Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Kapelweg 27 Best
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0753.TAMOPKapelwg27Best-VG01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een initiatief op perceelniveau op de locatie ‘Kapelweg 27 Best’ en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Best. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De weergegeven hoofdstukken in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Best. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikelnummer, ‘22c.’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage, ‘22c.’ gelezen worden.

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zoals van toepassing op hoofdstuk 22c van dit omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
 
1. TAM-omgevingsplan
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Kapelweg 27 Best.
 
2. Omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Best.
 
3. AAB
Adviescommissie Agrarische bouwaanvragen.
 
4. Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden.
 
5. Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
6. Aan huis verbonden beroep
Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.
 
7. Aardkundige waarden en kenmerken
Waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van belang zijn.
 
8. Agrarisch bedrijf
Een onderneming met één of meerdere milieubelastende activiteiten die gericht is op het voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en / of het houden van landbouwhuisdieren, waarbij mest niet tot voortgebrachte agrarische producten wordt gerekend en niet zijnde een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf of bedrijf met overwegend gebruiksgerichte activiteiten als maneges of pensions.
 
9. Agrarische bodemexploitatie
Het telen van gewassen en/of het beweiden door landbouwhuisdieren.
 
10. Agrarisch technisch hulpbedrijf
Bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel met uitzondering van mestbewerking.
 
11. Agrarisch verwant bedrijf
Bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van landbouwhuisdieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.
 
12. Archeologische / cultuurhistorische waarde
De aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden.
 
13. Bebouwing
Eén of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
14. Bebouwingspercentage
Een op de geometrie dan wel in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
 
15. Bedrijfsgebouw
Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
 
16. Bedrijfswoning
Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.
 
17. Bestaand
  • v bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip onherroepelijk verleende omgevingsvergunning.
  • gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.
18. Bijbehorende voorzieningen
Voorzieningen, die een onderdeel vormen van en ondergeschikt zijn aan het hoofdgebruik van de functie.
 
19. Bijgebouw
Gebouw dat door zijn ligging, constructie en / of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 
20. Bouwen
Voor bouwen geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.
 
21. Bouwperceel
Aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en bijbehorende voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.
 
22. Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
23. Bouwwerk
Voor een bouwwerk geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
 
24. Carport
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met maximaal één wand voor de stalling van motorvoertuigen.
 
25. Cultuurhistorische waarden en kenmerken
Waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
 
26. Dak
Iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
27. Detailhandel
Bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Activiteiten die vallen onder het begrip horeca worden niet aangemerkt als detailhandel.
 
28. Deskundige
Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen aangaande een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals een archeologisch deskundige, erfgoeddeskundige, landschapsdeskundige, milieudeskundige en natuurdeskundige.
 
29. Dierenverblijf
Gebouw, met inbegrip van de verharde uitloop, voor het houden van landbouwhuisdieren of een ander bouwwerk voor het houden van pelsdieren.
 
30. Ecologische waarden en kenmerken
Aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.
 
31. Erfbeplanting
Visueel afschermende, maskerende en / of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen, op de rand of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie.
 
32. Evenement
Het geheel van al dan niet incidentele dan wel al dan niet kortdurende, maar wel tijdelijke activiteiten, dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis, zoals een feest, kermis, optocht, braderie, wedstrijd of andere bijeenkomst tot ontspanning of vermaak, of een vertoning, voorstelling of herdenking, met uitzondering van:
  • bioscoopvoorstellingen,
  • markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en
  • snuffelmarkten als bedoeld in de APV,
  • kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen,
  • het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen, betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties,
  • activiteiten genoemd in het artikel straatartiest en speelgelegenheid als bedoeld in de APV.
33. Extensief recreatief medegebruik
Een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de functieomschrijvingen gegeven functies en gebruiksactiviteiten, zoals wandelen, fietsen en dergelijke.
 
34. Functie
Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en / of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
 
35. Gebouw
Voor een gebouw geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
36. Geluidgevoelige gebouwen (anders dan woningen)
Voor andere geluidgevoelige gebouwen dan woningen geldt de definitie als opgenomen in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
 
37. Geluidgevoelige ruimte
Voor een geluidgevoelige ruimte geldt de definitie als opgenomen in artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
 
38. Geurgevoelig gebouw
Voor een geurgevoelig gebouw geldt de definitie als opgenomen in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
 
39. Gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies
Functies waar sprake is van een langdurig (kunnen) verblijven van mensen. Bij wonen is ook de tuin onderdeel van de gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie. Voor gewasbeschermingsmiddelen geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
 
40. Glastuinbouwbedrijf
Agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.
 
41. Hobbymatig agrarisch gebruik
Niet-bedrijfsmatig agrarisch gebruik van gronden en / of agrarisch gebruik dat niet ten dienste is van een bedrijf. Onder hobbymatig agrarisch gebruik wordt in dit kader ook het gebruik van paardenbakken voor paardensportactiviteiten verstaan alsmede het gebruik van schuilhutten voor het stallen van dieren.
 
