direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Oordeelsestraat 66, 66a en 68
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0744.TAMOordeelsestrt66-VS01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan het realiseren van 2 woonbestemmingen en een agrarisch bedrijf (niet zijnde veehouderij) aan de Oordeelsestraat 66, 66a en 68 te Baarle-Nassau. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) in het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Dus:

  • hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22h, paragraaf 1;
  • hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22h, paragraaf 2;
  • hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22h, paragraaf 3;
  • hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22h, paragraaf 4;
  • hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22h, paragraaf 5.
  • bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22h.1

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan.
  • 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 bij deze regels daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
  • 2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg.
  • 3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
  • 4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.
  • 5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren.
  • 6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  • 7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • 8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  • 9. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • 10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen.
  • 11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  • 12. peil:
    • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg;
    • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties aan de Oordeelsestraat 66, 66a en 68 te Baarle-Nassau, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0744.TAMOordeelsestrt66-VS01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/home.


Hoofdstuk 2 Functies

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

4.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten op de gronden die zijn aangewezen als 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.

4.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met daarbij behorende voorzieningen;
    • b. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
    • c. aan huis gebonden beroepen
    • d. productiegebonden detailhandel,waarbij de gezamenlijke vloeroppervlakte per agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 100 m2;
    • e. extensief recreatief verblijven.
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. een bedrijfswoning;
    • b. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • c. wegen;
    • d. voet- en rijwielpaden;
    • e. verkeervoorzieningen;
    • f. straatmeubilair;
    • g. openbare nutsvoorzieningen;
    • h. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en,
    • i. groen- en speelvoorzieningen;

4.3 Vergunningsplichtige gebruiksactiviteiten
4.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 3. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van artikel 4.4.;
  • 4. het realiseren van tijdelijke huisvesting ten behoeve van seizoenarbeiders.

4.3.2 Aanvraagvereisten beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
  • 1. Onverminderd het bepaalde in 12.1, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden:
    • a. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling.
  • 2. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als:
    • a. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is;
    • b. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend;
    • c. Er geen sprake is van buitenopslag en buitenactiviteiten;
    • d. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en,
    • e. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt.

4.3.3 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels functiewijziging agrarisch naar wonen
  • 1. De omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken binnen de functie 'Agrarisch' voor een woonfunctie kan worden verleend, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. Het agrarisch gebruik van het perceel is aantoonbaar beëindigd;
    • b. Hervatting van agrarische bedrijfsactiviteiten is redelijkerwijs niet te verwachten;
    • c. De functiewijziging betreft uitsluitend de bestaande bedrijfswoning met een bijgebouw van maximaal 200 m2;
    • d. Alle bebouwing boven de 200 m2 moet worden gesaneerd;
    • e. De functiewijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving, de milieusituatie, verkeersveiligheid of de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen;
    • f. De woning is landschappelijk inpasbaar en wordt voorzien van een passend erfbeplantingsplan, afgestemd op de karakteristiek van het omliggende landschap;
    • g. Er is geen sprake van strijdigheid met milieuwetgeving, zoals geur- of geluidszones van omliggende (agrarische) bedrijven;
    • h. De functiewijziging leidt niet tot een toename van het aantal wooneenheden.

4.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 4.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • 2. grootschalige openluchtevenementen;
  • 3. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
  • 4. het stallen van kampeermiddelen;
  • 5. Het exploiteren van een bedrijfsmatige veehouderij.
4.5 Vergunningsplichtige bouwactiviteiten
4.5.1 Algemene beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen een bouwvlak worden gebouwd.

4.5.2 Beoordelingsregels bedrijfsgebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als:

  • 1. het bedrijfsgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 18 en maximaal 55 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is;
  • 2. de totaal oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op locatie niet meer bedraagt dan 450 m2;
  • 3. de afstand tot de voorgevelrooilijn niet minder bedraagt dan 10 meter;
  • 4. de afstand tot de bedrijfswoning niet minder bedraagt dan 2 meter;
  • 5. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 5 meter;
  • 6. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en,
  • 7. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 11 meter.

4.5.3 Beoordelingsregels bedrijfswoningen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning wordt verleend als:

  • 1. per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning wordt gebouwd, tenzij ter plaatse op de kaart een ander aantal is weergegeven, dan geldt dit aantal bedrijfswoningen;
  • 2. de inhoud van een bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 750 m3;
  • 3. de bedrijfswoning wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 12 en maximaal 55 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is;
  • 4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 5 meter;
  • 5. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en,
  • 6. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 11 meter.

4.5.4 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning wordt verleend als:

  • 1. de afstand tot de voorgevelrooilijn niet minder bedraagt dan 5 meter en de afstand tot de woning niet minder dan 2 meter en niet meer bedraagt dan 10 meter;
  • 2. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 5 meter;
  • 3. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter, tenzij ter plaatse op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, dan geldt deze goot- en/of bouwhoogte;
  • 4. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en,
  • 5. de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, bedraagt maximaal 200 m².

4.5.5 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als:

  • 1. voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter;
  • 2. achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter;
  • 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter;
  • 4. de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter.

4.5.6 Beoordelingsregels herbouw bedrijfsgebouwen

De omgevingsvergunning voor het herbouwen van bedrijfsbebouwing op een andere locatie binnen het bouwvlak, wordt verleend als:

  • 1. voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 4.5.2;
  • 2. de omliggende woonfuncties niet onevenredig worden beperkt;
  • 3. de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast.

4.5.7 Beoordelingsregels herbouw bedrijfswoning

De omgevingsvergunning voor het herbouwen van een bedrijfswoning op een andere locatie binnen het bouwvlak, wordt verleend als:

  • 1. voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 4.5.3;
  • 2. er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • 3. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden beperkt;
  • 4. de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 5. er voldaan wordt aan de eisen die gelden ingevolge de Wet geluidhinder;
  • 6. de voormalige bedrijfswoning wordt gesloopt.

4.6 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 4.5 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel.

Artikel 5 Agrarisch

5.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden binnen 'Agrarisch'.

5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening;
    • b. behoud en herstel van ruimtelijke, landschappelijke en waterhuishoudkundige waarden;
    • c. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. groen- en speelvoorzieningen;
    • b. voet- en rijwielpaden;
    • c. straatmeubilair, kunstwerken en kunstobjecten, voor zover geen sprake is van bouwwerken;
    • d. openbare nutsvoorzieningen; en,
    • e. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

 

5.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen;
  • 2. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en,
  • 3. het gebruik voor parkeren.

5.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 5.2;
  • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter;
  • 3. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn;
  • 4. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht;.

5.5 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.4 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel.
  • 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
    • a. paardenbakken; en,
    • b. kassen.

Artikel 6 Groen - Landschappelijke inpassing

6.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden binnen 'Groen - Landschappelijke inpassing'.

6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in bijlage 2, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap;
    • b. zich verplaatsen; en,
    • c. extensief recreatief verblijven.
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. groen- en speelvoorzieningen;
    • b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 6.2 onder a.
  • 2. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als:
    • a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
    • b. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waarde berekening inclusief toelichting en beplantingsplan;
    • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden.

6.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 6.2 en 6.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen;
  • 2. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en,
  • 3. het gebruik voor parkeren.

6.5 Vergunningsplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 6.2;
  • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter;
  • 3. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn;
  • 4. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht.

6.6 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 6.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel.
  • 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
    • a. paardenbakken; en,
    • b. kassen.

Artikel 7 Wonen - landelijke gebieden

7.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Wonen - landelijke gebieden'.

7.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
7.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. wonen in een woning;
    • b. het exploiteren van een bed en breakfast met een maximale oppervlakte van 100 m2;
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    a. tuinen en erven;
    b. in- en uitritten;
    c. parkeervoorzieningen
    d. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en,
    e. groen- en speelvoorzieningen.
  • 3. Het gebruik en/of laten gebruiken van de voor 'wonen - landelijke gebieden' aangewezen gronden voor een permanente woonfunctie is alleen toegestaan, indien de volledige en aanwezige bebouwing intact is en intact wordt gehouden.

7.2.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden als bedoeld in 7.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden;

7.2.3 Voorwaardelijke verplichting sloop bebouwing

Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden als bedoeld in 7.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de bebouwing, zoals opgenomen in bijlage 3 van deze regels, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is gesloopt;

7.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
7.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van 7.4.

7.3.2 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
  • 1. Onverminderd het bepaalde in 12.1, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden:
    • a. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling.
  • 2. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als:
    • a. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is;
    • b. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend;
    • c. Er geen sprake is van buitenopslag en buitenactiviteiten;
    • d. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en,
    • e. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt.
7.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 7.2 en 7.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte, mits dat het een mantelzorgwoning is;
  • 2. het wonen en verblijven in kampeermiddelen;
  • 3. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
  • 4. het exploiteren van een groothandels-, horeca- en/of detailhandelsbedrijf;
  • 5. het exploiteren van een seks- en/of pornobedrijf en het uitoefenen van prostitutie;
  • 6. het opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen, met uitzondering van de (tijdelijke) opslag in het kader van de verwezenlijking van de toegedeelde functie en het bijbehorende beheer en onderhoud;
  • 7. Buitenopslag.

7.5 Toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan de volgende bouwactiviteiten ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel te verrichten of te laten verrichten:

  • a. het bouwen van pergola's in het achtererfgebied van het hoofdgebouw met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.

