wijzigingsplan Joost Wiersmaweg 2 (wijziging van horeca 2 naar wonen)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0737.16BPVIWP01-vg01 |
| Plantype: | wijzigingsplan |
Toelichting Wijzigingsplan Joost Wiersmaweg 2, Jistrum (Horeca naar Wonen)
Inhoudsopgave
Toelichting Wijzigingsplan Joost Wiersmaweg 2, Jistrum (Horeca naar Wonen)
4.5 Bedrijven en milieuzonering
Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Op het perceel Joost Wiersmaweg 2 was tot voor kort een horecabedrijf en bedrijfswoning gevestigd. Het bedrijf is gestopt en er is medewerking gevraagd aan een bestemmingsplanwijziging voor de horecabestemming naar een woonbestemming. Medewerking kan worden verleend via een wijziging ex. artikel 3.6 W.R.O. van het bestemmingsplan.
In hoofdstuk 2 wordt het planologische beleidskader geschetst op gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 3 vindt de beoordeling van het verzoek plaats. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 en 6 komen achtereenvolgens de juridische planopzet en de uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 2 Beleidskader
2.1 Gemeentelijk beleid
Aan het betreffende perceel is in het bestemmingsplan 'Skulenboarch 2015' de enkelbestemmingen 'Horeca - 2', dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' en gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie Skulenboarch' toegekend. Verder rust er een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro op deze bestemming. Door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid kan de bestemming van het perceel worden gewijzigd in ‘Tuin’, ‘Verkeer - Verblijf’, ‘Wonen - A1’, ‘Wonen - A3’, ‘Wonen - A7’, alsmede de ligging van het (de) bouwvlak(ken) wordt gewijzig, mits:
ter plaatse geen horecabedrijf meer wordt uitgeoefend;
ten hoogste 1 woning is toegestaan;
de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.
Het perceel wordt omgezet naar de enkelbestemmingen 'Wonen - A1' en 'Tuin' waar 1 woning is toegestaan. De horecavergunning is ingetrokken en akoestisch onderzoek wijst uit dat geluidsbelasting niet hoger is dan de geldende voorkeursgrenswaarde.
Hoofdstuk 3 Beoordeling
3.1 Bouwplan
De functiewijziging betreft een planologische omzetting, er is dus geen bouwplan verbonden aan het planvoornemen.
3.2 Ruimtelijke inpasbaarheid
Het op het perceel gevestigde horecabedrijf is gestopt. Door de functiewijziging krijgt het perceel de bestemmingen 'Wonen - A1' en 'Tuin'. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' en de gebiedsaanduiding ' geluidzone - industrie Skulenboarch' blijven van kracht.
Omdat er reeds een (bedrijfs)woning op het perceel aanwezig was is er geen sprake van een toename van het aantal woningen. De wijziging past daarmee binnen het provinciaal en gemeentelijk woningbouwbeleid.
Binnen de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie' mag een geluidsgevoelig object geplaatst worden, indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde. De hoogste geluidbelasting bedraagt 57 dB. Omdat de locatie is gelegen binnen de wettelijke geluidszone van het gezoneerde industrieterrein "Skûlenboarch". Er is derhalve sprake van cumulatie conform artikel 110f Wgh. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 60 dB. Geconcludeerd kan worden dat met de huidige bouwkundige staat en de benodigde ventilatiedebieten het binnen niveau in de woonkamer/keuken geborgd is. Het kantoor gesitueerd aan de westgevel voldoet op het
moment niet aan het vereiste binnenniveau. Met het vervangen van het kozijn is ook het binnenniveau van het kantoor geborgd.
Wij kunnen, gelet op het voorgaande, constateren dat het wijzigingsplan voldoet aan de in de wijzigingsbevoegdheid gestelde criteria.
3.3 Functionele inpasbaarheid
Het perceel ligt in een gebied met woningen en een enkele bedrijfsbestemming. De omzetting van horecabedrijf naar wonen is functioneel inpasbaar.
3.4 Conclusie
Op grond van het voorgaande is de conclusie dat het verzoek past binnen het gemeentelijk beleid.
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
4.1 Ecologie
De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van wilde dier- en plantensoorten. In deze wet zijn de voormalige Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet opgenomen. De Wet Natuurbescherming staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Het voorziet in duidelijke en eenvoudige regels ter bescherming van waardevolle natuur en in minder administratieve lasten.
Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevinsgwet.
