. er mag maximaal 80 m2 door het tweede huishouden worden gebruikt;
  • e. er blijft sprake van één woning vanuit planologisch oogpunt;
  • f. zodra één van de generaties het pand/perceel verlaat, moet het perceel weer uitsluitend door één generatie worden gebruikt;
  • g. er mag niet kadastraal worden gesplitst;
  • h. aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen;
  • i. aan het gebruik kan nimmer recht worden ontleend op woningsplitsing;
  • j. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van mantelzorg.
12.5.4 Kleinschalige overnachting

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 12.4.1 teneinde een voorziening voor kleinschalige overnachting toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
    • 1. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
    • 2. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
    • 3. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  • b. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  • c. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  • d. ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  • e. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan. Dit betekent dat de maximale verblijfsduur voor eenzelfde persoon of groep van personen 4 aaneengesloten maanden per keer bedraagt, en maximaal 122 nachten per jaar;
  • f. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn;
  • g. er wordt voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen 2015', gerealiseerd, met dien verstande dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken indien strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Indien de 'Nota Parkeernormen 2015' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

12.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.6.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Cultuur en ontspanning' ter bescherming van de bestaande natuurwaarden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verzetten van grond (afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • d. het vellen van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
  • e. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  • f. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk;
  • g. het aanleggen en/of verharden van wegen, fiets-, wandel- en ruiterpaden;
  • h. het aanleggen van leidingen.
12.6.2 Uitzonderingen

Het in 12.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
12.6.3 Toelaatbaarheid

De in 12.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een ecologische en/of landschappelijke meerwaarde met zich meebrengen.

Artikel 13 Groen

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van groenvoorzieningen;
  • b. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van landschapselementen;
  • c. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en kenmerken;
  • d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische betekenis van het gebied;
  • e. behoud van (onverharde paden), in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen', wegen en parkeervoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. extensief recreatief medegebruik.
13.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, behoudens:

  • a. kleinschalige bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 10 m², waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;
  • b. eenvoudige voorzieningen, in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering met een maximale bouwhoogte van 2 m. Verlichting is niet toegestaan.
13.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.2 voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. het bouwen dient ten dienste van de bestemming te staan;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • c. er vindt geen onevenredige aantasting van de natuurwaarden en/of ecologische waarden van de gronden plaats;
  • d. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 90 m2.
13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Groen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verzetten van grond (afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) op een diepte van meer dan 0,40 m onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • d. het vellen van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
  • e. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  • f. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m².
13.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 13.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en beheer betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
13.4.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 13.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en kenmerken van de gronden.

Artikel 14 Horeca

14.1 Bestemmingsomschrijving
14.1.1 Algemeen

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horeca zoals genoemd in de 'Tabel horecavestigingen' (bijlage bij dit artikel), waarbij niet meer dan één horecavestiging aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak;
  • b. aan huis verbonden beroepen;
  • c. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 14.5.1;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

14.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 7.1.1:

a Tabel horecabedrijven

Ter plaatse van de onderstaande aanduidingen, zijn de met de aanduiding beschreven bedrijfsactiviteiten toegestaan:

Adres   aanduiding type horeca en categorie   Max. aantal bedrijfswoningen   Maximale oppervlakte bebouwing in m²   Goothoogte in meters   Bouwhoogte in meters  
Broekdijk 13A   horeca tot en met categorie 2 (restaurant)   1 inpandig   165   2,5   6,7  
Joe Mannweg 4/8   horeca tot en met categorie 2 (restaurant)   1   377   3,4   5,8  
Oirschotseweg 108/108a   horeca tot en met categorie 2 (restaurant)   1   410   2,5   5,8  
Sonseweg 14   horeca tot en met categorie 2 (cafe)   1   120   5   7,1  

14.2 Bouwregels
14.2.1 Algemeen
  • a. Nieuwbouw van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw.
  • b. Bij vervangende nieuwbouw mogen de gebouwen uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen.
  • c. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • d. Indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
14.2.2 Gebouwen
  • a. De maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel horecabedrijven'.
  • b. De goothoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel horecabedrijven';
  • c. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel horecabedrijven'.
14.2.3 Bedrijfswoningen
  • a. Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel horecavestigingen'.
  • b. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning reeds meer bedraagt, waarbij de bestaande inhoud als maximum geldt.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen het bepaalde onder 14.2.2 sub b van toepassing is.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen het bepaalde onder 14.2.2 sub c van toepassing is.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. Vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden met de bestaande situering.
14.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen
  • a. Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m².
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 15 m.
14.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn.
  • b. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    • 1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd
    • 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    • 3. de totale oppervlakte per bedijfswoning, mag niet meer bedragen dan 50 m2,
  • c. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • d. Voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
14.3 Afwijken van de bouwregels
14.3.1 Afstand

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. 14.2.1 onder b voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de weg mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. 14.2.1 onder c voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
14.3.2 Verplaatsing van de bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.2.3 ten behoeve van het verplaatsen van de bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige structuur en verkeersveiligheid.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • c. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleidop het gebied van geluid, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten en externe veiligheid.
  • d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan.
  • e. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
14.4 Specifieke gebruiksregels
14.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. een andere horecatak dan ter plaatse is toegestaan, conform het bepaalde in de Tabel horecabedrijven
  • b. aan huis verbonden bedrijven;
  • c. bewoning van gebouwen, anders dan het toegestane gebruik als bedrijfswoning van de bedrijfswoning;
  • d. kleinschalige overnachtingen.
14.4.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan bij een bedrijfswoning;
  • b. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  • c. uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis;
  • d. detailhandel is niet toegestaan.
14.5 Afwijken van de gebruiksregels
14.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 14.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid bij een bedrijfswoning, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst);
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
14.5.2 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.4.1 voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
14.5.3 Meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen door af te wijken van het bepaalde in 14.4.1 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning, teneinde een tweede huishouden te voeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in familieverband;
  • b. het is alleen toegestaan indien een van de partijen de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • c. het dient te passen binnen de bouwregels van dit bestemmingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  • d. er mag maximaal 80 m2 door het tweede huishouden worden gebruikt;
  • e. er blijft sprake van één woning vanuit planologisch oogpunt;
  • f. zodra één van de generaties het pand/perceel verlaat, moet het perceel weer uitsluitend door één generatie worden gebruikt;
  • g. er mag niet kadastraal worden gesplitst;
  • h. aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen;
  • i. aan het gebruik kan nimmer recht worden ontleend op woningsplitsing;
  • j. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van mantelzorg.
14.5.4 Kleinschalige overnachting

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 14.4.1 teneinde een voorziening voor kleinschalige overnachting toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
    • 1. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
    • 2. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
    • 3. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  • b. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  • c. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  • d. ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  • e. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan. Dit betekent dat de maximale verblijfsduur voor eenzelfde persoon of groep van personen 4 aaneengesloten maanden per keer bedraagt, en maximaal 122 nachten per jaar;
  • f. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn;
  • g. er wordt voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen 2015', gerealiseerd, met dien verstande dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken indien strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Indien de 'Nota Parkeernormen 2015' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Artikel 15 Maatschappelijk

15.1 Bestemmingsomschrijving
15.1.1 Algemeen

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

alsmede voor:

  • c. de instandhouding en bescherming van de binnen deze bestemming voorkomende waardvolle boomgroepen.

