Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Aarleseweg 42-42a te Best
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0753.TAMOPAarlseweg4242-VG01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Aarleseweg 42-42a en is als nieuw hoofdstuk 22b opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Best. Dit hoofdstuk wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Best. In de lijst ‘regie coördinatie omgevingsplan is dit omgevingsplan toegevoegd als hoofdstuk 22b. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van vaststelling van dit TAM-omgevingsplan, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22b van dit omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 TAM-omgevingsplan
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Aarleseweg 42-42a te Best;
 
1.2 omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Best;
 
1.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
1.4 aan huis verbonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, vastgesteld-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
 
1.5 aardkundige waarden en kenmerken
waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van belang zijn.
 
1.7 afhankelijke woonruimte (mantelzorg)
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met en behoort bij de woning en waarin
een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest.
 
1.8 agrarisch bedrijf
een onderneming met een of meerdere milieubelastende activiteiten die gericht is op het voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en/of het houden van landbouwhuisdieren, waarbij mest niet tot voortgebrachte agrarische producten wordt gerekend en niet zijnde een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf of bedrijf met overwegend gebruiksgerichte activiteiten als maneges of pensions.
 
1.9 archeologische/cultuurhistorische waarde
de aan een gebied toegekende waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
 
1.10 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
1.11 bebouwingspercentage
een in de geometrie dan wel in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel, bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
 
1.12 bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
 
1.13 bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.
 
1.14 bestaand
  1. v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Best 2021, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip onherroepelijk verleende omgevingsvergunning;
  2. v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied Best 2021.
 
1.15 bijbehorende voorzieningen
voorzieningen, die een onderdeel vormen van en ondergeschikt zijn aan het legaal hoofdgebruik van de grond en opstallen.
 
1.16 bijgebouw
gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 
1.17 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
 
1.18 bouwperceel
aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en bijbehorende
voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegestaan;
 
1.19 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
1.20 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.21 carport
een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak en met maximaal 1 wand voor de stalling van motorvoertuigen.
 
1.22 dak
iedere boven beëindiging van een gebouw.
 
1.23 detailhandel
bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Activiteiten die vallen onder het begrip horeca worden niet aangemerkt als detailhandel.
 
1.24 deskundige
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen aangaande een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening, zoals een archeologisch deskundige, erfgoeddeskundige, landschapsdeskundige, milieudeskundige en natuurdeskundige.
 
1.25 dierenverblijf
gebouw, met inbegrip van de verharde uitloop, voor het houden van landbouwhuisdieren of een ander bouwwerk voor het houden van pelsdieren.
 
1.26 ecologische waarden en kenmerken
aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.
 
1.27 extensief recreatief medegebruik
niet-bedrijfsmatig recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat een specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving.
 
1.28 gebouw
bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekt geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.29 hoofdgebouw
een gebouw, dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen gezien de functie als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken.
 
1.30 horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.
Tot de hieronder genoemde categorieën Horeca 1 tot en met Horeca 5 worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten:
 
1. horeca 1 (winkelgebonden daghoreca)
vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waarbij de activiteiten primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of licht-alcoholische en niet-alcoholische dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse en waarvan de exploitatie doorgaans geen of slechts in lichte mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals broodjeszaken, ijssalons, eethuisjes en lunchrooms;
 
2. horeca 2 (maaltijd- en logiesverstrekkers)
vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, zoals restaurants, bistro's, grand cafés, hotels en pensions;
 
3. horeca 3 (spijsverstrekkers)
vormen van horeca-activiteiten die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren voor nuttiging al dan niet ter plaatse alsmede daaraan ondergeschikt het verstrekken van licht-alcoholische en niet-alcoholische dranken en waarvan de exploitatie doorgaans in enige mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals cafetaria's, automatieken en afhaalhoreca;
 
4. horeca 4 (drankverstrekkers)
vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken voor gebruik ter plaatse van alcoholische en niet alcoholische dranken en waarvan de exploitatie doorgaans een lichte aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals cafés en bars;
 
5. horeca 5 (zware horeca)
vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig gelegenheid bieden van dansen op elektrisch versterkte muziek alsmede op het ter plaatse nuttigen van alcoholische en niet-alcoholische dranken en etenswaren, en waarvan de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals discotheken en nachtclubs.
 
