1. Plan: Paraplubestemmingsplan Verleggen stikstof- en zuurstofleiding
  2. Plantype: bestemmingsplan
  3. Status: vastgesteld
  4. IMRO-idn: NL.IMRO.0748.BP0241-0701
Gemeente Bergen op Zoom

Toelichting

 

HOOFDSTUK 1 Doel en opzet bestemmingsplan

 

1.1 Aanleiding en doel

In Bergen op Zoom, onder de Binnenschelde, liggen een zuurstof- en stikstofleiding van Air Liquide (verder AL). Deze leidingen liggen ten zuiden-oosten van de Bergse Plaat gezamenlijk tot aan de Waterschans. De stikstofleiding loopt dan richting de Binnenschelde, door de waterkering via de Molenplaat, door het Zoommeer en dan ten westen van de Theodorushaven. De zuurstofleiding loopt vanaf de Waterschans parallel aan de waterkering op het industrieterrein en vervolgens via het industrieterrein richting de Theodorushaven en het terrein van Sabic.

 

Door het aflopen van het opstalrecht op het huidige tracé ontstond een natuurlijk moment om met Air Liquide in gesprek te gaan over het waarborgen van de toevoer. Gezien de ontwikkelingen rond de Binnenschelde (Schelde Vesting, Havenmond, Boulevard in beweging en de containerterminal) is in overleg met Air Liquide en belanghebbenden gekozen voor een meer westelijk gelegen nieuw tracé. De nieuwe ligging van de leidingen past niet in deze bestemmingsplannen. Bovendien moet de nieuwe beschermingszone van de leiding planologisch worden vertaald. De gemeente neemt de vervallen leidingdelen over in eigendom en beheer.

 

 [image]

Afbeelding: Overzichtstekening nieuw trace stikstof- (rood) en zuurstofleiding (blauw)

 

Het paraplubestemmingsplan 'Verleggen stikstof- en zuurstofleiding' bestaat uit drie delen: een (digitale) verbeelding, waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels, waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen, en een toelichting, waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het (juridisch) bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in de gemeente Bergen op Zoom, ten zuid westen van de Binnenschelde, in rood is globaal het plangebied aangegeven.

 

 [image]

Afbeelding: globale ligging plangebied

1.3 Geldende bestemmingsplannen

De percelen van het toekomstige tracé van de leiding liggen in vier verschillende bestemmingsplannen. Daarin

gelden de volgende bestemmingen:

 

 

 

Tabel: overzicht geldende bestemmingsplannen

 

Bestemmingsplan

Bestemming

Past/past niet

1

De Markiezaten vastgesteld 19-07-2016

Natuur

Past niet

 

 

Gebiedsaanduiding overige zon ihcs zone 2-22

Niet hoger bouwen dan 60 meter

 

 

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 5

Niet hoger bouwen dan 70 meter

 

 

Gebiedsaanduiding geurzone

Geen nieuwe geurgevoelige objecten

 

 

Dubbelbestemming ‘leiding Stikstof en Zuurstof

Past

2

Bergse plaat - Binnenschelde 2015

Vastgesteld 22-10-2015

Groen

Past niet

 

 

Water

Past niet

 

 

Functie aanduiding ecologisch waardevol

Past niet

 

 

Gebiedsaanduiding overige zon ihcs zone 3-22

Niet hoger bouwen dan 65-160 meter

 

 

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 5-7

Niet hoger bouwen dan 70-80 meter

 

 

Gebiedsaanduiding geurzone

Geen nieuwe geurgevoelige objecten

3

Buitengebied Zuid vastgesteld 16-07-2015

Natuur

Past niet

 

 

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 7-8

Niet hoger bouwen dan 70-80 meter

 

 

Dubbelbestemming Leiding-Gas

Past niet

 

 

Dubbelbestemming Leiding riool

Past niet

 

 

Recreatie

Past niet

 

 

Dubbelbestemming Waterstaat-Waterkering

Past niet

 

 

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone dijk

Past niet

4

Theodorushaven - Noordland vastgesteld 28-01-2016

Waterstaat-Waterbergingsgebied

Past niet

 

 

Natuur

Past niet

 

 

Dubbelbestemming Waarde-archeologie

 

 

 

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 8

Niet hoger bouwen dan 80 meter

 

 

Dubbelbestemming Leiding- Stikstof

Past

 

 

Vaarweg

Past niet

 

 

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone dijk

Past niet

 

 

Bedrijf

 

 

 

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone radar 9

Niet hoger bouwen dan 90 meter

 

 

Verkeer

Past niet

 

 

Dubbelbestemming Leiding- Zuurstof

Past

 

 

Functieaanduiding natuurwaarden

Past niet

 

 

Overig-Waterstaatswerken

Past niet

 

 [image]

Afbeelding: ligging toekomstig tracé in de verschillende bestemmingsplannen

 

De percelen waar het nieuwe tracé loopt hebben verschillende bestemmingen. Naast Natuur, Water en Bedrijf gelden er diverse dubbelbestemmingen en functieaanduidingen.

Voor het tracé van de huidige leiding geldt de dubbelbestemming ‘Leiding- Zuurstof en Stikstof’.

 

De verplaatsing van de leidingen naar gronden waar de dubbelbestemming ‘Leiding’ niet geldt, past niet in de bestemmingsplannen. De gemeente Bergen op Zoom is verantwoordelijk voor het aanpassen van het bestemmingsplan waarbinnen het huidige tracé valt. Tot die tijd geldt voor de ‘loze leidingen’ de ‘niet in gebruik’ bepaling.

1.4 Opzet

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

 

Ruimtelijk kader (hoofdstuk 2)

In 2.1 wordt de huidige ruimtelijke situatie van het plangebied geanalyseerd en beschreven. Daarbij wordt eerst ingegaan op de stedenbouwkundige en functionele structuur van het totale plangebied. Vervolgens worden de uitgangspunten geformuleerd.

 

Beleidsaspecten (hoofdstuk 3)

In dit hoofdstuk zijn de beleidsuitgangspunten in beeld gebracht. Er wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

 

Onderbouwing op onderdelen (hoofdstuk 4)

In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijk kader uit hoofdstuk 2 op onderdelen nader onderbouwd. Deze nadere analyse beschrijft per onderdeel de consequenties van het voorgestelde ruimtelijk kader.

 

Milieuaspecten (hoofdstuk 5)

In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten als gevolg van het voorgestelde ruimtelijk kader nader omschreven.

 

Bestemmingsregeling (hoofdstuk 6)

Op basis van de voorgaande hoofdstukken is de bestemmingsregeling opgesteld (verbeelding en regels). In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de overwegingen en uitgangspunten van de bestemmingsregeling en op de aangegeven bestemmingen en de inhoud van de bijbehorende regels. Voor wat betreft de opzet van de bestemmingsplan methodiek is aangelsoten op de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de bijbehorende Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP 2012).