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

15.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 15.1.1:

a Tabel Maatschappelijke voorzieningen

Ter plaatse van de onderstaande aanduidingen, zijn de met de aanduiding beschreven maatschappelijke voorzieningen toegestaan:

Adres   Aanduiding/Soort voorziening   Maximale oppervlakte bebouwing in m²   Goothoogte in meters   Bouwhoogte in meters  
Boslaan-Zuid 11   scouting
 
440   3   8  
Broekdijk ong.   specifieke vorm van maatschappelijk - kapel   15   2,5   5  
Huiskenshoek ong. (achter nr. 10)   specifieke vorm van maatschappelijk - dierenbegraafplaats   0   0   0  
Kapelweg ong (naast Aerleseweg 26a)   sportveld / verenigingsleven   0   0   0  
Kapelweg 26a   specifieke vorm van maatschappelijk - buurthuis   157   3,4   7,3  
Kapelweg 30   specifieke vorm van maatschappelijk - kapel   24   2,5   5  
Broekdijk ong.   specifieke vorm van maatschappelijk - kapel   15   2,5   5  
Steenovenseweg 1a   specifieke vorm van maatschappelijk - buurthuis   200   3   7,5  
Oirschotseweg 117a   Militaire zaken   0   0   0  
Oude Baan 10   specifieke vorm van maatschappelijk - buurthuis   165   2,5   6,25  
Oude Baan (naast nr 10)   sportveld / verenigingleven   0   0   0  

15.2 Bouwregels
15.2.1 Algemeen
  • a. Nieuwbouw van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw.
  • b. Bij vervangende nieuwbouw mogen de gebouwen uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen.
  • c. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • d. Indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
15.2.2 Gebouwen
  • a. De maximale oppervlakte van de bebouwing mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel Maatschappelijke voorzieningen'.
  • b. De goothoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel Maatschappelijke voorzieningen'.
  • c. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel Maatschappelijke voorzieningen'.
15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn.
  • b. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
15.3 Afwijken van de bouwregels
15.3.1 Afstand

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. 15.2.1 onder c voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
15.3.2 Herbouw op andere locatie

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 15.2.1 onder b voor het herbouwen van een gebouw op een andere locatie, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De herbouw moet op de andere locatie stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn.
  • b. De nieuwe locatie moet direct aansluiten op de voormalige locatie van de woning.
  • c. De afstand tot de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m.
  • d. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • e. De breedte van een bouwperceel mag niet verruimd worden.
  • f. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • g. De geluidbelasting op de gevel bedraagt niet meer dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel een reeds verkregen hogere waarde.
  • h. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 16 Maatschappelijk - Militair oefenterrein

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Maatschappelijk - Militair oefenterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. militaire doeleinden;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

16.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

16.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Maatschappelijk - Militair oefenterrein' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verzetten van grond (afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) op een diepte van meer dan 0,40 m onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;
  • c. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen met uitzonderingen van grondwateronttrekkingen;
  • d. het graven, dempen, danwel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • e. het vellen van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
  • f. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  • g. het beplanten van gronden met houtgewas, ter plaatse van gronden die hiermee niet beplant waren ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • h. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk;
  • i. het aanleggen en/of verharden van fiets-, wandel- en ruiterpaden.

16.3.2 Uitzonderingen

Het in lid 16.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

16.3.3 Toelaatbaarheid

De in lid 16.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden van de gronden.

Artikel 17 Natuur

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en kenmerken en natuurwaarden;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement' voor behoud, herstel en ontwikkeling van landschapselementen;
  • c. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, in ieder geval ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen', alsmede nieuwe indien voldaan wordt aan de bepalingen als opgenomen in 17.5;
  • d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische betekenis van het gebied;
  • e. behoud van (onverharde paden), wegen en parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. extensief recreatief medegebruik.
17.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, behoudens:

  • a. kleinschalige bouwwerken voor natuurbeheer, met een oppervlakte van minder dan 10 m², waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;
  • b. eenvoudige voorzieningen, in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering met een maximale bouwhoogte van 3,5 m. Verlichting is niet toegestaan.
17.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.2 voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. het bouwen dient ten dienste van de bestemming te staan;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. er vindt geen onevenredige aantasting van de natuurwaarden en/of ecologische waarden van de gronden plaats;
  • d. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 90 m2.
17.4 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van:

  • a. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten.
17.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
17.5.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Natuur' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het graven en dempen van poelen, sloten en greppels;
  • d. het vellen en rooien van houtgewas.
17.5.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 17.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en beheer betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
17.5.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 17.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en kenmerken, en de natuurwaarden van de gronden.

Artikel 18 Natuur - Waterwingebied

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Natuur - Waterwingebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van waterwinning;
  • b. de bescherming van bodem- en grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;
  • c. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische betekenis van het gebied
  • d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden;
  • e. behoud van de bestaande houtopstanden;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. voorzieningen voor verkeer en verblijf waaronder wegen en paden.
18.2 Bouwregels
18.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

18.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van waterwinning of natuurbeheer.
  • b. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
18.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Natuur - Waterwingebied' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verzetten van grond (afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen) op een diepte van meer dan 0,40 m onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;
  • d. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • e. het vellen van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
  • f. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  • g. het beplanten van gronden met houtgewas, ter plaatse van gronden die hiermee niet beplant waren ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • h. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk;
  • i. het aanleggen en/of verharden van wegen, fiets-, wandel- en ruiterpaden.
18.3.2 Uitzonderingen

Het in lid 18.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
18.3.3 Toelaatbaarheid

De in lid 18.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van waarden met hydrologische betekenis, de natuurwaarden en de milieuwaarden van de gronden.

Alvorens te beslissen over het verlenen van een aanlegvergunning winnen burgemeester en wethouders advies in bij het waterbedrijf en zonodig de provincie, voor zover de afweging mede betrekking heeft op waarden met hydrologische betekenis van het gebied.

Artikel 19 Recreatie

19.1 Bestemmingsomschrijving
19.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. recreatieve voorzieningen, zoals opgenomen in 19.1.2 onder a;
  • b. bedrijfswoningen, uitsluitend het in de tabel, zoals opgenomen in 19.1.2 onder a , aangegeven maximale aantal;
  • c. aan huis verbonden beroepen;
  • d. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 19.5.1;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen

en overeenkomstig de in 19.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

19.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
a Tabel recreatiebedrijven

Ter plaatse van de onderstaande aanduidingen, zijn de met de aanduiding beschreven recreatieve activiteiten toegestaan:

Adres   Aanduiding   Maximaal aantal
bedrijfswo-ningen  
Maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing in m²   Goothoogte bedrijfsgebouwen in meters   Bouwhoogte bedrijfsgebouwen in meters  
Boslaan-Zuid 700   specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein   0   55   2,2   2,8  
Dijkpad 1   specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein   0   65   3   5  
Gagel 10   specifieke vorm van recreatie - hondenoefenterrein   0   100   3   3  
Heuveleindseweg 15   volkstuin   0   102   0   0  
Joe Mannweg 6   specifieke vorm van recreatie - natuurtheater   0   160   2,5   4,5  
Molenkampseweg 20 / Sint-Oedenrodeseweg 45   specifieke vorm van recreatie -kleinschalige overnachtingvoorziening   1   440   6   9  
Sonseweg 37   specifieke vorm van recreatie - hostel   0   315   3,3   3,8  

