Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Kapelweg 22
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0753.TAMOPKapelweg22-VG01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan maakt het woningbouwplan op het perceel van de Kapelweg 22 mogelijk. Het TAM-omgevingsplan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Best.
 
Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Best. In de artikelkop van de weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22f.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22f.’ gelezen worden.
1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van vaststelling van dit TAM-omgevingsplan, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling. Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
  1. TAM-omgevingsplan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Kapelweg 22.
  2. omgevingsplan: Het omgevingsplan van de gemeente Best.
  3. aan- en uitbouw: Een aan een hoofdgebouw gebouwd bijgebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
  4. aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
  5. aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
  6. aan huis verbonden beroep: een vrij beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten, dat in of bij een woongebouw met daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij het woongebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, niet zijnde prostitutie.
  7. achtergevel: gevel aan de achterzijde van een gebouw, tegenover de voorgevel.
  8. achtergevellijn: de denkbeeldige lijn die strak langs de achtergevel van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.
  9. bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  10. bebouwingspercentage: een op de verbeelding dan wel in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel, hoofdgebouwvlak of functievlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
  11. bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
  12. bijgebouw: gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
  13. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
  14. bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
  15. bouwperceel: een aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en bijbehorende voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.
  16. (bouw)perceelsgrens: de grens van een bouwperceel.
  17. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
  18. carport: overkapping met maximaal 2 wanden voor de overdekte stalling van motorvoertuigen.
  19. dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
  20. detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen ter plaatse aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
  21. eerste bouwlaag: de bouwlaag op de begane grond.
  22. functie: Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
  23. functiegrens: de grens van een functievlak.
  24. functievlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
  25. gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
  26. hoofdgebouw: een gebouw, dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen gezien de functie als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken.
  27. hoofdgebouwvlak: een vlak met een nader in de regels te bepalen breedte en diepte, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde bouwwerken zijn toegelaten.
  28. hospitaverhuur: ondergeschikte kamerverhuur op niet professionele basis. De hoofdbewoner is de verhuurder van de kamer(s) en is woonachtig op het adres en is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.
  29. huishouden: Persoon of groep personen die een huishouding voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.
  30. kamerbewoning: Het gebruik van onzelfstandige woonruimtes van een woning dan wel een hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken door meer dan één huishouden.
  31. Kamerverhuur: Het verhuren van onzelfstandige woonruimte.
  32. kap: een dak of een gedeelte daarvan, dat bestaat uit hellende dakvlakken.
  33. kleinschalige bedrijvigheid: het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning met daarbij behorende gebouwen past en de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden. Hieronder mede begrepen consumentenverzorging en niet zijnde prostitutie of bedrijfsmatige seksuele dienstverlening.
  34. kleinschalige overnachting: een kleinschalige overnachtings- en verblijfsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf en eventueel het serveren van ontbijt, waarvoor een vergoeding wordt betaald.
  35. kunstwerk: civieltechnisch (bouw)werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen, en/ of leidingen en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf.
  36. landschappelijke waarden en kenmerken: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.
  37. lessenaarsdak: een eenzijdige kapconstructie waarbij het hoogste punt over de gehele of nagenoeg de gehele lengte in één gevel is gelegen.
  38. natuurwaarden: waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid.
  39. nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, apparatuur voor telecommunicatie, voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
  40. onzelfstandige woonruimte: woonruimte die geen eigen toegang heeft en niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
  41. overkapping: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met maximaal één wand.
  42. permanente bewoning: het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte op een wijze, die ingevolge de bepalingen van de Wet basisregistratie personen, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen; of indien betrokkene op meer dan één adres woont, het gebruik van het gebouw of ander onderkomen als verblijf waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten met dien verstande dat van permanente of tijdelijke bewoning voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse door betrokkene meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt.
  43. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
  44. seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
  45. straatpeil:
    1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
  46. twee-aaneen gebouwde woning: een woning die deel uitmaakt van een blok van maximaal twee woningen, waarvan het hoofdgebouw aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd.
  47. verbeelding: de analoge en digitale voorstelling van de in het omgevingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.
  48. verkamering: Het opdelen van een gebouw met een woonfunctie in twee of meer onzelfstandige woonruimten óf het opdelen van een gebouw met een woonfunctie in één zelfstandige en één of meer onzelfstandige woonruimten.
  49. voorgevel: gevel aan de voorzijde van een gebouw.
  50. voorgevellijn: de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel (naar openbare weg toe) van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.
  51. voorste perceelsgrens: de naar de weg gekeerde grens tussen twee percelen, die vóór de voorgevellijn de twee zijden van een perceel verbindt.
  52. vrijstaande woning: een woning, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd.
  53. werk: een werkzaamheid of constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.
  54. water en waterhuishoudkundige voorzieningen: al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten.
  55. wonen/woondoeleinden: Het huisvesten van een huishouden in een woning, woonhuis of wooneenheid.
  56. woning/wooneenheid/woonhuis: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
  57. woonruimte: Besloten ruimte die, al dan niet tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip.
  58. zelfstandige woonruimte: Woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.
  59. zijdelingse perceelsgrens: de grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen bedoeld in artikel 22.24 van het plan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het eerste lid tot en met het tiende lid.
  1. De dakhelling: Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  2. De goothoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan de bovenkant de goot, c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  3. De inhoud van een bouwwerk: Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  4. De (bouw)hoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  5. De oppervlakte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  6. De afstand tot de weg: De afstand tussen de bebouwing en de as van de weg;
  7. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse grens van het bouwperceel;
  8. De breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren;
  9. Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;
  10. Ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en/of functiegrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Best Hoofdstuk 22f, Kapelweg 22, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0753.TAMOPKapelweg22-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 4 Aanvraagvereisten
 