42. Hokdierhouderij
Veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij.
 
43. Hoofdfunctie
Een functie waarvoor het hoofdgebouw en / of gronden als zodanig mag worden gebruikt.
 
44. Hoofdgebouw
Voor een hoofdgebouw geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.
 
45. Huishouden
Een alleenstaande, of twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid.
 
46. Hydrologisch waardevol
Gronden met waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot een of meer van de volgende waarden en / of omstandigheden:
  • aanwezige aardkundige waarden;
  • aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden;
  • aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden.
Daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en / of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild).
 
47. Kamerverhuur
Het verhuren van een onzelfstandige woonruimte.
 
48. Kampeermiddel
Tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.
 
49. Kas
Agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter.
 
50. Kleinschalige bedrijvigheid
Het verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden. Hieronder wordt mede begrepen consumentenverzorging.
 
51. Kleinschalige overnachting
Een kleinschalige overnachtings- en verblijfsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf en eventueel het serveren van ontbijt, waarvoor een vergoeding wordt betaald.
 
52. Landbouwhuisdier
Voor landbouwhuisdieren geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken.
 
53. Landschappelijke waarden en kenmerken
Gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.
 
54. Lawaaisporten
Een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingslawaai wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, (model)vliegsport. De jachtsport wordt hieronder niet verstaan.
 
55. LIR
Landschapsinvesteringsregeling (LIR) 2019 gemeente Best, en opvolgende beleidsregels, waarin, met betrekking tot de beoordeling van initiatieven, de verschillende vormen van bijdragen aan de kwaliteit van het landschap zijn voorgeschreven.
 
56. Loonwerkbedrijf
Een bedrijf, dat is gericht op het verlenen van diensten aan overwegend agrarische bedrijven en het verrichten van cultuurtechnische werkzaamheden, met behulp van werktuigen.
 
57. Manege
Een bedrijf dat op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf en de verzorging van paarden.
 
58. Mantelzorg
Voor mantelzorg geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van  zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
 
59. Melkrundveehouderij
Onder melkveehouderij worden de volgende diercategorieën uit bijlage V van de Omgevingsregeling verstaan, met tussen haakjes de bijbehorende OW-code:
  • melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder, inclusief kalveren jonger dan 14 dagen (HA1);
  • vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, diercategorie fokstieren jonger dan 2 jaar (HA2);
  • dieren die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak voor natuurbeheer.
60. Mestbewerking
De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest.
 
61. Natuurwaarden
Waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als  verscheidenheid / zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid.
 
62. Nevenactiviteiten
Activiteiten die in ruimtelijk functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt zijn aan de toegestane hoofdactiviteit / hoofdfunctie gelet op ruimtebeslag, omzet en tijdsbesteding.
 
63. Omschakeling
Geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm.
 
64. Overig agrarisch bedrijf
Agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, (vollegronds)teeltbedrijf of lastuinbouwbedrijf valt.
 
65. Overkapping
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak en niet meer dan één wand.
 
66. Pensionstalling
Een agrarisch verwant bedrijf, waarvan de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het ouden van paarden van derden of het berijden ervan. Hieronder wordt verstaan de verhuur an stalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van paarden. Onder pensionstallning wordt een manege verstaan.
 
67. Perceelsgrens
De grens van een bouwperceel.
 
68. Schuilhut
Een solitair gelegen klein bouwwerk dat dient voor de hobbymatige stallen van dieren en het bijbehorende dierenvoer
 
69. Seksinrichting
De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
70. Stalderingsgebied
Gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen. Het stalderingsgebied voor Best is als volgt begrensd:
 
 
   
71. Statische opslag
Opslag / binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, die niet brandgevaarlijk zijn, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke.
 
72. Straatpeil
  • Voor een bouwwerken waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
  • Voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
73. Streekgebonden producten
Producten, gemaakt met grondstoffen die als streekeigen worden beschouwd en/of volgens streektraditie geteelde producten, en/of producten die volgens een specifieke bereidingswijze of receptuur van een bepaalde regio wordt geproduceerd.
 