19.2 Bouwregels
19.2.1 Algemeen
  • a. Nieuwbouw van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw.
  • b. Bij vervangende nieuwbouw mogen de gebouwen uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen.
  • c. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • d. Indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
19.2.2 Gebouwen
  • a. De maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel recreatiebedrijven'.
  • b. De goothoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel recreatiebedrijven';
  • c. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel recreatiebedrijven'.
19.2.3 Bedrijfswoningen
  • a. Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan aangegeven in de 'Tabel recreatiebedrijven'.
  • b. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning reeds meer bedraagt, waarbij de bestaande inhoud als maximum geldt.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen het bepaalde onder 19.2.2 sub b van toepassing is.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m, met dien verstande dat bij inpandige woningen het bepaalde onder 19.2.2 sub c van toepassing is.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. Vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden met de bestaande situering.
19.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen
  • a. Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m².
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.]
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. De afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 15 m.
19.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn.
  • b. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    • 1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd
    • 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    • 3. de totale oppervlakte per bedijfswoning, mag niet meer bedragen dan 50 m2,
  • c. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
19.3 Afwijken van de bouwregels
19.3.1 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. 19.2.1 onder c voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
  • b. 19.2.4 onder e voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand van meer dan 15 m van de bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel.
19.3.2 Verplaatsing van de bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 19.2.3 ten behoeve van het verplaatsen van de bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige structuur en verkeersveiligheid.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • c. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleidop het gebied van geluid, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten en externe veiligheid.
  • d. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan.
  • e. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR).
19.4 Specifieke gebruiksregels
19.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. afhankelijke woonruimte in een bijgebouw;
  • b. een meergeneratiewoning;
  • c. permanente bewoning van gebouwen, anders dan de toegestane bedrijfswoning als bedoeld in 19.2.3.
19.4.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:

  • a. een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan bij een bedrijfswoning;
  • b. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  • c. Uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis;
  • d. detailhandel is niet toegestaan.
19.5 Afwijken van de gebruiksregels
19.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 19.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid bij een bedrijfswoning, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst);
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
19.5.2 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 19.4.1 sub a voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
19.5.3 Meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen door af te wijken van het bepaalde in 19.4.1 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning, teneinde een tweede huishouden te voeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in familieverband;
  • b. het is alleen toegestaan indien een van de partijen de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • c. het dient te passen binnen de bouwregels van dit bestemmingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  • d. er mag maximaal 80 m2 door het tweede huishouden worden gebruikt;
  • e. er blijft sprake van één woning vanuit planologisch oogpunt;
  • f. zodra één van de generaties het pand/perceel verlaat, moet het perceel weer uitsluitend door één generatie worden gebruikt;
  • g. er mag niet kadastraal worden gesplitst;
  • h. aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen;
  • i. aan het gebruik kan nimmer recht worden ontleend op woningsplitsing;
  • j. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van mantelzorg.
19.5.4 Vergroten oppervlakte horeca en detailhandel

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.1 voor het toestaan van het gebruik van gebouwen en gronden voor ondersteunende horeca en/of detailhandel, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De recreatieve functie blijft op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar.
  • b. De oppervlakte detailhandel en horeca mag niet meer bedragen dan 25% van de oppervlakte bedrijfsbebouwing tot een maximum van 50 m² detailhandel en 100 m² horeca.
  • c. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.
  • d. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • e. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing gelet op de in het gebied voorkomende waarden op basis van een erfbeplantingsplan.
19.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
19.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Recreatie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
19.6.2 Uitzonderingen

Het in 19.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
19.6.3 Toelaatbaarheid

De in 19.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de landschapselementen.

Artikel 20 Sport

20.1 Bestemmingsomschrijving
20.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'manege' uitsluitend een manege, met daaraan ondergeschikte en ondersteunende horecavoorzieningen in de vorm van een kantine;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

20.2 Bouwregels
20.2.1 Algemeen
  • a. Nieuwbouw van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw.
  • b. Het bouwen van stallen is niet toegestaan.
  • c. Bij vervangende nieuwbouw mogen de gebouwen uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen.
  • d. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • e. Indien binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, dan zijn gebouwen en overkappingen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
20.2.2 Gebouwen
  • a. De maximale oppervlakte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan 4000 m2 waarvan maximaal 100 m2 voor ondergeschikte en ondersteunende horeavoorzieningen;
  • b. goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,4 m
  • c. bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8,2 m.
20.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn.
  • b. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • c. Voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m² en de afstand tot de woning niet meer dan 15 m.
20.3 Afwijken van de bouwregels
20.3.1 Afwijken van algemene bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. 20.2.1 voor het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd.
20.4 Specifieke gebruiksregels
20.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. bewoning;
  • b. inpandige stalling van paarden.
20.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.5.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Sport' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
20.5.2 Uitzonderingen

Het in 20.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
20.5.3 Toelaatbaarheid

De in 20.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de landschapselementen.

Artikel 21 Verkeer

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen met een functie voor verkeer en verblijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - hoofdverkeersweg' een hoofdverkeersweg is toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen', uitsluitend voor onverharde wegen;
  • c. fiets- en voetpaden;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ecoduct' een ecoduct;
  • e. behoud van primaire boomstructuren als opgenomen in Bijlage 21 Primaire boomstructuren Groenbeleidsplan;

met daarbij behorende voorzieningen, zoals:

  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. straatmeubilair;
  • h. reclame-uitingen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. voorzieningen van algemeen nut;
  • l. kunstobjecten.

21.2 Bouwregels

21.2 Bouwregels

21.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

21.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op een viaduct wordt gemeten vanaf de hoogte van het viaduct;
  • b. de bouwhoogte van het ecoduct bedraagt niet meer dan 13,5 m, alsmede zijn de bijbehorende hekwerken en overige voorzieningen toegestaan;
  • c. de bouwhoogte van signaliserings- of telecommunicatiemasten mag niet meer bedragen dan 40 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting, mag niet meer bedragen dan 4 m.
21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
21.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Verkeer' met nadere aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen'' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verzetten van grond (afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen), een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  • d. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten.
21.3.2 Primaire boomstructuren

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Verkeer' voorzover het de gronden betreffen die in Bijlage 21 Primaire boomstructuren Groenbeleidsplan zijn aangeduid als 'primaire boomstructuren' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van bomen;
  • b. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten.
21.3.3 Uitzonderingen

Het in 21.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
21.3.4 Toelaatbaarheid

De in 21.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de landschapselementen, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden.

De in 21.3.2 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de primaire boomstructuren zoals aangeduid in Bijlage 21 Primaire boomstructuren Groenbeleidsplan.

 

Artikel 22 Verkeer - Railverkeer

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. spoorwegen en de daarbij behorende bermen, taluds en spoorwegovergangen;
  • b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ecoduct' een ecoduct;

met de daarbij behorende voorzieningen zoals:

  • c. (ontsluitings)wegen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. straatmeubilair;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen.

22.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting bedraagt ten hoogste 5 m;
  • c. de bouwhoogte van het ecodcut bedraagt niet meer dan 13,5 m, alsmede zijn de bijbehorende hekwerken en overige voorzieningen toegestaan.
22.3 Specifieke gebruiksregels

Ten aanzien van het gebruik gelden de volgende regels:

  • a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

 

Artikel 23 Water

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. het behoud, herstel of de ontwikkeling van landschappelijke waarden en kenmerken en natuurwaarden;
  • c. recreatief medegebruik;

met daarbij behorende voorzieningen, zoals:

  • d. groenvoorzieningen;
  • e. dammen en duikers;
  • f. infiltratievoorzieningen;
  • g. kruisingen en overbruggingen.

23.2 Bouwregels
23.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

23.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend worden gebouwd indien de waterhuishoudkundige functie niet wordt aangetast;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de waterwegaanduiding en geleiding, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • c. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 25 m².

Artikel 24 Water - Vaarwater

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water - Vaarwater' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterstaatswerken;
  • b. verkeer te water;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. het behoud, herstel of de ontwikkeling van landschappelijke waarden en kenmerken en natuurwaarden;
  • e. recreatief medegebruik (beroeps- en pleziervaart);

met daarbij behorende voorzieningen, zoals:

  • f. groenvoorzieningen;
  • g. dammen en duikers;
  • h. infiltratievoorzieningen;
  • i. kruisingen en overbruggingen.

24.2 Bouwregels
24.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

24.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend worden gebouwd indien de waterhuishoudkundige functie niet wordt aangetast;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de waterwegaanduiding en geleiding, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • c. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 100 m².

