Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zoals van toepassing op hoofdstuk 22c van dit omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
1. TAM-omgevingsplan
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Kapelweg 27 Best.
2. Omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Best.
3. AAB
Adviescommissie Agrarische bouwaanvragen.
4. Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden.
5. Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
6. Aan huis verbonden beroep
Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.
7. Aardkundige waarden en kenmerken
Waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van belang zijn.
8. Agrarisch bedrijf
Een onderneming met één of meerdere milieubelastende activiteiten die gericht is op het voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en / of het houden van landbouwhuisdieren, waarbij mest niet tot voortgebrachte agrarische producten wordt gerekend en niet zijnde een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf of bedrijf met overwegend gebruiksgerichte activiteiten als maneges of pensions.
9. Agrarische bodemexploitatie
Het telen van gewassen en/of het beweiden door landbouwhuisdieren.
10. Agrarisch technisch hulpbedrijf
Bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel met uitzondering van mestbewerking.
11. Agrarisch verwant bedrijf
Bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van landbouwhuisdieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.
12. Archeologische / cultuurhistorische waarde
De aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden.
13. Bebouwing
Eén of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
14. Bebouwingspercentage
Een op de geometrie dan wel in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
15. Bedrijfsgebouw
Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
16. Bedrijfswoning
Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.
17. Bestaand
- v bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip onherroepelijk verleende omgevingsvergunning.
- gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.
18. Bijbehorende voorzieningen
Voorzieningen, die een onderdeel vormen van en ondergeschikt zijn aan het hoofdgebruik van de functie.
19. Bijgebouw
Gebouw dat door zijn ligging, constructie en / of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
20. Bouwen
Voor bouwen geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.
21. Bouwperceel
Aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en bijbehorende voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.
22. Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
23. Bouwwerk
Voor een bouwwerk geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
24. Carport
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met maximaal één wand voor de stalling van motorvoertuigen.
25. Cultuurhistorische waarden en kenmerken
Waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
26. Dak
Iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
27. Detailhandel
Bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Activiteiten die vallen onder het begrip horeca worden niet aangemerkt als detailhandel.
28. Deskundige
Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen aangaande een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals een archeologisch deskundige, erfgoeddeskundige, landschapsdeskundige, milieudeskundige en natuurdeskundige.
29. Dierenverblijf
Gebouw, met inbegrip van de verharde uitloop, voor het houden van landbouwhuisdieren of een ander bouwwerk voor het houden van pelsdieren.
30. Ecologische waarden en kenmerken
Aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.
31. Erfbeplanting
Visueel afschermende, maskerende en / of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen, op de rand of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie.
32. Evenement
Het geheel van al dan niet incidentele dan wel al dan niet kortdurende, maar wel tijdelijke activiteiten, dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis, zoals een feest, kermis, optocht, braderie, wedstrijd of andere bijeenkomst tot ontspanning of vermaak, of een vertoning, voorstelling of herdenking, met uitzondering van:
- bioscoopvoorstellingen,
- markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en
- snuffelmarkten als bedoeld in de APV,
- kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen,
- het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen, betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties,
- activiteiten genoemd in het artikel straatartiest en speelgelegenheid als bedoeld in de APV.
33. Extensief recreatief medegebruik
Een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de functieomschrijvingen gegeven functies en gebruiksactiviteiten, zoals wandelen, fietsen en dergelijke.
34. Functie
Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en / of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
35. Gebouw
Voor een gebouw geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
36. Geluidgevoelige gebouwen (anders dan woningen)
Voor andere geluidgevoelige gebouwen dan woningen geldt de definitie als opgenomen in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
37. Geluidgevoelige ruimte
Voor een geluidgevoelige ruimte geldt de definitie als opgenomen in artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
38. Geurgevoelig gebouw
Voor een geurgevoelig gebouw geldt de definitie als opgenomen in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
39. Gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies
Functies waar sprake is van een langdurig (kunnen) verblijven van mensen. Bij wonen is ook de tuin onderdeel van de gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie. Voor gewasbeschermingsmiddelen geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
40. Glastuinbouwbedrijf
Agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.