 

Uitvoeringsaspecten (hoofdstuk 7)

In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de uitvoering van het plan. Ingegaan wordt op de aspecten economische uitvoerbaarheid en handhaving.

 

Resultaten inspraak en overleg (hoofdstuk 8)

Dit hoofdstuk behandelt de wijze waarop het plan voorgelegd is aan de inwoners en instellingen. De resultaten van de inspraak- en overlegprocedure zijn in dit hoofdstuk vermeld.

 

 

HOOFDSTUK 2 Ruimtelijk structuur

 

2.1 Beschrijving huidige situatie

De gemeente Bergen op Zoom heeft verschillende plannen voor ogen met het gebied aan de Binnenschelde ter hoogte van de Geertruidapolder. Binnen het project ‘Schelde vesting bouwt’ worden allerlei nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt o.a. het verbeteren van het bedrijventerrein, bouwen van woningen en uitbreiden van recreatie. Een onderdeel daarvan is het herstellen van het fort dat ligt op de Waterschans. Daarbij zal ook de kade worden gerestaureerd en zijn er plannen om een Havenkanaal aan te leggen, waarbij de realisatie van een recreatiehaven op termijn mogelijk is. In dit scenario komt er (nog) geen open verbinding met het Zoommeer, maar ook die vaarverbinding wordt voor de toekomst niet uitgesloten. Dit is afhankelijk van onderzoek naar de mogelijkheden voor waterrecreatie dat gestart is.

 

De huidige ligging van de stikstof en zuurstofleiding onder de Binnenschelde is gelet op deze ontwikkelingen niet meer wenselijk.

 

 [image]

Afbeelding: Ligging tracé onder de Binnenschelde, groene en oranje lijn

 

Het nieuwe tracé splitst zich af van de bestaande leiding ten zuidoosten van de Bergse Plaat en ligt in het noordelijke talud van de watergang Plaatvliet aan de onderzijde van de Bergse Plaat. Het Tracé volgt de Plaatvliet via de het Dijklichaam tussen de Binnenschelde en het Markiezaatsmeer helemaal tot aan de Molenplaat. Dit is een gebied met Natuurwaarden. Hier buigt het trace af in noordelijk richting en zal het met een gestuurde boring onder het Zoommeer worden gelegd. Het tracé vervolgt in het Bedrijventerrein Theodorushaven Noordland waarbij het de Conradweg volgt tot aan de Van Konijnenburgweg. Tot hier loopt het gezamenlijke tracé van de stikstof- een zuurstofleiding. De Zuurstofstofleiding zal vanaf hier aansluiten op de oude leiding en het bestaande zuurstoftracé volgen. De Stikstofstofleiding buigt af naar het westen en volgt de Van Konijnenburgweg tot aan de Burgemeester Peterstluis. Hier ligt de leiding langs de rand van het perceel ten noorden van de Van Konijnenburgweg. De leiding wordt met een gestuurde boring onder de Theodorushaven door gelegd waarna hij is gearriveerd op het terrein van Sabic.

 

 [image]

afbeelding: Splitsing nieuwe stikstoftracé (rood) en bestaande zuurstoftracé (blauw)

 

HOOFDSTUK 3 Beleidsaspecten

 

3.1 Rijksbeleid

 

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende Rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd:

 

In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten.

In de SVIR wordt verwezen naar de Rijksstructuurvisie Buisleidingen, een uitwerking van de SVIR.

 

Conclusie

Het onderhavige bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid geformuleerd in de structuurvisie.

 

3.1.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

In Nederland ligt ongeveer 300.000 km buisleiding voor het transport van stoffen waaronder aardgas, brandstoffen, drinkwater en afvalwater. Hiervan is ruim 18.000 km buisleidingen bestemd voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is gericht op de buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen, omdat deze categorie een potentieel extern veiligheidsrisico met zich meebrengt. Het Bevb en de bijbehorende regeling zijn van toepassing op buisleidingen met een extern veiligheidsaspect, zoals hogedrukaardgasleidingen, brandstofleidingen categorieën K1, K2 en K3 en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 juli 2014 geldt de Regeling externe veiligheid buisleidingen ook voor het transport van andere chemische stoffen dan aardgas en aardolieproducten, waaronder stikstof.

Het Bevb bevat regels voor het vastleggen van deze leidingen en haar externe veiligheidsaspecten in bestemmingsplannen. Voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen, reeds bestaand of nieuw, geldt dat het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gemeenten verplicht deze leidingen op te nemen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding. Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt. Het onderhavige bestemmingsplan sluit aan op het Bevb, in die zin dat een belemmeringenstrook aan weerszijden van de leiding is opgenomen. In paragraaf 4.6 is het plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) beoordeeld.

 

 

3.1.3 Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen

Het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen' is in 2010 gepubliceerd door het ministerie van VROM (nu ministerie van Infrastructuur en Milieu). Het handboek moet leiden tot bestemmingsplannen waarin buisleidingen met een extern veiligheidsaspect op de juiste wijze zijn vastgelegd. Hierdoor worden risicovolle situaties eerder gesignaleerd of voorkomen. Daarnaast wordt een uniforme werkwijze voor het opnemen van buisleidingen in bestemmingsplannen bevorderd. Het Handboek heeft betrekking op buisleidingen die onder het Bevb vallen. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het handboek opgesteld.

 

3.1.4 Structuurvisie Buisleidingen

 

De Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 is vastgesteld op 12 oktober 2012. In deze visie is

opgenomen hoe het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet

worden vrijgehouden, om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaal belang mogelijk te maken. Hiermee wordt zeker gesteld dat ook de komende 20 à 30 jaar nieuwe doorgaande buisleidingverbindingen kunnen worden gerealiseerd ten behoeve van de levering van aardgas en het vervoer van grondstoffen en chemische stoffen aan en tussen haven- en industrieclusters in het binnen- en buitenland. Anderzijds wordt hiermee duidelijkheid geboden aan zowel initiatiefnemers die buisleidingen wensen te realiseren als aan gemeenten, doordat buisleidingen van nationaal belang in een vooraf begrensde buisleidingenstrook dienen te worden aangelegd.

In de Structuurvisie zijn tien uitgangspunten gehanteerd:

  1. Creëren van optimale randvoorwaarden buisinfrastructuur;

  2. Zuinig gebruik van de ruimte;

  3. Voorkomen van negatieve gevolgen voor de omgeving;

  4. Alleen leidingen van (inter)nationaal belang;

  5. Alleen leidingen voor gevaarlijke stoffen;

  6. Alleen aanleg in aangegeven stroken;

  7. Gebruik bestaande verbindingen met het buitenland;

  8. Geen aankoop van gronden;

  9. Geen aanleg van buisleidingen door het Rijk;

  10. Aangewezen buisleidingstroken vrijwaren in bestemmingsplannen.

 

Conclusie

Het onderhavige bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid geformuleerd in de structuurvisie, en sluit aan bij de hierboven genoemde uitgangspunten.