Artikel 25 Wonen

25.1 Bestemmingsomschrijving
25.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen;
  • b. een kleinschalige overnachtingsvoorziening;
  • c. kleinschalig kamperen;
  • d. een kwekerij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - biologische kwekerij' en uitsluitend als biologische kwekerij;
  • e. detailhandel uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - vijverbenodigdheden' en uitsluitend in de vorm van vijverbenodigdheden, in maximaal de bestaande oppervlakte;
  • f. behoud, herstel en ontwikkeling van landschapelementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement';
  • g. aan huis verbonden beroepen;
  • h. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 25.5.1;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen

en overeenkomstig de in 25.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

25.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
a Aantal woningen

Voor woningen gelden de volgende bepalingen:

  • 1. per bestemmingsvlak, ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één woning toegestaan;
  • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangeduide aantal als maximum aantal woningen'
  • 3. uitsluitend de bestaande bouwwijze is toegestaan
b Tabel bedrijven

Ter plaatse van de onderstaande aanduidingen, zijn de met de aanduiding beschreven nevenactiviteiten toegestaan:

Adres   Aanduiding   Maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing in m²   Goothoogte bedrijfsgebouwen (m)   Bouwhoogte bedrijfsgebouwen (m)  
Broekdijk 18   specifieke vorm van detailhandel - verkoop van ter plaatse gekweekte producten   50      
Grevenoordseweg 4   specifieke vorm van maatschappelijk - dagopvang/ dagbesteding   220   4,6   7,4  
Hagelaar 21   vergaderaccommodatie   154   2,10   8,30  
25.2 Bouwregels
25.2.1 Algemeen

Voor gebouwen gelden de volgende algemene bouwregels:

  • a. Nieuwbouw van gebouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
25.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Vervangende nieuwbouw van de woning mag uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de bestaande fundering en, ingeval van uitbreiding, daar direct op aansluitend. De bestaande bouwwijze dient te worden gehandhaafd.
  • b. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3, met dien verstande dat:
    • 1. indien de bestaande inhoud reeds meer dan 750 m3 bedraagt, geldt deze bestaande inhoud als de maximum toegestane inhoud;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum inhoud (m3)' de met deze aanduiding aangeduide inhoud als maximum geldt.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,50 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' de met deze aanduiding aangeduide goothoogte als maximum geldt.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de met deze aanduiding aangeduide bouwhoogte als maximum geldt.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - dove gevel 1’ dient de gehele gevel als dove gevel te worden gebouwd en in stand te worden gehouden.
  • g. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - dove gevel 2’ dient de gevel ter hoogte van de tweede bouwlaag als dove gevel te worden gebouwd en in stand te worden gehouden.
25.2.3 Bijgebouwen bij woningen

Voor het bouwen van aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen gelden per woning de volgende bepalingen:

  • a. Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. De gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan 50% van het gebied waar bijgebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van sub a. In afwijking van deze bepaling geldt:
    • 1. dat de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwde oppervlakte (m2)' niet meer mag bedragen dan de met deze aanduiding aangegeven bebouwde oppervlakte;
    • 2. indien de bestaande oppervlakte aan bijgebouwen en/of overkappingen méér bedraagt, de bebouwde oppervlakte van (delen van) gebouwen die zowel bestaand aanwezig is/zijn als blijkens de Luchtfoto's 14 april 2001A t/m H (Bijlagen 1 t/m 8) aanwezig was op 14 april 2001, als maximum.
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  • e. De dakhelling bedraagt minimaal 40° en maximaal 60°.
25.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn.
  • b. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    • 1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd
    • 2. de hoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    • 3. de totale oppervlakte oer bedijfswoning, mag niet meer bedragen dan 50 m2,
  • c. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • d. Voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
  • e. In afwijking van het voorgaande zijn buiten de aanduiding 'bouwvlak' uitsluitend erfafscheidingen toegestaan en uitsluitend in een open constructie. De bouwhoogte hiervan bedraagt niet meer dan 2 m.
25.3 Afwijken van de bouwregels
25.3.1 Afwijken grotere inhoudsmaat en/of grotere oppervlakte bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 25.2.2 teneinde een inhoudsmaat van maximaal 1.000 m3 van de woning mogelijk te maken of afwijken van het bepaalde in 25.2.3 teneinde een oppervlaktemaat van maximaal 300 m2, en zo nodig een grotere bouwhoogte, aan bijgebouwen mogelijk te maken, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. hierbij vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;
  • b. bij een grotere oppervlakte aan bijgebouwen wordt de overtollige bebouwing gesloopt, waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet voor sloop in aanmerking komt;
  • c. voor wat betreft de oppervlakte bijgebouwen kan worden toegestaan 100 m2, vermeerderd met 20% van het te slopen meerdere van 100 m2 aan bijgebouwen en voormalige bedrijfsgebouwen dat voor de sloop aanwezig was, met een maximum van in totaal 300 m2 aan bijgebouwen of,
  • d. voor wat betreft de inhoud van de woning kan worden toegestaan 750 m3  vermeerderd met 50m3 extra per 200 m2 sloop,  met een maximum van 1000 m3.
25.3.2 Verplaatsing van de woning

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 25.2.2 ten behoeve van het verplaatsen van de woning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de stedenbouwkundige structuur en verkeersveiligheid.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
  • c. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleidop het gebied van geluid, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten en externe veiligheid.
  • d. De in het gebied aanwezige waarden, waaronder cultuurhistorische waarden, mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • e. Er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
25.4 Specifieke gebruiksregels
25.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik of het laten gebruiken van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van:
    • 1. gronden en bouwwerken niet behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken is niet toegestaan.
    • 2. gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting is niet toegestaan.
  • b. afhankelijke woonruimte in een bijgebouw;
  • c. kleinschalige overnachting.
25.4.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  • b. Uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis.
  • c. Detailhandel is niet toegestaan.
25.5 Afwijken van de gebruiksregels
25.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 25.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst), alsmede inpandige statische opslag;
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
25.5.2 Woningsplitsing

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 25.1 onder a ten behoeve van de splitsing van de woning in meerdere woningen, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. splitsing is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • b. er dient met behulp van een bouwhistorisch onderzoek aangetoond te worden dat de splitsing bijdraagt aan de instandhouding of het versterken van de aanwezige cultuurhistorische waarden
  • c. het bestaande architectonische karakter en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden, mogen niet wezenlijk aangetast worden;
  • d. de woningen dienen (na de splitsing) een inhoud te hebben van minimaal 350 m3 per woning;
  • e. de woningsplitsing dient bij te dragen aan het in stand houden en versterken van de aanwezige cultuurhistorische waarden; dienaangaande vraagt bevoegd gezag advies aan terzake deskundigen, zoals de Monumentencommissie;
  • f. aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie;
  • g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  • h. voor zover er sprake is van de aanwezigheid van meer bedrijfsgebouwen/bijgebouwen dan de 100 m² die als bijgebouw per woning zijn toegestaan, dienen die gebouwen te worden gesloopt, uitgezonderd gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • i. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
  • j. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR).
25.5.3 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 25.4.1 sub b voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
25.5.4 Meergeneratiewoning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen door af te wijken van het bepaalde in 25.4.1 voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning, teneinde een tweede huishouden te voeren, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in familieverband;
  • b. het is alleen toegestaan indien een van de partijen de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
  • c. het dient te passen binnen de bouwregels van dit bestemmingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  • d. er mag maximaal 80 m2 door het tweede huishouden worden gebruikt;
  • e. er blijft sprake van één woning vanuit planologisch oogpunt;
  • f. zodra één van de generaties het pand/perceel verlaat, moet het perceel weer uitsluitend door één generatie worden gebruikt;
  • g. er mag niet kadastraal worden gesplitst;
  • h. aan het tijdelijk gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer recht worden ontleend voor een definitief gebruik als twee woningen;
  • i. aan het gebruik kan nimmer recht worden ontleend op woningsplitsing;
  • j. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van mantelzorg.
25.5.5 Kleinschalige overnachting

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 25.4.1 teneinde een voorziening voor kleinschalige overnachting toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
    • 1. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
    • 2. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
    • 3. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  • b. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  • c. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  • d. ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  • e. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan. Dit betekent dat de maximale verblijfsduur voor eenzelfde persoon of groep van personen 4 aaneengesloten maanden per keer bedraagt, en maximaal 122 nachten per jaar;
  • f. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn;
  • g. er wordt voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen 2015', gerealiseerd, met dien verstande dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken indien strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Indien de 'Nota Parkeernormen 2015' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
25.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
25.6.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verwijderen van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement'.
25.6.2 Uitzonderingen

Het in lid 25.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
25.6.3 Toelaatbaarheid
  • a. De in 25.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurgebied, de landschappelijke waarden, de natuurwaarden, de hydrologische betekenis en/of de hydrologische waarden van de gronden.
  • b. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wordt advies ingewonnen bij het waterschap, voor zover de afweging mede betrekking heeft op hydrologische waarden.