41. Hobbymatig agrarisch gebruik
Niet-bedrijfsmatig agrarisch gebruik van gronden en / of agrarisch gebruik dat niet ten dienste is van een bedrijf. Onder hobbymatig agrarisch gebruik wordt in dit kader ook het gebruik van paardenbakken voor paardensportactiviteiten verstaan alsmede het gebruik van schuilhutten voor het stallen van dieren.
42. Hokdierhouderij
Veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij.
43. Hoofdfunctie
Een functie waarvoor het hoofdgebouw en / of gronden als zodanig mag worden gebruikt.
44. Hoofdgebouw
Voor een hoofdgebouw geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.
45. Huishouden
Een alleenstaande, of twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid.
46. Hydrologisch waardevol
Gronden met waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot een of meer van de volgende waarden en / of omstandigheden:
- aanwezige aardkundige waarden;
- aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden;
- aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden.
Daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en / of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild).
47. Kamerverhuur
Het verhuren van een onzelfstandige woonruimte.
48. Kampeermiddel
Tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.
49. Kas
Agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter.
50. Kleinschalige bedrijvigheid
Het verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden. Hieronder wordt mede begrepen consumentenverzorging.
51. Kleinschalige overnachting
Een kleinschalige overnachtings- en verblijfsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf en eventueel het serveren van ontbijt, waarvoor een vergoeding wordt betaald.
52. Landbouwhuisdier
Voor landbouwhuisdieren geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken.
53. Landschappelijke waarden en kenmerken
Gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.
54. Lawaaisporten
Een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingslawaai wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, (model)vliegsport. De jachtsport wordt hieronder niet verstaan.
55. LIR
Landschapsinvesteringsregeling (LIR) 2019 gemeente Best, en opvolgende beleidsregels, waarin, met betrekking tot de beoordeling van initiatieven, de verschillende vormen van bijdragen aan de kwaliteit van het landschap zijn voorgeschreven.
56. Loonwerkbedrijf
Een bedrijf, dat is gericht op het verlenen van diensten aan overwegend agrarische bedrijven en het verrichten van cultuurtechnische werkzaamheden, met behulp van werktuigen.
57. Manege
Een bedrijf dat op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf en de verzorging van paarden.
58. Mantelzorg
Voor mantelzorg geldt de definitie als opgenomen in de bijlage bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
59. Melkrundveehouderij
Onder melkveehouderij worden de volgende diercategorieën uit bijlage V van de Omgevingsregeling verstaan, met tussen haakjes de bijbehorende OW-code:
- melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder, inclusief kalveren jonger dan 14 dagen (HA1);
- vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, diercategorie fokstieren jonger dan 2 jaar (HA2);
- dieren die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak voor natuurbeheer.
60. Mestbewerking
De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest.
61. Natuurwaarden
Waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid / zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid.
62. Nevenactiviteiten
Activiteiten die in ruimtelijk functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt zijn aan de toegestane hoofdactiviteit / hoofdfunctie gelet op ruimtebeslag, omzet en tijdsbesteding.
63. Omschakeling
Geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm.
64. Overig agrarisch bedrijf
Agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, (vollegronds)teeltbedrijf of lastuinbouwbedrijf valt.
65. Overkapping
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak en niet meer dan één wand.
66. Pensionstalling
Een agrarisch verwant bedrijf, waarvan de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het ouden van paarden van derden of het berijden ervan. Hieronder wordt verstaan de verhuur an stalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van paarden. Onder pensionstallning wordt een manege verstaan.
67. Perceelsgrens
De grens van een bouwperceel.
68. Schuilhut
Een solitair gelegen klein bouwwerk dat dient voor de hobbymatige stallen van dieren en het bijbehorende dierenvoer
69. Seksinrichting
De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
70. Stalderingsgebied
Gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen. Het stalderingsgebied voor Best is als volgt begrensd:
71. Statische opslag
Opslag / binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, die niet brandgevaarlijk zijn, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke.
72. Straatpeil
- Voor een bouwwerken waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
- Voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
73. Streekgebonden producten
Producten, gemaakt met grondstoffen die als streekeigen worden beschouwd en/of volgens streektraditie geteelde producten, en/of producten die volgens een specifieke bereidingswijze of receptuur van een bepaalde regio wordt geproduceerd.