7.6 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
7.6.1 Algemene beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. indien de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak ligt of een grotere maatvoering heeft dan in 7.6.2 of 7.6.3 is aangegeven: geen verdere uitbreiding plaatsvindt. Gebruik ten behoeve van het wonen en algehele herbouw van een woning op bestaande fundamenten is toegestaan;

7.6.2 Beoordelingsregels hoofdgebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als:

  • a. per bouwvlak maximaal 1 hoofdgebouw wordt gebouwd, tenzij ter plaatse op de kaart een ander
    aantal is aangegeven, dan geldt dit aantal woningen;
  • b. de inhoud van een woning niet meer bedraagt dan 750 m3;
  • c. het hoofdgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 12 en maximaal 55 graden bedraagt;
  • d. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en,
  • e. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 9 meter.

7.6.3 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning wordt verleend als:

  • a. de afstand tot de voorgevellijn van het hoofdgebouw niet minder bedraagt dan 2 meter en de afstand tot de woning niet minder dan 1 meter;
  • b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter;
  • c. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en,
  • d. de gezamenlijke oppervlakte maximaal hetgeen bedraagt zoals aangegeven op de plankaart.

7.6.4 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als:

  • a. voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter;
  • b. achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter.

7.7 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 7.5 en 7.6 ten behoeve van het wonen als bedoeld in dit artikel.

Hoofdstuk 3 Thema's

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2

8.1 Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie('s), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 2' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functiegebieden.

8.2 Toegestane bouwactiviteiten

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

8.2.1 Verbod

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 2' bestemde gronden.

8.2.2 Uitzonderingen

Het in lid 8.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  • a. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie's, of;
  • b. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied' en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
  • c. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
    • 1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    • 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid;
  • d. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.3 Nader eisen
8.3.1 Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

8.4 Vergunningsplichtige bouwactiviteiten
8.4.1 Afwijken voor bouwen ten dienste van andere bestemming

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 8.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en), mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

8.4.2 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

8.4.3 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 8.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.5 Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag:

  • a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  • b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • f. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • g. het ophogen van gronden.

8.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 8.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  • b. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 8.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of;
  • c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  • d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of;
  • e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • f. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of;
  • h. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 8.5.1 onder g betreft, waarbij:
    • 1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²;
    • 2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.5.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

8.5.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

8.5.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.6 Omgevingsplanactiviteit voor het slopen van een bouwwerk
8.6.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

8.6.2 Uitzonderingen

Het in lid 8.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • a. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  • b. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of;
  • c. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of;
  • d. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • e. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.6.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.6.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

8.6.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

8.6.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.7 Delegatiebesluit
8.7.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de functie 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

8.7.2 Advies

Alvorens de in lid 8.7.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 3

9.1 Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie('s), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 3' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functie.

9.2 Toegestane bouwactiviteiten

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

9.2.1 Verbod

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 3' bestemde gronden.

9.2.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  • a. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 500 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen, of;
  • b. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel dieper dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied' en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
  • c. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
    • 1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    • 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid;
  • d. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.3 Nadere eisen
9.3.1 Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

9.4 Vergunningsplichtige bouwactiviteiten
9.4.1 Afwijken voor bouwen ten dienste van andere functie

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 9.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en), mits:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

9.4.2 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

9.4.3 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 9.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.5 Omgevingsplanactiviteitvoor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag:

  • a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  • b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • f. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • g. het ophogen van gronden.

9.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of;
  • b. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of;
  • c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  • d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of;
  • e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • f. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of;
  • h. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.5.1 onder g betreft, waarbij:
    • 1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²;
    • 2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.5.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

9.5.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

9.5.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.6 Omgevingsplanactiviteit voor het slopen van een bouwwerk
9.6.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

9.6.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • a. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of;
  • b. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, dan wel niet dieper reiken dan 0,10 meter onder het bestaande maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bosgebied', of;
  • c. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, of;
  • d. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • e. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.6.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.6.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • 3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

9.6.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

9.6.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.7 Delegatiebesluit
9.7.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

9.7.2 Advies

Alvorens de in lid 9.7.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

Artikel 10 Gebruik

Het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Artikel 11 Bouwen

11.1 Algemene bepalingen
11.1.1 Anti-dubbeltelregeling.

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

11.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan
  • 1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden.
  • 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden.
  • 3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

11.2 Vergunningsplichtige bouwactiviteit
11.2.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • 1. In afwijking van de bouwregels in Hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • 2. De omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken wordt verleend als:
    • a. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies;
    • b. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil.
  • 3. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel.

11.2.2 Inwinning advies welstand

Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.

11.3 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de toegelaten en vergunningplichtige bouwactiviteiten bedoeld in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 12 Algemene bepalingen

12.1 Algemene indienings- en aanvraagvereisten omgevingsvergunning
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en,
    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.

 

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

13.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3 mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM- omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

13.3 Eerbiedigende werking overige activiteiten
  • 1. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit.
  • 2. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit.
  • 3. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 13.1 en 13.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.