Artikel 26 Wonen - Buitenplaats

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Buitenplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. aan huis verbonden beroepen;
  • c. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend na verlening van omgevingsvergunning als opgenomen in 26.4.1;
  • d. groenvoorzieningen en landschapselementen;
  • e. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden;
  • f. voorzieningen voor verkeer en verblijf waaronder wegen en paden;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
26.2 Bouwregels
26.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende bepalingen:

  • a. Bouwwerken mogen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd.
  • b. De afstand tot de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m, indien de bestaande afstand reeds minder bedraagt geldt deze afstand als minimale afstand tot de weg.
  • c. De afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • d. De breedte van een bouwperceel mag niet minder bedragen dan 15 m.

26.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. De inhoud mag niet meer bedragen dan 2.150 m3.
  • b. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m.
  • c. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.

26.2.3 Bijgebouwen en aan- en uitbouwen bij woningen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd.
  • b. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 150 m².
  • c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  • d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  • e. De afstand van bijgebouwen tot de woning mag niet meer bedragen dan 15 m.

26.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn.
  • b. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.
  • c. Voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
26.3 Specifieke gebruiksregels
26.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken voor:

  • a. aan huis verbonden bedrijven;
  • b. afhankelijke woonruimte in een bijgebouw;
  • c. kleinschalige overnachtingen.
26.3.2 Aan huis verbonden beroep

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 150 m²;
  • b. Uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 18 Lijst beroep aan huis;
  • c. detailhandel is niet toegestaan.
26.4 Afwijken van de gebruiksregels
26.4.1 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen als bedoeld in 26.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  • b. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • c. er geen milieuvergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten plaatsvinden;
  • d. er geen onevenredige aantasting van het woonklimaat plaatsvindt;
  • e. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 19 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst);
  • f. er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • g. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 150 m²;
  • h. er geen reclame-uitingen worden geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  • i. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
26.4.2 Afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 25.4.1 sub b voor het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; deze noodzaak wordt aangetoond met een verklaring van een huisarte over ander medisch adviseur;
  • b. de afhankelijk woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  • c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
  • d. indien geen sprake meer is van een mantelzorgsituatie, dient het gebruik (weer) in overeenstemming te zijn met het reguliere gebruik als onderdeel van de (hoofd)woning of als bijgebouw.
26.4.3 Kleinschalige overnachting

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 26.3.1 teneinde een voorziening voor kleinschalige overnachting toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
    • 1. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
    • 2. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
    • 3. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  • b. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  • c. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  • d. ter plaatse is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  • e. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan. Dit betekent dat de maximale verblijfsduur voor eenzelfde persoon of groep van personen 4 aaneengesloten maanden per keer bedraagt, en maximaal 122 nachten per jaar;
  • f. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn;
  • g. er wordt voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen 2015', gerealiseerd, met dien verstande dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken indien strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Indien de 'Nota Parkeernormen 2015' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
26.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
26.5.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Wonen - Buitenplaats' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.
26.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 26.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

26.5.3 Toelaatbaarheid

De in lid 26.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de landschapselementen.

Artikel 27 Leiding - Brandstof

27.1 Bestemmingsomschrijving
27.1.1 Algemeen

De voor 'Leiding - Brandstof' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk gastransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

27.1.2 Voorrangsregeling

Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leidingen als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de regeling zoals opgenomen in de bestemming 'Leiding - Brandstof'.

27.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 27.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
27.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 27.2 en toestaan dat overeenkomstig de andere bestemmingen van deze gronden wordt gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding dient te zijn gewaarborgd;
  • b. er geen kwetsbare objecten worden gebouwd;
  • c. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.

27.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
27.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Brandstof' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. her permanent opslaan van goederen;
  • g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren.

27.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 27.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

27.4.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 27.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.

Artikel 28 Leiding - Gas

28.1 Bestemmingsomschrijving
28.1.1 Algemeen

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk gastransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

28.1.2 Voorrangsregeling

Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leidingen als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de regeling zoals opgenomen in de bestemming 'Leiding - Gas'.

28.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 28.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
28.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 28.2 en toestaan dat overeenkomstig de andere bestemmingen van deze gronden wordt gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding dient te zijn gewaarborgd;
  • b. er geen kwetsbare objecten worden gebouwd;
  • c. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.

28.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
28.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. her permanent opslaan van goederen;
  • g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren.

28.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 28.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

28.4.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 28.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.

Artikel 29 Leiding - Hoogspanningsverbinding

29.1 Bestemmingsomschrijving
29.1.1 Algemeen

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kV dan wel ten hoogte 3 mits de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en beplanting landschappelijk inpassing is gewaarborgd. kV met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

29.1.2 Voorrangsregeling

Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leidingen als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de regeling zoals opgenomen in de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'.

29.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 29.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter. Voor de bouw van hoogspanningsmasten geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 35 meter;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
29.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 29.2 en toestaan dat overeenkomstig de andere bestemmingen van deze gronden wordt gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de hoogspanningsverbinding dient te zijn gewaarborgd;
  • b. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.

29.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
29.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoogopgaande beplanting;
  • b. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 meter;
  • c. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
  • d. het ophogen, egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.

29.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 29.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

29.4.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 29.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.

 

Artikel 30 Leiding - Riool

30.1 Bestemmingsomschrijving
30.1.1 Algemeen

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse rioolwatertransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

30.1.2 Voorrangsregeling

Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leidingen als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de regeling zoals opgenomen in de bestemming 'Leiding - Riool'.

30.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 30.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

30.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 30.2 en toestaan dat overeenkomstig de andere bestemmingen van deze gronden wordt gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding dient te zijn gewaarborgd;
  • b. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.

30.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
30.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren.

30.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 30.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

30.4.3 Voorwaarden

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 30.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.

 

Artikel 31 Leiding - Water

31.1 Bestemmingsomschrijving
31.1.1 Algemeen

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse watertransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

31.1.2 Voorrangsregeling

Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leidingen als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de regeling zoals opgenomen in de bestemming 'Leiding - Water'.

31.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 31.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

31.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 31.2 en toestaan dat overeenkomstig de andere bestemmingen van deze gronden wordt gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding dient te zijn gewaarborgd;
  • b. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.

31.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
31.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Water' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren.

31.4.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 31.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

31.4.3 Voorwaarden

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 31.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.

Artikel 32 Waarde - Archeologie 2

32.1 Bestemmingsomschrijving
32.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

32.1.2 Meerdere archeologische dubbelbestemmingen

Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

32.2 Bouwregels

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 2' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft:

  • a. met een oppervlakte van maximaal 100 m2, of;
  • b. met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  • c. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
32.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

32.4 Afwijken van de bouwregels
32.4.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 32.2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
32.4.2 Bouwverbod

Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 32.4.1 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

32.4.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in lid 32.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

32.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
32.5.1 Verbod

Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • i. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;

indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 100 m2.