74. Teeltondersteunende voorziening
Ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een (vollegronds)teeltbedrijf, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt:
- teeltondersteunende kas: een teeltondersteunde voorziening in de vorm van een (permanente) kas;
hoge teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter: teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die vrij makkelijk verwijderbaar zijn, maar waarbij dat niet na elk teeltseizoen plaats vindt hieronder worden in ieder geval verstaan:
- teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen;
- ondersteunende (glas)kassen;
- plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen;
hoge teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter: teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) van het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd; hieronder worden in
ieder geval verstaan:
- menstoegankelijke wandelkappen;
- schaduwhallen voor het afharden van producten en ter bescherming van plantmateriaal tegen scherpe zon;
- hagelnetten en vraatnetten;
lage ondersteunende voorzieningen met een meer permanent karakter / containervelden: ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, voor zogenaamde containerteelt; hierbij kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
- containervelden als onomkeerbare voorziening, waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond veelal van niet-openbare / gesloten verhardingen, zoals beton;
- containervelden als omkeerbare voorzieningen, waarbij gebruik gemaakt wordt van anti-worteldoek met daartusse
- lage teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter: teeltondersteunende voorzieningen, met een hoogte van maximaal 1,5 meter, aanwezig gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd; hieronder worden in ieder geval verstaan:
- lage tunnels van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen insectengaas, afdekfolies, vlakveldfolies.
75. Toename van stikstofemissie
Er is sprake van een toename van stikstofemissie door het gebruik van gronden en bouwwerken wanneer de emissie van stikstof (N / kg / jaar) meer bedraagt dan de emissie van stikstof (N / kg / jaar) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van gronden en bouwwerken, voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Indien een gelijkblijvende of een afname van de stikstofemissie (N / kg / jaar) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken voorafgaand aan de vaststelling van het plan, een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie. Als uitzondering op de hiervoor genoemde bepalingen geldt het volgende:
er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van één van de volgende situaties:
- de emissie N / kg / jaar afkomstig van betreffende gronden en bouwwerken bedraagt maximaal de emissie (N / kg / jaar) afkomstig van de betreffende gronden en bouwwerken conform een ten tijde van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan verleende en onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 en / of artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming, en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, dan wel een verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 of met toepassing van de overeenkomstige regeling uit de Wet natuurbescherming dan wel onder toepassing van artikel 2.2aa Bor juncto artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo is verleend en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt;
- de toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied ten gevolge van een toename van stikstofemissie zoals bedoeld in lid a en lid b van deze bepaling, kleiner is dan 0,005 mol/ha/jaar. Wanneer in deze regels ‘emissie N / kg / jaar’ wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter ‘N’ bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
76. Veehouderij
Agrarisch bedrijf of tak, gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.
77. Verkoopvloeroppervlak (vvo)
De totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.
78. Vloeroppervlakte
De oppervlakte van de vloer van de begane grond.
79. (Vollegronds)teeltbedrijf
Agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.
80. Voorgevel
De gevel van de voorzijde van een gebouw.
81. Voorgevellijn
De lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
82. Volwaardig agrarisch bedrijf
Bedrijf met de omvang van ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen.
83. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen
Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voor voorzieningen, die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke.
84. Werk
Een werkzaamheid of constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.
85. Wet / wettelijke regeling
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan, tenzij anders bepaald.
86. Woning
Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor de huisvesting van één huishouden met daarbij niet bedrijfsmatige kamerverhuur van maximaal 2 personen, danwel voor de huisvesting van maximaal 4 personen, die geen gezamenlijk huishouden vormen maar wel gezamenlijk gebruikmaken van de voorzieningen als ware het één huishouden. In het laatste geval dient sprake te zijn van een gebruiksoppervlakte van minimaal 12 m² per persoon. Binnen een woning is sprake van één
zelfstandige wooneenheid, dat wil zeggen één eenheid waarin een zelfstandig huishouden kan worden gevoerd doordat die eenheid beschikt over de daartoe strekkende voorzieningen (sanitair, kookgelegenheid en dergelijke) en een eigen huisnummer.
87. Zorgvuldige veehouderij
Een veehouderij, die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving. Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij zoals opgenomen in de provinciale TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant of opvolger daarvan.