74. Teeltondersteunende voorziening
Ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een (vollegronds)teeltbedrijf, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt:
  1. teeltondersteunende kas: een teeltondersteunde voorziening in de vorm van een (permanente) kas;
  2. hoge teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter: teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die vrij makkelijk verwijderbaar zijn, maar waarbij dat niet na elk teeltseizoen plaats vindt hieronder worden in ieder geval verstaan:
    1. teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen;
    2. ondersteunende (glas)kassen;
    3. plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen;
  3. hoge teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter: teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) van het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd; hieronder worden in
    ieder geval verstaan:
    1. menstoegankelijke wandelkappen;
    2. schaduwhallen voor het afharden van producten en ter bescherming van plantmateriaal tegen scherpe zon;
    3. hagelnetten en vraatnetten;
  4.  lage ondersteunende voorzieningen met een meer permanent karakter / containervelden: ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, voor zogenaamde containerteelt; hierbij kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
    1. containervelden als onomkeerbare voorziening, waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond veelal van niet-openbare / gesloten verhardingen, zoals beton;
    2. containervelden als omkeerbare voorzieningen, waarbij gebruik gemaakt wordt van anti-worteldoek met daartusse
  5. lage teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter: teeltondersteunende voorzieningen, met een hoogte van maximaal 1,5 meter, aanwezig gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd; hieronder worden in ieder geval verstaan:
    1. lage tunnels van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen insectengaas, afdekfolies, vlakveldfolies.
75. Toename van stikstofemissie
Er is sprake van een toename van stikstofemissie door het gebruik van gronden en bouwwerken wanneer de emissie van stikstof (N / kg / jaar) meer bedraagt dan de emissie van stikstof (N / kg / jaar) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van gronden en bouwwerken, voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Indien een gelijkblijvende of een afname van de stikstofemissie (N / kg / jaar) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken voorafgaand aan de vaststelling van het plan, een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie.  Als uitzondering op de hiervoor genoemde bepalingen geldt het volgende:
  1. er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van één van de volgende situaties:
    1. de emissie N / kg / jaar afkomstig van betreffende gronden en bouwwerken bedraagt maximaal de emissie (N / kg / jaar) afkomstig van de betreffende gronden en bouwwerken conform een ten tijde van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan verleende en onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 en / of artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming, en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, dan wel een verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 of met toepassing van de overeenkomstige regeling uit de Wet natuurbescherming dan wel onder toepassing van artikel 2.2aa Bor juncto artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo is verleend en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt;
    2. de toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied ten gevolge van een toename van stikstofemissie zoals bedoeld in lid a en lid b van deze bepaling, kleiner is dan 0,005 mol/ha/jaar. Wanneer in deze regels ‘emissie N / kg / jaar’ wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter ‘N’ bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
76. Veehouderij
Agrarisch bedrijf of tak, gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.
 
77. Verkoopvloeroppervlak (vvo)
De totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.
 
78. Vloeroppervlakte
De oppervlakte van de vloer van de begane grond.
 
79. (Vollegronds)teeltbedrijf
Agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.
 
80. Voorgevel
De gevel van de voorzijde van een gebouw.
 
81. Voorgevellijn
De lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
 
82. Volwaardig agrarisch bedrijf
Bedrijf met de omvang van ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen.
 
83. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen
Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voor voorzieningen, die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke.
 
84. Werk
Een werkzaamheid of constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.
 
85. Wet / wettelijke regeling
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan, tenzij anders bepaald.
 
86. Woning
Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor de huisvesting van één huishouden met daarbij niet bedrijfsmatige kamerverhuur van maximaal 2 personen, danwel voor de huisvesting van maximaal 4 personen, die geen gezamenlijk huishouden vormen maar wel gezamenlijk gebruikmaken van de voorzieningen als ware het één huishouden. In het laatste geval dient sprake te zijn van een gebruiksoppervlakte van minimaal 12 m² per persoon. Binnen een woning is sprake van één
zelfstandige wooneenheid, dat wil zeggen één eenheid waarin een zelfstandig huishouden kan worden gevoerd doordat die eenheid beschikt over de daartoe strekkende voorzieningen (sanitair, kookgelegenheid en dergelijke) en een eigen huisnummer.
 
87. Zorgvuldige veehouderij
Een veehouderij, die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving. Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij zoals opgenomen in de provinciale TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant of opvolger daarvan.
            

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
De afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens
De kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsgrens
 
De afstand tussen gebouwen
De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van gebouwen.
 
De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
De breedte van bouwpercelen
De afstand tussen de zijdelingse perceelsgrenzen.
 
De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen niet meer dan 1,0 meter bedraagt.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder lid c.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Kapelweg 27 Best', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0753.TAMOPKapelwg27Best-VG01, zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

2 Functies en activiteiten

 

Artikel 4 Agrarisch

4.1 Functieomschrijving

In het voor agrarisch aangewezen gebied zijn de volgende functies / gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waarbij hobbymatig agrarisch gebruik van de gronden binnen een contour van 50 meter rondom en aansluitend aan het voor ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aangewezen gebied is toegestaan, zoals bijvoorbeeld voor het laten grazen van paarden en andere dieren of een boomgaard, met dien verstande dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  3. groenvoorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. extensief recreatief medegebruik;
één en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en tuinen tussen het voor ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aangewezen gebied en de weg. Voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, zoals mestsilo’s, sleufsilo’s, paardenbakken, waterbassins, en dergelijke zijn niet toegestaan.