Het verzoek heeft betrekking op een functiewijziging van een bestaand pand. Met het oog hierop is nader ecologisch onderzoek niet nodig.
4.2 Archeologie
Een van de doelstellingen van het Verdrag van Malta is de afstemming van het archeologisch belang met de ruimtelijke ordening. Daarom heeft de wetgever ervoor gekozen om de bescherming van het archeologisch erfgoed in te bedden in de ruimtelijke ordening. Op grond van de Monumentenwet 1988 dient de gemeente bij het vaststellen van bestemmings- en wijzigingsplannen rekening te houden met archeologische waarden en verwachtingen.
Het wijzigingsplan heeft geen betrekking op een uitbreiding van de bouwmogelijkheden. Nader archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde. Voor de volledigheid hebben wij de FAMKE kaart geraadpleegd. Hier komt het volgende uit naar voren.
Voor de IJzertijd - Middeleeuwen is het advies "karterend onderzoek 3". Voor de Steentijd - Bronstijd is het advies "karterend onderzoek 3". Dit betekent dat er onderzoek dient te worden gedaan bij ingrepen van groter dan 5000m². Het verzoek is gericht op een deel van het perceel met een oppervlakte van 659 m². Gelet op de Famke kaart is nader onderzoek naar Archeologie niet aan de orde.
4.3 Bodem
Ten behoeve van de functiewijziging is een verkennend - en naderbodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van een indicatie van de kwalitet van de grond en het ondiepe grondwater ter plaatse.
Op basis van het uitgevoerde nader bodemonderzoek blijkt dat er ter plaatse van de huidige garage op het perceel matig en sterk verhoogde gehalten met minerale olie zijn aangetroffen, echter is er geen sprake van ernstig geval bodemverontreiniging op het perceel.
Aanbevolen wordt bij eventuele toekomstige civiele werkzaamheden in de verontreinigde
grond te laten saneren door een erkend bodemsaneerder. Voorafgaand aan de start van een eventuele sanering dient het bevoegd gezag (gemeente) toestemming hebben verleend voor het plan van aanpak waarin de sanerende werkzaamheden worden omschreven.
Geconcludeerd kan worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingswijziging van het perceel.
Het volledig verkennend- en nader bodemonderzoek is bijgesloten als bijlage (bijlage 1).
4.4 Water
Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen waarin wordt aangegeven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.
In deze paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is een schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten”.
Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect.
Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het voorliggende plan via de Digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Verder overleg met Wetterskip Fryslan is niet nodig. Wetterskip Fryslan concludeert dat er geen waterschapsbelang is (zie bijlage 2).
4.5 Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de
woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te
voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.
De omgeving wordt gekenmerkt, door een mix van woningen en bedrijvigheid, als gemengd gebied. Ten westen van het plangebied is bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Ten oosten van het plangebied is bedrijvigheid tot milieucategorie 2 toegestaan. Voor milieucategorie 3.1 geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Voor milieucategorie 2 geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter.
Figuur 1: Afstand tot bedrijvigheid
Het planvoornemen voldoet aan de bovengenoemde richtafstanden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.6 Geluid
Een woning is in het kader van de Wet geluidhinder een gevoelig object. Dit houdt in dat ter
plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te
zijn. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de gestelde akoestische eisen. Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer.
Omdat er in deze concrete situatie sprake is van één weg en er sprake is van een reeds bestaande woning, adviseert de FUMO de geluidwering voor de toekomstige geluidsgevoelige vertrekken af te stemmen naar een binnenniveau van 38 dB (saneringsnorm). Met deze benadering kan gemotiveerd worden of er sprake is van een
goed woon- en leefklimaat ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke wijziging (horecabestemming naar woonbestemming).
De hoogste geluidbelasting bedraagt 57 dB. Omdat de locatie is gelegen binnen de wettelijke geluidszone van het gezoneerde industrieterrein "Skûlenboarch". Er is derhalve sprake van cumulatie conform artikel 110f Wgh. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 60 dB.
Geconcludeerd kan worden dat met de huidige bouwkundige staat en de benodigde ventilatiedebieten het binnen niveau in de woonkamer/keuken geborgd is. Het kantoor gesitueerd aan de westgevel voldoet op het moment niet aan het vereiste binnenniveau. Met het vervangen van het kozijn is ook het binnenniveau van het kantoor geborgd. In de voorschriften van het wijziginsplan staat dan ook dat het bouwwerk conform moet worden uitgevoerd.
Het volledig akoestisch onderzoek is bijgesloten als bijlage (bijlage 3).
