Toelichting
HOOFDSTUK 1 Doel en opzet
1.1 Aanleiding en doel
In 2011 heeft de gemeenteraad een ruimte voor ruimte ontwikkeling mogelijk gemaakt langs de Langstraat – Fort de Roverweg middels het bestemmingsplan 'West Brabantse Waterlinie (RVB11-0010). Daarmee kon de bedrijfslocatie van een voormalige leliekwekerij worden gesaneerd. De afgelopen periode is deze sanering uitgevoerd en zijn 9 ruimte voor ruimtekavels ontwikkeld. Alle kavels zijn inmiddels verkocht / in aanbouw / bewoond. Deze ontwikkeling krijgt nu een vervolg. Op het perceel Langstraat 1 worden 2 extra ruimte voor ruimtekavels voorgesteld.
De eigenaren van Langstraat 1, hebben aangegeven de aanwezige verouderde agrarische opstallen (met asbest daken) te willen saneren en gelijktijdig verzocht om twee woningen te mogen terugbouwen, ter weerszijde van de bestaande woning. In 2011 bestond deze wens er ook al maar toen waren de eigenaren nog niet zo ver met hun plannen.
De huidige bestemming van de percelen is momenteel agrarisch. Bovengenoemde ontwikkeling vergt daarom een aanpassing van het bestemmingsplan. De voorgestelde nieuwe woningen in dit deel van het buitengebied zijn planologisch mogelijk te maken met toepassing van de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling.
Het bestemmingsplan 'RvR Langstraat' bestaat uit drie delen: een (digitale) verbeelding, waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels, waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting, waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het (juridisch) bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft een klein gedeelte van het plangebied van het bestemmingsplan ‘Herstel West-Brabantse Waterlinie’ en is gelegen ten oosten van de kern Halsteren. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Langstraat, aan de zuidzijde door een bosperceel (met pad) langs de Fort De Roverweg, aan de noordzijde door een bestaand woonperceel en aan de oostzijde door groen dat in eigendom is van de gemeente.
Afbeelding 1: globaal plangebied.
1.3 Geldende bestemmingsplannen
Onderhavig bestemmingsplan vervangt (deels) het vigerende bestemmingsplan 'Herstel West-Brabantse Waterlinie'.
1.4 Opzet
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
Ruimtelijk kader (hoofdstuk 2)
In hoofdstuk 2 wordt de huidige ruimtelijke situatie van het plangebied geanalyseerd en beschreven. Daarbij wordt eerst ingegaan op de stedenbouwkundige en functionele structuur van het totale plangebied. Vervolgens worden de uitgangspunten geformuleerd.
Beleidsaspecten (hoofdstuk 3)
In dit hoofdstuk zijn de beleidsuitgangspunten in beeld gebracht. Er wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Onderbouwing op onderdelen (hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 wordt het ruimtelijk kader uit hoofdstuk 2 op onderdelen nader onderbouwd. Deze nadere analyse beschrijft per onderdeel de consequenties van het voorgestelde ruimtelijk kader.
Milieuaspecten (hoofdstuk 5)
In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten als gevolg van het voorgestelde ruimtelijk kader nader omschreven.
Bestemmingsregeling (hoofdstuk 6)
Op basis van het voorgaande is de juridische regeling opgesteld (verbeelding en regels). In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de overwegingen en uitgangspunten van de bestemmingsregeling en op de aangegeven bestemmingen en de inhoud van de bijbehorende regels.
Uitvoeringsaspecten (hoofdstuk 7)
In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan de uitvoering van het plan. Ingegaan wordt op de aspecten economische uitvoerbaarheid en handhaving.
Resultaten inspraak en overleg (hoofdstuk 8)
Dit hoofdstuk behandelt de wijze waarop het plan voorgelegd is aan de inwoners en instellingen. De resultaten van de inspraak- en overlegprocedure zijn in dit hoofdstuk vermeld.
HOOFDSTUK 2 Ruimtelijk structuur
2.1 Beschrijving huidige situatie
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie Langstraat - Fort de Roverweg. De afgelopen jaren is hier een herontwikkeling geweest van een voormalige leliekwekerij aan de Langstraat 3. De oude opstallen zijn daarbij gesaneerd en in de plaats daarvan zijn 9 ruimte voor ruimtewoningen gerealiseerd. In de besluitvorming daarover (2010-2011) was aanvankelijk ook herontwikkeling van het perceel Langstraat 1 en het achtergelegen weiland in beeld. Dat is uiteindelijk niet in de eerste fase van de herontwikkeling meegenomen.
Op het perceel Langstraat 1 is een voormalige agrarische woning aanwezig en een grote omvang aan verouderde agrarische opstallen (met asbest daken). Het plangebied wordt aan de westzijde omgeven door de Langstraat met aanwezige woningen, aan de noordzijde door de aangrenzende tuin van de woning aan de Wouwseweg, aan de zuidzijde door de houtwal die de Fort de Roverweg begeleid en aan de oostzijde door het kavel dat in eigendom is van de gemeente.
![i_NL.IMRO.0748.BP0231-0301_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0231-0301_402001.png)
2.2 Ontwikkeling
De (her)ontwikkeling Langstraat - Fort de Roverweg fase 2 bestaat uit het saneren van de grote verouderde agrarische opstallen en het mogelijk maken van 2 nieuwe RVR woningen. De twee woningen zijn ter weerszijde van de bestaande woning Langstraat 1 gesitueerd, met diepe voortuinen en met een kavelomvang van ruim 3000 m2. De woningen voegen zich vanzelfsprekend binnen hun omgeving en krijgen een maatvoering en gebiedseigen architectuurbeeld, overeenkomstig de reeds gerealiseerde woningen langs de Fort de Roverweg. De aanwezige boombeplanting rond de percelen blijft behouden. Het parkeren ten behoeve van de nieuwe woningen zal geheel op eigen terrein worden opgevangen.
HOOFDSTUK 3 Beleidsaspecten
3.1 Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. Deze visie vervangt verschillende bestaande nota’s op het gebied van ruimtelijke ordening, waaronder de Nota Ruimte.
Het Rijk stelt in de SVIR heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, leefbaar en veilig maakt, is volgens het Rijk een gewijzigde aanpak noodzakelijk. Het Rijk wil de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegenen brengen die het aangaan (burgers en bedrijven) en laat meer over aan gemeentes en provincies (‘decentraal, tenzij- principe’). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving.
Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden, te weten:
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke-economische structuur van Nederland;
het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Voor de hierboven genoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen geformuleerd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is. Het gaat hier om het volgende:
Een excellente ruimtelijke-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen
Efficiënt gebruik van de ondergrond
Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen
Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem
Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen
Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s
Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling
Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten
Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten
Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Conclusie
Er zijn geen rijksbelangen in het geding binnen het plangebied.