4.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels.
4.2.1 Algemeen
Er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de omschreven functies in artikel 4.1 worden gebouwd.
4.2.2 Gebouwen
Er zijn geen gebouwen toegestaan.
4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. uitsluitend open erfafscheidingen zijn toegestaan, alsmede eenvoudige voorzieningen voor extensief recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering;
  2. verlichting is niet toegestaan, tenzij het bestaande verlichting betreft met de bestaande hoogt als maximum;
  3. de bouwhoogte van de voorzieningen voor recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 3,5 meter;
  4. de bouwhoogte van de open erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter.

4.3 Specifieke functieregels

 
4.3.1 Aanwijzing verbod
Binnen de als ‘Agrarisch’ aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt;
  2. voor het beproeven van of racen / crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten;
  3. gewasbeschermingsmiddelen voor fruit- en boomteelt op een afstand van minder dan 50 meter van functievlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, waarbij geldt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor reeds bestaande fruit- en boomteelt wel is toegestaan;
  4. buitenopslag;
  5. het (half)verharden van onverharde wegen en paden.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m².
4.4.2 Uitzonderingen
Het in 4.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
4.4.3 Toelaatbaarheid
De in 4.4.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud van de agrarische gronden, waartoe advies kan worden gevraagd aan de AAB.

Artikel 5 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

5.1 Functieomschrijving

 
5.1.1 Algemeen
In het voor ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aangewezen gebied zijn de volgende functies / gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. de uitoefening van maximaal één agrarisch bedrijf per bouwvlak, zijnde een (vollegronds)teeltbedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – pluimvee’ tevens een pluimveehouderij(tak) is toegestaan;
  2. agrarisch grondgebruik;
  3. permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  4. mestbewerking, uitsluitend van ter plaatse, op het eigen bedrijf, geproduceerde mest;
  5. wonen in een bedrijfswoning;
  6. aan huis verbonden beroepen;
  7. nevenactiviteiten;
  8. extensief recreatief medegebruik.
één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden, tuinen en erven, parkeervoorzieningen, erfontsluitingen, groenvoorzieningen en landschapselementen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.1.2 Bebouwing ten behoeve van veehouderij
Voor veehouderijen gelden de volgende specifieke bepalingen, zowel voor gebouwen als voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. maximaal is de bestaande bebouwde oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij toegestaan;
  2. onder bestaande oppervlakte dierenverblijf wordt verstaan de oppervlakte dierenverblijf die als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of melding, bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving.

5.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels.
5.2.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken gelden in het algemeen de volgende bepalingen:
  1. er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de omschreven functies in artikel 5.1 worden gebouwd;
  2. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 meter, indien de bestaande afstand reeds minder bedraagt geldt deze afstand als minimale afstand;
  3. de afstand tot de perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 2 meter;
  4. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
  5. per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan.
5.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter;
  3. teeltondersteunende kassen mogen worden gebouwd tot een maximum van 5.000 m².
5.2.3 Bedrijfswoningen
Voor een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:
  1. per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m³, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning meer bedraagt, waarbij de bestaande inhoud als maximum geldt;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 meter, met dien verstande dat bij inpandige woningen de goothoogte niet meer mag bedragen dan 6 meter;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter;
  5. vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning mag uitsluitend plaatsvinden ter plaatse van de bestaande situering.
5.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:
  1. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  2. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m²;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 meter;
  5. de afstand van vrijstaande bijgebouwen tot de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 15 meter.
5.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter voor en 2 meter achter de voorgevellijn;
  2. voor carports en overkappingen, behorende bij de bedrijfswoning, geldt het volgende:
    1. ze dienen minimaal 2 meter achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd;
    2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
    3. de totale oppervlakte per bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 50 m²;
  3. de hoogte van torensilo’s mag niet meer bedragen dan 15 meter;
  4. de hoogte van mestsilo’s mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  5. de hoogte van sleufsilo’s mag niet meer bedragen dan 2,50 meter;
  6. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  7. voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².