Aanvraagvereisten omgevingsvergunning a. De aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan Best krijgen, zijn die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen. b. Bij een aanvraag om omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs benodigd zijn voor de beoordeling van de vergunningaanvraag voorgelegd. Hierbij dient de aanvrager schriftelijk te motiveren waarom wordt voldaan aan de beoordelingsregels.
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Woongebied
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Woongebied’.
 
5.2 Functies en gebruik
In het voor 'Woongebied' aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. wonen in een woning met bijbehorende tuinen en erven;
  2. aan huis verbonden beroepen;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. speelvoorzieningen;
  7. wegen;
  8. voet- en fietspaden;
  9. kunstobjecten;
  10. nutsvoorzieningen;
  11. overige bij deze functies behorende voorzieningen.
 
5.3 Bouwen
In het voor 'Woongebied’ aangewezen gebied gelden, in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29, de volgende beoordelingsregels voor bouwactiviteiten.
 
5.3.1 Hoofdgebouwvlak
  1. Ieder bouwperceel heeft één hoofdgebouwvlak.
  2. Het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is aangeduid.
  3. De diepte van een hoofdgebouwvlak bedraagt:
    1. 15 m bij vrijstaande hoofdgebouwen;
    2. 12 m bij twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen.
  4. De breedte van een hoofdgebouwvlak bedraagt:
    1. 15 m bij vrijstaande hoofdgebouwen;
    2. 18 m bij twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen.
 
5.3.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend in een hoofdgebouwvlak worden gebouwd.
  2. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd.
  3. Per hoofdgebouwvlak is niet meer dan één woning met aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan.
  4. Hoofdgebouwen mogen vrijstaand en twee-aaneen worden gebouwd.
  5. Voor de voorgevellijn zijn uitsluitend een erker of portiek toegestaan met inachtneming van de volgende bepalingen:
    1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 6 m²;
    2. de afstand tot de aan de weg gelegen perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m;
    3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw;
    4. de afmetingen van een luifel boven de toegang van een woning mag ten hoogste 1,5 m x 1 m bedragen.
  6. De afstand van een hoofdgebouw tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
  7. De dakhelling van een hoofdgebouw mag niet minder bedragen dan 38 graden, met dien verstande dat een hoofdgebouw niet afgedekt mag worden met een lessenaarsdak.
  8. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan:
    1. 3 m vrijstaande hoofdgebouwen;
    2. 3 m bij twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen;
  9. Een hoofdgebouw mag niet uit meer dan 2 bouwlagen en een kap bestaan.
  10. De goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 m.
  11. De bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 12 m.
 
5.3.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen:
  1. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend op een afstand van:
    1. niet minder dan 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw, en;
    2. niet minder dan 6 m achter de voorste perceelsgrens.
  2. Het bebouwingspercentage van de gronden die zijn gelegen achter de achtergevellijn van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan mag niet meer bedragen dan 50%.
  3. De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het hoofdgebouwvlak zoals bedoeld in artikel 22f.5.4.1, en indien geen hoofdgebouwvlak is voorgeschreven geldt deze regeling voor het gebied achter de achtergevellijn, mag per bouwperceel niet meer bedragen dan:
    1. voor bouwpercelen kleiner dan 300 m²: 80 m²;
    2. voor bouwpercelen gelijk aan of groter dan 300 m²: de onder 1 genoemde oppervlakte vermeerderd met 10% van de overmaat, met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 250 m².
  4. De goothoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan 3 m.
  5. De bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer bedragen dan 5 m.
  6. De goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3,3 m.
  7. De bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5 m.
 