3.2 Provinciaal beleid
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening is op 1 oktober 2010 vastgesteld en is op 1 januari 2011 in werking getreden. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid tot 2025. Met de structuurvisie vindt de provincie de balans tussen toelatingsplanologie en ontwikkelingsplanologie. Het stellen van heldere kaders biedt daarbij duidelijkheid voor nieuwe ontwikkelingen of voor een efficiënte uitvoering.
De structuurvisie beschrijft een aantal trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen. Daarnaast beschrijft de structuurvisie de onderscheidende kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. Op basis van de beschreven trends en kernkwaliteiten geeft de structuurvisie ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van Noord-Brabant. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Daardoor dragen ontwikkelingen bij aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De ruimtelijke keuzes geven invulling aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang.
Verordening ruimte
De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke belangen en doelen zoals die benoemd zijn in de structuurvisie en bevat hiertoe instructieregels die voor gemeenten van belang zijn bij het opstellen van hun bestemmingsplannen. Provinciale Staten hebben in hun vergadering van 11 mei 2012 de Verordening ruimte 2012 vastgesteld. De Verordening ruimte 2012 betreft een actualisering van de Verordening ruimte 2011 en is op 11 mei 2012 vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Brabant. Met ingang van 1 juni 2012 is de verordening in werking getreden. De actualisatie bevat onder andere de volgende onderwerpen:
wijziging van de begrenzing van de groenblauwe mantel;
aanpassingen in verband met rijksregelgeving (het omzetten van ontheffingsmogelijkheden naar algemene regels en diverse aanpassingen aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening);
aanpassingen in verband met onvolkomenheden en onduidelijkheden;
aanpassingen vanwege ervaringen uit de praktijk;
invoeren van een algemene ontheffingsmogelijkheid.
Op 17 december 2013 hebben Gedeputeerde Staten het Statenvoorstel van de structuurvisie en de Verordening ruimte vastgesteld. De Verordening ruimte 2014 is op 7 februari 2014 vastgesteld. Op 19 maart is de verordening in werking getreden. Ten opzichte van de Verordening ruimte 2012 omvat de verordening diverse wijzigingen. Deze hebben in hoofdzaak betrekking op:
vereenvoudiging en verduidelijking: de opbouw van de Ontwerpverordening ruimte 2014 is gewijzigd waardoor deze beter aansluit bij de systematiek van de bestemmingsplannen. Daarnaast is er gekozen voor een directer taalgebruik en meer opsommingen, eenvoudigere zinnen en herkenbare formuleringen;
wijzigingen vanwege het rijksbeleid: met de vaststelling van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is het rijksbeleid gewijzigd. Dat heeft ook gevolgen voor de kaders die in de provinciale verordening zijn opgenomen;
wijzigingen vanwege het landbouwbeleid;
wijzigingen vanwege het natuurbeleid.
Het plangebied ligt op basis van de Verordening ruimte in de groen-blauwe mantel. Op basis van artikel 6.8 kan een bestemmingsplan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels om zo woningen in de groene-blauwe mantel te kunnen bouwen. Dit kan op basis van een aantal voorwaarden:
er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst;
de ruimte-voor-ruimte-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;
een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;
er geen sprake is van een (aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.
Onderstaand wordt ingegaan op deze voorwaarden:
1. De milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst wordt mogelijk door toepassing van lid 3 van artikel 6.8. Alle twee de initiatiefnemers hebben een bouwtitel gekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte.
2. Op 15 februari 2011 heeft de gemeenteraad een ruimte voor ruimte ontwikkeling mogelijk gemaakt langs de Langstraat - Fort de Roverweg (RVB11-0010, bestemmingplan ‘Herstel West-Brabantse Waterlinie’). Daarmee werd het mogelijk om de bedrijfslocatie van een voormalige leliekwekerij te saneren, een hoogwaardig woonmilieu ervoor in de plaats te brengen en het landschapsbeeld te versterken. De afgelopen periode is deze sanering uitgevoerd en zijn 9 ruimte voor ruimtekavels ontwikkeld. Alle kavels zijn inmiddels verkocht / in aanbouw/ bewoond.
Destijds was eveneens sprake van een mogelijke vervolgontwikkeling op het perceel aan de Langstraat 1. Deze vervolgontwikkeling krijgt nu concreet vorm. De eigenaren van Langstraat 1 hebben namelijk aangegeven de aanwezige verouderde agrarische opstallen (met asbest daken) te willen saneren. Gelijktijdig hebben zij verzocht om twee woningen te mogen terugbouwen, ter weerszijden van de bestaande woning.
In de verordening wordt onder een bebouwingsconcentratie verstaan: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. Omtrent fase 1 is overleg gevoerd met de provincie en over de aanvaardbaarheid in relatie tot het provinciaal beleid. Daarbij is deze vervolgontwikkeling ook aan de orde geweest. Vanuit de provincie is positief bevestigd dat sprake is van een bebouwingscluster Langstraat-Fort de Roverweg-Wouwseweg (en geen lintbebouwing). De herontwikkeling blijft buiten kwetsbaar gebied en valt binnen de globale contour die met de bestaande en nieuwe woonpercelen is ontstaan (zie ook illustraties in paragraaf 2.1 en 2.2 van de toelichting).
Het plangebied valt dus binnen de bebouwingsconcentratie Langstraat – Fort de Roverweg - Wouwseweg. Deze bebouwingsconcentratie is met de sanering van de voormalige leliekwekerij ruimtelijk-functioneel al sterk in kwaliteit verbeterd. Met de nu voorgenomen herontwikkeling zal de omschakeling van agrarisch naar wonen kunnen worden voltooid naar een afgerond kwalitatief woonmilieu binnen een sterk landschappelijk raamwerk. 3. Qua landschappelijke inpassing houden de twee beoogde nieuwe woningen aan de Langstraat – Fort de Roverweg rekening met de aanwezige groenopstanden en blijven ze binnen de globale contour van het bestaande bebouwingscluster en buiten de kwetsbare gebieden. De percelen zijn dusdanig groot (2000-3000 m2) dat het groen van de particuliere tuinen naar verwachting positief zal bijdragen aan het landschappelijk raamwerk en de biodiversiteit. Het ruimtebeslag en massabeeld van de woningen is begrensd met een bouwvlak en maximale goot/bouwhoogten, zoals bij de eerdere RvR kavels. Het voor de woningen benodigde parkeren is op eigen/gezamenlijk terrein en legt geen ruimtebeslag op openbare ruimte.
4. De nieuwe woningkavels zijn gesitueerd op ruime percelen 2000-3000 m2. Deze percelen zijn begrensd door de Langstraat en door bospercelen langs de Roverweg en het terrein van de waterwinning. De te hanteren beeldregie (welstandkader) bij de inrichting van de percelen en de uitstraling van de woningen, is in lijn met de al gerealiseerde RVR woningen aan de Fort de Roverweg.