5.3 Omgevingsplanactiviteit

5.3.1 Omgevingsplanactiviteit uitbreiding bestaande oppervlakte dierenverblijf
In afwijking van artikel 5.1.2 en artikel 5.4.1 onder j. verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de bebouwde oppervlakte aan dierenverblijf voor een veehouderij binnen een bestaand bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – pluimveehouderij’, ten behoeve van de daarbij toegestane diersoort als opgenomen in artikel 5.1.1 onder a, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij, zoals opgenomen in 10.4.1;
  2. er wordt voldaan aan de regels voor staldering, zoals opgenomen in 10.4.2;
  3. er wordt voldaan aan de stikstofbepaling, zoals deze is opgenomen in 5.4.1;
  4. er dient (dan) sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  5. de uitbreiding is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en / of -ontwikkeling;
  6. advies kan worden gevraagd aan de AAB over de volwaardigheid en de noodzakelijkheid;
  7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven
  8. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit;
  9. aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid o.a. op het gebied van gezondheid, geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder, hinder van bedrijfsactiviteiten, flora en fauna, externe veiligheid, water en archeologie;
  10. voldaan wordt aan de overige bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in artikel 5.2;
  11. binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  12. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het functievlak omvat;
  13. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR) van de gemeente Best.

5.4 Specifieke functieregels

5.4.1 Aanwijzing verbod
Binnen de als ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt;
  2. kleinschalige bedrijvigheid;
  3. bewoning van gebouwen, anders dan het toegestane gebruik als bedrijfswoning van de bedrijfswoning;
  4. het beproeven van racen / crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten;
  5. gewasbeschermingsmiddelen voor fruit- en boomteelt op een afstand van minder dan 50 meter van functievlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, waarbij geldt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor reeds bestaande fruit- en boomteelt wel is toegestaan;
  6. het houden van dieren binnen gebouwen – al dan niet hokken – anders dan op de begane grond bouwlaag, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  7. kleinschalige overnachtingen anders dan bestaande kleinschalige overnachtingen;
  8. loonwerkbedrijven en overige bedrijvigheid anders dan toegestaan conform het bepaalde in 5.4.3;
  9. het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten;
  10. het wijzigen van het gebruik van een bestaand gebouw in een dierenverblijf;
  11. voor evenementen.
5.4.2 Aan huis verbonden beroep
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden tevens de volgende bepalingen:
  1. een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan bij een bedrijfswoning;
  2. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  3. uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in bijlage 1;
  4. detailhandel is niet toegestaan;
  5. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
5.4.3 Nevenactiviteiten
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van nevenactiviteiten gelden tevens de volgende bepalingen:
  1. de nevenactiviteiten dienen ondergeschikt te zijn aan het agrarische bedrijf;
  2. uitsluitend de navolgende nevenactiviteiten zijn toegestaan onder de navolgende voorwaarden:
Ondergeschikte detailhandel
  • ter plaatse geproduceerde / geteelde producten en / of streekgebonden producten;
  • de verkoopvloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;
Inpandige statische opslag
  • de vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 1.000 m²;
  • inpandige statische opslag is uitsluitend toegestaan in de bestaande oppervlakte aan gebouwen (vervangende nieuwbouw is mogelijk);
  • inpandige statische opslag is niet toegestaan in kassen;
Pensionstalling voor paarden
  • gebruiksoppervlakte tot maximaal 500 m²;
Educatie
  • de educatie heeft betrekking op de agrarische bedrijfsvoering, natuur, landschap, cultuurhistorie of het buitenleven;
  • er mag geen sprake zijn van een geurgevoelig gebouw;
  • er is geen sprake van een geurgevoelig gebouw indien de educatie niet uitsluitend in één ruimte plaatsvindt, maar ook elders, zoals in zichtruimtes op dierenverblijven of buiten
Kleinschalig kamperen
  • kleinschalig kamperen, bestaande uit maximaal 15 kampeermiddelen binnen het voor ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aangewezen gebied, met dien verstande dat de afstand tot een woning of een bedrijfswoning van derden minimaal 50 meter bedraagt;
  • uitsluitend zijn toegestaan kampeermiddelen met een niet-permanent karakter (tenten, tentwagens, campers, kampeerauto’s en toercaravans); • parkeren vindt plaats binnen het voor ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ aangewezen gebied, waarbij voorzien wordt in de parkeerbehoefte, als bedoeld in artikel 13.1;
  • er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, bestaande uit inheemse beplanting;
  1. de gezamenlijke vloeroppervlakte van nevenactiviteiten mag niet meer bedragen dan 50% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 500 m², met dien verstande dat de omvang van inpandige statische opslag en kleinschalig kamperen hierbij niet wordt meegerekend.