 

 

3.2 Provinciaal beleid

 

 

3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014

 

In 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie ruimtelijke ordening (Svro) vastgesteld. De Svro is in 2014 partieel herzien, waarbij onder andere het gewijzigde beleid op het gebied van natuur (realisering van het natuurnetwerk) en veehouderij (transitie naar zorgvuldige veehouderij) zijn verwerkt. De Svro 2014 is in werking getreden op 19 maart 2014. De Svro bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de Verordening ruimte, waarin de kaderstellende elementen uit de Svro zijn vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen.

 

De provincie beschrijft 4 ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken. Het infrastructuurnetwerk van de provincie Noord-Brabant bestaat uit een fijnmazig en samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen. De Brabantse infrastructuur maakt deel uit van het internationale netwerk van infrastructuur in Noordwest Europa. De provincie wil de mogelijkheden van transport door buisleidingen optimaal benutten, zodat minder vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor nodig is. Vanuit het oogpunt van veiligheid draagt dit bij aan een beperking van het vervoer van gevaarlijke stoffen door bestaand stedelijk gebied. De provincie wil ook een ruimtelijke scheiding tussen transportroutes voor gevaarlijke stoffen en kwetsbare functies. Als uitwerking van de Brabantse Strategische Visie Goederenvervoer (BSVG) stimuleert de provincie het gebruik van buisleidingen, bijv. voor het transport van CO2 naar glastuinbouwgebieden. Daarnaast vraagt de provincie aandacht bij de Europese Commissie voor buisleidingen als transportmodaliteit, naast weg, water en spoor.

 

 

3.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2017

 

De regels in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2017 zijn een doorvertaling van het provinciaal beleid

uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. De huidige en toekomstige locatie van de leiding liggen in ‘gemengd landelijk gebied’. Voor deze gebieden streeft men naar een gemengde plattelandseconomie en een in hoofdzaak agrarische economie met daarbij passende bestemmingen. In de toelichting bij een bestemmingsplan voor dergelijke gebieden moet een verantwoording worden opgenomen, waaruit blijkt dat de gekozen bestemmingen passen in het ruimtelijk beleid voor het gebied, deze bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en deze geen afbreuk doen aan de ontwikkeling van de agrarische economie.

In dit geval gaat het om een marginale verplaatsing van een ondergrondse buisleiding, zonder dat bovengronds een relevante wijziging in ruimtelijke kwaliteit optreedt en de agrarische economie niet wordt beperkt.

 

Het nieuwe tracé van de leidingen ligt volgens de Verordening voor een groot deel in gebied Natuur netwerk Brabant en het Attentiegebied Natuurnetwerk Brabant.

 

 [image]

Afbeelding: Uitsnede Verordening Ruimte Natuur Netwerken

 

Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten.

Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen, moeten de gebieden groot genoeg zijn en de mogelijkheid bieden voor migratie tussen de gebieden. Om het NNB als zo`n netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de wegenstructuur. Als de omstandigheden in een bepaald gebied (tijdelijk) verslechteren, dan kan een soort uitwijken naar een ander geschikt gebied. In het licht van de klimaatveranderingen is dit van toenemend belang. De ecologische verbindingszones zijn (vaak) langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden.

 

Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNB gaat de provincie uit van de volgende spelregels:

 

Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander (ruimtelijk) beleid of regelgeving. Voor onderhavige ontwikkeling is aangetoond ten aanzien van flora en fauna, bodem, water en stikstofdepositie dat de aanleg van de leidingen geen significant negatieve effecten heeft op de aanwezige natuurwaarden. Ook na aanleg zal geen sprake zijn van enig effect gelet op het feit dat de leidingen onder de grond liggen en geringe diameter.

 

Voor het Attentiegebied NNB geldt dat stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat het waterschap betrokken wordt bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

 

De leidingaanleg in open sleuf ligt in het horizontale vlak en veroorzaakt geen verstoring in het grondwatersysteem omdat de sleuf met de uitgekomen grond weer wordt aangevuld en de structuur van de bodem waar de leiding in ligt niet verandert. De gestuurde boringen gaan in het verticale vlak veel dieper en zullen hierbij verschillende grondlagen doorboren.

Op basis van de stijghoogte in de bodem wordt een kwelweganalyse uitgevoerd om vast te stellen of er stroming in het grondwatersysteem verwacht moet worden. Indien dit zo is dan worden voorzorgsmaatregelen (kleikist om de leiding) getroffen om dit te voorkomen

 

Het aanleggen en houden van de nieuwe leidingen is daarmee niet in strijd met het provinciaal beleid.

 

 

 

3.3 Gemeentelijk beleid

 

3.3.1 Structuurvisie Bergen op Zoom 2030

Op 26 september 2011 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Bergen op Zoom 2030 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de vigerende ‘Structuurvisie Plus’ die in 2001 samen met de gemeente Roosendaal is opgesteld. In deze structuurvisie is het recente lokaal, regionaal en nationaal beleid vertaald en zijn plannen uit de tussenliggende periode opgenomen.

 

De Structuurvisie bestaat uit drie delen. Het eerste deel bestaat uit een omschrijving van het programma vanuit het perspectief van trends en ontwikkelingen voor de gemeente. Daarnaast is in dit deel de toekomstige positie van de gemeente beschreven en is het ruimtelijk streefbeeld op hoofdlijnen geschetst. Deel twee is een gebiedsdekkende structuurvisie kaart. In het laatste deel (hoofdstuk 5) beschrijft de gemeente hoe ze de beschreven plannen in de komende jaren ten uitvoer wil brengen.

Afbeelding. Uitsnede structuurvisiekaart Structuurvisie Bergen op Zoom 2030.

 

 [image]

Afbeelding: uitsnede structuurkaart

 

In de Structuurvisie loopt het plangebied door verschillende structuren. Naast de woonwijk aan de zuidkant van de Bergse Plaat loopt het plangebied over de strekdam welke is gekenmerkt als ‘water met natuurwaarden’ via een stukje ‘natte natuur’ naar de bedrijventerreinen.