32.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 32.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
32.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 32.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  • b. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover de in lid 32.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
32.5.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 32.5.1 wint zij sschriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

32.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
32.6.1 Verbod

Het is verboden binnen de ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 100 m2 en de diepte meer dan 0,3 m bedraagt.

32.6.2 Nadere eisen
  • a. Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
32.6.3 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 32.6.1 met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

32.7 Wijzigingsbevoegdheid
32.7.1 Wijziging verbeelding

Burgemeester en wethouders kunnen de verbeelding van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 2':

  • a. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  • b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  • c. van bestemming wijzigt in een andere 'Waarde - Archeologie 1, 3, 4 of 5';
  • d. wordt verwijderd.
32.7.2 Advies

Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder 32.7.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.

Artikel 33 Waarde - Archeologie 3

33.1 Bestemmingsomschrijving
33.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

33.1.2 Meerdere archeologische dubbelbestemmingen

Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

33.2 Bouwregels

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 3' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft:

  • a. met een oppervlakte van maximaal 250 m2, of;
  • b. met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  • c. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
33.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

33.4 Afwijken van de bouwregels
33.4.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 33.2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
33.4.2 Bouwverbod

Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 33.4.1 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

33.4.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in lid 33.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

33.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
33.5.1 Verbod

Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • i. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;

indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 250 m2.

33.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 33.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
33.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 33.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  • b. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover de in lid 33.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
33.5.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 33.5.1 wint zij sschriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

33.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
33.6.1 Verbod

Het is verboden binnen de ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 250 m2 en de diepte meer dan 0,3 m bedraagt.

33.6.2 Nadere eisen
  • a. Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
33.6.3 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 33.6.1 met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

33.7 Wijzigingsbevoegdheid
33.7.1 Wijziging verbeelding

Burgemeester en wethouders kunnen de verbeelding van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 3':

  • a. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  • b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  • c. van bestemming wijzigt in een andere 'Waarde - Archeologie 1, 3, 4 of 5';
  • d. wordt verwijderd.
33.7.2 Advies

Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder 33.7.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.

Artikel 34 Waarde - Archeologie 4

34.1 Bestemmingsomschrijving
34.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

34.1.2 Meerdere archeologische dubbelbestemmingen

Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

34.2 Bouwregels

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 4' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft:

  • a. met een oppervlakte van maximaal 500 m2, of;
  • b. met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  • c. met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch', of;
  • d. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
34.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

34.4 Afwijken van de bouwregels
34.4.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 34.2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
34.4.2 Bouwverbod

Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 34.4.1 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

34.4.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in lid 34.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

34.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
34.5.1 Verbod

Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • i. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;

indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 500 m2.

34.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 34.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd;
  • e. voor zover het in artikel 34.5.1 onder 1 genoemde werken en werkzaamheden betreft, worden uitgevoerd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' en een verstoringsdiepte hebben van minder dan 0,5 m onder maaiveld.
34.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 34.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  • b. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover de in lid 34.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
34.5.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 34.5.1 wint zij sschriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

34.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
34.6.1 Verbod

Het is verboden binnen de ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 500 m2 en de diepte meer dan 0,3 m onder maaiveld bedraagt, met dien verstande dat deze toegestane verstoringsdiepte ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' maximaal 0,5 m bedraagt.

34.6.2 Nadere eisen
  • a. Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
34.6.3 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 34.6.1 met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

34.7 Wijzigingsbevoegdheid
34.7.1 Wijziging verbeelding

Burgemeester en wethouders kunnen de verbeelding van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 4':

  • a. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  • b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  • c. van bestemming wijzigt in een andere 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3 of 5';
  • d. wordt verwijderd.
34.7.2 Advies

Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder 34.7.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.

Artikel 35 Waarde - Archeologie 5

35.1 Bestemmingsomschrijving
35.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

35.1.2 Meerdere archeologische dubbelbestemmingen

Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

35.2 Bouwregels

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 5' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft:

  • a. met een oppervlakte van maximaal 2.500 m2, of;
  • b. met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  • c. met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch', of;
  • d. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
35.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

35.4 Afwijken van de bouwregels
35.4.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 35.2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
35.4.2 Bouwverbod

Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 35.4.1 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

35.4.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in lid 35.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

35.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
35.5.1 Verbod

Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • i. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;

indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 2.500 m2.

35.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 35.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd;
  • e. voor zover het in artikel 35.5.1 onder 1 genoemde werken en werkzaamheden betreft, worden uitgevoerd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' en een verstoringsdiepte hebben van minder dan 0,5 m onder maaiveld.
35.5.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 35.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  • b. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  • c. voor zover de in lid 35.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
35.5.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 35.5.1 wint zij sschriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

35.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
35.6.1 Verbod

Het is verboden binnen de ‘Waarde - Archeologie 5’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 500 m2 en de diepte meer dan 0,3 m onder maaiveld bedraagt, met dien verstande dat deze toegestane verstoringsdiepte ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' maximaal 0,5 m bedraagt.

35.6.2 Nadere eisen
  • a. Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
35.6.3 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 35.6.1 met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

35.7 Wijzigingsbevoegdheid
35.7.1 Wijziging verbeelding

Burgemeester en wethouders kunnen de verbeelding van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 5':

  • a. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  • b. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  • c. van bestemming wijzigt in een andere 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3 of 4';
  • d. wordt verwijderd.
35.7.2 Advies

Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder 35.7.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.

Artikel 36 Waarde - Cultuurhistorie

36.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarde van het dijklichaam.

36.2 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in elk geval begrepen het verlagen of afgraven van het dijklichaam.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 37 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 38 Algemene bouwregels

38.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van de bouwwerken, ten behoeve van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid.
38.2 Bestaande afwijkende maatvoering

In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet dan wel Wet algemene bepalingen omgevingswet tot stand is gekomen, op het tijdstip van ter-inzage-legging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan, met dien verstande dat het gebouw is opgericht ten behoeve van een uit de huidige (of vergelijkbare) bestemming voortvloeiende functie.

38.3 Regels veehouderij

Onderstaande regels met betrekking tot het bouwen ten behoeve van een veehouderij, gelden uitsluitend in combinatie met de regels in de betreffende bestemming. In de betreffeden bepalingen is aanvullend verwezen naar de hieronder opgenomen bepaling(en):

38.3.1 Voorwaarden voor een veehouderij

Voor een uitbreiding van, vestiging of omschakeling naar een veehouderij gelden de volgende bepalingen:

  • a. er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
  • b. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

* er wordt voldaan aan de vastgestelde normen uit de gemeentelijke geurverordening;

  • c. er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
  • d. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.
38.3.2 Bebouwing in stalderingsgebied (gehele plangebied)

In het kader van staldering gelden de volgende bepalingen:

  • a. de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij is alleen toegestaan als bewijs is overlegd dat:
    • 1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
    • 2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;
    • 3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.
  • b. een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:
    • 1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
    • 2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
    • 3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;
  • c. het bewijs dat aan de voorwaarden van lid a en b is voldaan, is uitgegeven door of namens gedeputeerde staten;
  • d. onder een bestaand dierenverblijf wordt verstaan: een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.
38.3.3 Bebouwing veehouderij in beperkingen veehouderij

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' gelden de volgende bepalingen:

  • a. deze bepalingen gelden niet voor een grondgebonden veehouderij;
  • b. de oppervlakte van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en), heeft ten hoogste de omvang van de gebouwen die:
    • 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of
    • 2. gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning; of
    • 3. die zijn gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

Artikel 39 Algemene gebruiksregels

39.1 Algemeen

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemmingen.

