Toelichting
HOOFDSTUK 1 Doel en opzet bestemmingsplan
1.1 Aanleiding en doel
In het kader van een grootschalig netwerk investerings- en vervangingsprogramma (GNIP; Gasunie Network Improvement Program) is Gasunie voornemens om haar ca. 50-jaar oude netwerk te renoveren en te vervangen. Dit met het oog op het verbeteren van het netwerk en het versterken van de betrouwbaarheid (ononderbroken gastransport) daarvan. Tevens wordt met het programma de leiding toegankelijk gemaakt om eenvoudig aan de binnenzijde te kunnen inspecteren.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402000.png)
Figuur 1 ligging bestaande (rood) en nieuw aan te leggen gastransportleiding (paars)
Met artikel 14 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is bepaald dat een 40-bar hoge druk gastransportleiding planologische relevantie kent en dat deze in bestemmingsplannen dienen te worden opgenomen. Het bestemmingsplan heeft als doel deze aanpassing aan het gasnetwerk ter plaatse van de Wouwseweg in Halsteren mogelijk te maken. Voor de benodigde nieuwe leiding wordt de gasleiding planologisch geregeld met een dubbelbestemming. Omdat de belemmeringenstrook ook over andere enkelbestemmingen is gelegen worden ook de onderliggende bestemmingen overgenomen. Hierbinnen wordt het huidige gebruik bevestigd. Met voorliggende plan wordt het nieuwe tracé voorzien van een passend planologisch kader en wordt weer voldaan aan het Bevb.
Het bestemmingsplan “Gasleiding Wouwseweg” bestaat uit drie delen: een (digitale) verbeelding, waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels, waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen, en een toelichting, waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het (juridisch) bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt ten noorden-oosten van het centrum van Halsteren. De begrenzing is afgestemd op de toekomstige ligging van de nieuwe gasleiding en bijbehorende belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van deze leiding. Ter hoogte van het nieuw te realiseren schema omvat het plangebied een groter oppervlakte vanwege de ligging van diverse afsluiters, omloopleidingen en afblaasleidingen.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402001.png)
Afbeelding: globale ligging plangebied
1.3 Geldende bestemmingsplannen
Onderhavig bestemmingsplan 'Gasleiding Wouwseweg' vervangt de volgende voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen:
|
Bestemmingsplan |
Vaststellingsbesluit |
Onheroepelijk |
|
Herstel West-Brabantse Waterlinie |
31-03-2011 |
04-07-2011 |
|
Buitengebied-Noord |
10-04-2014 |
26-08-2015 |
|
Kom Halsteren |
29-01-2009 |
17-11-2010 |
|
Wouwseweg e.o |
31-03-2011 |
09-05-2012 |
Het bestaande GOS en bestaande afsluiterschema zijn in de vigerende bestemmingsplannen reeds bestemd en ondergaan geen planologisch relevante wijziging. Het toekomstige tracé van de nieuwe gastransportleiding is niet planologisch bestemd. Het bestaande afsluiterschema S-7258, momenteel gelegen ten zuiden van de
Wouwseweg (zie fig. 3), wordt verplaatst naar het bovenstaande rode vlak ten noorden van de Wouwseweg. Om de strijdigheid op te heffen en de ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening nodig.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402002.png)
afbeelding: ligging plangebied ten opzichte van vigerende bestemmingsplannen
1.4 Opzet
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
Ruimtelijk kader (hoofdstuk 2)
In 2.1 wordt de huidige ruimtelijke situatie van het plangebied geanalyseerd en beschreven. Daarbij wordt eerst ingegaan op de stedenbouwkundige en functionele structuur van het totale plangebied. Vervolgens worden de uitgangspunten geformuleerd.
Beleidsaspecten (hoofdstuk 3)
In dit hoofdstuk zijn de beleidsuitgangspunten in beeld gebracht. Er wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Onderbouwing op onderdelen (hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijk kader uit hoofdstuk 2 op onderdelen nader onderbouwd. Deze nadere analyse beschrijft per onderdeel de consequenties van het voorgestelde ruimtelijk kader.
Milieuaspecten (hoofdstuk 5)
In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten als gevolg van het voorgestelde ruimtelijk kader nader omschreven.
Bestemmingsregeling (hoofdstuk 6)
Op basis van de voorgaande hoofdstukken is de bestemmingsregeling opgesteld (verbeelding en regels). In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de overwegingen en uitgangspunten van de bestemmingsregeling en op de aangegeven bestemmingen en de inhoud van de bijbehorende regels. Voor wat betreft de opzet van de bestemmingsplan methodiek is aangelsoten op de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de bijbehorende Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP 2012).
Uitvoeringsaspecten (hoofdstuk 7)
In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de uitvoering van het plan. Ingegaan wordt op de aspecten economische uitvoerbaarheid en handhaving.
Resultaten inspraak en overleg (hoofdstuk 8)
Dit hoofdstuk behandelt de wijze waarop het plan voorgelegd is aan de inwoners en instellingen. De resultaten van de inspraak- en overlegprocedure zijn in dit hoofdstuk vermeld.
HOOFDSTUK 2 Ruimtelijk structuur
2.1 Beschrijving huidige situatie
De gasleiding Z-525-03 ligt in de Wouwseweg vanaf de rand van de bebouwde kom tot aan het GOS halverwege de Wouwseweg. Het bestaande afsluiterschema S-7258 ligt in ten zuiden van de Wouwseweg en ten oosten van de oprit van Wouwseweg 4 net buiten de bebouwde kom van Halsteren. In de nieuwe situatie komt het afsluiterschema te liggen in de noordoosthoek van de T-splitsing Zoutendamseweg/Wouwseweg. Het vlak wat hier wordt opgenomen voor het schema ligt deels in een gebied met natuurwaarden. De belemmeringenstrook van de gasleiding valt voor een klein deel over de bestaande bedrijfsbestemmingen heen. Hier is geen bebouwing aanwezig en in het kader van het vigerende bestemmingsplan is hier ook geen bebouwing toegestaan.
2.2 Ontwikkelingen
Gasunie voert dit project uit om de leveringszekerheid en de betrouwbaarheid van haar netwerk te verbeteren. De leiding Z-525-03 wordt verlegd naar een iets noordelijker gelegen trace tot het reeds bestaande gasontvangstation (verder: GOS) aan de Wouwseweg. Daardoor wordt het mogelijk deze leiding intern te inspecteren en is het gastransportnetwerk weer toekomstbestendig. Tevens wordt het bestaande afsluiterschema ten zuiden van de Wouwseweg verwijderd en verplaatst naar de noordkant van de Wouwseweg. Daarmee is ook een kleine aanpassing in de bestaande doorgaande leiding noodzakelijk. In overleg met gemeente Bergen op Zoom is het nieuwe tracé van de leiding Z-525-03 ontworpen.
De aanleg van de leiding zal plaatsvinden door middel van een HDD-boring (horizontal directional drilling) volledig onder de bestaande verharding van de Wouwseweg. Het gedeelte waar het nieuwe afsluiterschema wordt aangelegd en de aansluiting van de boring hierop, zal plaatsvinden in open ontgraving. Datzelfde geldt voor het aansluiten van de boring op de bestaande leiding richting het bestaande GOS. Na afloop van de werkzaamheden, en het herstel van de verharding en groenstroken, zal er niets van de nieuwe leiding bovengronds zichtbaar zijn. De situatie wordt in de oorspronkelijk staat teruggebracht.
De bestaande functies van de gronden blijven behouden. Met het overnemen van de geldende bestemmingen
worden de bestaande regelingen voortgezet
HOOFDSTUK 3 Beleidsaspecten
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. Deze visie vervangt verschillende bestaande nota's op het gebied van ruimtelijke ordening, waaronder de Nota Ruimte.
Het Rijk stelt in de SVIR heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. voor een aanpak die Nederland concurrerend, leefbaar en veilig maakt, is volgens het Rijk een gewijzigde aanpak noodzakelijk. Het Rijk wil de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegenen brengen die het aangaan (burgers en bedrijven) en laat meer over aan gemeentes en provincies ('decentraal, tenzij - principe'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudige regelgeving.
Op basis van de genoemde ambities komt het Rijk tot drie rijksdoelen:
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke-economische structuur van Nederland;
het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Voor de hierboven genoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen geformuleerd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is. Het gaat hier om het volgende:
Een excellente ruimtelijke-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen
Efficiënt gebruik van de ondergrond
Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen
Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem
Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen
Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's
Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling
Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten
Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten
Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Conclusie
Het onderhavige bestemmingsplan is niet strijd met de hierboven besproken rijksbeslangen en geeft hier, voor zover aan de orde, uitvoering aan.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, staan in de AMvB Ruimte (ook wel bekend als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening – Barro). De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen.
3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)
De regels uit het Barro zijn verder uitgewerkt in het Rarro. In het Rarro zijn ruimtereserveringen opgenomen voor de nieuwe aanleg en voor de uitbreiding van de infrastructuur. Ter plaatse van de ruimtereservering mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op basis van het voorgaande bestemmingsplan niet reeds mogelijk waren, met uitzondering van tijdelijke bouwwerken en bijbehorende bouwwerken. Het huidige plangebied is niet opgenomen in één van de ruimtereserveringen van het Rarro.
3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening
Sinds 1 oktober 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de “ladder voor duurzame verstedelijking” zoals opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. Deze zogenaamde ladder bevordert het zorgvuldig afwegen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De “stappen van de ladder” worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).
De huidige Minister van Infrastructuur en Milieu heeft met ingang van 1 januari 2017 de ladder voor duurzame verstedelijking gewijzigd. De minister wil de knelpunten oplossen die in de dagelijkse praktijk werden ervaren bij toepassing van de ladder. Signalen uit de praktijk en de daaruit voortgekomen jurisprudentie hebben er toe geleid dat de minister met betrokken partijen, verkend heeft welke knelpunten de toepassing van de ladder kent. De voornaamste knelpunten zijn:
onduidelijk begrippenkader
toepassing bij globale en flexibele bestemmingsplannen
onderzoekslasten
regionale afstemming
Voor het voorliggende plan is de verwachting, gezien de beperkte omvang van het project en de minimale impact op de omgeving, dat een aanpassing van de ladder van duurzame verstedelijking verder niet van invloed is.
3.1.5 Structuurvisie Buisleidingen
Op 12 oktober 2012 is de Structuurvisie Buisleidingen vastgesteld. Dit is een visie waarmee het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Op basis van de hoofdlijnen uit de Structuurvisie Buisleidingen kunnen provincies en gemeenten het exacte buisleidingtracé bepalen. Uitgangspunt daarbij is zoveel mogelijk bundeling met bestaande buisleidingen(-stroken). De gastransportleiding in dit plan valt niet onder de werkingssfeer van de Structuurvisie Buisleidingen, maar draagt wel bij aan het streven om het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen te laten verlopen.
3.1.6 Besluit externe veiligheid buisleidingen
Op 1 januari 2011 is middels de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de oude circulaire “Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen” uit 1984 vervangen. Op grond van dit besluit (artikel 6, lid 4) mag een buisleiding slechts worden aangelegd of vervangen indien dit in overeenstemming is met het geldend bestemmingsplan of indien voor die aanleg of vervanging een omgevingsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Voor een nadere uitwerking van de externe veiligheidsaspecten wordt verwezen naar paragraaf Externe veiligheid van het volgende hoofdstuk. Hierin worden de resultaten van de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyses (QRA) voor de te verleggen leidingen nader besproken.
3.1.7 Toetsing aan het rijksbeleid
Het voorliggende bestemmingsplan raakt geen Rijksbelangen en geldt verder niet als belemmerende factor voor de in deze paragraaf genoemde beleidsdocumenten. Geconcludeerd kan worden dat het plan strookt met de uitgangspunten van het rijksbeleid.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is beleidsdocument waarin een actualisatie is gemaakt van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie beschrijft een aantal trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen. Daarnaast beschrijft de structuurvisie de onderscheidende kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. Op basis van de beschreven trends en kernkwaliteiten geeft de structuurvisie ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van Noord-Brabant. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Daardoor dragen ontwikkelingen bij aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De ruimtelijke keuzes geven invulling aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang.
De structuurvisie is vanwege actualiteit onveranderd op het gebied van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis en het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden alsmede het concentratiebeleid voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen. Belangrijke beleidswijzigingen, ten opzichte van de structuurvisie van 2010, hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. De structuurvisie is opgebouwd uit 2 delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
De verlegging van de gastransportleidingen heeft geen negatieve invloed op de benoemde elementen, waardoor de ontwikkeling strookt met het beleid van de provinciale structuurvisie.
3.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2017
In de in 2017 gewijzigde verordening, dat geldt als één van de provinciale uitvoeringsdocumenten, vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen vanuit de eerder beschreven structuurvisie naar regels die van toepassing zijn op bestemmingsplannen.
Een aantal speerpunten vanuit de verordening zijn;
ruimtelijke kwaliteit
stedelijke ontwikkelingen
natuurgebieden en andere gebieden met waarden
agrarische ontwikkelingen
overige ontwikkelingen in het buitengebied
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
In de verordening zijn algemene regels opgenomen ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Als een bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, moet zorg worden gedragen voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het betrokken gebied en de naaste omgeving. Daarbij staat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik centraal. Tevens wordt een belangenafweging gevraagd, waarbij de gevolgen in beeld worden gebracht voor cultuurhistorische, ecologische, landschappelijke en aardkundige waarden, bodemkwaliteit, waterhuishouding, monumenten en overige ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Er moet worden aangetoond dat de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past in de omgeving en dat het met de ontwikkeling samenhangende personen- en goederenvervoer goed kan worden afgewikkeld. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling moet gepaard gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied.
Stedelijk concentratiegebied
Het plangebied is grotendeels gelegen in het stedelijk concentratiegebied. Derhalve zijn voor het plan de speerpunten concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik en meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit aan de orde. Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. De verordening vereist dat in de gemeentelijke planvorming wordt verantwoord dat de ruimtelijke mogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk worden benut. Deze verantwoording dient gebaseerd te zijn op concreet beleid vastgelegd in een gemeentelijke structuurvisie. Het accent ligt op inbreiden en herstructureren. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden die compacte bouwwijzen bieden om het ruimtegebruik te intensiveren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. In stedelijke gebieden is dit mogelijk door het combineren van functies als wonen, werk en zorg.
Afbeelding: Uitsnede kaart verordening Ruimte
Bovenstaande uitsnede uit de kaart van de verordening Ruimte laat zien dat in en nabij het plangebied met name aandacht uitgaat naar de thema’s stedelijke ontwikkeling, cultuurhistorie, water en natuur & landschap.
Groenblauwe structuur
Een klein gedeelte van het plangebied, in het bijzonder de locatie waar het nieuwe afsluiterschema is voorzien, is gelegen binnen de groenblauwe structuur. De bestaande of nog om te vormen natuur- en bosgebieden maken onderdeel uit van de nationale ecologische hoofdstructuur. In de Verordening zijn deze gebieden specifiek begrensd en beschermd. Binnen deze gebieden dient het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de gebieden te worden nagestreefd. Nieuwe plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De ecologische hoofdstructuur is op perceelsniveau in de Verordening ruimte opgenomen en vervolgens als zodanig doorvertaald in het bestemmingsplan buitengebied met de bestemming Natuur (gerealiseerd) en een specifiek toegevoegde aanduiding Agrarisch (indien nog te realiseren).
Groenblauwe mantel
Een aantal agrarische gronden, direct grenzend aan de bestaande natuur- en bosgebieden zijn aangeduid als groenblauwe mantel.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402004.png)
Afbeelding: Ligging ontwikkeling ten opzichte van Groenblauwe mantel
Het betreft overwegend grondgebonden agrarisch gebied, met belangrijke nevenfuncties voor natuur, water en (niet-bezoekersintensieve) recreatie. Binnen de groenblauwe mantel zijn eveneens de zogenaamde beheersgebieden van de ecologische hoofdstructuur opgenomen. Dit zijn door Gedeputeerde Staten begrensde gebieden in de ecologische hoofdstructuur gericht op agrarisch natuurbeheer. In deze gebieden wordt op agrarische gronden gewerkt aan inrichting en beheer van natuur en landschap en de kwaliteitsverbetering daarvan op basis van beheersovereenkomsten. Door de nabijheid van de natuurgebieden kunnen de agrarische gronden van de groenblauwe mantel bijdragen aan de bescherming van de aanwezige waarden in de aangrenzende natuurgebieden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water, waterbeheer en landschap vormt hier een belangrijke opgave. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn in dit gebied mogelijk als ze bijdragen aan het behoud en herstel van de landschappelijke en natuurwaarden ter plaatse.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402005.png)
Figuur 6 Uitsnede verordening Ruimte Noord-Brabant
Het voorliggende bestemmingsplan maakt een zeer beperkte en ondergrondse ontwikkeling mogelijk. Min of meer betekent het dat de bestaande ondergrondse infrastructuur wordt verplaatst binnen de beschermde gebieden Natuur Netwerk Brabant en de Groenblauwe mantel. Nadat de nieuwe ondergrondse infrastructuur is aangelegd zal de situatie vrijwel identiek zijn aan de huidige bovengrondse situatie. De ecologische structuren, gebieden en soorten zullen behouden blijven, daarnaast zal de landschappelijke kwaliteit en openheid ten noorden van de Wouwseweg weer in de huidige staat worden hersteld. Doordat er sprake is van een gesloten gastransportsysteem dat wordt aangelegd conform best beschikbare technieken en huidige voorschriften alsmede de werkzaamheden zonder bouwputbemaling kunnen worden uitgevoerd ondervinden ook de hydrologische waarden hiervan geen nadelige hinder.
3.2.3 Toetsing aan het provinciaal beleid
Het voorliggende bestemmingsplan maakt een zeer beperkte en ondergrondse ontwikkeling mogelijk. Min of meer betekent het dat de bestaande ondergrondse infrastructuur wordt verplaatst binnen de beschermde gebieden Natuur Netwerk Brabant en de Groenblauwe mantel. Nadat de nieuwe ondergrondse infrastructuur is aangelegd zal de situatie vrijwel identiek zijn aan de huidige bovengrondse situatie. De ecologische structuren, gebieden en soorten zullen behouden blijven, daarnaast zal de landschappelijke kwaliteit en openheid ten noorden van de Wouwseweg weer in de huidige staat worden hersteld. Doordat er sprake is van een gesloten gastransportsysteem dat wordt aangelegd conform best beschikbare technieken en huidige voorschriften alsmede de werkzaamheden zonder bouwputbemaling kunnen worden uitgevoerd ondervinden ook de hydrologische waarden hiervan geen nadelige hinder.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Bergen op Zoom 2030
De op 22 september 2011 door de gemeenteraad van Bergen op Zoom vastgestelde Structuurvisie voor het grondgebied van de gemeente levert een integrale samenhangende ruimtelijke visie voor de stad Bergen op Zoom en de kernen Halsteren, Lepelstraat, Heimolen, Klutsdorp en Kladde. De planhorizon van de structuurvisie reikt tot 2030. Binnen die termijn moet rekening worden gehouden met een lichte bevolkingskrimp als geheel, maar vooral ook met een daling van de beroepsbevolking door een toenemende vergrijzing. In het document wordt onder meer ingegaan op hoe verder te gaan met de reeds in gang gezette woonprojecten, de toekomst van de bedrijventerreinen, de fysieke infrastructuur, de recreatieve potenties, het water en het groen in en rondom de stad. De structuurvisie vormt geen belemmering voor de vervanging van de gasleiding.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402006.png)
Afbeelding. Uitsnede structuurvisiekaart Structuurvisie Bergen op Zoom 2030.
3.3.2 Groenstructuurplan
Het Groenstructuurplan Bergen op Zoom 2007-2017 is een kadernota die gebruikt dient te worden bij de ontwikkeling van plannen en projecten in de ruimtelijke ordening van de gemeente Bergen op Zoom. Het doel van deze nota is het ontwikkelen van een duurzame groenstructuur voor de kernen van de gemeente voor de komende tien jaar. De opgave is de structuren te verbinden en te (her)structureren zodanig dat zij samen de robuuste groene structuur gaan vormen. Het Groenstructuurplan beschrijft sfeerbeelden voor het groen in wijken en buurten, waarop het beheer afgestemd wordt. Hett Groenstructuurplan kan als bouwsteen dienen voor het bestemingsplan.
3.3.3 Waterplan
Voor de gemeente Bergen op Zoom is in 2001 een waterplan opgesteld waarin alle verschijningsvormen van water in samenhang zijn bekeken. Het opstellen van het plan heeft plaatsgevonden in samenwerking met alle betrokken waterpartners en is in februari 2002 vastgesteld. Op basis van de uitgangspunten van het waterplan is het vigerende Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) van kracht geworden in 2003. Dit plan is geactualiseerd en als verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP 2013-2017) in februari 2013 door de gemeenteraad vastgesteld.
Het waterplan besteedt integraal aandacht aan de ontwikkelingen en problemen op het gebied van watersystemen en waterketen. Het watersysteem bestaat uit hemel-, grond- en oppervlaktewater. De waterketen omvat alle drink- en afvalwater, kortom alle water in de buis. Met het waterplan willen de waterpartners het beleid meer op elkaar afstemmen. Bovendien willen ze gezamenlijk werken aan het herstel van veilige, gezonde, duurzame en veerkrachtige watersystemen en een duurzame, samenhangende waterketen. Daarbij staat centraal de verbetering van het leefmilieu van mens, dier en plant alsmede het evenwicht in economische en ecologische ontwikkelingen.
Vanuit de gezamenlijke beleidsplannen is een visie voor de gewenste situatie in 2050 (streefbeeld) ontwikkeld voor het waterplan. Vervolgens zijn aan de hand van het streefbeeld de ambities voor de lange, korte en middellange termijn vastgelegd. Kernelementen van het streefbeeld c.q. de lange termijn ambitie zijn:
schoon oppervlaktewater en waterbodem;
schoon grondwater;
evenwichtige flora en fauna;
water vasthouden en bergen;
voorkomen wateroverlast;
alleen afvalwater zuiveren (geen regenwater via de riolering transporteren/lozen);
duurzame watervoorziening (beperkt drinkwatergebruik en water op maat).
In het watersysteem van de gemeente Bergen op Zoom zijn 7 stroomgebieden te onderscheiden. Voor elk stroomgebied is de huidige situatie bepaald en een toetsing aan de ambities uitgevoerd om de maatregelen te formuleren. In de stedelijke wateropgave van de gemeente uit 2009 is het betreffende waterbeleid herbevestigd en geactualiseerd met betrekking tot de beleidsdoelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water en de gestelde normen met betrekking tot het voorkomen van wateroverlast in relatie tot de klimaatverandering. Alle te nemen maatregelen zijn vervolgens nader omschreven in het vijfjaarlijks te actualiseren rioleringsplan van de gemeente.
3.3.4 Beleidsvisie Externe Veiligheid 2013-2016 Gevoeligheidsanalyse groepsrisico Bevi-inrichtingen
Beleidsvisie Externe Veiligheid 2013 - 2016
De gemeente Bergen op Zoom wil zorgen voor een blijvend maatschappelijk aanvaardbare risicosituatie voor burgers in relatie tot activiteiten met gevaarlijke stoffen in de omgeving. De acceptatie van risico’s wordt gestuurd door:
de ambitie om een veilige woonomgeving te creëren voor de inwoners;
de ambitie om vanuit een economisch en sociaal perspectief bedrijven voldoende kansen te bieden om zich in Bergen op Zoom te vestigen, een gezonde bedrijfsvoering te ontwikkelen en werkgelegenheid te creëren.
Deze ambitie is voor verschillende gebiedstypen verder uitgewerkt. Hieronder wordt de essentie van het gemeentelijk beleid samengevat. Voor de bestaande en nieuwe risicovolle bedrijven moet er binnen de gemeentegrenzen plaats blijven. Nieuwe Bevi-bedrijven worden echter uitsluitend toegelaten op de bedrijventerreinen Theodorushaven en Noordland. De gemeente streeft er naar dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Ook wordt ernaar gestreefd dat er geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen zoals kinderen, bejaarden en zieken binnen het invloedsgebied van een risicovol bedrijf of transportas worden gerealiseerd. Bij bestaande kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen invloedsgebieden van risicobronnen wordt extra aandacht besteed aan risicocommunicatie.
Om de gekozen beleidslijnen te vertalen naar concrete acties en maatregelen is een uitvoeringsprogramma opgesteld met een looptijd van vier jaar. Samenwerking tussen verschillende gemeentelijke disciplines en de brandweer staat bij de uitvoering centraal.
Gevoeligheidsanalyse groepsrisico Bevi-inrichtingen
In het kader van het uitvoeringsprogramma Externe Veiligheid 2011 is een gevoeligheidsanalyse groepsrisico voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uitgevoerd. In de analyse, die door de gemeenteraad is vastgesteld op 6 maart 2012, zijn de toekomstplannen van de gemeente uit de structuurvisie getoetst op ‘groepsrisico’; dit wel zeggen dat per Bevi-bedrijf - bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken - is berekend wat in de toekomst de gevolgen zijn voor de omgeving van het bedrijf, als er een incident zou plaatsvinden.
Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat de toekomstplannen niet leiden tot een toename van het groepsrisico. Daarnaast blijkt dat diverse grootschalige ontwikkelingen tegelijkertijd mogelijk zijn zonder dat een knelpunt voor groepsrisico ontstaat. Zolang nieuwe of herziene bestemmingsplannen passen binnen de structuurvisie, zal het plan geen gevolgen hebben voor het groepsrisico.
In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid.
3.3.5 Toetsing aan het gemeentelijk beleid
Het voorliggende bestemmingsplan raakt geen belangen van gemeentelijk niveau en geldt verder niet als belemmerende factor voor de in deze paragraaf genoemde beleidsdocumenten. Geconcludeerd kan worden dat het plan strookt met de uitgangspunten van beleid van de gemeente Bergen op Zoom.
HOOFDSTUK 4 Onderbouwing op onderdelen
In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijke kader en de hierin geformuleerde uitgangspunten op de relevante onderdelen nader onderbouwd. Aan bod komen cultuurhistorie en archeologie, flora en fauna en water.
4.1 Cultuurhistorie en Archeologie
4.1.1 Archeologie
Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door alle lidstaten van de Raad van Europa. Eén van de doelstellingen van het Verdrag is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Dat is dan ook de reden dat de wetgever ervoor gekozen heeft om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg op 1 september 2007 is de beleidsuitvoering van het archeologische beleid bij gemeenten komen te liggen. De gemeenten hebben de plicht om in bestemmingsplannen aan te geven welke archeologische waarden worden verwacht en mogelijk in het geding zijn.
Slechts één van de vigerende bestemmingsplannen waarbinnen de ontwikkeling is gelegen (‘Kom Halsteren), heeft op de betreffende locatie de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’.
Het gebied waarbinnen de ondergrondse ontwikkelingen zich afspelen, zijn reeds geroerde gronden. Enerzijds door de aanleg van de bestaande gastransportleiding en anderzijds door andere infrastructurele objecten. Het betreffende archeologisch waardevolle gebied is binnen het plangebied ‘Kom Halsteren’ gelegen, in het midden van het in- en uittredepunt van de boring, en daarmee op het punt waar de HDD-boring op zijn diepste punt is.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402007.png)
Afbeelding: Illustratieve weergave dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie’ ter hoogte van de boorlijn
Deze boring gaat ver onder de eventuele archeologische vindplaatsen door en heeft daardoor geen nadelige invloed op het aspect archeologie.
Indien tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden onverhoopt archeologische waarden worden aangetroffen dan zal opdrachtgever hiervan melding maken conform artikel 53 van de Monumentenwet. De gemeente Bergen op Zoom zal hiervan op de hoogte worden gebracht als bevoegd gezag zijnde.
4.1.2 Cultuurhistorie
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van nieuwe bestemmingsplannen, maar ook bij het afwijken van bestemmingsplannen door toepassing van de zogenaamde uitgebreide afwijkingsbevoegdheid uit de Wabo, rekening moeten houden met de in en rondom het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Onder cultuurhistorische waarden vallen naast archeologische waarden ook monumenten, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten, die op basis van de Monumentenwet zijn aangewezen.
Rondom de kern van Halsteren is een grote diversiteit aan verschillende landschappen zichtbaar. Onderstaande figuur geeft een goed beeld van de diverse cultuurhistorische gebieden.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402008.png)
Afbeelding: Ligging van de cultuurhistorisch waardevolle gebieden
In het buitengebied bepaalt de landbouwfunctie van oudsher het gebruik. Hierdoor zijn cultuurhistorisch waardevolle gebieden ontstaan die in de huidige tijd ook een belangrijke recreatieve functie vervullen.
Eén van de vigerende bestemmingsplannen, ‘Buitengebied-Noord’, kent een bescherming in de zin van de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie-1’.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402009.png)
afbeelding: Ligging van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie -1'
Inzoomend op de locatie waar het nieuwe afsluiterschema wordt gerealiseerd, is de bestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie -1’ gelegen. Deze locatie zijn tijdens de werkzaamheden worden vergraven, echter na het aanleggen van het leidingwerk zal dit weer in oorspronkelijke staat worden hersteld. Daarmee blijft de cultuurhistorische waarde onveranderd.
In, om in de directe omgeving van, het projectgebied zijn geen historische bouwwerken of monumentale panden met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen. De verlegging van de gastransportleiding is dan ook niet van (negatieve) invloed op de cultuurhistorie ter plaatse.
Zoals beschreven zal de cultuurhistorische waarde door de aanleg van de gastransportleiding niet worden geschaad.
4.1.3 Explosieven
Op basis van de reeds uitgevoerde vergravingen in de ondergrond en historische gegevens is de verwachting dat het onderzoeksgebied niet getroffen is door oorlogshandelingen waarbij conventionele explosieven (CE) zijn ingezet. Het onderzoeksgebied is onverdacht op het aantreffen van CE in de bodem.
4.2 Flora en Fauna
Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet zijn de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet samengevoegd tot één nieuwe wet. De bevoegdheden zijn hierbij meer komen te liggen bij de provinciale overheden. Een uitzondering hierop zijn ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor de natuur hebben, waaronder het gastransportnetwerk van Gasunie. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) blijft hiervoor het bevoegd gezag.
4.2.1 Gebieden
In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in soorten en gebieden. Met name voor gebieden valt de wetgeving terug op Europese regelgeving van de Habitat- en Vogelrichtlijn waardoor er weinig verandert. Het plangebied is niet gelegen in, of in nabijheid van, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied. Onderstaande figuur laat zien dat het projectgebied niet is gelegen binnen een Natura-2000 gebied.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402010.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402010.png)
Afbeelding: Ligging plangebied ten op zichte van Natura-2000 gebieden
4.2.2 Soorten
De verandering die de Wet natuurbescherming voor soorten met zich mee heeft gebracht is dat er nieuwe soorten beschermd zijn en eerder beschermde soorten juist geen beschermde status meer hebben. Per provincie is hierin onderscheid gemaakt waardoor de soortenbescherming niet meer landelijk gelijk is.
Vanuit de natuurwetgeving blijft bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden of (mitigerende) maatregelen kunnen worden genomen. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer heeft dan ook een Quickscan naar flora en fauna verricht op en rond de projectlocatie.
Quickscan
Aan de hand van gegevens uit de bureaustudie , de aanwezige biotoop en ecologische expertise is een inschatting gemaakt met betrekking tot het (mogelijk) voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Tevens is natuurinformatie opgevraagd bij de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), waaruit blijkt dat er geen registraties zijn gemeld van beschermde soorten. Tijdens een veldbezoek werden geen beschermde soorten binnen het plangebied aangetroffen en er worden geen beschermde soorten in het plangebied verwacht.
Er worden voor modificatie S-7258 mogelijk enkele bomen gekapt of gesnoeid. Daarnaast worden enkele struiken verwijderd. In en nabij de potentieel te kappen bomen zijn geen jaarrond beschermde nesten of holtes aangetroffen die door vogels als nest gebruikt kunnen worden.
In en nabij de potentieel te kappen bomen zijn geen holtes aangetroffen die door vleermuizen als verblijfsplaats gebruikt kunnen worden. In de NDFF staan in de omgeving van de plangebieden geen bijzondere waarnemingen van vleermuizen.
De gehele omgeving zou mogelijk in gebruik kunnen zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Bomen en watergangen kunnen door vleermuizen gebruikt worden als vliegroute. Er moet tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met lichtoverlast op potentiële foerageergebieden en vliegroutes. Omdat er geen nader onderzoek geweest is naar de aanwezigheid van vliegroutes moet worden aangenomen dat de (laan)bomen en watergangen een vliegroute zijn en dienen deze afgeschermd te worden van directe lichtval.
Het aantasten van de potentiële vliegroute door het verwijderen van de bomen zal mogelijk verstoring opleveren. Maar de bomen achter de te kappen bomen biedt een acceptabel alternatief als vliegroute.
Zowel vleermuizen als broedende vogels zijn beschermd in Nederland. In geval van werkzaamheden in het broedseizoen dienen vooraf mitigerende maatregelen te worden genomen om de omgeving onaantrekkelijk te maken voor broedende vogels. Een voortoetsing aan de Natuurbeschermingswet en/of NNN is niet benodigd. Een ontheffing in het kader van de Natuurbeschermingswet is dan ook niet aan de orde.
Het verwijderen van de bomen en beplanting zal in overleg (en mogelijk op basis van een omgevingsvergunning van) met gemeente Bergen op Zoom moeten worden uitgevoerd.
4.3 Water
Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
4.3.1 Watergangen en -keringen
De leggerkaart van het waterschap laat zien dat in het plangebied geen enkele watergang en/of -kering is gelegen. Dat betekent dat de voorgenomen ontwikkeling niet van invloed is op oppervlaktewater of dijklichaam.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402011.png)
Afbeelding: Situatie watergangen in nabijheid plangebied
4.3.2 Grondwater
Het leidingmateriaal is, mede vanwege veiligheidsredenen, zodanig afgesloten dat lekkage van het aardgas en infiltratie van grondwater in de leiding onmogelijk is. Invloed op de grondwaterkwaliteit is daarom afwezig.
Zoals beschreven wordt de gastransportleiding gedeeltelijk aangelegd door middel van open ontgraving. De te graven sleuf dient ten tijde van aanleg volledig droog te zijn, naar verwachting is hier vanwege de lage grondwaterstand, geen bouwputbemaling benodigd.
Opgemerkt moet worden dat een gedeelte van het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. De aanwezigheid van de leiding op ca. 1m-mv zal geen nadelige gevolgen hebben voor het grondwaterbeschermingsgebied. Het aanleggen van het nieuwe leidingwerk zal uiteraard plaatsvinden in overleg met Provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402012.png)
Afbeelding: Ligging plangebied ten op zichte van het grondwaterbeschermingsgebied
4.3.3 Watertoets
Bij nieuwe bestemmingsplannen en afwijkingen daarvan dient het betreffende waterschap gehoord te worden in het kader van vooroverleg, alsmede het verrichten van een watertoets. In voorliggend geval betreft het een ontwikkeling in het kader van het onderhoudsprogramma van de Gasunie. Er is geen sprake van watergangen en/of –keringen in de omgeving. Daarnaast is er geen sprake van en toename van een bebouwd en/of verhard oppervlak.
De invloed op de waterhuishouding dient zoveel als mogelijk te worden geminimaliseerd dan wel geneutraliseerd. Voor de in de bodem achterblijvende, niet langer gebruikte leidingen betekent dit dat elk risico op een mogelijke invloed door deze leidingen achterwege dienen te blijven; hiertoe worden deze onbruikbare leidingen op zowel veilige als voldoende wijze afgevuld. Bij de nieuw te gebruiken leidingen wordt met de vergunning(en) met betrekking tot de Keur vanuit het waterschap het risico ten aanzien van de waterhuishouding op voldoende wijze ondervangen.
Na de werkzaamheden wordt alles overeenkomstig weer ingericht conform de huidige situatie. Van blijvende invloeden van de ontwikkeling op de waterhuishouding is dan ook geen sprake. Er kan worden afgezien van het uitvoeren van de watertoets.
Juridische vertaling
Ruimtelijk zijn de voorzieningen, die aanwijsbaar zijn in relatie tot het water, met de benodigde aanduiding op de verbeelding aangeduid ten behoeve van de waterhuishouding.
4.4 Conclusie
De hierboven beschreven paragrafen hebben een nadere analyse van het plangebied weergegeven waarin de beknopte conclusies uit enkele relevante onderzoeksrapporten zijn weergegeven. Zoals omschreven zullen bepaalde aspecten bij uitvoering nadere aandacht moeten krijgen om de invloed op de omgeving te beperken. Deze aandacht zal door de opdrachtgever in acht worden genomen, waardoor de werkzaamheden op een verantwoorde wijze zullen worden verricht. De omgevings-aspecten geven dan ook geen aanleiding om de bestemmingsplanprocedure geen verder vervolg te geven.
HOOFDSTUK 5 Milieuaspecten
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verantwoording van de ontwikkelingen van de voorliggende planologische afwijking met het oog op milieu- en omgevingsaspecten.
5.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Dit paraplubestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van een hoge druk aardgastransportleiding. Daarmee wordt een activiteit mogelijk gemaakt die wordt genoemd in bijlage D bij het Besluit m.e.r. : “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van aardgas” (D 8.2).
Voor de voorgenomen ontwikkeling dient gemotiveerd te worden of sprake is van negatieve effecten op het milieu. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling dient een m.e.r.-procedure, een m.e.r.-beoordelingsprocedure of een vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure uitgevoerd te worden. Deze verplichting komt voort uit de wijziging van het besluit mer per 1 juli 2017, in het bijzonder artikel 2, lid 5 onder b (overige gevallen) van het besluit in combinatie met bijlage D 8.1.
Het doel van een m.e.r.-beoordeling is om te analyseren in hoeverre sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Als uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kan het bevoegd gezag besluiten een m.e.r.-procedure op te starten. Als de milieugevolgen beperkt zijn of hier in het plan goed mee om kan worden gegaan, volstaat deze m.e.r.-beoordelingsnotitie. De m.e.r.-beoordeling is dan afgerond en vormt dan een bijlage bij het ruimtelijk besluit (omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan of een bestemmingsplan).
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een mer-aanmeldnotitie opgesteld waaruit geconcludeerd kan worden dat een verdere MER-beoordeling niet aan de orde is. Dit document is opgesteld op 29 november 2017 met kenmerk VDH-1710-0422-2.
5.2 Lucht
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) bevat luchtkwaliteitseisen voor luchtkwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling zal vallen onder de categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit door de zeer beperkte wijziging van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Een project valt in de bovengenoemde categorie wanneer de bijdrage van de activiteit onder 3% blijft van de jaargemiddelde grenswaarde van de concentraties fijn stof en stikstofoxide . Er kan met zekerheid gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling onder deze grenswaarde blijft.
5.3 Externe veiligheid
Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (bijvoorbeeld een chemische fabriek of lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (bijvoorbeeld route gevaarlijke stoffen of buisleidingen).
In onderstaand beeld is een inventarisatie van alle risicobronnen in de direct omgeving weergegeven. Naast het gasontvangstation is nog een inrichting gevestigd, deze ligt echter op dusdanige afstand van de gastransportleiding dat deze geen invloed op elkaar hebben. Gasunie verzorgt 2-maandelijks voor het aanleveren van nieuwe en actuele informatie ten behoeve van de risicokaart. Na het in bedrijf nemen van de nieuwe leiding zal de risicokaart worden aangepast.
![i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402013.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0240-0701_402013.png)
Afbeelding: Uitsnede risicokaart, in paars de nieuwe ligging illustratief weergegeven
5.3.1 Besluit externe veiligheid Buisleidingen
In de huidige wetgeving op het gebied van externe veiligheid (Bevb) worden de veiligheidsrisico’s uitgedrukt in plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het Bevb regelt onder meer welke veiligheidsafstanden in acht genomen moeten worden voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. In het Bevb wordt een grenswaarde voor het PR gegeven, terwijl het Groepsrisico een oriënterende waarde kent.
5.3.2 Kwantitatieve risicoanalyse
Om te beoordelen of de nieuw te leggen leiding voldoet aan het Bevb is een Kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd (QRA). De bijgevoegde QRA is opgesteld aan de hand van de bevolkingsdata van de populatieservice van BAG, d.d. 18 september 2017. De uitkomst hiervan is opgenomen in het rapport ‘QRA gastransportleiding Z-525-03 te Halsteren’. De conclusies uit de rapporten wordt in onderstaande kort beschreven.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico van gastransportleidingen voldoet in het plangebied het Bevb en Revb. De gestelde voorwaarde, dat het PR van deze leiding op een afstand van vier meter gemeten uit het hart van de leiding niet hoger is dan 10-6 per jaar. Het niveau van 10-6 wordt niet bereikt waardoor dan tevens voldaan wordt aan de voorwaarde dat er zich geen kwetsbare objecten binnen deze contour bevinden.
Groeprisico
Het groepsrisico van de kilometer leiding in de gastransportleiding Z-525-03 waarbinnen zich de voorgenomen leidingverlegging zicht afspeelt, is vergeleken met de oriëntatiewaarde voor buisleidingen. Gebleken is dat het Groepsrisico kleiner is dan de in het Bevb gestelde richtwaarde. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het standaardadvies van de Veiligheidsregio in Bijlage 8.
Zowel het Groepsrisico als het Plaatsgebonden Risico voldoen aan de normen van het Bevb. De nieuwe tracés hebben geen (nadelige) gevolgen voor PR en GR.
5.4 Bodem
Voorafgaand aan de voorgenomen ontwikkeling dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
Bij de Gasunie is bekend dat de afsluiterschema’s verdachte locaties zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging met minerale olie, vluchtige aromaten en tetrahydrothiofeen, welke allen uit het te transporteren aardgas afkomstig zijn. De mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging heeft de aandacht bij de opdrachtgever, waardoor dan ook bodemonderzoek is verricht op twee locaties .
Omdat de werkzaamheden zich met name in en op de bodem zullen plaatsvinden is historisch milieukundig onderzoek verricht op locaties waar graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Hiermee is getracht relevante informatie met betrekking tot het voormalig en huidige gebruik te verzamelen en tevens potentieel verdachte activiteiten zichtbaar te maken die de bodemkwaliteit op de locatie mogelijk hebben beïnvloed.
Het eerste onderzoek geeft de volgende resultaten:
In de opgeboorde grond zijn zintuiglijk waarnemingen gedaan, die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. In de bovengrond van boringen 01, 02 en 03 (0,08 - 0,50 m -mv.) zijn sporen puin aangetroffen. In de ondergrond (0,40 - 2,00 m -mv.) zijn zwakke bijmengingen met puin en brokken baksteen waargenomen.
In zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte stoffen aangetoond.
In het grondwater ter plaatse van het afsluiterschema (peilbuis 02) zijn licht verhoogde concentraties aan barium, nikkel en zink aangetoond. De verhoogde concentraties aan barium en nikkel zijn te wijden aan een natuurlijke oorsprong. De herkomst van de verhoogde concentratie aan zink is onbekend.
Ter hoogte van de locatie nabij S-7259 zijn geen veiligheidsmaatregelen benodigd ten tijde van de graafwerkzaamheden
De verzamelde informatie uit het onderzoek nabij S-7258 geeft geen aanwijzing voor aanwezigheid van bodemverontreiniging. Ter plaatse van het afsluiterschema zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan lood en PCB’s in de bovengrond aangetoond, welke niet gerelateerd zijn aan het afsluiterschema en een onbekende oorzaak hebben. De ondergrond bevat verhoogde concentraties van PCB’s en benzeen.
In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium, nikkel, zink, minerale olie, xylenen en vinylchloride aangetroffen. De lichte verhoging aan barium wordt toegewijd aan natuurlijke oorsprong, de lichte verhoogde concentraties van minerale olie en xylenen zijn mogelijk toe te wijden aan activiteiten van Gasunie. Gezien de ouderdom van het afsluiterschema is de verwachting dat de bodemverontreiniging deels is ontstaan voor 1987. De overige verhoogde concentraties hebben andere oorzaken.
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. De resultaten van dit bodemonderzoek, gecombineerd met een juiste methode van uitvoering conform CROW132b in de basisklasse, zijn niet van nadelige invloed op de milieusituatie ter plaatse.
Asbest
Ter hoogte van het schema S-7258 is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd nadat asbestverdachte materialen zijn aangetroffen bij het graven van een werkput nabij de bestaande leiding. Het onderzoek wijst uit dat er asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen in het formaat <16mm, maar ook >16mm. De interventiewaarde wordt overschreden. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest.
Na het constateren van deze asbestvervuiling is er direct gestart met het uitvoeren van een sanering van de betreffende locatie. In overleg met de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB) is er een BUS-melding tijdelijk uitplaatsen opgesteld en ingediend. Op 6 februari 2017 is er van deze werkzaamheden een evaluatierapport aan de OMWB toegestuurd, waarop een instemming is ontvangen op de uitgevoerde sanering. De aanstaande werkzaamheden zullen daarmee geen nadelige invloed hebben op de ondergrond.
5.5 Geluid, geur, lichthinder, windhinder en mobiliteit
Het betreft een ondergrondse leiding waarbij de milieuaspecten geluid, geur, lichthinder, windhinder en mobiliteit niet van toepassing zijn.
5.6 Kabels en Leidingen
In de directe omgeving van de aan te leggen gastransportleiding is nog een andere planologisch relevante transportleiding gelegen . Het betreft de waterleiding van Evides. De boring voor de Gasunie zal de waterleiding kruisen, hierover zal nadere afstemming met de leidingbeheerder worden gezocht.
Uiteraard moet bij de aanleg van de gastransportleiding rekening gehouden worden met andere eventueel aanwezige andere ondergrondse infrastructuur. In ieder geval zal een Klic-melding worden gedaan om de mogelijke aanwezigheid van andere kabels en leidingen te inventariseren en eventuele maatregelen te treffen in overleg met de leidingbeheerder(s).
5.7 Conclusie
De hierboven beschreven paragrafen hebben een nadere analyse van het plangebied weergegeven waarin de beknopte conclusies uit enkele relevante onderzoeksrapporten zijn weergegeven. Zoals omschreven zullen bepaalde aspecten bij uitvoering nadere aandacht moeten krijgen om de invloed op de omgeving te beperken. Deze aandacht zal door de opdrachtgever in acht worden genomen, waardoor de werkzaamheden op een verantwoorde wijze zullen worden verricht. De milieu-aspecten geven dan ook geen aanleiding om de bestemmingsplanprocedure geen verder vervolg te geven.
HOOFDSTUK 6 Bestemmingsregeling
6.1 Inleiding
Een bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de toelichting, de regels en een of meerdere
verbeeldingen. De verbeelding en de daarin aangewezen bestemmingen en regels vormen tezamen het juridische plan. De toelichting heeft geen rechtskracht. In de toelichting worden de achtergronden en beweegredenen aangegeven die hebben geleid tot de bestemmingen. De regels omvatten de omschrijvingen van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel wordt aangegeven.
In deze paragraaf wordt ingegaan op de juridische opbouw van het plan. Aan de orde komen onder meer de opbouw van de regels, de relatie tussen regels en kaarten en de beschrijving van
de in de regels vastgelegde bestemmingen.
De regelgeving, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening, biedt de gemeente de mogelijkheid tot het opstellen van bestemmingsplannen met een grote mate van flexibiliteit en globaliteit. Planvormen kunnen zodanig worden gekozen dat ingespeeld kan worden op zich wijzigende omstandigheden en op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen, zodat in veel gevallen het bestemmingsplan minder vaak behoeft te worden aangepast.
In het voorliggende plan is ervoor gekozen om het tracé van de nieuw aan te leggen gastransportleiding exact te bestemmen met een aanduiding, inclusief de bijbehorende belemmeringenstrook. Daarnaast biedt het plan de flexibiliteit om het afsluiterschema gelegen aan de noordzijde van de Wouwseweg nader in te passen door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Tevens kan met deze bevoegdheid de aanduiding van de bestaande gastransportleiding van de verbeelding van het voorliggende plan worden verwijderd.
6.2 Verbeelding
Welke bestemming de gronden binnen het plangebied hebben, is te zien op de verbeelding. Er is een digitale verbeelding en een analoge verbeelding. Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).
6.3 Regels
De regels gaan over het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de SVBP 2012 De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels, met daarin begripsbepalingen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten;
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, met daarin per bestemming onder meer een bestemmingsomschrijving, bouwregels en afwijkingsregels;
Hoofdstuk 3: Algemene regels, met daarin algemene regels en bouw-, afwijkings- en wijzigingsregels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, met daarin het overgangsrecht en de slotregel.
6.3.1 Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat twee artikelen, welke van belang zijn voor een juiste toepassing van de regels. In artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven met daarin een nadere uitleg van een aantal in de regels gehanteerde begrippen. Hierdoor wordt de eenduidigheid en daarmee de rechtszekerheid vergroot. Artikel 2 bevat regels die aangeven op welke wijze bepaalde zaken, zoals grondoppervlakte en inhoud van gebouwen dienen te worden bepaald.
6.3.2 Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat artikelen waarin regels zijn opgenomen betreffende de op de verbeelding voorkomende bestemmingen en de op de verbeelding aangegeven aanduidingen met betrekking tot de toegestane (hoofd)bebouwing. Bij de opbouw van deze regels is, voor zover voorkomend binnen de verschillende bestemmingen, de indeling overeenkomstig de SVBP 2012 aangehouden:
Bestemmingsomschrijving
In dit onderdeel wordt de materiële inhoud van de bestemming aangegeven: de functies die binnen de bestemming “bij recht” zijn toegestaan. De bestemmingsomschrijving vormt de eerste “toetssteen” voor bouwactiviteiten en/of gebruiksvormen. Beide zijn slechts toegestaan, voor zover zij zullen plaatsvinden binnen de opgenomen omschrijving.
Bouwregels
Dit onderdeel geeft aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. Voorop staat dat slechts mag worden gebouwd ten behoeve van de voor de bestemming aangegeven bestemmingsomschrijving.
De in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen worden hieronder achtereenvolgens toegelicht.
Groen (G)
De gronden met deze bestemming betreffen gebieden met (openbare) groenvoorzieningen welke binnen de ruimtelijke hoofdopzet van het plan van belang zijn en om die reden behouden dienen te blijven. Binnen het plangebied hebben deze groenstroken tevens de functie voor speelvoorziening, aangrenzend groen bij de parkeerplaatsen of afschermend groen naar de omliggende functies. Binnen de bestemming ‘Groen’ is uitsluitend de bouw van andere bouwwerken, zoals speelvoorzieningen, toegestaan.
Natuur (N)
De aanwezige natuurwaarden ten zuiden van de Markiezaatsweg zijn binnen deze bestemming beschermd. Voor een deel is de ecologische hoofdstructuur hierbinnen gelegen. Alleen andere bouwwerken ten dienste van de bestemming zijn toegestaan. Ter bescherming van de natuurwaarden is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor activiteiten die schade kunnen veroorzaken.
Verkeer 1(V-1)
Deze bestemming is opgenomen voor alle wegen binnen het plangebied, zowel de wegen met een belangrijke stroomfunctie als wegen bestemd voor bestemmingsverkeer. Ook verkeersgebieden waarbinnen de verblijfsfunctie primair staat (parkeerterreinen, pleinen) vallen binnen deze bestemming. Binnen de bestemming is onder andere het oprichten van straatmeubilair toegestaan. Alleen andere bouwwerken zijn toegestaan. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de verkeersbestemming te kunnen wijzigen in de bestemming ‘Wonen’, waardoor het mogelijk is perceelsgedeelten bij woningen te kunnen vergroten.
Verkeer 2 (V-2)
Deze bestemming is opgenomen voor alle wegen buiten de bebouwde kom , zowel de wegen met een belangrijke stroomfunctie als wegen bestemd voor bestemmingsverkeer. Ook verkeersgebieden waarbinnen de verblijfsfunctie primair staat (parkeerterreinen, pleinen) vallen binnen deze bestemming. Binnen de bestemming is onder andere het oprichten van straatmeubilair toegestaan. Alleen andere bouwwerken zijn toegestaan. De Om de waarde van waardevolle wegen te beschermen is een vergunningenstelsel opgenomen die voor werkzaamheden die deze waarden zouden kunnen aantasten.
Leidingen
Voor het veiligstellen van de in het plangebied gelegen leidingen zijn stroken ter weerszijden van de op de plankaart aangegeven leidingen aangewezen als beschermingszone. In de voorschriften is bepaald dat op deze gronden slechts gebouwd mag worden na afwijking, met uitzondering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de leiding(en). Voorts is er een vergunningenstelsel van kracht, om te voorkomen dat diepwortelende beplantingen of bomen worden aangebracht, dan wel heiwerkzaamheden of werkzaamheden betreffende het ophogen of egaliseren, bodemverlagen of afgraven worden verricht. De afwijking respectievelijk de aanlegvergunning wordt verleend indien de belangen van de leiding(en) niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en nadat advies is ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding(en).
Waarde - Archeologie
Voor het gedeelte van het plangebied waar een middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt is deze dubbelbestemming opgenomen. Hiermee worden eventuele archeologische waarden beschermd. Voor het uitvoeren van andere werken is een vergunningstelsel opgenomen. Dit vergunningstelsel is van toepassing op het moment dat er over een oppervlakte van 100m2 en dieper dan 0,5 m werkzaamheden plaatsvinden. Met inachtneming hiervan zijn op deze gronden eveneens bouwwerken ten behoeve van de onderliggende bestemmingen toegestaan.
Waarde – Cultuurhistorie (WR-C)
In verband met geomorfologische en historisch landschappelijke waarde van gebied gelegen aan de noordoostzijde van het plangebied net buiten de bebouwde kom, is gekozen voor een dubbelbestemming tot behoud van deze waarde. Door middel van o.a. een vergunningenstelsel wordt de bescherming van genoemde waarde geëffectueerd.
6.3.3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
De anti-dubbeltelregel is erop gericht om grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing te laten.
Algemene bouwregels
Het onderhavige artikel dient te voorkomen dat situaties ontstaan, welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daarnaast beoogt dit artikel te voorkomen dat bouwwerken die groter of juist kleiner zijn dan in de bouwregels bij de diverse bestemmingen is toegestaan of voorgeschreven, onder het overgangsrecht komen te vervallen. Voor deze bouwwerken gelden de bestaande grotere dan wel kleinere afmetingen als maximaal respectievelijk minimaal toegestaan.
Algemene aanduidingsregels
In het plangebied zijn diverse gebiedsaanduidingen aan de orde. Zo zijn plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebieden van het gasontvangststation aan Wouwseweg aangeduid en is het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Woensdrecht op de plankaart terug te vinden. Binnen deze gebieden gelden beperkingen, die in de regels nader zijn beschreven.
Algemene afwijkingsregels
Deze afwijkingsmogelijkheden hebben tot doel flexibiliteit in het plan in te bouwen. Het afwijken van de bebouwingsregels, ten behoeve van bijvoorbeeld het oprichten van nutsvoorzieningen en het in beperkte mate afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen, kan in veel gevallen plaatsvinden zonder dat hierdoor het belang van een goede ruimtelijke ordening wordt geschaad. Voor dit soort gevallen is derhalve in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel zijn voor burgemeester en wethouders enkele mogelijkheden gecreëerd om, via een voorgeschreven procedure, in iets ruimere mate dan bij de “algemene afwijkingsregels” af te wijken van de regels. Het gaat dan echt om een wijziging van het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheden dragen bij aan een meer flexibel plan.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn regels opgenomen betreffende de plicht om voldoende parkeerplaatsen en laad- en losmogelijkheden te realiseren. Er moet in basis voldaan worden aan de in de bijlage opgenomen Nota Parkeernormering, waarbij de parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen hiervan af te wijken. Er kan worden afgeweken indien door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren wordt gestuit. Eveneens worden afgeweken van de parkeereis als de nodige parkeer- of stallingsruimte op een andere manier wordt voorzien of indien wanneer herziening van het parkeerbeleid hiertoe aanleiding geeft.
6.3.4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
De overgangsregels voor bouwen hebben ten doel de rechtstoestand te begeleiden van bouwwerken welke op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en welke afwijken van de bouwregels van het plan. Overgangsregels voor gebruik betreft het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan (rechtens) afwijkt van de in het onderhavige plan gegeven bestemming.
Slotregel
Dit artikel ten slotte, geeft aan onder welke naam de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald 'Gasleiding Wouwseweg'.
HOOFDSTUK 7 Uitvoeringsaspecten
7.1 Economische uitvoerbaarheid
Per 1 november 2010 is in het Bro een nieuw artikel 6.2.1a ingevoerd. Dit betreft de bij de reparatiewet aangekondigde omschrijving bij AMvB van de gevallen waarin van een exploitatieplan kan worden afgezien.
Het gaat daarbij om locaties waarbij kostenverhaal via de grondexploitatie verplicht zou zijn, maar er nauwelijks reële kosten zijn die de gemeente wil verhalen. De volgende gevallen worden nu in artikel 6.2.1a van het Bro gespecificeerd als situaties waarbij toepassing van een grondexploitatie niet verplicht is:
gevallen waarbij het totaal van de netto exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald minder is dan €10.000,-;
indien er uitsluitend sprake is van apparaatskosten die zo nodig via de leges verhaald kunnen worden;
kosten van voorzieningen waarvan de gemeente ook na het vaststellen van het ruimtelijke besluit de kosten nog zal kunnen verhalen bij overeenkomst, zoals het maken van de inrit naar de openbare weg of een aansluiting op het riool.
Met de Wet ruimtelijk ordening beschikt de gemeente over mogelijkheden voor kostenverhaal op particuliere ontwikkelaars in een plangebied. Zijn de kosten van de ontwikkeling niet op een andere manier verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten met grondeigenaren over de kosten van de ontwikkeling) dan kan de gemeente een exploitatieplan vaststellen, waarin die kosten worden benoemd. Het exploitatieplan loopt mee met de procedure van het bestemmingsplan. Daarmee wordt een exploitatieplan mede een toetsingsgrond bij omgevingsvergunningen. De gemeenteraad kan evenwel bij vaststelling van het bestemmingsplan besluiten om géén exploitatieplan vast te stellen. Dat kan de raad alleen doen, indien de kosten dus op een andere wijze zijn verzekerd en er verder geen extra eisen aan locaties hoeven te worden gesteld.
Ten aanzien van dit bestemmingsplan
Voor dit bestemmingsplan is het niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen, omdat het bestemmingsplan geen, zogenaamde, ‘aangewezen bouwplannen’ mogelijk maakt zoals omschreven in het Besluit ruimtelijke ordening.
Kosten en risico van het plan zijn voor rekening van de Gasunie. Met betrekking tot eventuele planschadeclaims als gevolg van de aanpassing van het bestemmingsplan wordt met de Gasunie een overeenkomst gesloten. Ook over het verplaatsen van de riolering zijn afspraken gemaakt.
De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.
7.2 Handhaving
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende vergunningen. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de feitelijke situatie. Daarnaast vindt registratie plaats van verleende vergunningen.
Handhaving kan plaatsvinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden.
Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch een zekere betekenis toegekend.
Daarnaast zijn in het bestemmingsplan instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden, de bevoegdheid nadere eisen te stellen en de mogelijkheid om omgevingsvergunningen ten behoeve van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te verlenen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk, voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.
HOOFDSTUK 8 Resultaten inspraak en overleg
8.1 Inleiding
Het bestemmingsplan “Gasleiding wouwseweg” heeft tot doel om de ontwikkeling van een gasleiding mogelijk te maken en bevat hiervoor het planologisch kader. Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan wordt een inspraaktraject gevolgd en wordt het plan toegezonden aan dde diverse vooroverleginstanties.
8.2 Resultaten vooroverleg
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerp- bestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen reacties worden betrokken bij de totstandkoming van het bestemmingsplan.
8.3 Zienswijzenprocedure
De procedure voorziet in de mogelijkheid voor een ieder om tegen het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Daartoe zal het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende zes weken op het stadskantoor ter inzage worden gelegd. De terinzagelegging zal op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend worden gemaakt. Bewoners binnen het plangebied en direct omwonenden worden per brief op de hoogte gesteld van het ontwerpplan.
Het ontwerpbestemmingsplan Gasleiding Wouwseweg is vanaf 18 januari voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn was het voor een ieder mogelijk schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen in te dienen. Er zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend.
8.4 Vervolgprocedure
Na beoordeling van eventueel ingediende zienswijzen zal door het college van burgemeester en wethouders bekeken worden of het plan bijgesteld moet worden. Vervolgens wordt het plan al dan niet gewijzigd ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. Na de vaststelling van het plan wordt het (gewijzigde) bestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen binnen deze termijn beroep en/of een verzoek om voorlopige voorziening aan de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State indienen.