Conclusie
Met onderhavige ontwikkeling is sprake van sanering door herontwikkeling. Dit past binnen de uitgangspunten van de provinciale verordening. Ook aan de overige voorwaarden van de ruimte voor ruimte regeling wordt voldaan.
3.3 Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is neergelegd in een veelheid aan (structuur)plannen, stedenbouwkundige plannen, beleidsnotities en andere beleidsstukken. In de onderstaande tekst wordt ingegaan op het voor het plangebied meest relevante beleidsdocument.
Structuurvisie Bergen op Zoom 2030
De in 2000 door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie voor het grondgebied van de gemeente levert
een integrale samenhangende ruimtelijke visie voor de stad Bergen op Zoom en de kernen Halsteren,
Lepelstraat, Heimolen, Klutsdorp en Kladde. In de Structuurvisie wordt gekozen voor compacte ontwikkeling,
met als uitgangspunt het inzetten op herstructurering en stedelijke vernieuwing van bestaand stedelijk
gebied, inclusief de kernen. De inzet op stedelijke vernieuwing gekoppeld aan het ontwikkelen van uitleggebieden in een verspreid verstedelijkingspatroon resulteert in een veelheid van werk- en woonmilieu’s die
voorzien in de toenemende differentiatie aan woonwensen. De historische kern van Bergen op Zoom
wordt als één van de kwaliteiten van de stad genoemd.
In het algemeen wordt restrictief omgegaan met het toevoegen van burgerwoningen in het buitengebied. Op basis van het gemeentelijk Rood voor Groenbeleid kan echter wel planologische medewerking aan initiatieven worden verleend. Uitgangspunt daarbij is dat een initiatief voor woningbouw in het buitengebied planologisch en stedenbouwkundig/landschappelijk aanvaardbaar is. Waar mogelijk is daarmee tevens een kwaliteitsverbetering van de directe omgeving te bereiken.
Daarnaast is per nieuwe woning via de ruimte voor ruimteregeling een afdracht te voldoen aan de provincie/ RVR CV. Met deze afdrachten kunnen provinciale en gemeentelijke investeringen in de kwaliteitsverbetering van het buitengebied worden gedaan. De gemeente ontvangt namelijk ook een aandeel uit de betaalde afdrachten waarmee de gemeentelijke ambities bij de instandhouding en versterking van het buitengebied in Bergen op Zoom kunnen worden gerealiseerd. Ter uitvoering van deze regeling is op 4 oktober 2006 met de provincie de bestuursovereenkomst Rood voor Groen gesloten. De ontwikkeling past binnen deze uitgangspunten.
Beleidsplan Wonen 2014-2018
Op 27 februari 2014 heeft de raad het Beleidsplan Wonen 2014-2018 vastgesteld. Het beleidsplan heeft het motto ‘Goed wonen voor iedereen’ waarbij vraag en aanbod op elkaar moeten aansluiten en zorgen voor een realistische woningbouwplanning.
Met het Beleidsplan Wonen 2014-2018 wordt aangesloten bij actuele ontwikkelingen en wordt ingezet op:
Een goed woon- en leefklimaat voor iedereen;
Een realistische woningbouwportefeuille, zowel kwantitatief als kwalitatief, waarbij het aanbod aansluit op de vraag;
Een flexibeler houding onder bepaalde voorwaarden bij nieuwe kleinschalige woningbouwinitiatieven die zich aandienen;
Behoud en versterking van de bestaande woningvoorraad;
Behoud en versterking van regionale afstemming met de regio West-Brabant;
Integrale en continue afstemming met (lokale) marktpartijen.
Het uitgangspunt is om de stad te ontwikkelen tot een complete stad. Hierbij zal vooral wordt ingezet op de bestaande stad en kernen. De grote uitleglocaties hebben geen prioriteit, maar moeten wel een goede afronding krijgen. Met het bieden van een compleet aanbod aan woonmilieus probeert de gemeente een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te creëren, waardoor het samen met flankerend beleid voor bedrijvigheid en onderwijs ook aantrekkelijker wordt om zich in de gemeente te vestigen.
Op kwantitatief niveau betekent dit dat we voorkeur geven aan locaties die passen bij bovenstaande visie. In dit beleidsplan wordt geconstateerd dat er tot 2020 ruimte is voor ca. 1.400 woningen, waarbij de gemiddelde afzet per jaar 200 woningen is (waarbij wordt gewerkt met ca. 150 woningen per jaar voor de komende jaren). De ambities liggen echter hoger. Door voorkeursontwikkelingen te benoemen die gezamenlijk ca 1.400 woningen behelzen en door te adviseren om bepaalde ontwikkelingen later in de tijd uit te faseren, creëren we een realistischer programma en ontstaat er zelfs wat ruimte om aan nieuwe initiatieven, onder duidelijke voorwaarde, medewerking te verlenen. De vier extra woningen passen binnen het beleidsplan Wonen.
Waterplan
Voor de gemeente Bergen op Zoom is in 2001 een waterplan opgesteld waarin alle verschijningsvormen van water in samenhang zijn bekeken. Het opstellen van het plan heeft plaatsgevonden in samenwerking met alle betrokken waterpartners en is in februari 2002 vastgesteld. Op basis van de uitgangspunten van het waterplan is het vigerende Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) van kracht geworden in 2003. Dit plan is geactualiseerd en als verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP 2013-2017) in februari 2013 door de gemeenteraad vastgesteld.
Het waterplan besteedt integraal aandacht aan de ontwikkelingen en problemen op het gebied van watersystemen en waterketen. Het watersysteem bestaat uit hemel-, grond- en oppervlaktewater. De waterketen omvat alle drink- en afvalwater, kortom alle water in de buis. Met het waterplan willen de waterpartners het beleid meer op elkaar afstemmen. Bovendien willen ze gezamenlijk werken aan het herstel van veilige, gezonde, duurzame en veerkrachtige watersystemen en een duurzame, samenhangende waterketen. Daarbij staat centraal de verbetering van het leefmilieu van mens, dier en plant alsmede het evenwicht in economische en ecologische ontwikkelingen.
Vanuit de gezamenlijke beleidsplannen is een visie voor de gewenste situatie in 2050 (streefbeeld) ontwikkeld voor het waterplan. Vervolgens zijn aan de hand van het streefbeeld de ambities voor de lange, korte en middellange termijn vastgelegd. Kernelementen van het streefbeeld c.q. de lange termijn ambitie zijn:
schoon oppervlaktewater en waterbodem;
schoon grondwater;
evenwichtige flora en fauna;
water vasthouden en bergen;
voorkomen wateroverlast;
alleen afvalwater zuiveren (geen regenwater via de riolering transporteren/lozen);
duurzame watervoorziening (beperkt drinkwatergebruik en water op maat).