39.2 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het (laten) gebruiken voor:

  • a. seksinrichtingen;
  • b. de verkoop van softdrugs;
  • c. het gebruik van bijgebouwen of bedrijfsgebouwen als zelfstandige woning;
  • d. het gebruik van gebouwen voor kleinschalige overnachting;
  • e. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • f. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

Artikel 40 Algemene aanduidingsregels

40.1 Gebiedsaanduidingen

Ter plaatse van de als:

  • a. overige zone - esdekken agrarisch;
  • b. overige zone - landschappelijke tuin;
  • c. overige zone - voorziening buiten bouwvlak

aangeduide gronden gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de (dubbel)bestemming waarbinnen dit geldt.

40.2 Cultuurhistorische waarden
40.2.1 Gesplitste woningen

De bescherming van aanwezige cultuurhistorische waarden in één bouwmassa zoals die te onderkennen zijn bij gesplitste cultuurhistorische waardevolle gebouwen, ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’.

40.2.2 Sloopverbod van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en bomen

Het is verbonden om een gebouw, bouwwerken geen gebouw zijnde of een boom ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' geheel te slopen respectievelijk te kappen.

40.2.3 Omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk slopen van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en bomen
a Sloopvergunningplichtige activiteiten

Het is verboden om op de gronden met de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarde' zonder of in afwijking van een mgevingsvergunning van het bevoegd gezag een gebouw, bouwwerk geen gebouw zijnde of een boom gedeeltelijk te slopen respectievelijk te kappen.

b Uitzonderingen vergunningplicht

Het in a vervatte verbod geldt niet voor sloopwerkzaamheden:

  • 1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning om te slopen is verleend;
  • 2. die het normale onderhoud betreffen;
  • 3. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
c Criteria voor omgevingsvergunning om te slopen

De in a genoemde vergunning kan slechts worden verleend:

  • 1. indien uit een cultuur-/bouwhistorisch projectonderzoek blijkt, dat de cultuurhistorische waarden niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord, c..q. worden behouden, versterkt en/of ontwikkeld;
  • 2. indien uit een onderzoek als genoemd onder sub a blijkt dat de aanwezige waarden worden verstoord dan wel vernietigd wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die binnen de karakteristiek als gebleken uit het cultuurhistorische basisonderzoek passen;
  • 3. indien de instandhouding vgeen bijdrage meer levert aan de culuurhistorische waarde van het object en de omgeving.
40.3 Geluidzone - industrie

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - industrie' geldt het volgende:

  • a. ter plaatse van de 'geluidszone - industrie' zijn de gronden in aanvulling op het bepaalde in de regels als bedoeld in hoofdstuk 2 mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 't Zand' respectievelijk 'Ekkersrijt' op geluidsgevoelige objecten;
  • b. in afwijking van het bepaalde bij de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen geldt ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone – industrie', dat een op grond van de andere aangewezen bestemmingen toelaatbare woning of ander gebouw, of de uitbreiding daarvan, welke kan worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder, met uitzondering van bestaande geluidsgevoelige objecten, slechts mag worden gebouwd indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 't Zand respectievelijk Ekkersrijt op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde;
  • c. tot een gebruik, strijdig met de aanduiding 'geluidzone – industrie' wordt in ieder geval gerekend het gebruik van niet geluidsgevoelige objecten als geluidsgevoelig object.
40.4 Ke-contour
40.4.1 Uitsluiten van objecten

Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidzone - Luchtvaart 40 - 35 Ke' zijn geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegestaan.

Ter plaatse van de aanduiding 'Geluidszone - Luchtvaart 65 - 40 Ke' zijn uitsluitend nieuwe geluidsgevoelige functies toegestaan in de vorm van bedrijfswoningen.

40.4.2 Wijziging contour

Burgemeester en wethouders kunnen de aanduiding 'Luchtvaartverkeerszone – Ke-contour' wijzigen indien een aanwijzingsbesluit van de geluidszone van het luchtvaartterrein Eindhoven daartoe aanleiding geeft.

40.5 Luchtvaartverkeerszone - invliegfunnel

Al dan niet in afwijking van het elders in de planregels bepaalde, geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - invliegfunnel' ten behoeve van een obstakelvrij start- en landingsvlak met zijkanten ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien deze een bouwhoogte kennen, die de aangegeven waarde (uitgedrukt in meters boven NAP) overschrijdt,

40.6 Luchtvaartverkeerszone - ils

Al dan niet in afwijking van het elders in de planregels bepaalde, geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ils' ten behoeve van het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen door vliegverkeer rondom de start- en landingsbaan een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien deze een bouwhoogte kennen, die de aangeven waarde (uitgedrukt in meters boven NAP), overschrijdt. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van een hogere bouwhoogte, onder de voorwaarde dat de werking van de ILS niet in onaanvaardbare mate negatief wordt beïnvloed. Hiertoe dienen zij schriftelijk advies in te winnen bij Defensie.

40.7 Overige zone - attentiegebied natuur netwerk brabant
40.7.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied natuur netwerk brabant' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming tegen negatieve effecten op de waterhuishouding van de ecologische hoofdstructuur.

40.7.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het graven en dempen van poelen, sloten en greppels;
  • d. het aanleggen van drainage.

b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 40.7.2 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

c Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 40.7.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de in 40.7.1 bedoelde hydrologische waarden;
  • b. het betrokken waterschap is gehoord.
40.8 overige zone - beperkingen veehouderij

Op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is:

  • a. uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet zijn toegestaan, met uitzondering van een grondgebonden veehouderij
  • b. toename van de bestaande bebouwing, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning(en), niet is toegestaan.

 

40.9 Overige zone - boringsvrije zone
40.9.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - boringsvrije zone' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd tot het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem.

40.10 Overige zone - cultuurhistorisch vlak
40.10.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch vlak' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

40.10.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. het graven en dempen van poelen, sloten en greppels;
  • e. het beplanten van gronden met hoogopgaande beplanting/houtgewas;
  • f. aanleg van (hoge) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  • g. het wijzigen van perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 40.10.2 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • 1. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • 2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
c Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 40.10.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, indien is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de in 40.10.1 bedoelde cultuurhistorische waarden. Dit betekent in elk geval dat het verkavelingspatroon niet onevenredig mag worden aangetast.

40.11 Overige zone - ecologische verbindingszone
40.11.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor verwezenlijking, behoud en beheer van een ecologische verbindingszone.

40.11.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. aanbrengen oppervlakteverhardingen of verharden oppervlakten met meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.

b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 40.11.2 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

c Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 40.11.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, mits is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de in 40.11.1 bedoelde ecologische, landschappelijke dan wel hydrologische waarden.

40.12 Overige zone - groenblauwe mantel
40.12.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied.

40.12.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. aanleg van hoge tijdelijke teeltondersteunenende voorzieningen, met een omvang van meer dan 3 ha.
b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 40.12.2 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
c Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 40.12.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, indien is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de in 40.12.1 bedoelde ecologische, landschappelijke dan wel hydrologische waarden.

40.13 Overige zone - natuur netwerk brabant
40.13.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuur netwerk brabant' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

40.13.2 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met het natuurnetwerk brabant wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor het plaatsen van teeltondersteunende voorzieningen.

40.13.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. het graven en dempen van poelen, sloten en greppels;
  • e. het aanleggen van drainage;
  • f. het beplanten van gronden met hoogopgaande beplanting/houtgewas

b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 40.13.3 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

c Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 40.13.3 sub a zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de in 40.13.1 bedoelde ecologische waarden.

40.14 Overige zone - landgoed

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landgoed' zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemmingen), tevens bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van het landgoed Kleinbroek wat tot uitdrukking komt in de structuur en de ruimtelijke kwaliteit van de genoemde gebieden.

40.15 Overige zone - leefgebied kwetsbare soorten
40.15.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - leefgebied kwetsbare soorten' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een leefgebied voor kwetsbare soorten.