 

Het plangebied loopt aan de rand van de woonwijk, en daarmee langs het bebouwd gebied. De aanleg van de leiding heeft weliswaar effecten op de omgeving en de nabij gelegen (natte) natuur gebieden, maar deze zijn niet significant negatief (zie conclusies Flora en fauna onderzoek en onderzoek gebied bescherming). Na aanleg blijven deze structuren geheel in tact en hun waarde blijft behouden. De aanleg van de leidingen, en daarna de levering van stoffen, is bedoeld voor de bedrijfsvoering van bedrijven op het bedrijventerrein.

 

 

3.3.2 Beleidsvisie externe veiligheid

 

De gemeente Bergen op Zoom wil zorgen voor een blijvend maatschappelijk aanvaardbare risicosituatie voor burgers in relatie tot activiteiten met gevaarlijke stoffen in de omgeving. De acceptatie van risico’s wordt gestuurd door:

 

Deze ambitie is voor verschillende gebiedstypen verder uitgewerkt. Hieronder wordt de essentie van het gemeentelijk beleid bedrijventerreinen samengevat. De gemeente streeft er naar dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Ook wordt ernaar gestreefd dat er geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen zoals kinderen, bejaarden en zieken binnen het invloedsgebied van een risicovol bedrijf of transportas worden gerealiseerd. Bij bestaande kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen invloedsgebieden van risicobronnen wordt extra aandacht besteed aan risicocommunicatie.

 

De gemeente hanteert het uitgangspunt dat er bij nieuwe buisleidingen en nieuwe gemeentelijke wegen geen PR 10-6 contour is. (Deze ligt op de leiding of op de as

van de weg). Tevens geldt het uitgangspunt dat gekozen wordt voor het alternatief met het

kleinste groepsrisico tenzij er sprake is van zwaarwegende belangen.

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 4 Onderbouwing op onderdelen

In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijke kader en de hierin geformuleerde uitgangspunten op de relevante onderdelen nader onderbouwd. Aan bod komen verkeer en groen, flora en fauna en water.

4.1 Archeologie

Raap heeft in opdracht van LievenseCSO een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de aanleg van een O2- en N2-pijpleiding in Bergen op Zoom, met als doel het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting. Het onderzoek richt zich op twee tracés van respectievelijk circa 7 kilometer (N2) en 6,3 kilometer (O2) lang en circa 5 meter breed, over de Theodorus Polder, Noordland, Bergse Diep, Molenplaat, Noordland, Binnenschelde, Markiezaatsmeer en Bergse Plaat.

 

Het plangebied wordt volgens de geomorfologische kaart gekarteerd als water, bebouwing, opgespoten terrein, dijk en strandvlakte. Het gaat in alle gevallen om jonge sedimenten. In het gebied zijn twee archeologische vindplaatsen bekend. Eén daarvan ligt op de Molenplaat en betreft bouwmateriaal uit de Late Middeleeuwen dat verband houdt met een verdronken dorp (Broecke). De andere ligt op de Bergse Plaat en betreft enkele losse vondsten zonder datering.

 

Met name uit een eerder bureauonderzoek (2010) en via de website van de geschiedkundige kring is veel historische informatie verzameld. In het onderzoeksgebied lagen voor de Sint-Felixvloeden enkele dorpen en gehuchten die tijdens de vloeden verdronken. Van Broecke en Hildernisse is de globale locatie bekend. Na de vloeden resteerde een gebied met geulen en droogvallende slikken en schorren. Halverwege de 19e eeuw werd de Theodorus Polder weer bedijkt. Eind 20e eeuw volgde de inpoldering van enkele zandplaten in de zeearm (Molenplaat, Noordland en de Bergse Plaat). In ieder geval is de Molenplaat ook opgespoten. Momenteel is alleen de Molenplaat onbebouwd. De Theodorus Polder en Noordland zijn bebouwd met industrie en bijbehorende leidingen. De Bergse Plaats is in gebruik voor woningbouw.

 

Voor het grootste deel van het onderzoeksgebied geldt een lage archeologische verwachting, omdat het gaat om de schorren en slikken en watergeulen. Op de plekken waar verdronken dorpen verwacht worden, geldt echter een hoge archeologische verwachting. Ter hoogte van het westelijke tracé betreft dat de noordwestelijke hoek van de Molenplaat. Resten hiervan zijn vanwege de eeuwenlange opslibbing en latere opspuiting echter pas dieper dan 2 m –Mv te verwachten. In het Bergse Diep, dat in ieder geval vanaf de Middeleeuwen een vaarroute vormde, zijn ook resten gerelateerd aan de scheepvaart te verwachten. De exacte locaties hiervan laten zich echter lastig voorspellen.

Nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Alleen in het Bergse Diep kunnen resten gerelateerd aan de scheepvaart verstoord worden. De exacte ligging hiervan is echter niet bekend en bovendien is de werkelijke verstoring met een gestuurde 20 cm boring maar zeer beperkt, zodat ook hier verder onderzoek niet nodig wordt geacht.

 

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

 

4.2 Flora en Fauna

De aanleg van de nieuwe stikstof- en zuurstof leiding zal gefaseerd worden uitgevoerd en is op te delen in drie deelgebieden:

 

 [image]

Afbeelding: de 3 deelgebieden van het trace

 

De werkzaamheden worden uitgevoerd in de volgende perioden:

 

4.2.1 Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming (voorheen: Natuurbeschermingswet 1998) biedt bescherming aan bepaalde natuurgebieden, waaronder Natura2000-gebieden en natuurmonumenten. Gebieden binnen het Nationale NatuurNetwerk (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) worden planologisch beschermd mede op basis van provinciaal beleid. Het plangebied loopt deels door een gebied met de status beschermd Natura 2000-gebied. Het betreft het Natura 2000-gebied (‘Zoommeer’), bovendien grenst het plangebied aan Natura 2000-gebied de ‘Markiezaat’.

 

Op basis van de quick-scan (zie bijlage 4) kan niet worden uitgesloten of de voorgenomen ingreep mogelijk (significante) negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in en binnen de invloedsfeer van het plangebied. Op 7 februari 2018 is voor de 'aanlegwerkzaamheden' een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming bij de provincie aangevraagd. In het kader hiervan is een voortoets uitgevoerd (zie bijlage 8) waarin de mogelijke effecten verder worden onderzocht. Uit de resultaten van deze voortoets blijkt dat, op voorhand, kan worden uitgesloten dat de uitvoering van het project significante negatieve effecten heeft als gevolg van oppervlakte verlies, versnippering, verzuring, vermesting, verontreiniging of verdroging en verstoring door geluid, licht of optische verstoring voor Natura 2000-gebieden.

 

Het plangebied loopt voor een deel door beschermd gebied met de status Natuurnetwerk Nederland (NNN) daarnaast loopt het gebied parallel aan Natura 2000-gebied met eveneens de status NNN. Het voornemen heeft door de fasering, aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Na afloop van de werkzaamheden is het plangebied niet wezenlijk veranderd. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling (‘nee, tenzij’-beoordeling) is niet nodig.