In het watersysteem van de gemeente Bergen op Zoom zijn 7 stroomgebieden te onderscheiden. Voor elk stroomgebied is de huidige situatie bepaald en een toetsing aan de ambities uitgevoerd om de maatregelen te formuleren. In de stedelijke wateropgave van de gemeente uit 2009 is het betreffende waterbeleid herbevestigd en geactualiseerd met betrekking tot de beleidsdoelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water en de gestelde normen met betrekking tot het voorkomen van wateroverlast in relatie tot de klimaatverandering. Alle te nemen maatregelen zijn vervolgens nader omschreven in het vijfjaarlijks te actualiseren rioleringsplan van de gemeente.
Er ligt vanuit het Waterplan geen concrete opgave voor het betreffende plangebied. In de waterparagraaf in hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt nader ingegaan op het aspect water.
HOOFDSTUK 4 Onderbouwing op onderdelen
4.1 Cultuurhistorie en Archeologie
De cultuurhistorische waarde kaart laat zien dat het bosachtige terrein waardevol is en in te steken op behoud. De bestaande woning is beeldbepalend maar blijft in de nieuwe ontwikkeling behouden. Daarnaast blijft ook het bos behouden. Vanuit cultuurhistorie is er dan ook geen belemmering.
Het terrein heeft op de huidige kaart een lage archeologische waarde. Dat is gebaseerd op gegevens van de bodemkaart en historische kaarten.
Het gaat om een gebied waarvan de ondergrond uit stuifzand bestaat. In de omgeving lagen in de 18de eeuw nog veel vennen. In de 19de eeuw werd het gebied helemaal met bos beplant en vanaf circa 1860 werd een deel ter hoogte van Langstraat 1 weer gekapt om akkers aan te leggen. Deze dynamiek van het landschap heeft de ondergrond aangetast. Bovendien boden de stuifzanden geen goede vestigingsplaats tussen Neolithicum en Nieuwe Tijd, vanwege de onvruchtbaarheid van de grond. Dat veranderde pas met de introductie van kunstmest.
4.2 Verkeer
Ontsluiting en bereikbaarheid
De twee nieuw te bouwen woningen aan de Langstraat worden ontsloten via de Langstraat.
Parkeren
Ten aanzien van parkeernormen gaat de gemeente Bergen op Zoom uit van de (actuele) Nota Parkeernormering. Dat betekent dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden.
4.3 Groen
Het gebied heeft een groen karakter. De aanwezige boombeplanting rond de percelen blijft behouden.
4.4 Flora en Fauna
De natuurtoets is uitgevoerd op basis van een veldverkenning. Enkele malen is een veldbezoek gebracht aan plangebied. Het desbetreffende terrein is een verruigde tuin met her en der opslag van grond. Beschermde soorten in het kader van de Flora- en faunawet komen niet voor, waarmee ook de instandhouding daarvan niet in het geding is.
Het terrein wordt enerzijds omgeven door een houtwal (Fort de Roverweg) en meer oostelijk bossen, die tevens deel uit maken van het waterwingebied van Evides. Voorgenomen activiteiten mogen geen aantasting inhouden van de genoemde houtwal en bossen.
De af te breken schuren/stallen zijn niet onderzocht. Voordat deze gesloopt worden zullen deze bezocht moeten worden ivm het mogelijk voorkomen van beschermde soorten zoals vleermuizen.
Aanvullend ecologisch onderzoek is pas nodig als sloop van de schuren/stallen aan de orde is.
Conclusie
Op basis van het veldonderzoek is gebleken dat er geen soorten voorkomen in het kader van de Flora en Faunawet. Naar aanleiding hiervan is een verdere natuurtoets niet noodzakelijk. Er is dan ook geen aanleiding tot het opnemen van planologische voorbescherming voor (delen) van de percelen. Bovendien is het aantal toe te voegen woningen beperkt en zijn deze gesitueerd binnen de invloedssfeer van een bestaande bebouwingsconcentratie aan de Langstraat – Fort de Roverweg. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van licht en geluid/lichthinder op het natuurnetwerk als gevolg van de nieuwe woningen en de ontsluiting daarnaartoe.
Bij het in behandeling nemen van aanvragen voor een Omgevingsvergunning, voor sloop- aanleg en/of bouwwerkzaamheden, zal ook ingegaan worden op het zorgvuldig omgaan met mogelijk aanwezige beschermende soorten. Deze zorgplicht ligt bij de aanvrager van de Omgevingsvergunning. De toelichting is hierop aangevuld.
4.5 Water
Beleid gemeente
De gemeente Bergen op Zoom heeft in 2001 een waterplan opgesteld waarin alle verschijningsvormen van water in samenhang zijn bekeken. Dit plan is opgesteld in samenwerking met alle betrokken waterpartners en zowel door de gemeenteraad als het waterschapsbestuur in 2002 vastgesteld. De meeste uitgangspunten van het waterplan zijn nog steeds van kracht en bovendien nader uitgewerkt in het geactualiseerde verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP 2013-2017) dat in februari 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld.
Bovendien heeft de gemeente sinds de inwerkingtreding van de wet gemeentelijke watertaken (2008) verschillende zorgplichten ten aanzien van water in het stedelijk gebied. Het gaat om de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Voor het stedelijk afvalwater is deze zorgplicht uitgewerkt in het vigerende vGRP. De zorgplichten voor hemel- en grondwater komen voor de gemeente pas om de hoek kijken als grondeigenaren zelf niet voor een adequate verwerking van het water kunnen zorgen. In deze gevallen dient de gemeente voor voorzieningen te zorgen waarop particulieren kunnen aansluiten. Belangrijke voorwaarde is wel dat de maatregelen doelmatig zijn. Welke maatregelen worden getroffen, is zeer sterk locatie-afhankelijk. Zo zijn andere maatregelen nodig als de grondwaterstand laag is en er sprake is van een zandige bodem dan wanneer de bodem uit klei bestaat en het grondwater in een groot deel van het jaar reikt tot aan het maaiveld. Gezamenlijk met het waterschap dient hieromtrent een juiste (lees passende) keuze te worden gemaakt. Een passende aanpak is vastgelegd in de nota Watertaken: Gemeentelijke Wateropgave Bergen op Zoom, daterend uit 2009.
Tenslotte zorgt de gemeente voor de ruimtelijke inpassing van de diverse voorzieningen voor het waterbeheer. Ook in dat opzicht wordt bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening gehouden met noodzakelijke voorzieningen vanuit zowel het integraal waterbeleid als het rioleringsplan.
Beleid Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits- en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en in een aantal gevallen ook het scheepvaartbeheer.
Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Belangrijke speerpunten uit het waterbeheerplan zijn veiligheid, droge voeten, voldoende water, gezonde natuur, schoon water, genieten van water en het waterschap als calamiteitenorganisatie. Bovendien richt het waterschap met genoemde hoofdlijnen van het waterbeheer zich in toenemende mate op de samenwerking met de mogelijkheid in de verbinding meer maatwerk toe te passen, voor zover doelmatig.
In een toetsingskader RO “De ruimte blauw geordend”, heeft het waterschap aangegeven wat de ruimtelijke consequenties zijn van het waterbeleid. Verder heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor diverse ingrepen met betrekking tot de waterhuishouding een ontheffing of watervergunning gerelateerd aan de Keur van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Om een duurzame(re) situatie te bereiken, gaat het waterschap bij nieuwe ontwikkelingen tenminste uit van het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’.
Watertoets
Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals onder meer veiligheid, waterpeil, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader voeren waterschap en gemeente vooroverleg, waaruit de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan zijn afgesproken:
Een duurzame benadering van de waterstromen in relatie tot de ruimtelijke functie van het gebied;
Afkoppeling en berging van het schone regenwater in de directe omgeving.
Beschrijving huidige situatie
Het betreffende plangebied ligt aansluitend aan de stedelijke bebouwing van Halsteren en is gesitueerd oostelijk van de Langstraat en ten noorden van de Fort de Roverweg. Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Ligne en op korte afstand van de drinkwaterwinning van Evides te Halsteren.
De bermsloten langs de Langstraat en een enkele (droogvallende) waterloop door het veld in de omgeving vormen het oppervlaktewater nabij het gebied. Verder zijn als oppervlaktewater in de nabijheid van het gebied de Groote Melanen, de zogenaamde Kanovijver, enkele poelen en kenmerkende onderdelen van de West Brabantse Waterlinie aanwijsbaar.
In hydrologisch opzicht is in het gebied sprake van een inzijgingsituatie. Het freatisch grondwater bevindt zich ter plaatse (ruim) onder het maaiveld. In onderhavige gebied treedt geen grondwateroverlast op. Het grondwater wordt noordoostelijk van het plangebied bij de winningslokatie Wouwseweg van Evides aangewend voor drinkwater. Aangezien het gebied onderdeel uitmaakt van het grondwaterbeschermingsgebied, is de Provinciale Milieuverordening herbij van toepassing.
In het plangebied is momenteel een woning aanwezig met drie grote schuren als bijgebouwen. Deze bijgebouwen zullen worden gesloopt.
Beschrijving toekomstige situatie
Met de aanpassing van het bestemmingsplan voor onderhavig gebied wordt na sloop van de huidige bijgebouwen ruimte gemaakt voor nog twee woningen, zodat het gebruik volledig gericht is op woondoeleinden. De te bebouwen ruimte in het plangebied blijft nagenoeg gelijk in omvang zodat er in hydrologisch opzicht voor betreffend gebied geen wijziging plaats heeft.
Het water afkomstig van de woningen zal gescheiden worden ingezameld. Het afstromend schone regenwater wordt in het gebied in de bodem geborgen of naar het meest nabije oppervlaktewater afgevoerd. Alle verontreinigd water wordt afgevoerd door aansluiting op de aanwezige riolering het zogenaamde vuilwaterstelsel (drukriolering) bij de Langstraat.
Het plangebied ligt geheel in het grondwaterbeschermingsgebied behorende bij het waterwingebied Halsteren. In de provinciale milieuverordening zijn zones aangewezen rond waterwingebieden met regels in deze zones ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater. In de beschermingszone van het grondwaterbeschermings-gebied geldt als algemene beleidslijn dat bij nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van de bestaande bebouwing, de risico's voor het grondwater zo klein mogelijk dienen te blijven en dat er, indien nodig, aanvullende beschermende maatregelen worden getroffen, die redelijkerwijs nodig zijn om grondwatervervuiling te voorkomen. De regeling voor waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden vindt, zoals opgemerkt, plaats in de Provinciale Milieuverordening (PMV). Een regeling opnemen in dit bestemmingsplan is dus niet nodig.
Gevolgen voor het water
De aanpassing van het bestemmingsplan voor onderhavig terrein betreft een min of meer overeenkomstig areaal aan bebouwing. Daar het te bebouwen gebied in omvang niet wijzigt, betreft het voor water in principe een neutrale situatie. Het waterschap stelt vanuit de keur een eis aan retentie voor het lozen van regenwater afkomstig van een toename van verhard oppervlak van 2.000 m² of groter om het afwentelen van een bui van T=100 te kunnen voorkomen. Momenteel wordt daartoe als uitgangspunt gehanteerd een berging van 600 m³/ha aan retentie in relatie tot genoemde acute buien. In samenspraak met het waterschap is voor dit gebied op de meest doelmatige wijze invulling gegeven aan de voor dit gebied benodigde retentie/berging. Van schoon regenwater in de bodem of in nabij gelegen oppervlaktewater.
Op basis van een doelmatige toepassing zal bij elke woninig de afvoer van het (huishoudelijke) afvalwater op systematische wijze gescheiden zijn van het (schone) regenwater. De afvoer van het afvalwater is aangesloten op de (vuilwater)riolering (de zogenaamde droogweerafvoer, DWA). Het schone regenwater dient gescheiden van het vuil water te worden afgevoerd om in de bodem te laten infiltreren.
Gezien de ligging in een grondwaterbeschermiongsgebied, is het gewenst in het bestemmingsplan een signalerende functie te geven naar toekomstige eigenaren en initiatiefnemers. Daarom is aanduiding van het grondwaterbeschermingsgebied op de plankaart opgenomen met verwijzing naar de provinciale milieuverordening die daar van kracht is.
Voor uitvoering of nadere invulling van de aangegeven bestemmingen dient zo optimaal mogelijk rekening gehouden te worden met het grondwaterbeschermingsgebied en de aldaar geldende regels en aanduidingen vanuit de PMV hiervoor.
Om verontreiniging van hemelwater te voorkomen, is de (uitwendige) toepassing van uitlogende materialen niet gewenst. Door gerichte communicatie, waar mogelijk met de ontwikkelaar/eigenaar zelf, zal informatieverstrekking over de mogelijkheden van duurzaam bouwen en het toepassen van duurzame bouwmaterialen plaats hebben.
Juridische vertaling
Alle oppervlaktewater ligt buiten het plangebied, zodat in het betreffende plangebied geen direct aanwijsbare voorzieningen zijn aangewezen voor het water. Wel is verder aangegeven dat het gebied onderdeel is van het grondwaterbeschermingsgebied, waarvoor de Provinciale Milieuverordening van toepassing is.
Met betrekking tot de genoemde voorzieningen als het gescheiden (riool)stelsel wordt verwezen naar het vigerende rioleringsplan van de gemeente.
Advies waterbeheerder
De waterbeheerder heeft een zienswijzen ingediend. Deze kan alsvolgt worden samengevat:
Het waterschap verzoekt het verschil in verhard oppervlak exact aan te geven in de toelichting.
Er dient aangegeven te worden in welk oppervlaktewater er zal worden geloosd aangezien er aan de westzijde van het plangebied een categorie A en een categorie B oppervlaktewater ligt. Daarnaast wil het waterschap weten hoe op de meest doelmatige wijze invulling is gegeven aan de benodigde retentie/berging in het gebied.
Beantwoording:
Op de locatie is momenteel voor ca 3500 m2 aan bebouwing en verhard oppervlak aanwezig. Dit verhard oppervlak zal met de sloop van de verouderde opstallen en na realisatie en terreininrichting van de 2 extra woningen volgens globale inschatting afnemen. Zoals gebruikelijk bij de meeste nieuwe RvR woningen in dit deel van het buitengebied zal de benodigde waterberging op eigen erf plaatsvinden. Er is, net als in de huidige situatie, geen afvoer van regenwater naar de omgeving voorzien. Qua grondslag zal het regenwater op eigen erf kunnen infiltreren. Hiervoor zijn diverse oplossingen denkbaar. De voorziene oplossing voor opvang en infiltratie van het schoon hemelwater op eigen erf zal onderdeel zijn van en zodanig getoetst worden bij de aan te vragen Omgevingsvergunning.
HOOFDSTUK 5 Milieuaspecten
5.1 Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de VNG van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ in 2009 een geheel herziene uitgave opgesteld. Deze publicatie is geraadpleegd ten behoeve van dit advies.
|
Richtafstanden In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen.
Tabel 1 Milieucategorieën en richtafstanden
* indien de omgeving te typeren is als 'gemengd gebied', gelden kleinere richtafstanden, namelijk één afstandstap kleiner (zie paragraaf 2.3 van de VNG-publicatie) |
De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen:
Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.
Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.
Het omgevingstype gemengd gebied
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
|
Wijze van meten De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het (bestemmings)plan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. |
Situatie ter plaatse
Het plangebied ligt aan de Langstraat in Halsteren. Met het initiatief verdwijnen definitief de agrarische bedrijfsactiviteiten in het plangebied. Om de invloed van milieubelastende activiteiten op de beoogde Ruimte voor Ruimte-woningen te kunnen beoordelen, zijn op basis van de vigerende bestemmingsplannen de bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving van het plangebied geïnventariseerd. Voor het beoordelen van de invloed van deze bedrijfsactiviteiten op het plangebied wordt uitgegaan van het omgevingstype rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied liggen enkele bedrijven. Deze bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 1: Bedrijfsactiviteiten in de omgeving (omgevingstype ‘rustige woonwijk)
|
Adres |
Nr. |
Bedrijfsnaam |
Milieu cat. |
Grootste richtafstand |
|
Wouwseweg |
6 |
Evides waterbedrijf |
2 |
30 |
|
Wouwseweg |
25 |
Duinmetaal BV
|
2 |
30 |
Bovengenoemde bedrijven liggen op grotere afstand van het plangebied, waardoor knelpunten vanwege de bedrijfsactiviteiten niet te verwachten zijn.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
5.2 Geur
Toetsingskader
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben.
Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).
De Wgv stelt gemeenten in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Dit geurbeleid bestaat uit een geurverordening en een geurgebiedsvisie. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid.
Gemeentelijk geurbeleid
De gemeente Bergen op Zoom heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld. Dat betekent dat de geurnormen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Het plangebied is conform de wet gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Ter plaatse geldt dan een geurnorm van 8,0 odour units per kubieke meter lucht.
Situatie ter plaatse
Belang omliggende veehouderijen
De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op 750 meter aan de Kruisberg. De veehouderijen in de omgeving van het plangebied liggen derhalve op zeer grote afstand. Bovendien zijn er tussen deze veehouderijen en het plangebied in dezelfde windrichting al geurgevoelige objecten gelegen. Gelet daarop zal de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen hebben voor deze veehouderijen.
Woon- en leefklimaat
Op navolgende afbeelding (uitsnede uit Plan-MER herziening Structuurvisie RO transitie veehouderij, provincie Noord-Brabant d.d. 9 september 2013) is de achtergrondbelasting geur in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied als zeer goed te kwalificeren is. ![i_NL.IMRO.0748.BP0231-0301_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0748.BP0231-0301_402004.png)
Afbeelding 2. Achtergrondbelasting geur
Conclusie
Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
5.3 Lucht
Toetsingskader
De vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wm die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat:
als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm);
als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm);
als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm);
als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of
het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister (NSL) of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm).
Situatie ter plaatse
In artikel 5.16 Wm is tevens bepaald dat in bepaalde categorieën van gevallen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, geen directe toetsing aan de grenswaarden hoeft plaats te vinden. In het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ zijn deze categorieën van gevallen aangewezen.
Zo valt een woningbouwlocatie onder de in deze regelgeving aangewezen categorieën indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 woningen omvat. Daarbij is door het toenmalige ministerie van VROM, zo blijkt uit het rapport ‘Bepaling van IBM planomvang op basis van herziene uitgangspunten’ van december 2006, uitgegaan van gemiddeld 2,6 voertuigbewegingen per woning per weekdag. Een toename van de verkeersintensiteit met maximaal 3.900 voertuigbewegingen per weekdag (1.500 woningen * 2,6 voertuigbewegingen per woning per weekdag) draagt dus niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De ontwikkeling aan de Langstraat bestaat uit de realisatie van twee Ruimte voor Ruimte-woningen. Het aantal woningen ligt ruimschoots onder de 1500 woningen per ontsluitingsweg. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In een dergelijk geval is een nader onderzoek naar de concentratie en toetsing van de luchtkwaliteitsgrenswaarden niet aan de orde.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
5.4 Geluid
Toetsingskader
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeerswegen, spoorwegen en industrieterreinen.
Situatie ter plaatse
Het bestemmingsplan RvR Langstraat voorziet in de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen. Het plangebied ligt buiten de zones van industrieterreinen en buiten de zone van de spoorweg en de rijksweg. Het plangebied ligt daarentegen wel in de zone van de Wouwseweg. Voor de geluidbelasting op het plangebied vanwege deze en andere lokale wegen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Om de geluidbelasting vanwege wegverkeer op het plangebied te bepalen is de akoestische notitie ‘Nieuwbouwproject Langstraat te Halsteren’ (datum: 27 oktober 2016, zaaknummer: 16090248) opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 2.
Uit de berekeningsresultaten van de geluidbelasting van het wegverkeer volgt dat, bij de beoogde indeling, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder nergens wordt overschreden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is verder onderzocht in hoeverre de geluidsituatie
van de direct aan de planlocatie gelegen 30 kilometerwegen aanvaardbaar zijn. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de milieukwaliteit als goed is te beoordelen bij de te realiseren woningen aan de Langstraat. In dit geval worden de geluidbelastingen vanwege de direct aan de planlocatie gelegen 30 kilometerwegen aanvaardbaar geacht. Gesteld kan worden dat er sprake is een goede/ acceptabele akoestische situatie.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
5.5 Externe veiligheid
Toetsingskader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor) inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen.
Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d.
Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan. De aanwezigen zijn bepaald op basis van de door de gemeente Bergen op Zoom beschikbaar gestelde gegevens. Voor een uitgebreide toelichting op de bevolking wordt verwezen naar het rapport “QRA ontwikkeling brandweerkazerne terrein CAROLA” die is opgenomen in de bijlage.
Bevi-bedrijven
Het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen) verplicht het bevoegde gezag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen.
Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Transport externe veiligheid
Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Basisnet Water of Basisnet Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlagen in de regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar.
Voor sommige transportassen moet tevens rekening worden gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. In het bouwbesluit is beschreven aan welke voorwaarden het bouwen in een PAG moet voldoen.
Indien binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 meter van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd, maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Zodoende kan het invloedsgebied verder reiken dan 200 meter. Indien dat het geval is en het invloedsgebied reikt tot over het plangebied, moeten wel maatregelen worden overwogen, bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid.
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is daarmee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.
Situatie ter plaatse
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het op het industrieterrein Theodorushaven gelegen Bevi-bedrijf Sabic Innovative Plastics B.V.
Sabic innovative plastics B.V.
Met betrekking tot Sabic is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag. Op basis van de professionele risicokaart is bepaald dat het plangebied op een afstand van ca. 2.000 meter van de inrichtingsgrens van Sabic ligt. Het invloedsgebied van Sabic bedraagt 8.705 meter en ligt hierdoor volledig over van het plangebied.
Uit de QRA, behorende bij de Wm-aanvraag van Sabic, blijkt dat het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar niet buiten de inrichtingsgrens ligt. Het maximaal berekende groepsrisico (GR) bedraagt 0.002 van de oriënterende waarde.
In het kader van het uitvoeringsprogramma externe veiligheid is in 2011 een “Gevoeligheidsanalyse groepsrisico Bevi-inrichtingen” uitgevoerd (rapportage 6 januari 2012). In de gevoeligheidsanalyse is voor het berekenen van het groepsrisico uitgegaan van de aanwezigen in de bestaande bebouwing. Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat grote ruimtelijke ontwikkelingen niet of nauwelijks invloed hebben op het groepsrisico van o.a. Sabic. Op basis van de gevoeligheidsanalyse kan worden geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling niet (significant) bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico is gebruik gemaakt van het standaardadvies van de veiligheidsregio en de standaard verantwoording.
Transport externe veiligheid
Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van een weg welke is opgenomen in de bijlage van de Regeling Basisnet en van gemeentelijke wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet relevant en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Uit het Basisnet volgt dat over de snelweg transport van toxische stoffen plaatsvindt met een invloedsgebied van enkele kilometers. Bij de verantwoording van het groepsrisico is rekening gehouden met een incident met toxische stoffen.
Buisleidingen
Het plangebied grenst in het oosten aan een aardgasleiding. In het oostelijk deel van het plangebied ligt dan ook een dubbelbestemming leiding. Het betreft een leiding van de Gasunie van 40 bar en 6 inch. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risico en het groepsrisico ligt onder de oriënterende waarde. Voor de verantwoording van het groepsrisico is gebruik gemaakt van het standaardadvies van de veiligheidsregio en de standaard verantwoording.
Conclusie
Met betrekking tot de Bevi-bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting ligt is het groepsrisico verantwoord. Voor de verantwoording van het groepsrisico is gebruik gemaakt van het standaardadvies van de veiligheidsregio en de standaard groepsrisicoverantwoording. Het standaard advies en standaard verantwoording is opgenomen in de bijlage.
5.6 Bodem
Toetsingskader
De kwaliteit van de bodem dient te voldoen aan de in het plan beoogde functies. In dit geval vindt een functiewijziging plaats van agrarisch bedrijf naar wonen. Daarom is een verkennend bodemonderzoek d.d. 6 september 2016 uitgevoerd door Milieutechnisch adviesbureau RSK Netherlands (zie bijlage 3). De resultaten uit dat onderzoek zijn hierna weergegeven.
Situatie ter plaatse
Het genoemde bodemonderzoek heeft in de zintuiglijk schone bovengrond op de locatie geen verontreinigingen aangetoond. In slechts één van de vier aanwezige gronddepots is een licht verhoogd gehalte minerale olie aangetoond. De resultaten uit dit geactualiseerde onderzoek komen overeen met de bevindingen uit het eerdere bodemonderzoek uit 2012. Op basis van het onderzoek bestaat geen aanleiding voor aanvullend bodemonderzoek.
Wel wordt geadviseerd om voorafgaand of tijdens de herontwikkeling in ieder geval het tussentijds aangebrachte depot D1 (sterk puinhoudend, brokken asfalt en kolengruis, klasse Industrie) van de locatie af te laten voeren naar een erkend verwerker. De tussentijds aangebrachte depots D2 en D3 zijn op basis van milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor toepassing op de locatie, vanuit visueel oogpunt (bijmengingen puin) is dit wellicht minder gewenst en kunnen deze depots ook van de locatie worden afgevoerd. Het ook ten tijde van het eerdere bodemonderzoek al aanwezige depot D4 is op basis van milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor toepassing op de locatie en is vrij van (puin)bijmengingen.
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie (nieuwbouw woningen).
HOOFDSTUK 6 Bestemmingsregeling
6.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het hiervoor beschreven ruimtelijk kader juridisch is vertaald. Ingegaan wordt op de juridische opzet van het bestemmingsplan (het karakter van het plan, de verbeelding en de regels).
6.2 Verbeelding
Welke bestemming de gronden binnen het plangebied hebben, is te zien op de verbeelding. Er is een digitale verbeelding en een analoge verbeelding. Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid (bijvoorbeeld topografische gegevens).
6.3 Regels
De regels gaan over het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de SVBP 2012. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels, met daarin begripsbepalingen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten;
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, met daarin per bestemming onder meer een bestemmingsomschrijving, bouwregels en afwijkingsregels;
Hoofdstuk 3: Algemene regels, met daarin algemene regels en bouw-, afwijkings- en wijzigingsregels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, met daarin het overgangsrecht en de slotregel.
Voor de regels wordt aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan 'Herstel West Brabantse Waterlinie'. Het grootste gedeelte van de regels, voor zover van toepassing, zijn een op een over genomen.
6.3.1 Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat twee artikelen, welke van belang zijn voor een juiste toepassing van de regels. In artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven met daarin een nadere uitleg van een aantal in de regels gehanteerde begrippen. Hierdoor wordt de eenduidigheid en daarmee de rechtszekerheid vergroot. Artikel 2 bevat regels die aangeven op welke wijze bepaalde zaken, zoals grondoppervlakte en inhoud van gebouwen dienen te worden bepaald.