4.7 Externe veiligheid
De overheid heeft de afgelopen jaren veiligheidsnormen vastgelegd die in acht moeten worden genomen en waarmee zowel op het gebied van milieu als op het gebied van de ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Nieuw aan het veiligheidsbeleid is dat
de afwegingen ten aanzien van risico’s op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben duidelijk zichtbaar moeten worden gemaakt en niet langer onbewust of impliciet plaatsvinden.
De provincie Fryslân heeft hiertoe een risicokaart vervaardigd, waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. De op de risicokaart getoonde kwetsbare objecten zijn woningen, gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).
Kwetsbare objecten staan op de risicokaart omdat ze extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Daarnaast bestaat er een potentieel risico bij brand of instorting.
In de nabijheid van het plangebied is transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en transport van gevaarlijke stoffen over water aanwezig.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
In en in de nabijheid van het plangebied loopt een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie. Omdat er sprake is van hogedruk aardgastransportleidingen is het Bevb van toepassing. De leidingen hebben, volgens de gegevens van Gasunie en de professionele Risicokaart, de volgende kenmerken:
|
Eigenaar |
Leidingsnaam |
Diameter (inch) |
Druk (bar) |
1% letaliteitszone (invloedsgebied) in meter |
100% Letaliteitszone in meter |
|
Gasunie |
N-505-21 |
18 |
40 |
200 |
100 |
Invloedsgebied
De 1% letaliteitzone (het invloedsgebied) van de transportleiding valt niet binnen
het plangebied. De woning ligt ook niet binnen de 100 % letaliteitszone. Dit houdt in dat er geen verantwoording van het groepsrisico (GR) nodig is.
Figuur 2: afstand tot buisleiding
PR
Het Bevb stelt dat er geen kwetsbare objecten mogen voorkomen binnen de 10-6 contouren
van leidingen waarin gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Als dat toch het geval
is dan is er sprake van een zogenaamd knelpunt. De leiding N-505-21 kent geen PR 10-6 contour. De plaatsgebonden risico (PR) vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Transport van gevaarlijke stoffen over water
Aan de zuidzijde van de beoogde woning bevindt zich het Prinses Margrietkanaal. Over dit
kanaal vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Volgens de cRNVGS is het Prinses Margrietkanaal een zwarte vaarweg. Op zwarte vaarwegen wordt alleen gebruik gemaakt van binnenvaartschepen en niet van zeeschepen. Voor deze vaarwegen zijn risicolijnen vastgesteld, waarbij het PR vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over die vaarweg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Binnen deze risicolijn is bebouwing in beginsel niet toegestaan.
PR
Voor vaarwegen die door de binnenvaart worden gebruikt voor het vervoer van
gevaarlijke stoffen gelden geen afstanden. Op die vaarwegen mag er van uit worden
gegaan dat het PR op het water kleiner is dan 10-6 per jaar (de PR 10-6 contour ligt op de
rand van het water).
GR
Voor de GR berekening dient te worden gerekend met vervoersintensiteiten zoals
vermeld in bijlage 3 van de cRNVGS. Voor externe veiligheid is de stofcategorie GF3
maatgevend. In de cRNVGS is het aantal schepen dat met de gevaarlijke stof GF3 vaart
op nul gesteld. Dit houdt in dat geen GR berekening hoeft te worden uitgevoerd.
Plasbrandaandachtsgebied (PAG)
Voor zwarte vaarwegen geldt dat het toekomstige PAG uit een zone van maximaal 25
meter bestaat waarbinnen niet zonder meer gebouwd mag worden. Deze 25 meter wordt
landinwaarts vanaf de waterlijn gemeten. De beoogde woning valt niet binnen de zone van 25 meter.
Geconcludeerd kan worden dat het transport van gevaarlijke stoffen over het water geen
belemmering vormt voor het bestemmingsplan.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid een belemmering vormt
voor de haalbaarheid van voorliggend plan.
4.8 Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
(NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor Luchtkwaliteit. Het NSL is in werking getreden op 1 augustus 2009. Voor Fryslân is geen regionaal samenwerkingsprogramma afgesproken. Grote projecten moeten dus wel getoetst worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de Regeling NIBM.
De regeling houdt in dat als er een verslechtering van de luchtkwaliteit van ten hoogste 3% of minder van de grenswaarde optreedt, het project niet in betekenende mate (nibm) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Voor de komende jaren wordt door Milieu en Natuur Planbureau een daling van de relevante achtergrondconcentraties van zowel PM10 als NO2 met circa 0,4 - 0,6 µg/m³ per jaar verwacht als gevolg van (internationaal) bronbeleid.