 

 

4.2.2 Soortenbescherming

 

Wanneer plannen worden ontwikkeld voor ruimtelijke ingrepen dient vooraf te worden

beoordeeld of sprake is van mogelijke nadelige effecten voor beschermde inheemse soorten. Dit gebeurt in eerste instantie met behulp van een quick-scan, waarmee wordt bepaald of beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn en/of de planontwikkeling negatieve effecten kan hebben op de beschermde soorten. In het kader van de aanvraag vergunning Wet natuurbescherming is ook een voortoets uitgevoerd waarin de effecten op de beschermde soorten nader is onderzocht. Uit de quick-scan en de voortoets komt het volgende naar voren.

 

Grondgebonden zoogdieren

In het plangebied komen naar verwachting algemene grondgebonden zoogdieren voor. De te verwachten grondgebonden zoogdiersoorten zijn door provincie Noord-Brabant vrijgesteld (Provincie Noord-Brabant, 2016); dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze groep soorten geldt, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht (artikel 1.11, zie bijlage 1). Omdat deze soorten jaarrond actief zijn kan geen minst kwetsbare periode worden aangegeven.

 

Naar verwachting maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van bunzing, hermelijn en wezel. Van deze soorten zijn geen sporen of verblijfplaats op het tracé aangetroffen. Het tracé zelf is daarom naar verwachting niet essentieel in de voedselvoorziening maar vormt een verbinding tussen foerageergebieden. Tijdens en na de ingreep is het projectgebied niet tot minder geschikt als foerageergebied van deze soorten. Omdat het plangebied niet essentieel is in de voedselvoorziening en onderdeel uit maakt van een groter aaneengesloten foerageergebied kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten.

 

Vleermuizen

Het is mogelijk dat het plangebied en directe omgeving wordt gebruikt als foerageergebied en vliegroute van diverse vleermuissoorten. In het huidige plan blijven gebouwen en bomen intact hierdoor wordt het vernietigen van een potentiele verblijfplaats uitgesloten.

 

Het plangebied is onderdeel van een groter aaneengesloten foerageergebied en is door de open ligging naar verwachting niet essentieel voor de voedselvoorziening. De huidige uitvoering valt in de actieve periode van vleermuizen (april t/m november). Indien in deze periode werkzaamheden tussen zonsondergang en –opkomst worden uitgevoerd heeft het inzetten van verlichting mogelijk negatieve effecten op langsvliegende en foeragerende vleermuizen. Omdat het plangebied niet wezenlijk verandert is het plangebied na afronding van de planontwikkeling opnieuw toegankelijk als foerageergebied en vliegroute van vleermuizen, langdurige effecten kunnen daarom worden uitgesloten.

 

Amfibieën

In het plangebied komen naar verwachting algemene amfibieën voor. Voor de verwachte soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Noord-Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze groep soorten geldt, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht (artikel 1.11, zie bijlage 1).

 

De werkzaamheden worden naar verwachting tussen medio maart en oktober uitgevoerd. In deze periode (afhankelijk van de temperatuur) bevinden amfibieën zich in voortplantingswateren. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan de migratie van en naar het water enkele weken eerder of later beginnen. Afhankelijk van de daadwerkelijke planning en fasering dienen maatregelen in het kader van de zorgplicht te worden toegepast. Een invulling kan pas worden gegeven wanneer de daadwerkelijke planning is vastgesteld.

 

(Algemene) broedvogels

Het plangebied biedt in potentie mogelijkheden als broedlocatie van diverse algemene vogelsoorten. De uitvoering wordt conform de huidige planning (juli, 2017) in de periode begin juli 2018 t/m maart 2019 uitgevoerd. Dit betekent dat de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd.

De werkzaamheden in deelgebied A hebben geen negatieve effecten omdat deze achter de dijk op het aanwezige industrieterrein zijn gesitueerd. In deelgebied B worden de werkzaamheden tussen 1 augustus en 1 oktober uitgevoerd. Voordat eventuele verstorende werkzaamheden voor broedvogels starten wordt een broedvogelcontrole uitgevoerd. Indien op dat moment broedende vogels worden aangetroffen binnen de verstoringszone van de werkzaamheden, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot nadat de nesten verlaten zijn. Hiermee worden negatieve gevolgen voor broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling uitgesloten. De aanvullende maatregelen die worden genomen in verband met het werken binnen het broedseizoen worden vastgelegd in een Ecologisch Werk Protocol. In deelgebied C starten de werkzaamheden na het broedseizoen (na 15 augustus), waardoor negatieve gevolgen voor broedvogels uit te sluiten zijn.

 

Niet broedvogels

In de voortoets is onderzocht of de werkzaamheden (significante) negatieve effecten hebben op de verstoring van niet broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling die in de Natura-2000-gebieden verblijven. De omvang van de verstoringsgebieden behorende bij de tijdelijke geliuds- en optische verstoring is tussen 1,2 % en 5,8% van het totale bijbehorende Natura-2000-gebied. Deze tijdelijke verstoring leidt tot een zeer beperkte verslechtering van de Natura-2000-gebieden 'Zoommeer' en "Markiezaat'. In deze gebieden is ten alle tijden voldoende rust- en foerageergebeid aanwezig om de eventueel verstoorde dieren te huisvesten. Significante negatieve gevolgen zijn niet aan de orde. Ten aanzien van het aspect 'licht' kunnen negatief verstorende effecten worden uitgesloten omdat de werkterreinen buiten de Natura-2000-gebieden zijn gesitueerd en deze worden ingericht met specifieke maatregelen (verlicht met groen-licht (Poot et.al. 2008; de Jong et.al 2017) armaturen welke alleen de werkterreinen verlichten, waaribj het licht niet in de Natura-2000-gebieden schijnt).

 

Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats

Het plangebied maakt onderdeel uit van een groter aaneengesloten foerageergebied van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Tijdens de werkzaamheden is het plangebied tijdelijk niet of minder geschikt als onderdeel van het foerageergebied. Omdat in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar blijft worden geen negatieve effecten verwacht op vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Na afloop van de werkzaamheden is het plangebied weer beschikbaar als onderdeel van het foerageergebied omdat het plangebied niet wezenlijk veranderd. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten waargenomen. De werkzaamheden hebben naar verwachting geen negatief effect op deze soortgroep.