1.31 huishouden
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.
 
1.32 hydrologische betekenis
gronden met een betekenis binnen het watersysteem van het plangebied als infiltratiegebied, intermediair gebied en/of kwelgebied.
 
1.33 hydrologisch waardevol
gronden met waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot een of meer van de volgende waarden en/of omstandigheden:
  • aanwezige aardkundige waarden;
  • aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden;
  • aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden;
Daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild).
 
1.34 kamerverhuur
het verhuren van onzelfstandige woonruimte.
 
1.35 kampeermiddel
tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.
 
1.36 kampeerterrein
terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en bedrijfsmatig geëxploiteerd, dat is bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen.
 
1.37 kap
Een dak of een gedeelte daarvan, dat bestaat uit hellende dakvlakken.
 
1.38 kleinschalige bedrijvigheid
het verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden. Hieronder wordt mede begrepen consumentenverzorging.
 
1.39 kleinschalige overnachting
een kleinschalige overnachtings- en verblijfsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf en eventueel het serveren van ontbijt, waarvoor een vergoeding wordt betaald.
 
1.40 landschappelijke waarden en kenmerken
gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.
 
1.41 Natuur Netwerk Brabant (NNB)
samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden.
 
1.42 natuurwaarden
waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid.
 
1.43 nevenactiviteiten
activiteiten die in ruimtelijk functioneel en inkomen wervend opzicht duidelijk ondergeschikt zijn aan de toegestane hoofdactiviteit/hoofdfunctie.
 
1.44 nutsvoorziening
Voorziening ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
 
1.45 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met maximaal één wand.
 
1.46 perceelsgrens
de grens van een bouwperceel.
 
1.47 permanente bewoning
het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte op een wijze, die ingevolge de bepalingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen; of indien betrokkene op meer dan één adres woont, het gebruik van het gebouw of ander onderkomen als verblijf waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten met dien verstande dat van permanente of tijdelijke bewoning voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse door betrokkene meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt.
 
1.48 seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
1.49 statische opslag
(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, die niet brandgevaarlijk zijn, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke.
 
1.50 straatpeil
  1. voor een "bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
 
1.51 toename van stikstofemissie
  1. Er is sprake van een toename van stikstofemissie door het gebruik van gronden en bouwwerken wanneer de emissie van stikstof (N/kg/jaar*) meer bedraagt dan de emissie van stikstof (N/kg/jaar*) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van gronden en bouwwerken, voorafgaand aan de vaststelling van het plan.
  2. Indien een gelijkblijvende of een afname van de stikstofemissie (N/kg/jaar*) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken voorafgaand aan de vaststelling van het plan, een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie;
  3. Als uitzondering op lid a en lid b van deze bepaling geldt het volgende:
er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van één van de volgende situaties:
  1. de emissie N/kg/jaar afkomstig van betreffende gronden en bouwwerken bedraagt maximaal de emissie( N/kg/jaar*) afkomstig van de betreffende gronden en bouwwerken conform de ten tijde geldende stikstofwetgeving.
  2. de toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied ten gevolge van een toename van stikstofemissie zoals bedoeld in lid a en lid b van deze bepaling, kleiner is dan 0,005 mol/ha/jaar.
* wanneer in deze regels 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
 
1.52 verblijfsrecreatie
het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen.
 
1.53 vloeroppervlakte
de oppervlakte van de vloer van de begane grond.
 
1.54 voorgevel
de gevel van de voorzijde van een gebouw.
 
1.55 voorgevellijn
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
 
1.56 water en waterhuishoudkundige voorzieningen
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voor voorzieningen, die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke.
 
1.57 werk
een werkzaamheid of constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.
 