6.3.2 Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat artikelen waarin regels zijn opgenomen betreffende de op de verbeelding voorkomende bestemmingen en de op de verbeelding aangegeven aanduidingen met betrekking tot de toegestane (hoofd)bebouwing. Bij de opbouw van deze regels is, voor zover voorkomend binnen de verschillende bestemmingen, de indeling overeenkomstig de SVBP 2012 aangehouden:
Bestemmingsomschrijving
In dit onderdeel wordt de materiële inhoud van de bestemming aangegeven: de functies die binnen de bestemming “bij recht” zijn toegestaan. De bestemmingsomschrijving vormt de eerste “toetssteen” voor bouwactiviteiten en/of gebruiksvormen. Beide zijn slechts toegestaan, voor zover zij zullen plaatsvinden binnen de opgenomen omschrijving.
Bouwregels
Dit onderdeel geeft aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. Voorop staat dat slechts mag worden gebouwd ten behoeve van de voor de bestemming aangegeven bestemmingsomschrijving.
Afwijking van de bouwregels
In een aantal gevallen zijn voor de bestemming specifieke afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kunnen onder voorwaarden en binnen de betreffende bestemming bouwactiviteiten worden toegelaten, welke niet bij recht zijn toegestaan.
Afwijking van de gebruiksregels
In de bestemmingen komt ook een aantal specifieke afwijkingsmogelijkheden voor. Met toepassing van een afwijkingsmogelijkheid kunnen onder voorwaarden en binnen de betreffende bestemming gebruiksvormen worden toegelaten, die niet bij recht zijn toegestaan.
Omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Ten behoeve van het behoud van in het plan voorkomende waarden is de uitvoering van bepaalde werken en/of werkzaamheden aan een vergunning gebonden (omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Wijzigingsbevoegdheid
De wijzigingsbevoegdheid biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om via een voorgeschreven procedure, voor een specifieke situatie of geval, af te wijken van de bestemmings- en bebouwingsregels.
De in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen worden hieronder achtereenvolgens toegelicht.
Tuin
De bestemming ‘Tuin’ is opgenomen voor (voor)tuinen, waarvoor het beleid in verband met de ruimtelijke kwaliteit is gericht op het hoofdzakelijk open en onbebouwd laten van deze perceelsgedeelten. Binnen deze bestemming is slechts de bouw van ondergeschikte bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, zoals erf- en terreinafscheidingen, toegestaan.
Wonen
Als woningtypen zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. De twee nieuwe woningen zijn aangeduid als een ruimte voor ruimte woning, met name omdat omdat er voor deze woningen een andere inhoudsmaat geldt. Voor de bebouwing wordt uitgegaan van een situering binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte. Voor het perceelsgedeelte buiten het bouwlak worden mogelijkheden geboden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken.
Beroepsmatige activiteiten in woningen wordt rechtsreeks mogelijk gemaakt. Voor het toestaan van beroepsmatige activiteiten in bijgebouwen of bedrijfsmatige activiteiten in de woning en/of in bijgebouwen is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Er is tevens een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om bijzondere woonvormen en kamerverhuur toe te staan.
Ter plaatse van de aanduiding 'erf', mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht. Ter plaatse van de aanduiding 'tuin' mogen geen gebouwen worden gerealiseerd, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfscheidingen. Daarnaast is een aanduiding 'gemengd' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding mag per bouwperceel een bijbehorend bouwwerk, gericht op een aan wonen ondergeschikte hobbymatige doeleinden, worden gebouwd met dien verstande dat het bebouwingsoppervlak niet meer dan 500 m2 per bouwperceel bedraagt.
6.3.3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
De anti-dubbeltelregel is erop gericht om grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing te laten.
Algemene bouwregels
Het onderhavige artikel dient te voorkomen dat situaties ontstaan, welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daarnaast beoogt dit artikel te voorkomen dat bouwwerken die groter of juist kleiner zijn dan in de bouwregels bij de diverse bestemmingen is toegestaan of voorgeschreven, onder het overgangsrecht komen te vervallen. Voor deze bouwwerken gelden de bestaande grotere dan wel kleinere afmetingen als maximaal respectievelijk minimaal toegestaan.
Algemene aanduidingsregels
In het plangebied ligt een grondwaterbeschermingszone. Dit gebied is op de plankaart aangeduid als ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingszone’. De Provinciale Milieuverordening bevat regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater.
Algemene afwijkingsregels
Deze afwijkingsmogelijkheden, gebaseerd op artikel 3.6 eerste lid onder c van de Wet ruimtelijke ordening, hebben tot doel flexibiliteit in het plan in te bouwen. Het afwijken van de bebouwingsregels, ten behoeve van bijvoorbeeld het oprichten van nutsvoorzieningen en het in beperkte mate afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen, kan in veel gevallen plaatsvinden zonder dat hierdoor het belang van een goede ruimtelijke ordening wordt geschaad. Voor dit soort gevallen is derhalve in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel zijn voor burgemeester en wethouders enkele mogelijkheden gecreëerd om, via een voorgeschreven procedure, in iets ruimere mate dan bij de “algemene afwijkingsregels” af te wijken van de regels. Het gaat dan echt om een wijziging van het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheden dragen bij aan een meer flexibel plan.
6.3.4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
De overgangsregels voor bouwen hebben ten doel de rechtstoestand te begeleiden van bouwwerken welke op het tijdstip van het in werking treden van het bestemmingsplan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden en welke afwijken van de bouwregels van het plan. Overgangsregels voor gebruik betreft het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan (rechtens) afwijkt van de in het onderhavige plan gegeven bestemming.
Slotregel
Dit artikel ten slotte, geeft aan onder welke naam de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald (citeertitel).
HOOFDSTUK 7 Uitvoeringsaspecten
7.1 Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6:12 van de Wro dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan zoals in het Bro is omschreven is voorgenomen. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien:
het kostenverhaal anderszins is verzekerd;
het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig is;
het stellen van locatie-eisen of regels niet nodig is.
Met betrokkenen is in anterieure overeenkomsten danwel koopovereenkomsten het kostenverhaal geregeld (zoals plankosten en planschade).
7.2 Handhaving
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende vergunningen. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de feitelijke situatie. Daarnaast vindt registratie plaats van verleende vergunningen.
Handhaving kan plaatsvinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden.
Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch een zekere betekenis toegekend.
Daarnaast zijn in het bestemmingsplan instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden, de bevoegdheid nadere eisen te stellen en de mogelijkheid om omgevingsvergunningen ten behoeve van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te verlenen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk, voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt.
De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.
HOOFDSTUK 8 Resultaten inspraak en overleg
8.1 Inleiding
Het bestemmingsplan “RvR Langstraat” heeft tot doel twee woningen mogelijk te maken in het kader van sanering. Ten aanzien van het voorontwerpbestemmingsplan is geen inspraaktraject gevolgd. Wel is er een overlegprocedure gevolgd.
8.2 Resultaten vooroverleg
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties.
8.3 Vaststellingsprocedure
Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 30 januari 2017 voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn is het voor een ieder mogelijk schriftelijk dan wel mondeling een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt. De ingediende zienswijzen zijn bij de vaststelling van het bestemmingsplan betrokken.