 

Conclusie:

Het plangebied en de directe omgeving hebben een functie voor verschillende (algemene) grondgebonden zoogdieren, vleermuissoorten, algemene amfibieën, algemene broedvogels en vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Verder ligt het plangebied binnen de invloedssfeer van de Natura 2000-gebieden 'Markiezaat', 'Zoommeer', 'Brabantse Wal' en 'Oosterschelde'. Door fasering in ruimte en tijd zijn negatieve gevolgen voor broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling niet aan de orde. Verder kan op basis van de voortoets, op voorhand, worden uitgesloten dat de uitvoering van het project significantie negatieve effecten heeft als gevolg van oppervlakte velries, versnippering, verzuring, vermesting, verontreinigign of verdroging en vertoring door geluid, licht of optische verstoring voor andere soorten of Natura 2000-gebieden. Het voornemen heeft een tijdelijke beperkte verslechtering van het leefgebied van nietbroedvogels tot gevolg. Doordat er ten alle tijde voldoende leefgebied voor deze soorten in de betreffende Natura-2000 gebieden aanwezig blijft zijn significante gevolgen uit te sluiten. Een Passende Beoordleing is niet nodig. Om (blijvende) negatieve effecten te voorkomen dienen enkele maatregelen in acht te worden genomen. Deze maatregelen worden vastgelegd in een Ecologisch Werk Protocol.

 

Om (blijvende) negatieve effecten te voorkomen dienen enkele maatregelen in acht te worden genomen, deze maatregelen dienen te worden uitgewerkt in een Ecologisch Werk Protocol.

 

4.3 Water

Watertoets

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Het trace doorkruist gronden van de volgende waterbeheerders; Waterschap Brabantse Delta en ter plaatse van het Zoommeer en de Theordorushaven Rijkswaterstaat.

 

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer - waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap izjn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gkeomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeled aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende tehma's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aaan waar de waterstaatwerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm ide moeten voldoen en wie onderhousplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstleling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hantert bij nieuwe ontwikelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud en herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlakt en de hydrologische uitgangspunten bij de keruregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. In overleg met het waterschap, Rijkswaterstraat en de gemeente zijn de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan afgesproken:

 

Het aanleggen van het nieuwe trace van de stikstof- en zuurstofleiding gebeurt grotendeels met een open ontgraving. Ten behoeve van de aanleg zullen bepaalde delen van de ontgraving gebronneerd moeten worden. Hiertoe zal ene bemalingsplan ter toetsing ana het waterschap worden voorgelegd. Dara waar het trace primaire waterkeringen en de Theodorushaven kruist zal de leiding middels met een stuurde boring worden aangelegd.

Uitgangspunt is dat de gebruikte techniek bij de boringen en bij hte aanbregen van de leidigen zodanig wordt toegepast dat er geen effecten optreden voor de waterkwaliteit van het Zoommeer of andere waterhuishoudkundige aspecten. Indien dit echter niet te voorkomen blijkt, zla dit alsnog in de onderhavige watervergunning, die voor de aanleg is vereist, met voldoende waarborgen worden veiliggesteld. Bij de aanleg wordt het gebruik van duurzmae- en milieuvriendelijke materialen gestimuleerd enwordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in hte water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadeling invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

 

De invloed op de waterhuishouding dient zoveel als mogelijk te worden geminimaliseerd dan wel geneutraliseerd. Bij de nieuw te gebruiken leidingen wordt met de vergunning(en) met betrekking tot de Keur vanuit het waterschap het risico ten aanzien van de waterhuishouding op voldoende wijze ondervangen.

 

(grond) Water

De grondwaterstand binnen het onderzochte traject varieert van circa 1,7 tot 3,7 m-mv.

In het grondwater van peilbuis 55 wordt een matige verontreiniging aan barium en een lichte verontreiniging aan naftaleen aangetoond. Na herbemonstering van het grondwater uit peilbuis 55 (zie hiervoor het bodemonderzoek in de bijlage) blijkt dat het eerder aangetoond matig verhoogd gehalte aan barium wordt bevestigd. In de overige peilbuizen zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zink, xylenen en/of naftaleen aangetroffen. Voor de aangetoonde licht tot matig verhoogde gehalten aan barium, zink, xylenen en/of naftaleen is geen eenduidige verklaring te geven, mogelijk betreft het verhoogde achtergrondwaarden. De licht tot matig verhoogde gehalten brengen geen onaanvaardbare risico's met zich mee.

 

De leidingaanleg in open sleuf ligt in het horizontale vlak en veroorzaakt geen verstoring in het grondwatersysteem omdat de sleuf met de uitgekomen grond weer wordt aangevuld en de structuur van de bodem waar de leiding in ligt niet verandert. De gestuurde boringen gaan in het verticale vlak veel dieper en zullen hierbij verschillende grondlagen doorboren.

Op basis van de stijghoogte in de bodem wordt een kwelweganalyse uitgevoerd om vast te stellen of er stroming in het grondwatersysteem verwacht moet worden. Indien dit zo is dan worden voorzorgsmaatregelen (kleikist om de leiding) getroffen om dit te voorkomen.

 

Juridische vertaling

Ruimtelijk zijn de voorzieningen, die aanwijsbaar zijn in relatie tot het water, met de benodigde aanduiding op de verbeelding aangeduid ten behoeve van de waterhuishouding. De als oppervlaktewater dienst doende ruimte is als zodanig benoemd en aangeduid op de verbeelding.

 

Advies waterbeheerder

Het Waterschap Brabantse Delta heeft op 2 februari 2018 een wateradvies gegeven.

HOOFDSTUK 5 Milieuaspecten

De gemeente Bergen op Zoom heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) gevraagd een milieuparagraaf op te stellen voor het onderhavige bestemmingsplan. De milieuparagraaf is opgesteld voor de aspecten bedrijven en milieuzonering, lucht, geluid, externe veiligheid, bodem en licht.

 

5.1 Milieueffectrapportage

 

De verplaatsing (wijziging) van de leiding is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie D 8.1 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas), olie of CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën’. Stikstof valt onder deze activiteit. Een m.e.r.-beoordeling is nodig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die over een lengte van 1 kilometer of meer is gelegen of geprojecteerd in een gevoelig gebied (waaronder Natura 2000 of Nederlands Natuurnetwerk). De leiding wordt voor een deel via een HDD boring onder het Zoommeer aangelegd. Het Zoommeer is aangewezen als Natura 2000 gebied. Deze boring heeft een afstand van circa 600 meter (zie figuur 7 met locatie HDD boring).

 

 [image] [image]

Afbeelding 7: Natura 2000 gebied Zoommeer Afbeelding 8 Natura 200 gebied Markiezaat

 

Het tracé wordt niet aangelegd in het natura 2000 gebied Markiezaat, zie figuur 7 ii (globale weergave tracé). Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft echter ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

 

In dit geval gaat het om het verleggen van een bestaande leiding (over een afstand van ongeveer 6,9 km), waarvoor alle relevante effecten zijn onderzocht en/of beschreven in de volgende onderdelen van dit hoofdstuk. Op basis van de conclusies uit de onderzoeken en kwalitatieve beschrijvingen is de conclusie gerechtvaardigd dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden als gevolg van de aanleg van de leidingen. Een milieueffectrapportage is niet aan de orde.

 

 

 

 

5.2 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). Dit heet het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht in geval van een toename, waarbij de oriëntatiewaarde moet worden gezien als richtlijn.

 

 [image]

Abeelding: Ligging leidingen huidige situatie (bron: www.risicokaart.nl)

 

De leidingen zijn zelf een risicobron, zoals ook te zien is op bovenstaande afbeelding met uitsnede van de risicokaart van Nederland (www.risicokaart.nl).

Door LievenseCSO is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd voor zowel de zuurstof - als de stikstofleiding .

 

Voor de zuurstofleiding wordt geconcludeerd dat:

 

Voor de stikstofleiding wordt geconcludeerd dat:

De aard en inhoud van het risico verandert niet. Dit betekent dat het verleggen van de leidingen geen gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico. Met betrekking tot het groepsrisico van de stikstofleiding wordt op basis van voornoemde rapportage vastgesteld dat het groepsrisico alleen wijzigt indien zich binnen een afstand van minder dan 1 meter aan weerszijden van de leiding een populatie bevindt. Conform het Bevb wordt in het bestemmingsplan een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding opgenomen. Daarmee is gewaarborgd dat binnen een afstand van minder dan 1 meter aan weerszijden van de leiding zich geen populatie bevindt.

 

Conclusie:

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

 

5.3 Bodem

In opdracht van Air Liquide heeft LievenseCSO Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de nieuw aan te legen N2- en O2-leiding van Air Liquide in bergen op Zoom.

 

 

De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn te relateren aan de in de grond aanwezige bodemvreemde bijmengingen en/of de geschiedenis van het onderzoeksgebied. Deels hebben de lichte verontreinigingen een natuurlijk oorzaak. Voor de onderzoekslocatie vormt de kwaliteit van de bodem vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen probleem voor de voorgenomen aanleg van de N2- en O2-leiding. De licht verhoogde gehaltes in de bodemlagen brengen geen onaanvaardbare risico’s met zich mee.

 

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

 

 

5.4 Asbest

Tijdens het veldwerk is specifiek aandacht besteed aan de aanwezigheid van asbest in en op de bodem. In het opgegraven/opgeboorde materiaal is zintuiglijk (in de grove fractie > 16 mm) geen asbestverdacht materiaal waargenomen.

 

Uit de analyseresultaten blijkt dat eveneens geen asbest in de fijne fractie(<16 mm) is aangetroffen in de meest verdachte lagen.

 

Conclusie

Het aspect asbest vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

 

5.5 Kabels en leidingen

 

Het tracé van de leidingen kruist op een aantal locaties andere leidingen. Ten behoeve van de voorbereidingen voor het maken van het ontwerp van de leiding hebben zijn er namens Air Liquide gesprekken gevoerd met de leidingbeheerders.

 

De bedoeling is dat de nieuwe leidingen buitenom de Bergse Plaat aangelegd worden in een groenstrook Voor een groot gedeelte en parallel aan het tracé liggen een gastransportleiding van het Zebra Gasnetwerk (Zebra) en een afvalwatertransportleiding ten behoeve van Sabic IP (PPS-Pipelines). Tussen het ontwerptracé van Air-Liquide en beide leidingen ligt een watergang (de Plaatvliet). Op een tweetal plaatsen kruisen de traces elkaar. Er is een ondiepe kruising aan de noordwest zijde van de Plaat. En er is een diepe kruising (HDD) t.p.v. de Noordlandpolder (kruising Zoommeer). Zebra hanteert de Velin voorwaarden voor werken derden binnen het beheersgebied van haar leidingen. Met Zebragas zijn de volgende afspraken gemaakt:

 

 

Ook in het noordelijke deel van het tracé worden een aantal leidingen gekruist deze leidingen liggen op het terrein dat in eigendom is van Sabic. Met de verschillende leidingbeheerders van de desbetreffende leidingen zijn afspraken gemaakt over de uitvoering van het ontwerp van de leiding (dekking en eventuele belemmeringenstroken op het bedrijventerrein).

 

5.6 Niet gesprongen explosieven

AVG B.V. uit Waalwijk heeft een vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van mogelijk niet gesprongen explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog voor het onderzoeksgebied O2- en N2-leidingen te Bergen op Zoom. Uit dit onderzoek blijkt dat er in het plangebied geen risico op het voorkomen van niet gesprongen explosieven is.

 

HOOFDSTUK 6 Bestemmingsregeling

 

6.1 Inleiding

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in kaart gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt beschreven waarom het plan wordt opgesteld, welke beleidsregels en uitgangspunten richtinggevend zijn voor het plan en waarom bepaalde voorschriften zijn opgenomen en hoe deze moeten worden geïnterpreteerd. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking.

 

Dit bestemmingsplan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de zuurstof- en stikstofleiding te verleggen naar een nieuw tracé. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een dubbelbestemming en een functieaanduiding. De onderliggende bestemmingen en aanduidingen uit het vigerende bestemmingsplannen en herzieningen daarvan blijven onverkort van toepassing.

6.2 Verbeelding

Welke bestemming de gronden binnen het plangebied hebben, is te zien op de verbeelding. Er is een digitale verbeelding en een analoge verbeelding. Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).

 

Op de verbeelding zijn de leidingen met de bijbehorende belemmeringenstrook weergegeven. Dit deel van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding- Stikstof/Zuurstof’. Daarnaast is een functieaanduiding weergegeven, op het deel van het plangebied waar geen – werkende – leiding meer aanwezig zal zijn. In de bestemming 'Overig - Toepassing ander bestemmingsplan', die voor het gehele plangebied geldt, is vastgelegd dat de planregels van het geldende bestemmingsplan onverkort van toepassing zijn.

 

6.3 Regels

De regels gaan over het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de SVBP 2012 De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

 

6.3.1 Inleidende regels

 

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen, welke van belang zijn voor een juiste toepassing van de regels. In artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven met daarin een nadere uitleg van een aantal in de regels gehanteerde begrippen. Hierdoor wordt de eenduidigheid en daarmee de rechtszekerheid vergroot. Artikel 2 bevat regels die aangeven op welke wijze bepaalde zaken, zoals grondoppervlakte en inhoud van gebouwen dienen te worden bepaald.