5.3.4 Zwembaden
Ten behoeve van de bouw van een openluchtzwembad mag het in artikel 22f.5.4.3 sub b genoemde bebouwingspercentage worden verhoogd tot maximaal 75%, met dien verstande dat de oppervlakte van het openluchtzwembad niet meer mag bedragen dan 100 m².
 
5.3.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. Voor carports en andere overkappingen gelden de volgende bepalingen:
    1. de carports en overkappingen mogen uitsluitend 1 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw worden gebouwd;
    2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,3 m;
    3. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 25 m²;
    4. voldaan moet worden aan de regeling in artikel 22f.5.4.3 sub b.
  2. De bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 5 m.
  3. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevels c.q. het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 1 m.
  4. De bouwhoogte van vlaggenmasten en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 m.
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
5.3.6 Specifieke bouwregels
In afwijking van de bouwregels in artikel 22f.5.4.2, 22f.5.4.3, 22f.5.4.4 en 22f.5.4.5 gelden de volgende bepalingen:
  1. ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ is geen zelfstandig hoofdgebouwvlak toegestaan, maar zijn de gronden onderdeel van het bouwperceel van de aangrenzende gronden binnen het uitwerkingsplan “Aarlesche Erven Fase IV” en zijn de regels in artikel 3 van het uitwerkingsplan “Aarlesche Erven Fase IV” van toepassing;
  2. de gronden ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding - 2’ zijn onderdeel van het bouwperceel behorende bij het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden als bedoeld in het uitwerkingsplan “Aarlesche Erven Fase IV”, waarbij deze gronden uitsluitend zijn bedoeld voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en de regels in artikel 3 van het uitwerkingsplan “Aarlesche Erven Fase IV” van toepassing zijn.
 
5.4 Afwijken van de beoordelingsregels voor het bouwen
 
5.4.1 Algemeen
In afwijking van het bepaalde in artikel 22f.5.4.2, onder i, sub 3 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het verkleinen van de afstand van de eindwoningen tot de zijdelingse perceelsgrenzen tot 1 m, mits dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is en wordt aangetoond dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd.
 
5.5 Gebruiksregels
 
5.5.1 Strijdig gebruik
  1. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
    1. detailhandel;
    2. kleinschalige bedrijvigheid;
    3. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning;
    4. het gebruik van een woning en/of bijbehorend bijgebouw voor kleinschalige overnachting.
    5. het gebruik of laten gebruiken van een woning voor de huisvesting van meer dan één huishouden;
    6. het gebruik of laten gebruiken van de woning voor kamerverhuur.
  2. In afwijking van het bepaalde onder a is toegestaan: het gebruik van de woning voor hospitaverhuur, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. de hoofdbewoner blijft beschikken over tenminste 50% van het gebruiksoppervlak van de woning;
    2. maximaal twee personen mogen inwonen;
    3. elke inwoner beschikt over onzelfstandige woonruimte met een minimale gebruiksoppervlakte van 12 m2.
 
5.5.2 Beroep aan huis
Per woning is één beroep aan huis toegestaan onder de voorwaarden dat:
  1. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte tot een maximum van 80 m²;
  2. geen sprake is van detailhandel;
  3. geen sprake is van kleinschalige bedrijvigheid;
  4. parkeren op eigen terrein plaatsvindt, met dien verstande dat wanneer dit niet mogelijk is, aangetoond wordt dat er geen sprake is van een onevenredige toename van de parkeerdruk op de omgeving;
  5. de activiteit door ten hoogste twee personen wordt uitgeoefend, waarvan minstens een persoon de bewoner is van de woning; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal een persoon, die tevens bewoner is van de woning is, mag worden uitgeoefend; en
  6. het uitoefenen van een beroep aan huis dat gepaard gaat met onevenredige hinder is niet toegestaan.
 
5.6 Vergunningplicht voor activiteiten
 
5.6.1 Meergeneratiewoning
In afwijking van het bepaalde in artikel 22f.5.6 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een deel van de woning of bijbehorende bouwwerken bij een woning of een tijdelijke woonunit voor een tweede huishouden, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in een familierelatie In de 1e lijn;
  2. het is alleen toegestaan indien een van de bewoners 60 jaar of ouder is;
  3. het dient te passen binnen de bouwregels van dit hoofdstuk dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  4. er mag maximaal 100 m² door het tweede huishouden in gebruik worden genomen;
  5. er blijft planologisch-juridisch sprake van één woning;
  6. zodra één van de generaties niet meer verblijft in het pand/op het perceel, dient de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit voor het 2e huishouden te worden verwijderd;
  7. er mag geen kadastrale splitsing plaatsvinden;
  8. aan het gebruik in relatie tot het wonen kan nimmer het recht worden ontleend voor een planologisch-juridisch gebruik als twee (zelfstandige) woningen;
  9. aan het gebruik kan nimmer het recht worden ontleend op woningsplitsing;
  10. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat c.q. de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit die bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van deze mantelzorgbehoefte;
  11. indien het tweede huishouden in een ander gebouw verblijft dan de woning, dan gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
    1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen; waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    2. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  12. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
  13. indien gebruik wordt gemaakt van een tijdelijke woonunit (onder e) is juridisch en financieel geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.
 