1.58 woning
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor de huisvesting van één huishouden met daarbij niet bedrijfsmatige kamerverhuur van maximaal 2 personen.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1. De dakhelling:
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2.2. De goothoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan de bovenkant de goot, c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
2.3. De inhoud van een bouwwerk:
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.4. De (bouw)hoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.5. De oppervlakte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2.6. De oppervlakte van zonnepanelen:
De oppervlakte van geplaatste of geïnstalleerde zonnepanelen is de netto oppervlakte loodrecht gemeten vanuit de lucht.
 
2.7. De afstand tot de weg:
De afstand tussen de bebouwing en de as van de weg.
 
2.8. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse grens van het bouwperceel.
 
2.9. De breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren.
 
2.10. Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
2.11. Ondergeschikte bouwdelen:
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en/of functiegrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in sub c.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Aarleseweg 42-42a te Best, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0753.TAMOPAarlseweg4242a-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
2 Regels voor functies en activiteiten
 
Artikel 4 Groen
 
4.1 Functie en gebruik
In het voor ‘Groen’ aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van groenvoorzieningen;
  2. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van landschapselementen;
  3. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en kenmerken;
  4. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische betekenis van het gebied;
  5. aanleg en behoud van (onverharde paden), ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onverharde wegen',
  6. aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  8. extensief recreatief medegebruik.
 
4.2 Bouwregels
In het voor ‘Groen’ aangewezen gebied gelden de volgende regels voor bouwactiviteiten:
 
4.2.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
 
4.3 Vergunningplicht voor bouwactiviteiten
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. het bouwen dient ten dienste van de in artikel 4.1 toegelaten functies en gebruiksactiviteiten te staan;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting van de natuurwaarden en/of ecologische waarden van de gronden plaats;
  4. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2.
 
4.4 Werken en werkzaamheden
4.4.1 Aanwijzing vergunningplicht werken en werkzaamheden
In het voor ‘Groen’ aangewezen gebied is het verboden op of in de gronden zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het verwijderen van houtopstanden;
  2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m².
 
4.4.2 Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in 4.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en beheer betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. legaal zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
 
4.4.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam-
heden wordt slechts verleend indien en voor zover is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en de ontwikkel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden en kenmerken van de gronden.
 
4.4.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing, gebruik
Voor het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de voor 'Groen' aangewezen gronden, geldt de voorwaardelijke verplichting dat, uiterlijk 1 jaar na gereed melding of de in gebruik neming van de woning, het gebruik alleen is toegestaan als op eigen terrein, de landschappelijke inpassing is uitgevoerd, duurzaam beheerd en in stand wordt gelaten, conform het 'Landschappelijk inpassingsplan Aarleseweg 42-42a Best' zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij deze regels.
 
4.4.5 Voorwaardelijke verplichting proefsleuven onderzoek
Ter plaatse van de voor 'Groen' aangewezen gronden is het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van grondwerkzaamheden uitsluitend toegestaan nadat een archeologisch proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden conform het door het bevoegd gezag goedgekeurde programma van Eisen zoals opgenomen in Bijlage 4 bij deze regels en in dat proefsleuvenonderzoek de archeologische waarden van de aangeduide gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Onder het uitvoeren van grondwerkzaamheden worden de volgende werkzaamheden verstaan:
  1. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
  3. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  4. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  6. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  8. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
Artikel 5 Wonen
 
5.1 Functies en gebruik
5.1.1 In het voor ‘Wonen’ aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. wonen in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen;
  2. nevenactiviteiten als opgenomen in de Tabel nevenactiviteiten;
  3. aan huis verbonden beroepen;
  4. aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels;
  5. bijgebouwen zijn enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’.
één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen); water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
 
5.1.2 Nadere detaillering van de functieomschrijving
a. Aantal woningen
Voor woningen gelden de volgende bepalingen:
  1. het bestaand aantal woningen mag niet toenemen, met uitzondering van:
    • Nieuwbouw voor maximaal 1 woning toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – maatwerk omgevingskwaliteit’.
 
b. Tabel nevenactiviteiten
Ter plaatse van de onderstaande aanduidingen, zijn de met de aanduiding beschreven nevenactiviteiten toegestaan:
 
Adres
  
Aanduiding
  
Maximale oppervlakte bebouwing in m²
  
Max. goothoogte gebouwen (m)
  
Max. bouwhoogte gebouwen (m)
  
Aarleseweg 42a  
Specifieke vorm van
recreatie – recreatiewoning

90  
bestaand  
bestaand  
 
5.2 Bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
 
5.2.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. vervangende nieuwbouw van een woning en nieuwbouw ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – maatwerk omgevingskwaliteit’ mag uitsluitend plaatsvinden ter plaatse van de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken. Waarbij het bepaalde in artikel 4.1.2. ten aanzien van het aantal toegestane woningen in acht genomen moet worden. De bestaande bouwwijze dient te worden gehandhaafd;
  2. de inhoud mag niet meer bedragen dan 1.000 m3, met dien verstande dat:
    1. indien de bestaande inhoud reeds meer dan 1.000 m3 bedraagt, geldt deze bestaande inhoud als de maximum toegestane inhoud;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
  5. bij nieuwbouw bedraagt de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 7 meter;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'maximum dakhelling (graden), minimum dakhelling (graden)' geldt de aangeduide minimale en maximale dakhelling.
  7. de gootrichting dient parallel te lopen met de straat waaraan de woning georiënteerd is.
 
5.2.2 Bijbehorende bouwwerken bij de woning
Voor het bouwen van aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen gelden per woning de volgende bepalingen:
  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen zowel worden gebouwd binnen een bouwvlak tenminste 2 meter achter de voorgevel van de woning als ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’;
  2. bestaande legaal aanwezige bijgebouwen buiten de aanduiding ‘bijgebouwen’ mogen behouden blijven;
  3. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m², met dien verstande dat:
    1. indien de bestaande gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen reeds meer bedraagt dan 100 m2, geldt deze bestaande oppervlakte als maximum toegestaan;
    2. het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan 50% van het gebied waar bijgebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van sub a;
  4. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 1 meter van de erfbeplanting ten behoeve van het landschappelijke inpassingsplan zoals beschreven in Bijlage 1 te worden gebouwd;
  5. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, indien de bestaande goothoogte hoger is, dan geldt de bestaande hoogte als maximum;
  6. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m, indien de bestaande goothoogte hoger is, dan geldt de bestaande hoogte als maximum;
 
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw (woning);
  2. voor carports en overkappingen, behorende bij de woning, geldt het volgende:
    1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw (woning) te worden gesitueerd
    2. de hoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    3. de totale oppervlakte per woning, mag niet meer bedragen dan 50 m2, met dien verstande dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen inclusief overkappingen/carporten in totaal maximaal 150 m2 mag bedragen.
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  4. voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
 
5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik of het (laten) gebruiken van de gronden en bouwwerken voor:
  1. seksinrichtingen;
  2. de verkoop van softdrugs;
  3. detailhandel;
  4. buitenopslag;
  5. het gebruik van bijgebouwen of bedrijfsgebouwen als zelfstandige woning;
  6. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt, tevens mag hierbij geen gebruik gemaakt worden van intern salderen;
  7. het gebruik van gebouwen voor kleinschalige overnachting, behalve kleinschalige overnachtingen die binnen een functie expliciet zijn toegestaan, dan wel de bestaande kleinschalige overnachtingen;
  8. kleinschalig kamperen; anders dan kleinschalig kamperen dat binnen een functie expliciet is toegestaan dan wel anders dan de bestaande kleinschalige kampeerplaatsen;
  9. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  10. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond.
 
5.3.2 Aan huis verbonden beroep
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:
  1. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  2. uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
  3. detailhandel is niet toegestaan;
  4. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
 
5.3.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing, gebruik
Voor het gebruik van gronden, gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden, geldt de voorwaardelijke verplichting dat, uiterlijk 1 jaar na gereed melding of de in gebruik neming van de woning, het gebruik alleen is toegestaan als op eigen terrein, de landschappelijke inpassing is uitgevoerd, duurzaam beheerd en in stand wordt gelaten, conform het 'Landschappelijk inpassingsplan Aarleseweg 42-42a Best' zoals opgenomen in Bijlage 1 behorende bij deze regels.
 