Indien de toename van het verkeer op de weg groter zou zijn dan ongeveer 700 mvt/etmaal kan de grens van 3% (een toename van 1,2 μg/m3 NO2 of PM10) worden overschreden. Met het voorliggende plan is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarmee wordt dus aan de 3%-norm voldaan. Het plan kan dan ook worden beschouwd als een nibm-project. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan, gelet op het voorgaande, achterwege blijven.
4.9 Conclusie
De diverse omgevingsaspecten staan de gewenste ontwikkeling niet in de weg.
Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. De wijze waarop deze regeling juridisch is vormgegeven, wordt in grote lijnen bepaald door de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de bestemmingen, zoals die in dit wijzigingsplan van toepassing zijn. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de planregels en op een digitale en analoge verbeelding. De analoge verbeelding en de planregels vormen één geheel en zijn niet afzonderlijk leesbaar.
De regels bevatten allereerst een bestemmingsomschrijving.
Per bestemming wordt uitgewerkt voor welke doelen of functies de gronden mogen worden benut. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouw- en gebruiksregels en regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden opgenomen. In de bouwregels zijn - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - eisen gesteld aan de hoogte, aard, situering, aantal bouwlagen enzovoorts van gebouwen en bouwwerken.
De gebruiksregels verbieden bepaalde vormen van gebruik binnen een bestemming (specifieke gebruiksregels) dan wel alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming (algemene gebruiksregels).
Tenslotte bevatten de meeste bestemmingen regels om het bestemmingsplan te wijzigen. Die wijzigingen kunnen betrekking hebben op een functiewijziging en/of op het veranderen van bouw- en/of gebruiksregels.
- Tuin -
Om het onbebouwde karakter van voortuinen en bepaalde zijtuinen te beschermen, is daarvoor de afzonderlijke bestemming ‘Tuin’ opgenomen.
Dit dient zowel het ruimtelijk beeld als het belang van omwonenden. Bebouwing is binnen
deze bestemming niet toegestaan. Dat sluit aan op de gegroeide praktijk. Ter wille van een
zekere flexibiliteit mag een woonhuis binnen de bestemming overigens wel met een erker
uitgebouwd worden. Bij grote, diepe voortuinen kan afgeweken worden van het bouwverbod.
Onder voorwaarden kan worden toegestaan dat een tuinprieel o.i.d. van geringe omvang
wordt gebouwd.
Ook de erfafscheidingen zijn binnen de tuinbestemming lager: maximaal 1,00 m voor de
voorbouwgrens, en achter die grens maximaal 2,00 m.
- Wonen -
Bij de bestemming W – A1 gaat het om vrijstaande woningen met het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege een industrieterrein op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie"
De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis, een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten.
De oppervlakte van de beroeps- of bedrijfsruimte mag 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel bedragen, met een maximum van 50 m².
Binnen de bestemmingen is een bepaalde mate van flexibiliteit mogelijk. Door middel van een wijzigingsbevoegdheid kan het bevoegd gezag besluiten de bestemming te wijzigingen in een andere woonbestemming. Tevens kunnen onder bepaalde voorwaarden wijzigingen worden uitgevoerd die betrekking hebben op de ligging van een bouwvlak.
De maximale oppervlakte aan bebouwing per woning in het buitengebied is door de Provinsje in de Verordening Romte vastgesteld op 300 m². Bestaande bebouwing, die boven dit maximum uitgaat, mag worden gehandhaafd. In de planregels is hierop ingespeeld.
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.
6.1 Economisch
De wijziging wordt op verzoek van een private partij doorgevoerd. Realisatie vindt plaats binnen de randvoorwaarden die de gemeente onder meer met dit wijzigingsplan aangeeft.
Tussen de aanvrager en gemeente is, met inachtneming van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening, een overeenkomst worden gesloten met betrekking tot verhaal van eventuele planschade. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en hoeft geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening te worden vastgesteld.
Hierbij merken wij nog op dat de kosten voor het voeren van een wijzigingsplanpocedure worden gedekt door de leges die door een wijzigingsplanprocedure door de initiatiefnemer moet worden betaald.
6.2 Maatschappelijk
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is Afdeling 3.4 Awb van toepassing. Het wijzigingsplan is, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingediend.