1. Plan: Kromstraat
  2. Plantype: bestemmingsplan
  3. Status: vastgesteld
  4. IMRO-idn: NL.IMRO.0748.BP0239-0701
Gemeente Bergen op Zoom

Toelichting

 

 

HOOFDSTUK 1 Doel en opzet bestemmingsplan

 

1.1 Aanleiding en doel

Stadlander wenst op de locatie aan de Kromstraat in Halsteren haar woningvoorraad te verbeteren en uit te breiden. De ontwikkeling omvat de sloop van huidige zes woningen (drie tweekappers) en nieuwbouw van elf woningen. Onderdeel van het plan is de aanleg van parkeervoorzieningen, een en ander conform de hiervoor van toepassing zijnde parkeernorm.

 

Het plan past niet binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Centrum Halsteren". Gelet hierop is een aanpassing van het plan noodzakelijk. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet hierin en bevat de planologische regeling om uitvoering te kunnen geven aan de voorziene woningbouwontwikkeling.

 

Het bestemmingsplan “Kromstraat ” bestaat uit drie delen: een (digitale) verbeelding, waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels, waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen, en een toelichting, waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het (juridisch) bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt ten westen van het centrum van de kern Halsteren en bestaat uit de percelen plaatselijk bekend: Kromstraat 10 t/m 20, kadastraal bekend: Halsteren, sectie C, nummer 5083.

 [image]

Afbeelding: luchtfoto met plangebied (in rood) Kromstraat

 

1.3 Geldende bestemmingsplannen

De locatie Kromstraat is gelegen in het bestemmingsplan "Centrum Halsteren" dat op 29 november 2012 door de gemeenteraad is vastgesteld. De locatie heeft hierin de bestemming 'Wonen' met de nadere aanduiding 'twee-aan-een'. De onderhavige woningbouwontwikkeling past niet binnen de plaregels behorende bij deze bestemming. Dit heeft met name te maken met de situering van de nieuw te bouwen woningen en het type woning dat is voorzien.

 

 [image]

Afbeelding: uitsnede 'Centrum Halsteren', locatie Kromstraat

 

1.4 Opzet

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

 

Ruimtelijk kader (hoofdstuk 2)

In dit hoofdstuk wordt de huidige ruimtelijke situatie van het plangebied geanalyseerd en beschreven. Vervolgens wordt de beoogde situatie toegelicht.

 

Beleidsaspecten (hoofdstuk 3)

In dit hoofdstuk zijn de beleidsuitgangspunten in beeld gebracht. Er wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

 

Onderbouwing op onderdelen (hoofdstuk 4)

In hoofdstuk 4 wordt de beoogde situatieop onderdelen nader onderbouwd. Deze nadere analyse beschrijft per onderdeel de consequenties van het voorgestelde ruimtelijk kader.

 

Milieuaspecten (hoofdstuk 5)

In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten als gevolg van het voorgestelde ruimtelijk kader nader omschreven.

 

Bestemmingsregeling (hoofdstuk 6)

Op basis van de voorgaande hoofdstukken is de bestemmingsregeling opgesteld (verbeelding en regels). In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de overwegingen en uitgangspunten van de bestemmingsregeling en op de aangegeven bestemmingen en de inhoud van de bijbehorende regels. Voor wat betreft de opzet van de bestemmingsplan methodiek is aangelsoten op de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de bijbehorende Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP 2012).

 

Uitvoeringsaspecten (hoofdstuk 7)

In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de uitvoering van het plan. Ingegaan wordt op de aspecten economische uitvoerbaarheid en handhaving.

 

Resultaten inspraak en overleg (hoofdstuk 8)

Dit hoofdstuk behandelt de wijze waarop het plan voorgelegd is aan de inwoners en instellingen. De resultaten van de inspraak- en overlegprocedure zijn in dit hoofdstuk vermeld.

 

 

 

HOOFDSTUK 2 Ruimtelijk structuur

Dit hoofdstuk beschrijft de bestaande structuur van het plangebied en omgeving. Verder wordt er ingegaan op de uitgangspunten en kenmerken van de voorgenomen woningbouwontwikkeling.

2.1 Beschrijving huidige situatie

Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat ligt aan de Kromstraat in Halsteren. De locatie ligt ten westen van het centrum van Halsteren (Dorpsstraat en omgeving) aan de rand van de bebouwde kom. Voorzieningen bevinden zich op loopafstand.

 

De Kromstraat en omgeving kenmerkt zich door bebouwing uit begin 20ste eeuw aangevuld met bebouwing uit latere jaren. De locatie grenst aan de zuidzijde aan een begraafplaats. Aan de overzijde van de weg is ook een begraafplaats aanwezig. Aan de noordzijde grenst de locatie aan een woongebouw en een openbaar parkeerterrein. Ten oosten zijn enkele vrijstaande woningen gelegen. In de huidige situatie zijn er zes woningen in het plangebied gelegen. Deze woningen zijn in de jaren '70 gebouwd en zijn aan vervanging toe. Het gaat om drie tweekappers, bestaande uit een bouwlaag met een kap. Bijzonder zijn de diepe achtertuinen.

 

 [image]

Afbeelding:luchtfoto Kromstraat

2.2 Plan voor herontwikkeling

Het plan voor de Kromstraat omvat de sloop van de bestaande zes woningen. Hiervoor in de plaats worden in totaal elf woningen gerealiseerd. Zeven hiervan (een rij van vier en een rij van drie woningen) zijn geprojecteerd aan de Kromstraat. De overige vier woningen worden gerealiseerd aan de zijde van het bestaande parkeerterrein aan Kerkheininge. Alle woningen bestaan uit één bouwlaag en een kap, zijn levensloopbestendig door het nultreden concept en beschikken over een achtertuin met berging.

 

Het parkeren wordt voor een deel opgelost door een nieuw parkeerterrein te realiseren ten zuiden van de vier woningen aan de Kerkheininge. Hier zijn dertien parkeerplaatsen voorzien. Verder worden er langs de Kromstraat acht parkeerplaatsen gerealiseerd in openbaar gebied. Het bestaande parkeerterrein aan de Kerkheininge blijft zo goed als intact. Wel zal er naar alle waarschijnlijkheid een parkeerplaats komen te vervallen om ruimte te maken voor de ontsluiting van het nieuwe parkeerterrein. Er komt een groene invulling tussen de nieuw te realiseren woningen en het parkeerterrein. Ook het nieuwe parkeerterrein wordt landschappelijk ingepast.

 

Op de onderstaande afbeelding is het plan voor herontwikkeling weergegeven.

 [image]

Afbeelding: stedenbouwkundig ontwerp woningbouwontwikkeling

 

 

HOOFDSTUK 3 Beleidsaspecten

 

3.1 Rijksbeleid

 

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. Deze visie vervangt verschillende bestaande nota's op het gebied van ruimtelijke ordening, waaronder de Nota Ruimte.

 

Het Rijk stelt in de SVIR heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. voor een aanpak die Nederland concurrerend, leefbaar en veilig maakt, is volgens het Rijk een gewijzigde aanpak noodzakelijk. Het Rijk wil de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegenen brengen die het aangaan (burgers en bedrijven) en laat meer over aan gemeentes en provincies ('decentraal, tenzij - principe'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudige regelgeving.

 

Op basis van de genoemde ambities komt het Rijk tot drie rijksdoelen:

 

Voor de hierboven genoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen geformuleerd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is. Het gaat hier om het volgende:

 

Conclusie

Het onderhavige bestemmingsplan is niet strijdig met de hierboven besproken rijksbeslangen en geeft hier, voor zover aan de orde, uitvoering aan.

 

3.1.2 Ladder van duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de veplichting opgenomen om in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de plantoelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing.

 

De ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen en bevat drie treden die doorlopen moeten worden in een ruimtelijke procedure.

 

De definitie van een stedelijke ontwikkeling is als volgt in het Bro omschreven: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In deze paragraaf wordt beschreven hoe de ladder wordt ingevuld.

 

Artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft het volgende voor:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

  2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

  3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

 

Onderdeel a (Trede 1) verplicht overheden om nieuwe stedelijke ontwikkelingen af te stemmen op de geconstateerde actuele behoefte en de wijze waarop in die behoefte wordt voorzien ook regionaal af te stemmen. Op deze wijze wordt over- en ondercapaciteit zoveel mogelijk voorkomen. Of de behoefte actueel is, wordt onder meer bepaald aan de hand van de vraag of reeds elders in de regio een stedelijke ontwikkeling is gepland of plaatsvindt die in die behoefte kan voorzien. Het passende regionale schaalniveau wordt in het algemeen voornamelijk bepaald door het woon-werkverkeer. De behoefte dient te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod.

 

Onderdeel b (Trede 2) vraagt om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Dit betekent dat wordt bezien of binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien door middel van herstructurering, transformatie of anderszins. Onderdeel hiervan is dat wordt bekeken of leegstaande verstedelijkingsruimte door het treffen van kwalitatieve maatregelen in de behoefte kan voorzien.

 

Onderdeel c (Trede 3) bepaalt dat moet worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkeling mogelijk is op locaties die al ontsloten zijn of ontsloten worden door verschillende modaliteiten op een schaal die passend is bij de beoogde ontwikkeling. Wat woningbouw betreft betekent dit dat indien in een regio een specifieke behoefte bestaat aan bijvoorbeeld een dorps woonmilieu, kleinschalige locaties of landgoederen, en dit niet in het bestaand stedelijk gebied kan worden gecreëerd, hier elders ruimte voor kan worden gezocht.

 

Trede 1 Bepalen regionale vraag naar ruimte

Bij iedere nieuwe stedelijke ontwikkeling dient te worden beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

 

Op regionaal niveau hebben de gemeenten in de regio West-Brabant (Bergen op Zoom, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen en Woensdrecht + Tholen) in samenwerking met de Provincie Noord-Brabant de Regionale Agenda Wonen op gesteld. Deze jaarlijks geactualiseerde woonagenda formuleert vanuit de actuele ontwikkelingen op de regionale woningmarkt de gezamenlijke regionale opgaven die de regio met de provincie jaarlijks wil oppakken. De actuele thema’s betreffen regionale woningbouwafspraken voor een periode van circa 10 jaar, waarin gemeenten toewerken naar een programma conform de prognose. Het betreft vooral procesafspraken. Tweejaarlijks informeren gemeenten elkaar over de ontwikkeling van de harde plancapaciteit, vooral in relatie tot de afspraken over harde plancapaciteit. Aan het eind van ieder jaar wordt afspraken geactualiseerd. Gemeenten nemen een regierol op en brengen marktpartijen bij elkaar om (individueel of samen) om vraag en aanbod beter af te stemmen. Met het beleidsplan Wonen geeft Bergen op Zoom invulling aan die afspraak.

 

Met de ontwikkeling van de onderhavige locatie wordt voorzien in een regionale behoefte aan woonruimte. Voor de 19 gemeenten in de regio West-Brabant is een bevolkings- en woningbehoefteprognose uitgevoerd. Uit de update (9 oktober 2014) blijkt dat tussen 2014 en 2019 een groei van de woningvoorraad van 17.600 woningen is voorzien. Tussen 2020 en 2029 is een groei voorzien van 18.200 woningen. Er ligt voor de regio nog een behoorlijke bouwopgave. Ook in het kader van het Beleidsplan Wonen is de jaarlijkse effectieve vraag tot 2020 in beeld gebracht. Deze is tot 2020 gemiddeld 200 woningen per jaar.

 

In de bevolkings- en woningbehoefteprognose is een capaciteitsindicatie opgenomen gebaseerd op de opgave vanuit de bevolkingsgroei afgezet tegen de totale plancapaciteit in de regio en de harde plancapaciteit in de regio. Het plan voor de onderhavige locatie is onderdeel van de bestaande plancapaciteit. Harde plannen blijven op de rol staan voor ontwikkeling in de komende jaren. Zachte plannen lenen zich beter voor herprogrammering of herfasering. Voor de middellange termijn ziet de capaciteit er als volgt uit:

 

 [image]

Afbeelding: Capaciteitsindicatie middelange termijn

 

In de regio West-Brabant is de harde capaciteit voor de periode 2011-2020 in totaal 22.070 woningen en de benodigde capaciteit 29.690 woningen. Dit betekent dat er voldoende ruimte is om regionaal de harde capaciteit, waaronder het plan voor de onderhavige locatie, te realiseren binnen de regionale woningbehoefte. Bovendien is er voor het onderhavige plan per saldo geen sprake van een toename van het aantal woningen. Een deel van het plan omvat immers vervangende nieuwbouw. Voor de extra woningen (in totaal 5) wordt gebruik gemaakt van resterend contingent van Stadlander verkregen uit reeds gesloopte woningen in andere delen van Bergen op Zoom / Halsteren, waarvoor niet is teruggebouwd.

 

Trede 2 Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied

Bij trede 2 moet de beschikbare ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied binnen de regio inclusief zicht op de haalbaarheid van de intensivering worden vastgesteld. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied zoals dit ook is vastgelegd in de Verordening Ruimte. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied.

 

Trede 3 Bouwen buiten stedelijk gebied

De regionale behoefte is op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Trede drie is niet aan de orde

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening is op 1 oktober 2010 vastgesteld en is op 1 januari 2011 in werking getreden. Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De belangrijkste beleidswijzigingen hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant.

De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid tot 2025. Met de structuurvisie vindt de provincie de balans tussen toelatingsplanologie en ontwikkelingsplanologie. Het stellen van heldere kaders biedt daarbij duidelijkheid voor nieuwe ontwikkelingen of voor een efficiënte uitvoering.

 

De Structuurvisie beschrijft een aantal trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen. Daarnaast beschrijft de structuurvisie de onderscheidende kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. Op basis van de beschreven trends en kernkwaliteiten geeft de structuurvisie ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van Noord-Brabant. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Daardoor dragen ontwikkelingen bij aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De ruimtelijke keuzes geven invulling aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang.

 

Op basis van de Structuurvisie is onderhavig plangebied gelegen in het stedelijk concentratie gebied. In het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen. Het onderhavige plangebied maakt onderdeel uit van de stedelijke regio Bergen op Zoom en Roosendaal. Met de provincie maken gemeenten in regionaal verband afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma. De provincie vindt het daarnaast belangrijk dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen, het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Dit betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.

 

Conclusie

Het beleid is gericht op het ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken, stimuleren van bedrijven, voorzieningen en wonen ten behoeve van onder andere zorgvuldig ruimtegebruik. De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het 'aansnijden van nieuwe ruimte' voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte betekent ook dat er aandacht is voor de kwalitatieve vraag naar woon- en werklocaties; het is soms nodig nieuwe ruimte aan te snijden om in de kwalitatieve vraag te voorzien. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. De structuurvisie geeft aan dat bestaande ontwikkelingsmogelijkheden binnen een gebied worden gerespecteerd.

 

Het plan past binnen de uitgangspunten van intensivering binnen bestaande stedelijk gebied. Het onderhavige plan is daarmee in overeenstemming met de provinciale structuurvisie en ladder duurzame verstedelijking.

 

Verordening ruimte 2014

De Verordening ruimte 2014 is op 14 maart 2014 vastgesteld door Provinciale Staten. De verordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke belangen en doelen zoals die benoemd zijn in de structuurvisie en bevat hiertoe instructieregels die voor gemeenten van belang zijn bij het opstellen van hun bestemmings- plannen.

 

De Verordening ruimte 2014 omvat diverse wijzigingen ten opzichte van de Verordening 2012. Deze hebben in hoofdzaak betrekking op:

 

 [image] [image]

Afbeelding. Uitsnede Verordening ruimte 2014.

 

Het plangebied is gelegen in het stedelijk concentratiegebied. Derhalve zijn voor het plan de speerpunten concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik en meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit aan de orde. Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. De verordening vereist dat in de gemeentelijke planvorming wordt verantwoord dat de ruimtelijke mogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk worden benut. Deze verantwoording dient gebaseerd te zijn op concreet beleid vastgelegd in een gemeentelijke structuurvisie. Het accent ligt op inbreiden en herstructureren. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden die compacte bouwwijzen bieden om het ruimtegebruik te intensiveren. Ook moet bestaande, nieuwe of te herontwikkelen ruimte intensiever worden benut. Door verschillende functies op een locatie te combineren kan extra ruimtebeslag worden voorkomen of beperkt. In stedelijke gebieden is dit mogelijk door het combineren van functies als wonen, werk en zorg. Bij de nieuwbouw van woningen is regionale afstemming vereist. Het wonen wordt namelijk steeds meer gezien als een regionale opgave en de noodzaak om met betrekking tot woningbouw tot regionale afstemming te komen wordt alleen maar groter.

 

Conclusie

De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en omvat grotendeels vervangende nieuwbouw. Per saldo is er geen toename van het aantal woningen. De woningvoorraad krijgt een kwaliteitsimpuls. Het onderhavige plan is daarmee niet in strijd met het provinciale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

 

3.3.1 Structuurvisie Bergen op Zoom 2030

De op 22 september 2011 door de gemeenteraad van Bergen op Zoom vastgestelde Structuurvisie voor het grondgebied van de gemeente levert een integrale samenhangende ruimtelijke visie voor de stad Bergen op Zoom en de kernen Halsteren, Lepelstraat, Heimolen, Klutsdorp en Kladde. De planhorizon van de structuurvisie reikt tot 2030. Binnen die termijn moet rekening worden gehouden met een lichte bevolkingskrimp als geheel, maar vooral ook met een daling van de beroepsbevolking door een toenemende vergrijzing. In het document wordt onder meer ingegaan op hoe verder te gaan met de reeds in gang gezette woonprojecten, de toekomst van de bedrijventerreinen, de fysieke infrastructuur, de recreatieve potenties, het water en het groen in en rondom de stad.

 

 [image] [image]

Afbeelding: Uitsnede Structuurvisie Bergen op Zoom 2030

 

Voor het plangebied is op basis van de Structuurvisie de aanduiding ‘Woonwijk’ van toepassing. In de bestaande woonwijken is het beleid gericht op kwaliteitsverbetering en het versterken van de grotere groenstructuren. Verpaupering dient door een goede monitoring voorkomen te worden.

 

De voorgenomen woningbouwontwikkeling betreft een herontwikkeling van bestaande woonpercelen, waarbij een kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad wordt nagestreefd. Deze kwaliteitsimpuls levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en de woonkwaliteit in de wijk.

 

Conclusie

Het onderhavige bestemmingsplan geeft uitvoering aan het beleid zoals verwoord in de gemeentelijke Structuurvisie.

 

3.3.2 Beleidsplan Wonen 2014 - 2018

Op 27 februari 2014 heeft de raad het Beleidsplan Wonen 2014-2018 vastgesteld. Het beleidsplan heeft het motto ‘Goed wonen voor iedereen’ waarbij vraag en aanbod op elkaar moeten aansluiten en zorgen voor een realistische woningbouwplanning.

 

Met het Beleidsplan Wonen 2014-2018 wordt aangesloten bij actuele ontwikkelingen en wordt ingezet op:

 

Het uitgangspunt is om de stad te ontwikkelen tot een complete stad. Hierbij zal vooral wordt ingezet op de bestaande stad en kernen. De grote uitleglocaties hebben geen prioriteit, maar moeten wel een goede afronding krijgen. Met het bieden van een compleet aanbod aan woonmilieus probeert de gemeente een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te creëren, waardoor het samen met flankerend beleid voor bedrijvigheid en onderwijs ook aantrekkelijker wordt om zich in de gemeente te vestigen.

 

Op kwantitatief niveau betekent dit dat we voorkeur geven aan locaties die passen bij bovenstaande visie. In dit beleidsplan wordt geconstateerd dat er tot 2020 ruimte is voor ca. 1.400 woningen, waarbij de gemiddelde afzet per jaar 200 woningen is. De ambities liggen echter hoger. Door voorkeursontwikkelingen te benoemen die gezamenlijk ca 1.400 woningen behelzen en door te adviseren om bepaalde ontwikkelingen later in de tijd uit te faseren, creëren we een realistischer programma en ontstaat er zelfs wat ruimte om aan nieuwe initiatieven, onder duidelijke voorwaarden, medewerking te verlenen.

 

3.3.3 Beleidsvisie Externe Veiligheid 2013-2016 Gevoeligheidsanalyse groepsrisico Bevi-inrichtingen

Beleidsvisie Externe Veiligheid 2013 - 2016

De gemeente Bergen op Zoom wil zorgen voor een blijvend maatschappelijk aanvaardbare risicosituatie voor burgers in relatie tot activiteiten met gevaarlijke stoffen in de omgeving. De acceptatie van risico’s wordt gestuurd door:

 

Deze ambitie is voor verschillende gebiedstypen verder uitgewerkt. Hieronder wordt de essentie van het gemeentelijk beleid samengevat. Voor de bestaande en nieuwe risicovolle bedrijven moet er binnen de gemeentegrenzen plaats blijven. Nieuwe Bevi-bedrijven worden echter uitsluitend toegelaten op de bedrijventerreinen Theodorushaven en Noordland. De gemeente streeft er naar dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Ook wordt ernaar gestreefd dat er geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen zoals kinderen, bejaarden en zieken binnen het invloedsgebied van een risicovol bedrijf of transportas worden gerealiseerd. Bij bestaande kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen invloedsgebieden van risicobronnen wordt extra aandacht besteed aan risicocommunicatie.

 

Om de gekozen beleidslijnen te vertalen naar concrete acties en maatregelen is een uitvoeringsprogramma opgesteld met een looptijd van vier jaar. Samenwerking tussen verschillende gemeentelijke disciplines en de brandweer staat bij de uitvoering centraal.

 

Gevoeligheidsanalyse groepsrisico Bevi-inrichtingen

In het kader van het uitvoeringsprogramma Externe Veiligheid 2011 is een gevoeligheidsanalyse groepsrisico voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uitgevoerd. In de analyse, die door de gemeenteraad is vastgesteld op 6 maart 2012, zijn de toekomstplannen van de gemeente uit de structuurvisie getoetst op ‘groepsrisico’; dit wel zeggen dat per Bevi-bedrijf - bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken - is berekend wat in de toekomst de gevolgen zijn voor de omgeving van het bedrijf, als er een incident zou plaatsvinden.

 

Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat de toekomstplannen niet leiden tot een toename van het groepsrisico. Daarnaast blijkt dat diverse grootschalige ontwikkelingen tegelijkertijd mogelijk zijn zonder dat een knelpunt voor groepsrisico ontstaat. Zolang nieuwe of herziene bestemmingsplannen passen binnen de structuurvisie, zal het plan geen gevolgen hebben voor het groepsrisico.

 

In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid.

 

 

HOOFDSTUK 4 Onderbouwing op onderdelen

In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijke kader en de hierin geformuleerde uitgangspunten op de relevante onderdelen nader onderbouwd. Aan bod komen cultuurhistorie/archeologie, verkeer, groen, flora en fauna en water.

4.1 Cultuurhistorie en Archeologie

Archeologie

 

Het plangebied aan de Kromstraat ligt ten noorden van de dorpskern, op een plaats waar de Brabantse Wal (de steilrand) een westwaartse uitstulping heeft. Het huidige Maaipad volgt het beloop van deze kaapvormige uitstulping. De ondergrond bestaat uit pleistoceen zand, dat plaatselijk bedekt is met jongere afzettingen (Formatie van Boxtel). De bodem bestaat gedeeltelijk uit eerdgronden, dat zijn oude landbouwgronden die door eeuwenlange ophoging met zand en mest een akkerdek van tenminste 50 cm dikte hebben gevormd.

De omgeving wordt gekenmerkt door glooiingen in het landschap. Binnen het plangebied helt het terrein zowel naar noord als naar west af. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de hoge heuvel waarop de kerk staat; ten noordoosten daarvan zet de heuvel zich voort als onderdeel van de steilrand.

 

Langs de uitstulpingen of uitlopers van de steilrand zijn op relatief korte afstand archeologische vindplaatsen aanwezig. Ten noorden van het Maaipad, ruim 200 meter ten westen van het plangebied, bevinden zich resten van een nederzetting uit de vroege Middeleeuwen (7e-9e eeuw na Chr.), die op basis van de vele oppervlaktevondsten vrij omvangrijk geweest moet zijn. De werkelijke omvang kon echter nog niet door onderzoek bepaald worden. Mogelijk betreft het de voorloper van het huidige dorp Halsteren, dat in de 13de eeuw boven op de steilrand ontstaan is.

 

Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een tweede vindplaats, daterend uit de 12de eeuw. Deze ligt ten zuiden van de Bremberg. Beide vindplaatsen worden van elkaar gescheiden door een fossiel beekdal (ten westen van de Waterstraat).

Uit het plangebied zelf zijn tot op heden geen vondsten bekend, aangezien deze plaats sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw bebouwd is en nooit onderzocht werd. In de 18de en 19de eeuw was het plangebied onbebouwde akker. Deze lag ten noorden van het voormalige kerkhof, net buiten het dorp (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl; www.topotijdreis.nl).

Op basis van de ligging in de directe nabijheid van een belangrijke vroegmiddeleeuwse vindplaats en aan de rand van het middeleeuwse dorp Halsteren, en mede op basis van het feit dat de ondergrond alleen geroerd werd bij de bouw van de (niet-onderkelderde) huizen aan de Kromstraat, wordt aan het plangebied een hoge archeologische trefkans toebedeeld. Deze is als zodanig opgenomen op de gemeentelijke archeologische kaart (als onderdeel van het Erfgoedbeleid).

 

Er is kans op het aantreffen van sporen, zowel onder de bestaande woningen (voor zover niet diep gefundeerd) als daartussen, daterend vanaf het Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen. Op basis daarvan bestaat een onderzoeksplicht bij bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 50 cm onder maaiveld én groter dan 50 m².

 

Conclusie

Binnen het plangebied zijn archeologisch waardevolle gebieden aanwezig. Voor de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde zijn in het bestemmingsplan de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie - 1” voor hoog en 'Waarde-Archeologie - 2' voor middelhoog opgenomen. De Archeologische verwachtingswaarden zijn hiermee voldoende gewaarborgd.

 

Cultuurhistorie

De bestaande woningen aan de Kromstraat hebben geen monumentale- en/of cultuurhistorische status.

4.2 Verkeer

Wegenstructuur en ontsluiting

De straten Kromstraat en Kerkheininge zijn te typeren als rustige woonstraten en worden gebruikt door de bewoners van het gebied. Ze behoren tot het 30km/h-gebied.

 

Parkeren

Op basis van de Nota Parkeernormering bedraagt de parkeerbehoefte van de woningontwikkeling aan de Kromstraat 21 parkeerplaatsen (1,9 parkeerplaatsen per woning). Het plan voorziet hierin door een parkeerterrein te realiseren achter de nieuw te bouwen woningen aan de Kerkheininge. Hier zijn 13 parkeerplaatsen voorzien. Langs de Kromstraat worden nog 8 parkeerplaaten in openbaar gebied aangelegd.

 

4.3 Groen

De bestaande groenstructuur wordt zoveel mogelijk intact gelaten. Aan de zuidzijde van het bestaande parkeerterrein aan de Kerkheininge is een nieuwe groenstrook voorzien.

4.4 Flora en Fauna

Op basis van de op 1 april 2002 in werking getreden Flora- en faunawet is het een vereiste om inzicht te bieden in de effecten van een voorgenomen ruimtelijke ingreep op wettelijke beschermde planten en dieren. Als er significant schadelijke gevolgen zullen zijn voor een wettelijk beschermde soort en/of zijn leefgebied, zal bezien moeten worden in hoeverre de schadelijke effecten kunnen worden voorkomen. Zijn de effecten niet weg te nemen, bijvoorbeeld door een andere locatie te kiezen, of op een andere manier naar een oplossing te zoeken, terwijl de uitvoering van het plan noodzakelijk wordt geacht (dwingende redenen van groot openbaar belang) dan zal in het kader van de wet ontheffing moeten worden aangevraagd en zal moeten worden voorzien in compensatie. Daar waar ontwikkelingen plaatsvinden, geldt in dit kader een onderzoeksplicht.

 

De betreffende locatie is gelegen in binnenstedelijk gebied en is op dit moment bebouwd dan wel in gebruik als achtertuin bij woningen. Er zijn, gezien de huidige situatie en staat van het terrein, geen (bijzondere soorten) flora en of fauna te verwachten. Op grond hiervan wordt het niet nodig geacht een nader onderzoek te doen als hierboven bedoeld. Aangezien er geen aantasting van de aanwezige flora en fauna wordt verwacht is ook geen ontheffing noodzakelijk als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet.

 

Zorgplicht

Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 2 Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

 

Werken buiten kwetsbare periode

De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet alle gelijk. Als 'veilige' periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien voorbereidende werkzaamheden, bijvoorbeeld bouwrijp maken, in die periode worden uitgevoerd, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt.

 

Werken in kwetsbare periode

Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare periode van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen worden verwijderd, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen.

4.5 Water

Beleid gemeente

De gemeente Bergen op Zoom heeft in 2001 een waterplan opgesteld waarin alle verschijningsvormen van water in samenhang zijn bekeken. Dit plan is opgesteld in samenwerking met alle betrokken waterpartners en zowel door de gemeenteraad als het waterschapsbestuur in 2002 vastgesteld. De meeste uitgangspunten van het waterplan zijn nog steeds van kracht en bovendien nader uitgewerkt in het geactualiseerde verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP 2013-2017) dat in februari 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Bovendien heeft de gemeente sinds de inwerkingtreding van de wet gemeentelijke watertaken (2008) verschillende zorgplichten ten aanzien van water in het stedelijk gebied. Het gaat om de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Voor het stedelijk afvalwater is deze zorgplicht uitgewerkt in het vigerende vGRP. De zorgplichten voor hemel- en grondwater komen voor de gemeente pas om de hoek kijken als grondeigenaren zelf niet voor een adequate verwerking van het water kunnen zorgen. In deze gevallen dient de gemeente voor voorzieningen te zorgen waarop particulieren kunnen aansluiten. Belangrijke voorwaarde is wel dat de maatregelen doelmatig zijn. Welke maatregelen worden getroffen, is zeer sterk locatie-afhankelijk. Zo zijn andere maatregelen nodig als de grondwaterstand laag is en er sprake is van een zandige bodem dan wanneer de bodem uit klei bestaat en het grondwater in een groot deel van het jaar reikt tot aan het maaiveld. Gezamenlijk met het waterschap dient hieromtrent een juiste (lees passende) keuze te worden gemaakt. Een passende aanpak is vastgelegd in de nota Watertaken: Gemeentelijke Wateropgave Bergen op Zoom, daterend uit 2009.

 

Ten slotte zorgt de gemeente voor de ruimtelijke inpassing van de diverse voorzieningen voor het waterbeheer. Ook in dat opzicht wordt bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening gehouden met noodzakelijke voorzieningen vanuit zowel het integraal waterbeleid als het rioleringsplan.

 

Beleid Waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.

 

Verder heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm en /of eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

 

Om een duurzame(re) situatie te bereiken, gaat het waterschap bij nieuwe ontwikkelingen tenminste uit van het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse Waterschappen’.

 

Watertoets

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals onder meer veiligheid, waterpeil, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader voeren waterschap en gemeente vooroverleg, waaruit de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan zijn afgesproken:

• Een duurzame benadering van de waterstromen in relatie tot de ruimtelijke functie van het gebied;

• Afkoppeling van het schone regenwater mede als bijdrage in relatie tot gescheiden riolering.

 

Kromstraat

Beschrijving huidige situatie

Het betreffende plangebied ligt aan de westelijke rand van het bestaande bebouwde gebied van halsteren. Onderhavige al deels voor wonen en parkeren bestemd terrein bevat verder nog openbaar groen. Door de reeds opgetreden verstedelijking is van een oorspronkelijke afwatering of oppervlaktewatersituatie hier al geen sprake meer. De afvoer van het water voor zover niet meer infiltrerend in de bodem bij dit gebied verloopt via de aangelegde riolering. Ter plaatse is voorzien een gescheiden rioolstelsel. Het overtollige schone regenwater stroomt uiteindelijk af via gemaal de Pals naar de Schelde-Rijnverbinding. Het gebied ligt zodanig dat in hydrologisch opzicht vooral sprake is van infiltratie. Het freatisch grondwater bevindt zich ter plaatse ruim onder het maaiveld. In onderhavige gebied treedt, voor zover bekend, geen grondwateroverlast op.

 

Beschrijving toekomstige situatie

Met de onderhavige aanpassing van het bestemmingsplan wordt voorzien in uitbreiding van de bestemming van wonen en het voorzien in parkeren volgens de daarbij behorende parkeernormering. Door de aanpassing neemt de mate van verharding voor betreffende terrein toe en zal hiervoor in voldoende mate aan berging of retentie van ter plaatse vallend schoon regenwater volgens normen van de Keur van het waterschap moeten worden voorzien. Met het oog op klimaatbestendigheid, is het wenselijk om de parkeerplaatsen zodanig aan te leggen dat deze waterdoorlatend zijn en waterinfiltratie naar de bodem op een goede wijze mogelijk is en blijft. Indien het overblijvende openbare groen onvoldoende inzetbaar blijkt als retentie of berging van regenwater, zal dit onder de parkeerplaatsen en of rijbaan aansluitend bij deze woningen te worden gerealiseerd. Omvang en werking van de retentie of berging dient in afstemming met het waterschap tot stand te worden teneinde goedkeuring in het kader van de keur te verkrijgen.

 

Bij betreffende gebied is voorzien in gescheiden rioolstelsel. Centrale doelstelling is dat het schone (regen)water ter plaatse van verharding na berging/retentie via transport langs een hemelwaterafvoerstelsel (HWA-stelsel) wordt afgevoerd, voor zover het niet al kan infiltreren in de bodem. Alleen slechts het afvalwater mag worden geloosd en afgevoerd via de vuilwaterriolering (DWA-stelsel). Bij een eventuele benodigde aansluiting van verontreinigd hemelwater op het DWA-stelsel, zal in overleg met het waterschap in de meest passende en doelmatige maatwerkoplossing(en) worden voorzien.

 

Gevolgen voor het water

De aanpassing van het bestemmingsplan voor onderhavig terrein betreft te voorzien in wonen met parkeren Gezien de toename van verharding bij de bestemming is voldoende berging of retentie van regenwater aan de orde. Het waterschap stelt vanuit de keur een eis aan retentie voor het lozen van regenwater afkomstig van een toename van verhard oppervlak van 2.000 m² of groter om het afwentelen van een bui van T=100 te kunnen voorkomen. Momenteel wordt daartoe als uitgangspunt gehanteerd een berging van 600 m³/ha aan retentie in relatie tot genoemde acute buien. In samenspraak met het waterschap zal voor deze planaanpassing bij dit gebied op doelmatige wijze invulling worden gegeven aan de noodzakelijke retentie/berging.

 

Op basis van een doelmatige toepassing zal bij alle bebouwing de afvoer van het (huishoudelijke) afvalwater op systematische wijze gescheiden zijn van het (schone) regenwater. De afvoer van het afvalwater is aangesloten op de vuilwaterriolering (de zogenaamde droogweerafvoer, DWA). Het schone regenwater dient te worden afgevoerd door passende aansluiting op de aanwezige hemelwaterafvoer (HWA). Om verontreiniging van hemelwater te voorkomen, is voor nieuwbouw en of renovatie de (uitwendige) toepassing van uitlogende materialen niet gewenst. Door gerichte communicatie, waar mogelijk met de ontwikkelaar/eigenaar zelf, zal informatieverstrekking over de mogelijkheden van duurzaam bouwen en het toepassen van duurzame bouwmaterialen plaats hebben.

 

Juridische vertaling

Ruimtelijk zijn in het betreffende plangebied geen direct aanwijsbare voorzieningen in relatie tot het water aangewezen en benoemd. Alleen de retentie of berging die met het waterschap is afgestemd is op de kaart aangegeven en als zodanig bestemd. Alle aanwezig oppervlaktewater ligt verder buiten het plangebied, zodat elke benodigde aanduiding daarvan op de kaart ten behoeve van de waterhuishouding ontbreekt. Met betrekking tot de genoemde voorzieningen als het gescheiden (riool)stelsel wordt verwezen naar het vigerende rioleringsplan van de gemeente.

 

Advies waterbeheerder

Het Waterschap Brabantse Delta heeft in januari 2018 een wateradvies gegeven.

 

HOOFDSTUK 5 Milieuaspecten

De gemeente Bergen op Zoom heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) gevraagd een milieuparagraaf op te stellen voor het onderhavige bestemmingsplan. Demilieuparagraaf bevat de aspecten bedrijven en milieuzonering, geur veehouderij, lucht, stikstofdepositie, geluid, externe veiligheid en bodem. Bij elk aspect wordt onderscheid gemaakt tussen de Kromstraat (Locatie A) en Zweedsestraat (Locatie B).

5.1 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimen-sie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG, uitgave 2009).

 

 [image]

Afbeelding: Milieucategorieën en richtafstanden

 

De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen:

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

 

Situatie ter plaatse

Woningen zijn op basis van de VNG-brochure gevoelige objecten. Om die reden dient beschouwd te worden in hoeverre omliggende bedrijven of voorzieningen worden beperkt in hun bedrijfsvoering en of het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar is.

 

Kromstraat

De omgeving van de Kromstraat valt te karakteriseren als een omgeving waar de woonfunctie dominant aanwezig is. Om die reden dient deze locatie beschouwd te worden als een rustige woonwijk.

 

Ten zuiden van het plangebied aan de Dorpsstraat 6 zijn gronden gelegen met de bestemming “Maatschappelijk”. Op deze gronden is tevens de aanduiding “begraafplaats” opgenomen, welke uitsluitend een begraafplaats toelaat. Een begraafplaats wordt op basis van de VNG richtafstanden-lijst gerekend tot milieucategorie 1 op basis van het aspect geluid. Er geldt een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Één woning wordt mogelijk gemaakt op enkele meters van de bestemmingsgrens. Overigens werd in de bestaande situatie ook niet voldaan aan deze richtafstand.

 

De milieubelasting als gevolg van een begraafplaats wordt met name gevormd door de geluidsbelasting als gevolg van een eventueel parkeerterrein wat gebruikt wordt door de bezoekers en de geluidsbelasting bij afscheidsceremonies of voor het onderhoud van de begraafplaats. De entree van de begraafplaats is gelegen aan de Dorpsstraat. Het parkeren vindt daarom ook hier plaats. Deze plek is gelegen op circa 100 meter van de betreffende woning, waardoor deze ruimschoots buiten de richtafstand ligt. Het houden van afscheidsceremonies vindt incidenteel plaats en gebeurt zelden of nooit binnen 10 meter van de woning, omdat op dat deel van de begraafplaats gro-te bomen aanwezig zijn. Omdat er bomen staan, is de geluidsbelasting als gevolg van onderhoudswerkzaamheden eveneens incidenteel en beperkt. Gezien het incidentele karakter van eventuele geluidsbelasting ter plaatse van de begraafplaats wordt het aanvaardbaar geacht om binnen de richtafstand een nieuwe woning te realiseren.

 

Aan de overzijde van de Kromstraat, op circa 12 meter afstand van de nieuwe woningen liggen eveneens gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk” en aanduiding ‘begraafplaats’. Aan de richtafstand van 10 meter wordt voldaan.

 

Aan de Dorpsstraat 4 is een pand gelegen dat de bestemming “Wonen” heeft met aanduiding “kantoor”. Voor een kantoor geldt een richtafstand van 10 meter. De nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt op circa 15 meter. Aan de richtafstand wordt derhalve voldaan.

 

Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden er geen belemmeringen voor de haalbaarheid. Het woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven of voorzieningen worden niet onevenredig beperkt.

 

Conclusie

De locatie is te karakteriseren als een rustige woonwijk. Voor de locatie Kromstraat geldt dat aan de richtafstanden wordt voldaan, met uitzondering van de begraafplaats aan de Dorpsstraat 6. Voor deze voorziening is een onderbouwing opgesteld waarom het aanvaardbaar is dat binnen de richtafstand van 10 meter wordt gebouwd. Onevenredige hinder als gevolg van de begraafplaats is niet te verwachten. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is daarmee acceptabel en omliggende bedrijven en voorzieningen worden niet beperkt in hun functioneren.

 

5.2 Geur

Toetsingskader

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben.

 

Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).

 

De Wgv stelt gemeenten in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Dit geur-beleid bestaat uit een geurverordening en een geurgebiedsvisie. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geur-gebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid.

 

Gemeentelijk geurbeleid

De gemeente Bergen op Zoom heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld. Dat betekent dat de geur-normen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Het plangebied is conform de wet gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom. Ter plaatse geldt dan een geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht en een afstandsnorm van 100 meter voor veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden.

 

Situatie ter plaatse

Met het bestemmingsplan worden woningen gerealiseerd. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij.

 

Belang omliggende veehouderijen

In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. De dichtstbijzijnde veehouderijen zijn gelegen op circa 300 meter. Het algemene beeld is dat de dichtstbijzijnde veehouderijen of dieren houden die geen geuremissiefactor hebben of dat er sprake is van veehouderijen met relatief lage geuremissies (< 5.000 Ou/s).

Gelet op de afstand in relatie tot de geuremissie kan gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied voldaan wordt aan de geurnorm ter plaatse van 2,0 odour units per kubieke meter lucht. Agrarische bedrijven worden bovendien niet beperkt in hun bedrijfsvoering, mede omdat andere geurgevoelige objecten op kortere afstand zijn gelegen.

 

Woon- en leefklimaat

In de onderstaande afbeelding (bron: Atlas Leefomgeving) is de GES score (gezondsheidseffectscreening-score) in beeld gebracht. De locatie Kromstraat is als goed aangeduid. Hieruit blijkt dat 0-5% van de men-sen die gevraagd wordt in een enquete aangeeft dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder.

 

Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied als goed tot zeer goed te kwalificeren is.

 

 [image][image]

Afbeelding: GES-score geur (Atlas Leefomgeving)

 

Conclusie

Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmings-plan.

5.3 Lucht

Toetsingskader

Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten:

 

Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat:

 

Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden:

 

In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.

 

Situatie ter plaatse

Met het bestemmingsplan worden in totaal 11 grondgebonden woningen gerealiseerd. Woningen vallen rechtstreeks onder de regeling NIBM, wanneer sprake is van maximaal 500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg). Dit betekent dat het ontwikkelen van 11 grondgebonden woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de verontreiniging van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit geldt daarmee geen nadere onderzoeksplicht.

 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 micro-gram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.

 

De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden.

 

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.4 Geluid

Toetsingskader

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeerswegen, spoorwegen en industrieterreinen.

 

Situatie ter plaatse

Met de ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder.

 

Wegverkeer

De locatie Kromstraat is gelegen binnen de onderzoekszone van de weg Maaipad (60 km/uur). Vanuit een goede ruimtelijke ordening is wel inzicht gegeven in de akoestische situatie ter plaatse. Een akoestisch onderzoek is derhalve uitgevoerd. Voor een beschrijving van de uitgangspunten en resultaten wordt verwezen naar dit rapport. In het onderstaande worden de conclusies benoemd.

 

Op grond van het akoestisch onderzoek kan gesteld worden dat vanwege het zoneringsplichtige deel van het Maaipad de geluidbelasting ter plaatse van de geprojecteerde ontwikkeling “Kromstraat” ruimschoots minder bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde Lden van 48 dB. Het treffen van maatregelen en/of vaststellen van een hogere waarde voor het Maaipad is derhalve niet aan de orde.

 

De cumulatieve geluidbelasting vanwege het zoneringsplichtige deel van het Maaipad en de overige nabijgelegen 30 km/uur wegen bedraagt (afgerond) ten hoogste 50 dB inclusief aftrek ex art. 110g Wgh dan wel 55 dB inclusief aftrek ex art. 110g Wgh. De geluidbelasting vanwege de Kromstraat is hierbij bepalend. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het geluidklimaat binnen het plangebied als “matig” (GES-score 4) kan worden geclassificeerd. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of zij een dergelijk geluidklimaat toelaatbaar acht binnen het plangebied.

 

De cumulatieve geluidbelasting van de nabijgelegen 30 km/uur – wegen bedraagt ten hoogste 39 dB inclusief aftrek ex art. 110g Wgh dan wel 44 dB inclusief aftrek ex art. 110g Wgh. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB volgens de Wet geluidhinder en volgt in het kader van de beoordeling van het toekomstige woon- en leefklimaat een GES-score van 1 (“goed”).

 

Railverkeer

Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoortraject.

 

Gezoneerde industrieterreinen

Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein.

 

Conclusie

Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmings-plan. Het bevoegd gezag dient te beoordelen of het cumulatieve akoestisch klimaat toelaatbaar wordt geacht.

 

5.5 Externe veiligheid

Inleiding

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor) inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen.

 

Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d.

Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan.

 

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – in dezen de gemeente en de provincie – afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen.

Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee Bevi-inrichtingen. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar veroorzaakt door deze inrichtingen levert geen beperking op ten aanzien van de planontwikkelingen. Het groepsrisico van beide Bevi-inrichtingen is gelegen ruim onder de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico en zal vanwege het plangebied Kromstraat niet stijgen. Voor de technische beoordeling verwijzen we naar de onderstaande technische beoordeling.

Voor de risico-inventarisatie is uitgegaan van de navolgende informatiebronnen:

In de onderstaande afbeelding is een deel van de risicokaart weergegeven van Bergen op Zoom. De locatie aan de Kromstraat ligt binnen de bovenste cirkel.

 

 [image]

Afbeelding: Ruimtelijke ontwikkeling Kromstraat (bovenste cirkel) gelegen binnen invloedsgebied van Sabic en Mepavex.

 

Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, zijn het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS) en de professionele risicokaart geraadpleegd. Het RRGS is en centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De professionele risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Hieruit blijkt dat de betreffende locatie binnen het invloedsgebied van twee Bevi-inrichtingen liggen, namelijk van Sabic Innovative Plastics BV en Mepavex Logistics BV.

 

Voor Sabic Innovative Plastics BV is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag. Op basis van de professionele risicokaart is bepaald dat de plangebieden op een afstand van ca. 1.000 meter respectievelijk 1.800 meter van de inrichtingsgrens van Sabic liggen. Het invloedsgebied van Sabic bedraagt ca. 8.700 meter en ligt hierdoor volledig over de locatie. Uit de QRA, behorende bij de Wm-aanvraag van Sabic, blijkt dat het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar niet buiten de inrichtingsgrens ligt. Het maximaal berekende groepsrisico (GR) bedraagt 0.002 van de oriëntatie-waarde.

 

Voor Mepavex Logistics BV is de provincie Noord-Brabant eveneens het bevoegd gezag. Op basis van de professionele risicokaart is bepaald dat het plangebied op een afstand van ca. 3300 meter van de inrichtingsgrens van Mepavex Logistics BV liggen. Het invloedsgebied van Mepavex Logistics BV bedraagt ca. 3550 meter en ligt hierdoor volledig over het plangebied. Voor Mepavex Logistics BV, op ruime afstand gelegen aan de Blankenweg 11, wordt een plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar berekend welke niet is gelegen over het plangebied. Het maximaal berekende groepsrisico (GR) bedraagt 0.02 van de oriëntatie-waarde. Er blijkt sprake te zijn van een groepsrisico dat ruim onder de oriëntatiewaarde ligt. Er zijn geen belemmeringen voor het plangebied.

 

In 2012 is door de RMD een zogenaamde gevoeligheidsanalyse uitgevoerd voor een aantal Bevi-inrichtingen, met een invloedgebied van meer dan 1000 meter, gelegen op het Industrieterrein Theodorushaven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ruimtelijke ontwikkelingen geen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico. Ondanks de lichte toename van de bevolking, binnen het invloedsgebied als gevolg van de het plangebied, is geen sprake van toename van het groepsrisico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied liggen van een Bevi-inrichting, is op grond van artikel 13 van het Bevi een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Daarvoor is gebruik gemaakt van het door de Veiligheidsregio verstrekte advies inzake de hoogte van het groepsrisico en de aspecten met betrekking tot de rampenbestrijding, zelfredzaamheid en hulpverlening. De (standaard) verantwoording groepsrisico is opgenomen in de bijlage.

 

Transportassen

Met het in werking treden van de Wet basisnet is ook Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water en de weg, vindt vanaf deze datum plaats aan de hand van de Wet basisnet. Hierin zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

Wat de berekening van het groepsrisico betreft, dient voor bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen e.d. die ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bijlagen van de in de Regeling basisnet genoemde transportassen, uit te worden gegaan van de in de bijlage vermelde vervoerscijfers. Die vervoerscijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de groeiruimte voor het vervoer. Bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit dient het groepsrisico te worden verantwoord.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het basisnet weg, water en/of spoor, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor basisnet weg geldt bijvoorbeeld dat daar waar in bijlage I de afstand ‘0’ is vermeld, het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

 

Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden, moet voor sommige transportassen rekening worden gehouden met het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Voor bijvoorbeeld een rijksweg wordt de 30 meter voor het PAG gemeten vanaf de rechterrand van de rechter-rijstrook. In het Bouwbesluit is beschreven aan welke voorwaarden het bouwen binnen een PAG moet voldoen.

 

Als binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 m van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd, maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd.

 

Het invloedsgebied kan dus verder reiken dan 200 meter. Als dat het geval is en het invloedsge-bied reikt tot over het plangebied, dan moeten wel maatregelen worden overwogen. Bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid.

 

Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). Ook hier gelden geen beperkingen voor ruimtegebruik voor het (plan)gebied dat verder ligt dan 200 meter van de transportas.

 

De locatie is op meer dan 200 meter van risicorelevante (auto)wegen gelegen. Daarom zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico niet beschouwd. Het aspect transport van gevaarlijke stoffen over de weg is wel aan de orde omdat de locatie binnen het invloedsgebied van (snel) wegen is gelegen. Volstaan kan worden met een zogenaamde beperkte verantwoording waarbij aandacht wordt besteed aan hulpverlening, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in geval van een calamiteit. Hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording groepsrisico.

 

Buisleidingen

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is daarmee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.

Nabij het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die relevant zijn voor het aspect externe veiligheid.

 

Verantwoording groepsrisico

Omdat de locatie is gelegen binnen het invloedsgebied van twee Bevi-inrichtingen dient een verantwoording groepsrisico te worden opgesteld.

De gemeente Bergen op Zoom heeft een standaard verantwoording groepsrisico opgesteld waarbij gebruik is gemaakt van een standaardadvies uitgebracht door de Veiligheidsregio (VR).

Het plangebied voldoet aan de randvoorwaarden voor toepassing van de standaard verantwoording groepsrisico (en standaard advies VR). Daarom wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording, zoals opgenomen in de bijlage.

 

Gemeentelijke beleid

De gemeente Bergen op Zoom heeft op 17 oktober 2012 een Beleidsvisie Externe Veiligheid

vastgesteld waarin zij aangeeft welke risico’s de gemeente acceptabel vindt en op welke manier

zij deze risico’s wil beheersen.

De acceptatie van risico’s wordt gestuurd door:

Deze ambitie is voor verschillende gebiedstypen verder uitgewerkt. Het gaat om de gebiedstypen woonwijken, bedrijventerrein, buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype woonwijken.

 

In woonwijken verblijft een groot aantal mensen op een relatief beperkt oppervlak. Om burgers een zo veilig mogelijke woonomgeving te bieden worden in dit gebiedstype geen bedrijven toegelaten die een veiligheidsrisico voor de omgeving veroorzaken. De gemeente streeft er naar dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Ook wordt er naar gestreefd dat er in principe geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen zoals kinderen, bejaarden en zieken binnen de 200 meter invloedszone van een transportas wordt gerealiseerd of binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting.

Met het plan worden geen functies gecreëerd die specifiek bestemd zijn voor verminderd zelfredzame personen. Het plan heeft geen invloed op het groepsrisico. De ontwikkelingen zijn derhalve niet strijdig met de beleidsvisie externe veiligheid.

 

Conclusie

Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.6 Bodem

Toetsingskader

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van het bestemmingsplan speelt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging.

 

Situatie ter plaatse

Omdat het plangebied in de bestaande situatie reeds een woonbestemming kent en er derhalve sindsdien geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, worden er geen aandachtspunten voorzien ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit. Desalniettemin zal ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een verkennend bodemonderzoek wor-den uitgevoerd.

 

Conclusie

Voor het plangebied gelden er geen aandachtspunten vanuit de bodemkwaliteit. Een verkennend bodemonderzoek zal worden uitgevoerd ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

5.7 Stikstofdepositie

Toetsingskader

Sinds 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Dit programma heeft tot doel de effecten van stikstofdepositie op beschermde waarden weg te nemen en ruimte voor ontwikkeling te creëren door:

 

AERIUS is ontwikkeld om de te verwachten depositie van stikstof (N) als gevolg van een project of plan te berekenen en te bepalen of er (voldoende) ontwikkelruimte in het betreffende Natura 2000- gebied beschikbaar is. Voor (bestemmings)plannen geldt echter geen vergunning- of meldings-plicht. Wel dient voor vaststelling van het plan het effect van het plan op beschermde natuur in beeld te zijn gebracht.

 

Het PAS gaat uit van drie grenswaarden, te weten: 0,05, 1 en 3 mol N/ha/jaar. Voor een ontwikke-ling of activiteit die een toename van stikstofdepositie kleiner dan 0,05 mol N/ha/jaar tot gevolg heeft, zijn geen vervolgstappen nodig: de toename is verwaarloosbaar. Voor een toename van de depositie met meer dan 3 mol N/ha/jaar is geen ontwikkelruimte beschikbaar. Het project of de activiteit dient in dat geval te worden aangepast. Voor een toename van stikstofdepositie tussen 0,05 en 3 mol N/ha/jaar is ontwikkelruimte beschikbaar. Om hiervan gebruik te maken is (voor een project of activiteit) melding of vergunning nodig:

 

De tweede optie (melding via AERIUS) is voor diverse Natura 2000-gebieden weggevallen, omdat

nog maar weinig of helemaal geen ontwikkelruimte meer beschikbaar is. Voor projecten met effec-ten (als gevolg van stikstofdepositie) op dergelijke gebieden kan alleen nog ontwikkelruimte wor-den aangevraagd via een toestemmingsbesluit (vergunningaanvraag Wet Natuurbescherming).

 

Situatie ter plaatse

Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op circa 4 kilometer. Het gaat om het Natura-2000 gebied Brabantse Wal.

Gelet op de ontwikkeling van 11 grondgebonden woningen in relatie tot de afstand staat vast dat de ontwikkeling geen bijdrage zal leveren die groter is dan 0,05 mol N/ha/jaar. Om die reden geldt er voor de planvorming geen vergunning- of meldingsplicht. Het plan levert geen bedreiging voor de instandhoudingsdoeleinden van de omliggende Natura-2000 gebieden.

 

Conclusie

Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

 

 

HOOFDSTUK 6 Bestemmingsregeling

 

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het hiervoor beschreven ruimtelijk kader juridisch is vertaald. Ingegaan wordt op de juridische opzet van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels).

 

Het bestemmingsplan heeft een overwegend conserverend karakter. Dat wil zeggen dat de bestaande ruimtelijke en functionele hoofdstructuur is bestemd en dat het plan erop is gericht deze hoofdstructuur te behouden. Daartoe is in het plan een gedetailleerde regeling van bestemmingen en bouw- en gebruiksregels opgenomen. Indien een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen past binnen de bestemming en de bijbehorende regels, ontstaat een directe bouwtitel. Daarnaast kent het bestemmingsplan enige flexibiliteit, die het mogelijk maakt om in de planperiode in te spelen op ontwikkelingen, zonder dat de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur wordt aangetast.

6.2 Verbeelding

Welke bestemming de gronden binnen het plangebied hebben, is te zien op de verbeelding. Er is een digitale verbeelding en een analoge verbeelding. Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).

6.3 Regels

De regels gaan over het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de SVBP 2012 De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

 

6.3.1 Inleidende regels

 

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen, welke van belang zijn voor een juiste toepassing van de regels. In artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven met daarin een nadere uitleg van een aantal in de regels gehanteerde begrippen. Hierdoor wordt de eenduidigheid en daarmee de rechtszekerheid vergroot. Artikel 2 bevat regels die aangeven op welke wijze bepaalde zaken, zoals grondoppervlakte en inhoud van gebouwen dienen te worden bepaald.

 

6.3.2 Bestemmingsregels

 

Dit hoofdstuk bevat artikelen waarin regels zijn opgenomen betreffende de op de verbeelding voorkomende bestemmingen en de op de verbeelding aangegeven aanduidingen met betrekking tot de toegestane (hoofd)bebouwing. Bij de opbouw van deze regels is, voor zover voorkomend binnen de verschillende bestemmingen, de indeling overeenkomstig de SVBP 2012 aangehouden:

In dit onderdeel wordt de materiële inhoud van de bestemming aangegeven: de functies die binnen de bestemming “bij recht” zijn toegestaan. De bestemmingsomschrijving vormt de eerste “toetssteen” voor bouwactiviteiten en/of gebruiksvormen. Beide zijn slechts toegestaan, voor zover zij zullen plaatsvinden binnen de opgenomen omschrijving.

Dit onderdeel geeft aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. Voorop staat dat slechts mag worden gebouwd ten behoeve van de voor de bestemming aangegeven bestemmingsomschrijving.

 

De in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen worden hieronder achtereenvolgens toegelicht.

 

Verkeer (V)

Deze bestemming is opgenomen voor de wegen, voet- en fietspaden, alsmede de verkeersgebieden, waarbinnen de verblijfsfunctie primair staat (zoals parkeerterreinen, pleinen). Binnen de bestemming is het oprichten van allerlei verkeersvoorzieningen alsmede speelvoorzieningen, kunstobjecten en kunstwerken mogelijk. Voor de diverse bouwwerken worden maximale bouwhoogtes gehanteerd.

 

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de verkeersbestemming te kunnen wijzigen in de bestemming “Wonen” met de aanduiding ‘erf’ dan wel ‘tuin’, waardoor het mogelijk is perceelsgedeelten bij woningen te kunnen vergroten.

 

Wonen (W)

De in het plan voorziene woningen zijn ondergebracht in deze bestemming. Voor de hoofdgebouwen wordt uitgegaan van een situering binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van de maximaal toegestane goot- en/of bouwhoogte. Voor het perceelsgedeelte buiten het bouwlak, aangeduid als ‘erf’, worden mogelijkheden geboden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken. Ook hiervoor zijn bouwregels opgesteld. Voor de voorerven is de aanduiding ‘tuin’ opgenomen. Hier zijn enkel andere bouwwerken toegestaan en geldt een beperkte bouwhoogte.

 

Om een zekere mate van flexibiliteit in het plan aan te brengen zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen die het mogelijk maken om de bouwgrenzen met maximaal 2 meter te verschuiven en om de goothoogte te verhogen. Aan de afwijkingsbevoegdheden zijn voorwaarden gekoppeld.

 

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in het hoofdgebouw van de woningen worden rechtsreeks mogelijk gemaakt. Ander medegebruik is middels een functieaanduiding op de verbeelding aangegeven. Voor het toestaan van beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten in bijgebouwen is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Er is tevens een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om bijzondere woonvormen en kamerverhuur toe te staan.

 

Waarde-Archeologie -1

Voor het gedeelte van het plangebied waar een hoge archeologische verwachtingswaarde gedlt is deze dubbelbestemming opgenomen. Hiermee worden eventuele archeologische waarden beschermd. Voor het uitvoeren van andere werken is een vergunningstelsel opgenomen. Dit vergunningstelsel is van toepassing op het moment dat er over een oppervlakte van 50m2 en dieper dan 0,5 m werkzaamheden plaatsvinden. Met inachtneming hiervan zijn op deze gronden eveneens bouwwerken ten behoeve van de onderliggende bestemmingen toegestaan.

 

6.3.3 Algemene regels

 

Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel is erop gericht om grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing te laten.

 

Algemene bouwregels

Het onderhavige artikel dient te voorkomen dat situaties ontstaan, welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daarnaast beoogt dit artikel te voorkomen dat bouwwerken die groter of juist kleiner zijn dan in de bouwregels bij de diverse bestemmingen is toegestaan of voorgeschreven, onder het overgangsrecht komen te vervallen. Voor deze bouwwerken gelden de bestaande grotere dan wel kleinere afmetingen als maximaal respectievelijk minimaal toegestaan.

 

Algemene aanduidingsregels

Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Woensdrecht. Binnen deze zones geldt een beperking van de bouwhoogte.

 

Algemene afwijkingsregels

Deze afwijkingsmogelijkheden hebben tot doel flexibiliteit in het plan in te bouwen. Het afwijken van de bebouwingsregels, ten behoeve van bijvoorbeeld het oprichten van nutsvoorzieningen en het in beperkte mate afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen, kan in veel gevallen plaatsvinden zonder dat hierdoor het belang van een goede ruimtelijke ordening wordt geschaad. Voor dit soort gevallen is derhalve in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

 

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel zijn voor burgemeester en wethouders enkele mogelijkheden gecreëerd om, via een voorgeschreven procedure, in iets ruimere mate dan bij de “algemene afwijkingsregels” af te wijken van de regels. Het gaat dan echt om een wijziging van het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheden dragen bij aan een meer flexibel plan.

 

Algemene gebruiksregels

In dit artikel zijn regels opgenomen betreffende de plicht om voldoende parkeerplaatsen en laad- en losmogelijkheden te realiseren. Er moet in basis voldaan worden aan de in de bijlage opgenomen Nota Parkeernormering, waarbij de parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen hiervan af te wijken. Er kan worden afgeweken indien door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren wordt gestuit. Eveneens worden afgeweken van de parkeereis als de nodige parkeer- of stallingsruimte op een andere manier wordt voorzien of indien wanneer herziening van het parkeerbeleid hiertoe aanleiding geeft.

 

6.3.4 Overgangs- en slotregels

 

Overgangsrecht

De overgangsregels voor bouwen hebben ten doel de rechtstoestand te begeleiden van bouwwerken welke op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en welke afwijken van de bouwregels van het plan. Overgangsregels voor gebruik betreft het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan (rechtens) afwijkt van de in het onderhavige plan gegeven bestemming.

 

Slotregel

Dit artikel ten slotte, geeft aan onder welke naam de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald Bestemmingplan "Kromstraat".

 

 

HOOFDSTUK 7 Uitvoeringsaspecten

 

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6:12 van de Wro dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan zoals in het Bro is omschreven is voorgenomen. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien:

  1. het kostenverhaal anderszins is verzekerd;

  2. het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig is;

  3. het stellen van locatie-eisen of regels niet nodig is.

 

Met de ontwikkelende partij is een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin is kostenverhaal geregeld. Gelet hierop bestaat er geen noodzaak tot het opstellen van een exploitatieplan. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan in voldoende mate aangetoond.

7.2 Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende vergunningen. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de feitelijke situatie. Daarnaast vindt registratie plaats van verleende vergunningen.

 

Handhaving kan plaatsvinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden.

 

Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch een zekere betekenis toegekend.

 

Daarnaast zijn in het bestemmingsplan instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden, de bevoegdheid nadere eisen te stellen en de mogelijkheid om omgevingsvergunningen ten behoeve van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te verlenen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk, voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.

 

HOOFDSTUK 8 Resultaten inspraak en overleg

 

8.1 Inleiding

Het bestemmingsplan “Kromstraat” heeft tot doel om de woningbouwontwikkeling, conform het plan, op de betreffende locatie mogelijk te maken. Ten aanzien van het voorontwerpbestemmingsplan is geen inspraaktraject gevolgd. Wel is er vooroverleg gepleegd met diverse instanties en is er in maart 2018 een inloopavond gehouden voor omwonenden en overige belangstellenden.

8.2 Resultaten vooroverleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerp- bestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen reacties zijn betrokken bij de totstandkoming van het ontwerpbestemmingsplan. Deze reacties hebben niet geleid tot significante wijzigingen van uitgangspunten van het plan.

8.3 Zienswijzenprocedure

De procedure voorziet in de mogelijkheid voor een ieder om tegen het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Daartoe zal het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende zes weken op het stadskantoor ter inzage worden gelegd. De terinzagelegging zal op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend worden gemaakt. Bewoners binnen het plangebied en direct omwonenden worden per brief op de hoogte gesteld van het ontwerpplan.

 

Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 29 maart 2018 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn is het voor een ieder mogelijk schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen in te dienen. Hiervan hebben drie personen/instanties gebruik gemaakt. De zienswijzen zijn betrokken bij het vast te stellen bestemmingsplan.

8.4 Vervolgprocedure

Na beoordeling van eventueel ingediende zienswijzen zal door het college van burgemeester en wethouders bekeken worden of het plan bijgesteld moet worden. Vervolgens wordt het plan al dan niet gewijzigd ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. Na de vaststelling van het plan wordt het (gewijzigde) bestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen binnen deze termijn beroep en/of een verzoek om voorlopige voorziening aan de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State indienen.