5.3.4 Voorwaardelijke verplichting infiltratie
Een omgevingsvergunning voor de aanleg van nieuw verhard oppervlak, vervanging van bestaand verhard oppervlak of het toevoegen van bebouwing wordt verleend als:
  1. voorzien wordt in regenwaterberging, welke regenwater vertraagd infiltreert en werkend aanwezig is.
  2. de waterberging als bedoeld in sub a een bergingsopgave heeft van ten minste 70 liter per vierkante meter verhard oppervlak en bebouwingsoppervlak.
 
5.3.5 Voorwaardelijke verplichting parkeren
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de bebouwing en gronden is alleen toegestaan indien er op eigen perceel voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Parkeren is enkel toegestaan op verharding zoals aangeduid op de landschappelijke inpassing Aarleseweg 42-42a Best zoals opgenomen in Bijlage 1. Voor het aantal parkeerplaatsen dient voldaan te worden aan de Nota parkeernormen 2022 of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
 
5.3.6 Voorwaardelijke verplichting proefsleuvenonderzoek
Ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden is het bouwen van bouwwerken en het uitvoeren van grondwerkzaamheden uitsluitend toegestaan nadat een archeologisch proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden conform het door het bevoegd gezag goedgekeurde programma van Eisen zoals opgenomen in Bijlage 4 bij deze regels en in dat proefsleuvenonderzoek de archeologische waarden van de aangeduide gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Onder het uitvoeren van grondwerkzaamheden worden de volgende werkzaamheden verstaan:
  1. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m;
  3. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben;
  4. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
  6. het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  8. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
 
5.3.6 Voorwaardelijke verplichting bodem
Voor het gebruiken en of laten gebruiken van gronden en opstallen en voor het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden, geldt de voorwaardelijke verplichting dat dit gebruik en/of deze bouwactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan als:
  1. uit een door het bevoegd gezag goedgekeurd bodemonderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, of:
  2. de bodem geschikt is gemaakt door het uitvoeren van een bodemsanering waarbij het saneringsplan door het bevoegd gezag is goedgekeurd.
 
5.4 Vergunningplicht voor activiteiten
5.4.1 Kleinschalige bedrijvigheid
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  2. er vindt geen detailhandel plaats;
  3. het gebruik leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woonklimaat;
  4. er geen milieubelastende activiteiten plaatsvinden;
  5. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in Bijlage 3 (niet limitatieve lijst), alsmede inpandige statische opslag;
  6. er vindt geen buitenopslag plaats;
  7. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  8. er worden geen reclame-uitingen geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  9. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
 
5.4.2 Meergeneratiewoning
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het kunnen gebruiken van een deel van de woning of bijbehorende bouwwerken bij een woning of een tijdelijke woonunit voor een tweede
huishouden, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in een familierelatie in de 1e lijn;
  2. het is alleen toegestaan indien een van de bewoners 60 jaar of ouder is;
  3. het dient te passen binnen de bouwregels van dit omgevingsplan dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  4. er mag maximaal 100 m2 door het tweede huishouden in gebruik worden genomen;
  5. in afwijking van het bepaalde onder c kan binnen het bouwvlak een tijdelijke woonunit van maximaal 100 m2 worden toegestaan op een maximale afstand van 25 meter tot de bedrijfswoning;
  6. er blijft planologisch-juridisch sprake van één woning;
  7. zodra één van de generaties niet meer verblijft in het pand/op het perceel, dient de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit voor het 2e huishouden te worden verwijderd;
  8. er mag geen kadastrale splitsing plaatsvinden;
  9. aan het gebruik in relatie tot het meergeneratiewonen kan nimmer het recht worden ontleend voor een planologisch-juridisch gebruik als twee (zelfstandige) (bedrijfs)woningen;
  10. aan het gebruik kan nimmer het recht worden ontleend op woningsplitsing;
  11. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat c.q. de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit die bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van deze mantelzorgbehoefte;
  12. indien het tweede huishouden in een ander gebouw verblijft dan de bedrijfswoning, dan gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
  13. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen; waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  14. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  15. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
  16. indien gebruik wordt gemaakt van een tijdelijke woonunit (onder e) is juridisch en financieel geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.
 