5.5 Omgevingsplanactiviteit

5.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid
In afwijking van artikel 5.4.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. de bedrijvigheid mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende beoordelingsregels voor bouwactiviteiten die voor de woning en bijgebouwen gelden,
  2. de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  3. er vindt geen detailhandel plaats;
  4. het gebruik leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woonklimaat;
  5. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in bijlage 2 (niet limitatieve lijst), alsmede inpandige statische opslag;
  6. er vindt geen buitenopslag plaats;
  7. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  8. er worden geen reclame-uitingen geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  9. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
5.5.2 Nevenactiviteit agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf of een niet agrarisch bedrijf
In afwijking van artikel 5.4.1 onder h verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het toestaan van een vorm van agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf of een nietagrarisch bedrijf als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. de agrarische functie blijft op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar;
  2. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
  3. de gezamenlijke vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf mag niet meer bedragen dan 50% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen en niet meer dan 500 m² gebruiksoppervlakte, met uitzondering van de oppervlakte die nodig is voor statische opslag;
  4. er zijn uitsluitend agrarisch verwant bedrijven of agrarisch technisch hulpbedrijven toegestaan in milieucategorie 1, 2 of 3 van de in bijlage 3 opgenomen bedrijfsactiviteiten alsmede naar aard en omvang vergelijkbare activiteiten;
  5. niet- agrarische bedrijven zijn uitsluitend toegestaan met milieucategorie 1 of 2;
  6. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven;
  7. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast;
  8. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
  9. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  10. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  11. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  12. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR) van de gemeente Best.
5.5.3 Meergeneratiewoning
In afwijking van artikel 5.4.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een deel van de bedrijfswoning of bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning of een tijdelijke woonunit voor een tweede huishouden, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in een familierelatie in de 1e lijn;
  2. het is alleen toegestaan indien één van de bewoners 60 jaar of ouder is;
  3. het dient te passen binnen de vigerende beoordelingsregels voor bouwactiviteiten dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  4. er mag maximaal 100 m² door het tweede huishouden in gebruik worden genomen;
  5. in afwijking van het bepaalde onder c kan binnen het bouwvlak een tijdelijke woonunit van maximaal 100 m² worden toegestaan op een maximale afstand van 25 meter tot de bedrijfswoning;
  6. er blijft planologisch-juridisch sprake van één woning;
  7. zodra één van de generaties niet meer verblijft in het pand / op het perceel, dient de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit voor het 2e huishouden te worden verwijderd;
  8. er mag geen kadastrale splitsing plaatsvinden;
  9. aan het gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer het recht worden ontleend voor een planologisch-juridisch gebruik als twee (zelfstandige) (bedrijfs)woningen;
  10. aan het gebruik kan nimmer het recht worden ontleend op woningsplitsing;
  11. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat c.q. de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit die bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van deze mantelzorgbehoefte;
  12. indien het tweede huishouden in een ander gebouw verblijft dan de bedrijfswoning, dan gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
    1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    2. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  13. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
  14. indien gebruik wordt gemaakt van een tijdelijke woonunit (onder e) is juridisch en financieel geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.

Artikel 6 Leiding - Riool

6.1 Functieomschrijving

6.1.1 Algemeen
De voor ‘Leiding – Riool’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies / gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse rioolwatertransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.
6.1.2 Voorrangsregeling
Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leiding als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de artikelen 4 en 5, prevaleert de regeling zoals opgenomen in de functie ‘Leiding – Riool’.

6.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels.
6.2.1 Algemeen
Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  2. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten mag – met inachtneming van de voor de betrokken functies / gebruiksactiviteiten geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder straatpeil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

6.3 Omgevingsplanactiviteit

In afwijking van artikel 6.2.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de andere functies / gebruiksactiviteiten van deze gronden, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. het behoud van een veilige ligging, de continuïteit van de leiding en het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de leiding dienen te zijn gewaarborgd;
  2. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  3. het vellen of rooien van houtgewas;
  4. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in artikel 6.1 is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  6. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  7. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren;
  8. het plaatsen van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.
6.4.2 Uitzonderingen
Het in 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer ten dienste van de functies / gebruiksactiviteiten betreffen;
  2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
6.4.3 Voorwaarden
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:
  1. het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad;
  2. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.

Artikel 7 Leiding - Water

7.1 Functieomschrijving

7.1.1 Algemeen
De voor ‘Leiding – Water’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies / gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse watertransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.
7.1.2 Voorrangsregeling
Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leiding als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de artikelen 4 en 5, prevaleert de regeling zoals opgenomen in de functie ‘Leiding – Water’.

7.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels.
7.2.1 Algemeen
Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 7.1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  2. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten mag – met inachtneming van de voor de betrokken functies / gebruiksactiviteiten geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder straatpeil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

7.3 Omgevingsplanactiviteit

In afwijking van artikel 7.2.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de andere functies / gebruiksactiviteiten van deze gronden, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding dienen te zijn gewaarborgd;
  2. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  3. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in artikel 7.1 is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren.
7.4.2 Uitzonderingen
Het in 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer ten dienste van de functies / gebruiksactiviteiten betreffen;
  2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
7.4.3 Voorwaarden
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:
  1. het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
  2. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 4

8.1 Functieomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies / gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

8.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de navolgende beoordelingsregels.
8.2.1 Algemeen
Binnen het voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gebied mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten, indien en voor zover het een bouwplan betreft:
  1. met een oppervlakte van maximaal 500 m², of;
  2. met een oppervlakte groter dan 500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,5 meter ten opzichte van het maaiveld, of;
  3. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 meter uit de bestaande fundering wordt gebouwd.