 

6.3.2 Bestemmingsregels

 

Dit hoofdstuk bevat artikelen waarin regels zijn opgenomen betreffende de op de verbeelding voorkomende bestemmingen en de op de verbeelding aangegeven aanduidingen met betrekking tot de toegestane (hoofd)bebouwing. Bij de opbouw van deze regels is, voor zover voorkomend binnen de verschillende bestemmingen, de indeling overeenkomstig de SVBP 2012 aangehouden:

In dit onderdeel wordt de materiële inhoud van de bestemming aangegeven: de functies die binnen de bestemming “bij recht” zijn toegestaan. De bestemmingsomschrijving vormt de eerste “toetssteen” voor bouwactiviteiten en/of gebruiksvormen. Beide zijn slechts toegestaan, voor zover zij zullen plaatsvinden binnen de opgenomen omschrijving.

Dit onderdeel geeft aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. Voorop staat dat slechts mag worden gebouwd ten behoeve van de voor de bestemming aangegeven bestemmingsomschrijving.

 

De in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen worden hieronder achtereenvolgens toegelicht.

 

Leiding – Stikstof

Door het plangebied loopt een stikstofleiding. Deze is als dubbelbestemming op de verbeelding opgenomen. Er is aan weerszijden een beschermingzone opgenomen. Middels een opgenomen afwijkingsmogelijkheid kan onder voorwaarden gebouwd worden ten behoeve van de onderliggende bestemmingen. Voor het uitvoeren van andere werken en/of werkzaamheden geldt een vergunningplicht.

 

Leiding - Zuurstof

Door het plangebied loopt een zuurstofleiding. Deze is als dubbelbestemming op de verbeelding opgenomen. Er is aan weerszijden een beschermingzone opgenomen. Middels een opgenomen afwijkingsmogelijkheid kan onder voorwaarden gebouwd worden ten behoeve van de onderliggende bestemmingen. Voor het uitvoeren van andere werken en/of werkzaamheden geldt een vergunningplicht.

 

 

6.3.3 Algemene regels

 

Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel is erop gericht om grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing te laten.

 

Algemene bouwregels

Het onderhavige artikel dient te voorkomen dat situaties ontstaan, welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daarnaast beoogt dit artikel te voorkomen dat bouwwerken die groter of juist kleiner zijn dan in de bouwregels bij de diverse bestemmingen is toegestaan of voorgeschreven, onder het overgangsrecht komen te vervallen. Voor deze bouwwerken gelden de bestaande grotere dan wel kleinere afmetingen als maximaal respectievelijk minimaal toegestaan.

 

Algemene aanduidingsregels

Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het radarverstoringsgebied en de zogenaamde IHCS-zone van de vliegbasis Woensdrecht. Binnen deze zones geldt een beperking van de bouwhoogte.

 

 

 

Algemene afwijkingsregels

Deze afwijkingsmogelijkheden hebben tot doel flexibiliteit in het plan in te bouwen. Het afwijken van de bebouwingsregels, ten behoeve van bijvoorbeeld het oprichten van nutsvoorzieningen en het in beperkte mate afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen, kan in veel gevallen plaatsvinden zonder dat hierdoor het belang van een goede ruimtelijke ordening wordt geschaad. Voor dit soort gevallen is derhalve in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

 

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel zijn voor burgemeester en wethouders enkele mogelijkheden gecreëerd om, via een voorgeschreven procedure, in iets ruimere mate dan bij de “algemene afwijkingsregels” af te wijken van de regels. Het gaat dan echt om een wijziging van het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheden dragen bij aan een meer flexibel plan.

 

Algemene gebruiksregels

In dit artikel zijn regels opgenomen betreffende de plicht om voldoende parkeerplaatsen en laad- en losmogelijkheden te realiseren. Er moet in basis voldaan worden aan de in de bijlage opgenomen Nota Parkeernormering, waarbij de parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen hiervan af te wijken. Er kan worden afgeweken indien door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren wordt gestuit. Eveneens worden afgeweken van de parkeereis als de nodige parkeer- of stallingsruimte op een andere manier wordt voorzien of indien wanneer herziening van het parkeerbeleid hiertoe aanleiding geeft.

 

6.3.4 Overgangs- en slotregels

 

Overgangsrecht

De overgangsregels voor bouwen hebben ten doel de rechtstoestand te begeleiden van bouwwerken welke op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en welke afwijken van de bouwregels van het plan. Overgangsregels voor gebruik betreft het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan (rechtens) afwijkt van de in het onderhavige plan gegeven bestemming.

 

Slotregel

Dit artikel ten slotte, geeft aan onder welke naam de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald (citeertitel).

 

HOOFDSTUK 7 Uitvoeringsaspecten

 

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan als sprake is van bouwplannen, aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan afzien van het vaststellen van een exploitatieplan als:

 

Het bestemmingsplan voorziet niet in de realisering van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1van het Bro.

 

Artikel 3.1.6 Bro bepaalt dat de economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet worden onderzocht. In dit geval levert het onderzoek het volgende op. De risico's verbonden aan de realisering van het project liggen bij de initiatiefnemende partij. Dit wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer.

 

7.2 Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende vergunningen. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de feitelijke situatie. Daarnaast vindt registratie plaats van verleende vergunningen.

 

Handhaving kan plaatsvinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden.

 

Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch een zekere betekenis toegekend.

 

Daarnaast zijn in het bestemmingsplan instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden, de bevoegdheid nadere eisen te stellen en de mogelijkheid om omgevingsvergunningen ten behoeve van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te verlenen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk, voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.

 

HOOFDSTUK 8 Resultaten inspraak en overleg

 

8.1 Inleiding

Het paraplubestemmingsplan “Verleggen stikstof- en zuurstofleiding” heeft tot doel om de aanleg van beide leidingen mogelijk te maken en bevat hiervoor het planologisch kader. Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan wordt een inspraaktraject gevolgd en wordt het plan toegezonden aan de diverse vooroverleginstanties.

8.2 Resultaten vooroverleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerp- bestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen reacties worden betrokken bij de totstandkoming van het bestemmingsplan.

 

8.3 Zienswijzenprocedure

De procedure voorziet in de mogelijkheid voor een ieder om tegen het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Daartoe zal het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende zes weken op het stadskantoor ter inzage worden gelegd. De terinzagelegging zal op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend worden gemaakt. Bewoners binnen het plangebied en direct omwonenden worden per brief op de hoogte gesteld van het ontwerpplan.

 

Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf PM voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn is het voor een ieder mogelijk schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen in te dienen.

8.4 Vervolgprocedure

Na beoordeling van eventueel ingediende zienswijzen zal door het college van burgemeester en wethouders bekeken worden of het plan bijgesteld moet worden. Vervolgens wordt het plan al dan niet gewijzigd ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. Na de vaststelling van het plan wordt het (gewijzigde) bestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen binnen deze termijn beroep en/of een verzoek om voorlopige voorziening aan de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State indienen.