Artikel 6 Waarde – Archeologie 3
 
6.1 Functies en gebruik
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
 
6.2 Bouwen
Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 3' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende functie(s), indien en voor zover het een bouwplan betreft:
  1. met een oppervlakte van maximaal 250 m2, of;
  2. met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  3. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 1,0 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
 
6.3 Vergunning in verband met de archeologische waarde
  1. binnen de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden is het verbonden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken op te richten ten behoeve van de op deze gronden voorkomende functie(s), tenzij de bouwactiviteit op grond van lid 6.2 is toegestaan;
  2. de omgevingsvergunning wordt verleend, als is gebleken dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  3. bij de beoordeling van sub b ten behoeve van de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a wordt een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, overlegd. Dit rapport is niet vereist als:
    1. op basis van andere informatie naar oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of
    2. op basis van andere informatie naar oordeel van bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt;
  4. aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) archeologische resten in de bodem worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties;
    4. over de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatste behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn;
 
De vergunningvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
6.4 Werken en werkzaamheden
6.4.1 Aanwijzing vergunningplicht werken en werkzaamheden
Het is verboden in de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  8. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;
 
indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 250 m2.
 
6.4.2 Uitzonderingen
Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. legaal zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan;
  3. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
 
6.4.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat:
  1. de in lid 6.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  2. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  3. voor zover de in lid 6.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden, of;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 6.4.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorschriften dienen te worden gesteld.
 
6.5 Vergunningplicht voor het slopen van een bouwwerk
6.5.1 Verbod
Het is verboden binnen de ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte
groter is dan 250 m2 en de diepte meer dan 0,3 m bedraagt.
 
6.5.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat:
  1. de sloop geen onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft; en
  2. de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
 
3 Algemene regels ten aanzien van activiteiten
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
 
8.1 Gebruik van gronden of bouwwerken
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en/of gebruiksactiviteiten.
 
8.2 Ondergronds bouwen
Voor ondergronds bouwen (bouwen beneden straatpeil) gelden de volgende bepalingen:
  1. de bebouwing moet worden opgericht onder een (bedrijfs)woning en/of andere bij de (bedrijfs)woning behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie, met dien verstande dat deze aan één zijde maximaal 2 m buiten het bovengrondse gevelvlak mag uitsteken;
  2. de inhoud van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan de inhoud van het gebouw waaronder de ondergrondse bebouwing wordt gebouwd;
  3. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4m.
 
Artikel 9 Algemene vergunningplichtige bouwactiviteiten
 
9.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
Burgemeester en wethouders verlenen, voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen, een omgevingsvergunning voor:
  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de bepalingen in dit TAM-omgevingsplan en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven.
  3. de bepalingen in dit TAM-omgevingsplan en toestaan dat bebouwingsgrenzen tot maximaal 0,5 m worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  4. de bepalingen in dit hoofdstuk en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² zal bedragen;
    2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m zal bedragen;
  5. de bepalingen in dit hoofdstuk ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
    2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
  6. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
    1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;
    2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.
 