8.3 Omgevingsplanactiviteit

8.3.1 Algemeen
In afwijking van artikel 8.2.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functies / gebruiksactiviteiten, met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. op basis van (archeologisch) onderzoek dient te zijn aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit, die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  2. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een maatwerkvoorschrift te verbinden aan de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid is erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.5.1 Verbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  8. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  9. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 centimeter bedragen;
indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 500 m².
8.5.2 Uitzonderingen
Het in 8.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige functies en/of gebruiksactiviteiten van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
8.5.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat:
  1. de in artikel 8.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  2. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
  3. voor zover de in artikel 8.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
8.5.4 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.4.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

8.6.1 Verbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden op of in deze gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 500 m² en de diepte meer dan 0,5 meter onder maaiveld bedraagt.
8.6.2 Maatwerkvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
8.6.3 Omgevingsvergunning
In afwijking van artikel 8.6.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en de afmetingen van de bouwwerken, ten behoeve van:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. de sociale veiligheid.

10.2 Bestaande afwijkende maatvoering

In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet dan wel Omgevingswet tot stand is gekomen, op het tijdstip van ter-inzage-legging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan, met dien verstande dat het gebouw is opgericht ten behoeve van een uit de huidige (of vergelijkbare) functieomschrijving voortvloeiende functie / gebruiksactiviteit.

10.3 Ondergronds bouwen

Voor ondergronds bouwen (bouwen beneden straatpeil) gelden de volgende bepalingen:
  1. bij (agrarische) bedrijfsgebouwen: de bebouwing mag uitsluitend worden gebouwd onder de (agrarische) bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat binnen de gebouwen ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren;
  2. in overige gevallen: de bebouwing moet worden opgericht onder een (bedrijfs)woning en/of onder de bij de (bedrijfs)woning behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie, met dien verstande dat deze aan één zijde maximaal 2 meter buiten het bovengrondse gevelvlak mag uitsteken;
  3. de inhoud van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan de inhoud van het gebouw waaronder de ondergrondse bebouwing wordt gebouwd;
  4. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4 meter.

10.4 Regels veehouderij

Onderstaande regels met betrekking tot het bouwen ten behoeve van een veehouderij, gelden uitsluitend in combinatie met de regels in de betreffende functieomschrijvingen. In de betreffende bepalingen is aanvullend verwezen naar de hieronder opgenomen bepaling(en).
10.4.1 Voorwaarden voor een veehouderij
Voor een uitbreiding van, vestiging of omschakeling naar een veehouderij alsmede uitbreiding van de bestaande bebouwde oppervlakte dierenverblijf binnen een bestaand bouwvlak gelden de volgende bepalingen:
  1. er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
  2. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
c. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij initiatief.
10.4.2 Bebouwing in stalderingsgebied
In het kader van staldering gelden de volgende bepalingen:
  1. de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij is alleen toegestaan als bewijs is overlegd dat:
    1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
    2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 120% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;
    3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;
  2. een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:
    1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
    2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 120% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
    3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;
  3. het bewijs dat aan de voorwaarden van lid a en b is voldaan, is uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten;
  4. onder een bestaand dierenverblijf wordt verstaan: een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of melding, bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Algemeen

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven functies / gebruiksactiviteiten.

11.2 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het (laten) gebruiken voor:
  1. seksinrichtingen;
  2. de verkoop van softdrugs;
  3. het gebruik van bijgebouwen of bedrijfsgebouwen als zelfstandige woning;
  4. het gebruik van gebouwen voor kleinschalige overnachting, behalve kleinschalige overnachtingen die binnen een functie / gebruiksactiviteit expliciet zijn toegestaan, dan wel de bestaande kleinschalige overnachtingen;
  5. evenementen, anders dan evenementen die binnen een functie / gebruiksactiviteit expliciet zijn toegestaan;
  6. kleinschalig kamperen; anders dan kleinschalig kamperen dat binnen een functie / gebruiksactiviteit expliciet is toegestaan dan wel anders dan de bestaande kleinschalige kampeerplaatsen;
  7. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie / gebruiksactiviteit gerichte gebruik van de grond;
  8. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie / gebruiksactiviteit gerichte gebruik van de grond.