5.6.2 Kleinschalige bedrijvigheid
In afwijking van het bepaalde in artikel 22f.5.6.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning
voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid, met inachtneming van de volgende bepalingen:
  1. de bedrijvigheid mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voor zover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden,
  2. de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  3. er vindt geen detailhandel plaats;
  4. het gebruik leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woonklimaat;
  5. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in bijlage 1, alsmede inpandige statische opslag;
  6. er vindt geen buitenopslag plaats;
  7. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 80 m²;
  8. er worden geen reclame-uitingen geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  9. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Basisregistratie Personen) van het pand.
 
5.6.3 Kleinschalige overnachting
In afwijking van het bepaalde in artikel 22f.5.6.1 verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige overnachting, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de voorziening wordt gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voor zover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
  2. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
  3. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
  4. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  5. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting wordt gebruikt, bedraagt maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 80 m². Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  6. de voorziening vormt geen belemmering voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  7. ter plaatse is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  8. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan;
  9. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het Basisregistratie Personen. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn.
 
5.6.4 Volledige verkamering
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van artikel 3.2.1 sub a voor volledige verkamering van een woning, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de onzelfstandige woonruimte gevestigd wordt binnen een bestaande woning;
  2. het totaal aantal onzelfstandige woonruimtes en bewoners niet meer dan vier per woning is;
  3. een onzelfstandige woonruimte een minimale gebruiksoppervlakte van 12 m² heeft;
  4. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet
  5. onevenredig worden geschaad. Deze belangen worden aantoonbaar meegenomen in de aanvraag;
  6. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en motoren.
 
3 Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
 
7.1 Gebruik van gronden of bouwwerken
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en/of gebruiksactiviteiten.
 
7.2 Parkeren
 
7.2.1 Parkeernormen
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw, staat vast dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de Nota Parkeernormen, wordt gerealiseerd.
 
7.2.2 Afwijken parkeernormen
Burgemeester en wethouders kunnen één of meer bepalingen van deze nota buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing - gelet op het belang waarvoor deze nota tot stand is gebracht - leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Een en ander dient in een collegebesluit vastgelegd te zijn.
 
7.2.3 Wijzigen parkeernormen
Als de in artikel 22f.7.3.1 bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
 
Artikel 8 Algemene aanduidingsregels
 
8.1 overige zone – proefsleuven
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - proefsleuven' is het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van grondwerkzaamheden uitsluitend toegestaan nadat een archeologisch proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden zoals beschreven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen en in dat proefsleuvenonderzoek de archeologische waarden van de aangeduide gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Onder het uitvoeren van grondwerkzaamheden worden de volgende werkzaamheden verstaan:
  1. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
  3. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  4. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  6. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
8.2 overige zone – ecologie
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – ecologie’ mogen er geen activiteiten worden uitgevoerd, waaronder het verwijderen van beplanting, het slopen van bestaande panden of het bouwen van nieuwe bouwwerken, voordat via een ecologisch onderzoek is aangetoond dat deze werkzaamheden geen nadelige effecten opleveren voor beschermde plant- of diersoorten, dan wel mitigerende maatregelen worden genomen.
 
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
 
9.1 Afwijken
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor afwijken van:
  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de functiebepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  3. de functiebepalingen en toestaan dat bebouwingsgrenzen tot maximaal 0,5 m worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geef;
  4. de functiebepalingen en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² zal bedragen;
    2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m zal bedragen;
  5. de functiebepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
    2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
  6. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
    1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende bouwvlak of hoofdgebouwvlak zal bedragen;
    2. de vergroting van de bouwhoogte niet meer dan 10% van de bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.
  7. de functiebepalingen en toestaan dat zend-, ontvang en/of sirenemasten worden gebouwd tot een bouwhoogte van maximaal 40 m, mits:
    1. er geen onevenredige aantasting optreedt van de ter plaatse aanwezige natuur- en/of landschapswaarden;
    2. het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast.

9.2 Algemene voorwaarden
De in artikel 22f.9.1 genoemde afwijkingen kunnen uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de woonsituatie;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. de sociale veiligheid;
  5. de milieusituatie;
  6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
 
4 Overgangsregels
Artikel 10 Overgangsrecht
 
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een legaal bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. a gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. b na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een legaal bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
10.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.