Artikel 10 Vergunningplicht voor afwijken van de functieregels
 
10.1 Algemeen
Het bevoegd gezag verleend een omgevingsvergunning voor het afwijken van de functieregels als:
  1. van de regels en toestaan dat de bestemmingsgrenzen of het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij geldt dat de natuurlijke, landschappelijke, hydrologische en archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
  2. van de regels voor de bouw van dierenverblijven binnen de bestemming 'Wonen' waarbij de volgende voorwaarden gelden:
    1. Per bouwperceel mag slechts één dierenverblijf worden gebouwd c.q. aanwezig zijn.
    2. Er mogen uitsluitend vrijstaande dierenverblijven worden gebouwd als schuilgelegenheid of nachtverblijf voor het houden van vee met een hobbymatig c.q. geen bedrijfsmatig karakter.
    3. De oppervlakte van het dierenverblijf mag maximaal 20 m² bedragen en de bouwhoogte maximaal 3 m.
    4. Het moet een constructie betreffen die minimaal aan één zijde (half)open is.
    5. De afstand tot de as van de weg mag niet minder bedragen dan 15 m.
    6. De afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m.
  3. van de regels ten behoeve van een overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat:
    1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;
    2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,50 maal de maximaal toegestane (nok)hoogte van het betreffende gebouw, met dien verstande dat de maximale hoogte van schoorstenen 15 meter bedraagt.
  4. van de regels ten behoeve van het plaatsen dan wel installeren van zonnepanelen:
    1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m2 ;
    2. de bouwhoogte maximaal 1,5 m mag bedragen;
    3. aangetoond is dat het ondoelmatig is om de zonnepanelen op het deel van het erf te realiseren waar zonnepanelen (hetzij op het dakvlak, hetzij via een grondopstelling) rechtstreeks zijn toegestaan;
    4. de omvang van de grondopstelling c.q. installatie niet groter is dan noodzakelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte;
    5. de grondopstelling en de situering van de bebouwing compact en geconcentreerd is vormgegeven op het achtererfgebied. Indien is aangetoond dat plaatsing op dit achtererfgebied ook ondoelmatig is, kan de gondopstelling aansluitend aan de achterste grens van het achtererfgebied geplaatst worden;
    6. er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken;
    7. er geen bomen moeten worden gekapt ten behoeve van het (beter) functioneren van de zonnepanelen;
    8. de archeologische, aardkundige, landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    9. aangetoond moet worden dat er geen onaanvaardbare hinder door schittering ontstaat, zodat afgewogen kan worden of de grondopstelling aanvaardbaar is voor de omgeving;
    10. de grondopstelling niet gebruikt wordt voor opslagdoeleinden.
  5. de afwijking als bedoeld onder a t/m f is niet toegestaan indien en voor zover de afwijking strijdig is met de provinciale Omgevingsverordening daarvan.
 
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
 
11.1 Vrijwaringszone – radar
Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een hogere bebouwing dan 90 m boven NAP, in verband
met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen.
Artikel 12 Overige regels
 
12.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen
Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld van dit TAM-Omgevingsplan.
 
12.2 Voldoende parkeergelegenheid
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
 
12.2.1 Beoordelingsregels
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
  1. er dient in voldoende mate in parkeergelegenheid te worden voorzien overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de ‘Nota Parkeernormen 2022’, of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s), met dien verstande dat parkeervoorzieningen voor bewoners dienen te worden gerealiseerd in één gebouwde parkeervoorziening;
 
12.3 Wijzigen landschappelijk inpassingsplan
Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning als wordt afgeweken van de vereiste landschappelijke inpassing, zoals bepaald in een erfinrichtingsplan dat onderdeel is van de planregels (bijlage bij de regels) of een verleende omgevingsvergunning, indien uit een door het bevoegd gezag goed te keuren (erf)inrichtingsplan blijkt dat de aangepaste landschappelijke inpassing ten minste kwalitatief en kwalitatief overeenkomt met het landschappelijk inpassingsplan dat onderdeel uitmaakt van deze regels.
 
12.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  1. De aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan Best krijgen, zijn die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  2. Bij een aanvraag om omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs benodigd zijn voor de beoordeling van de vergunningaanvraag voorgelegd. Hierbij dient de aanvrager schriftelijk te motiveren waarom wordt voldaan aan de beoordelingsregels.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht
 
13.1 Bestaande situatie
Bestaande bebouwing en bestaand gebruik zijn toegestaan, waarbij de volgende definities worden gehanteerd:
  1. bij bebouwing: bebouwing die bij inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan legaal tot stand is gekomen of tot stand zal komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens een regeling;
  2. bij gebruik: gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het vastgesteld van dit TAM-omgevingsplan.
 
Voor activiteiten die afwijken van de bestaande situatie gelden de regels in hoofdstuk 2.
 
13.2 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan legaal is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. Na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
13.3 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 
Artikel 14 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het ‘TAM-omgevingsplan Aarleseweg 42-42a Best’.