Artikel 12 Algemene omgevingsplanactiviteiten

12.1 Algemeen

Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het afwijken van:
  1. de regels en staat toe dat de functiegrenzen of het bouwvlak in geringe mate worden / wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij geldt dat de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  2. de regels ten behoeve van een overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat:
    1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
    2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,50 maal de maximaal toegestane (nok)hoogte van het betreffende gebouw, met dien verstande dat de maximale hoogte van schoorstenen 15 meter bedraagt;

Artikel 13 Overige regels

13.1 Parkeeractiviteiten

13.1.1 Parkeergelegenheid
  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit\ aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
  2. Bij een aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en,
    2. een parkeerbalans en toelichting hierop.
  3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
    1. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en / of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort (er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de “Nota parkeernormen 2022” of de op dat moment vastgestelde actualisatie van de gemeentelijke parkeernota); en,
    2. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer (er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto’s, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de “Nota parkeernormen 2022” of de op dat moment vastgestelde actualisatie van de gemeentelijke parkeernota); of,
    3. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub 1 en 2:
      1. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
      2. als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.
  4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid.
13.1.2 Laden en lossen
  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft.
  2. Bij een aanvraag omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en,
    2. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen.
  3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
    1. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of
    2. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub 1:
      1. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
      2. als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is.
  4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.

13.2 Regels met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen

13.2.1 Nieuwbouw of herbouw woningen en andere geluidgevoelige gebouwen
Ten aanzien van nieuwbouw of herbouw van woningen en andere geluidgevoelige gebouwen geldt dat dit uitsluitend is toegestaan als:
  1. de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 33 dB te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van weg-, spoorweg en vlieglawaai;
  2. de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 35 dB(A) te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van industrielawaai;
  3. de verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe of aan de minst geluidbelaste zijde gerealiseerd worden;
  4. de woning minimaal één geluidluwe zijde heeft;
  5. de woning een geluidluwe buitenruimte heeft;
  6. omliggende bedrijven en voorzieningen niet in onevenredige mate worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
13.2.2 Toevoegen van geluidgevoelige ruimten bij bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen
Ten aanzien van het toevoegen van geluidgevoelige ruimten bij bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen geldt dat dit uitsluitend is toegestaan als:
  1. de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 33 dB te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van weg-, spoorweg- en vlieglawaai;
  2. de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoende is om in geluidgevoelige ruimten van woningen een geluidbelasting van ten hoogste 35 dB(A) te realiseren; dit geldt voor de geluidbelasting afkomstig van industrielawaai;
  3. nieuwe verblijfsruimten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe of aan de minst geluidbelaste zijde gerealiseerd worden;
  4. omliggende bedrijven en voorzieningen niet in onevenredige mate worden beperkt in hun bedrijfsvoering.

13.3 Overige zone - esdekken agrarisch

Ter plaatse van de als ‘overige zone – esdekken agrarisch’ aangewezen gebieden gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de functies / gebruiksactiviteiten waarbinnen dit geldt.

13.4 Luchtvaartverkeerzone - ihcs en invliegfunnel

Al dan niet in afwijking van het elders in de planregels bepaalde, geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – ihcs en invliegfunnel’ ten behoeve van een obstakelvrij start- en landingsvlak met zijkanten ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien deze een bouwhoogte kennen, die de in bijlage 4 aangegeven waarde (uitgedrukt in meters boven NAP) overschrijdt.

13.5 Vrijwaringszone - radar

Ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone – radar’ geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een hogere bebouwing dan 90 meter boven NAP, in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen.

13.6 Veiligheidszone - leiding

 
13.6.1 Functieomschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming van de gasleiding.
13.6.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' geldt het volgende: 
  1. de bouw van kwetsbare objecten is niet toegestaan;
  2. de bouw van beperkt kwetsbare objecten is niet toegestaan, met uitzondering van de herbouw van bestaande beperkt kwetsbare objecten op dezelfde locatie.

13.7 Wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting 4

13.7.1 Verwijzing bijlagen
Ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingzone – voorwaardelijke verplichting 4’ geldt de voorwaardelijke verplichting, zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels.
13.7.2 Omgevingsplanactiviteit landschappelijke inpassing
In afwijking van artikel 13.6.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor wijzigen van het in bijlage 5 bij deze regels opgenomen landschappelijke inpassingsplan met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. er dient sprake te zijn van een zorgvuldig landschappelijk inpassingsplan met een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden als in het – in bijlage 5 ij deze regels opgenomen – oorspronkelijk landschappelijk inpassingsplan;
  2. het aangepaste landschappelijk inpassingsplan dient te zijn beoordeeld en goedgekeurd door de deskundige van de gemeente;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

Artikel 14 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  1. De aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan Best krijgen, zijn die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  2. Bij een aanvraag om omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs benodigd zijn voor de beoordeling van de vergunningaanvraag voorgelegd. Hierbij dient de aanvrager schriftelijk te motiveren waarom wordt voldaan aan de beoordelingsregels.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
    3. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

15.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 16 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Kapelweg 27 Best”.