40.15.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. aanleg van hoge tijdelijke teeltondersteunenende voorzieningen, met een omvang van meer dan 3 ha.

b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 40.15.2 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

c Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 40.15.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de landschapselementen, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden, en de natuurwaarden.

 

40.16 Overige zone - leefgebied struweelvogels
40.16.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - leefgebied struweelvogels' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een leefgebied voor struweelvogels.

40.16.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  • c. het vellen of rooien van houtgewas;
  • d. aanleg van hoge tijdelijke teeltondersteunenende voorzieningen, met een omvang van meer dan 3 ha.
b Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in 40.16.2 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
c Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 40.16.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van de landschapselementen, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden, en de natuurwaarden.

40.17 Veiligheidszone - leiding
40.17.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de gasleiding.

40.17.2 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' geldt het volgende:

  • a. de bouw van kwetsbare objecten is niet toegestaan;
  • b. de bouw van beperkt kwetsbare objecten is niet toegestaan, met uitzondering van de herbouw van bestaande beperkt kwetsbare objecten op dezelfde locatie.
40.17.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen :

  • a. de aanduiding "veiligheidszone - leiding" vervalt, indien uit nader onderzoek is gebleken dat de leiding buiten werking is gesteld;
  • b. de aanduiding "veiligheidszone - leiding" wordt verkleind of vervalt, indien uit onderzoek is gebleken dat door een wijziging in transportparameters de plaatsgebonden risicocontour kleiner is geworden of niet meer aanwezig is of dat door aangepaste wet- en regelgeving, nieuwe inzichten, danwel nieuwe rekenmethoden of anderszins een kleinere plaatsgebonden 10-6/jr risicocontour geldt.
40.18 Vrijwaringszone - weg 1

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg 1' gelden, in afwijking van hetgeen in de overige regels is bepaald, de volgende regels:

  • a. Er mogen géén gebouwen en ander bouwwerken gebouwd worden, anders dan ten behoeve van verkeersgeleiding en vervangende nieuwbouw.
  • b. Het bevoegd gezag kan aan de hand van een verklaring van geen bezwaar van de wegbeheerder afwijken van het bepaalde onder a ten behoeve van het oprichten van bebouwing als toegestaan binnen de overige regels en voorzover de verkeersbelangen niet onevenredig worden aangetast.
40.19 Vrijwaringszone - weg 2

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg 2' gelden in afwijking van hetgeen in de overige regels is bepaald, de volgende regels:

  • a. Er mogen géén gebouwen en ander bouwwerken gebouwd worden, anders dan ten behoeve van verkeersgeleiding en vervangende nieuwbouw;
  • b. Het bevoegd gezag kan na overleg met de wegbeheerder afwijken van het bepaalde onder a ten behoeve van het oprichten van bebouwing als toegestaan binnen de overige regels en voorzover de verkeersbelangen niet onevenredig worden aangetast.
40.20 Wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting

Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting (numeriek)' gelden (per aanduidingsvlak) de voorwaardelijke verplichtingen, zoals opgenomen in de diverse bijlagen:

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 1: Bijlage 9 Voorwaardelijke verplichting 1 Aarleseweg 15 

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 2: Bijlage 10 Voorwaardelijke verplichting 2 Klaverhoekseweg 9a

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 3:Bijlage 11 Voorwaardelijke verplichting 3 Sonseweg 11 en 13

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 4:Bijlage 12 Voorwaardelijke verplichting 4 Kapelweg 27

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 5:Bijlage 13 Voorwaardelijke verplichting 5 Kruisbeemdenweg 16 

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 6:Bijlage 14 Voorwaardelijke verplichting 6 Mosselaarweg 18

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 7:Bijlage 15 Voorwaardelijke verpilchting 7 Broekdijk 2a

wetgevingszone - voorwaardelijke verplichting 8:Bijlage 16 Voorwaardelijke verplichting 8 Vleutstraat 8a

Artikel 41 Algemene afwijkingsregels

41.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken:

  • a. van de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.
  • b. van de regels en toestaan dat de bestemmingsgrenzen of het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij geldt dat de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
  • c. van de regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud per gebouwtje niet meer mag bedragen dan 50 m3;
    • 2. de (nok)hoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 m;
    • 3. de bebouwing landschappelijk inpasbaar is en de natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • d. van de regels voor de bouw van dierenverblijven binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Wonen', 'Bedrijf - 1' en 'Bedrijf - 2 waarbij de volgende voorwaarden gelden:
    • 1. Per bouwperceel mag slechts één dierenverblijf worden gebouwd c.q. aanwezig zijn.
    • 2. Er mogen uitsluitend vrijstaande dierenverblijven worden gebouwd als schuilgelegenheid of nachtverblijf voor het houden van vee met een hobbymatig c.q. geen bedrijfsmatig karakter.
    • 3. De oppervlakte van het dierenverblijf mag maximaal 20 m² bedragen en de bouwhoogte maximaal 3 m.
    • 4. Het moet een constructie betreffen die minimaal aan één zijde (half)open is.
    • 5. De afstand tot de as van de weg mag niet minder bedragen dan 15 m.
    • 6. De afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
  • e. van de regels ten behoeve van een overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat:
    • 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
    • 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,50 maal de maximaal toegestane (nok)hoogte van het betreffende gebouw, met dien verstande dat de maximale hoogte van schoorstenen 15 meter bedraagt.

Artikel 42 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van:

  • a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  • b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  • c. het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven;
  • d. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.

Artikel 43 Sloopvergunning voor cultuurhistorisch waardevolle panden

43.1 Sloopverbod van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en bomen

Het is verbonden om een gebouw, bouwwerken geen gebouw zijnde of een boom ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' geheel te slopen respectievelijk te kappen.

43.2 Omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk slopen van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en bomen
43.2.1 Sloopvergunningplichtige activiteiten

Het is verboden om op de gronden met de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarde' zonder of in afwijking van een mgevingsvergunning van het bevoegd gezag een gebouw, bouwwerk geen gebouw zijnde of een boom gedeeltelijk te slopen respectievelijk te kappen.

43.2.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in 43.2.1 vervatte verbod geldt niet voor sloopwerkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning om te slopen is verleend;
  • b. die het normale onderhoud betreffen;
  • c. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
43.2.3 Criteria voor omgevingsvergunning om te slopen

De in 43.2.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend:

  • a. indien uit een cultuur-/bouwhistorisch projectonderzoek blijkt, dat de cultuurhistorische waarden niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord, c..q. worden behouden, versterkt en/of ontwikkeld;
  • b. indien uit een onderzoek als genoemd onder sub a blijkt dat de aanwezige waarden worden verstoord dan wel vernietigd wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die binnen de karakteristiek als gebleken uit het cultuurhistorische basisonderzoek passen;
  • c. indien de instandhouding vgeen bijdrage meer levert aan de culuurhistorische waarde van het object en de omgeving.

Artikel 44 Overige regels

44.1 Parkeren
44.1.1 Parkeernormen

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning of een wijzigingsplan voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw staat vast dat voldaan wordt aan de normen en eisen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen 2015'. Indien de ‘Nota Parkeernormen 2015’ wordt gewijzigd, wordt met deze wijziging rekening gehouden.

44.1.2 Afwijken parkeernormen

Burgemeester en wethouders kunnen één of meer bepalingen van deze nota buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing – gelet op het belang waarvoor deze nota tot stand is gebracht – leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Een en ander dient in een collegebesluit vastgelegd te zijn.

44.1.3 Afwiijking ander type bouwwerk

Als de onder 44.1.1 bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 45 Overgangsrecht

45.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

45.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

45.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.

Artikel 46 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2019'.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van  
         
………………………  
         
         
  De voorzitter,     De griffier,    
  ……….     ………